PREDIKING VAN CHRISTUS
 
Er leven bij ons allerlei eenzijdige en beperkte voorstellingen van de prediking van Jezus. Een van de voornaamste beperkingen daarin bestaat in de gedachte dat de Heere alleen maar beloften uitgesproken heeft. Hij heeft alleen maar het Evangelie verkondigd. Hoe moeten wij dat bezien? Het is immers heel belangrijk en bepalend voor ons om te weten hoe de Heere Jezus heeft gepreekt.
 
Prediking van Christus is geadresseerd

 

In "De Saambinder” schreef ds. P. Mulder momenteel artikelen over de prediking. Hij legt accenten die door ons in deze tijd te makkelijk vergeten worden. Preken is een zo complexe en veelomvattende bezigheid, dat dit onderwerp voor ons blijvende actualiteit bevat.

 

Mij trof het meest wat hij schrijft over de prediking die de Heere Jezus hield onder de Joden. "Vaak wordt het zo voorgesteld alsof Hij in Zijn preken alleen liefelijk en troostvol was. Maar juist deze Christus stelde de twee wegen zo duidelijk aan de orde". Verder geeft hij aan dat zaken als hel en oordeel door Hem niet gemeden worden, maar juist een zekere nadruk krijgen.

Desondanks leeft onder de massa van nu het beeld van een liefdevolle en immer troostende Heiland, zoals ook het beeld van een God Die liefde is, overheersend in veler gedachten domineert. Dit eenzijdige beeld is schadelijk omdat men dan niet kan rijmen dat er zoveel ellende en oordelen in de wereld zijn. Ds. Mulder handelt verder over een van de meest bekende preken van de Zaligmaker, namelijk de Bergrede.

Een eenzijdige Christusprediking, zoals deze ook naar mijn mening in onze tijd voorkomt,  kan eveneens leiden tot grote geestelijke schade en misleiding. Is dan Christus niet de volkomen openbaring van de liefde van God? Dat is zeker waar. Hij de Redder en Zaligmaker van Zijn kerk; Hij is de Bruidegom van Zijn bruidskerk en de liefde van Christus vormt voor de apostel de rijke inhoud van de prediking. Dat moet boven alle dingen vaststaan. Maar de liefde van Christus moet niet verward worden met allerlei menselijke voorstellingen daarover, die geen recht doen aan Zijn volle Goddelijke openbaring. God is de gans Andere en dat geldt ook van Zijn Zoon. We vergeten vaak dat de Heere Jezus in heiligheid en verhevenheid Dezelfde is als de Vader. Paulus, sprekend over Christus, geeft als toevoeging: de Gekruisigde. Daarin blijkt de kern van de zaak. Het kruis spreekt van Gods liefde voor zondaren en tegelijk ook van Gods heilig recht, dat de zonde bezoekt met toorn en oordelen.

Als ik dit onderwerp overdenk, constateer ik dat het goed zou zijn als we eens systematisch zouden onderzoeken wat de kern is van de prediking van Jezus. Ik wil mijn artikel daarover toespitsen op een drietal zaken, die voor ons ook in deze dagen heel structureel moeten zijn.

 

De prediking van Christus heeft een adres, een verschillend adres. Ds. Mulder heeft daar ook op gewezen in verband met de zaligsprekingen. De Heere richt Zich tot a/ openlijke zondaren; ook b/ tot de Farizeeën; verder tot c/ het volk (de schare) en tenslotte tot d/ Zijn discipelen. Dat zijn zo al vier verschillende soorten hoorders. Dit houdt in dat we niet zo maar elk woord van Hem kunnen toepassen op elke willekeurige hoorder.

Er is een groep hoorders, tot wie de Heere nimmer spreekt van beloften. De Farizeeën wordt een ernstig "wee u” voorgehouden. Zij worden niet gerekend tot de vermoeiden en belasten. Hun wordt zonder meer geen rust verkondigd. Tot hen komt alleen een ontdekkende en een afbrekende boodschap. We gaan er van uit dat er voor ieder mens beloften in de Bijbel staan. Daar ben ik ook van overtuigd. Toch spreekt de Heere Jezus daarover tot hen niet. Ook wij zullen er dus mee moeten rekenen dat er een duidelijk afbrekende en ontgrondende prediking gehoord moet worden. En…. dat behoort ook tot de rechte Christusprediking. Want hoe dan ook, een Farizeeër moet eerst een tollenaar, een ontdekte zondaar worden. Maar kan en mag een mens, ieder mens, dan niet tot de Heere komen zoals hij is? Dat is waar, maar hij moet er dan wel voor open staan dat de Heere ook spreekt over zonde en schuld en dat Hij het is Die de boodschap bepaalt.

Nu kunnen we denken dat de Farizeeër op grote afstand van ons leeft. We hebben daar ook een bepaalde voorstelling over. Maar er zitten heel wat meer Farizeeërs in de kerk dan wij denken. De Farizeeër leeft in ons aller hart. Van nature is iedere kerkganger een Farizeeër gelijk. Dus hebben wij allen die afbraak in de bediening van het Woord nodig. Deze groepering hoorders heeft grote delen van de boodschap van Christus bepaald en daar hebben wij ook mee te rekenen. We doen onszelf tekort als we dit vergeten. Dit onderstreept de noodzaak van een ontgrondende Christusprediking.

 

De "zondaren” vormen een andere groep hoorders. De Heere neemt een geheel andere houding tegenover hen aan dan de zoëven genoemde categorie. Hij ontvangt hen en eet met hen. Hij onderwijst hen en bezoekt hen in hun woningen, zoals Zacheus mocht beleven. Hij vergeeft hun zonden en is zelfs hun Pleitbezorger bij de mensen, vooral bij de Farizeeën. Tot hen komt een heel andere boodschap. Zij delen in Gods genade en hunner is het Koninkrijk der hemelen. Terwijl we nu de woorden, gesproken tot de wetgeleerden, links laten liggen, zijn we spoedig geneigd de woorden, geadresseerd aan deze zondaren, naar ons toe te halen. Maar we mogen ons gerust afvragen of dat wel terecht is. Denk eens aan de gelijkenis van de Farizeeër en de tollenaar. De rechte Woordbediening zal de gemeente deze tweeërlei gestalte voorhouden. Bent u de een of bent u de ander? Omdat nu de tollenaar deelt in de blijken van Gods genade, dreigen we onszelf eerder te vereenzelvigen met de tollenaar dan met zijn collega-kerkganger.

Toch erkennen we eerlijk, als het goed is, dat we ons niet graag zo diep vernederen voor God en de mensen als deze tollenaar mocht doen.

Let hier op het adres. De Bijbelse Christusprediking zal onderscheid maken tussen de hoorders en deze zal onderscheid maken, zodat we hier moeten spreken van een onderscheidenlijke prediking. Deze is gestoeld op de woorden van de Zaligmaker Zelf.

 

Een derde groep kunnen we aanduiden als de schare, het gewone volk, ook wel genoemd: de Joden. We kunnen hen op één lijn stellen met de verbondsgemeente. We moeten oog hebben voor de diepe bewogenheid van de Heere Jezus met deze schare. Ze zijn in Zijn ogen als schapen zonder Herder. Als de mensen geen brood hebben, wil Hij hen niet hongerig van Zich laten. Hij richt Zich in Zijn prediking ook heel vaak tot hen. Hij worstelt om hun behoud. Hij wil hen bijeen vergaderen gelijk een hen haar kuikens. Het is echter schokkend om te merken hoe de Heere hen geestelijk taxeert. In Johannes 2 lezen we over het geloof van deze mensen, maar de Heere neemt een sceptische houding aan tegenover dat geloof. Hij betrouwt hen Zichzelf niet toe. In hetzelfde evangelie lezen we veel gesprekken met het volk. Het valt dan op welke woorden Hij tot hen spreekt. Hij stuit bij hen op een harde muur van verzet, van fel ongeloof en harde afwijzing (Joh. 5:16v, 40,44,47; 6:15,26,36,41,52,60,64,66). In de volgende hoofdstukken lijkt de controverse alleen maar toe te nemen.

De Heere heeft voor de ogen van de schare veel wonderen verricht. Dat resulteerde aanvankelijk in een oppervlakkige vorm van aanvaarding, die later radicaal omsloeg in haat en verzet. Het is deze schare die de Heere aan het kruis heeft genageld. Zij kozen voor de keizer en niet voor koning Jezus.

Nu wist de Heere volmaakt wat in de mens was. Wij doorgronden de hoorders vaak niet en dus moeten we hiermee voorzichtig en terughoudend omgaan. Maar deze overweging moet ons toch in ieder geval ertoe brengen de mensen niet te spoedig te zien als gelovigen. Er moet dan worden geconstateerd dat de gemeente in onze tijd niet zelden te hoog aangeslagen wordt. Wij als brengers van de blijde boodschap moeten ons hierdoor laten onderwijzen. En wij als hoorders moeten gedurig bidden of de Heere ons wil afbrengen van deze schadelijke wegen.                                                       

Desondanks moet vast staan dat de Heere ook van deze schare de Zaligmaker wil zijn. Zijn liefde zoekt hen, maar die liefde, juist die liefde, gebruikt het eerlijke onderwijs, opdat het hen zou leiden tot bekering en geloof.  Hierover zou nog heel wat meer gezegd en nagedacht kunnen worden; Schriftonderzoek vanuit deze invalshoek en met deze vragen is nodig.

 

Tenslotte zijn er de discipelen. Zij zijn de Heere Christus gevolgd in de wedergeboorte en dat is merkbaar in Zijn specifieke onderwijs aan hun adres. Zij hebben alles opgegeven en zijn Hem gevolgd. Zij stelden zich uit liefde bloot aan de smaad van mensen. Niet dat het hoog geestelijke en diep doorgeleide mensen waren. Er waren elementen in de prediking waar zij pertinent niet aan wilden. Denkt u maar aan de boodschap over het aanstaande lijden van Jezus. Daarvoor was voor hen geen plaats. Zelfs verzetten zij zich daartegen. Verder zijn er ernstige dieptepunten in hun leven geweest. Zij staan op grote afstand van de kruisheuvel. Ze hebben de woorden over de opstanding niet begrepen. Ongeloof blijkt juist rond de opstandingsmorgen hen ernstig parten te spelen. Dus ook Gods volk moet aangesproken worden op hun ontrouw en kleinmenselijkheid. Toch mogen zij delen in het intieme onderwijs van de Heiland. Hij noemt hen eerst dienstknechten, daarna vrienden en rond de opstanding zelfs broeders. Het is voor de predikers niet eenvoudig om de ware discipelen in onze tijd te onderkennen en aan te spreken. We mogen echter niet zonder meer de woorden, tot hen gericht, toepassen op heel de gemeente. Al deze onderscheidingen vereisen biddend onderzoek en geestelijke kennis.

Over de liefde van Christus mogen we het allemaal eens zijn. Over de wijze waarop Hij deze liefde gestalte geeft, bestaat helaas te veel onkunde.

 

Er zijn naast het thema van het adres van Zijn prediking ook enkele andere zaken, die mij voor de geest staan. Het lijken me ook accenten die we niet vaak  verstaan. Ik denk dan aan de beschrijvende vorm in de gelijkenissen en aan het feit dat Christus Zich allereerst in alles richt op de Vader. We zullen ook daarover nog eens verder moeten nadenken. Voor dit ogenblik is het genoeg dat we de vraag stellen en het antwoord daarop vinden: Wie zijn wij?

 

 

 

 

Prediking van Christus was allereerst op de Vader gericht

 

Trinitarisch

 

Het moet wel opvallen dat de Heere Jezus in Zijn prediking allereerst de Vader op het oog heeft gehad. Een klein onderzoek kan dat bevestigen. In het Mattheusevangelie spreekt Hij meestal over "Uw vader” (6:4,6,18; 10:20; 23:9 eap). Mattheus spreekt, zij het in mindere mate dan Johannes, toch ook over de Vader als de Vader van Christus (11:27; 18:10; 26:39,42,53). Bij Markus en Lukas treffen we het spreken over de Vader in mindere mate aan. Zeer opvallend is het spreken over de Vader daarentegen in het laatste Evangelie. Johannes geeft aan dat de Heere Jezus zeer menigvuldig sprak over Zijn Vader. Leest u slechts de hoofdstukken 5,6,8,10,14,16 en 17. In dit Bijbelboek vinden we de meeste gesprekken en toespraken van de Heere Jezus weergegeven. We kunnen dus zeggen dat Christus primair Zijn Vader op het oog had en steeds deed merken dat alles wat Hij deed bedoeld was als gehoorzaamheid aan de Vader.

 

Wat kan dit voor ons betekenen?

Ik merk allereerst op, dat in onze tijd deze notie niet zelden op de achtergrond is geraakt. De meeste mensen die spreken over hun geloof, hebben "een relatie met Jezus”. Deze wijze van benadering weet vooral van de menselijke natuur; men ziet Jezus als Mens als Vriend. Een peilend onderzoek zou aan het licht moeten brengen of dit inderdaad een juiste conclusie is. Maar uit ervaring kunnen we weten dat veel christenen en kerkleden nauwelijks kunnen aantonen uit Gods Woord dat Jezus de Zoon van God is. Daaruit blijkt zonneklaar dat het niet leeft in veler bewustzijn.

Waarop berust dit eenzijdig leven bij  de Persoon van Jezus, zonder de diepere achtergrond te kennen van de Vader en de Zoon? De rechte prediking moet, het werd reeds gezegd en benadrukt door Prof. W. Kremer, trinitarisch getoonzet zijn.

Hier doet zich een probleem voor. Want Paulus schijnt zijn prediking ook uitsluitend te laten beheersen door "Jezus Christus en Dien gekruisigd” (1 Cor.1:23; 2:2).  Hij heeft zich niets anders voorgenomen te prediken dan Jezus Christus en Dien gekruisigd. Poole geeft het volgende hierbij aan: "Christ, and him crucified;  or, I determined with myself to carry myself amongst you, as if I knew nothing of arts, or sciences, or languages, but only Christ, and him crucified;  not to make any thing else the subject of my public discourses”. Paulus geeft de inhoud van zijn boodschap aan in onderscheiding van die der filosofen en wereldse leraars. Dat geeft het vervolg van 2 Corinthe 2 ook nader aan. Dus vat het niet op als een terzijde stellen van de Drieëenheid. Het kruis wordt  gesteld tegen de verachting van de Joden en de Grieken, die andere dingen najagen.

Het is ook duidelijk uit de verdere prediking van de apostel, dat hij ook de Vader en de Heilige Geest dikwijls noemt. Hij geeft de Persoon en het werk (kruis) van Christus aan als de grond der verzoening, zoals dat behoort. Maar het uiteindelijke doel ligt in de volbrenging van de wil des Vaders en Zijn Persoon is ook voor Gods kinderen het doelwit (Rom.8:15; 15:6; 2 Cor.13; 6:18; 11:31; Gal. 1:1,3,4; 4:6; eap). Deze lijn loopt door heel de prediking van de apostel.

 

Hoe is het nu mogelijk dat we veel van deze Schriftgegevens over het hoofd zien? 1. Dat wordt enerzijds  veroorzaakt door het bovenvermelde gegeven uit 1 Cor 2:2. In de tweede plaats 2. omdat het werk van Christus van zeer centrale betekenis is. Zondag 1 vraagt naar de enige troost en deze wordt dan centraal gezien als het eigendom van Christus te zijn. Zijn Persoon gaat voorop en de beide andere Goddelijke Personen komen daarna in beeld. Ook de Vader stelt Zijn Zoon Christus voor de aandacht, als Hij getuigt dat Hij in Hem een welbehagen heeft. Dat mogen we nooit vergeten. Christus is de verdienende Oorzaak van alle zaligheid. Christus is alles in allen. We mogen ook niet over het hoofd zien dat de Heere Jezus veeelvuldig Zichzelf uitroept als de enige grond van behoud. Denkt u eens aan alle "Ik ben” woorden, waarin Hij beeldend spreekt over Zichzelf. Hij is het levende brood, het water des Levens, de goede Herder, de Weg, de Waarheid en het Leven. Het kan dan wel niet anders of ook wij moeten Hem prediken als de grond en inhoud van de prediking. Elke prediking moet ook en vooral Christusprediking zijn.

Dit geldt ook van de geloofsbeleving. De grote strijd in het persoonlijke leven is die welke zich beweegt tussen de werken en tussen Christus. Geloof en werken, Christus en Mozes; daarin ligt de tegenstelling verklaard. Gods volk moet leren afzien van de werken en men moet leren opzien tot Christus. Hij moet een gestalte in hen verkrijgen. Zij moeten ook naar Zijn beeld vernieuwd worden. Dat is een fel en een verbeten gevecht. De wet en de vrome mens strijden om de voorrang en betwisten Christus Zijn rechten. Het moet uiteindelijk worden Christus alleen!

En dan toch een trinitarische prediking?

Ja, omdat Gods Woord dat alom ook overduidelijk aangeeft. Deze prediking gaat ook niet ten koste van de Christusprediking. Integendeel, het is de wil van Christus dat de Vader verheerlijkt wordt. Het was Zijn verheven en grote doel (Joh.17:6).

Waarin ligt het eerste doel van Zijn komst en waarin ligt het doel van de prediking? Denk dan allereerst aan de eer van God de Vader en de gehoorzaamheid aan Zijn wil. Psalm 40 spreekt daarover: "Toen zeide ik: Zie, ik kom; in de rol des boeks is van mij geschreven. Ik heb lust, o mijn God! om Uw welbehagen te doen; en Uw wet is in het midden mijns ingewands” (vers 7,8). Het werk van Christus werd in heel het Oude testament voorgesteld als het dragen van de zonden door het Lam Gods.  Er kan in de Drieëenheid van God geen sprake zijn dat  een der Personen boven de anderen zou zijn. Er is een volkomen gelijkvormigheid in het wezen van God. De drie Personen zijn ook niet gescheiden, maar onderscheiden van elkaar. De Vader verheerlijkt de Zoon en de Zoon verheerlijkt de Vader en de Geest verheerlijkt de Vader en de Zoon. Deze gaat van beide Personen uit.

 

Ik kom nu tot 3. een derde oorzaak. Het ware geloof moet zichzelf afvragen waar het ons om te doen is. Gaat het ons om onze zaligheid? We zullen met schaamte moeten erkennen dat we het daarin zo vaak zoeken. Ten diepste is de zucht naar zelfbehoud de mens diep ingeworteld. Maar het accent dat Calvijn heeft gelegd, namelijk de eer van God, moet toch geleerd worden. De mens met zijn eigen belangen moet wegvallen, opdat God Drieënig verheerlijkt worde. Is dat in ons leven al gebeurd? Of is dit ons een vreemde zaak?

We moeten toch in alle eerlijkheid vaststellen dat we hier spreken over een aangelegen punt, ook over een menigmaal vergeten hoofdstuk.  In vroegere dagen sprak men er wel eens van verzoend te zijn met een Drieënig God. Wat betekent dat? In de taal van vroeger werd ook wel opgemerkt dat we niet tegen Jezus gezondigd hebben, maar tegen God. Dat lijkt me niet helemaal goed uitgedrukt, maar de bedoeling is zuiver. We hebben tegen God, de Drieënige God, gezondigd. Onze Catechismus leert de zonde kennen als zonde tegen God. We mogen dit niet beperken tot de Vader. Ons leerboek laat ook zien dat de Persoon van de Middelaar verschijnt voor hen die overtuigd werden van hun schuld. Zonder trap en maat daarvoor te stellen, is het toch een grondwaarheid dat de wet door Mozes is gegeven en de genade en waarheid door Christus zijn geworden (Joh. 1:17). Ook in Galaten 4: 5 vinden hetzelfde aangegeven. De Heere Jezus is gekomen voor diegenen die met vreze des doods bevangen zijn.

Deze verdieping, deze verrijking (!) raakt in het vergeetboek. Dit is echter geen oude theologie of gezelschapstheologie, maar het is de weg waarin de Heere zondaren leidt (Matth.11:28).  De tegenwoordige afbuiging van deze lijn gaat gepaard met de gedachte dat er buiten Christus geen leven is en dus moet men terstond, zoals men is, tot Jezus komen. Dat wordt gezien als een rijke nodiging. Klopt dat? Zeker, men moet terstond, zonder uitzondering, komen tot Hem. Men wachte niet op een moment, waarop u aan enige voorwaarde voldoen kunt. De toeleidende weg is feitelijk, goed beschouwd, al in Christus Zelf gefundeerd. Dat betekent dat Christus ook als Profeet onderwijst in de verdorvenheid van het zondaarshart. De rechte ellendekennis behoort tot de levende bediening van Christus, ook al weet men dat bewust niet. Christus leert de wet in een hoofdsom.

Helaas dreigt het gevaar in veel moderne preken dat men terstond tot Jezus komt en dat men zodoende ontkomt aan de kennis der zonde. Waar deze kennis der ellende door mensen wordt tegengestaan en verfoeid, daar is geen rechte kennis van Christus.

 

Gods volk leert bidden om ontdekking aan schadelijke wegen, die bij ons gevonden worden. Dus moeten we ons leven lang onze ellendigheid hoe langer hoe meer leren gevoelen en geloven, opdat Christus een gestalte in ons hart verkrijge. Opdat we ook met God verzoend mogen zijn. Dat was de bede van de tollenaar "O God, wees verzoend met mij, de zondaar”. Zo geraken wij tot de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat.

 

Hiermee hangt ook de vraag samen of gelovigen nu rijke of arme mensen zijn. Het lijkt me geen goede vraag. Het is niet òf- òf, maar het is beide. Gods volk is rijk geworden door het geloof in Christus (2 Cor. 8:9). Rijk in God en tegelijk arm in zichzelf. Waar het gevoel van armoede overheerst, ontbreekt er iets aan het geloof. Anderzijds zullen juist en vooral diegenen die de rijkdom hebben leren kennen, te meer hun schuld en dagelijkse zonden als een grote armoede leren zien. Lees ook in uw Bijbel dat de Heere Zich doet overhouden een ellendig en arm volk, die op de Naam des Heeren leren betrouwen (Zef.3:12). De Heere Jezus heeft de armen van geest zalig gesproken. Het is merkbaar dat veel christenen niet arm willen zijn. Je bent nu eenmaal liever een overwinnaar dan een bedelaar of een tollenaar. Hoe schokkend is het als al onze vermeende rijkdom enkel armoede is ( Openb.3:17).

Gods kind leert gekruisigd te worden met Christus en deel te krijgen aan Zijn vernedering en Zijn verhoging. In de gelijkmaking aan Zijn dood worden we arm in onszelf. In 2 Corinthe 6:10 staat het zo geschreven: "Als droevig zijnde, doch altijd blijde; als arm, doch velen rijk makende; als niets hebbende, en nochtans alles bezittende”. Arm en toch rijk, rijk en ook arm!

 

Het bovenstaande moge aantonen dat het veelvuldig spreken en preken over Jezus, zonder de geestelijke diepten van de Drieënige God, en getuigenis is van een verkeerde voorstelling van zaken en een geestelijke misleiding.

 

 

  

 Prediking van Christus is ook beschrijvende prediking

 

Beschrijvende prediking vormt in zekere zin een tegenstelling met een appellerende prediking. Appellerende prediking doet een direct en beschrijvende prediking doet een indirect appel op de luisteraar. Een beschrijvende preek is in veler ogen een vrijblijvende preek; dat kan in bepaalde gevallen een juiste benaming zijn. Maar dat geldt lang niet altijd.

Een appellerende preek heeft heel oude papieren. Gods Woord doet op veel plaatsen een duidelijk appel op de mens. Dit komt tot ons in bevelen, raadgevingen, waarschuwingen, nodigingen en beloften. Maar dat geldt evenzeer van een descriptieve preek. Hoe verhouden zich deze aanduidingen in de prediking van de Heere Jezus?

 

Het is zonneklaar dat beide typen van prediking in de Heilige Schrift voorkomen. Zoals Gods Woord in veel gevallen een appel doet op de mens, zo kan anderzijds ook gezegd worden dat het exemplarische element in Gods Woord geenszins ontbreekt. Levens van vromen worden voorgesteld en uitvoerig verteld; zij zijn exempels (voorbeelden) voor ons, zoals Gods Woord zegt (1 Cor.10:1). Men mag dus een beschrijvende preek op zich niet aanduiden als enkel vrijblijvendheid. Zeker kan een slechts beschrijvende preek duiden op een visie waarin de verkiezing domineert en de beloften ontbreken. Echter naast een appellerend element moet er ook sprake zijn van een beschrijvende boodschap. Beide moeten naast elkaar voorkomen.

 

De prediking van de Heere Jezus nu heeft opvallend veel aanwijzingen in zich voor deze beschrijvende benadering. Ik denk dan vooral aan de gelijkenissen. Deze nemen een bijzondere plaats in in de prediking van Christus. In de geschiedenis hebben theologen heel verschillende verklaringen gegeven van de gelijkenissen. De een zag hierin onderwijs voor het persoonlijk geestelijke leven. Elke gedachte, elk onderdeel van de gelijkenissen kreeg daarin een geestelijke betekenis. In dat geval vatten we de gelijkenissen op als allegorieen. Anderen kwamen tegen deze uitleg in verzet en betoogden dat het in de gelijkenissen slechts gaat om practische levenslessen (Jülicher). Ridderbos verklaart de gelijkenissen heislhistorisch (tegenstelling van heilsordelijk). De gelijkenissen vinden hun enige doel in de aankondiging van het Koninkrijk der hemelen. De meeste visies op de gelijkenissen hebben een te gekunsteld karakter. Men brengt daardoor de eenvoud van de gelijkenissen in gevaar. Dat geldt voor mijn gevoel ook van de heilshistorische uitleg van Ridderbos.

 

We kunnen hier de volgende lijnen ontdekken in het spreken van Christus in deze vorm (gelijkenissen). In veel gelijkenissen wordt door middel van een eenvoudig beeld een typering gegeven van het leven binnen het Koninkrijk van God. Eenvoudiger gezegd: binnen het geestelijke leven. We kunnen als voorbeeld denken aan de bekende gelijkenis van de Zaaier. Daarvan geeft de Heere Zelf een verklaring.

Omdat het gaat om het zaaien van het Woord Gods, is het geen inlegkunde om dan te denken aan de prediking van de Heere Jezus en van daar uit ook aan de prediking, zoals deze nog steeds klinkt vanaf de kansels. Er worden vier mogelijkheden gegeven die zich voordoen als het Woord klinkt. Opvallend is dat er geen direct appel gedaan wordt op de hoorders; er wordt een situatieschets gegeven, die eenvoudig en duidelijk is. Daarna geen toepassing voor het volk om toch vooral dit te bedenken en zo te handelen; geen sterk appellerende en bewegende en overtuigende accenten. Het is alsof de lezer zelf de conclusie moet trekken. Voor ons is die uitleg niet onbegrijpelijk, maar dat komt omdat we de uitleg in hetzelfde hoofdstuk aantreffen. Het volk hoorde die uitleg niet.

Een beschrijvend verslag van een kerkdienst, van reacties op een preek. Naast andere vormen heeft ook deze beeldende weergave grote betekenis. Zoals al gezegd: er gaat ook van deze vorm van preken een appel uit, maar het is een appel dat de hoorder zelf gemakkelijk kan aanvoelen. Men noemt het wel vrijblijvend als er "slechts” een beschrijving wordt gegeven, maar het ìs niet vrijblijvend, zeker niet. We zouden deze prediking misschien ook kunnen aanduiden met de term "voorwerpelijk”. Er komen niet allerlei overredingen aan te pas. En als deze toch gegeven worden, zijn deze heel summier.

 

We moeten er in de preek immers ook voor oppassen dat we het geloof de mensen niet aanpraten. Dat gebeurt bijvoorbeeld ook wel rond het Heilig Avondmaal. We kunnen met behulp van sommige emotionele argumenten de mensen onder druk zetten. Zo heeft Christus feitelijk nooit gepreekt. Door allerlei te persoonlijke aanspreekvormen kan de zakelijke kant van de preek ondersneeuwen. De prediking moet echter zakelijk zijn en blijven. Dat is kenmerkend voor de prediking van de beste Prediker aller tijden. Op zijn tijd is het goed en nodig om aan te dringen, om allerlei vluchtwegen af te snijden, om de verschillende "ja maar’s" te ontzenuwen. Dat kan allerlei vragen voor de mensen oplossen en het kan de obstakels uit de weg ruimen. Maar het blijft wel verbazen dat de Heere Jezus dat in mindere mate doet dan veel andere predikers. Laat de preek niet opgaan in een wettische druk op de hoorder om Jezus aan te nemen. Een erg appellerende preek kan dan een wettisch karakter krijgen. Geloof wordt dan een werk van de mens. We moeten zelfs niet herhaaldelijk in een preek de vraag stellen of de mensen dit of dat wel kennen, want ook dat verliest op den duur juist het gewenste effect.

 

Nu wordt deze beschrijvende setting van de preek helaas wel versmald, doordat men deze beperkt tot een beschrijving van een verengd bevindelijk gebeuren in een mensenhart. Beschrijvend wordt het als we allerlei standen en trappen aan de mensen voorstellen. De onbekeerde hoorder wordt niet aangesproken of zelfs bewust genegeerd. Sommige voorgangers hebben deze vorm van preken bewust gebruikt, omdat ze geen woord hadden voor de onbekeerde kerkganger. Nog kwalijker wordt het als we in de tekst een bepaalde structuur aantreffen, die we er eerst zelf als een raster over de tekst in gelegd hebben. Dan wordt het inderdaad een vrijblijvende preek.

De Heere betrekt ieder mens erbij; denk maar aan de Zaaier. En de gelijkenis is zeer ontdekkend en deze ontdekking is bedoeld voor heel de gemeente.

 

Wat verder ook opvalt in de gelijkenissen van Jezus is dat ze een heel sterk vermanend en ontdekkend karakter hebben. Van de vier plaatsen op de akker waar het zaad valt, gaat het in drie daarvan helemaal mis. En de verklaring is schokkend; lees bijvoorbeeld die van het zaad  dat valt in de ondiepe aarde. De gelijkenis wekt in sterke mate de indruk dat men zich wel ernstig moet onderzoeken om te zien hoe het er met mij en u voor staat. In de gelijkenis van de tien maagden overheerst de waarschuwing ook.

Veel hoorders komen echter in de kerk om "bemoedigd” te worden. Er is een tijd geweest dat deze aanduiding een modewoord werd; het leek erop dat er geen andere legitieme vrucht van de preken mocht zijn dan alleen dit element. Bedenk dan dat de Heere Jezus niet toegegeven heeft aan deze verzoeking.

Ja, maar we hebben het toch zo nodig bemoedigd te worden. Het leven is ontmoedigend en de tegenslagen van de moderne tijd liegen er niet om. Mensen komen soms al gebogen en somber de kerk in. Het werkt dan niet goed als we de hoorders nog eens extra overladen met een mensonvriendelijke preek.

Toch pakken we de dingen in het gewone leven van alledag anders aan. Als u kiespijn hebt kunt u een apsirine nemen in de hoop dat de pijn ophoudt. Deze houdt dan meestal ook wel op, maar de kwaal komt weer terug. U weet dat u naar de tandarts moet gaan, maar u ziet ertegen op. U wilt hem uit de vingers blijven, want het kan pijn gaan doen. We herkennen dat allemaal. Laten we dan ook in geestelijk opzicht niet genoeg hebben aan een pijnstiller, die je wat verdooft. Geen huismiddeltjes, die maar voor even werken. Allerlei moeiten en zorgen in het mensenhart moeten soms grondig uitgediept worden zodat de zieke plek wordt weggeboord. Dan pas krijgt u rust. Zo heeft de Heere Jezus dat gedaan.

We moeten dus in de preken eerlijk aangeven dat er twee wegen zijn. Om die twee wegen gaat het heel dikwijls in de prediking van Jezus. Twee wegen, twee bouwers, twee zonen, twee kerkgangers, enz. Er worden geen zaken verbloemd. De prediking van Christus is diep ernstig. Daarmee strijd de luchtige en weliswaar goedbedoelde, maar toch oppervlakkige boodschap die we in onze tijd kunnen horen.

 

Het moet duidelijk zijn dat ook deze vorm van preken ten doel heeft om de mensen wakker te schudden. Denk aan de rijke jongeling. De Heere legt een zwaar accent op de eisen die Hij stelt. Hij schijnt zelfs te bedoelen dat we letterlijk van alles moeten afzien.  Het resultaat is dat deze jongeman bedroefd en treurig heengaat. Hij ging ellendiger weg dan hij kwam. Maar er was daardoor juist de weg voor hem om terug te keren tot Christus en biddend Zijn raad op te volgen. Juist zo werd hij getrokken en ik hoop dat hij dat verstaan heeft.

Nicodemus wordt ook niet onder druk gezet om toch vooral te geloven. De noodzaak van de wedergeboorte lijkt voot deze wetgeleerde te hoog. We weten dat hij later teruggekeerd is en dat het afsnijdende onderwijs van Christus doel getroffen heeft. Dat is de bedoeling.

De Heere sprak aan het adres van de Kananese vrouw harde woorden. De Heere zegt dat Hij voor haar niet gekomen is en dat zij maar een hond onder de tafel is. Bij haar blijkt wel heel duidelijk dat juist deze ernstige en vlijmscherpe aanpak vrucht heeft mogen dragen. Onderwerp u daarom aan de volle raad Gods in de prediking van Jezus. We hebben aan geen enkele zaak zoveel behoefte als aan waarheid. Deze waarheid brengt de volle, rijke genade Gods in Christus met zich mee.

 

 

 

 Wonderen van Jezus zijn onderdeel van Zijn prediking

 

Hoofdlijnen

In de wonderen blijkt de barmhartigheid van Christus;

De Heere benadert de zieken et cetera anders dan de schare;

Hoe verhoudt zich de prediking van Jezus met Zijn wonderen?

Wonderen garanderen geen zaligmakend geloof (geen vergeestelijking);

Wonderen vinden plaats ter wille van de grote werken Gods;

Noemt de Heere ook het historisch geloof geloof?

Welke plaats neemt de vergeving der zonden in in deze genezingen enz.?

 

tekenen

 

Christus heeft een groot aantal wonderen verricht. Deze hebben meestal te maken met zieken ellendigen. Het betreft doofstommen, blinden, lammen of kreupelen, bezetenen, melaatsen; doden werden zelfs opgewekt. Wonderen van een enigszins andere aard zijn de spijzigingen van grote groepen mensen en de redding van mensen in bijzondere noodsituaties, zoals Petrus die wandelde op het water. 

Deze wonderdaden worden gezien als tekenen van het Koninkrijk Gods. Ze dienen om de prediking van het Evangelie te ondersteunen. Blijkens Mark.1:38 vindt het optreden van Christus zijn eigenlijke doel in de prediking van het Evangelie. Dat bevestigt ook Ridderbos in zijn belangrijke werk: "De komst van het Koninkrijk”. Jezus ’wonderen zijn geen doel op zichzelf, maar ze zijn het middel waardoor De Heere Zich openbaart als Messias. Een wonder op bevel van de satan mist dit doel. Als de mensen te Nazareth vragen om wonderen, krijgen zij deze niet omdat zij niet openstaan voor de boodschap van Christus en Hem niet aanvaarden. Wonderen corresponderen altijd weer met geloof. Dat blijkt ui het bekende woord dat Hij in Nazareth geen wonderen kon doen vanwege het ongeloof van de schare (Mark.6:5). De Heere weigert op een andere plaats Zijn wonderen, omdat men deze begeerde buiten het geloof om (Mark.8:12).  Ridderbos toont duidelijk aan dat de wonderen in dienst staan van de prediking (blz.112-117).

De Heere deed geen wonderen voor een schare die deze begeerden om de tekenen zelf, uit een behoefte naar sensatie, maar Hij doet deze alleen voor hen die geloof openbaren en die in nood zijn. Denk in dit verband aan de bekende uitspraak over gezonden en zieken. Gezonden hebben geen Medicijnmeester nodig, maar zieken alleen (Matth.9:12). Hier ligt een kennelijke analogie met de prediking; ook deze heeft een duidelijk adres.

Het verschil tussen Zijn benadering van zieken en gezonden is en blijft opvallend. Hoe ernstig dat de schare geen deel heeft aan Zijn wonderen. Dit feit onderstreept de gedachte dat alleen armen en ellendigen delen in de vervulling van de beloften van het Evangelie. Ontdekking leidt tot de kennis van Christus en in Hem van de vergeving der zonden. 

Dit voorbeeld toont ook aan dat er heel veel kwalen zijn, die mensen zelf denken op te kunnen lossen. De vrouw die van achteren kwam om de zoom van Jezus’ kleed aan te raken, had alle artsen en heelmeesters bezocht, maar nergens vond zij baat. Het gaat er echter niet om dat onze kwalen onmetelijk groot voor ons worden, maar het gaat erom of we ermee tot de Heere gaan.

 

toevlucht

 

De prediking over de wonderen van Jezus is  een zeer geliefde bezigheid. Juist dan kunnen we hoog opgeven van de barmhartigheid en de ontferming van de Heiland. Wie tot Hem komt, zal Hij geenszins uitwerpen.

Zijn wonderen geven aan de prediking een breed nodigend karakter. Hier kan men echt Christus uitstallen in Zijn weldaden. Onze zonden behoeven geen reden te geven om niet tot Hem te komen. Denkt u maar aan duidelijke voorbeelden in hen die in de greep van zonden zich bevonden. Denk aan de moordenaar aan het kruis, aan de 38-jarige zieke (Joh.5:14), aan de vrouw die in overspel gegrepen was (Joh. 8:1-11), aan de geraakte die door het dak werd neergelaten (Luk.5:17-26), enz.  Soms is het zo, dat de Heere Zelf deze mensen vindt, in andere gevallen vinden de zieken Hem en roepen zij Hem aan. Er is een wisselwerking, een interactie. Wonderen geven ook aan dat er geen grenzen zijn aan de almacht van de Zaligmaker.

Moet de Kerk ook nu niet meer bedacht zijn op genezing en herstel van zieken en beproefden? Welke plaats moet dit alles nu innemen in de gemeente van Christus? Welke roeping hebben de ambtsdragers hier? We moeten er oog voor hebben dat allerlei ziekten mogelijkheden bieden om de kracht van het Evangelie voor te stellen. Tijdens het leven van Jezus mochten veel zieken komen tot een algehele genezing; ze mochten gaan delen in de dubbele weldaad van vergeving en genezing  (Psalm 103:3,4). Om deze reden heeft het ziekenbezoek in de gemeente en de voorbede tijdens de diensten een duidelijke heen wijzende betekenis. De Heere heeft nog meer dan dit om u te geven, meer dan alleen genezing. Het gaat om het ware geloof, om melaatsen die terugkeren tot de Heere uit dankbaarheid. De Heere wil wonderen doen bij hen die ziek zijn, ook lichamelijk ziek. Maar een genezing moet altijd ingekaderd zijn in een diepere en een geestelijker context.

 

Voorbeeld

 

 Er wordt verschillend gepreekt over de wonderen van Christus. Men kan het doen vanuit een heilsordelijke optiek of we volgen meer de heilshistorische lijn. In het eerste geval worden alle kwalen vergeestelijkt op een manier die voor alle kwalen de kwaal van de zonden invult. Als een blinde wordt genezen, ligt de spits naar de gemeente in het feit dat we allemaal blind zijn. Als een dode wordt opgewekt, geven we aan dat we allemaal dood zijn in zonden en misdaden. En zo kunt u doorgaan. We spreken van vergeestelijken (allegoriseren) als de natuurlijke, primaire betekenis wegvalt. Dit is een doperse afbuiging van de heldere lijnen der Schrift. Immers, de mens is niet alleen ziel, hij is ook een lichamelijk wezen. Lichamelijke en aardsgerichte zaken worden door Gods Woord niet als minderwaardig terzijde geschoven.

We doen echter ook geen recht aan Gods Woord als we blijven steken in lichamelijke aanduidingen. Het blijkt immers heel duidelijk uit de handelingen en de woorden van de Heere Jezus dat het gaat om een dieper liggende zegen, namelijk de verzoening met God en de wegname van allerlei geestelijke kwalen. We zien dat duidelijk in Johannes 9, waar het gaat om de genezing van de blindgeborene. De Heere Christus zet deze genezing Zelf in het grote perspectief van het zaligmakend geloof. Reeds in het begin geeft Hij aan dat het feitelijk gaat om de grote werken Gods. Een hoger doel dan alleen de geopende ogen (vers 3). In het slot geeft de Heere aan dat deze blindheid een beeld is van de natuurlijke mens, die blinde zielsogen heeft (vs. 39-41). Er zijn meer voorbeelden. Ik denk aan de verlamde die door het dak werd neergelaten. De Heere sprak tegen deze man zo maar plotseling en onverwachts over de vergeving der zonden. Deze werd als de eigenlijke zaak aan het volk voorgesteld. De Heere gaf hierin duidelijk aan dat Hij daartoe speciaal gezonden werd en de genezing van de ziekte diende slechts als de haak van een kapstok.

Nu de Heere Zelf deze geestelijke zin in deze genezing legt, mogen wij het misschien in de overige gevallen ook doen? Zo zou men dezelfde redenering kunnen toepassen op het spreken van Paulus over Hagar en Sara (Gal. 4:20-31).

Dat mogen we toch zo niet stellen. Allereerst omdat in de handelingen van de Heere Jezus de eigenlijke kwaal niet over het hoofd gezien wordt. Verder ook omdat het er juist om gaat dat het natuurlijke op een geestelijke manier aan de orde komt. De natuur mag de genade niet verdringen, maar het omgekeerde kan ook niet de bedoeling zijn.

Hoe moeten we dan over deze wonderen van de Heere spreken? Het antwoord mag blijken in enkele voorbeelden. Soms is het geloofselement, de geestelijke kern van de zaak voor de hand liggend. Denk eens aan de melaatsen die de Heere op Zijn weg ontmoette. Melaatsheid was maar geen ziekte, het was een vorm van onreinheid. Men wendde zich hiermee ook niet tot de arts, maar tot de priester. Melaatsheid heeft zodoende zelf al een geestelijke setting. Ik noem verder de doofstomme over wie we lezen in Mark. 7:31-37. Het grote wonder daarin blijkt als de Heere spreekt tegen de doofstomme, terwijl deze doof is. Toch hoort hij. Hierin mogen we zien dat het spreken van de Heere en Zijn Woord de oorzaak zijn van het horen. Hij spreekt met macht, in natuurlijke en in geestelijke zaken.  De gang van zaken bij dit wonder is een rijke illustratie van de weg waarin zondaren mogen komen tot het leven met God. Er is altijd een schakel die het natuurlijke verbindt met het geestelijke. We mogen dit echter niet te snel en te goedkoop doen; we moeten recht doen aan de letterlijke betekenis van de tekst en afsteken naar de diepte van onze geestelijke natuurstaat.

Bovendien gaat het in alle genezingen steeds weer om geloof. In de genezing van de maanzieke knaap, die met zijn vader tot Jezus komt, beklemtoont de Heere de noodzaak van geloof. Dat neemt veel moeiten weg om geestelijk te spreken over de aardse noden. De Heere roemt het geloof van hen die blijk geven van en sterk geloof (Matth.8:10). Betreft het hier slechts en historisch geloof? Dat is niet waarschijnlijk, want de man erkent zijn onwaardigheid en deze kan toch alleen maar een geestelijke achtergrond hebben.  Er zijn echter ook voorbeelden van mensen die geholpen werden, terwijl zij slechts een wondergeloof hadden. Zulk een geloof wordt door de Heere afgewezen (Luk. 17:12v). Sprekend over de geringste vorm van een wondergeloof of een historisch geloof hebben we juist de dure roeping om de rijkdom van het volle, zaligmakende geloof te verklaren.

 

Zo hebben we in de wonderen van de Heere mogen constateren dat de Heere hoog opgeeft van het geloof in Hem. Hij wijst niemand af die tot Hem komt, als er een oprechte begeerte is. Hij geneest de meest ernstige kwalen en Hij wijst dan voortdurend mede ook op de diepste bedoeling van Zijn komst. Hij brengt mensen ertoe dat zij God loven in de tempel of dat zij Hem volgen waar Hij ook heengaat.

En dit alles geschiedt niet omdat de mensen hun nood kennen want de oorzaak ligt in de liefde van Christus. Maar het lijkt een ijzeren wetmatigheid, dat zieken alleen de Heelmeester nodig hebben. En dit adres bepaalt toch ook weer Zijn zegeningen. 

De Heere handelt met allerlei behoeftigen anders dan met de schare. Geeft dit niet aan dat de weg tot Christus opkomt vanuit de diepte van onze nood? De schare, die de nood van ziekte of van schuld niet gevoelt, gaat ledig heen en hoort slechts scherpe verwijten vanwege hun ongeloof. Is dit een voorbeeld voor de prediking? Zeker, hooggevoelenden  moeten vernederd worden en nederigen ontvangen genade.

Voor wie zijn de beloften van het evangelie? Voor allen, maar deze krijgen dan pas perspectief, als er een behoefte gewekt is naar Christus. En de prediker mag aan een ieder, die de toevlucht neemt tot Christus, de poorten van het Koninkrijk openen. Zo blijkt het onderscheid tussen gezonden en zieken bepalend te zijn, ook voor de bediening der verzoening.

De vraag is dus van belang wie u bent? Is er een behoefte, een levende begeerte ontstaan naar Christus? Tot u is dan het woord der zaligheid gezonden. Bent u nog vervuld met uw eigen gaven en krachten en kan de wereld u nog bekoren? Dan wil de "bediening der verdoemenis” u wekken en drijven tot Christus. Willen we overkleed worden met de gerechtigheid van Christus dan moeten we eerst ontkleed worden. Wie zijn leven zal willen verliezen, die zal het vinden. De weg voert uit de dood tot het leven!

 

  

 

 Christus centraal

 

We hebben reeds meermalen stilgestaan bij de prediking van Christus. Hoe preekte de grote Profeet en Leraar het Evangelie?

We kunnen ook nog een andere vraag stellen: Hoe preekte Hij Zichzelf en welke plaats moet dus Christus innemen in ònze prediking?

Het antwoord bij die vraag brengt me tot de constatering dat Christus inderdaad ook Zichzelf gepreekt heeft. Hij stelde de Vader centraal, als het hoogste doel en Hij stelde ook Zichzelf en de Heilige Geest centraal.

 

Hij sprak van Zichzelf als de enige Zaligmaker. Dat blijkt sterk in de "Ik ben” woorden die Hij sprak. Het is al heel bijzonder dat Christus meerdere malen zegt: "Ik ben”!

Als wij die woorden veel gebruiken, klinkt dat niet goed. Het is een oude wet dat we een brief liever niet beginnen met het woordje  "ik”. Iemand die dat woord te vaak in zijn mond neemt, maakt een zelfvoldane indruk.

Dat vinden we hopelijk niet als de Heere Jezus begint met Zichzelf; of anders gezegd, als Hij het belang van Zijn Persoon voorop stelt. Johannes de Doper deed dat juist niet, toen hij zei: "Hij moet wassen en ik minder worden”. 

Als de Heere gaat verklaren wie Hij Zelf is, gaat het om heel centrale begrippen. Hij noemt Zich de Deur, de Herder, de Weg, de Waarheid, het Leven, het Licht der wereld, het Brood des levens… Deze woorden geven de diepe en alomvattende betekenis aan van Zijn Persoon. Indirect heeft Hij Zich ook genoemd met de beide grootse duidingen: Ik ben de Zoon des mensen, en Ik ben de Zoon van God. Dat heeft nooit iemand kunnen zeggen.

 

Dit Zelfbewuste optreden zal bij ons, mensen, telkens weer verzet oproepen . Hoe kan het nu zijn dat iemand zo spreekt over Zijn eigen onmisbaarheid? Hoe kan God nu Zijn eigen eer voorop stellen? Mensen mogen en kunnen dat niet doen. Waarom God dan wel? Omdat Hij alleen goed is en dus moet Hij wel Zichzelf centraal stellen. Zo ook Christus. Er is nu eenmaal geen andere Naam; door deze moeten wij zalig worden.

Was het nu nog zo, dat Hij Zich een deur noemt en een weg, dan zouden we daar nog mee kunnen leven vanuit onze natuurlijke instelling. Maar juist dat beklemmende "dé” (enige) roept de bezwaren wakker. Dat hebben veel mensen nu juist op het Christendom tegen: het is zo exclusief. Dat hebben wij eigenlijk als mens, ook tegen op God.

Maar gelukkig als de mens zijn eigen "ik” leert verliezen. Het is wel allereerst nodig, dat dit gebeurt. Graaf van Zinzendorf had een spreuk aan de muur van zijn kamer hangen. Daar stonden maar twee kleine woorden op: Ik en Gij. Daarin ziet u de concurrerende factor; het zit in dat woordje "en”. Maar er was over het woord "ik” een kruisbalk gelegd, het ik was doorgestreept. Toen bleef alleen "Gij” nog over.

De Heere leert ons vernederd te worden. Het duurt een leven lang, ook voor Gods levende kerk. Ze weten wel dat stof zijn en dat zij ellendige mensen zijn. Ze leren er iets van dat zij een mishagen aan zichzelf moeten hebben. Er is in het schepsel geen roem en eer overgebleven. Ezechiel noemt zijn hoorders slangen en schorpioenen.                                                                                                                                                              

Paulus noemt de Galaten uitzinnig en betoverd. Johannes noemt mensen adderen-gebroedsels. Dat spreekt van diepe vernedering. Hebben we onszelf zo al leren kennen? Dat is die balk door mijn eigen roem. Zo verdwijnt al mijn heerlijkheid. En wie zo een behagen in zwakheden en noden krijgt, die krijgt ook oog voor de Persoon van Christus. Dat horen we Hem spreken: Ik ben, en dan komt er een levende begeerte om te weten wie Hij is.

En dan ook geven al die woorden heerlijke perspectieven aan. Wie voor een muur van onmogelijkheden staat, is dan wel blij dat er een Deur geopend wordt en dat er een uitweg is uit de kerkers van dood en duisternis. Hij is de Deur der schapen en dat betekent ook dat Hij in de deuropening staat om Zijn  schapen te beschermen. Hij is de Deur door Wie de schapen dagelijks in en uitgaan en zodoende de weide kunnen opzoeken.

Zo geldt dat ook van alle andere benamingen. Wie langs een bakkerswinkel komt, terwijl hij geen honger heeft, wordt niet aangetrokken door wat hij daarbinnen ziet. Maar wie een schreeuwende honger heeft, is zelfs blij met de kruimels onder de tafel. Wie inziet dat de wereld geen brood geeft en dat hij zijn geld voor niets uitgeeft, is gelukkig dat Jezus Christus onze honger kan en wil stillen.

Wie de weg helemaal kwijt is en geen uitweg meer ziet, geheel en al vastgelopen en verstrikt, die kan pas echt moed scheppen als er plotseling een weg wordt geopend in een ontoegankelijke wildernis. Voor de Rode zee, daar stond het volk. Geen enkele mogelijkheid, geen weg; en juist daar is Christus de weg geworden door de woeste baren naar het beloofde land.

Deze wereld is geheel door de leugengeest aangetast. Wat is waarheid, zo vroeg Pilatus. Het wordt een benauwender zaak als we zelf ook in de greep van dwaling en leugen verstrikt zijn. Wat is voor u de waarheid? De Heere zegt: Ik ben de Waarheid. Hij is betrouwbaar, u kunt op Hem aan. Hij spreekt woorden die u helpen en verlossen uit de banden van de duisternis. U hebt waarheid nodig, als u ziek bent. Maar ten aanzien van uw eeuwige toekomst bent u nog te meer aangewezen op de waarheid. Wie zal ons het goede doen zien?

Hij is het Leven. Je voelt je sterk en stoer en je hebt er zin in om de uitdaging van het leven aan te gaan. Als je zo in dit aardse leven staat, zal het woord van Jezus je niet veel zeggen. Het leven ligt voor jou en voor u in uw geld of in uw baan of in uw gezin of in uw kerk. Maar als daar nu de dood op geschreven wordt, komen de dingen anders te liggen. Je ziet dan de dood niet alleen op de begraafplaats, maar je ervaart de dood net zo goed als je je eigen jeugd en je eigen kracht leert taxeren: dit leven is niet anders dan een gestadige dood. Je loopt te sterven en je leeft om te sterven. Het aardse leven is, met alles wat het te bieden heeft, een levend sterven. In Christus ligt het leven, niet alleen voor dit aardse bestaan maar vooral ook voor de eeuwigheid. Hij geeft dat leven maar Hij ìs ook het Leven. Dat klinkt wel heel absoluut. Ik ben het Leven; u bent in de greep van de dood. Dan is het een voorrecht dat Hij dat zegt. Ik ben de Opstanding en het Leven. Dat is bewezen op de Paasmorgen. Toen is het echt begonnen te lichten.

Licht spreekt van duisternis. Licht en donker vechten in de natuur, maar ook in ons eigen hart om de voorrang. De duisternis is machtig. In het graf gaat het nooit meer lichten. Er is een buitenste duisternis zelfs. Hoor de Heere spreken: Ik ben het Licht der wereld. Hij geeft ook een weg naar en tot het licht, het eeuwige licht. Ook al is de nacht hier nog donker.

Er ligt in Zijn Zelfopenbaring een wereld van licht en leven. In Hem is alles. Hij wordt ook zo genoemd: alles in allen. Hij zegt het Zelf. Hij meent het. Hij spreekt het uit als een rijke belofte. Kom dan tot Hem.

 

Christus centraal.

Dat blijkt ook nog in een ander opzicht. Christus verheerlijkt de Vader, maar de Vader verheerlijkt ook Christus. Hij heeft het gezegd, toen de hemel open ging: "Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Welke Ik Mijn welbehagen heb” (Matth.3:17). Op een andere plaats klinken bijna dezelfde woorden, maar dan staat er nog eens extra bij: "Hoort Hém” (Luk.9:35).

Ook de Vader stelt Christus centraal. Hij wijst op Hem als het Woord, dat in den beginne bij Gods was. In Hem spreekt God het verlossende woord. Hoort Hem! Dat is een Goddelijk bevel. Het klinkt heel eenvoudig. U bent geheel op deze Zaligmaker aangewezen. De Vader heeft heel Zijn boodschap aan u gelegd in de mond van Christus. Hij sprak in den beginne: Daar zij licht. Hij spreekt nog gewis tot elk die voor Hem leeft. Maar het verlossende Woord ligt in Christus. De Vader spreekt verder ook door de Zoon en de Zoon spreekt ook door de Vader. Dat kan wel onderscheiden worden, maar u mag het niet scheiden. Als u hoort naar Christus, hebt u daarin de goedkeuring van de Vader. De Heere zal hen allen aannemen, die in Christus het leven hebben gevonden. U hebt toestemming van de hemel om tot Hem te gaan. U hoort de wet vloeken, u hoort dat de wereld slechts weet van dood en hel, hoor dan temidden van dat alles naar Hem alleen.

Christus spreekt van Zichzelf. Heel absoluut. De Vader spreekt van Zijn Zoon. Ook de Heilige Geest schaart zich bij dit spreken. "Die zal Mij verheerlijken, want Hij zal het uit het Mijne nemen en het u verkondigen”(Joh.16:14).

Hierin komt opnieuw uit dat Christus centraal staat. Dat laatste is natuurlijk wel erg nodig. Het spreken van de Vader, het spreken van de Zoon het kan niets uitrichten zonder het werk van de Geest. Dan pas komen Zijn woorden tot hun volheid. Toen de Geest werd uitgestort, leerden de mensen niemand anders zien dan Jezus alleen. Hij zal het u verkondigen. We zien hier de volkomen overeenstemming tussen de drie Goddelijke Personen. Hier is een volheid voor u om u te doen drinken uit de fonteinen des Heils.

Twee vragen: Wie is Hij voor u geworden? En, ook heel belangrijk: Wie bent u zelf?