VRAGEN EN ANTWOORDEN

Inleiding

1. Behoren de prolegomena (motiva credibilitatis, of: prae-ambula fidei) tot de dogmatiek?
De prolegomena rekent HB niet tot de eigenl. dogmatiek.

2. Vroegere namen voor de dogmatiek?
Sententiae; Summa theologiae; Loci communes (Melanchton).

3. Tien bronnen van Melchior Canus?
Schrift, traditie, filosofie, patres, ratio, paus, conciliën, geschiedenis, kerk en scholastici.
Calvijn: religionis christianae Institutio.
De naam dogmatiek ontstond uit: Synopsis theologiae dogmaticae.

4. dogma (dokein) ?
a) bevel van de overheid
b) inzetting vh OT;
twee elementen in ons woord dogma: 1) Goddelijk gezag
    2) kerkelijke belijdenis.

5. Tweevoudig onderscheid?
Hier onderscheiden we in een dogma quoad se ( objectief) en quoad nos (subjectief).

6. Kant?
het bovennatuurlijke is onbereikbaar;
ons kennen blijft beperkt tot de ervaring.
Niettemin is er plaats voor geloven, vanuit de postulaten (persoonl. motieven): God, deugd en onsterfelijkheid.

7. Schleiermacher?
Dogmatiek is beschrijving van subjectieve gemoedstoestanden.

8. Juiste omschrijving?  
»»»»» Dogmatiek is de kennis Gods, welke Hij aangaande Zichzelf en aangaande alle schepselen, als staande in relatie tot Hem, in Zijn Woord aan de Kerk heeft geopenbaard ««««.

9. Kaftan?
stelt het geloof in tussen openbaring en dogma.
Dogmatiek heeft bij hem niet de kennis Gods, maar de geloofsinhoud tot voorwerp. Het is geen wetenschap.

10. Bronnen voor dogmatiek?
Voor het verkrijgen der stof komen drie bronnen in aanmerking:
de Heilige Schrift
de belijdenis der kerk
het Chr. bewustzijn.
Hiermee geheel verschillende uitgangspunten aangegeven.

11. Eerste tijd?
Heilige Schrift. Spoedig ontstond verwarring met allerlei menselijke geschriften.
Hiertegen klonken waarschuwingen. Men wilde alleen de HS als bron.

12. Wie zochten waar het uitgangspunt van de OPENBARING?
De Reformatie erkent slechts de HS (als enig principium)
Rome put uit traditie en kerk
Schleiermacher gaat uit van het Chr. bewustzijn (Beets, van Oosterzee).

14. Waarom methode van de Bijbelse theologen (zonder erkenning van de belijdenis) eenzijdig?
niemand staat buiten een zekere traditie
met moet geloven samen met al de heiligen
men krimpt steeds meer in
gevaar van biblicisme.

15. Plaats van de HS tov. de andere twee bronnen?
»» NORMA ET REGULA FIDEI ET VITAE ««
De belijdenis verdient aandacht omdat en in zover deze overeenstemt met de HS;
Het Chr. bewustzijn is geen zelfst. bron naast de HS; men kan slechts weten vanuit de HS.

16. Thomas?
Thomas: erg scholastiek. Onderscheidt articuli puri et mixti.
De prae-ambula fideï en de motiva credibilitatis (prolegomena) erg uitgebreid.

17. Hervormers?
zijn erg anti-scholastiek.

18. Na hen?
Filosofie drong zich al meer op;
De theologia naturalis gaf uitgebreide prae-ambula fideï.
Rede en geloof kwamen zelfstandig naast elkaar voor.
De prolegomena werden al meer uitgebreid. Het uitgangspunt lag in de rede.
Deze methode bij Rome en de Remonstranten.

19. Harnack?
dogma is een mengsel van Chr. religie en Helleense cultuur.
Later stelde men dit vast tav het gehele NT.
Alleen de Bergrede is het oorspr. evangelie. Men houdt Paulus voor de antichrist.

20. Apostolische Vaders?
Primitieve en partiële behandeling. Heidense tegenstand noopte tot dieper doordenken.

21. GNOSTIEK?
combinatie van heidendom en christendom. Kwaad gelegen in de materie, d.i. het werk van de demiurg (God van het OT).
De hoogste God is abstract. Ter verlossing gaan aeonen van God uit; Christus is de hoogste aeon.
Gnostiek: Christendom wel de hoogste, niet de enig ware godsdienst.

22. Apologeten?
Intellectualistisch en moralistisch.
twee richtingen: 1. Tertulianus, Cyprianus, Irenaeus staan antithetisch tgo. de filosofie.
    2. Origines (Alexandrijnse theologen): filosofie overwint de theologie (het geloof leidt tot gnosis (hoogste goed).

23. Dwalingen?
subordinatie, dualisme van geest en stof, praexistentie van de zielen en apokatastasis.
Zoekt compromis tussen kerk en wereld, dwaasheid des kruises en de wijsheid der wereld.

ook: dynamisch monarchianisme: Zoon en Geest zijn geen personen, maar eigenschappen.
Modalistisch monarchisanisme: Vader, Zoon en Heilige Geest drie tijdperken achtereen;

24. In 313?
het Tolerantie-edict. Het christendom werd staatsgodsdienst.

25. Van de 4e tot de 8e eeuw?
Christologische twisten.
Athanasius streed voor de leer van de godheid van Christus.
Concilie van Constantinopel (381) beslist.
Daarna strijd over de twee naturen. Beslissing te Chalcedon (451).

26 Oost en West?
In het O de dramatische lijn, in het W de juridische lijn.
Constantinopel wilde een tweede Rome zijn. Rome echter pretendeerde te zijn de sedes apostolica.

27. Groot denker?
AUGUSTINUS (thema: zonde en genade).
Fel bestreden door PELAGIUS.
De semi-pelagiaanse denkbeelden overwonnen.
Gregorius de Grote bracht geen nieuwe denkbeelden aan.
Bekende namen: Patrick (Ierland), Clovis (Frankenland) en Columba (Schotland).

28. Tiende eeuw?
saeculum obscurum; daarna een nieuwe begin (Clugny).

29. SCHOLASTIEK (wetenschappelijke theologie)?
geringe kennis van de bronnen
grote bekendheid met Aristoteles
zeer speculatief;
De MYSTIEK vormt hier een nevenverschijnsel. Deze behoort gezien te worden als een onderdeel van de Scholastiek.

30. Roomse dogmatiek? Trente en Jezuieten?
Waldenzen hervormingsgezind; Hus en Wicliffe eveneens.
Concilie van Trente bewerkte een reformatie in RK geest »»!!««
De Jezuieten zetten de beoefening van de Scholastiek voort.
In de 18e eeuw werd Aristoteles verdrongen door Bacon en Cartesius.

31. Lutherse dogmatiek?
In 1580 de Formula Concordiae. Calixtus werkte in synergistische geest (1656).
»»»» Zowel het Rationalisme alsook de Mystiek deden afbreuk aan de orthodoxie ««««.

32. KANT?
bestreed het Rationalisme; hij ondermijnde de rationele grondslag van de dogmatiek, maar postuleerde vanuit het zedelijk bewustzijn God, deugd en onsterfelijkheid >!!<

33. SCHLEIERMACHER?
stelt daarna de grondslag van het gevoel (Romantiek).

34. De Neo-kantiaan RITSCHL?
 wil volkomen scheiding tussen metafysica (wetenschap en filosofie) en religie (theologie).
»»»» Religie steunt niet op wetenschap, maar op de zedelijke natuur van de mens ««««! Veel invloed!

Tijdperk na Ritschl: Heel de dogmatiek moet strikt wetenschappelijk behandeld worden (Religionsgeschichtliche tijdperk).
Wat overblijft, is zuiver subjectieve vroomheid.

35 . Verschil Luther en Calvijn?
Zwaartepunt voor Luther: rechtvaardiging; voor Calvijn: verkiezing.
De Geref. dogmatiek begint bij Zwingli. Calvijn staat sterk door de HS.

Ook hier echter scholastieke invloed (eind 16e eeuw): MACCOVIUS EN VOETIUS.

36. Twee voorname stromingen?
SOCINIANISME: scheiding natuur en genade, waarbij de natuur de genade verbant;
ANABAPTISME: scheiding natuur en genade, waarbij de genade de natuur verbant. De schepping is van een lagere orde. Christus bracht hogere menselijke natuur mee uit de hemel.

37. ARMINIANISME?
is verwant met het SOCINIANISME, wat weer beinvloed is door het CARTESISIANISME, dat "in beginsel een volkomen emancipatie was van alle autoriteit en objectiviteit, en de ganse kosmos erkenntniss-theoretisch uit het subject, uit zijn denken tracht te verklaren en op te bouwen".

38. Academie van SAUMUR?
middelpunt van allerlei opzienbarende stellingen.
Camero (1625) dacht als Piscator van Herborn inzake de oboediëntia activa van Christus; hij leerde ook dat de wil altijd het verstand volgt.
Amyraldus (1664) maakte van de voluntas signi (het ernstig welmenend aanbod van genade een afzonderlijk besluit, dat aan dat der verkiezing voorafgaat).




Parg. 7 PRINCIPIA DER WETENSCHAP


1. Rationalisme?
alleen het denken voert tot kennis en niet de waarneming, die tot valse voorstellingen leidt (bijv: stok in het water).

Kant leidde wel de vorm, niet de stof af uit de menselijke geest; Fichte, Schelling, Hegel: niet alleen de voorstellingen, ook de dingen zelf zijn uit het denken voortgekomen (metafysisch idealisme).

HB: bezwaar > het oog is niet de bron van het licht; wij schrijven de dingen obiektiviteit toe; het is in strijd met de ervaring.

2. Empirisme?
Waarneming (ervaring) voert tot kennis;
Het denken ontwerpt de dingen niet, maar de dingen buiten ons bepalen het denken (bewustzijn).
Via het Nominalisme leidde het tot positivisme, de ervaringswijsbegeerte; hieruit leidde de weg naar Agnosticisme en Materialisme.
Het bewustzijn is tabula rasa. Dus is er geen wetenschap mogelijk van het bovennatuurlijke! Het blijft immers terra incognita.

HB: bezwaar: de menselijke geest is niet slechts passief, maar ook actief. Na de analyse volgt toch weer de synthese. De mens speelt mee met het verstand, wil, gevoel en karakter.

Rationalisme en Empirisme?
beide schadelijk voor de religie!

3. Realisme?
Waarneming en denken gehandhaafd.
Heeft zowel de ervaring alsook de verwerking in zich. Het handhaaft het ding en de voorstelling.
Hier is ook het verschil tussen Realisme en Nominalisme aan de orde.
Het Realisme neemt de realiteit der dingen aan (Plato, Aristoteles).  Het Nominalisme
(Empirisme) gaat ervan uit dat gedachten slechts schijn zijn. Het ontkent de algemene begrippen.

PRINCIPIA DER RELIGIE

A. Het wezen van de religie:
Vlg. Cicero komt religie van re-legere= herlezen. Leidenroth: re-ligere (look): met vreze omzien.

5. Religio obiektiva ligt in het OT. ?
In het woord berith (verbond); subiektief beantwoordt daaraan de vreze des Heeren.

6. In het NT ?
Religio obiektiva: Christus, waaraan subiektief beantwoordt eusebia, pietas, pistis, agape.

7. Omschrijving van Lactantius?
Recta verum Deum cognoscendi et colendi ratio.

8. Thomas?
onderscheidde t.a.v. de religie: virtutes intellectuales, morales en supranaturales (geloof, hoop en liefde). Hij plaatste de religie onder de virtutes morales.

9. Cultus internus en externus?
beleving van het geloof; cultus externus: liturgie enz.
Antw. 49 HC heeft een goede omschrijving van het begrip religie.

10. Wie leggen nadruk op het subiect?
Kant (zedelijk handelen) en door Schleiermacher (gevoel).

B. De zetel van de religie

11. Wie zeggen: in het verstand?
het Gnosticisme; Hegel sprak van amor intellectualis. Vlg. Schelling is de religie een lagere vorm van weten (zo ook Feuerbach).
Filosofie vlg. hen staat hoger. Dit leidt tot Materialisme: Keine religion ist mein Religion.

12. Wie in de wil?
Pelagianen en de Remonstranten, in het voetspoor van Kant.
Bij de Ethischen kreeg het zedelijk goede een Goddelijk karakter. Dit moet echter omgekeerd gesteld worden. Er kan een sprake zijn van een zede zonder de verhouding tot God.

13. Wie in het gevoel?
Schleirmacher zoekt tenslotte de zetel van de religie in het gevoel. Zo ook Mysticisme en Pietisme.  HB: wijst op de gevaren van het blindelings volgen van deze lijn.

RELIGIE OMVAT ECHTER DE GEHELE MENS.

C. Oorsprong der religie

14. Waaruit wordt religie verklaard?
uit vrees of onkunde. Darwin leidt religie af vanuit de trouw van de hond. Religie reeds in aanleg bij dieren aanwezig, aldus Darwin.
Anderen: uit vrees voor omringende natuur.


HOOFDSTUK  II        Principium externum

Pargr. 9 Wezen en begrip der openbaring

1. Drie elementen in alle religies?
theologie, anthropologie en soteriologie.

2. Rationalisme en Deisme over openbaring?
er is geen andere openbaring dan die in de natuur en de geschiedenis. Rede wilde de bijzondere openbaring onderzoeken en achtte die met zichzelf in strijd.
In deze stromingen zoekt men de openbaring in de natuur, in de geschiedenis of in de mens zelf (verstand, hart, geweten).
Openbaring is hier door en door natuurlijk.

3. NATURALISME?
ontkent alle openbaring. Het kan voorkomen als:
a. materialisme: verklaart het psychische uit het physische (Feuerbach); anthropologie is dan het geheim van de theologie.
b. pantheisme: in de wereld werkt een onpersoonlijke, almachtige kracht.
c. Rationalisme: wel een persoonlijk God, maar geen bovennatuurlijke openbaring.

Pargr. 10  Algemene openbaring

4. Hoe onderscheidde men de theologie?
Men onderscheidde de theologia naturalis en supernaturalis. Theologie naturalis werd verdeeld in insita en acquisista.

5. Wie verklaarden sommige onderdelen uit de theol. naturalis?
Augustinus (drieëenheid); Zo deden ook Thomas, Anselmus, Alb. Magnus e.a. Men beperkte zich echter tot enige articuli mixti.

6. Visie Reformatie?
De Reformatie leerde dat de revelatio supernaturalis nodig is om de revelatio naturalis te kennen. Dit tgo. de Scholastiek.

7. Luther en Calvijn?
Luther wees Aristoteles de deur, al gaf hij hem enig gezag in wereldlijke zaken.
Calvijn gaf de rede ook enige zeggenschap naast het geloof.

8. Het Rationalisme verwierp de revelatio……..?
supernaturalis.

9. Kant ondermijnde op zijn beurt het gezag van de revelatio …….?
naturalis, die bij het Rationalisme in zo hoog aanzien stond.

10. Aanduidingen van Bavinck?
HB spreekt liever van algemene en bijzondere openbaring.

11. Hoe alg. openbaring te beoordelen?
Sommigen oordeelden gunstig over de algemene openbaring (Zwingli, Erasmus).
Beoordeling:
1. De algemene openbaring laat Christus onbekend;
2. Deze is ook met dwaling gemengd;
3. Niemand was en is ermee tevreden;
4. Door de algemene openbaring is er een gesprek mogelijk met de wereld; ook zij heeft de openbaring Gods; Christus is de Wens aller heidenen.

Pargr. 11 Bijzondere openbaring

12. OT-ische begrippen?
galah (ontdekken), ra`ah (doen zien), jadah (doen kennen);
NT-ische begrippen: : epifanein (verschijnen), emfanizein (openbaar maken), dhloun (duidelijk maken), gnorizein (bekend maken),  deiknunai (tonen), apokaluptein(openbaren)

13. Kanalen van alle openbaring?
Theofanie, mantiek en magie;
* Allerlei verschijnselen, zoals telepathie, spiritisme, magnetisme, hypnotisme tonen aan dat er wellicht in de nachtzijde van het menselijke bestaan krachten verscholen liggen die een meer onmiddellijk rapport bewerken kunnen met de bovenzinnelijke wereld.
* De Heilige Schrift spreekt meermalen van theofanie, angelofanie en Christofanie: lichamelijke verschijningen. God verschijnt in tekenen en in personen.
* De profetie bevat een mededeling van Gods gedachten. Soms is er de lagere vorm zoals de Urim en de Thummim, het lot, de droom en het visioen. Dromen worden als ijdel bestempeld, maar gelden toch soms als openbaring Gods. De inwendige verlichting komt bij veel profeten meer voor dan de extase.
* Ook door wonderen spreekt de Heere; deze komen veel voor bij de apostelen en de profeten.

14. Samenvatting?
1. De algemene openbaring komt tot ons in de natuur en de geschiedenis.
2. De heilsopenbaring komt tot ons in de bijzondere openbaring: in theofanie, profetie en wonder, zich concentrerend in de persoon van Christus.
3. Hieraan beantwoordt een subiectieve openbaring in de mens (verstand, hart en geweten); hierdoor kan hij de obiectieve openbaring verstaan.


Pargr. 12 Openbaring en natuur

15. Rome kent twee concepties van de mens:
1. De mens in "puris naturalibus” (zonder het beeld Gods); hier kan de mens een zuivere kennis van God hebben uit Zijn werken;
2. De mens met de dona superaddita, in de bovennatuur, de bovennatuurlijke genade;
De laatste is bestemd voor de fides.

16. Geen tegenstelling van zonde en genade?
Nee, maar van natuur en genade.
De ordo gratiae verheft zich boven de ordo naturae.
De wereld is het ongewijde terrein van de satan; de kerk is het terrein van de God-mens.
Consequenties: de wereld moet aan de kerk onderworpen worden; de natuur kan worden veracht.

Pargr. 13 Openbaring en H. Schrift

17. Verhouding openbaring en Schrift?
De sarks van de taal is het schrift; de openbaring neemt het schema of de morfè aan van de Schrift (diensknechtsgestalte).
Vroeger werd de openbaring teveel beperkt tot de Schrift; tegenwoordig echter maakt met de openbaring geheel los van de Schrift en omgekeerd.
Men ziet dan in de HS slechts oorkonde, aanhangsel.

18. Twee dwalingen?
1. De openbaring miskennen t.g.v. de Schrift;
2. De Schrift miskennen t.g.v. de openbaring.

De theopneustie der Heilige Schrift

19. Het OT vertoont de volgende lijnen?
a. de profeten werden door God geroepen;
b. Jahwe sprak tot hen;
c. tijd en plaats daarvan geven zij nauwkeurig aan;
d. zij maken onderscheid tussen Gods Woord en de eigen gedachten;
e. de Thora had van meetaf Goddelijk gezag;
f. de geschriften van het OT kregen gezag;

20. Hoe zag Jezus het OT?
De canon van het OT had gezag bij Jezus en de apostelen (2 Tim.3:16 [Bavinck erkent hier het bekende bezwaar in vertaling OV en NV]). Jezus staat nooit kritisch tgo. het OT.
In citaten en aanhalingen volgt men soms de weergave van de Hebreeuwse tekst, maar soms ook die van de LXX; soms ook is het een vrije weergave van deze handschriften en overzettingen.

21. Wat kan tav het NT gezegd worden?
a. Jezus kon niet dwalen;
b. Hij liet Zelf geen boeken na;
c. de apostelen zijn met de Heilige Geest begiftigd;
d. Paulus heeft eveneens gezag;
e. Het NT heeft gezag in de eerste gemeenten en in de tijd daarna.

HB kon in zijn tijd nog schrijven: Er is geen dogma waarover zoveel overeenstemming bestat als over het schriftgezag.

22. Wat leerden de kerkvaders?
Leerden de inspiratie van de H. Schrift; Augustinus nam geen fouten aan; de ME brachten geen andere ontwikkeling.

23. Wat Trente?
de waarheid is vervat in geschreven boeken en in ongeschreven overleveringen.

24. Welke indeling bij Rome?
a. God werkte antecedenter (positieve inspiratie);
b. God werkte concomitanter (behoeden voor dwalingen; negatieve inspiratie);
c. God werkte subsequenter (achteraf gegeven goedkeuring van de HG zou al voldoende zijn.
De tweede opvatting was het meest algemeen!

25. Verdere ontwikkeling bij Rome?
De volgende stelling kwam op: alleen geloofs- en zede-uitspraken zijn onfeilbaar.
Rome verwerpt in ‘t algemeen de inspiratio verbalis, textualis en punctualis.
Een inspiratio realis is genoeg. Deze is soms inspiratie (openbaring), soms ook assistentie.

26. Luther’s gedachte over sommige Bijbelboeken?
kende scepsis t.o.v. sommige boeken: Esther, Ezra en Nehemia, Jakobus, Judas en Openbaringen aan Johannes.

27. Zwingli en Calvijn?
Zwingli gaf onnauwkeurigheden toe.
Calvijn hield de Bijbel voor het Woord Gods.
Daarna ontwikkelde zich een meer mechanische inspiratie.

28. Socinianen en Remonstranten?
Onderscheidden het Woord Gods en Schrift: dualistische opvatting > de leer alleen is geinspireerd; het OT heeft betrekkelijke waarde.

29. Schleiermacher?
leerde de dynamische opvatting: inspiratie van de schrijvers; hoe dichter bij het centrum, hoe meer inspiratie. De HS is een Goddelijk en een menselijk boek.

30. Term theopneustos?
We aanvaarden zowel de actieve alsook de passieve betekenis (2 Tim.3:16).
De inspiratie zoekt het evenwicht tussen de Auctor primarius en de auctores secundarii.

31. ORGANISCHE INSPIRATIE?
Hier wordt de zelfwerkzaamheid van de schrijvers erkend (bronnen, taal, karakter en kennis).
De Logos werd sarks, het Woord werd Schrift; dit heeft de instemming van HB, maar het mag niet gebruikt worden om de menselijke kant te benadrukken.

32. Pascal?
"Humiliez vous, raison impuissante, taisez vous , nature imbecile, ecoutez Dieu!”

Pargr. 14 De eigenschappen der HS

33. Opponenten?
Op dit terrein hebben we vooral te maken met Rome en het Anabaptisme. Bij Rome heeft de kerk gezag over de HS; dit geldt vooral van de paus, meer dan van de bisschoppen (Ubi papa, ibi eccesia).

34. Het gezag der Schrift?
Rome: de kerk gaat in het OT en N temporeel aan de Schrift vooraf; dus heeft de Schrift de kerk nodig en niet omgekeerd.
Toch zien we duidelijk dat de kerk van het NT van meet af gebonden is aan het gezag der apostelen.  

35. Onderscheid binnen het Protestantisme?
Auctoritas historica en auct. normativa.
Veel gaat ons niet meer aan (vloekpsalmen, getuigenissen van bijv. Simeon en Anna, enz). Dus werd voor velen de HS de authentieke oorkonde van de openbaring.
Ieder kan zo zijn eigen Bijbel vormen.

36. Welke criteria werden gebruikt?
persoon van Christus, de kerk, de religieuze ervaring, de rede of het geweten.

37. De noodzakelijkheid der Schrift?
 Door Rome niet erkend. Ook niet door de Anabaptisten en de Mystiek (Gnostiek).
Spiritualisme: Na tijdperk van de Vader en de Zoon nu het tijdperk van de Heilige Geest.
Anabaptisme: HS slechts getuigenis van het Woord Gods; het echte Woord ligt in het inwendig licht.
Dit Mysticisme werd tot Rationalisme: het natuurlijk licht van rede en geweten.
Voor Schleiermacher is de HS geen bron, maar norm der religie.
Wij handhaven de noodzakelijkheid van de HS: v ox audita perit, litera scripte manet!

38. De duidelijkheid der Schrift?
Rome: de Schrift is voor de leken duister; slechts de kerk kan deze uitleggen.
De HS is echter klaar en duidelijk inzake de weg der zaligheid. De HS is iudex spremus controversarium.

39. De genoegzaamheid der Schrift?
Rome acht de traditie nodig naast de HS. Reeds van Jezus bestaat een serie uitspraken die ongeschreven bleven.
Deze traditie-leer doet bij Rome dienst om specifieke dwalingen te bedekken.
Trente bepaalde: Schrift en traditie pari pietatis affectu et reverentia.

De paus staat boven de Schrift: Rome locuta, causa finita. We erkennen wel een traditie, maar afgeleid van de Schrift.


HOOFDSTUK IIIPrincipium internum

Parg. 15

1. Waar PI te zoeken?
Niet in de eigen natuur van de mens, zoals het hart, het verstand, het gemoed, het geweten. Heilige Geest!

2. Historisch- apologetische methode?
Apologeten gaven de rede een voorname plaats. Er zijn bewijsbare waarheden en bovennatuurlijke mysterieen. Men kan de redelijkheid van het geloof bewijzen.

3. ROME?
de bovennatuurlijke openbaring rust op de natuurlijke openbaring.
Treden in de ladder naar de visio Dei zijn: pura naturalia, theologia naturalis, motiva credibilitatis, actus praeparatorii, gratia infusa, bona opera, visio Dei.

4. Reformatie?  
Niet geheel vrij hiervan. Calvijn: de goddelijkheid van de HS kan bewezen worden. Later kwam o.i.v. Cartesius de theologia naturalis zelfstandig naast de theologia revelata te staan.

5. Speculatieve methode?
Kant en Schleiermacher. Het subiekt bepaalt het obiekt.
Schleiermacher had met Hegel (Idealisme) het subiektieve uitgangspunt gemeen, echter niet vanuit de rede, maar vanuit het gevoel. Alle autoriteit is dan in de religie geheel weggevalllen. Er is geen enkele obiektiviteit.

6. Religieus- empirische methode?
Bij Vermittlungstheologen, zoals Frank. Grond ligt in de ervaring van de wedergeboorte. Allerlei waarheden kunnen buiten de HS om uit de wedergeboorte afgeleid worden. Frank was hoogleraar te Erlangen (stierf in 1894). Ihmels zag de bevinding meer gegrond op de openbaring.
Frank maakte ten onrechte de ervaring los van de openbaring.

7. Ethisch- psychologische methode?
Invloed van Kant. Gaat terug op de ehische gesteldheid: zin voor het goede, gevoel van onvoldaanheid, behoefte aan verlossing. Zo Pascal en Vinet.
Religie wordt tot het ethische beperkt. Zo vooral Ritschl.
Hermann zocht het vooral in de persoon van Jezus. Jezus geeft een zedelijk ideaal. Historische Jezus mag voorwerp zijn van vrij onderzoek. Het zedelijk gehalte van Jezus staat op ethische gronden absoluut vast.

8. Het geloof?
Principium internum niet in de mens (verstand, rede of gevoel), maar in het geloof.
HS spreekt van de openbaring buiten ons in Christus en van de verlichting van de Heilige Geest in ons.

9. Etymologie van het woord geloof?
loven, beloven, verloven, veroorloven, lof, gelofte; dit alles verwant met lieven. Grondtrek: liefdevolle overgave.
In NT: pistis (Hebr.11:1). Geen waarneming. Het is fides salvifica.

10. Latere ontwikkelingen?
Geloof werd gezien als toestemming van het verstand aan de geopenbaarde waarheid Gods. Geloof wordt dan een zaak van het verstand (fides informa). Moest aangevuld worden door de liefde (fides formata).
Dus geloof als acte van het verstand onvoldoende; moest aangevuld worden door de liefde, dus door de werken.

11. Reformatie?
kent het onderscheid tussen fides historica en salvifica.
Zaligmakend geloof vooral gelegen in kennis, echter geen acte van het verstand alleen, maar zaligmakende kennis. Geestelijke kennis!
Zekerheid van het geloof ligt in de beloften. Dit wordt door Rome ontkend. Kant sprak hier van een morele zekerheid, geen intell. zekerheid.

12. Grond des geloofs?
Geen motiva of praeambula. Alleen Gods Geest geeft zekerheid.

13. Testimonium SS?
Dit geen private openbaring, maar ervaring van alle gelovigen (Joh.15:26; 16:14; Jer.31:34). Een macht boven ons doet geloven.

14. Hoe Calvijn cs?
Betrokken het TSS teveel op de HS; teveel losgemaakt van het geloofsleven.
De Heilige Geest verheerlijkt Christus (Joh.14:17; 15:26; 16:14); overtuigt van zonde (Joh.16:8-11);wederbaart (Joh.3:3); doet belijden (1 Cor.12:3); verzekeert (Rom.8:14; 2 Cor.1:22; Ef.1:13).

TSS hangt samen met het eigen geloofsleven.
1. Verzekert dat wij kinderen Gods zijn;
2. Verrzekert van de obiektieve waarheden des heils.

15. Waar verzet tegen de theologische wetenschap?
Afkeer van Luther en Melanchton van de scholastiek aan het eind van de ME.
Melanchton: "hoc est Christum cognoscere, beneficia eius cognoscere, non quod isti (scholastici) docent”.

16. Wie wilden van de belijdenis naar de HS, van de leer naar het leven?
Harnack, Ritschl. Ondogmatisch christendom.
Rome spreekt van de fides implicita: de eenvoudigen hebben aan enkele waarheden genoeg.
HB geneigd teveel te hechten aan de wetenschap ?




Hoofdstuk VI                                                Over GOD

Parg 23

ONBEGRIJPELIJKHEID GODS

1. Omschrijving voor God?
God is een Persoon, vrij willend, niet besloten in, maar ver verheven boven de natuur.

2. Wat meenden Simonides, Plato en Plotinus over de kennis van God?

3. Calvijn (begin Institutie)?
Kennis Gods en van de mens het eerste.

4. Drieerlei kennis bij Thomas?
a/ visio Dei per essentiam (in de hemel, soms hier);
b/ cognitio Dei per fidem;
c/ cognitio Dei per rationem naturalem.

5. Luther?
Deus absconditus en revelatus; er is een verborgen zijde in God.

6. Kant?
Kant ondermijndde de rationalistische Godskennis > AGNOSICISME.
HB: er is wel kennis Gods vanuit de HS; dit kennen is relatief en sluit alle begrijpen uit.

Parg. 24

KENBAARHEID GODS (Cognitio Dei insita)

7. Plato?
leerde de ideae innatae; Cartesius nam dit over. Deze leer echter unaniem verworpen door de christelijke kerk.

7a. De Mystiek?
Leerde een oculus contemplationis.

8. Luther hierover?
Geen ideae innatae, omdat er geen theologia naturalis bestaat. Beeld Gods is geheel verloren. De mens heeft slechts aptitudo passiva (mogelijkheid om gered te worden). De mens is nihil quam peccatum.

9. Calvijn?
oordeelde gunstiger over de theologia naturalis >  semen religionis en sensus divinitatis.
De ideae innatae werden verworpen uit vrees voor RATIONALISME en MYSTICISME. HS is en blijft nodig. Er is wel een cognitio insita (Gen.1:26; Hand.17:27; Rom.1:19). Deze cognitio insita is geheel afhankelijk van het Woord.

Parg. 25

COGNITIO DEI ACQUISITA

10. Welke wijsgeren trachtten bestaan Gods te bewijzen?
 (Plato, Aristoteles, Seneca, Cicero). Velen namen dit over. Thomas: religio naturalis even bewijsbaar als de mathematica.

11. Bewijzen?
Kosmologisch bewijs: het gevolg heeft een oorzaak; er is een primum movens.
Teleologisch bewijs: Orde en schoonheid, harmonie en doel in de wereld
Ontologisch bewijs: besluit van de rede tot de absolute rede (zeer zwak);  
Morele bewijs: geweten, berouw, verantwoordelijkheidsgevoel doen besluiten tot een zedelijk wezen, dat dit alles schiep;
Bewijs e consensu gentium: feit van grote betekenis; alle volken hebben religie;
Hist. theologisch bewijs: Leiding Gods in de geschiedenis en in het leven.


Parg. 26

12. Naam (Hebr. en Grieks)?
Hebreeuwse woord voor naam (ms) (ken)teken; Griekse ???? verwant met signum, onoma (gno) > kennen.

13. Anthropomorfismen (in namen) gewettigd?
Gods naam: aanduiding van God in Zijn openbaring, in Zijn relaties. Deze namen zijn mensvormig  (de gehele HS is anthropomorfistisch).

13a. Voorbeelden van anthropomorfismen?
membra corporis, actiones hominis en zelfs beelden uit de (on)bezielde schepping.,
Anthropomorfismen vloeien voort uit het feit dat heel de schepping openbaring is.
Plato, Gnostiek, enz: de gehele materie staat vijandig tgo. God (onjuist).

Mag men namen geven als we denken aan de onbegrijpelijkheid Gods? Zeker wel, maar nadat de transcendentie is beleden.

Men kan of slechts zwijgen over God (AGNOSTICISME) of menselijk spreken (anthropomorfisme).

14. Gods namen geven adequate kennis?
Nee. Wij gebruiken namen Gods, aan de schepselen ontleend, maar God legde ze eerst daarin (Hebr.8:5).
HS leert:
1. God schiep de wereld; deze bestond in het bewustzijn Gods;                                                                                                 
2. De mens is beeld en gelijkenis; dus is anthropomorfisme gewettigd;
3. Niettemin is God ook absoluut verheven.

Parg. 27

INDELING DER NAMEN GODS

15. Welke eigenschappen onderscheiden God van de schepselen?
Origines: o wn, to wn; Dunscotus: esse a se (aseitas of oneindigheid).
De Reformatie nam omschrijving van Augustinus en Thomas over: aseitas of ens independens.

16. Ritschl?
Religie is geen rechtsverhouding, God is Vader. Hij is Liefde. Zo velen.

17. Christelijke theologie gaf als dominerende eigenschap in God aan?
Niet liefde of heiligheid, maar absoluutheid (aseitas). Verhevenheid boven alle schepselen.

Parg. 28

NAMEN GODS (benoemingsnamen):

18. El (lwa)?
Sterk zijn, vooraan staan. De pluralis is geen aanduiding van de drieeenheid, het is ook geen pluralis majestatis, maar een intensieve pluralis (volheid).

19. Elschaddai (yds la)?
Grieks: pantokratwr: Almachtige, kracht en sterkte;

20. Jahwe (hwhy)?
Interpunctie Jehova zeer onwaarschijnlijk. Vocalen verwant met die van Adonai?? HB: God is onveranderlijk in Zijn genade en trouw.

21. De legerscharen?
Worden niet verklaard vanuit Israel, maar vanwege de engelen. Het is de plechtige Koningsnaam Gods, vol majesteit en heerlijkheid.

22. In het NT?
Is Kurios de weergave van Jahwe. De naam vader is erbij gekomen. Het is de gewone naam voor God.

Parg. 29

ONMEDEDEELBARE EIGENSCHAPPEN

23. Onafhankelijkheid?
Absoluutheid, latijn): aseitas, independentia: onafhankelijk in alles, in deugden. Hieruit vloeit Gods onveranderlijkheid voort.

24. Maar hoe te denken over Gods berouw en allerlei veranderingen in voornemens en werken?
Duidelijk in HS is de onveranderlijkheid > Immutabilitas Dei: (Ps.102:26-28; Jes. 41:4; 43:10; 46:4; 48:12; Rom.1:23; 1 Tim.1:17; 6:16; eap.
SOCINIANISME en REMONSTANTISME: God verandert Zich in weten en willen naar het gedrag der schepselen.
Er is geen verandering in God, noch ten goede, noch ten kwade. Weliswaar spreekt de HS op menselijke wijze. God treedt in verschillende relaties tegenover de veranderlijke schepselen.

25. Twee dimensies in deze onveranderlijkheid?
Eeuwigheid (t.o.v. de tijd) en alomtegenwoordigheid (t.o.v. de ruimte).
Eeuwigheid Gods is infinitas essentiae.
Deisme: eeuwigheid is een naar voren en naar achteren eindeloos verlengde tijd; onjuist voorstelling.

26. Tijd?
Tijd is: worden > successie van ogenblikken. Tijd spreekt van beweging, verandering, telbaarheid, eindigheid. Eeuwigheid Gods is een eeuwig heden!
Geen onbeweeglijk tijdsmoment, maar een volheid van zijn.

27. Alomtegenwoordigheid?
God vervult hemel en aarde. Op verschillende plaatsen is Hij verschillend aanwezig.
Het DEISME beperkt de alomtegenwoordigheid Gods uit vrees voor PANTHEISME.
Dit laatste leert dat Gods tegenwoordigheid samenvalt met het zijn der wereld.
Augustinus: God is niet ergens en toch vervult Hij hemel en aarde. Hij is niet door de ruimte verspreid als het licht.
Alle dingen zijn in Hem en Hij is in alle dingen, zoals de ziel in het gehele lichaam is. Van God geldt wel een ubi (daar), maar geen locus (plaats). God is overal, zowel in de hemel als in de hel.

28. Unitas [1]?
singularitas: Er is maar een Goddelijk wezen. Sommigen menen ten onrechte dat het begin van het OT Pantheisitische trekken bevat.

29. Unitas [2]?
Simplicitas: God heeft niet alleen bepaalde eigenschappen, maar Hij is die. Eenvoudig is hier de tegenstelling van samengesteld. God is volkomen een met die eigenschappen.

Parg. 30

MEDEDEELBARE EIGENSCHAPPEN

30. Geestelijke natuur Gods ivm Anthropomorfisme?
Niet in strijd met de geestelijkheid Gods (Joh.4:24); God is onzichtbaar: Joh.l:18; 6:46; Rom.1:20 en Coll.1:15 eap).

31. Eigenschappen van het verstand?
God is Licht; daaruit vloeit voort dat God Zz. en alles buiten Hem doorziet en kent. Alwetendheid in strikte zin.

32. Praescientia?
kan eigenlijk geen sprake zijn. Er is bij God geen differentia temporis. Alles staat eeuwig present voor Hem. We spreken wel van praescientia, vanwege de anthropomorfismen.
Praescientia is altijd Praedestinatio, dwz: daardoor wordt alles bepaald. De wil en zijn natuur zijn opgenomen in de ordo causarum.

Bij Origines is de praescientia geen praedestinatio. Gods kennis is niet de grond waarom de dingen geschieden.
Augustinus: de wil des mensen is opgenomen in de praescientia; (ook in de praedestinatio [PR]).

33. Jezuiten?
Spraken van de scientia media: God laat alles afhangen van condities. God is in alle gevallen gereed. Hij kent alle mogelijkheden. Hij wist wat Hij doen zou in geval dat…. Zo soms ook Luthersen en Remonstranten.

HB: Er is wel een conditioneel verband, maar de scientia media gaat verder: God neemt een afwachtende houding aan. Wel zijn er zonder condities geen lijnen te trekken, bijvoorbeeld: zonder geloof geen zaligheid.

34. Waarachtigheid Gods: (nma, hnwma, tma)?
Vastmaken, bouwen, steunen; intransitief: vast zijn, dus: betrouwbaarheid.

Zedelijke eigenschappen

35. Goedheid Gods?
Bij Socrates is goed wat nuttig en bruikbaar is voor anderen. Toch is er ook een bonum in se, > goed, afgedacht van allerlei gevolgen Luk.18:19). God is teleios.
God kan alleen maar Zz. Liefhebben omdat Hij alleen absoluut goed is. In anderen bemint Hij Zz. Wat in zichzelf goed is, is dat ook voor anderen.

36. Goedheid in verschillende gestalten?
* Goedertierenheid (dsx: Gods gunst tgo.Zijn volk, welke in verband staat met het verbond.
* Barmhartigheid ( ( (mxr): goedheid tgo,. ellendigen.
* Genade (nx, caris) gunst jegens Zijn volk; In NT dieper en duidelijker. Onverdiende genegenheid jegens schuldige zondaren in plaats van het vonnis des doods. Sluit alle verdiensten uit. Augustinus heeft het begrip nader ontwikkeld.
* Liefde (hbha), Grieks  agaph, niet eroos. De liefde is niet het wezen Gods, zodat andere deugden haar modi zijn. Wel is deze liefde identiek met Gods wezen.
 
37. Heiligheid Gods?
Oudtijds opgevat als moralis perfectio.
Ritschl?
volstrekte verhevenheid en macht boven alle schepselen.
Schultz?
Gods verterende majesteit.
Komt van  > swdq snijden, afzonderen.
Personen of zaken die van het algemeen gebruik zijn afgezonderd en de Heere zijn toegewijd (cultische heiligheid). Gods heiligheid is geen bepaalde eigenschap, maar deze bestaat in de grootheid Zijner Godheid.
Hieruit vloeit redding en heil voort. Is echter ook principe van toorn, als Israel zondigt.
In NT: osios en agios: in Christus principe van de heiliging van de gemeente.

38. Gerechtigheid Gods: kdz, kdyz, hkdz?
Staat van iemand die met een wet overeenkomt en die voor een rechter gelijk heeft.
De iustitia vindicativa treedt minder op de voorgrond. Polman: God handhaaft Zijn eisen en beloften.
De straffen der goddelozen worden meestal vanuit Gods toorn afgeleid. Of uit Zijn haat.

God stelt, als hoogste Rechter, de rechtvaardige in het gelijk. Hij redt de arme en ellendige.
Deze gerechtigheid is geen tegenstelling met de goedertierenheid Gods. Gerechtigheid schenkt vergeving van zonden. (vooral Jesaja).
NT: dikaiosunh qeou in Christus enkel vergeving en liefde.

Eigenschappen van de souvereiniteit

39. Gods souvereiniteit?
Rust in Gods wil, terwijl de filosofie alles afleidde uit Gods verstand (Plato, Aristoteles, Descartes); Anderen stelden daartegenover het primaat van de wil (Schelling).

40. NOMINALISME?
Gods wil gaat aan Zijn verstand vooraf (absolute vrijheid Gods).
Behalve God is er niets noodzakelijk (Lombardus, Dunscotus).
Alles had anders gekund (incarnatie, voldoening). God zou de wedergeborene kunnen verdoemen (Occam). Later zo de Remonstranten, Socinianen, Cartesius.
Gods wil is dan formele willekeur.
Chr. theologie zo niet. Schepping berust op gedachten Gods. Theologie zoekt naar de motieven voor Gods wil. Er is weliswaar geen causa voor Gods wil, toch is deze niet sine ratio.
NOMINALISME; God kan alles, ook zondigen en dwalen. Louter willekeur! Anderen zeggen dat God alleen kan wat Hij wil.
God kan sommige dingen niet, zoals liegen en berouw hebben, enz. Het mogelijke strekt zich verder uit dat het werkelijke (Gen.18:14; Jes. 32:27;Lukas 1:37; 18:27).
Dat God niet dwalen kan is juist Zijn volstrekte almacht.

41. Verhouding voluntas arcana en revelata (verborgen en geopenbaarde wil)?
HB: > Verder kan niemand leren dat God aller zaligheid wil!
Dus stelt de HS de voluntas arcana voorop, maar handhaaft de voluntas revelata. Deze laatste is niet de eigenlijke wil van God. Geen wil, maar een bevel Gods!
Door de voluntas revelata wordt de voluntas arcana gerealiseerd.

42. Onderscheid bij Augustinus?
Onderscheidde: voluntas absoluta en conditionata, of: voluntas arcana en revelata.
Remonstranten gaan uit van de voluntas revelata (signi). Dan is dit dus een machteloze wil, want deze wil wordt niet gerealiseerd (want God wil toch ieders zaligheid?)


43.VOLMAAKTHEID, ZALIGHEID, HEERLIJKHEID?
Samenvatting van alle eigenschappen: volmaaktheid (Summa perfectio). Inbegrip van alle volmaaktheden.  Makarios: niet vol, maar goed, deugdelijk (zalig).

43a. Heerlijkheid Gods?
Kabood (zwaar, gewichtig doxa tou qeou glans, die van alle deugden onafscheidelijk is. Merkbaar in de schepping, maar vooral in de herschepping..

Parg. 31

DE HEILIGE DRIEENHEID

(213)

1. O.T?
In aanleg reeds in OT geleerd: Elohim: volheid van Goddelijk leven.
Verder in het OT: het Woord (de wijsheid Gods); ook de Geest Gods (schepping en onderhouding).
JAHWE: de God des verbonds; Malak Jahwe: de Engel des Heeren, de Geest Gods.
Zie verder: Numm.6:24-26 (zegenbede). Teksten die spreken van en zelfonderscheiding in God: Gen. 19:24; Ps. 45:8; 110:1; Hosea 1:7; zie verder Ps. 33:6; Jes. 61:1 eap.

(214)

2. Philo?
mengsel van Platonische ideeenleer, Stoische logosleer en OT- ische wijsheidsleer.
Dualisme van God en de wereld. Tussen God en de wereld de ideeen, de paradigmata, waardoor God in de wereld werken kan. Ideeen vinden hun eenheid in de logos (tussenwezen).

(215)

3. NT?
leert eveneens de eenheid Gods (Joh.17:3). Feiten van vleeswording en uitstorting.
Jahwe: Kurios, meer nog: Pater (Grieks). Vleeswording is vervulling van profetie en schaduw. Uitstorting vervult de belote daaromtrent.

4. Persoon van Jezus - tekstbewijs?
geboorte Van Jezus (Luk. 1:35); Zijn doop (Matth.3:16); Zijn onderwijs is geheel trinitarisch.
1 Joh.5:7: twijfelachtig qua echtheid.

5. Attributen drie Goddelijke Personen?
VADER: welbehagen, voorkennis, verkiezing, macht, liefde, koninkrijk;
ZOON: middelaarschap, verzoening, zaligheid, genade, wijsheid en gerechtigheid;
H GEEST: wedergeboorte, vernieuwing, heiligmaking, gemeenschap.

(216)
Relaties tot elkaar:

6. VADER?
Van de mens, van Israel, met name van de Zoon (Patera tou idiou, Joh.5:18); Zie verder Joh.1:14 (eeuwigheid) en 14:6-13.

7. ZOON?
Logos > God doet alles in schepping en herschepping door het Woord Gods.
Joh.1:1 > En arch hn o Logos, Hij was, niet: Hij werd. Hij was en kolpon tou patrouZoon van God (aanduiding van rechters, engelen, koningen).
Hebr.1:5 > afschijnsel en beeld. Ook Micha 5:1 > uitgangen van eeuwigheid. Hij is de geliefde, eigen, eniggeboren Zoon van God. Ook de eeuwige Zoon.
Coll.1:5 > Ook genoemd het Beeld Gods (Coll.1:5) (protwtokos pashs ktisews, geboren, niet gemaakt
8. HEILIGE GEEST?
Wind, adem. Uitgegaan van de Vader en de Zoon. Als persoon voorgesteld met persoonlijke vermogens: bedroeven, tegenstaan, onderzoeken, oordelen, spreken, horen, leren.
Wordt vereenzelvigd met God. Goddelijke eigenschappen (eeuwigheid, alomtegenwoordigheid, enz); ook Goddelijke werken, zoals scheppen en herscheppen.
Verhouding tot Christus als die van Christus tot de Vader.

(218)

9. APOSTOLISCHE VADERS?
Weinig ontwikkeld. Opkomst van de gnosis deed dieper nadenken.

10. APOLOGETEN?
hebben nog wel feilen in hun conceptie. M.n. drie namen:
Irenaeus (strijd tegen de Gnostiek);
Tertullianus (eenheid en drieheid);
Origines (subordinatianisme).

(219)

11. Athanasius?
Strijder voor de leer der drieeenheid. Nadere ontvouwing. Hij beschouwde de triniteit als het hart van het Christendom.
Niet: drie delen van één geheel of drie namen voor één zaak.
Het Oosten wijkt alleen van het westen af inzake het filioque.

12. Augustinus?
elke Persoon zo groot als de gehele Triniteit of Godheid; geen subordinatianisme.

(220) BESTRIJDING

13. ARIANISME?
ontkende de praeexistentie en Godheid van Christus. Adoptiaanse Christologie.
Alles buiten de Vader is geschapen; Christus is wel eer, maar geen aanbidding waardig.
Schriftberoep: eenheid Gods (Deut.6:4); wording van de Zoon; ondergeschiktheid en onwetendheid (Mark.13:32; Joh.11:34).

14. SABELLIANISME?
Monarchianisme > in Christus is de Vader geboren; Patripassianisme.
Vader, Zoon en Heilige Geest zijn namen voor één God in verschillen de relaties.

15. Modalisme?
leert historische successie in de openbaring Gods.
Geen onderscheid tussen de personen. Drie openbaringsmodi. Komt later terug in het Anabaptisme: tijdperk van de Geest na die van de Vader en de Zoon.
Ook Zinzendorf bestreed de leer der orthodoxie.

(222)

16. Typering schriftuurlijke leer?
Ontologische triniteit.
Aanduidingen zijn niet rechtstreeks aan de HS. Ontleend; Tertulianus bezigde termen als essentia of substantie (wezen) en persona of subsistentia voor persoon.

17. vaste aanduiding?
UNA SUBSTANTIA, TRES PERSONAE.
De personen zijn niet divisi, maar distincti.

(223)

18. Persoon?
Grieken spreken van proswpon; Latijn: persona > zelfstandigheid (upostasis).

(224).
19. Verhouding tussen de personen?
Elke persoon is gelijk aan het ganse wezen en evenveel als de drie personen samen.
Het onderscheid bestond niet in enige substantie, maar in de relatie.

(225)
20. De eerste Persoon?
Aanvankelijk genoemd  aggenhtosBeter de Bijbelse naam Vader.
NB: de eeuwigheid van de Vader brengt de eeuwigheid van de Zoon mee.

(226)
21. De tweede Persoon?
Filiatio. In God is een volheid van leven. Arianen spreken van creatio, niet van generatio. De Zoon is echter geen schepsel (Rom.9:5).

(227)
22. De derde Persoon?
Persoonlijke eigenschap: ekporeusis of processio.
Bij de Heilige Geest werd de strijd vooral gevoerd over Zijn persoonlijkheid en niet zozeer over Zijn Godheid, zoals bij de tweede Persoon.
Tegenstanders: de naam God komt voor de HG niet voor. Geen aanbidding vereist. Een kracht of gave Gods.
Andere teksten verklaart men als personificaties.
De Geest is subiektief principe van alle heil.

(228)
23. FILIOQUE?
Athanasius leerde het nog niet. Oosten leerde wel: uit de Vader door de Zoon. Westen ging echter een stap verder.
Griekse orthodoxie leert feitelijk twee wegen tot de Vader (Orthodoxie en Mysticisme).

(229)
24  Opera ad extra sunt......?
indivisa. Zie de praepositiones distinctionales (ek, dia, en) (1 Cor.8:6; Joh.1:3,14 en Ef. 4:6).


Pargr. 32

DE RAAD GODS

Welk  onderscheid?
1. immanente werken (drie Personen onderling);
2. opera ad intra (Raad Gods);
3. opera ad extra;

1. Hoe blijken Gods besluiten in de historie?
zie de twee linies van Kain en Seth; de lijn der verkiezing zien we in Noach, Abraham, Izak, Juda, Israel.
In het OT vooral verkiezing tot waardigheid en dienst: Sion, Mozes, Levi, David, de profeten.
Alles berust op de gedachten Gods (Ps.139; Ex.32:32; Ezech.13:9).

2. Welke twee woorden in NT?
Twee woorden: boulh = wil Gods (Raad) en qelhma= wil (bevel Gods), Ef.1:11;

3. Gods wil blijkt ook in de verwerping van …?  
Judas (Joh.17:12), van de heidenen (Rom.1:24), van Ezau (Rom.9:13), de goddelozen (Rom.9:18), van Farao (Rom.9:17), van de vaten des toorns (9:22);

4. Christus gezet tot:  
een val en opstanding (Luk.2:34), tot een krisis (Joh.3:19-21), tot een liqos kai petra skandalou(1 Petr.2:7,8); 1 Thess.5:9 en Judas:4.
5. Reeks woorden voor verkiezing, etc.?
Eudokia  = welbehagen, (Matth.11:26’Lukas 2:14;Ef.1:5; Filip.2:13);
Proqesis = voornemen (Rom.8:28; Ef.1:11; 2 Tim.1:9);
prognwsis = voorkennis;
eklogh = uitverkiezing;
proorismos;

6. Teksten?
Hand.13:48 zovelen als er verordineerd waren ten eeuwigen leven;
Ef.2:10 God heeft de goede werken voorbereid.

7. Ligt het karakter van het eeuwig besluit in de praepositie pro?
Nee, maar wordt geleerd in Ef.3:11 (eeuwig voornemen), 2 Tim.1:9 (Zijn eigen voornemen), Matth.25:34; 1 Cor.2:7 en Ef.1:4.

Het NT spreekt duidelijker over verkiezing van personen.

234
8. Islam?
God is absolute willekeur; Chr. Kerk leerde aanvankelijk de vrije wil, bijvoorbeeld de Griekse kerk.

9. Pelagius?
leerde geen erfzonde en ook geen straf: de mens is goed; de vrije wil is het beeld Gods;
Het liberum arbitrium (possibilitas boni et mali) is een onverliesbaar bonum naturae.
Consequenties:
1. Adam’s val heeft geen gevolgen; 2. Auxilium divinum gelegen in zedewet en voorbeeld van Christus; 3. Praedestinatio is praescientia!

10. Later verzacht door het SEMI-PELAGIANISME (Joh. Cassianus):
de mens is niet dood, maar ziek. De mens kan geen genade verdienen, maar wel aannemen.
Nostrum est velle, dei perficere!

11. Augustinus?
leerde de praedestinatie; (boek: de praedestinatione sanctorum); naast de praedestinatie staat de reprobatie.

235

12. Wanneer PELAGIANISME veroordeeld?  
op het Concilie van Efeze (431);
Op de Synode van Orange (529) viel geen beslissing inzake het Semi-Pelagianisme; deze vaagheid bleek later gevaarlijk te zijn (Gotschalkse strijd).

13. Rome (Trente)?
1. Liberum arbitrium is niet geheel weg; voor de iustificatio kan de mens nog veel natuurlijke goede werken doen.
2. Tot het geloof behoeft de mens wel de gratia divina;
3. Deze wordt bij de doop gegeven (gratia infusa);
4. deze genade is niet onwederstandelijk; het is helpende genade.
5. Ook de gratia infusa van de iustificatio is verliesbaar;
6. Zo verwierp men de leer van Augustinus.

236

14. Luther?
leerde aanvankelijk sterk de verkiezing; later verminderde dit.
Melanchton aanvankelijk ook, maar later dacht hij meer synergistisch (1540); Luther kwam hem hier niet in tegen; hij was op dit punt anders dan Calvijn en Zwingli.

Deze  belijdenis berustte bij Luther op anthropologische gronden (verdorvenheid).

15. De Formula Concordiae?  
leren de verdorvenheid (servum arbitrium); verder laat men de verkiezing rusten.
Men moet de Raad Gods beschouwen als in Christus, in het evangelie.

De Luthersen van de 17e eeuw naderen tot de Remonstranten (vgl. art.5 art. vd Remonstranten).

16. Pietisme?
Ook het PIETISME was gekant tegen deze belijdenis.

237

17. Zwingli en Calvijn?
leerden de praedestinatie ook op theologische gronden.

18. Belijdenisschriften?
weinig aandacht: Cat. Genevensis en de Heid. Cat. (slechts vr. 52, 54).

Meer aandacht hieraan geven de Consensus Genevensis, de Canones, de Ierse artikelen en de Westminster Confessie.

19. A posteriori?
vanuit het geloof komt men tot de kennis van de verkiezing.

19a. Wie zo?
Zo Bullinger, Olevianus, Ursinus, ea.
Hiermee hangt samen dat sommigen deze leer behandelen in de locus de salute en niet in de locus de Deo !!
De Remonstranten gingen later deze kant duidelijker op.

Maar het gaat om de ere Gods, en dus: de locus de Deo.

238

20. SUPRA- INFRALAPSARISME?
Het supralapsarisme stelt voor de zonde reeds een besluit Gods daartoe. Men gaat tot achter de val terug.

Drie Reformatoren: Gods besluiten gaan vooraf aan de schepping, de val en de verlossing.

21. God en de zonde?
God liet de zonde vrijwillig toe (Calvijn). In zekere zin heeft God de zonde gewild en bepaald.
Calvijn wisselt de supra-voorstelling af met het infra-standpunt.

22. Supra standpunt bij wie?
Comrie leert heel sterk het supra standpunt. Zo ook Gomarus en Maccovius.
De Dordtsche Synode veroordeelde het supra-standpunt niet. Wel werd Maccovius berispt vanwege de frases duriores.

239

23. Verkiezing geloochend door:
De Praedestinatio wordt geheel geloochend door de Socianen, Arminianen en de Remonstranten.
Godf verkiest hen die vanwege de gratia praeveniens geloven tot de zaligheid (Episcopius, Uytenboogaart).
Verder zo geleerd door de Neonomianen, Deïsten, Quakers, Methodisten.

24. Voor de schriftuurlijke leer hebben geijverd?
Comrie, Holtius, Brahe, Boston, de Erskine’s, Jon. Edwards.

25. Verschil eeuwigheid-tijd?
Men mag deze leer niet ondermijnen vanwege het verschil tussen eeuwigheid en tijd.
"Eeuwigheid is geen tijd voor de tijd`, zegt men dan. Leidt tot Pantheisme.
Er is echter wel een eeuwig werkzame wil Gods.

ALLE REMONSTRANTEN LEGGEN DE ZALIGHEID IN HANDEN VAN DE MENS.

240
26. Waar gaat de Raad Gods over?
betreft alle dingen. Het Pantheisme ontkent dit. Alles berust op gedachten Gods.  

241

27. PROVIDENTIA  (pronoia)?
De praedestinatie hangt samen met de providentia wat betreft de redeloze natuur. Met betrekking tot de redelijke wereld denken velen tegengesteld.
Het leidt echter tot willekeur om een scheiding aan te nemen tussen de natuurlijke en de zedelijke wereld.

242

28. Wie spreken slechts van praescientia?
De Remonstranten spreken t.a.v. de preadestinatie slechts van praesciëntia. Zo velen:
Griekse, Roomse, Lutherse, Remonstrantse, Anabaptistische en Methodistische christenen.

29. Weerlegging?
1. (On)geloof worden bepaald door de wil en het besluit Gods (Rom.8:2; 11:2; 1 Petr.1:2; Hand.2:23); Prognosis staat op een lijn met eklogè;
2. De natuurlijke mens kan geen geloof voortbrengen  (1 Cor.2:4; 4:7; Ef.2:8; Filip.1:29);
3. De ervaring heeft leert ook zo.
Praesciëntia sluit de praedestinatio in zich.

243

30. Remonstrantse weerlegging:
1. er is een voluntas Deï om aan allen de genade aan te bieden; (Jes.5:3; Ezech.18:23, 32;33:11;Matth.23:37; Joh.3:16; Rom.11:32; 1 Tim.2:4;2 Petr.3:19);

Maar dit is in strijd met de werkelijkheid en de ervaring, ook al zochten de Remonstranten in de lex naturae een weg ter zaligheid.
Waarom de een niet, de ander wel onder de prediking en in het verbond? Dus berust alles niet op verdiensten van de mens.

2. Volgens hen is de gratia die aan allen geschonken wordt, wel sufficiëns, maar de wil van de mens beslist erover of die gratia efficax zal zijn en blijven.
Maar de mens is onwillig en onmachtig.

244

31. Verschil in interpretatie inzake de praedestinatie. Infra/supra?
Spanheim: op de kansel ben ik infra, op de katheder echter supra.

Het verschil tussen deze beide lijnen is niet eenvoudig. Beide stromingen willen aan de HS recht doen. Slechts loopt het verschil over de orde der decreten.
Teksten voor het supra-standpunt: Ps.11:3; Spr.16:4; Jes.10:15; 45:7,9; Jer.18:6; Matth.20:15; Rom.9:17;
Deze teksten spreken over de verhouding van God tot het kwade.

32. Fundamentele vragen voor ieder?
Waarom werd de mens zo geschapen dat hij vallen kon?
Waarom wel de prediking aan allen, maar niet het geloof?

God doet alles bewust (volens). De woorden praesciëntia of permissio lossen niets op.
De zonde is verder weliswaar niet praeter eius voluntatem, maar wel contra eius voluntatem.

NIEMAND DURFDE TE SPREKEN VAN EEN PRAEDESTINATIO AD PECCATUM.

245

HB weerlegt de eenzijdigheden van beide stromingen; de HS is rijker en voller.

246
33. GEMINA PRAEDESTINATIO ?
Hier een lange reeks schrijftplaatsen over Gods leiding in het leven van de verworpenen zoals Kaïn, Kanaan, Ismaël, enz. Pag. 365. God is souverein!

"Er is zoveel onredelijks in de natuur, zoveel onverdiend lijden, zoveel rampen zonder oorzaak, zo ongelijke, onbegrijpelijke lotsbedeling, zo schreiende tegenstelling tussen vreugde en smart, dat voor elk die nadenkt slechts de keuze overblijft, om òf het perssimisme dezer wereld te verklaren vanuit de blinde wil van een onzalige God, òf op grond van de HS. te rusten in den gelove in de souvereine en vrijmachtige, maar altijd toch, hoe onbegrijpelijk ook, wijze en heilige wil van Hem, Die eens over deze raadselen des levens het volle licht zal doen opgaan” (blz. 357).

Denk aan de smartelijke leiding bij veel mensen. Gomarus was niet harder dan Arminius. Men beleed de leiding en de souvereiniteit Gods.

247

34. Verhouding beide besluiten?
Non eodem modo is de verwerping inhoud van Gods besluiten als de verkiezing. Allen stemmen hiermee in. Bovendien: de zonde is contra Gods wil.

GOD KAN ECHTER UIT HET KWADE HET GOEDE DOEN VOORTKOMEN (Jozef, Jezus).

248

35. Causae secundae?
spreken mee, maar zijn niet de laatste grond.
Bavinck noemt het Arminianisme medogenloos hard.


Pargr. 33DE SCHEPPINGHoofdstuk V

251
1. Opvattingen over ontstaan der wereld?
Emanatie
Evolutie
Dualisme:  Zo kenden Plato en Aristoteles het dualisme van geest en stof.
Materialisme:   Feuerbach > atomen zijn de laatste elementen der dingen;
Pantheïsme:     God is het zijn der dingen zelf; geleerd door Pseudodionysius, Spinoza,                                                                                                    Schelling, Hegel; absolute identiteit tussen God en de wereld.

252
2. Buiten de schepping zijn er welke twee mogelijkheden?
Òf we verklaren de stof uit de geest (Pantheïsme);
Òf we verklaren de geest uit de stof (Materialisme);

253
3. Barah?
Snijden, delen, vormen, scheppen; dit woord zegt niet dat alles uit niets is geschapen; wel wordt het woord uitsluitend gebruikt van het Goddelijk scheppen;
Grieks:  ktizein, poiein, qemelioun, enz.

4. is een niet geschapen chaos aan te nemen (Gen.1:1-3)?
In dat geval ontkent men de creatio ex nihilo; deze opvatting is taalkundig niet aannemelijk.

Geen eeuwig bestaan van de woeste aarde; God alleen is eeuwig (Hebr.11:3);
Hij bestond eer de bergen geboren waren.

254
5. Ex nihilo?
Leert Gods volstrekte onafhankelijkheid; sluit alle emanatie uit.
Er is een essentiëel onderscheid tussen God en de wereld.
Tussen Gnosticisme (kent alleen emanatie) en Arianisme (kent alleen creatie).

255
6. Wie de Auteur van de schepping?
God Drieënig: alle opera ad extra sunt communia et indivisa.

256
7. Verband Schepping tot de Zoon?
(Gen.1:3; Ps. 33:6; Spr.8:22-31; Joh.1:3; 1 Cor.8:6; Coll.1:15; (prototwkos pashs ktisews; Openb.3:14 (arch ths ktisews qeou).
Naast soteriologische betekenis heeft Christus ook kosmologische betekenis. Hij is Middelaar van schepping en herschepping.

Dus: geen dualisme tussen God en de wereld. De Zoon is in die zin archè en prototokos, dat Hij de schepping draagt en deze in Hem rust.

257
8. Verhouding schepping en tijd? Sommigen vragen zich af wat God deed voor de schepping, voor de tijd? Is Hij veranderd van rust naar arbeid?
Origines: God schiep tevoren oneindig veel andere werelden.
Pantheïsme: de schepping zelf is eeuwig.
Maar de wereld kan niet eeuwig zijn, want eeuwigheid en tijd verschillen essentiëel; de wereld is niet zonder tijd te denken.

258
9. Waarom schiep God de wereld?
HS: Gods gloria is de oorzaak en het doel van de schepping (Anselmus, Roomsen, Luthersen, Gereformeerden).

10. Maar is God dan niet zelfzuchtg?
God is volmaakt goed in Zichzelf. Met minder kan en mag Hij niet tevreden zijn.
Heeft God dan het schepsel nodig? Is Hij van hen afhankelijk? Het gaat Hem in de schepselen om Zichzelf.

259
Door deze visie werd zowel de natuurverachting alsook de natuurvergoding overwonnen.


Pargr. 34                                            DE GEESTELIJKE WERELD

260

1. Geloof in geestelijke wereld algemeen?
Coll.1:16 spreekt van een stoffelijke en een geestelijke wereld.
De Sadduceen geloofden niet in een wereld van engelen en geesten (Hand.23:8).  
Ook de 18e eeuw rekende ermee af.
Sommigen hielden de engelen voor bewoners van andere planeten.

261
2. Reactie op het Materialisme?
Het MATERIALISME roept de reactie van het SPIRITUALISME op. Het Spiritisme bergt veel bedrog in zich. Schadelijk voor de mens. In de HS verboden (Dt.18:11)

3. Ten gevolge van de Copernicaanse wereldbeschouwing meende men dat andere planeten bewoond kunnen zijn. Klopt dat?
De maan: geen water en dampkring; Saturnus, Uranus en Neptunus bevinden zich nog in kokende toestand; Mercurius en Venus kennen geen aswenteling; het is daar dus zeer warm en zeer koud.
MARS: sommige voorwaarden voldoen, maar: zeer ijle dampkring, dus niet aannemelijk.

4. Doorslaggevend Bijbels bewijs voor het bestaan der engelen?
Christus sprak over de engelen; Schleiermacher denkt hier aan accommodatie.

262
5. Namen?
Engel (kalm) > bode, gezant; dit woord kan ook mensen aanduiden.
Grieks: aggelos; Andere duidingen: zonen Gods, geesten, wachters, heiligen.

6. Soorten en klassen engelen?
Cherubijnen: (paradijs, verzoendeksel), Ezech.1; vier wezens: mens, leeuw, arend en stier; Zie Openb.4;
Serafijnen: Jesaja 6; twee namen: Gabriël en Michaël.  NT: arcai, exousiai, kuriothtes, qronoi, dunameis; (Ef.3:10);
Er is rangorde en er zijn soorten. RK theologie gaf hier veel aandacht aan. Protestanten hiervoor te weinig aandacht.

263
7. Overeenkomst tussen engelen en mensen?
1. Geschapen (Coll.1:16); tijd van hun schepping: niet voor alle dingen (Remonstranten en Socinianen); wel voor zevende dag.
2. Geestelijk; Velen (Joden) dachten hun een lichaam toe. Maar: spiritualis, pneumata (Hebr.1:14; Ef.6:12 eap. Geen huwelijk en onsterfelijkheid (Luk. 2:35,36); onzichtbaar (Coll.1:16).
Engelen verschijnen wel in een lichaam, onder steeds wisselende gedaanten.
3. Redelijke wezens: met verstand en wil. Engelen zijn geen eigenschappen of krachten. Ze zijn rijker dan wij hier op aarde in kennis.
4. Zedelijke wezens:  zeer goed.

8. Onderscheid tussen engelen en mensen?
1. engelen zijn niet naar Gods beeld geschapen; sommigen menen van wel.
2. Engel is geest; de mens is geest en lichaam;
3. mens is heer der aarde, engel is dienaar in Gods schepping;
4. Engelen hebben geen bloedbanden; er is geen engelheid (mensheid);
5. Engelen zijn getuigen, de mensen zijn voorwerpen van genade;
6. Engelen staan in andere verhouding tot Christus.

266
9. Verschillende dienst der engelen?
A. Buitengewoon: OT > ten tijde van Abraham, Lot, wetgeving, etc;
      NT > ten tijde van Christus; na Christus zeldzaam; wel weer bij wederkomst.
Buitengewoon: begeleiden van de heilsgeschiedenis; nu hebben we het Woord.
B. Gewoon: God loven, waken, beschermen, verheugen, tegenwoordig zijn enz.

10. Beschermengelen?
Deze leer kwam voor bij de Joden, Origines, Rome; Lutherse theologie voorzichtiger.
Calvijn verwierp dit alles.

Schriftberoep hiervoor: Deut.32:8; Dan. 10:13; Matth.18:10; Hand.12:15 eap.
HB: hun voorbede is mogelijk. Toch is HS zeer sober. Daniel 10 deelt mee dat de engelen mede-strijden in de aardse strijd. Mattheus 18 bevat onvoldoende bewijs.

267
11. Engelenverering (Coll.2:18)?
Johannes mag de engel niet aanbidden.

11a. Rome?
meent dat engelen en heiligen delen in de Goddelijke natuur. Concilie van Nicea (787) zette verkeerde ontwikkeling in gang.
Alle protestanten hebben dit afgewezen. Leer der engelen is wel troost en bemoediging.


Pargr. 35                                                           DE STOFFELIJKE WERELD

268
1. De Religions-geschichtliche richting ziet verband tussen Genesis 1 en het Babylonisch Scheppingsverhaal. Juist?
Tell-el-Amarna brieven tonen machtige cultuur-historische betekenis van Babel. Veel Bijbelgedeelten acht men beinvloed vanuit Babel. Zelfs de Gilgamesj-sage zou de persoon van Jezus verklaren. Hier neemt men verwantschap aan tussen Tehoom (Gen.1:2) en Tiamath. Zo ook de Rahab en de Leviathan.
Toch zijn dit geen bewijzen van feitelijke mythologische sporen. HB acht deze namen personificaties en dichterlijke uitdrukkingen. In de HS zijn het geen machten die (zelfstandig) tegenover God staan.
Er kan toch ook sprake zijn van een beinvloeding door de Bijbelse waarheid van de Babylonische literatuur? (PR)

269
2. Genesis 1:1?
Genesis 1:1 geeft beschrijving van een eigen feit. Gaat vooraf aan Gen.1:2. Tohoe wabohoe: ledige ruimte, ongevormd, in duisternis gehuld; deze toestand duurde enige tijd.
Hier spreken we van de creatio prima (cum tempore): een voortbrengen van de stof uit niets.
De schepping in zes dagen is de creatio secunda (in tempore) en veronderstelt de voorhanden zijnde stof. De creatio secunda vangt aan bij vers 3.

270
3. Goede indeling?
a/ creatio (1:1,2);
b/ distinctio (eerste drie dagen: tussen licht en duister, hemel en aarde, land en zee);
c/ ornatio (tweede drietal dagen);

4 De Geest Gods?  
is het principe van alle creatuurlijk zijn. Levenwekkend.
Kon er licht zijn voordat de zon was geschapen? HB meent van wel. Licht is  een electrisch verschijnsel. Staat soms los van de lichtdragers.

271
5. Wereldbeeld?
Bij velen de Aristotelisch- ptolemeïsche wereldbeschouwing (Geocentrisch?).
Kopernicus kwam echter met een ander wereldbeeld (Heliocentrisch). We behoeven ons vanuit orthodox standpunt niet hiertegen te verzetten. We zeggen ook nu nog: de zon gaat op.

272
6. Geologie?
Bouwde hypothese over aardlagen en fossielen. Men onderscheidt diverse perioden en tijdperken.Toch zijn er onderling grote verschillen. Ook in de chronologie (datering van de schepping).

274
7. Pogingen tot verzoening van Bijbel en wetenschap [4]?
1. Ideële theorie: Hier houdt men vast aan de idee, niet aan de letter van Genesis 1. Poëtische beschrijving van de schepping. Anderen zien in Genesis 1 slechts een mythe. Ook Augustinus leerde deze ideële opvatting.
2. Restitutie-theorie: neemt lange scheiding aan tussen Gen. 1: 1,2 en 1:3v. In de creatio prima plaatst men alle ontdekkingen van de wetenschap. Aangehangen door veel Remonstranten. Sommigen (o.a. Delitsch): de eerste aarde (1:1,2) was de woonplaats der engelen, maar deze werd door hun val op schrikkelijke wijze verwoest.
3. Concordistische theorie: scheppingsdagen zijn tijdperken;
4. Anti-geologische theorie: letterlijke opvatting van Genesis 1; tijd van Adam tot Noach voor veel feiten van grote betekenis.

275
8. Genesis 1 historie?
ad 1: HS spreekt ook inzake Genesis 1 over historie. Algemeen wordt daaraan vastgehouden. Maar "men zij niet te strak”.
Ad 2: de wetenschap kan theologie goede diensten bewijzen. Ook hierin dat de schepping van hemel en aarde 1:1,2) een bepaalde tijd voorafgaat aan de zesdaagse schepping (1:3). Ante omnem diem (Augustinus, Lombardus, Thomas).

276
9. ad 3: Scheppingstijdperken?
HB geeft deze ruimte. Toch zijn er wel ernstige bezwaren; want er blijft ook dan verschil bestaan. Tijdperken zijn ook vanuit wetenschappelijk standpunt onzeker.
Wel dragen de dagen een bijzonder karakter. Zie de schepping van de zon op de vierde dag. Eerste drie dagen ongelijk aan onze dagen (?)

277
ad 4: Geologen bouwen op de aardlagen geologische tijdperken. Hiertegen heeft HB ernstige bezwaren.

278
10. Zondvloed?
De grote betekenis van de zondvloed staat onomstotelijk vast. Hier liggen aanwijzingen voor het verband tussen schepping en geologie.
HB wacht met vertrouwen de resultaten van de wetenschap af. Geen voorbarige conclusies.



Pargr. 36                 DE OORSPRONG VAN DE MENS

279

1. Onderscheid mens en dier?
De mens is geschapen naar Gods beeld.

2. CHARLES DARWIN?
Soorten hebben geen constante eigenschappen; deze zijn veranderlijk.
Hogere organische wezens komen voort uit lagere; het organische is ontstaan uit het anorganische.
Evolutie langs mechanische en chemische wetten.

3. Argumenten?
Struggle for life en natural selection; elk wezen moet zich ontwikkelen of ondergaan. Natural selection: de natuur kiest de best georganiseerde exemplaren, dieren en mensen tot voorttelen. Geen bewijzen.
Embryologie: hogere organismen maken als embryo de ontwikkeling van de lagere door; paleontologie: fossielen- en beenderonderzoek.
Mimicrie: aanpassing in kleur etc. aan de omgeving.

4. Bezwaren tegen de evolutie-theorie?
1. Waar en hoe ligt de oorsprong, het begin? Men verklaart dit vanuit een toeval. Onaannemelijk.
2. Er is geen verklaring voor de verdere ontwikkeling van de organische wezens. Zulke ontwikkelingen zijn tegenwoordig nooit waargenomen. Paleontologie toont aan dat de verschillende soorten reeds naast elkaar bestonden. De juist verworven eigenschappen erven niet over en door.
3. Het ontstaan van de mens is een onoplosbaar probleem. Overgangsvormen zijn niet waargenomen.
4. Geen verklaring voor de mens naar zijn psychische zijde. Taal blijft een rubicon tussen mens en dier.

281

5. Ouderdom van de aarde?
Darwin neemt aan dat de aarde 300 miljoen jaar oud is. Anderen spreken van een 8.000 tot 10.000 jaar.
Van belang zijn hier de chronologische gegevens uit de historie. Gegevens van Egypte en Babel het oudst.
Voor 2000 voor Chr. is dan alles onzeker. Rond 1000 voor Chr. is de aarde grotendeels onbewoond.
Wel laat de chronologie van de Bijbel verschillende opvattingen toe.

282

6. Prae-Adamieten ?
Het Prae-Adamitisme leert dat de donkerkleurige volken terug gaan op een stamvader voor Adam. Adam en Eva zijn dan de stamvaders van de Joden.
Dit leest men dan in Genesis 1 en 2. Op grond hiervan werd de slavernij verdedigd.

7. Wanneer ontstonden de volkeren en de rassen?
Zie Genesis 11. Spraakverwarring is teken van verval: verwarring in gedachten en bewustzijn.
Toch zijn  er ook tekenen van eenheid.

283

8. Oorspronkelijke woonplaats?  
Eden > Vreugdeland. In deze streek werd de hof geplant. Men heeft het wel gezocht bij de Ganges of de Nijl of de Eufraat en de Tigris. Men denkt ook wel aan Amenië of Babylonië.
Drie meningen over het paradijs: 1. aards; 2. hemels; 3. tussenvorm.


Pargr. 37                                                           HET WEZEN VAN DE MENS

284

1. Wezen van de mens?
Beeld Gods. Vele volkeren kennen een aurea aetas.

2. God schiep de mens: wntwmdk wnmleb (be’almenu kadmoetenu) > kat eikona kai kat omoiwsin;
Zie Genesis 1:26; Psalm 8; Genesis 5:1 en 9:6.

3. Waar spreekt HS over de status integritatis?
Het OT spreekt weinig over de status integritatis; het NT: 1 Cor.11:7; de man is eikwn kai doxa qeou(Jak.3:9); zijdelings ook Ef.4: 24 en Coll.3:10. Hier is sprake van de kainos anqrwpos naar God geschapen in kennis, gerechtigheid en heiligheid.

4. Beeld Gods?
De betekenissen van eikoon en homoiosis zijn niet gelijk, maar er is geen zakelijk onderscheid. Gelijkenis is zwakker dan beeld.
De ganse mens is beeld van de ganse Godheid (Joh.1:14; 2 Cor.4:4; Coll.1:15; Hebr.1:3);
De Zoon is beeld Gods in absolute zin, de mens in relatieve zin. Wij moeten de Zoon weer gelijk worden.

285

5. Andere opvattingen?
Twee opvattingen:
1. De mens is slechts geschapen naar het beeld Gods; de gelijkenis moet de mens door gehoorzaamheid verwerven (Origines);
2. De mens direct geschapen naar beeld en gelijkenis; door de zonde echter verloren gegaan; in Christus weer herkregen.

6. Pelagius?
De mens is geschapen in kinderlijke onschuld, in zedelijke indifferentia (Pelagius); Formele wilsvrijheid. Dat zou nog zo zijn bij de mens. Het is onverliesbaar (Remonstranten, Socinianen).
Door eigen krachtsinspanning kan de mens zich ontwikkelen. Het paradijs ligt voor ons.

286
7. Contra-argumenten?
De mens is volwassen geschapen (in virili aetate).
Men dwaalt als men stelt dat er geen aangeboren heiligheid bestaat, maar dat deze door inspanning verworven wordt. Zo wist men de grens uit tussen de status integritatis en de status corruptionis.

287
8. Rome en het Beeld Gods?
Verklaart het beeld Gods vanuit de status gloriae > deificatio, participatio divinae naturae.
Donum superadditum is nodig om dit te bereiken.
Bovennatuurlijke deificatio kan slechts bereikt worden door bovennatuurlijke genade (gratia infusa).  

9. Rome heeft tweeerlie concepties van de mens?
a. de mens in puris naturalibus (heeft slechts een natuurlijke religie en deugd);
b. de mens met het donum superadditum: bovennatuurlijke religie en deugd, bestemd voor de hemel.

288

De status gloriae is niet supranaturalis in die zin dat het een superadditum is dat niet tot de menselijke natuur behoorde.

289
Rome scheidt natuur en genade.
Genade is geen herstelling, maar verheffing van de natuur. Dit werd door de Hervormers bestreden. Het beeld Gods is de mens van nature eigen.
Zonder dat beeld is de mens zondaar.
Luthersen: verlies van het beeld Gods maakt de mens tot een stok en een blok.

10. Reformatie?
a/ beeld Gods in ruimere zin: de mens heeft dat beeld Gods nog na de val (Gen.5:1; 9:6; Hand.17:28);
b/ beeld Gods in engere zin, namelijk die deugden welke de mens verloren heeft.

290

11. Nader onderscheid Rome en Reformatie?
Is de iustitia originalis nu naturalis of supernaturalis? Reformatie: naturalis. Rome supernaturalis.
Rome leert ook: zonder het beeld Gods kan de mens goed en zondeloos zijn.
Reformatie: zonder de iustitia originalis  (naturalis) is de mens dood in zonden en misdaden. Rome’s conceptie is neoplatonisch.

12. Geest of ziel?
Het beeld Gods is aanwijsbaar in de ziel van de mens: xwr, sfs; Grieks: pneuma , psuch; > Geest en ziel zijn geen twee afzonderlijke substanties, zoals het Trichotomisme leert (Plato). Beiden staan parallel naast elkaar, komen promiscue voor.
Er is tussen ziel en geest slechts een nuance-verschil.
Geest: geestelijke dingen bedenkend. Ziel: op lichaam aangelegd.

13. Het beeld Gods blijkt ook in de vermogens van de mens?
hart, verstand en wil. Augustinus zag hier terecht analogie met de drieeenheid (memoria, intellectus, voluntas).

Beeld Gods bestaat in kennis, gerechtigheid en heiligheid (verstand, wil, hart).
Geen indifferentie, maar wel beperkt en voor toenemen vatbaar.

14. Het lichaam van de mens naar Gods beeld geschapen?
God is Geest. Lichaam is geen kerker van de mens, met de ziel maakt het lichaam het wezen van de mens uit.
Het lichaam is beeld Gods in zijn organisatie als werktuig voor de ziel. God schiep de stoffelijke wereld. Deze is Gods openbaring en verschijning.
"De menswording Gods is het bewijs, dat niet de engel, maar de mens naar het beeld Gods geschapen is en dat zijn lichaam daarvan een wezenlijk bestanddeel vormt”.



HOOFDSTUK VI                                           OVER DE WERELD IN HAAR GEVALLEN STAAT.

Par.40: De oorsprong der zonde.

307

1. Vanwaar de zonde?
God niet de oorzaak daarvan (Deut. 32,4; Job 34,10;Ps. 92,16;Jes. 6,3). > Geen duisternis in God, Hij verzoekt niemand,  is de fontein van alle goeds, geen lust aan goddeloosheid (Ps.5,5).

2. Waar dan wel?
Oorsprong van de zonde in het schepsel. Maar: niet aan Gods bestuur onttrokken. God schiep de mogelijkheid der zonde. 
Men heeft gemeend: door te eten van de levensboom verkreeg de mens kennis van de geslachtsdrift (Onjuist).

3. Wat betekent het eten van de boom der kennis? 
1. De mens krijgt dan proefondervindelijke kennis van goed en kwaad; dit klopt echter niet met het aan God gelijk zijn. 
2. Gen.3 verklaart de ontwikkeling uit de dierlijke toestand tot die van zelfbewustzijn en rede; > Oorsprong der cultuur. Slang is hier incarnatie van de logos. Te dwaas! 
3. De mens ging onderscheiden tussen het nuttige en het schadelijke; onafhankelijkheid van de mens, cultuurdrang; echter: Gen. 3 wordt niet als een vooruitgang, maar als een val beschreven. 
4. Begeerte van de mens zich van God los te emanciperen (Marti).
Zelf uitmaken wat goed en kwaad is; het eigen geluk beproeven.

308

4. De slang?
Slang richt zich tot de vrouw: zij is ontvankelijker, omdat zij het niet zelf van God heeft gehoord. Men heeft de slang wel allegorisch opgevat; geen werkelijk dier dus.
Personificatie van de geslachtsdrift, van de rede, van de begeerlijkheid, van de satan. Onaannemelijk (Gen.3,1 en 2 Cor. 11,3)
Ook onjuist is het volgende: Gen. 3 verklaart de vijandschap tussen mens en dier.

5. Waar In HS melding van Gen. 3?  
Weinige plaatsen: (Spr. 3,18; Jes. 43,27; 51,3; 65,25; Joel 2,3; Hos. 6,7; Rom. 5,12; 1 Cor. 15,21). Tweede Adam wijst op de eerste Adam.

6. Duidelijk t.a.v. de duivel?
Joh.8,44: mensenmoorder ap' archès; 1 Joh.3,8: duivel zondigt van den beginne; 1 Tim.3,6: het oordeel des duivels; Judas,6: engelen.........

7. Waar begon de zonde?
Zonde is aangevangen in de geestelijke wereld. Satan: ho satanas, ho peirazoon, ho diabolos, ho drakoon ho megas. Satan bediende zich van de slang.

309

8. Den Hartog?
Allegorische verklaring: zonde en dood geen geloofspunten, maar ervaringsdata.
Toch: val en opstanding twee grootste feiten! Sagen en mythen van de heidenen onderstrepen de waarheid van Gen.3. Zie pag. 15 over andere godsdiensten.
[Socrates: zonde is onkunde; Plato, Aristoteles: vrije wil gehandhaafd].

310

9. Pelagius?
a. Overtreding van Adam is niet nadelig voor zijn nakomelingen; er is dus geen erfzonde.
b. Zonde niet door generatie, maar imitatie.
c. Vrije wil onverliesbaar; wel macht van de mala consuetudo, maar niet ernstig;

Socinianisme, Remonstrantisme, Rationalisme: zonde is geen toestand, maar daad van de wil; status integritatis: zedelijke indifferentia. Vrije wil!

10. Rome?
de val deed dona superaddita verliezen; de wil is niet geheel verdorven; natura lapsa is natura pura.

11. Ritschl?
Zonde wordt zichtbaar vanuit het Evangelie, vanuit het geloof!! Door het onderwijs van Jezus.
Geen status integritatis! Zonde ligt niet in de natuur van de mens.
[Zondige daden van alle mensen in collectieve eenheid].

12. Evolutie?
[Carlyle: wereld is niet alleen een koestal en keuken, maar ook tempel en orakel. Door sprongvariatie vanuit het dier ontstaan.

12a. Hoe verliep het proces?
Aanv. primitieve mens;  >> zedelijk bewustzijn!  Eerst onschuldige zonden, die zich later ontwikkelen tot vijandschap tegen God.

DIERLIJKE ZELFZUCHTIGE NATUUR IS IEDER MENS ALS KWAAD EIGEN!!!!

311

13. Hoe wordt de zonde wel verklaard? [3]

1. de menselijke natuur;
2. vanuit de natuur, de kosmos;
3. vanuit God.

14. Hoe vanuit de menselijke natuur?
ad 1:> Griekse filosofie: kwaad van de materie, de zinnelijke driften. Ascese grijpt hierop terug. Gedeeltelijk ook de RK theologie. Hier de tegenstelling tussen zinnelijkheid en verstand, lager en hoger ik, vlees en geest.
[Bedoelde Paulus dit met zijn visie op de sarks?]

15. Hoe vanuit de stof, de kosmos?
ad 2:> Velen gingen verder: zij kwamen van de anthropologische verklaring tot de kosmologische. Ook Plato. De hulè, materiaal, substantie) is een eeuwige macht tgo. God, oorzaak van de zonde, lijden en dood; hier kon God niet tegenop!

16. Hoe vanuit God?
ad 3:> Tenslotte ging men het kwaad in dit spoor in GOD zoeken. Parzisme en Manicheisme: twee goddelijke wezens, scheppers van licht en duister.

312

17. . pothn to kakon??

Pelagiaanse verklaring is onvoldoende. Ook niet afdoende als men de zonde verklaart uit de zinnelijke natuur van de mens. Immers; de zonde draagt niet altijd een zinnelijk karakter. Er zijn geestelijke zonden! Ascese bracht ook geen oplossing, hetgeen men dan zou mogen verwachten.

18. Wat bedoelt Paulus met basaar, sarks?
1. stof, substantie van het lichaam als tegenstelling van de pneuma, nous, kardia;
2. In het OT: de mens als broos, vergankelijk wezen;
3. zondige levensrichting van de mens (Rom.3,7;7,14;8,3;1 Cor.3,3;2 Cor.10,2.3)
Hier is de sarks tegenstelling van de pneuma, maar niet van het menselijk pneuma, maar van de hagios pneuma (Rom.8,2.9.11)

19. Is sarks bron of oorsprong der zonde?
Sarks is bij Paulus geen bron, maar orgaan der zonde. Paulus leert veel te duidelijk:
- de verleiding van de slang; (zou dan in strijd zijn met de voorgaande opvatting);
- hij weet van de besmetting des vleses en des geestes;
- hij noemt ook allerlei geestelijke zonden (Gal.5,19);
- er bestaan boze geesten;
- Christus, hoewel  genomenos ek gunaikos,, is toch zonder zonde!
- het lichaam noemt hij een tempel Gods <!

Wel: de zinnelijke natuur is de woning der zonde; niet haar bron of beginsel.
Verzoekingen komen via het lichaam (bijv. de ogen).

Maar sarks is bij Paulus meer: zondige mens naar ziel en lichaam!!
Dus geen Griekse tegenstelling.

20. Is de zonde een onafhankelijke macht of god naast God?
Nee; ook niet een duistere natuur in God <!

20a. Uit welke tegenstellingen verklaart men soms de zonde?
Men verklaart soms uit allerlei tegenstellingen de zonde theologisch: hemel en aarde, licht en duisternis, dag en nacht, zomer en winter, oorlog en vrede, liefde en haat, leven en dood.
HET NEGATIEVE WERKT DAN MEE AAN HET POSITIEVE. Denk aan de duif in de lucht.
Men beroept zich wel op de HS: Luk.24,26; Joh.9,3; 1 Cor.11,19; 2 Tim.2,20. Men beroept zich ook wel op Augustinus en Calvijn. Veel waarheid (HB).

21. Waarom onaanvaardbaar?
1. Zo berooft men de zonde van haar ethisch karakter;
2. zonde wordt zo eeuwig en onoverwinlijk;
3. God is dan de Auteur van de zonde.

Neen, zonde is anomia. God heeft de satan niet nodig!! Men vervalt zodoende tot libertinisme of pessimisme (geen zonde, maar lijden slechts erkennend).

313

22. Verhouding God en de zonde?
Gods raad gaat ook over de zonde! Deze gaat niet om buiten Gods kennis, wil en macht.
Pelagianen, Roomsen, Remonstranten, Luthersen: zonde wel buiten Gods wil, niet buiten Gods kennis. Geen oplossing. Zo beslist de mens volkomen.
AUGUSTINUS leerde anders: geen nuda permissio, maar een daad van Gods wil<.
Zo ook de Reformatie.
Dicta duriora zijn af te keuren. God is niet de Auteur van de zonde.

God wil het kwade anders dan het goede.
De zonde, als anomia, heeft God wel tot causa deficiens, niet tot causa efficiens. Zonde niet praeter, wel contra Gods wil.

In God is de negatieve oorzaak, in de mens de positieve.

314

23. Waarom wilde God de zonde?
1. tot straf van de goddeloze (Deut.2,30);
2. tot redding van Zijn volk (Gen.45,5);
3. tot beproeving van de gelovigen (Job 1,11);
4. tot verheerlijking van Zijn naam (Ex.7,3).

Duo cum faciunt idem, non est idem! God gebruikt het kwade, maar pleegt het niet. Hij beheerst het kwade. Op het toppunt van haar macht (kruis) wordt zij in haar machteloosheid openbaar gemaakt.

315
24. De oorsprong van de zonde in de wil van het zedelijke schepsel. Hoe?
1. God heeft de mogelijkheid der zonde gewild; Hij heeft de zonde gedacht.
2. Engelen en mensen zijn zo geschapen dat zij vallen konden.
3. Er was een werkzaamheid der verbeelding.
4. De eerste mens was uit de aarde aards (1 Kor. 15,45). Dit betekent echter geen dualisme van geest en stof.

25. Hoe werd de mogelijkheid tot werkelijkheid?
GEHEIM!! De zonde is onwettig en onredelijk!

316
26. Tijd van de val?
a. voor Manicheisme en Pantheisme een zinloze vraag.
b. Theosofen: tussen Gen.1,1 en 1,2: woestheid onderstelt reeds val en vloek;
men zag dit als de val der engelen; door deze val der engelen werd de aarde, waar de engelen woonden, woest en ledig.
c. Anderen: de val van de mens reeds voor Gen. 3; (praeëxistente zielen of voor de schepping van de vrouw).
Origines leerde de praeëxistentie der zielen; zo verklaart men de ongelijkheid in het menselijk bestaan.

De HS meldt geen tijdstip voor de val der engelen; ook niet voor de val van de mens.
Met het oog op het ap archè (Joh.8:44) waren sommigen van oordeel, dat de engelen terstond na hun schepping in zonden zijn gevallen (Augusinus, Thomas).
Anderen meenden: deze val vond plaats voor de schepping van hemel en aarde, of binnen de eerste zes scheppingsdagen of na afloop van heel het scheppingswerk.

Ook over de val van de mens is niets met zekerheid te zeggen, wat betreft het tijdstip. Wel houdt men eraan vast dat schepping en val enige tijd uit elkaar liggen.


      Pargr.41          De verbreiding der zonde

317

1. Schriftplaatsen over de verbreiding der zonde?
a. De zondvloed; ook daarna. Zie Gen.6:5.11.12; Job 14:4; Psalm 14,130,143.
b. Christus en Johannes dD: Johannes 3; Mark.1:15; Luk.5:31;
c. Zo ook de apostelen: Rom.3:19,20; Gal.3:22; kosmos heeft als woord zelfs een onguntige betekenis.

2. De gehele mens zondig?
a. Zondaar is de mens van de ontvangenis af aan: Psalm 51; Joh.3:31; Ef.2:3 (van nature kinderen des toorns); de vromen waren zondaars.
b. Zonde gaat door tot in het hart (Jer.17:9), het verstand (Joh.1:5), de geest (Ps.51:19), het geweten (Titus 1:15), de wil (Joh.8:34,36), het lichaam.

3. Romeinen 7:7-26?
Pelagianen menen hier te lezen dat alleen de sarx (bij de onwedergeborene) zetel van de zonde is. De nous en de pneuma zijn rein. Echter:
1. Alleen de wedergeborene kan de wet toestemmen;
2. een strijd tussen vlees en geest kent alleen de wedergeborene;
3. Paulus noemt zich wel sarkinos, maar niet en sarki;
4. Indien geldig voor de onwedergeborene dan is helpende genade genoeg.

318
4. Paulus?
Leidt alle zonde af van Adam > 1 Cor.15:21; Rom.5:12v. Hier de parallel Adam-Christus.
Ef wi is Is niet: in quo, in welke, maar:  epi toutwi oti = quia. Het betekent hier niet dat allen in Adam gezondigd hebben, maar: door Adam kwamen en de zonde en de dood tot geldigheid.

319
5. ROME?
De homo naturalis kan na het verlies van het donum superadditum nog (natuurlijke) goede werken doen.
Ook RITSCHL ging in die richting;

6. SEMI-PELAGIANISME?
a. de mens is ziek, ten kwade geneigd.
b. Helpende genade is genoeg. Trente in deze lijn.
c. De wilsvrijheid is wel verzwakt, maar niet vernietigd.
Concupiscentia is op zich geen zonde. Het is slechts zwakte, ziekte, gebrek.

321
7. Ambrosius en Augustinus?
Ambrosius  leerde het sterkst de erfzonde, Augustinus het duidelijkst (Rom.5; 1 Cor.15,22 en Ef.2:3).
Vlg. Augustinus bevestigt de kinderdoop de leer der erfzonde.
Waarom de dood, als er geen schuld is bij ieder?
Zonde van Adam is daad van hem en van al zijn nakomelingen. Vlg. Augustinus bestaat de erfzonde in concupiscentia.

322
8. REFORMATIE?
Zonde is totale corruptie van de menselijke natuur.
De erfzonde wordt niet opgevat als geslachtsdrift (Augustinus). Begeerlijkheid is altijd zonde.  

9. Wijsbegeerte?
Citaat: "De filosofie van Kant, Schelling, Schopenhauer, alsmede de leer van de erfelijkheid en de solidariteit, en ook de historische en de sociologische studies hebben aan het dogma van de efzonde een onverwachte en belangrijke steun geboden.
Toen de theologie het verworpen had, nam de wijsbegeerte het weer op”.

10. Hoe het verband te bezien tussen Adam en ons?
- Realisme: eenheid van het menselijk geslacht. Organische eenheid. Allen in Adam begrepen. Physische eenheid. HB ziet hier zwakheden. Daarom ook sprake van
- Foederalisme: Er zijn allerlei verbanden zoals gezin, familie, maatschappij, volk, staat, kerk enz. Solidariteit. Gen.9:25; Ex. 20:5; Numm. 14:33; 16:32; Joz. 7:24,25;1 Sam.15:2; Matth. 23:35; 27:25.

324
11. Vanwaar erfsmet?
De erfsmet is straf op de erfschuld. Zo Augustinus (2 Sam.12: 11,12; 1 Kon.11:11-31, eap.). Zondige daad leidde tot zondige toestand. Degradatie van het menselijke geslacht.
Wat een mens doet, laat een spoor in zijn karakter na.

Op grond van het feit dat de mens in Adam, hetzij als caput naturale hetzij als caput foederale, begrepen is, staat ieder mens schuldig.

326
12. Maria ook erfzonde vlg. Rome?
Er is geen grond om Maria uit te sluiten van de erfzonde. Rome kende haar toe: vrijheid van erfzonde, vrijheid van dadelijke zonden en vrijheid van de dood.
HS spreekt uit t.a.v. Maria: God is haar Zaligmaker. Zij is zalig vanwege het moederschap, niet vanwege zondeloosheid. DUNSCOTUS bracht de Mariologie op gang.

327
13. Is zonde het wezen van de mens?
De erfzonde beheerst ieder mens totaal; Psalm 51:7; Jer. 17:9; Ezech. 36:26; Mark.7:21; 1 Cor.2:14 eap. Maar men moet dit goed verstaan:
1. De HS spreekt van de diepste neiging, niet van de schuld in actu;
2. Zonde is niet het wezen van de mens; de mens blijft mens.

14. Deugden van de ongelovigen?
Calvijn en Gereformeerden hebben de deugden van de ongelovigen geëerd, ook al noemt Augustinus deze spledida vitia.

15. Welke factoren houden de zonde tegen?
Zwaard van de overheid, fatsoen, publieke opinie, vrees voor schande en straf. Ook natuurlijke liefde, zedelijk karakter, gunstige omstandigheden.
Zonde is geen fatalistische dwang!




PARGR. 44                                    lechts toorn na de val?
God komt niet in storm en onweer, maar in het ruisen van de bomen in de avond.
Straf voor man en vrouw. Daarin tegelijk ook zegen (bijvoorbeeld: arbeid).
Zelfs tijdelijke dood is straf en weldaad.

344

2. Verbond in Genesis 3?
Genesis 3 noemt het verbond niet.
Nieuwe kritiek meende dat Israel aanvankelijk geen notie had van het verbond.
Inderdaad kwam dit in de tijd der profeten sterker op de voorgrond.
Verbond echter wel bekend voor der tijd der profeten: Genesis 15; Exodus 21-23; 34:7 eap.

3. Enkele teksten in de profeten die spreken van het verbond?
Gods trouw tegenover onze ontrouw: Jer.31:31-34; Jes.55:3; Jer.33:20; Ps.89:29.

VERBONDSSLUITING OP DE SINAI IS GRONDSLAG VAN AL WAT VOLGT.

4. Hebreeuwse woord?
Het Hebr. Woord  tyrb hangt hiermee samen. Afgeleid van Bara, snijden (van dieren in twee stukken), doorgaan.
Aan de orde komen: 1. belofte; 2. vloek; 3. ceremonie.

5. NT? diaqhkh, niet sunqhkh; betekent wel vaak: testament? HB betwijfelt dit. LXX koos dit woord.
diaqhkh: 
Plechtige handeling, waarbij overdracht van rechten en goederen plaats vond (niet primair: dood als oorzaak).
Komt 33x voor in NT. Slechts in hebr.9:15-17 en wrsch. Gal.3:17,18 betekenis van testament.

6. Vertaling SV van diatheke?
St. Vert. vertaalt met "verbond” als het betrekking heeft op het OT.; testament als het betrekking heeft op het NT.
In NT een betekenis bijgekomen: testamentaire beschikking van de Zoon, zie Luk.22:29; Rom.8:16; Gal.3:17,18; Hebr.9:15-17; 1 Joh.3:1,2; 1 Petr.1:4.

345
In kerkgeschiedenis welke twee richtingen?
JUDAISME: stelde het OT hoger dan het NT;
GNOSTICISME: verachting van het OT. Dualisme van geest en stof; Demiurg (God van OT stond zeer laag); deze was verantwoordelijk voor de diefstal in Egypte en de dood van de eerstgeborenen; schepper van het kwaad; gaf verkeerde wetten.
OT-ische vromen zeer ondeugdelijk.
Deze Jodengod liet Christus kruisigen, maar werd door Christus ter hel verwezen.

7. Augustinus?
Augustinus: In vetere testamento novum latet, in novo testamento vetus patet.

8. ANABAPTISME?
Afschaffing van het gezag van de HS; het leerde het inwendig licht; OT mist alle evangelische inhoud.

9. SOCINIANISME?
OT lager dan het NT; Afgeschaft. Christus is nieuwe Legislator.

10. ARMINIANISME?
OT-isch verbond bevat slechts tijdelijke goederen; Zo ook de Luthersen. OT een wettisch verbond, geen foedus gratiae.

11. Het verbond kreeg vooral aandacht bij…..?
Zwingli, Olevianus en Ursinus, Calvijn, Bullinger, Gomarus, Boston.

12. COCCEJUS?
Niet in hem bestreden zijn verbondsleer, maar zijn historische methode; OT had vlg.hem geen rechtvaardiging, zwakke troost, wet door engelen, slechts type en schaduw; dus ondermijning van het OT.

OT was een langzame afschaffing van het werkverbond; hier verwantschap met Kant en Schleiermacher; geen achting voor het OT; Schriftkritiek staat sceptisch tgo. OT.

346

13. PACTUM SALUTIS?
Raad des vredes. Ontwikkeld door Olevianus, Coccejus, Witsius en Brakel.
Locus classicus: Zach.6:13. Zegt niets (HB). Hebr.7:22 is ook onzeker.

Toch is het Pactum salutis een schriftuurlijke gedachte.
Christus is als Middelaar aan de Vader ondergeschikt; Hij noemt Hem Zijn God, Hij is Zijn Knecht (Jes.49) Wien het werk is opgedragen; Hij ontvangt loon (Joh.17:4,11,17,24).
Ook tijdens het OT was de Middelaar werkzaam; Hij werd van eeuwigheid tot Middelaar verkoren (Jes.42:1; 43:10; Matth.12:18; Luk.24:26; Hand.2:23; 4:28; 1 Petr.1:20; Openb.13:8).
Hier, tussen de Goddelijke Personen is het verbond de hoogste realiteit; het is hier volkomen suntheke.

Het werk der zaligheid is een werk van de drie Goddelijke Personen.
Het verbond der genade rust op een eeuwige grondslag.

347
14. FOEDUS GRATIAE in ruimere zin?
Aanvankelijk zijn de beloften voor de gehele mensheid (ttv Adam).

15. In de periode van Adam tot Noach een bijzondere bedeling van algemene en bijzondere genade?
De oorspronkelijke krachten van de creatie werken nog na in lange levensduur, machtige werking van de elementen.
In die tijd echter ook schrikkelijke goddeloosheid.Zie Gen.6:5; en Matth.24:37. In deze tijd dragen natuur en mensheid een ander karakter dan daarna.

16. Met NOACH een andere periode?
FOEDUS LONGANIMITATIS: vloek beperkt, natuur aan banden gelegd, verwoesting gematigd; jaargetijden wisselen.

Dan ontstaat een mensheid die zachter is. Ook korter van duur.
De genade Gods treedt na de vloed krachtiger op dan ervoor. FOEDUS NATURAE geldt dan heel de mensheid.
Het geldt ook als voorbereiding op de komst van Christus. Joh:1:9; Hand.14:16; 17:27.

348
17. FOEDUS GRATIAE met Israel?
Gratia specialis aan de volkeren onbekend. Slechts nawerking van het werkverbond.
Bij Israel is alles gratia specialis van God tot de mens.

18. Het Sinaïtisch verbond?
Heeft continuiteit met het verbond met Abraham. Het is ook genadeverbond !! Zie aanhef!
Eeuwig verbond: Deut.4:31; Richt.2:1; Psalm 89:1-5; Rom.11:1; 2 Cor.1:20.
Hier dezelfde verbondsweldaden die ook aan Abraham beloofd werden.

Tijdelijke zegen: Kanaän, vruchtbaarheid, lang leven, welvaart;
Geestelijke zegen: Gods wonen bij  Zijn volk (Ex.29:45); vergeving der zonden (Ex.20:6; Deut.4:31); het zoonschap (Ex.4:22; 19:5,6; Deut.14:1; Jes.63:16); heilgmaking (Ex.19:6).
Echter niet zo duidelijk aanwezig als in het NT.

19. Plaats en betekenis van de wet?   
DE WET VAN MOZES IS NIET TEGENGESTELD AAN DE GENADE, MAAR DIENSTBAAR DAARAAN.
Leidt heen naar Christus.

In OT gold geen verkapt werkverbond, maar een versluierd genadeverbond. Er kwam een andere bedeling, een hogere genade.

Eenheid van O en NT:  Luk.1:68-79; Hand.2:39; 3:25; Rom.1:2; Gal.3:8; Hebr.4:2; 2 Tim.3:15.

349

20. Foedus naturae?
Is verbond der genade in ruimere zin.

21. Verhouding werk- en genadeverbond?
Foedus gratiae verschilt geheel van het foedus operum; het is nu alles genade.
Het werkverbond veronderstelt de vrije wil van de mens.
Niet door God, maar door de mens verbroken.
Het genadeverbond is onverbrekelijk. Ook niet afhankelijk van enige voorwaarde.
GENADEVERBOND IS HERSTELLING VAN HET WERKVERBOND.

22. Hoeveel verbonden?
HB erkent het verschil tussen het Pactum salutis en het foedus gratiae. Toch accentueert hij de eenheid.

ER ZIJN IN DE HS SLECHTS TWEE VERBONDEN !

Hoe te denken over de ongelovigen binnen het verbond?
Men onderscheidde in uitwendig en inwendig verbond, aboluut en conditioneel verbond, verbond en verbondsbedeling.

Maar: verbond der genade is één. Er zijn kwade ranken aan de wijnstok.


350

23. Wie spraken van voorwaarden des verbonds?
Calvijn, Gomarus.
Anderen verwierpen dit: Olevianus, Brakel, Comrie, Vitringa.
Feitelijk zijn er geen eisen en voorwaarden.







Pargr.45                                                                            Persoon van Christus:

1. Zoon des mensen?
1. Staat in verband met alle mensen; aan alle mensen verwant, dus: waarachtig mens.
2. Uitzonderlijke mens, nl. van boven, gemeenschap met de vader, rechtvaardig mens.
3. Lijdende Knecht des Heeren.
4. Door lijden komend tot heerlijkheid.

2. ZOON VAN GOD?
In het OT gebruikt van de vorst, het volk, de Messias. Jezus echter anders:
* Zoon des Vaders (Luk.2,49)
* de éne Zoon die de Vader zond (Mark.12,6)
* bij doop en verheerlijking uitgesproken (Matth.3,17 en 17,5) als de geliefde Zoon;
* Niemand kent de Vader dan de Zoon (Matth.11,27)<.
* Hij spreekt zalig, vergeeft de zonden, schenkt eeuwig leven  <<.

3. Twee stromingen?
Ebionitisme (slechts mensheid);
Gnosticisme (slechts godheid) >> Gnostiek: Christus is hoogste Aeoon, bracht physisch lichaam mee uit de hemel, om mensheid uit de banden van de materie te bevrijden.
Afwijkingen van Chalcedon:
Ebionitisme (Arianisme, Nestorianisme, Socinianisme, Deisme, Rationalisme);
Gnosticisme (Patripassianisme, Sabellianisme, Monofysitisme, Anabaptisme).

5 Kant?
Christus is voorbeeld van zedelijkheid en deugd;
Kant loochende de kenbaarheid van het bovennatuurlijke;
de mens heeft geen verlosser nodig (du sollst, also du kannst);

6. Schelling?
Christus is niet de enige Godmens, maar de mens is wezenlijk één met God. De mensheid is de mens geworden God (Straus).

7. Schleiermacher?
Wel historische persoon van Christus; gaat uit van de ervaring van de gemeente; Christus is godsbewustzijn in absolute kracht > subiect der religie.
Veel invloed. Christus is geheel enige openbaring Gods.

8. Ritschl?
Verwerpt alle metaphysica in de Christologie: geen praeëxistentie, geen bovennatuurlijke ontvangenis, geen opstanding, hemelvaart en wederkomst.
Gewoon mens !! Maar: STICHTER VAN HET RIJK GODS >> leert ons dat het rijk Gods de bestemming van de mens is.
onderscheid tussen de hist. Jezus en de dogmatische Christus (laatste gevolg van de Griekse filosofie).

9. Lagarde?
Paulus maakte vier fouten >>
1. Hij voerde de Vergöttung des Menschen Jesu in;
2. hij nam obiectieve verlossing in Christus aan, buiten ons om;
3. het offer van Christus zou verzoening brengen;
4. sacramenten zijn obiectief werkende mysterieën.

Ritschlianen willen van Paulus naar Jezus (van de synoptici en de Bergrede) terug.

10. Drie voornaamste momenten in Christus?
Generatio, creatio, revelatio;

11. Nestorius?
twee personen, die los naast elkaar bestaan;

12. Eutyches?
ene Godmenselijke natuur; wiste onderscheid uit;

13. Communicatio idiomatum?
eigenschappen van de ene natuur ook toegeschreven aan de andere;

14. apotelesmatum?
 Borgwerk verricht door beide naturen;


Pargr. 46                                                       CHRISTUS’ VERNEDERING

1. Wegen van verlossing?
magie als het gaat om verlossing van physisch kwaad;
mystiek, meditatie als het gaat om verlossing van de eindigheid;
animisme, spiritisme als de godheid oneindig ver weg is.

2. Welk verschijnsel zeer opmerkelijk?
offerande.
Verschillende offers: paasoffer  > zoen- en brandoffer;
bondsoffer > bevestiging van het verbond; verzoening;

3. handoplegging?
Overdracht van schuld, van  zegen, van vloek, van een ambt, van de Heilige Geest.

4. Zoenoffers golden voor alle zonden?
slechts voor sommige onopzettelijke zonden (Lev.4:2).
Tal van zonden vallen niet onder de offers.

5. Ware offer?
gehoorzaamheid (1 Sam. 15,22);
barmhartigheid (Hos. 6,6);
gebroken geest (Ps. 51,19);
horen van Gods stem (Jes. 7,23);
deze offerande zal de Knecht des Heeren brengen; Dit is Israel ten diepste niet; Israel's vromen stellen zich tegenover Hem.

6. Christus en het OT?
is de vervulling van het OT.
Hij is de Doulos (Filip.2,7.8); Hij kwam om te dienen, de wet te volbrengen, alle gerechtigheid te vervullen, gehoorzaam te zijn.
Zijn ergon is omvangrijk > Hij is Wet en Evangelie in eigen persoon;
Hij zal Gods wil volbrengen <!

Christus is het bondsoffer, bevestigd door het bloed van het nieuwe verbond;
slachtoffer;
gave (Ef. 5,2; Hebr.10,10)
losprijs, losgeld (Matth.20,28);
prijs (1 Cor.6,20).

7. Twee voorzetsels?
uper >voor, ten behoeve van  > velen (matth. 20,28); schapen  (Joh. 10,15; goddelozen (Rom. 5,6); allen (2 Cor. 5,15); ons (Gal. 3,13);
 peri >terwille van > velen of de gehele wereld (Math. 26,28;
            1 Joh. 2,2);

8. Augustinus?
naast de ethische, de mystieke en de loskopingstheorie komt ook de juridische of de satisfactorische bij hem voor.

9. Anselmus?
 ging een eigen weg (Cur deus homo?).
Satisfactorische opvatting > vleeswording en voldoening niet alleen conveniens, maar ook noodzakelijk!
Op de zonde volgt altijd aut poena aut satisfactio.
Niemand volgde hem geheel na.

10. Dunscotus?
zijn tegenhanger.
loochende de oneindigheid van de schuld en van de verdienste van Christus;
menswording en voldoening slechts willekeur.

11. Reformatie?
verzoening van de schuld der zonde; door actieve en passieve gehoorzaamheid.

12. Andere opvattingen?
Ebionieten > Christus is profeet, Die door voorbeeld de mens helpt;
Gnostieken > Hij bevrijdt door kennis de mensen uit de banden der materie.

Veelal niet de Christus voor ons, maar in ons.
Dopersen leren dat Christus in ons de mystieke gemeenschap met God brengt.

13. Socinianen?
ten aanzien van de leer der voldoening stelde men:
1. in strijd met de Schrift; God vergeeft, hetgeen voldoening uitsluit;
2. niet noodzakelijk;  geen strijd tussen gerechtigheid en barmhartigheid in God;
3. onmogelijk;  persoonlijke schuld kan niet overgedragen worden;
4. schadelijk;  kweekt zorgeloosheid en goddeloosheid.

Latere Remonstranten namen deze bedenkingen over. Christus verwierf de mogelijkheid der zaligheid. Veelal subiectieve verzoening!

NIEUWERE THEOLOGIE?
Geen juridische, maar religieus-ethische duiding van het werk van Christus. Verzoening gericht op de mens, niet op God (subiectief).

14. Drie lijnen ten aanzien van juridische opvatting?
Dunscotus: Nee  >> volkomen willekeur;
Augustinus, Athanasius, Thomas en Calvijn: niet noodzakelijk, maar hoogst passend;
Anselmus, Beza, Voetius, Owen en de Moor: absoluut noodzakelijk!
HB sluit zich bij het laatste aan, als men maar goed bedenkt dat het geen onvrije keus was.

15. Groninger theologie?
Dood van Christus was openbaring van 1. Gods liefde, 2. van Jezus' volmaaktheid en 3. van de zonde des mensen. Leidt mensen tot berouw.

16. In Schotland Hypothetisch universalisme?
Christus stierf voor alle mensen op voorwaarde van geloof en bekering (Amyraldus).

17. Geschil ten tijde van de Hervorming?
Osiander stelde de Goddelijke natuur als de materie der rechtvaardiging;
Stancarus zocht deze in de menselijke natuur van Christus.

18 Gereformeerden?
Christus is Middelaar naar de beide naturen.
De middelaarswerken zijn door de ene Persoon met de beide naturen verricht.
De HS noemt Christus meermalen naar de Goddelijke natuur subiect der vernedering (Joh.1,14; 2 Cor.8,9; Filip.2,6).
Had Stancarus gelijk, dan was Christus ttv het OT geen Middelaar!

19. Onderscheiding Gnostieken t.a.v. God?
onderscheidden de God des toorns (OT) en de God der liefde (NT).

20. Oboedientia activa?
duidelijk geleerd > Matth.3,15; 20,28; 26,42; Joh.4,34; 5,30;6,38; Rom.5,19; Gal.4,4; Filip.2,7.8; Hebr.5,8; 10,5-10 etc.
Sommigen ontkenden dit. Slechts het lijden van Christus was voorwerp voor contemplatie en imitatie.
Zo dachten de Wederdopers, Mystieken en Piscator, want Christus was hiertoe reeds verplicht terwille van Zichzelf.
Dus wel nostro bono, niet nostro loco!

21. Bijbelse lijnen aangaande Christus (Evangelieen, Hand, etc)?
Evangelieën: Christus stichter van het Rijk Gods; Zijn bloed vergoten;
Handelingen: Christus sterft vanwege de misdaad der mensen, maar ook vanuit de Raad Gods;
Paulus: Christus zonde en vloek geworden voor ons; totale verlossing;
Petrus: lijden ook ter navolging; Hebreën: Priester en offer sterven.

22. Twee Griekse woorden?
Zie het woord lutron:  
komt van het verbum luein (Matth.20,28;1 Tim.2,6;Mark.10,45). Luein betekent losmaken (uit banden of uit de gevangenis).
Ritschl sprak bij Matth.20,28 slechts van doodservaring.  Onjuist. Zie NT-ische offers.

Zie ook het woord timè: dure prijs (1 Cor.6,20; 7,23; 1 Petr.1,18.19).

De mens bevindt zich in de gevangenis der zonde en kan alleen door de dure prijs van Christus' bloed verlost worden.

23. ANTINOMIANEN?
leerden: op Christus zijn niet alleen de schuld en de straf, maar ook de smet en de onreinheid der zonde overgedragen.
In Christus zijn zij bedroefd geweest over de zonde; in Hem wedergeboren en gerechtvaardigd. Men behoeft daarover geen kwelling meer te gevoelen.
Men noemde Christus soms zondaar (Luther, Calvijn).
Dit geldt slechts in de zin van : tot zonde gemaakt.

24. Nederdaling ter helle?
Geen letterlijke opvatting in de HS.
Hos.13,14: God verlost Zijn volk van de sjeool en de dood;
Hand.2,27.31: Christus behoorde tot de doden en is in de hades geweest;
Luk.23,43: Hij was in het paradijs.
Rom.10,6-8 zegt ook niets daarover. Evenmin Ef.4,9, waar het gaat om de menswording van Jezus.
Voornaamste plaats: 1 Petrus 3,18-22; Verklaringen hiervan:
1. Christus heeft voor Zijn menswording  in de geest door Noach aan diens tijdgenoten het Evangelie verkondigd;
2. Christus ging tussen Zijn dood en opstanding naar het dodenrijk om aan de ongehoorzamen uit de dagen van Noach het Evangelie te brengen;
3. aan gevallen engelen bracht Christus het oordeel, hetzij in de dagen van Noach, hetzij tussen Zijn dood en opstanding.

Grote verscheidenheid in uitlegging:

1. Griekse en Roomse verklaring, als zou Christus na Zijn dood naar de hades gegaan zijn, om de vromen uit het OT uit de limbus patrum naar de hemel over te brengen, vindt geen steun in de HS.
 2. Lutherse verklaring (Christus heeft Zijn overwinning aan de satan bekend gemaakt) kan hier niet gelden (wel Bijbelse aanleiding).
3. Ook geen prediking van het Evangelie aan allen die het in hun leven niet hebben gehoord.
4. Gereformeerde verklaring (als uitbreiding van de Heid. Cat):
Christus verkeerde tussen Zijn sterven en opstanding als Middelaar in  de staat des doods..


Pargr. 47            Verhoging


1. Wat verstaat Rome onder de dotes en de defecten van de menselijke natuur van Christus?
Dotes: visio dei, geen behoefte aan geloof en hoop; defecten: vatbaar voor lijden;

2. Lutherse leer?
Goddelijke eigenschappen ook geschonken aan de menselijke natuur;

3. Hoe nam de Goddelijke natuur deel aan de vernedering?
> pactum salutis, morfe theou verborgen, menselijke natuur aangenomen zonder zonde, geen gebruik van de Goddelijke natuur om Zichzelf te behagen;
      
4. Namen beide naturen deel aan vernedering en verhoging?
> Ja.

5. Wat is de soma psychikon en wat de soma pneumatikon?
Psuchikon: fthora, asteneia, atimia; pneumatikon: aftharsia, doxa en dunamis;

6. Welke weldaad nam Christus mee ten hemel?
Katalaggh, reconciliatio;

7. Hieruit welke weldaden?
Juridische (verzoening), ethische, morele (navolging), mystieke (één plant met Hem wordend) en fysieke.

8. Origines over verzoening?
Universalisme (vlg. apokatastasis toon pantoon);

9. Augustinus?
Leerde particuliere verzoening;

10. 1 Tim.2:4?
Sufficienter en efficaciter, (voorwaarde, Aug), allerlei mensen, niet op gelijke wijze;

11. Arminius?
Plaatste verkiezing na voldoening; (nieuwe voorwaarden);

12. Beza, Piscator, Voetius, e.a.?
Bezwaar tegen efficaciter <> sufficienter; Cavijn: wel deze onderscheiding;

13. Baxter?
Twee besluiten: 1e alle mensen;  2e geloof aan uitverkorenen;

14. Marrowmen?
Tegen Neonomianen; Christus’offer is a legal, federal, sufficiency voor alle mensen;

15. Guthry, Rutherford?
Algemene voldoening;

16. Teksten voor de Universalisten?
Ez.18:23; 33:11; Joh.1.29; 3:16; 1 Tim.2:4; 1 Joh.2:2;
Ook Universalisten beperken dit (HB);

17. Wat verstaan we onder de voluntas beneplaciti en signi?
Verborgen en geopenbaarde wil;

De vernedering was ten aanzien van de Goddelijke natuur:
1. uitwerking van het pactum salutis;
2. nam de menselijke natuur aan, uitgenomen de zonde;
3. verborg de morfè theou achter de morfè doulou;
4. Christus maakte geen gebruik van de Goddelijke natuur om Zichzelf te behagen.

399
18. Waarin bestond de verhoging?
Niet in de gave van de Godheid of de Goddelijke natuur (Socinianen) bij de opstanding;
Christus ontving de verhoging zelve zoals opstanding etc.

In de verhoging deelde ook de Goddelijke natuur!
Persoon des Zoons is naar beide naturen subiekt van vernedering en verhoging.

19. Wat is de swma pneumatikon?
De sooma pneumatikon heeft na de opstanding aftharsia, doxa en dunamis (afqarsia, doxa, dunamis); het is een sooma pneumatikon (swma pneumatikon).

20. Wat is de swma pneumatikon?
Tevoren een sooma psychikon (fthora, astheneia, atimia;

400
OPSTANDING (anastasis):

21. Waaruit blijkt de zekerheid van de opstanding?
Zekerheid berust op verschijningen; Jezus verscheen zowel te Jeruzalem alsook in Galilea.
 
22. Hoe verklaart men soms de opstanding?
Men verklaarde soms als oorzaak voor de opstanding:
schijndood,
subiektief visioen (vanuit de geest van de disc),
obiektief visioen (vanuit Christus Zelf);
Het zou er niet op aankomen hoe Jezus lichamelijk is opgestaan, als Hij maar leeft.

23. Wat leert de HS. tav de opstanding?
1. Bewijst dat Jezus de Messias is (Hand. 2,36);
2. zegel van het Goddelijk zoonschap (Rom.1,3);
3. Goddelijke goedkeuring op het middelaarswerk (Hand.2,23);
4. aanvang van de verhoging (Luk.24,26);
5. waarborg van vergeving en rechtvaardiging (Rom.4,25);
6. fontein van alle geestelijke zegeningen (Hand.5,31);
7. onderpand van onze opstanding (Rom.8,11);
8. grondslag van het apostolisch Christendom (1 Cor. 15.12).

401
24. Wat weten we van de periode na de opstanding?
Eigenaardige periode: Zijn lichaam enerzijds identiek met lichaam voor Zijn dood (handen en voeten, vlees en benen, zijde, gebruik van spijze);
Anderzijds toch verschil:
verdwijnen, andere gedaante, niet herkend <! Sooma pneumatikon.
1 Cor.15,24 ev; 2 Cor.13,4; Filip.3,21;
In deze 40 dagen onderwees Christus hen.

25. Hemevaart?
Actief en passief beschreven; Mattheus en Johannes vermelden dit niet; Wel m.n.: Lukas, Handelingen, Brieven, Hebreen en Openbaringen;
Jezus had het ook voorzegd!

402
26. Welke weldaden naam Christus mee ten hemel?
reconciliatio: verzoening (obiekt. betekenis (Kipper > voor Gods aangezicht [Lev.1,3]; afwending van toorn ]Numm.8,19]);
Socinianen stelden dat God liefde is; HB: Hij toornt ook, dus is verzoening nodig!
Gerechtigheid en liefde gaan samen.
Katalaggè is inhoud van het Evangelie. God is verzoend;

27. Zijn verzoening en voldoening hetzelfde?
Hier scheiden sommigen de verzoening van de voldoening; verzoening komt tot stand door geloof en bekering van de mens.

28. Welke weldaden komen hieruit voort?
1. juridische (vergeving, rechtvaardiging, aanneming, erfenis);
2. mystische (sterven en opstaan met Christus);
3. ethische (wedergeboorte, levendmaking, heiligmaking);
4. morele (navolging;
5. oeconomische (nieuwe verbond);
6. physische ( overwinning van de dood en de wereld).

403
29. Hoe dacht Schleiermacher hierover?
Verlossing (opname van de gelovigen in het Godsbewustzijn [mystisch]) door Zelfopenbaring van Christus in Zijn gemeente.

30. En Ritschl?
over verzoening: Christus leert dat God liefde is; dus wegneming van het schuldbewustzijn (rechtvaardiging). Ethische verandering in ons.
Beiden: subiektieve verandering in de gelovigen.

31. HS?
anders: geen morele invloed, maar: God bracht verzoening tussen hemel en wereld. God verhoogt Zich in het gericht (Jes. 5,16).

32. Neonomianisme?
In Schotland maakten de Neo-nomianen het geloof tot een nieuwe wet (voorwaarde).
Daartegen the Marrowmen: Christus' offerande bezit a legal, federal sufficiency voor alle mensen (alg. aanbod van genade).
Ieder mag geloven in Christus, want God gaf Hem aan de wereld.

Tot ieder kan gezegd worden: Christ is dead for him; hetgeen nog iets anders is als: Christ died for him  (Matth.22,14;28,19;Joh.3,16).
Zo Boston, de Erskine's.

Later (omstr.1820) sprak de synode uit:Christus heeft allen gebracht in a salvable state.
Sommigen ontkenden dat allen recht hadden op Christus.
Anderen (Rutherford, Guthrie, Campbell) waren voorstanders van de algemene voldoening.
Thans leren velen de bijzondere voldoening niet meer.

406
33. Waar ligt het verschil?
Allen stemmen hierin overeen dat niet alle mensen zalig worden.
Ook allen erkennen dat het offer van Christus voldoende is voor allen.

De Universalisten leren de particulariteit, de Particularisten leren de universaliteit.

34. Voor wie is het offer van Christus?
1. Offer van Christus in verband gebracht met de gemeente:
bijv. velen (Jes.53,11.12; Math.20,28; 26,28; Rom.5,15; Hebr.2,10);
Zijn volk (Matth.1,21; Titus 2,14; Hebr.2,17; 7,27; 13,12);
Zijn schapen (Joh.10,11; Hebr.13,20);
Zijn broeders (Hebr.2,11); kinderen Gods (Joh.11,52;Hebr.2,13-15);
de gegevenen des Vaders (Joh.6,37; 17,2); de gemeente (Hand.20,28; Ef.5,25)
Zijn lichaam (Ef.5,23) en ons (div).

35. Teksten voor de Universalisten?
De Universalisten beroepen zich op Jes. 53,6; Rom.5,18; 1 Cor.15,22;
2 Cor.5,15; Hebr.2,9 (allen).
Maar: ook zij zelf beperken dit.

36. Moeilijker teksten in dit verband?
Meer belang in teksten zoals Ezech.18,23; 33,11; Joh.1,29; 3,16; 4,42; 1 Tim.2,4 eap.
HB vat allen of de wereld op als: alle creaturen (Matth.28).
Geen aanneming des persoons bij God.
De Universalisten komen in strijd met de HS en de ervaring.

Ander onderscheid in dit verband:
voluntas beneplaciti (verborgen wil of: welbehagen); daartegenover de voluntas signi: het Evangelie moet gebracht worden aan alle mensen.

Men mag verder de verwerving en de toepassing niet uiteen rukken.

37. Zijn de Universalisten ruimer?
De Universalisten zoeken de kwantiteit, maar beperken de kwaliteit. Christus is dan niet een volkomen Zaligmaker. Geen toepassing.
Echter: Hij verwierf niet alleen de mogelijkheid, maar ook de werkelijkheid.
Vlg. hen verwierf Christus voor niemand de werkelijkheid der zaligheid.
Men legt het zwaartepunt vanuit Christus in de christen.
Men mag ook niet de Heilige Geest (toepassing) anders voorstellen dan de Vader en de Zoon.
Zeg ook niet dat het ongeloof de enige zonde is waarom men verloren kan gaan.

407
38. Heeft Christus betekenis voor de natuurlijke mensen?
Wel heeft het werk van Christus een bepaalde betekenis voor allen. Natuurlijke zegeningen zijn in strikte zin voortkomend uit Hem (Matth.6,33; Rom.8,28;32; 1 Tim.4,8; 2 Petr.1,3).

De wereld werd gespaard omdat Christus komen zou. Alle mensen hebben veel aan Hem te danken (Joh.1,5; 1,9.10.
Christus heeft ook betekenis voor de redeloze natuur.  Ook de engelen hebben voordeel van Zijn werk, al verwierf Christus voor hen de heerlijkheid niet.
Men zie Ef. 1,10 en Coll.1,20.
Onder ta panta verstaan we de ganse schepping, die moest lijden onder de zonde van de mens. Men zie ook Rom.8,22.

408
39. Wat betekent de verhoging van Christus?
Christus ontvangt in de staat der verhoging koninklijke macht en bevoegdheid.Hij is het Hoofd der gemeente en gaat voor haar plaats bereiden.

409
Alle werk in de kerk gaat uit van de verhoogde Christus.
Hij werkt door Woord en Geest. Dit als Profeet.
Hij is ook als Priester werkzaam. Zie Hebreen: bidden, zegenen.
Socinianen leidden hieruit af dat Christus pas na de hemelvaart Priester werd, niet daarvoor. Onjuist! Het offer was gebracht.
Christus ging in de hemel niet met, maar door Zijn bloed.
Hij is ook Koning.
We spreken van een regnum  potentiae en een regnum gratiae.
Hij triomfeert ook over satan.

40.1 Petr. 3,19-22?
Geen prediking in de hel tussen vivificatio en resurrectio (Luthersen).
Ook ging Christus niet voor de hemelvaart eerst naar de hel.
HB: Zijn heengaan naar de hemel als de opgestane Heer was het kerugma voor de geesten in de gevangenis.
Waarom ook Noach's tijdgenoten genoemd?
1. Zij waren de grootste zondaars;
2. ze vergingen door het water, waardoor Noach behouden werd;

41. Hoe zal Christus Zich onderwerpen aan de Vader?
 Geen einde aan de menselijke natuur. Gen einde aan Zijn rijk (Nicea).
Christus is dan niet meer Middelaar der verzoening, maar Middelaar der vereniging.



Pargr. 40                                             DE HEILSORDE

1. Wat is Nomisme?
 Ttv Ezra, Nehemia: Nomisme; leidde tot hoogmoed en vreze des doods;

2. Koninkrijk Gods?
 Overvloediger Gerechtigheid: metanoia en pistis (gaven Gods), geen eigengerechtigheid;

3. Drie grote feiten?
 Schepping, Vleeswording, uitstorting;

4. Talenwonder?
 Geen hoorwonder, maar spreekwonder; geen glossolalie, wel eraan verwant;

5. Hoe verviel geestelijk leven na NT-ische tijd?
Toch spoedig het Evangelie opgevat als een nieuwe wet. Vrije medewerking van de mens is nodig. Veruitwendiging van de boete (satisfactio operis: bidden, vasten, aalmoezen) en van de soteriologie.

6. Wat leerde Pelagius?
 Noch Adam, noch Christus van belang; er is een posse in natura; lex naturae;                                                                                                
7.Semi-Pelagianisme?
 Medewerking: Nostrum est velle, Dei perficere.

8. (Semi) Pelagianisme beoordeeld door de kerk?
 Dit Pelagianisme veroordeeld te Efeze (431) en Orange (529).
 Te Orange werd ook het Semi-Pelagianisme veroordeeld. Rome leert beslist de noodzakelijkheid van de gratia praeveniens.
 Semi-Pelagianisme langs andere weg binnengehaald: de mens kan God liefhebben,
goede werken doen, hij kan de genade aannemen of verwerpen!

9. Luther tov de poenitentia?
 Bitterste woord; vera contritio interior, geen satisf. operis;

10. Hoe verhouding boete en geloof bij Luther?
 Aanv. geloof voorop; later boete; tgo. Rome en later de Antinomianen;  
Poenitentia: twee delen: contritio (wet) en fides (Evang);

11. Drie delen van de via salutis?
 Contritio, fides en bona opera;

12. Melanchton?
Neigde naar vrije wil;

13. Calvijn?
Voor wedergeboorte geen voorwaarden; poenitentia volgend op geloof (?); ethische betekenis;
wel poenitentia voorafgaand, maar niet altijd zeker leidend tot geloof;
Verwerving en toepassing beide weldaden van Christus;

14. Mystiek?
Bedient zich soms van occultisme (spiritisme, hypnotisme, magie, mantiek).
Soms wel via openbaring. Verschijnselen: extase, visioenen, stigmatisatie e.d. Leidt tot pantheisme: vermenging van het goddelijke en menselijke. Drie stadia:  
katharsis (purgatio) gebed, boete, onthouding leidend tot reiniging; terugtrekken uit het aardse leven.
footismos (meditatio): concentratie op één punt, bijvoorbeeld het lijden van Christus.
epopteia (extase): vereniging met de godheid.

15. Tegenhanger?
Rationalisme;

16. Verwant met?
Mystiek: Antinomianisme; rationalisme: Neonomisme;

17. Antinomianisme?
gebed, boete, berouw, bekering, goede werken zijn alle overbodig; doen tekort aan het werk van Christus. Zonden zijn nu geen zonden meer, maar werken van de oude mens.

18. de School van Saumur:
het verstand is voldoende voor de bekering, want de wil volgt het verstand.
Geen werkverbond, geen toerekening van Adam en Christus (?).
Het geloof en de werken vormen samen de grond voor de rechtvaardigmaking.
Amyraldisme en Arminianisme.
Grond voor de rechtvaardiging is de eigen (onvolmaakte) gerechtigheid van de gelovige.
De oude wet van het werkverbond geldt niet meer. Het nomisme leert a new law: geloof en bekering.

19. Neonomisme ook bij Nadere reformatie?
Dit geheel een practische, piëtistische richting, in Engeland vertegenwoordigd door R. Baxter, en hier ten lande door Witsius, Vitringa, Lampe, d'Outrein, Brakel, Hellenbroek, Smijtegeld, Franken, Groenewegen, van de Groe, Eswijler, Schortinghuis.
Dit volgens Bavinck!
 
20. Duits Piëtisme?
Spener (1635-1705) > Busskampf > lange, bange worsteling met de duivel, de wereld, het vlees, met vertwijfeling, leidend tot geloof.

21. Wesley, Whitefield?
oordeelsprediking; leidend direkt tot genade; zondeloos leven; onthouding van adiafora;

22. Deze stromingen verwant met Rationalisme?
Gaan allen uit van de mens: gevoel, verstand of wil;

23 Kant?
      Hang zum Bösen, niemand doet goed; toch ook: Anlage zum Guten; du sollst, also du kannst; Höhere Mitwirkung blijft nodig; Christus zedelijke volmaaktheid.

24. Schopenhauer:
radikaal pessimisme.

25. Von Hartmann?
evolutie; kwaad uit afstamming van dieren; daarin verlangen naar verlossing

26. Na Aufklärung?
Filosofie zoekt aansluiting bij Christendom; Erlösungsfilosofie; Kant, Hegel, Fichte;

27. Religionpsychologische richting?
Pubertijd: lichamelijke, psychische en biologische veranderingen; Bekering een natuurlijk proces;
Healthy minded en the sick soul;

28.Heilsorde?
De weg waarlangs de zondaar in het bezit komt van de weldaden van Christus;

29. Twee klippen?
      Nomisme (Pelagianisme): lex naturae; Rationalistisch, pietistisch en methodistisch nomisme;
      Antinomianisme, nadert tot nomisme; loochent obiektieve verlossing; van eeuwigheid > Pantheisme.
      
30. Wie ondermijnen de roeping door het Woord?
Wederdopers en Remonstranten.

31. Doop?
Roomsen, Luthersen, Engelsen > genade in de doop;
Gereformeerden: genade voor, onder of na de doop;

32. Rechtvaardiging?
Nomisten: geloof en bekering voorwaarden voor rechtvaardiging; Antineonomianen: rechtvaardiging leidt tot geloof;



Pargr. 49                                              ROEPING EN WEDERGEBOORTE

vocatio  realis, komt tot ons via geschiedenis, natuur en leiding (ongenoegzaam);
vocatio verbalis (door Evangelie), komt tot allen!

2. Hoe kunnen we algemeen aanbod leren?
Oplossingen:           
a. de wet tot allen, evangelie tot verootmoedigden;
b. sufficienter tot allen, efficaciter tot sommigen;
c. evangelie tot allen op voorwaarde van geloof en bekering;
d. tweeerlei besluit: 1. Voor allen is voldaan; 2. Geloof aan uitverkorenen;  dus: mogelijkheid en werkelijkheid.

3. Redenen voor algemeen aanbod (door vrijwel allen geleerd)?
a. Gods bevel; niet verkorenen, maar verlorenen als adres;
b. God verklaart niet wat Hij doen zal, maar wat wij doen moeten;

4. Waarom niet in allen dezelfde uitkomst?
a. sommigen: vrije wil van de mens;
b. Bellarminus: afhankelijk van juiste moment van de roeping;
c. Vocatio interna en externa: Thomas, Augustinus, Gereformeerden;

5. Gronden voor deze laatste opvatting?
a. Geloof alom aan God toegeschreven (obiektief en subiektief);
b. De mensen zijn allen gelijk;

6. Welk woord voor wedergeboorte (Joh.3)?
Niet palingenesia, maar anagenesia;

7. Drieerlei betekenis?
a. beginsel van nieuwe leven;
b. leven van vernieuwing in heiliging;
c. vernieuwing van de ganse schepping;

8. Gratia infusa bij Rome?
a. gratia justificans en sanctificans;
b. neemt erfsmet weg ;
c. herstel van donum superadditum ;

9. Wat leerde Calvijn t.a.v. de doop?
Hij doopte op geloof der ouders; enigszins tweeslachtig >
Soms wedergeboorte voor de doop, soms andersom;

10. Veronderstelde wedergeboorte?
HB noemt weinig namen; alleen "soms”;
Verschillend geleerd: voor, in of na de doop;

11. Hoe veronderstelde wedergeboorte ook wel verklaard?
Men ging onderscheiden tussen wedergeboorte en geloof; uit elkaar getrokken;

12. Wedergeboorte onwederstandelijk en onmiddellijk?
Werd vooral geleerd tgo. de Remonstranten;

13. Is wedergeboorte geheel nieuwe schepping?
Er is continuiteit met de bestaande schepping;

14. Waarom Gereformeerden sterker in Schriftbewijs?
Zij kunnen teksten van beide inhouden inpassen; de Remonstranten niet!


Pargr. 50                            GELOOF EN BEKERING

1. Hoe geloof in OT?
OT kent geen term voor geloof; wel omschrijvingen: God dienen, vrezen, liefhebben, vertrouwen;

2. Grondwoorden?
Hebr: 'aman (( (nma)=ni: bestendig zijn, bevestigd worden, betrouwbaar zijn; hi: steunen op, zich vastmaken aan.     
Pistis, komt 240 maal voor in NT;

3. Geloof bij Johannes?
Aannemen van de apostolische prediking;

4. Bij Paulus?
Persoonlijke aanname van Christus;

5. Rome?
Onderscheid fides informa (alleen verstand) en formata (liefde erbij);
Ook onderscheid: fides implicita (beperkt, genoeg voor gewone gelovigen)) en explicita;
Geloof heeft geen persoonlijk karakter;

6. Omschrijving van Calvijn?
Cognitio  > firma certaque divinae erga nos benevolentiae cognitio. Wordt in het Woord geopenbaard en aan ons verstand en hart geopenbaard…..

7. Onderscheid Rome-Reformatie:
1. Bij Rome geen persoonlijke verhouding tot God (komt pas na het geloof door de liefde); Reformatie leerde het tegenovergestelde.
2. Reformatie stelt als voorwerp: benevolentia Dei; Rome: alle waarheden.
3. Reformatie: geloof is zekere kennis, vast vertrouwen.

8. Comrie?
Habitus (rechtvaardiging) en actus (heiliging); ook: inlijving in en aanneming van Christus;

9. Gomarus?
Actus directus en reflexus; uitgaande en wederkerende daad des geloofs;

10. Betekenis van deze onderscheidingen?
HB > verval;

11. Wie hiertegen?
Er stonden mannen op, die dit verval inzagen. Zij pleitten voor een reformatie des harten;
Teelinck [Noodwendig vertoogh]; Witsius [Twist des Heeren met Zijn wijngaard] en Lodenstein [Beschouwinge van Sion].
Ernstige waarschuwingen werden ook geuit door Schortinghuis.
Volgens HB ijverden zij voor een praktisch, gemoedelijk en bevindelijk Christendom: Eswijler, Schortinghuis [Het innige Christendom], Verschuir [Bevindelijke Godgeleerdheid].

Het is juist te zeggen: de rechtvaardiging gaat aan het geloof vooraf.

12. Grondwoorden voor bekering?
Hebr > mhan: berouw hebben. Wordt gebruikt van mensen, maar ook van God.
 bes:: keren, zich wenden, omkeren. Niet uitsluitend terminus technicus voor zich bekeren.
aanduiding van de terugkeer uit de ballingschap. Vandaar ook gebruikt als religieus-ethische term.

Nacham wordt in de LXX vertaald door metanoia, metanoein (berouw hebben, profaan Grieks).
Sjoeb  wordt wergegegeven in de LXX door  epistrofh.

13. Schijnbekeringen?
De HS maakt onderscheid tussen bekering en bekering. Bijvoorbeeld 2 Corinthe 7,10;
Voorbeelden van negatief berouw: Kain, Ezau, Achitofel, Judas.
Er is ook sprake van een aanv. bekering, die later verloopt ( Matth. 13,20.21; Hebr. 6,4.5; 1 Kon. 20,27).
Onder de vrome koningen vonden soms volksbekeringen plaats.
Andere voorbeelden van schijn-bekering: Simon de Tovenaar, Demas, Hymenaeus en Alexander (1 Tim.1,20).

14. Oude kerk?
Zware zonden bleven: moord, hoererij en afval. Kleine zonden kon men zelf goedmaken.

15. Rome onderscheidt:
Contritio: berouw vanuit de liefde tot God (caritate perfecta est).
Attritio: berouw vanuit de vrees voor straf.

16. Vragen ttv Reformatie:
Ook sinds de Reformatie veel vragen:
Bekering door de wet of door het Evangelie of door beide?
Onderscheid tussen poenitentia en recipiscentia (volgend op geloof);
Zijn angst en vrees noodzakelijk?
Is bekering een werk Gods of een werk van de mens?
Ligt het in het verstand of in de wil?
Kunnen gevallenen nog weer bekeerd worden?

17. Luther en Calvijn?
Poenitentia en resipscentia;

18. Hel- en verdoemenisprediking?
Hel en verdoemenis-prediking door Rome vooral gebracht. Later overgenomen door Pietisme en Methodisme, toen de tucht werd nagelaten.

De eis werd gesteld: zekere tijd van angst en wanhoop. Zo Spener niet. Zijn volgelingen wel: Francke (bange zieleworsteling, vanuit Luk. 13,24; Matth. 11,12; Gal. 5,17.

19. goede bekeringen?
Goede getuigenissen vinden we over Naaman, Manasse, schare ttv Johannes dD, Nathanaël, Levi, Zacheus.

20. Geleidelijke bekeringen?
Samuël, Jeremia, Johannes dD, Timotheus.

21. Gevaren van de biecht?
Valse rust, afhankelijkheid, onzekerheid.
Rome hield meer van het woord boete dan van metanoia wat betreft de bekering.

22. Wat versta je onder de volgende aanduidingen:
Poenitentia legalis?
fides of conversio habitualis (wedergeboorte in engere zin)?
Deze conversio habitualis ging over in de conversio actualis (Remonstranten leerden andersom).
Verder sprak men nog van conversio prima en continua.

23. Poenitentia binnen nieuwe leven?
Gereformeerden stelden de poenitentia buiten en de recipiscentia binnen het nieuwe leven.

24. Conversio prima act.?
kennis van de zonde, schuldbelijdenis, blijdschap. Omvat verstand, wil en hart.

25. Berouw?
Ten aanzien van berouw (recipiscentia):
1. verschil tussen berouw en berouw;
2. in zichzelf geen heil;
3. slechts vanuit Christus werkzaam.

26. Wie matiging?
Voetius drong aan op matiging. Zo ook Calvijn (III).

27. Rooms beroep voor goede werken?
Rome verleent bij attritio wel absolutie, maar in combinatie met goede werken. Bijbels beroep: Mirjam, Adam, David, Corinthe.
Toch onjuist! Christus verwierf verzoening, Hij alleen. Werken zoals gebed, vasten, aalmoezen verdienen niet.

28. Calvijn over bekering?
Calvijn ook gaf aan de bekering een diepe ethische betekenis. Goede werken geen voorwaarden, maar vrucht van de vergeving.
Zonder Christus blijft men in angst en vrees.


  51   RECHTVAARDIGMAKING

1. Hoe verhouding wedergeboorte, geloof, bekering tot rechtvaardiging?
Conditioneel verband; > ????

2. Hoe bestreed men de rechtvaardiging?
Bestrijding door velen vanuit bijvoorbeeld Lukas 15 (verloren zoon); deze ontving liefde zonder voldoening <.

3. Tweeërlei zonden in OT?
Zonden door afdwaling (Lev. 4,2) wel door offers verzoend;
zonden met opgeheven hand (Numm.15,30) leidden tot uitroeiing;
ballingschap was oordeel over de zonden.

4. welke woorden voor vergeven?
Vergeving ook in OT: asn (nasah) opheffen;  hls  (salah) vergeven,wegnemen;
rpk (kipper) bedekken en verzoenen.

5. Wat verstaan we onder de gerechtigheid Gods?
Accenten bij Paulus: gerechtigheid zonder de wet (Rom. 3,21);
gerechtigheid Gods in OT: God oordeelt rechtvaardig, eerlijk; Hij vergeldt
          ieder naar zijn werken; recht der armen erkennend.

gerechtigheid Gods (Rom. 1,17) is niet:
-gerechtigheid van de mens, die buiten hem in Christus is, en nu door het geloof zijn eigene wordt; zo Luther, Calvijn, e.a.);
-een door God in de mens ingestorte gerechtigheid (Osiander, Schleiermacher);
Wel:  die eigenschap of handelswijze Gods, waardoor Hij oordeelt en vrijspreekt degene die uit het geloof in Christus is.
Door het geloof: dia pisteoos, ek pisteoos, pistei (zie div. plaatsen).

6. Hoe ontstond nomisme?
NOMISME: spoedig opgekomen; volbrengen van de geboden; dit vanwege de doop, die de reeds begane zonden wegneemt. Maar hoe daarna?
> tweede redmiddel nodig > gezocht in boetedoening en goede werken (Tertulianus);

7. Hoe rechtvaardiging bij Rome?
vrijspraak na heiliging; omgekeerde volgorde: God vergeeft nadat Hij de mens geheiligd heeft<<<.
Gerechtigheid Gods is een juridische en ethische zaak.
Hier is rechtvaardiging afhankelijk van de subiektieve stand van de mens.

8. Rechtvaardiging bij Luther?
Luther anders (zie Rom. 1,17).
RECHTVAARDIGING gaat buiten alle werken om, buiten alle werken voor en na het geloof!!!
GELOOF is God geloven op Zijn Woord.

9. Iustificatio dei activa en passiva?
Luther sprak van een iustificatio dei activa en passiva (het laatste geschiedt als God door ons wordt gerechtvaardigd doordat we in Hem geloven).

10. Waarop richt zich het geloof bij Luther?
Het geloof richt zich op 1. onze zonde en 2. Gods genade in Christus; het tweede is het geloof in engere zin.
Het eerste is: contritio (boete), humiliatio, confessio.
[ contritio gaat aan het geloof vooraf ] < !

11. Formula concordiae? [3]
1. het geloof alleen, hetwelk echter nooit een nuda notitia historica de Christo is, maar een gave Gods is, het medium en instrument is waardoor wij Christus aannemen en in Hem de gerechtigheid bezitten;
2. God ons alleen om de gerechtigheid van Christus, met uitsluiting van alle voorafgaande, tegenwoordige en navolgende werken de zonden vergeeft;
3. ofschoon de antecedens contritio et subsequens nova oboedientia niet geldig zijn inzake de rechtvaardiging, toch het rechtvaardigend geloof nooit sola, maar steeds gemengd is met liefde en hoop.

12. Verschil Luther en Calvijn? [3]
Zakelijk geen verschil tussen Luther en Calvijn.
Calvijn echter 1. stelt meer de praedestinatie centraal; bij Luther kwam deze meer en meer op de achtergrond. Daardoor gaat alles meer van God uit. Meer Gods gave dan ons geloof!
2. De gloria dei verhindert hem om van enige verdienste van de mens te spreken. Dit motief naast de verdiensten van Christus en de troost der gelovigen.
3. Calvijn maakt een scherp onderscheid tussen de iustificatio en de sanctificatio (dit tegen Osiander); Hij scheidt deze beide echter niet. God rechtvaardigt niemand die Hij niet tegelijk heiligt. Het licht en de warmte zijn beide gaven van de zon.

13. Vragen aan Calvijn?
In welke verhouding staat de rechtvaardiging enerzijds tot de verkiezing en anderzijds tot de heiligmaking en de heerlijkmaking ??
In het eerste geval handhaaft men het forensisch, obiektief karakter van de rechtvaardiging;
Het is dan een imputatio van de gerechtigheid van Christus, welke reeds lang tevoren, in het Evangelie, in de opstanding van Christus of zelfs in de eeuwigheid heeft plaats gehad en dan eerst later door het geloof wordt aangenomen.
In het tweede geval verbindt men rechtvaardiging en geloof nauw; de iustificatio valt dan samen met de weldaad van de vergeving der zonden, het doet Christus door Zijn Geest in ons wonen en stort een nieuw leven en nieuwe krachten in.

DEZE BEIDE VOORSTELLINGEN, BIJ CALVIJN NOG VERBONDEN, GAAN LATER IN DE GEREFORMEERDE THEOLOGIE UITEEN.

14. Neonomianisme en antineonomianisme?
1. Neonomiaanse voorstelling (Socinianisme, Remonstrantisme, Amyraldisme): maakt vergeving afhankelijk van geloof en  gehoorzaamheid, welke overeenkomstig de nieuwe wet van het Evangelie door de mens volbracht moet worden. Parallel hiermee gaat de beweging van Pietisme en Methodisme.
2. Het anti-neonomianisme doet de rechtvaardigmaking voorafgaan aan het geloof; men wordt verlost door het betere inzicht van het geloof.

15. Hoe hebben de latere Gereformeerde theologen beide uitersten willen vermijden?
Door te onderscheiden tussen iustificatio passiva en activa. Er bestaat wel een logisch, maar geen temporeel onderscheid.

Men verwierp de gedachte dat de rechtvaardiging tot stand komt door het geloof, de bevinding en de bekering van de mens.
Men verwierp tevens de eeuwige rechtvaardigmaking.
Men deed de iustificatio activa samenvallen met de vocatio interna, terwijl de iustificatio passiva alleen  tot stand komt door het geloof.

15. Van Wie gaat de rechtvaardiging uit?
Het is de Vader van Wie deze weldaad uitgaat. Hij baant geheel de weg. Zijn gerechtigheid staat niet tgo. de genade, maar sluit deze in.

16. Betekenis van hitsdiek, diakaioun?
HS anders: Hebreeuwse   (hitsdiek) en Griekse dikaioun (dikaioun) betekent: rechtvaardig verklaren!  Staat tgo. verdoemen. Het kan geen ethische betekenis hebben, aangezien het in Rom. 3,4 van God wordt gebruikt.

16. Is nu Christus of is het geloof of zijn beide de causa materialis of meritoria van deze vrijspraak?? Hoe leert HS? [5]
1. De gerechtigheid des geloofs wordt obiektief in het Evangelie geopenbaard en gaat vooraf(!) aan het geloof (Rom.1,17;3,21); zie ook vooral 2 Cor.5,19
2. Het geloof wordt nooit als grond der rechtvaardiging gesteld (wel ek of dia pisteoos of pistei, maar nooit dia pistin).
Het geloof rechtvaardigt niet door zijn wezen of daad, maar door zijn inhoud. God rechtvaardigt niet de gelovige, maar  de goddeloze.
3. Het geloof is geen werk, maar een afstand doen van alle werk. Maar: het geloof wordt gerekend tot gerechtigheid (Rom.4) Logizesqai kan betekenen: iemand iets toerekenen wat hij zelf niet heeft. Bijvoorbeeld: de zonde wordt aan Christus toegerekend.
4. Indien het geloof zelf grond der rechtvaardiging is, neemt God genoegen met een mindere grond als die Hij eist in de wet.
5. Dan wordt de troost der gelovigen, wier geloof menigmaal zwak is, weggenomen.

17. Welke plaats het geloof?
De HS immers verbindt het geloof ten nauwste met de rechtvaardiging (zie vele plaatsen  HS). Bijv: gerechtvaardigd door het geloof.
Heel sterk Gal.2,16: wij hebben in Christus Jezus geloofd, opdat wij zouden gerechtvaardigd worden.

17. Wie stellen dat de rechtvaardiging plaats heeft in de eeuwigheid of in de tijd?
Het eerste (van eeuwigheid): Gesteld door de Antinomianen (Pontiaan van Hattem > pantheistisch).
De antinomianen zagen in de rechtvaardiging van eeuwigheid het een en het al (geen plaats daarvoor in de tijd); de antineonomianen echter zagen daarin wel de aanvang en deden dat om het Evangelie vrij en zuiver te houden.

18. Antineonomianen?
Keerden zich tegen een rechtvaardiging op grond van het geloof als een nieuwe wet (Schotland, Engeland, Nederland). Ook zij stelden soms de rechtvaardiging van eeuwigheid.

19. Welk onderscheid maakten de Gereformeerden?
Dus maakten de Gereformeerden onderscheid tussen de iustificatio activa en passiva. activa: in het besluit, in opstanding, in Evangelie, vocatio interna;
passiva: in de toepassing door de HGeest, voor het bewustzijn, in de conscientie <.

20. Is rechtvaardiging gelijk aan de vergeving der zonden?
Consequentie daarvan: na de rechtvaardiging moet de gelovige zelf de wet volbrengen.
Hiertegen: rechtvaardiging houdt ook in de toerekening van de actieve gehoorzaamheid van Christus.
Rechtvaardiging is dus toerekening van Christus' ganse gehoorzaamheid <!

21. Welke zonden vergeeft God?
Volkomen kwijtschelding van alle schuld en straf der zonde, niet alleen van de verleden en tegenwoordige, maar ook van de toekomstige zonden.

Sommigen vonden dit antinomiaans! Dus zeiden zij: vergeving voor de beleden zonden.  
Wat zegt Rome?
stelt het anders: Peccata venalia moeten door de gelovigen geboet worden.

Antinomianen?
Deze zonden komen voor rekening van de oude mens; de gelovigen behoeven  niet meer om vergeving daarvoor te bidden!

Gereformeerden?
Vergeving neemt wel de straf, niet de strafwaardigheid van de zonden weg. [Practische uiteenzetting bij HB: in de weg van veroot-moediging wordt de vergeving wel gesmaakt, al is deze verootmoediging niet de oorzaak of de grond van de vergeving].

De weldaad van de huiothesia is nog te noemen: deze bestaat ook in een ethisch kindschap, en dat valt onder de heiliging.
Hier gaat het om het juridisch kindschap:zie uiteenzetting op blz. 211.





  52                         HEILIGMAKING EN VOLHARDING

477
1. Welke goede werken door Jezus genoemd?
Goede werken (door Jezus genoemd) als eerste : zelfverloochening en kruisdragen.
Hij vraagt alles: het huwelijk (Matth.19,10-12); de liefde der huisgenoten (10,35.36), rijkdom (19,21), zelfs het leven (10,39;16,25).

2.Was Jezus asceet?
Toch was Jezus Zelf geen asceet. Nam deel aan bruiloften, veroordeelde de weelde niet (Matth. 26,7-13); legde geen onthouding aan de discipelen op (Matth. 6,19; 9,14). Hij zag de liefde als de vervulling der wet.

3. Welke woorden voor heiligheid (doel en resultaat)?
Gelovigen ontvangen Christus als dikaiosunè, ook als hagiasmos, d.i. heiligheid als doel (niet heiligheid als resultaat, want dat is hagiotès of hagiosunè).  
Deze heiliging is Gods werk (Joh.17,17;1 Thess.5,23;Filip.1,6), nader bepaald: van Christus en Zijn Geest.

4. Redenen tot heiliging?
1.Verplichting vanwege Gods ontferming jegens hen (dankbaarheid);
2.Zij zijn met Christus gestorven en opgewekt tot een nieuw leven;
3.Zij zijn niet onder de wet, maar onder de genade en behoren Christus toe om Gode vruchten te dragen;
4.Hun lichamen zijn tempelen van de Heilige Geest; zij wandelen niet naar het vlees.
5. Zij zijn kinderen des lichts en moeten als zodanig wandelen;
6.Het loon-motief spreekt hier ook mee.

5. Welke deugden werden in de na-apostolische tijd aanbevolen?
trouw aan de belijdenis, lijdzaamheid in verdrukking, eerlijkheid in beroep, barmhartigheid jegens de ellendigen, reinheid in de wandel.

6. Hoe ontstond satisfactio operis?
Genade werkte t/m de doop; zonden daarna: leven naar de wet.
Deze werken zijn: berouw, belijdenis, vasten, aalmoezen, goede werken, gebed, kastijding Gods.

7. Tweeërlei moraal?
Hiermee kwam tegelijk op de tweeërlei moraal (officia perfecta en media).
Deugden en buitengewone deugden.

8. Plichten en raden?
Praecepta en consilia (vanuit 1 Cor. 7). Onder de consilia te verstaan onthouding van huwelijk, rijkdom en gehoorzaamheid. Vrije deugd.

9. Heiliging bij Rome?
1.  natuurlijke goede werken doen.
2.  non obicem ponere; geen blokkade's opwerpen, geen tegenstand bieden;
3.  Gratia praeveniens (actualis): Voorafgaande genade;
4.  Gratia infusa: neemt schuld en smet der zonde weg; vernieuwt de mens inwendig en maakt hem de Goddelijke natuur deelachtig; de mens ontvangt deel aan de bovennatuurlijke orde (donum superadditum).
5. Fides, spes en caritas toegevoegd;
6. Bovennatuurlijke goede werken, visio Dei.
7. Tot deze bovennatuurlijke goede werken behoren vooral die werken die niet strikt geboden zijn;
De thesaurus van de kerk bestaat uit de superabundantia van Christus en deze bona opera (goede werken).

10. Reformatie?
Het gaat hierbij in wezen om de ene, ondeelbare Christus. Hij schenkt Zichzelf tot rechtvaardiging en heiliging. Christus voor ons en in ons.
Ascese achtte men een eigenwillige godsdienst.
Men heeft hier alle aandacht geconcentreerd op de tien geboden. Gods wil!

11. Deugden bij Calvijn?
Zelfverlochening, kruisdragen en de meditatio futurae vitae (overdenking van het toekomende leven);

12. Methodisme, John Wesley?
Een real change na een relative change; volmaakte heiligheid; het kwaad in ons hart uitgeroeid en de zonde bestaat niet meer in ons; Volmaaktheid.
een second blessing, een second change;
wegnemen van de smet en de macht der zonde;                                                                     
Hic et nunc wil God deze heiligheid aan de gelovigen schenken.            

13. Hoe is de kerk heilig?
Christus is in dezelfde zin onze heiligheid als waarin Hij onze gerechtigheid is.  
De heiligheid ligt volkomen voor ons in Christus gereed. Wij brengen niet zelf deze heiligheid tot stand. Dan zou men nog onder de wet verkeren.

14. Tweeërlei heiligmaking?
HB spreekt hierbij van een wettische en een evangelische heiligmaking.
Rechtvaardiging en heiliging zijn te onderscheiden, maar niet te scheiden.   

15. Unio mystica?
De Gereformeerden leerden de unio mystica met Christus. Geen pantheistische vermenging met Christus (Piëtisme). Meer echter dan overeenstemming in wil en zedelijke gezindheid (Ritschl).

16.Twee momenten in heiligmaking?
Deze heiliging heeft een passief (Filip. 1,5;1 Thess. 5,23) en een actief (Rom. 12,1;2 Cor. 7,1;1 Thess. 4,3;Hebr. 12,14) moment.
Hier kunnen we spreken van de alwerkzaamheid Gods en de zelfwerkzaamheid van de mens.

17. Pelagianen?
Pelagianen maakten geen onderscheid: lex naturae, lex Mosaica en lex Christi  zijn in principe gelijk. Er is echter verschil.

18. Waar ook dubbele moraal?
HB meent dat we dergelijke onderscheidingen ook aantreffen bij het Piëtisme en het  Methodisme.
Deze werken immers ook aan een ecclesiola in ecclesia (kerkje in de kerk).

19. Hoe oordeel daarover?
HB: Binnen het Protestantisme niet genoeg tot zijn recht is gekomen.
De zedewet bevat algemene normen, die ruimte laten voor persoonlijke uitwerking (beproeven welke de volmaakte wil Gods zij, Rom. 12,2).
Hier is ruimte voor de adiafora.
Men mag deze echter niet losmaken van de wet. Deze zaken immers kunnen bij tijden tot plicht zijn <!

20. Perfectionisme?
Nomisten >  het Perfectionisme. Ritschl steunde hen;
De HS weet ook van de zwakheden van de bijbelheiligen; Paulus weet daar, blijkens Romeinen 7, ook van. Christus heeft leren bidden (als een voortdurende zaak) om de vergeving.

21. Volharding der heiligen?
Soms lijkt afval volgens de HS mogelijk  > 1 Cor. 10,12;Ezech. 18,24; Joh. 15,2;Hebr. 10,26-31. Personen die hier in beeld komen: Salomo, Demas, Alexander, David (?).
Afval wordt geleerd door Pelagianen, Roomsen, Socinianen, Remonstranten, Mennonieten, Quakers en Methodisten.
Augustinus leerde echter de perseverantia sanctorum.



HOOFDSTUK IV   OVER DE KERK


1. Twee woorden voor kerk?
Twee belangrijke woorden in het OT;  adע (eedah) en  lhk (qahal). De LXX vertaalde eedah door  sunagogh (sunagogè) en qahal door  ekkelhsia    (ekklesia).

2. Ontwikkeling van deze woorden?
Sunagogè ging gelden van de Joodse gemeente (Hand. 13,43); ekklesia gold van de chr. gemeente.
 
3. Wanneer kwam onderscheid tussen waar en vals op?
De Apostolische Vaders onderscheidden reeds tussen de ware en valse leden der kerk.
Origenes: velen geroepen, weinig uitverkoren; er is kaf tussen het koren en veler wandel is met hun belijdenis in strijd.

4. Waar zocht men de ware kerk?
Men zocht het antwoord in de katholieke kerk (over de hele aarde, in alle tijden en plaatsen, alle gelovigen omvattend, buiten haar geen zaligheid).

5. Hoe dachten Gnostici, Montanisten, Novatianen?  
Gaven andere principia: de heiligheid, inspiratie en profetie, geestelijke mensen.
Ook Augustinus legt veel nadruk op de katholieke kerk: plurimae oves foris, plurimi lupi intus.
Hij droeg mede ook bij tot vorming van het RK kerkbegrip.

6. Wanneer kwam hiërarchie op?
In de ME kwam de kerkelijke hiërarchie op; Ook de ekklesia docens: Roomse kerkinstituut is de enige middelares tot zaligheid, bewaarster en uitdeelster van alle genade, de enige arke des behouds.

7. Luther over de kerk?
Kerk voor Luther: vergadering der gelovigen;

8. Calvijn?
ekklesia invisibilis: alleen God zijn de uitverkorenen bekend;
ekklesia visibilis: multitudo hominum universa (ook hypocrieten daaronder);

9. Anabaptisten?
gelovigen zijn geestelijke mensen;
afgescheiden van de wereld; geen reformatie, maar separatie; afgezonderde kerk;
ware kerk is kerk van heiligen;
doop na persoonlijke belijdenis;
onthouding van eed, krijgsdienst en overheidsdienst;
spijs, kleding en verkeer toonden hun anders-zijn aan  > dualistisch beginsel!

10. Pietisme?
onverschillig t.a.v. ambt en kerk, sacrament en formulier;
separatistisch: afzonderlijke gezelschappen.

11. Methodisme?
Ook separatistisch; liefdemaaltijden, prayermeetings, vastendagen, gezelschappen. Leger des heils; kleding en leefwijze.
John Darby: verwierp elke kerkvorm; de kerk was voor hem geheel ontaard; gelovigen moeten slechts zichzelf stichten en de wederkomst afwachten;

12. Betekenis woord kerk?
Men leidt het woord "kerk" verschillend af:
kuriake (oikia): gemeente, kerkgebouw; plaats van samenkomst.
circus:
kharkha: wat bevestigd is.

13. Kerk of gemeente?
De St. Vert. vertaalt ekklesia door gemeente. Beter is echter: kerk.
Gemeente komt ook in burgerlijke zin voor. Beide woorden hebben weliswaar eenzelfde betekenis.
Dus niet: gemeente > ware gelovigen; kerk > schijngelovigen, instituut.
Het woord kerkgenootschap is een onzuiver woord.

14. Het wezen van de kerk?
het volk Gods. Aanduidingen: lichaam van Christus; bruid van Christus; schaapskooi, kudde etc;
Weliswaar goed en kwaad dooreen (gelijkenissen).
Toch is het wezen van de kerk: vergadering van ware gelovigen. Ongelovigen maken het wezen niet uit.

15. Meer onderscheidingen:
ekklesia militans en triumphans;
ekklesia universalis, nationalis en localis  <<
Maar het geheel gaat voor de delen. Universalis gaat ad localis vooraf.
Ekklesia invisibilis: de kerk is onzichtbaar naar haar geestelijke zijde of in haar ware leden; de intimis non iudicat ekklesia!
ekklesia visibilis: zichtbare gestalte van de kerk.
Organisme en instituut: middel en doel, coetus en mater fidelium. Organisme: wat de kerk is en instituut: de kerk is er ook voor anderen.
Organisme: gemeenschap der heiligen; instituut: ambten en bedieningen.

16. Kentekenen van de kerk (notae)?
bij Rome: unitas, catholicitas, sanctitas en apostolicitas.
De Reformatie sprak slechts van de zuivere bediening van het Woord.

Bij de zuivere bediening van het Woord soms genoemd: zuivere bediening van de sacramenten en heiligheid (tucht). Deze liggen echter opgesloten in het eerste.

17.Calvijn over afscheiding?
Hij waarschuwt ernstig tegen willekeurige afscheiding van de kerk. Er kan veel aan de kerk ontbreken. Ware kerk kan veel onzuiverheid bevatten, terwijl de gescheiden kerken veel zuiverheid kunnen vertonen.

18. Verdeeldheid?
Wat te denken van de verdeeldheid? Het leide tot verootmoediging (Joh. 17,21).
HB merkt hier op:
1. Alle scheuring dagtekent uit de apostolische tijd: Joden- en heiden-christenen, Petrus en Paulus (Gal. 2,11) en Paulus en Barnabbas (Hand. 15,39).
2. Dit leek niet ernstig, omdat er nog geen kerkverband bestond.
3. Christus gaf ieder de vrijheid om het Woord te verstaan zoals hij het inziet.
4. God heeft ook de verscheidenheid lief (Psalm 87).
5. Er is geen ware en valse kerk in de absolute zin.
6. Met aanduidingen als schisma en haeresie moeten we voorzichtig zijn; sinds de Reformatie is er de pluriformiteit.

19. Eigenschappen?
Eenheid: bij Rome is de paus het ene kenmerk. Eenheid bij Protestanten ook moeilijk; maar er is eenheid in verscheidenheid.
Heiligheid: bij Rome sprake van liturgische heiligheid (mis, offer); daarna persoonlijke heiligheid;
Reformatie zoekt de heiligheid in de gemeenschap der heiligen. Gelovigen zijn heiligen, vanwege de toerekening van Christus, ook vanwege de vernieuwing door de HGeest.
Catholiciteit: bij Rome: over de gehele aarde verspreid; was er vanaf het begin der wereld. [Maar: Rooms en katholiek zijn met elkaar in tegenspraak].
Bij Reformatie: ekklesia universalis, die alle gelovigen omvat en in allerlei kerken min of meer tot openbaring komt. Het woord komt in de HS niet voor. Schriftberoep: Gen.12,3; Ps.2,8; Joh.10,16; Rom.1,8; Ef.2,14.
Apostoliciteit:bij Rome ziet dit op de stichting door en de overeenstemming met de apostelen. Onafgebroken successie.
De Reformatie spreekt niet van successio personarum, maar van de successio doctrinae.
Onfeilbaarheid: Jezus zal Zijn kerk bewaren tot het einde van de wereld. Er zal altijd een vergadering van ware gelovigen zijn en blijven.


Pargr. 54                DE REGERING DER KERK

1. Wie apostelen?
Christus stelde eerst de twaalven tot discipel, later tot apostel.

2. Vragen rond apostolaat?
Wie behoren ertoe?
Paulus ook en welke plaats neemt hij in?
Ook evangelisten soms apostelen genoemd?

3. Evangelisten?
1. zij zijn dienaars van Christus krachtens een bijzondere aanstelling;
2. zij arbeiden in de ecclesia universalis;
3. zij zijn ook grondleggers van de gemeenten.

4. Profeten ambt?
Nu voorbij (HB); meer charismatisch ambt.

5. Wat bedoeld met "deze petra”?
met petra is niet alleen Petrus bedoeld, ook niet alleen zijn belijdenis, maar de persoon, die door zijn belijdenis een rots zich bewees.
Primus inter pares!

6. Wat buitengewone en wat gewone ambten?
We kunnen dus onderscheiden in buitengewone (apostelen, evangelisten en profeten) en de gewone ambten (presbyters en diakenen).

7. Hoe ontstond ouderlingenambt?  [3]
Onderscheiden werden de >neoteroi en de presbuteroi<.
Israel eerde de grijsaards.
De presbyteroi bekleedden aanv. geen ambt, maar vormden een aanzienlijke groep binnen de gemeenten.
Het woord presbyter werd langzaamaan vervangen door episkopos.
Wrsch. gingen de apostelen, vanwege het vele werk, gebruik maken van de presbyteroi. Hoe is onbekend.

8. Namen voor ouderlingenambt?
Zij heten ook wel prohistamenoi (proistamenoi), Rom.12,8), kubernèseis (kubernhseis,)1 Cor.12,28), hègoumenoi (hgoumenoi), Hebr.13,7) en poimènèis (poimhneis, Ef.4,11).
Vereisten vooral: regering van het eigen gezin (1 Tim.3,1-7; Hand.20,28; Titus 1,5-9 en 1 Petr.5,1-3).
9. Leerambt?
Werd later aan alle ouderlingen gegeven; daarna werd onderscheiden tussen regeren en leren.

10. Diakenambt?
Anderen: ouderling- en diaken-ambt is één. Dit omdat Filippus ook preekte.
Toch pleit alles voor het later opgekomen diakenambt. Omdat:
1. de naam diakonos duidt op een dienst van barmhartigheid (Rom.12,7; 1 Cor.12,28; 1 Petr.4,11).
2. de diakenen de tafelen bedienden, dat zijn de agapè-maaltijden; wijst op het  HA; de rijken legden op die tafelen hun gaven neer in nature voor de armen. De diakenen moesten deze dienst verrichten.

11. Diakonessen?
Verder is er in Rom.16,1.2 en 1 Tim.3,11; 5,9.10 sprake van diakonessen.

12. Ontwikkeling naar episcopaat?
Deze aristocratisch-presbyteriale kerkinrichting maakte spoedig plaats voor de monarchistisch-episcopale; gang van zaken hierbij onbekend.
Nog later het papale stelsel bij Rome.

13.  Plaats van Rome?
politieke betekenis van de polis;
vanwege Rom.1,9;
vanwege stichting der gemeente door Petrus en Paulus.

14. Wanneer aartsbischoppelijke macht ontstaan?
De bisschoppelijke macht ontwikkelde zich in de 3e eeuw, de aartsbisschoppelijke plaats van Rome in de 4e eeuw.

15. Ontstaan Pauselijke macht?
Tenslotte: 18 juni 1870 Vaticaans concilie:
1. primatus jurisdictionis rechtstreeks door Christus aan Petrus opgedragen;
2. Primaat van Petrus duurt voort in zijn opvolgers;
3. Dit oordeel staat boven allen en is aan geen concilie onderworpen;
4. ex cathedra is de paus onfeilbaar.

(502)
16. Bezwaren tegen Roomse ambtsopvatting?
Onderscheiding clerus-leken is niet in overeenstemming met de HS; clerus bij Rome: een eigen stand van geestelijken, afgezonderd van de rest.
Zowel het O als het NT zien in heel het volk een priesterlijk koninkrijk!

17. Onderscheid prebyters en episcopoi?
De HS kent geen wezenlijk onderscheid tussen presbyters en episcopoi.
Er waren soms ook in een gemeente meerdere episkopoi (Hand.20,17 en Filip.1,1).
De historie leert dat het Roomse episcopaat de wortel is van allerlei hiërarchie.

Er bestaan bepaalde vragen ten aanzien van het episcopaat. Vlg. Rome heeft dit ambt de potestas magisterii, jurisdictionis en ordinis. Rome houdt dit onderscheiden van het presbyteraat. Het stamt door wettige en onafgebroken successie iure divino af van het apostolaat.

18. Episcopaat voortzetting van het apostolaat?
Het apostolaat is vlg. de HS een onvernieuwbaar ambt. Men mag niet zeggen dat episcopaat de voortzetting is van het apostolaat.

19. Plaats van Petrus?
De plaats van Petrus is vlg. de HS geen andere dan die van de overige apostelen. Rome beroept zich op Matth.16,18; Luk.22,32; Joh.21,15-17. HB acht dit onuist!
Bedenk ook dat Christus hem een satan noemde (zie ook Gal.2,6.9.11) <!

19. Petrus in Rome geweest?
Men kan niet bewijzen dat Petrus in Rome is geweest, ook al is dat aannemelijk; ook niet dat hij daar bisschop was.
Uit 1 Petr. 5,13 mag worden afgeleid dat Petrus te Rome is geweest, maar onbewijsbaar is wel de termijn van 20-25 jaar, die men aanneemt.

(503)
20. Hoe dacht Luther inzake de kerk?
Luther had te weinig ook voor de regering der kerk, want hij kende alles aan de overheid toe.
De vorm van kerkregering achtte hij een onverschillige zaak.
Het predikambt was voor Luther het voornaamste.
De plaats van de overheid blijkt in zijn boekje: An den chr. Adel Deutscher Nation (1520).

21. Drie orden in Lutherse kerk?
ordo ecclesiasticus (pastores)  >> Woord en sacrament;
ordo oeconomicus (gemeente)  >> consensus en approbatio;
ordo politicus (overheid)  >> externa gubernatio, dwz: aanstelling, ontslag en onderhoud van de pastores, stichting van kerken en scholen, regeling der godsdienstoefeningen en reformatie van de leer.

22. In overeenstemming met HS?
Nee;
* HS kent, zowel in het O als het NT, onderscheid tussen koning en priester;
* wezen van de kerk is dat zij een vergadering van ware christgelovigen is en geen stichting van mensen;
* dus moet de kerk een eigen regering hebben;
* Christus gaf aan Zijn gemeente een eigen regering; de HS kent de beginselen van de KO;
* Niet de mensen, maar Christus bepaalt de regering der kerk.

23. Gereformeerden?
A. De Gereformeerden gaan uit van de souvereiniteit Gods. Het koningschap van Christus moet krachtig beleden worden. Dit koningschap is regnum potentiae en regnum gratiae. Hij droeg de heerschappij niet aan iemand over.

(504)
B. De Gereformeerden gingen uit van de ecclesia universalis en daalden zo af tot de ecclesiae particulares. Band en eenheid.
Dit geldt ook voor de leden van de gemeente onderling.
C. Aan het ambt specialis gaat het ambt aller gelovigen vooraf!!
De gelovigen moeten zich bij de ware kerk voegen; ze moeten de reformatie der kerk eventueel ter hand nemen; ze moeten hun gaven meedelen aan anderen.

(505)
24. Is het ambt orgaan der gemeente?
Ten dele juist! De ambten zijn er wel ten dienste van de gemeente.
* Maar de ambtsdragers ontvangen niet van de gemeente hun macht: Mozes en Aaron, apostelen werden door God aangesteld.
* Ware apostelen beroepen zich op aanstelling van Godswege: Jes.6,4; Jer.1,4; Hos.1,1; Rom.1,1; Gal.1,1 eap.
Zij staan in Zijn dienst en noemen zich douloi Christou, diakonoi Christou, hupèretai Christou, douloi Christou, sunergoi Theou.
* Zij staan als opzieners boven de gemeente, zijn haar episcopoi, prohistamenoi en hègoumenoi.
Dit geldt voor de buitengewone en de gewone ambten.

25. Hoe loopt de weg tot het amb?
Die weg loopt via de vocatio, examinatio, ordinatio.

26. Inwendige roeping bestaat in….?
verlening van gaven;
vaste begeerte;
het banen van de wegen.
De roeping ontvangt het zegel in de roeping der gemeente. Deze gaat ook van Christus uit.
Hij gebruikt de gemeente als middel (Hand.1,23; 6,2-6; 2 Cor.8,19).
Rome geeft ten onrechte aan de paus alle macht. De Remonstranten soms teveel aan de overheid.

27. Hoe roept de gemeente?
Het is verkeerd om alleen de kerkeraad deze macht te verlenen; ook verkeerd om aan de gemeente het recht van de keuze der dienaren te geven.
De gemeente is geen vereniging, ook geen democratie!
Juiste weg: keuze door de gemeente bij leiding van de kerkenraad.
De kerkenraad kan zich binden aan de nominatie van de gemeente of aan de keuze der gemeente bij nominatie door de kerkeraad.

28. Examinatio?
Beoogt beproeving. Niet strict noodzakelijk. Wel pleit 1 Tim.3,10 enigszins daarvoor. Het peremptoir examen berust niet bij de professoren, maar bij de kerk!

29. Handoplegging?
Niet strict noodzakelijk bij de ordinatio. Wel voorkomend in OT: zie Numm.8,10; 27,18-23;. Maar Christus deed zo niet!
Later wel vermeld in 1 Tim.4,14 en 2 Tim.1,6; 1 Tim.5,22 en hebr.6,2.
Het is geen reële mededeling van geestelijke gaven <.
De chr. kerk deed dit bij de doop, genezing, wederopname van gevallenen, huwelijk, boete en ordening.
De Geref. meenden dat dit alles niet echt noodzakelijk was. Geen wezenlijk element bij Christus, de apostelen en ouderlingen.

(506)
30. Nogmaals episcopaat?
Het episcopaat van Rome berooft de gemeente van alle vrijheid. Denk aan de indeling van leken en clerus.
De clerici verdeelt men daar in ordines minores (non sacri: acolouthi, exorcistae, lectores en ostiarii).
Rome kent eigenlijk alleen het ambt van de bisschop.
Alles is daarvan afgeleid.
De bisschop maakte ook allengs prebyters en diakenen tot zijn organen. Het werden verlengstukken van het episcopaat.

31. Luther en Calvijn?
Luther was tevreden met het predikambt. Calvijn was grondlegger van de presbyteriale kerkregering.
We leiden de ambten niet af van de gemeente, maar van de instelling van Christus.

32. Hoeveel ambten?
Sommigen kennen drie ambten: ouderling, diaken, pastor.
Anderen slechts twee: ouderling en diaken.
HB sluit zich aan bij hen die spreken van drie ambten.




Pargr. 55                DE MACHT VAN DE KERK

1. Kerk en staat onder Israel?
Onder Israel was er onderscheid tussen kerk en staat, tussen wereldlijke en kerkelijke macht (Mozes en Aaron).
Taak van de priesters: offeranden, zegenen, wetsuitlegging.
Kerk en Staat onder Israel niet één! Geen priesterstaat. Profeten hadden slechts de macht van het Woord.
Israel was een theocratie: geen enkele onafhankelijke souvereiniteit. Ook de koning regeerde onder God. Israel was een priesterlijk koninkrijk (Ex.19,3).
Er bestond geen gewetensdwang. Vreemdelingen werden voorkomend behandeld.

2. Welke macht gaf Jezus aan Zijn discipelen?
Jezus organiseerde Zijn discipelen tot ekklesia. Hij gaf hen een zekere macht, nl. de macht der sleutelen.
Sleutel is teken van heerschappij: bevoegdheid om te bepalen wat in de gemeente gelden zal.
Niet alleen tuchtoefening, maar de ganse macht.
Dit echter geen onafhankelijke en autoritaire heerschappij (Matth.20,25)!!  

3. Wereldlijke macht erkend?
Jezus erkende wereldlijke gezagsdragers! Geen revolutie, maar reformatie.

4. Volgens Rome is de macht der Kerk?
1. Potestas ordinis (macht om de sacramenten te bedienen);
2. Potestas jurisdictionis (wetgevende macht, rechterlijke macht, uitvoerende macht [dwingend]).
De vergeving der zonden wordt niet geschonken in het Woord, maar in het sacrament.

5. Paus en keizer? Verschil kerk in het O en in het W?
In het Westen regeert de paus over de keizer.
Zoals de maan haar licht ontvangt van de zon, zo danken wereldlijke heersers hun macht aan de paus.
In het Oosten was er het Caesaropapisme. De keizer heeft hier meer invloed over de paus en over de kerk. De Czaar eveneens.

6. Waarom heeft de paus wereldlijke macht?
De paus moet wel een wereldlijk gebied bezitten, omdat hij niet tot enig staatsgebied kan behoren.
Wereldlijke macht: het weiden van de schapen vereist macht over de wolven!!

7. Reformatie?
Kerkelijke macht is onderscheiden van staatsmacht.
De eigenlijke macht in de Kerk berust bij Christus. Dus zijn gezagsdragers aan Zijn Woord en aan Zijn gezag gebonden.
Alle ambt is diakonia, ministerium.

8. Luther?
De macht van de kerk alleen in de bediening van het Woord. Hij wilde de biecht behouden.
De Gereformeerden vervingen de biecht door het huisbezoek.
Toch geraakte deze in onbruik. ook de tucht raakte (dus) bij de Luthersen op de achtergrond. Het kwam erop neer dat de overheid zich deze taak zag toebedeeld (zoals geleerd werd door Zwingli, Erastus, Remonstranten, Rationalisten).

9. Calvijn?
Zag de tucht als levenskwestie. Denk aan Geneve.

10. Anabaptisten?
Soms een overdreven strenge tucht.

11. Taak van de overheid?
De Gereformeerden stelden dat de overheid geroepen is de ware kerk te beschermen en het rijk van de Antichrtist te gronde te richten.
Later werden ten opzichte van de staat tolerantie en moderatie mode.

12. Twee lijnen t.a.v. het ambt?
Het ambt wordt zowel bepaald door diakonia alsook door exousia. (bevoegdheid, macht, recht). Dit betreft bijvoorbeeld de prediking, bediening van de sacramenten, houden of vergeven van de zonden, weiden van de kudde, oefenen van de tucht.
Nooit mag de overheid dit overnemen.
Deze macht is geestelijk: door de Heilige Geest geschonken en uitsluitend de gelovigen betreffend.

Christus?
Weigerde alle aardse macht. De jongeren mochten deze ook niet zoeken. Men mag de kerkelijke macht niet in een politieke veranderen. Zo handelt Rome. Daar heeft de paus wetgevende, rechtsprekende en uitvoerende macht.

13. Potestas docendi?
Pprofetisch ambt van Christus, m.n. uitkomend in de bediening van het Woord.
Staat zelfstandig tegenover alle andere vormen van onderwijs in de gemeente.
Dienaar des Woords is onderscheiden van de regeer-ouderlingen (Hand.20,28;
1 Petr.5,2).
De dienaar des Woords arbeidt m.n. in het Woord. Hierbij is begrepen opleiding en catechese.

14. Hiermee annex?
Hieruit vloeit mede voort de waarheid te belijden. Dit wordt verworpen door Remonstranten, Anabaptisten, Baptisten, Congregationalisten, Quakers.
Zij menen dat de HS in dit opzicht ook algenoegzaam is.
Echter vanaf de 2e eeuw was de Kerk een belijdende kerk mede vanwege allerlei ketterijen.
De Kerk moet zijn een pilaar en vastigheid der waarheid (1 Tim.3,15).
Overigens staat de belijdenis ver beneden de HS.

15. Christus' koningschap?
Krijgt mede gestalte in de potestas gubernationis (prebyteraat). Grieks: Poimainein >Joh.21,15-17;Hand.20,28;1 Petr.5,2; 2 Cor.1,24).
Het prebyteraat is beter dan de biecht, al heeft dit wel iets goeds.
Christus droeg niet alleen het weiden van de kudde, maar ook dat van de lammeren en de schapen op ( Hand.15,41 en 20,20.21) <!>

16. Noden binnen de gemeente?
Er zijn veel bijzondere noden binnen de gemeente van Christus: zieken, stervenden, beproefden, bedroefden, bestredenen, aangevochtenen, twijfelaars, gevallenen, gevangenen, enz.
De leraars zaaien, de ouderlingen zoeken vrucht.

17. Potestas disciplinae?
Is taak van de ouderlingen. Gr: Paideia. Tucht > trekken > kweken.
De synagoge kende tucht.

18. Matth.18,15-17?
Leert dat eerst de persoonlijke vermaning komt, daarna vermaan onder vele getuigen en tenslotte het brengen bij de gehele gemeente.

19. In 1 Corinthe 5 is sprake van het overgeven aan de satan?
Dit is geen gewone excommunicatio, maar een apostolische machtsdaad. Zie verder 2 Cor.2,5-10; Rom.16,17; 2 Thess.3,6.14; 2 Joh.,10; Openb. 2,2.14.20.24.

20. Wat wordt ten aanzien van de tucht gesteld?
1. Deze betreft alleen leden van de gemeente;
2. Het betreft geen zwakheden, maar zaken van ergernis in de gemeente (zware misdaden die de overheid straft worden door de tucht gevolgd).
3. Er bestaat onderscheid tussen verborgen en openbare zonden.
4. Procedure: vermaningen, 1e, 2e, 3e trap. geen wereldlijke
    strafoefening; geen ontbinding van familie-, burgerlijke en staatkundige
             betrekkingen.
  
21. Excommunicatie?
Opzeggen van de broederlijke gemeenschap; niet: overgeven aan de satan (alleen de apostelen) of anathema.
Wel: de betreffende persoon kwam openbaar als een onoprecht broeder. Tucht is ten allen tijde medisch, dwz; leidend tot bekering. Ook bij overgave aan de satan (1 Cor.5,5).
Er blijft hoop. Openb. belijdenis blijft nodig, maar wordt met voorzichtigheid omgeven.

22. Priesterlijk ambt van Christus?
Genezingen en allerlei werken van barmhartigheid.
Buitengewone gaven aanv. aan de gelovigen. Later meer verbonden met het ambt. Diverse regels voor diakenambt genoemd. Bijv: bijstand door diakonessen.
in de gemeente omzien naar de mens in nood (ook sociale en psychische nood).

23. Plaatselijke kerk?
Macht bij de kerkeraad. >  ekklesia completa.

24. Kerkverband?
Apostelen werden al spoedig bijgestaan door presbyters (Hand. 6,2;15,2; 15,6-22).
Het prebuterion ontstond (1 Tim.4,14). Onderlinge gemeenten vormden ook weer een eenheid. Bredere vergadering in Hand. 15.
Later kwam de ontwikkeling van de hierarchische idee. Gemeenten kregen minder invloed tgv de bisschoppen.
Allerlei concilies kwamen op (provinciaal, nationaal, oecumenisch). Een oecumenisch concilie had een bindend karakter voor heel de christenheid.

25. Visitatie?
Calvijn stond een jaarlijkse visitatie voor. Eens per drie maanden vergaderden de predikanten speciaal om op elkaars leven toe te zien. In Frankrijk ontstond voor het eerst een gemeensch. belijdenis en kerkenorde.

26 Nut van synoden?
kan enerzijds aangevochten worden. Immers zijn de plaatselijke kerken zelfstandig; er onstaat soms ongeoorloofde hierarchie en tyrannie. Synoden zijn vaak een oorzaak van twist en tweedracht.

Anderzijds vereisen zaken als opleiding etc. een gemeenschappelijk beleid.
Het is tot nut voor het welzijn van de kerken.
Wel moeten synoden de zelfstandigheid van de plaatselijke kerken handhaven!
Nauwkeurig onderzoek is vereist.

27. Verhouding tot de wereld:
Anabaptisme: Mijding; Rome: ascese; Reformatie: vernieuwing en heiliging.
Schepping is niet lager of minder dan de herschepping.

Het Caesaropapisme was een verkeerde ontwikkeling. Dan heerst de staat over de Kerk.
In het Papalisme heerst de kerk over de staat.

Calvijn zag dit anders dan wij. De overheid was onderworpen aan het Woord Gods. Neiging tot suprematie van de kerk <?>
De Kerk moet alle terreinen van het leven willen kerstenen. Geen middelen van dwang bij de overheid.
De overheid heeft de roeping in te staan voor de eer Gods!




HOOFDSTUK X   DE MIDDELEN DER GENADE

Pargr. 56                                   HET WOORD ALS GENADEMIDDEL

519
1. De Mystiek over het Woord?
Acht deze overbodig. Zij weet van het inwendig woord of het inwendig licht.
Dit Mysticisme verwant met het Socinianisme, het Rationalisme, het Remonstrantisme.

2. Het Romanisme?
Bindt de genade absoluut aan de middelen, m.n. de sacramenten.

3. Hoe werkt het sacrament bij Rome?
Het sacrament werkt ex opere operato. Het geloof heeft bij Rome niet zozeer het Woord nodig (slechts praeparatoire betekenis).
De Reformatie ziet de verhouding Schrift-Kerk anders dan Rome.

4. Argumenten van het Mysticisme, dat alle middelen verwerpt?
Het Woord blijft vaak zonder zegen; kinderen kunnen zonder het Woord wedergeboren zijn.

5. De Luthersen?
Bonden, uit reaktie hiertegen, weer sterk aan de middelen.
Zij binden de wedergeboorte aan de doop. Verwant met Rome.

6. De Gereformeerden?
Zien in Woord en Sacrament de gewone middelen, waardoor de Heere werkt.
HB: zij lopen gevaar de middelen overbodig te achten. Vanwege neiging tot mystiek (PR)?
 
520
7. Voornaamste middel?
WOORD GODS.

8. Verhouding Woord en Schrift?
We vatten het Woord, in eigenlijke zin, als middel op als: het gepredikte Woord.
Men mag onderscheiden tussen Woord Gods en Schrift. Het Woord is breder, meer omvattend.

9. Christus en de wet?
Christus handhaafde de Wet. Hij heft deze zeker niet op (Rom.3,31). Gaf een diepere, geestelijke dimensie aan de Wet. Christus is tevens het einde der Wet.

10. Wat bedoelt Paulus met de Thora?
Altijd de gehele wet, met inbegrip van de ceremoniële wet.
Deze wet is krachteloos door het vlees. Zie teksten.
In de Hebreen-brief verstaan we onder de wet de onvolkomen OT-ische schaduwdienst.

521
11. Het Antinomisme (Gnosticisme) en het OT?
Acht het OT van een lagere God afkomstig.

12. Het Nomisme (Pelagianisme, Semi-Pelagianisme, Romanisme, Socinianisme, Rationalisme)?
Wist het onderscheid tussen Wet en Evangelie uit.

13. Wet en Evangelie?
Men kan Wet en Evangelie laten samenvallen met O en NT. Beter: Wet en Evangelie zijn twee openbaringen Gods.
Het is als eis en gave, bevel en belofte, zonde en genade.

14. Is prediking van geloof en bekering nu eis der wet, of behoort dit tot het Evangelie?
Het eerste werd geleerd door Voetius, Witsius, Coccejus.
Zeker eist de Wet geloof en bekering. Toch zijn geloof en bekering vruchten van het Evangelie. De Wet kan geen pistis en metanoia geven. Slechts poenitentia.

15. Drieërlei usus der Wet?
Usus politicus, usus paedagogicus (kennis der zonde) en usus didacticus (regel des levens).

522
16. Verhouding Woord-Geest bij Het Nomisme, Pelagianisme, enz.?
Heeft genoeg aan de uitwendige roeping.

17. Het Antinomisme?
Verwerpt niet alleen het OT, maar verzet zich tegen elk middel.
Vlg. hen gaat het inwendige Woord vooraf aan het uitwendige. Zo vooral ook Anabaptisme, dat weer verwant is aan het Pantheisme.

18. De Reformatie over Woord en Geest?
Stelde de noodzaak van Woord en Geest beide.

19. Wie zeggen: per verbum (dus inhaerent met het Woord)?
De Luthersen.

19. De Gereformeerden?
Spraken van cum verbo (subiektieve werking in het hart bij het Woord).
Bij de Luthersen is de Geest onafscheidelijk van het Woord.
Het Woord is zeker krachtig, heeft ook altijd kracht, ook in hen die verloren gaan.
Echter: het Woord heeft niet altijd dezelfde werking bij allen.
Vandaar: cum verbo!



Pargr. 57  DE SACRAMENTEN

523
1. Sacrament in de HS?
Hand.2,42 meldt iets daarvan. Meer daarover in 1 Cor. 11,1-14,40.
Men had waarschijnlijk 2x per zondag bijeenkomsten. Een voor de lezing van de Schriften en de apost. brieven en één voor de agapè.
Men meende dat in die eerste tijd het Avondmaal niet onderscheiden werd van een gewone maaltijd.
Toch onderscheidt Paulus beide (1 Cor.11,20.21)

2. Wanneer verandering?
De tweede eeuw bracht verandering. De viering van het HA kreeg nu een vaste plaats.

3. Welk woord gebruikt de Schrift hiervoor?
Het NT kent het woord mustèrion, aanduidend de wonderen en de daden Gods.
Later: wat geheimzinnig en onbegrijpelijk is. Vandaar: Sacramentum.

4. Hoeveel sacramenten bij Rome?
Lombardus (Sententiae) noemt 7 sacramenten. Het Concilie van Florence (1439) stelde er zeven vast. Product van de ME-se scholastiek.

5. Rome stelde vast (8x)?
1. De sacramenten zijn door Christus ingesteld;
2. ze worden onderscheiden van die van het OT;
3. ze zijn noodzakelijk voor de zaligheid;
4. ze worden ex opere operato meegedeeld;
5. onverschillig of de bedienaar in doodzonde verkeert;
6. in geval van nood door leken te bedienen;
7. non obicem ponere door de ontvanger;
8. Doop, confirmatie en ordening verlenen een character indelebilis.

524
6. Het onschriftuurlijk karakter blijkt als volgt?
1. Genade van het sacrament is gratia sanctificans: maakt deelachtig aan de Goddelijke natuur en verheft tot de bovennatuurlijke orde;
2. de band tussen Woord en Sacrament is hier geheel verbroken;
3. het geloof is niet terzake (ex opere operato).

7. De Reformatie?
Voor de Reformatoren werd de sacramentsleer het grote Schibboleth.

8. Luthersen?
 res coelestis is in, met en onder het element verborgen.

9. Zwingli?
Sacramenten zijn bewijzen des geloofs en herinneren aan de weldaden.

10. Calvijn?
Wel belijdenis-acten, maar pas in de tweede plaats. Eerst: tekenen en zegelen van de beloften Gods.
De daad Gods en de belijdenis der gelovigen worden verenigd. Calvijn brengt Luther en Zwingli bijeen.

11. Vragen bij Calvijn?
Bijvoorbeeld: Is genade altijd met het sacrament gegeven en verbonden?
Gaat de uitdeling van de genade gepaard met de bediening van het teken?

12. De Wederdopers?
Zien hier alleen symbolen.

525
13. Gereformeerden over de sacramenten?
Het zijn tekenen; Luthersen spraken van actiones.

526
14. Het sacrament bestaat uit welke twee delen?
Res coelestis en res terestris. De zienlijke dingen verduidelijken de onzienlijke.
het teken verduidelijkt, het zegel is een waarmerk, vanwege allerlei bedrog in de wereld.

15. Welke tekenen zijn te onderscheiden?
Niet alleen de elementen, maar ook de handelingen: besprenging, zegening, breking, uitdeling, aanname van het brood.

16. Materia interna?
Is de gerechtigheid des geloofs, de vergeving der zonden, enz; uiteindelijk de volle, rijke Christus.

17. Sacrament meer dan het Woord (Reformatie)?
het sacrament geeft niets, wat het Woord al niet geeft. Sacramenten geven geen aparte genade, buiten het Woord om. Wel is de wijze verschillend. Oor en oog. Verder is het sacrament aan het Woord ondergeschikt (appendix bij het Woord).

527
18. Wat te verstaan onder de unio sacramentalis?
Het verband tussen het teken en de betekende zaak noemt men soms de unio sacramentalis.
HS noemt het teken en zegel. Ziedaar het verband. "Detrahe verbum et quid est aqua nisi aqua; accedit verbum ad elementum et fit sacramentum" (Augustinus).

Eenstemmig met Rome dat de genade meegedeeld wordt. Verschil loopt over het "hoe", de wijze.

528
19. De Gereformeerden spraken van obiektief/subiektief; betekenis?
Christus obiektief aan allen aangeboden wordt. Maar subiektief is de werking van de Heilige Geest nodig.

20. Wanneer veel twist gevoerd over het in- en uitwendig verbond bij het HA?
Nadere Reformatie.
HB: Voor de gelovigen ingesteld. De vrucht is alleen voor de gelovigen.

529
21. Zeven Roomse sacramenten?
De reformatie kent twee sacramenten. Soms mede genoemd handoplegging (Calvijn) en absolutie (Luther).
Rome noemt er 7. De doop neemt schuld en straf weg; beginsel van de genade der heiligheid; donum superadditum hersteld.
Daarna confirmatie of vormsel. Men noemt hier Hand. 8,15; 19,6; Hebr. 6,2.
Daarna eucharistie; biecht; heilig oliesel; priesterwijding; huwelijk.

Deze sacramentsleer verkruimelt de genade. Het verhoogt de onzekerheid. Er is telkens iets nieuws nodig. Men kan weerstaan en verliezen.



Pargr. 58        DE DOOP

530
1. Welke betekenis had de besnijdenis?
Bij Israel: teken des verbonds. Belofte bevestigd.
a. rechtvaardigmaking (gerechtigheid des geloofs, Rom.4,1) en b. heiligmaking (besnijdenis des harten, Deut.10,16).

2. Betekenis van water?
Water had in de hele oudheid heiligende kracht (Eufraat, Indus,Ganges). Bij Israel kende men de proselietendoop.

3. Welke betekenis had de doop van Johannes?
sprak van onreinheid en van de belofte des verbonds. Johannes is voorloper van Christus,  baptisma metanoias eis afesin amartiwn (Mark. 1,4).
Jezus nam deze doop over, onderging deze Zelf en gaf het bevel door aan de discipelen (Matth.28,19)!

4. Was de doop van Jezus anders dan die van Johannes?
Gereformeerden stelden de identiteit van de doop van Johannes en die van Jezus.
Er leefden wel bedenkingen bij Rome en de Anabaptisten.

5. Leert bijvoorbeeld Matth.3,1 eap. niet dat de doop van Johannes en de Chr. doop tegenover elkaar staan als de water- en de vuurdoop?
Antwoord: Nee, Johannes doelt hier op de Pinksterdag.

6. Verhouding Geestesdoop?
Zowel de doop van Johannes als de Chr. doop staan tegenover de Geestesdoop (Hand.2).
Toch wordt de waterdoop in verband gebracht met de doop van Pinksteren, bijv. in Hand. 19,1-7 (discipelen te Efeze). Deze hadden niet de echte doop van Johannes ontvangen. Laat staan de doop met de Heilige Geest.

531
7. Matth.28,19 terecht door velen als onecht beschouwd?
Ten onrechte! Jezus werd Zelf gedoopt. Hij nam deze over. Later meer en meer toegepast (Hand.2,38; 8,12.13.16; 9,18; Rom.6,3-8; 1 Cor.1,13-17;Gal.3,27 eap).
Paulus wist zich weliswaar niet gezonden om te dopen; de prediking stond bij hem vooraan. Hij liet vooral anderen dopen (1 Cor.1,17).

8. Welke formule?
In de eerste tijd: eis to onoma Moouss of eis hen sooma (Rom.6,3 enz). Duidt geen formule van dopen aan. 
Deze term betekent: stellen in de gemeenschap van Jezus. Dopen eis to onoma tou patros > in gemeenschap stellen van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

9. What about de Geestesdoop?
De Heilige Geest is niet gebonden aan de doop (Hand.2,33; 10,44).
Soms komt de Heilige Geest zonder doop of dmv handoplegging.

10. Glossolalie en profetie waren tijdelijk?
1 Petr.3,21: rechtvaardigmaking; Hebr.9,10: reiniging en rechtvaardigmaking. Paulus brengt in verband met heiliging (Rom.6,3-6).
In al deze teksten geen sprake van eigenl. glossolalie en andere Geestes-gaven.

532
11. Ontwikkeling Oude Kerk?
In de oude Chr. kerk kregen doop en avondmaal een mysterieus karakter. Allerlei symbolische handelingen. Magisch werkend genademiddel.

12. Roomse visie op de doop?
Rome ziet in de doop: 1. character indelebilis; 2. kwijtschelding van alle straffen; 3. geestelijke vernieuwing en heiliging van de mens; 4. bovennatuurlijke deugden van geloof, hoop en liefde.

533
13. Luther?
Hij behield hiervan: Doop bewerkt de wedergeboorte. Roomse gebruiken zoals exorcisme en peterschap bleven daar gelden. Doopwater wordt "ganz durchgöttet".

14. Gereformeerden?
Sacramenten, dus ook de doop, voor de gelovigen ingesteld tot versterking van het geloof.
Dus, aldus HB, moest men aantonen, dat kinderen reeds voor de doop als gelovigen te beschouwen waren.
De Gereformeerden beroepen zich voor het recht van de kinderdoop op de HS., m.n. op het genadeverbond.

15. Vanwaar de veronderstelde wedergeboorte?
Sommigen meenden dat de kinderen voor wedergeboren gehouden moesten worden (a Lasco, Ursinus, Voetius, Witsius); anderen stelden het voor, in of na de doop (Calvijn, Beza, Zanchius, Amesius).

16. Welke ontwikkeling daarna?
De laatste voorstelling kreeg de overhand.
Dus werd zodoende de doop losgemaakt van de wedergeboorte.
Men zag de doop als bevestiging van de obiektieve beloften van het Evangelie of iets dergelijks.

17. Welke formule gaf veel strijd?
Met name ontstond strijd over de formulering: in Christus geheiligd.
Sommigen: inwendige vernieuwing door de Heilige Geest. Anderen: verklaring in verbondsmatige zin (teken van het uitwendig verbond).
Dr. Kuiper trachtte het obiektief karakter van de doop vast te houden (?).
Vlg hem: inlijving in het lichaam van Christus.

534
18. Geeft de doop iets nieuws aan de dopeling?
Reformatie: Doop deelt niets mee, hetgeen de dopeling niet reeds heeft vanwege het vertrouwen op het Woord Gods.

19. Teken in de doop?
Is het water. Reeds in het OT belangrijke plaats daaraan toegekend: Ex.30,18-20; 40,30; Ezech.36,25;, Zach.13,1.
Geestelijke reiniging voorgesteld door besprenging met water.

20. Onderdompeling of besprenging?
Aanv. was de handeling: onderdompeling (Baptizein). Besprenging (superfusio) slechts bij zieken e.d.
Tot 1311 komen onderdompeling en besprenging beide voor. Ook Calvijn achtte dit ondergeschikt. HB: Besprenging kan heel goed gelden. Vgl: besprenging met rein water (Ezech.36,25).
Besprenging kreeg ook de voorkeur vanwege de kinderdoop. HB: Men moet ruim besprengen.

535
21. Welke doopformule?
De formule stond aanvankelijk niet vast.
Onze formule is opgekomen naar aanleiding van allerlei ketterij. Geldigheid hangt niet af van de letterlijke woorden.

22. Het doopformulier?
Verklaart de weldaden van de doop: rechtvaardigmaking (Vader), wedergeboorte (Zoon) en gemeenschap (HGeest).

23. Art. 15 NGB: erfzonde door de doop niet ganselijk tenietgedaan?
dit ziet op het teken- en zegelkarakter. De mens blijft zondaar!

536
24. Waarom verwerpen velen de kinderdoop?
1. Deze komt niet voor in de HS.
2. Kinderen hebben geen geloof en bekering (geen zekerheid daaromtrent).

25. Hist. ontwikkeling?
Tot Tertulianus geen melding van de kinderdoop. Hij heeft zelfs bezwaren. Origines en Cyprianus spreken er instemmend over.
Augustinus verdedigt de kinderdoop ogv de fides aliena (geloof van de ouders of de kerk).
Gereformeerden geven het verbond der genade als grond aan. Tegen de Anabaptisten, die stelden dat kinderen geen geloof konden hebben, stelden de Gereformeerden dat dit wel degelijk het geval kon zijn!

537
26. Gronden voor kinderdoop?
Niet vreemd dat deze in de HS niet voorkomt. De bejaardendoop was de oorspr. doop; de kinderdoop is afgeleid.
De kinderdoop is wel gevolgtrekking en toepassing van de HS (Coll.2,11.12).
a. Coll.2: de Collossenzen waren heidenen, waren niet vleselijk, maar wel feitelijk besneden.
Dit had plaats in de besnijdenis van Christus (in Zijn sterven aan het kruis), toen zij in de doop van Christus begraven en opgewekt werden.
b. De HS kent heel sterk de verbondsidee.
Sterke gemeenschap in de HS geleerd tussen ouders en kinderen. Zie teksten!
Jezus ontving ook m.n. de kinderen.
c. Oikos-teksten: In het NT kwam de ekklesia ipv de kahaal. De gemeente is een lichaam, een organisme.
Vaak wordt niet alleen de persoon, maar ook zijn huis genoemd (Zacheus, stokbewaarder, Lydia).
d. Hand.2,39 is van belang: de belofte van het NT is voor de gelovigen en hun zaad.
e. In 1 Cor.7,14 wordt gesteld dat de kinderen heilig zijn vanwege het geloof van een der ouders. Hier is een obiektieve heiligheid bedoeld.
De genade in het NT is overvloediger: dus kinderen kunnen heel wel wedergeboren zijn. Zij kunnen het geloofsvermogen reeds bezitten.

538
27. Is de doop volstrekt noodzakelijk tot zaligheid?
Nee; Bediening moet plaats vinden in de gemeente. Liefst kort na de geboorte.
Synode van Carthago (252) olv Cyprianus: zo spoedig mogelijk.
De Gereformeerde doopsopvatting is ruim, ook tav vondelingen.



§ 59  HET AVONDMAAL

539
1. Wat was het pascha?
Pascha was eerst offer (sacrificium), daarna maaltijd (sacramentum).  
Deelnemers traden in een verbond et God.

2. Pascha in het NT?
Grote betekenis toegekend: verlossing uit het diensthuis der zonde.
Op donderdag 14 Nissan hield Jezus met Zijn discipelen het pascha, op vrijdag is Hij gestorven en op zondag stond Hij op.
Het Avondmaal verloor het karakter van sacrificium geheel.

540
3 Stelde Jezus het HA in?
Velen bestrijden dat; bij Mattheus en Markus ontbreken de woorden: Doe dat tot Mijn gedachtenis!
Deze woorden komen slechts voor in 1 Cor.11,24.25 en Luk.22,19.
Toch pleit alles voor de waarheid van Luk.22,19. Direkt na Jezus' dood komt het Avondmaal reeds voor in de gemeente (1 Cor.11,23).

4. Hoe heeft Christus het Avondmaal ingesteld en met welke bedoeling?
Hij heeft het ingesteld ter gelegenheid van het pascha. Hij deed het nadat het paaslam was gegeten (Luk.22,20), vastgehecht aan het OT-isch verbond.
Waarschijnlijk gebruikte Jezus geen vaststaande, onveranderlijke formule.
Nu geworden tot een nieuw verbond.

5. Welke andere  bezwaren?
Spitta bracht hiertegen in dat het eten van een dood lichaam en het drinken van bloed voor de Joden een onverdraaglijke gedachte was. Gaf inderdaad ergernis (Joh.6,52.60). HA is meer dan een herinnering (1 Cor.10,16).

541
6. Hoe ontstond de offeridee?
Aanvankelijk was het Avondmaal verbonden met de agapè. In de 2e eeuw kwam de scheiding op tussen agapè en eucharistia. Tweede deel van de dienst: HA. Vandaar kreeg het een "mysterion" (sacramentum)-karakter (ite,ite).
De offeridee kwam op.
Meegebrachte gaven bij de agapè werden als offers gezien. gaven noemde men: prosforai, thusiai.

7. Hoe kerkvaders?
Origines kende nog de symbolische opvatting.
Chrysostomos sprak de realistische gedachte van de metabolè uit (transformatio).
Augustinus kende de dwaalleer nog niet (crede et manducasti). Hij ziet dus ook het geloof nog als noodzakelijk.

8. Wanneer sprake van transsubstantiatie?
In de 12e eeuw komt het woord transsubstantiatie voor. De consecratie bewerkt de verandering. De accidentia (vorm, smaak, kleur, reuk en voedende kracht) blijven, maar de substantie is geheel veranderd.

9. Roomse visie?
Dus is de eucharistia bij Rome een sacrficium. Geheel identiek met de offerande aan het kruis.  Het is ook een zoenoffer.

10. Wat werd bewerkt door de eucharistie?
Het sacrament van de eucharistie bewaart voor doodzonden en scheldt de tijdelijke straffen kwijt.

542
11. Hoe bracht Reformatie hierin verandering?
REFORMATIE verwierp de transsubstantiatie en het misoffer, evenals de asservatio, de adoratio en de circumgestio; ook de kelk-onthouding en de latijnse taal.

12. Luther?
in, met en onder de tekenen is Christus aanwezig, gelijk Goddelijke natuur in de menselijke en warmte in ijzer aanwezig is.  Ook de ongelovigen ontvangen Christus, maar tot hun verderf.


13. Zwingli?
is (est) = betekent,vgl. Joh.15,1 en 10,9. Wel aanwezigheid, maar slechts door het geloof.
Bekende twist tussen Luther en Zwingli (Marburg). Bucer en Melanchton bemiddelden tevergeefs.

14. Calvijn?
Nam tussenstandpunt in. Stond aan Zwingli's kant: geen manducatio oralis.
Stond tgo. Zwingli: niet alleen belijdenisacte; Christus is wezenlijk en waarachtig aanwezig in het HA. Gemeenschap aan de weldaden en aan de persoon van Christus.
Soms wel onduidelijke uitspraken!

15.Latere ontwikkeling?
veruitwendiging van het HA. Het betekent dan slechts geloven en aannemen.
Bestemd voor allen die onergerlijk leefden. Later zo ook Remonstranten en Socinianen.
De Engelse kerk ging meer en meer de RK visie overnemen.

543

16. Bijbelse termen?
deipnon Kuriakon (1 Cor.11,20), trapeza kuriou (1 Cor.10,21), klasis artou (hand.2,42;20,7 pothrion tou kuriou (1 Cor.11,27), pothrion ths  eulogias (1 Cor.10,16).
Later nog andere namen:
Luther: sacramentum altaris. Protestanten: sacra coena of coena domini.

17. Is HA naar de Schrift een wezenlijke maaltijd?
Ja. Blijkt uit het feit, dat Christus de Gastheer is, uit de spijs en drank enz. Mag niet door leken bediend worden (Matth.28,19). Maaltijd-karakter blijkt ook uit de instelling nav het pascha.

18. Hoe vaak viering?
Calvijn achtte viering eens per maand wenselijk; Gereformeerden spreken niet van altaar, maar van tafel.
Het eigenlijke heiligdom, tempel en altaar, is in de hemel (Gal.4,26; Hebr.6,20; 9,12).

544
18. Hoe is Christus aanwezig in de tekenen?
Morele en rationalistische betekenis van Zwingli: belijdenis-acte of gedachtenis-maaltijd.
Maar het HA is meer! Christus biedt Zichzelf aan. Doch geen physische of locale aanwezigheid van Christus. Aanwezig op geestelijke wijze.

19. Bezwaren tegen Roomse leer?
Eten met de mond des geloofs. Este heeft signifcatieve betekenis.
Vervolgens staat er ook niet: deze wijn, maar deze drinkbeker. Jezus zat lichamelijk aan, terwijl Hij zie: touto esti sooma mou. Kàn geen letterlijke betekenis hebben.
Bovendien kan niemand het nut van de manducatio oralis aantonen.

545
20. Waarom kelkonthouding?
Rome onthoudt sedert het concilie van Constanz (1415) de kelk aan de leken. Waarom?
Sommigen hadden bezwaar tegen wijn, anderen tegen de beker voor allen (besmetting).

546
21. Juiste leer?
Gereformeerden ontwikkelden de juiste leer. De handelingen zijn ook van belang. Christus bijv. zegent de spijzen, dwz Hij dankt God voor de gaven. Breken ook van belang (Hand.2,42): overgave in de dood.
Er wordt ook nog op het volgende gewezen: in de doop zijn we passief, in het Avondmaal meer actief.

547
22. Voor wie HA ingesteld?
HA voor de gelovige ingesteld.

23. Ook kinderen?
Na kinderdoop kregen soms gedoopte kinderen direkt het Avondmaal. Magische opvatting (Gr.orth).
Hebben kinderen toegang? Soms meent men vanuit hun wedergeboorte het zo te kunnen stellen.
Toch:1. verschil tussen pascha en besnijdenis; 2. HA verondetselt bewust, handelend optreden; 3. aannemen wordt verondersteld; 4. denk ook aan de zelfbeproeving.

24. Welke gedachte kwam zodoende op?
Bij de Gereformeerden kwam de openb. belijdenis op. Soms al op 14-jarige leeftijd. Zo à Lasco.



HOOFDSTUK XI    OVER DE LAATSTE DINGEN

§ 60 DE TUSSENTOESTAND

548
1. Is geloof in de onsterfelijkheid algemeen?
Komt bij alle volkeren voor; bijv: pyramiden.
Plato vooral grondleggend: De ziel bestond al voor het lichaam, heeft herinneringen uit die tijd, zal voortbestaan na verlaten van het lichaam.
De ziel verre verheven boven het lichaam.
Onsterfelijkheid is een articulus mixtus.

2. Door wie ontkend?
Het Materialisme ontkent de onsterfelijkheid van de ziel.

549
3.  Welke argumenten voor het geloof in de onsterfelijkheid?
Vrees voor de dood, dorst naar het leven, ervaringen van droom en extase, raadsel van de dood, enz.
Toch hierin geen bevredigende verklaring.

4. "Bewijzen" van de onsterfelijkheid?
ontologisch: de mens heeft besef van de onsterfelijkheid; men besluit dan uit de idee tot de waarheid daarvan;
metaphysisch: onsterfelijkheid ligt in de natuur van de ziel; hiertegen ernstige bezwaren; alleen God is onsterfelijk; de mens is dat door Zijn kracht. Men stelt dan dat de ziel een eigen levensprincipe heeft.
anthropologisch: de mens is meer dan plant en dier; redelijk-zedelijk wezen.
morele: er moet wel loon en vergelding zijn na dit leven; indien het recht niet zegepraalt, is er geen recht.

550
5. Hoe het OT?
Men meende dat de onsterfelijkheid in het OT niet voorkwam; onjuist! Bijvoorbeeld: geen lijkverbranding (behalve na doodstraf); begrafenisritueel; door de dood komen de zielen in de sjeool, het dodenrijk (niet te vertalen door hel).
Sjeool is de tegenstelling van de aarde als het land der levenden.

Het OT kent geen leer van de onsterfelijkheid, waarbij het lichaam sterft en de ziel onsterfelijk is.
De ganse mens sterft (Ps.146,4;Pred.12,4). ook de ziel verkeert in de staat des doods (Gen.37,21;Numm.23,10;Deut.22,20). Zie ook Gen.2,17.

Leven is sterk verbonden met God en Zijn volk en Zijn dienst.
In Spreuken worden dood en sjeool vaak in verband gebracht met de goddeloze. Er is geloof en zalig sterven bij de vrome.

551
6. Hoe in NT?
Twee woorden: Hades (rijk der doden) en Gehenna (onuitblusbaar vuur);

7. Ten tijde van Jezus?
Diverse opvattingen tav de dood.
Sadduceën loochenden de opstanding.
NT nog sterker dan het OT: dood is straf op de zonde.; de ziel kan niet gedood worden (Matth.10,28); alle zielen tot de opstanding in de Hades (het rijk der doden). Matth.11,22: Kapernaüm tot de hel (hades) vernederd, dwz: ten diepste vernederd.
>> Ook Jezus na het sterven in de Hades (staat des doods) <<; zo ook de gelovigen (nekroi en Christooi-1 Thess.4,16).

het lot van gelovigen en ongelovigen is wel onderscheiden. Zie Lukas 16. Het paradijs is in de hemel te denken. Vgl. ook 2 Cor. 12,2.4.
Zielen der martelaren zijn in de hemel (Openb.6,8;7,9).
Gehenna is de plaats van het onuitblusbaar vuur (Mark.9,43;Matth.18,8; 25,4.46).

552
8. Apostolische vaders?
Kennen geen leer van de tussentoestand. Terstond komt men na het sterven in de hemel of de hel.
Justinus: zielen van de vromen in een betere, zielen van de goddelozen in een slechtere plaats om het gericht af te wachten. Geleidelijk brak deze gedachte door.

9.Rome?
Verdoemden komen direkt in de hel (Gehenna, abussos, infernus); de gereinigden komen terstond in de hemel;
maar zij die peccata venalia hebben, gaan naar het vagevuur (vagen-vegen-reinigen). Voorbeden, misoffers enz. komen hen te hulp.

553
10. Luthersen?
Leren de definitieve beslissing bij het sterven. De tussentoestand is de eindtoestand. Zo ook de Gereformeerden.
Wel is er onderscheid tussen de gelovigen vóór en na de jongste dag. De summa et ferfecta deï gloria wacht nog.
Anderen namen tussentoestand aan. Zo enigszins de Socinianen.

11. Nieuwere theologie?
Prediking van het evangelie en de mogelijkheid tot bekering na het sterven.
Anderen leren de apokatastasis. Of de conditionele onsterfelijkheid (vernietiging voor de halsstarrigen).

554
De HS laat sommige vragen onbeantwoord. Onsterfelijkheid ligt in de verbondenheid met Christus.

555
12. Zieleslaap?
Sommigen leerden de pannuchia (zieleslaap).
Reeds bij de natuurlijke slaap grote verandering. Ook de HS schijnt van een slapen te spreken (Deut.31,16; Jer.51,39; Matth.9,24; Joh.11,11 eap).

13. Is deze leer bewijsbaar?
Nee; Hoewel afhankelijk van het lichaam, is toch de ziel wel zelfstandig denkbaar. Anders zou ook God niet kunnen bestaan zonder lichaam. Het psychische heeft niet in het physische bron en oorsprong.

556

Anderen menen dat de zielen na de dood een nieuwe lichamelijkheid ontvangen (1 Sam.28,14; Luk.16,23.24). Dit echter op te vatten als een anthropomorfisme (evenals bij God en de engelen, die ook geesten zijn).
2 Cor.5,1-4: woonstede Gods is niet het opstandingslichaam, maar een vorm van de hemelse heerlijkheid.

557
14. Spiritisme?
Sommigen nemen aan dat de zielen na de dood nog in enig verband met het lichaam blijven staan. Verwant hiermee het Spiritisme.

Vandaar rouwgebruiken, balseming, pyramiden (vele gaven meegeven).
Zo vereerde men daardoor de martelaren.
Bij Rome drie afdelingen: ecclesia triumphans, militans en patiëns.

558

15. Hoe moeten we het Spiritisme beoordelen?
Spiritisme in de HS verboden. Wel erkent de HS daemonische machten (vgl. Deut.13,1.2; Matth.24,24; 2 Thess.2,9; Openb.13,13-15).
Dodenverering geheel en al verkeerd!
Soms voert men aan 1 Samuël 28. Hier geen opzettelijk bedrog van de vrouw.

16. Andere verschijnselen?
Wel hypnotisme, somnambulisme.
Op dit terrein veel bedrog. Wel veel nog onverklaard: clairvoyance, hypnose, suggestie, second sight, voorgevoel, telepathie enz.

17. Herinnering en herkenning?
Er is wel herinnering aan het aardse leven bij de doden (Luk.16; Matth.
7,22; Openb.14,13.
Herkenning zal er ook zijn (Lukas 16).

18. Zijn de overledenen bekend met het aardse gebeuren?
Er is geen kennis van hetgeen op aarde gebeurt (Pred.9,5; Jes.63,16; Hebr.11,1).

19 Voorbede van engelen?
HS spreekt ook niet van de voorbede van engelen en heiligen. HS wijst godsdienstige verering van hen geheel af. [ Canonisatie: heiligverklaring bij Rome van deze of gene ].

559

20. Waar de sjeool, de gehenna, de hades?
Beneden = niet topografische aanduiding. Ethische betekenis. De verworpenen delen in de toorn Gods.

21. Nog gelegenheid tot bekering?
Origines: ja. Er is zeker wel onderscheid in straf (Matth.10,15; 11,20-24; Rom.2,12; 2 Petr.2,20-22).
Toch spreekt de HS niet over bekering na de dood. Men voert wel aan 1 Petr.3,18-22, maar dit geeft "hoegenaamd geen steun", (HB). Heengaan naar de hemel van Christus is de bedoelde prediking.
Ook niet geleerd in 1 Petr.4,6. Prediking was er tijdens het leven van hen die nu nekroi zijn.
De diepste bedoeling van deze leer is de gedachte van de alverzoening.

560

22. What about het vagevuur?
De Joden leerden soms zoiets als het vagevuur. Sommige heidenen ook wel.
Aantrekkelijke gedachte?
De HS leert het niet. ook 1 Cor.3,12-15 niet. Vuur is bedoeld bij de jongste dag, niet daarvóór. Rome kent geen volmaakte verlossing in Christus.

23. Wanneer komen de gelovigen in het volle bezit van de zaligheid?
Eén antwoord: bij de dood. > Ps.73,23.24; Luk.23,43; Hand.7,59; 2 Cor.5,1; Hebr.12,23.
Hoe? Dat is een geheim.
Geen Platonsich dualisme (bevrijding van het lichaam);
Geen sentimenteel Rationalisme (dood is engel des vredes).
Dood is wel: afsterven van de zonden.
1 Cor.15,29: dopen voor de doden (in verband met vagevuur en misoffer voor de nekroi): dopen in het geloof van de opstanding van Christus. Neem de opstanding weg en de doop wordt ijdel.

561
24. Is er een band tussen de kerk op aarde en die in de hemel?
Deze band wordt bepaald door de hoop op weerzien. Matth.8,11.
De zaligen in de hemel verlangen naar de gelovigen op aarde. Dit is aannemelijk op grond van Luk.16,27-31.
Ze behouden herinnering aan dit leven; zo ook Openb.6,10.
Hun toestand is nog niet af en draagt nog een voorlopig karakter.  Zij is nog maar tot de hemel beperkt en verstoken van het lichaam en van de aarde. Niet zonder ons volmaakt (Hebr.11,40).
Hun taak in de hemel: God loven (Openb.7,9). Er is ook onderscheid in rang.


Pargr. 60  DE WEDERKOMST VAN CHRISTUS

 562

 1 Toekomst van de aarde? Optimisme en pessimisme; Sommigen meenden dat de aarde eeuwig is (Aristoteles). Onmogelijk: de aarde nadert steeds meer de zon.

Vraag: Zal de aarde of de zon het het langst uithouden? Niettemin droomden anderen van een geluksstaat (Kant, Lessing, Pierson ea), zonder strijd en zorg. Anderen meer pessimistisch (Schopenhauer).

 563

2 OT-ische toekomstverwachting? Religie weet van bovennatuurlijk karakter, ook van de toekomst.

In het OT leefde deze toekomstverwachting: 1. de dag des Heeren (gericht en straf); 2. doch tijdelijk; 3. de Messias uit Davids huis zal komen; 4. terugkeer uit de ballingschap; 5. bekering van Israel; 6. herstel van tempel en eredienst; 7. vele stoffelijke zegeningen; 8. heidenen delen daarin.

 564

 3 Waar verwacht het OT de zaligheid? OT: zaligheid wordt verwacht op aarde (koning David, Palestina).

Geen onderscheid in eerste en tweede wederkomst van Christus.

4  Kenmerk van de taal der profetie? De profetie spreekt in aardse en zinnelijke termen over geestelijke werkelijkheden. Zo verwachtte Israel in Jezus' dagen een aards Messiasrijk: politieke heerschappij, uitwendige bloei. Daarna het wereldgericht.

 5 Oorsprong en aanhang van het Chiliasme? CHILIASME is van Joods en Perzische oorsprong. HB acht het OT beslist niet chiliastisch.

 Het Chiliasme in enigerlei vorm geleerd door: Ebionieten, Wederdopers, Socinianen, Comenius, Böhme, Labadie, Piscator, Coccejus, d'Outrein, Vitringa, Brakel, Darbisten, Mormonen, ea.

 6 Grondgedachte van het Chiliasme? tweeërlei wederkomst van Christus en een dubbele opstandingEerste komst: gelovigen opwekken, gemeente van Israel vergaderen te Palestina, wereldheerschappij, tijdperk van geestelijke bloei. Tweede komst: alle doden opwekken, wereldgericht. Veel onderl. wijzigingen.

 Twee elementen: terugkeer naar het land en bekering van Israel. Men verschilt erover wat het eerste zal gebeuren. Men vat het soms geestelijk op, soms zinnelijk.

 565

 7 Vervangingstheologie bij HB? NT is vervulling van het OT. Bijv: besnijdenis (des harten) en offeranden (van hart en geest); het aardse is beeld van het hemelse.

 1. Men kan slechts in aardse termen spreken;  2. profetie is poëzie, met eigen criteria voor de verklaring; meestal geen realistische verklaring; 3. profeten waren zich dit ook bewust; 4. het NT verklaart het OT, zie Coll.2,17; Hebr.8,5;  (pag.642: Christus verklaard in termen aan de profetie ontleend [knecht, offer, etc].

 Gemeente is het ware zaad van Abraham, het ware Israel: Matth.1,21; Luk.1,17; Rom.9,25; 2 Cor.6,16-18; Gal. 3,29; Titus 2,14; Hebr.8,8-10; Jac.1,1; 1 Petr.2,9; Openb.21,3-12; Gal.4,26; Hebr.12,22 eap.

 8 Hoe staat Chiliasme tegenover het lijden van Christus? Het Chiliasme maakt het geestelijke aan het stoffelijke ondergeschikt. Lijden en sterven van Christus acht men van minder betekenis.

 566

 9 Verwachtte Jezus iets van de Joden? Het Chiliasme verwacht een volksbekering van Israel. Politieke combinaties. Ten tijde van Johannes en Jezus had het Koninkrijk Gods geen politieke betekenis. het echte volk Gods zijn nu de wedergeborenen, de ware ekklèsia.

Jezus verwacht niets van de Joden: Joh.2,18-21; Matth.22,7; Luk.21,6; Mark.11,12-14. Zie ook Luk.23,28; Matth.21,41.43; Joh.12,24.

 Er is voor Joden en heidenen slechts één weg ter zaligheid. "De gemeente der gelovigen heeft in alle opzichten het nationale, vleselij­ke Israel vervangen". [?!] Vervangingstheologie!

 567

10 Welke teksten schijnen te pleiten voor een chiliastische  beschouwing? Matth.23,37-39: Jeruzalem is woest totdat de Joden Jezus zullen erkennen; HB: geschiedt bij de wederkomst. Luk.21,24: Jeruzalem vertreden totdat de tijden der heidenen zullen vervuld zijn; HB: tijden der heidenen duren tot de wederkomst.

Rom.11,11-32: geheel Israel zal zalig worden: a. geestelijk zaad van Abraham; b. er staat niet: en daarna, maar: en alzoGeheel Israel: niet het gehele volk Israel; niet de gemeente van Joden en heidenen; maar het plèroma dat in de loop der eeuwen  uit Israel wordt toegebracht.

 568

 11 Spreekt Jezus over een toekomstig millenium? Eschatologische rede van Jezus (Matth.24; mark.13;Luk.21) geeft geen zinspeling op een millennium. Deze voorstelling: de parousie sluit aan bij de verwoesting van Jeruzalem (Matth.24,29 en mark.13,24).

 12 Signa communia en signa propria? Er zijn signa communia: valse christussen, oorlogen en geruchten van oorlogen, opstanden, aardbevingen, hongersnood ed. Signa propria (onm. voorafgaande aan de parousie): verduistering van zon en maan, neervallen van de sterren, krachten in de hemelen (mark.13,24.25).

Jezus voorzegt nergens een heerlijke toekomst op aarde.

Gelovigen zijn hier vreemdelingen, hun burgerschap is in de hemelen, hier hebben zij geen blijvende stad (vgl. Rom.8,19; Coll.3,2; hebr.11,13 eap). NT: geen aardse omwenteling, maar geestelijke deugden!

 12 Laatste dagen? Wel: de laatste dagen zijn vol boosheid, er is een herleving van de dagen van Noach, er is een algemene afval: matth.24,37; 2 Petr.3,3; 1 Tim.4,1). Zo ook het laatste Bijbelboek.

 569

 Hier zijn verder te noemen : Ezechiël (Gog en magog). Volken uit het Noorden, Oosten en Zuiden. Tweeërlei strijd: volken in de directe nabijheid en volken op verre afstand. OT-ische wortels: Zach.12-14.

 13 Welke voorstellingen in NT van de antichrist? Christus roept het anti-christelijk beginsel wakker: valse profeten en valse christussen (Matth.7,15; 24,5;Luk.17,23). Zie ook 2 Thess.2 (weerhou­der).

Versch. voorstellingen ten aanzien van de antichrist: Johannes: ze loochenen dat Christus in het vlees gekomen is; Jezus: valse christussen; Paulus: de wetteloze, zit in de tempel Gods.

 14 Hoe lees je Openb.20,1-10?

 Hier geen millennium geleerd, want: 1. geen melding gemaakt van de bekering der Joden en de opbouw van de tempel; geen Joodse inbreng;  2. speelt zich af in de hemel en niet op de aarde, vgl. 20,1; 20,4; vgl. 4,4 en 11,16; de zielen van de martelaren worden gedacht in de hemel en niet op aarde  (vgl. 20,4 met 6,9; 7,9 eap. Millennium dus in de hemel.

 3. geen lichamelijke opstanding voorafgaande aan het duizendjarig rijk ; de HS weet van een geestelijke opstanding uit de zonde (Joh.5,25; Rom.6,4).

Men meende dit echter te vinden in: 1 Cor.15,20-28 (hier volgt op de opstanding der gelovigen terstond het einde) en 1 Thess.4,13-18 (handelt over de plaats der ontslapenen en de nog levende gelovigen bij de weder­komst).

 Openb.20: de zielen der martelaren heersen met Christus duizend jaar (eerste opstanding). Hier echter gesproken van "zielen", niet van lichamen. Dus vindt dit plaats in de hemel. De tweede dood is het geworpen worden in de poel des vuurs.

 570

 14 Is er een chronologie te vinden in Openbaringen?  Dan komt hetgeen vermeld wordt in Openb.20 na hetgeen geschied is in Openb.19. Eenzelfde gedachte hebben sommigen ook ten aanzien van de zeven gemeenten.

 Verder is er ook een zeitgeschichtliche  opvatting van Openb: het wordt dan m.n. betrokken op Rome.  Algemeen erkent men ook dat het getal duizend een symbolische betekenis heeft.

 571

 15 Voostelling van de tijd van de parousie in de HS?  soms als aanstaand voorgesteld. Bijv. Matth.24,29; 1 Thess. 4,15; 1 Cor.15,51. Pls. acht het mogelijk dat zijn tijdgenoten de parousie nog zullen beleven. 

16 Hoe spreekt Jezus verschillend over Zijn komen? Joh.14,18-24 (Zijn komen in de Pinkstergeest). Matth.26,64; 16,28: (hier de verheerlij­king bedoeld). Matth.24,34: dit geslacht zal de tekenen der tijden beleven. Het precies uitrekenen is geen goede zaak.

De tweede komst vaak aangeduid met de naam parousia. Andere aanduidingen: epifaneia, apokalupsis, faneroosis. Versch. gegevens op blz. 671. Hand.3,19-21: men meent dat de tijden der verkoeling zouden komen bij het duizendjarig rijk; 








Pargr. 62: DE VOLEINDING DER EEUWEN

572
1. Hoe spreekt de HS over de eaoon houtos en de aeoon melloon?
Dan: opstanding der doden, ook van de ongelovigen, van alle mensen: Dan.12,2; 
 
573
2. Dan een geheel nieuw lichaam?
Substantiële eenheid alsook kwalitatief onderscheid tussen opstandingslichaam en tegenwoordig lichaam.
Vlees en bloed echter beërven niet het Koninkrijk Gods: het zwakke en verderfelijke lichaam komt niet terug.

3. Wat houdt het opstandingslichaam in?
Het is een onverderfelijk lichaam: geen spijs (1 Cor.6,13; 15,42) en ook geen geslachtsleven. Sooma pneumatikon.

574
4. Wie komt ten gerichte?
Het eindgericht wordt soms aan de Vader toegeschreven en soms aan de Zoon. De Vader oefent het uit door de Zoon.

5. Waarover gaat het eindoordeel?
Het oordeel is naar het geloof. De werken gelden ook, maar als uitingen van het nieuwe levensbeginsel.
Het betreft daden, woorden en gedachten. Er is onderscheid in oordeel.

575
6. Wat weten we over de hel?
Hel: Geehinnom: oorspr. dal van Hinnom, ten ZO van Jeruzalem. Door Josia onrein verklaard. Het latere Jodendom dacht aan een plaats van het eeuwige vuur.
God wordt vaak voorgesteld in het beeld van het vuur (Zijn toorn).

7. Algemeen geloof in  de hel?
Velen hebben bezwaar gemaakt tegen de eeuwige straf. Het strijdt met Gods goedheid. Ook met Gods rechtvaardigheid: Evenzeer met de zonde, die eindig is.
Men ziet er geen nut in. Zo meent men dat "eeuwig" hier niet betekent: eindeloos. Deze gedachte versterkt door woorden als apooleia, fthora, thanatos (vernietiging). Daarbij is Christus een verzoening voor de ganse wereld.

8. Wat leert men alzo over de eeuwige straf?
a. hypothetisch universalisme (mogelijkheid tot bekering);
b. leer der zielsverhuizing en
c. conditionele onsterfelijkheid.

576
9. Waarom deze gedachte?
Menselijke opvattingen zijn veranderd: vroeger hield men krankzinnigen voor misdadigers, nu noemt men misdadigers krankzinnigen.
Men berooft zaken als schuld en misdaad van hun betekenis. We mogen ons echter niet laten leiden door menselijk gevoel (Spr.12,10).

10. Gronden voor de eeuwige straf?
1. Christus Zelf spreekt van de eeuwige straf.
2. aioonios betekent zeker eindeloos (Matth.3,12; Mark.9,44; Matth.25,46).
3. Er is sprake van apoleia, omdat de verlorenen geestelijk en zedelijk geheel te gronde gaan; de verloren zoon heette ook aanvankelijk: nekros en apoloolos.
4. apokatastasis: in de HS een andere bedoeling dan bij de dwaalleer, die hier een pantheïstische achtergrond leert.
5. Gods recht is onkrenkbaar. Ook de mens is niet zo lieflijk; wordt hij aangetast in zijn persoon, dan is er woede en wreedheid.
Dus: fiat iustitia, pereat mundus.
Christus, de zachtmoedigste aller mensen, zal dan Rechter zijn.

577
11. Geheel nieuwe wereld?
Na het eindgericht volgt de vernieuwing van de wereld. Na de verbranding van de aarde komt dan de nieuwe hemel en aarde.

De HS leert geen vernietiging van de oude wereld (Ps.102,27; Jes.34,4; 51,6; 65,17; 66,22). Geen reductio ad nihilum.
Er is analogie met de oude wereld, die door de zondvloed is vergaan (2 Petr.3,6). De wereld in haar zondige gedaante zal verdwijnen. Hiermee spoort de gedachte van de mens, die een nieuw schepsel zal worden.

12. Hoe dwaalt het Spiritisme?
Het Spiritualisme dwaalt als het slechts denkt aan levende zielen in de hemel.
God schiep hemel en aarde, ziel en lichaam. De schepping wordt vrijgemaakt van de dienstbaarheid der verderfenis (Rom.8). Het nieuwe Jeruzalem daalt op de aarde neer (Opb.21).

578
13. Alleen geestelijke zegeningen?
Ook stoffelijke. Aanvankelijk reeds hier ontvangen, later volkomen gerealiseerd.
Geen visio deï in de Roomse zin. Ook geen langzame geleidelijke ontwikkeling.

579
14. Ook zaligheid voor hen die buiten het Evangelie leefden?
Augustinus: enigen. Luther: een wens. Zwingli: zeker. Gereformeerden: voorzichtig.

580
15. Wat houdt de zaligheid in?
Zaligheid: kennen en genieten van God. Ook allerlei arbeid: rusten, regeren, enz.
Korte uitweiding over loon en onderscheid: Ef.1,10.


      +-+-+-+-+-+-+-+-+-+-+-+-+