GEWIJZIGDE VERHOUDINGEN       2004

Nu de stichting van ons blad veerig jaar bestaat, is het goed een blik terug te werpen, ook op het gebied van de interkerkelijke verhoudingen.
Deze zijn gedurende dit tijpvak drastisch veranderd. Er was in de dagen waarin ons blad werd opgericht,  nog geen sprake van de Ned. Gereformeerde Kerken; wel werden er reeds samensprekingen gehouden met de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt. Mijn persoonlijke herineringen brengen mij het volgende in gedachten: Het moet ongeveer vijftig jaar geleden zijn, dat mijn vader predikant was in Zwijndrecht. Het huis van de Vrijgemaakte collega paalde aan onze woning. Gezamenlijk hebben we daar de watersnoodramp beleefd. Ds. van Rongen, de buurman,  gaf ons enige adviezen over te nemen maatregelen in verband met het vuur in de haard; het gevaar van ongelukken was niet denkbeeldig. Dat was in de nood van die nacht, echte samenwerking en verbondenheid.
Zwijndrecht was verder een tuindersgemeente; het waren tuinders van de koude grond; dus geen verwarmde kassen zoals nu. Het was echt een gemeente met een bevindelijke inslag. Na de avonddienst bleef de kerkenraad nog een uur naspreken over de preek, onderwijl dikke sigaren rokend. Dat deden de broeders overigens ook vóór de dienst want als de consistoriedeur bij de aanvang van de dienst openging, zagen we als gemeente eerst wat rookwolken binnenkomen en daarna en daaronder de kerkenraad. Er is dan in vijfitg jaar wel wat veranderd, in bijna alle opzichten!
Maar ook in die gemeente werd op een avond een samenspreking gehouden met de Vrijgemaakte broeders. Ook die waren in die tijd onvervalst vrijgemaakt, met in ieder geval het concept van de "ware kerk” op tafel. Nee, er is niets uit voortgekomen; er was sprake van een wereld van verschil.

Eenheid van de Gerefomeerde Belijders in Nederland. Er was  ook toen al een landelijk deputaatschap met voor ons doen heel bekende namen. Ook Professor van der Schuit sprak een hartig woordje mee. Hij was zeker een voorstander van een zekere eenheidsgedachte, want hij was ook nauw betrokken bij de ICCC, een internationale organisatie van Christelijke kerken. Hoe dacht hij over de Vrijgemaakte kerken in verhouding tot onze gemeenten? De acta van de GS  van 1962 vermelden hierover het volgende: "Hij is van oordeel dat er bij de gereformeerde kerken niets is veranderd en men nog even ver is als toen men begon met de samensprekingen. Het smart hem diep dat de gereformeerde gezindheid zo scherp verdeeld is. Maar het is zijn overtuiging dat er geen eenheid in belijdenis is. Met heel de gereformeerde gezindte is er grote mate van overeenstemming ten opzichte van  de obiektieve dogmata, maar dat sluit niet in dat er eenheid is ten aanzien van het onderwerpelijke deel van de voorwerpelijke belijdenis, dat toch ook confessioneel gefundeerd dient te zijn. Het exclusivisme bij de gereformeerde kerken spreekt hem niet toe ten aanzien van de evangelische en de practische beleving ervan op allerlei levensterreinen”. De hooglerarenvan Genderen en Kremer benadrukten meer de kerkelijke roeping tot eenheid, maar ook zij hadden oog voor de bezwaren. Vooral op plaatselijk niveau liep de zaak niet zo vlot, volgens hetgeen Kremer toen zei: "Dat de plaatselijke verhoudingen er niet beter op worden, moet ons diep smarten”. De Synode besloot de opdracht aan deputaten mee te geven dat gezocht moest worden naar wegen en middelen om de geconstateerde verschillen weg te nemen, om op deze wijze naar de eenheid biddend te streven.
Zo stond het er landelijk voor. Plaatselijk werd dat bijna overal ook zo aangevoeld. Ik geef enkele indrukken weer van gesprekken die destijds gehouden werden in de gemeente Murmerwoude, waar in die tijd Ds. J.J. Rebel stond. Ds. W. de Graaf, die ook betrokken was bij de samensprekingen,  diende toen de gemeente van Broeksterwoude.
" In 1959 werd er samengesproken enerzijds tussen de Christelijke Gereformeerde kerkenraden (CG) van Broek en Murmerwoude en anderzijds de Vrijgemaakte kerkenraden (VG) van Driesum en Murmerwoude. Er was een tamelijk intensief verkeer, want er werden veel gespreksronden gehouden.
We zijn vanuit onze tegenwoordige situatie wel benieuwd naar de toonzetting van deze samensprekingen. Hoe dacht men toen over de Vrijgemaakten, met wie nu, in onze tijd veel kerkenraden reeds verstrekkende contacten hebben? Hoe dacht men trouwens ook over de eìgen prediking binnen ons kerkverband?
Over de prediking gesproken: In de vergadering van 11 november 1959 vormde de prediking onderwerp van gesprek. Men erkent van de zijde der VG dat de CG preken anders zijn dan bij hen. De toon is gemoedelijker. Soms wordt door hen de diepgang in die preken gemist. Iemand anders merkt weer op dat deze preken meer gaan over de mensen dan over Christus. Ds. Van der Schaft vindt dat de preken in onze kerken te veel gaan over de zaak van het persoonlijke zieleheil. Er is verder weinig blijmoedig geloof in de Heere Jezus Christus. Hij merkt echter ook op, heel verrassend, dat de prediking bij u en bij ons niet ernstig genoeg is in het waarschuwen.
Van CG zijde wordt opgemerkt, dat de standen in het geloof te veel gemist worden in de preken van de VG. Men mist te veel het besef dat de mens onmachtig is om het heil aan te nemen. Daarbij komt het werk van de H. Geest niet voldoende aan de orde. Men mist tevens de vraagstelling: "Hoe is het nu met u persoonlijk?”
Gelukkig, zo merkte een deelnemer op, werd er in de CG prediking niet gesteld, "dat ik eerst moet weten dat ik uitverkoren ben.” Dat leek winst te zijn!
Zo te horen waren er toen over en weer redelijk veel bezwaren tegen elkaar. Uit deze enkele regels krijgen we een helder beeld van de verhoudingen tussen beide kerken. De gesignaleerde verschillen cirkelen allemaal om de zaak van de persoonlijke toeëigening. Hoe kan en mag ik persoonlijk weten dat ik een kind van God ben? De VG stelden daartegenover dat er meer is. Het is goed om dat te overwegen. Maar dat werd ongetwijfeld in de CG preken ook wel geboden. Onzerzijds werd telkens weer gesteld dat de VG uitgaan van een geloofsbevel: men mòet geloven, terwijl men juist zover moet komen dat men meent te mògen geloven”.

Er is reeds eerder in dit blad op gewezen dat er onder ons met betrekking tot de Vrijgemaakte kerken sprake is van een mentaliteitsverandering. Als u de preekbeurten van onze gemeenten leest in het RD, dan staan er heel wat onbekende namen van predikanten vermeld, die niet behoren tot onze kerken. Van wildgroei te spreken, gaat te ver, maar het is geen enkel probleem om als kerkenraad groen licht te krijgen van de classis als men kanselruil wil met de GKV. Dus is het aantal van samenwerkingsgemeenten zeer sterk toegenomen gedurende de laatste jaren. Via de verbondenheid met de GKV knopen diverse gemeenten ook weer banden aan met de NGK, omdat die dan weer in correspondentie staan met de GKV. Niet door de voordeur, dan door de achterdeur. De twee bezwaren van 1962, namelijk gebrekkige vertolking van de Belijdenis bij de GKV en geen enkel gevoel van verbondenheid in de plaatselijke gemeenten, zijn in onze tijd voorbij.
Nu moet echter gezegd worden dat er bij de GKV veel veranderd is door de jaren heen. Men is niet meer zo exclusivistisch (alleen de GKV vormen de ware kerk); integendeel, er heerst een grote mate van vrijheid. Men zou het in die kring een halve eeuw terug niet voor mogelijk gehouden hebben. Een hoogleraar vergeleek recent zijn kerken nog met een schommelende boot. Schommelen gaat dan met een boot altijd van links naar rechts en omgekeerd. Men weet dus niet welke koers men vaart. Deze veranderingen geven niet alleen een gewijzigd beeld op de leer en de schriftbeschouwing, maar ten andere zijde, ook een bepaalde onverwachte toenadering tot meer ervaring en bevinding in het persoonlijke leven.
Vergeten we niet dat ook veel vrijgemaakte leden het moeilijk hebben met de koers van hun kerken. Ik heb persoonlijk nog wel eens ex-vrijgemaakte leden in mijn gemeente ontmoet, die open stonden voor een schriftgetrouwe prediking; vrijgemaakten van het oude stempel. Men stond in die kringen altijd wel voor een grondig uitgewerkte preek.
De laatste ontwikkelingen in de GKV hebben dus zowel een positieve kant, maar de negatieve effecten hebben sterk de overhand.

Omdat deze kerken heel sterk binnen ons blikveld liggen, wil ik ditmaal ook enkele regels aanhalen uit het boekje van Ds. J.H. Velema, getiteld: Wie zijn wij?
Hij geeft van deze kerken het volgende beeld. Natuurlijk is er waardering, maar de volgende typeringen zijn wel heel scherp en onthutsend: "Het woord toeëigening wordt niet gebruikt, want de verbondsgemeente deelt in het heil. De toeëigening is algemeen voor de gemeente. Waar gepreekt wordt, wordt het heil toegeëigend zonder meer”. Zulke gedachten staan haaks op de prediking, zoals die altijd onder ons heeft geklonken.
Dus moeten we concluderen, dat er in onze eigen kerken evenveel veranderd is als in de GKV. Daar ligt ons feitelijke probleem. Er lijkt toch binnen onze eigen gelederen een geslacht opgestaan te zijn dat Jozua niet gekend heeft. Daar ligt dan ook de eigenlijke moeite van de kerkelijke eenheid.

Hoe is het nu aan de andere zijde van onze kerken? Onze aandacht richt zich de laatste tijden dan vooral op de HNHK, de Hersteld Nederlands Hervormde Kerk. Er gingen meermalen stemmen op die pleitten voor toenadering naar deze kerken. 
Onze verhouding tot hen wordt sterk bepaald door de visie die we hebben op de droevige gang der dingen rond 1 mei 2004. Toen bleek een breuk met de PKN onvermijdelijk. Onder ons wordt niet eensluidend gedacht over hen, die in waarheid niet mee konden. De weegschaal van het "we kunnen niet mee en we kunnen niet weg” sloeg bij hen door naar het eerste.
Hoe dan ook, we moeten ons als afgescheiden kerken afvragen of we voldoende beseffen wat er gebeurt met deze "nieuwe” kerk. Als er ooit een smartelijke breuk is geslagen, dan geldt het wel aan beide zijden de broeders, die tevoren met elkaar aan dezelfde Avondmaalstafel zaten, terwijl men nu lijnrecht tegenover elkaar staat. Smart en leed aan twee kanten. Er gebeuren vreselijke dingen. Ik geef een voorbeeld: in de meeste  plaatsen zijn de nieuwe gemeenten geheel beroofd van de kerkelijke eigendommen. In de meeste gemeenten heeft zich dit al voltrokken. Men staat op straat. Nu lijkt het te komen tot die gemeenten, die vrijwel geheel bleven binnen de HNHK, de grote vissen dus. Plaatsen waar tot voor kort diensten werden gehouden uitsluitend door de HNHK, zoals bijvoorbeeld in Staphorst en Garderen. Maar de PKN ging hier en daar desondanks over tot het beleggen van kerkdiensten. Deze worden in gemeente X bezocht door ongeveer vijftig mensen, terwijl de HNHK diensten aantallen trekken van rond de veertienhonderd kerkgangers. Op een goede dag krijgt de kerkenraad van de HNHK de claim voorgelegd om binnen de termijn van een kleine maand de sleutels van alle kerkelijke gebouwen te overhandigen aan de PKN (lees: vijftig mensen). Er is nog geen duidelijkheid over de vraag waar nu die grote gemeente van de HNHK heen moet, als straks de kerk voor hen dicht is. En wat die vijftig mensen aan moeten met die grote kerk?
Dragen wij voldoende leed over deze breuk?  Zou er toch vanuit heel de Gereformeerde Gezindte niet een reactie moeten  komen over dit alles? In de vorm van een protest of als een hartelijk blijk van meeleven? Juist wij zouden invoelvermogen moeten kennen met de nood van dit deel van de kerk.
Zoals gezegd, er leven onder ons gevoelens van verbondenheid en we zien naar deze kerken met de wens dat er een versterking van de banden zou mogen ontstaan. Natuurlijk leeft dit slechts in een beperkt deel van onze gemeenten. Maar het feit ligt er.
En dat is niet vreemd. We hebben als afgescheidenen altijd gezegd dat de zaken gaan veranderen, als de NHK zou terugkeren naar de belijdenis der vaderen. Is dat nu gebeurd? Men zegt ja en men zegt nee. Het hangt er van af hoe je over de geslagen breuk denkt. Maar de sympathie naar hen toe vloeit toch mede voort uit het feit dat men gebleven is wie men was. Men wilde gewoon Hervomd blijven en die kerk voortzetten. En we  kunnen toch eigenlijk niet anders dan afkeuring gevoelen voor een kerk, die van tevoren de weg naar het zelfstandig blijven voortbestaan dicht timmert en die daardoor over de gewetens heerst. Als het ooit over kerkpolitiek gaat, dan toch zeker wel hier. Mede ook in combinatie met de idee dat de landelijke kerk zich eigenaar noemt van alle plaatselijke bezittingen. Het is op die manier toch niet geheel ondenkbaar dat bijbelgetrouwe gemeenten vrijzinnig getinte kerken verplicht moeten helpen.
Is nu de Hervormde kerk in deze verdrietige weg teruggekeerd naar Schrift en belijdenis? Het antwoord op deze vraag stelt ons voor de wedervraag wat wij nu waar maken van onze liefde tot de Vaderlandse kerk. Tonen we daar ook iets van? Meerderen hebben sterk gepleit voor toenadering tot deze kerken.
Nu is het waar: deze kerken verkeren nog in het beginstadium en de zaken zijn nog niet uitgekristaliseerd. Het is nog niet de tijd om direct grootse stappen te ondernemen. Maar de gedachte zou kunnen rijpen en dan vooral mede vanuit geestelijke overwegingen. Is het niet tijd om de handen ineen te slaan, nu in Nederland zware tijden voor de kerk aanbreken?
Dat heeft ook te maken met de gedachte dat een ander deel van onze kerken eenheid zoekt met de GKV. Dat men dat doet, is op zich beschouwd, niet te veroordelen. Als men op dezelfde basis staat, laat het zich terecht indenken dat men de weg naar vereniging opgaat. Vanuit ons standput staan wij daar zeker niet achter en we denken te staan op een andere grondslag, maar àls men hoe dan ook verwantschap voelt, dan is het niet verkeerd daaraan gestalte te geven.
Welnu, dan is het ook niet verkeerd als wij spreken en handelen met de HNHK. Onze deputaten spreken ook met hen en het zal landelijk beschouwd misschien weinig zoden aan de dijk zetten. Maar er wòrdt gesproken en we hopen en bidden dat deze gesprekken ook voor onze kerken perspectieven mogen openen.
Het is heel belangrijk dat er Synodale initiatieven ontplooid worden in die richting. Onze jongste geschiedenis leert ons verder dat er plaatselijk allerlei ondernomen kan en mag worden.

Nu is dit alles naar de mens gesproken. En de mens wikt! Maar het beleid is van de Heere. Het is een geestelijke zaak, waar we het over hebben. En dan bemerken we, vanuit Gods Woord gedacht, dat de Heere toch een twist heeft met de kerken van Nederland. Met onze eigen kerken, die voorop, en ook met bijvoorbeeld de GKV, de PKN en de HNHK, enz. enz. De Heere heeft een twist met Zijn wijngaard. En wat zullen wij dan? We mogen ook niet weglopen onder dat oordeel. Wie denkt over kerkelijke eenheid, weet dat het een menselijk gezien onmogelijke taak is. De Heere Zelf moet het doen, anders komt er niets van terecht. En dat zou de kerk wel zeker als eerste moeten bedenken. In Psalm 80 bidt de dichter vanuit de geestelijke nood van zijn dagen: "O Herder Israëls, neem ter ore, Die Jozef als schapen leidde; Die tussen de Cherubim zit, verschijn blinkende; Wek Uw macht op voor het aangezicht van Efraïm en Benjamin en Manasse en kom tot onze verlossing” (Ps. 80:2,3).
Niet de meest getrouwe stammen van het volk worden genoemd. Het is een bede voor het vervallen Tienstammenrijk. Aan bekering kan men niet meer denken, het lijkt een geheel onmogelijke zaak. Daarom wordt er gebeden: "O God, breng ons weder en laat Uw aanschijn lichten”. Alleen de Heere kan de bekering nog bewerkstelligen, het eigen vermogen ontbreekt daartoe. De Heere zit tussen de Cherubim, in de tempel van Jeruzalem. Hij is er wel en verblijft nog wel onder het volk, maar men ervaart het niet. Gods blìnkende verschijning, in glans en majesteit, is gewenst en wordt gemist. De Heere is er wel en Hij is er niet. Zoals wij de volle Bijbel nog hebben en toch vaak moeten erkennen dat we zoveel kwijt zijn en zoveel missen. En ook dat gemis wordt zo weinig gevonden. Het lijkt alsof de macht des Heeren is ingevallen, want de bede luidt: "Wek Uw macht op….”. Het zwijn uit het woud lijkt machtig en sterk. Deze bede kan ons vrijmoedigheid geven om het van de Heere te gaan verwachten.
Maar zittend op Jeruzalems puinhopen, heeft de profeet geroepen: "Laat ons onze wegen onderzoeken en doorzoeken en laat ons wederkeren tot de Heere”. Dat onderzoek is dringend nodig. Tot Laodicea moest de Heere zeggen als hun voornaamste kwaal: "Gij weet niet dat ge zijt….”. Ze wisten het niet eens. Ze meenden dat het nog wel verder kon gaan en dat er nog veel beloften waren en dat de Heere toch nog niet geheel geweken was. En dat was Hij ook niet, maar slechts als de Aanklager trad Hij tegen hen op. Zijn blinkende verschijning was ook daar niet.
Verschijnt de Heere blinkend in onze gemeenten en op onze kansels? In de banken en aan de Avondmaalstafels? De bede mag opklinken en Gods kerk smeke gedurig aan de genadetroon om die weldaden. De Heere leef nog, Hij zit nog tussen de Cherubim. Vanuit die gedachte wordt verootmoediging geboren overal en in alle kerken, waar de Geest van de Heere werkt en leeft. Zonder vernedering van het hart kunnen we elkaar niet vinden. Als we op de bergen van onze hoogmoed zoeken wat slechts in de dalen te vinden is, zoeken we tevergeefs. In de nood mocht Elia een altaar bouwen van twaalf stenen, van het ongedeeld volk van Israël. De grote Hogepriester van het volkomen en hemslse heiligdom heeft waarlijk gebeden voor Zijn kerk. Hij heeft bemoeienis met de zeven gemeenten, dus ook met de vervallen kerken. Laten we die weg zoeken. Anders moeten we vrezen dat het snel gedaan zal zijn met de kerk van Nederland.
Het kan heel hard gaan. In Utrecht West heeft de gemeente een heel mooi kerkgebouw. Op een van de beste locaties van de stad. Maar de reden waarom we nu die kerk hebben, is niet zo mooi. Deze kerk kwam vrij vanwege het Samenopweg proces. Een Hervormde en Gereformeerde kerk gingen samen. In beide kerken zaten zo ongeveer een zeventig mensen. Toen de beide gemeenten opgingen in SOW, zaten er weer zeventig. De helft was men onderweg kwijtgeraakt Ziet u, dan gaat het snel.
Ook onder ons kan het zo snel gaan. Maar het leger van Gideon was klein en toch bracht de Heere verlossing teweeg. Dat kan moed en kracht geven. De grote aantallen van het eerste uur moesten kritisch onderzocht worden. In twee schiftingen trok bijna iedereen weg; er bleven er driehonderd over, tegen een vijandelijk leger van honderdentwintig duizend strijders. Maar de Heere was met hem. "Door dezen zal Ik Israël verlossen”, zo sprak de Heere.
In Christus heeft de Heere Zijn Kerk verkoren en Hij laat deze nimmer meer ls. Niemand zal ze uit Mijn hand rukken, zo spreekt Hij nòg. Dat vraagt geloof, maar ook bekering. Van een ieder van ons, te beginnen bij onzelf.
De Heere ontferme Zich genadig over Zijn Sion. Wat zal men antwoorden de boden des volks? Dat de Heere Sion gegrond heeft, opdat de bedrukten Zijns volks daarin een toevlucht zouden hebben!
 
           
McDonaldisering          2005

Deze term kwam ik tegen in een artikel in het blad Visie, het programmablad van de EO. Het genoemde blad behoort niet altijd tot mijn favouriete lektuur, maar ditmaal sprak mij de inhoud van een interview met de bovenvermelde naam bijzonder aan. Het heeft te maken met allerlei artikelen die ik zelf in dit verband geschreven heb in Bewaar het Pand. Er kwamen gedachten in naar voren, die me uit het hart gegrepen waren.
Dr. Henk Bakker ziet zorgwekkende tendenzen in de evangelische beweging. Deze laatste benaming had ook wel vervangen kunnen zijn door de naam van onze kerken. De schrijver komt uit de kring van de Baptisten.

Ik geef enkele uitspraken weer van deze schrijver. Hij doet deze in een boek, getiteld: "Zij hebben lief, maar worden vervolgd. Radicaal Christendom in de tweede eeuw en nu”.
Het gaat dan eerst over de McChurch, aanduidend een funcultuur (vergeef me deze voor ons wat vreemde uitdrukkingen). De verklaring is echter duidelijk genoeg. Bedoeld wordt door Bakker dat wat men in de kerk voorgeschoteld krijgt, licht verteerbaar moet zijn. Hij spreekt over een "seeker-sensitive” kerkzijn, wat weer betekent dat de kerk zich klantgericht opstelt naar de moderne zoekende mens van deze tijd. Daardoor wordt de kerk, en waar hebben we dit al niet eerder gehoord, laagdrempelig. Het zijn de laatste tijd echte christelijke gereformeerde uitdrukkingen. "Het moet aanspreken en een goed gevoel geven”. Men komt dan laagdrempelig binnen, maar vervolgens komt er, als men eenmaal binnen is, een hoogdrempelige aanpak om de mensen binnenboord te kunnen houden. Dat gaat dan via allerlei cursussen. Hij meent dat in deze benadering de kiem van verwereldlijking ligt.
Hij spreekt dan verder over "gedoe” rondom de verkondiging. Gesignaleerd wordt dat er steeds meer in bepaalde kerken gezongen wordt en dat men overvloedig gebruik maakt van audiovisueel materiaal. De kwaliteit en de duur van de preek gaat eronder lijden, zo wordt geconstateerd. Wat je in drie kwartier kunt zeggen, kun je ook verwoorden in twintig minuten. Men raakt de luisterhouding kwijt. Ik geef alleen maar citaten. "Als de prediking voor de aanbidding moet wijken, glijd je af naar de funcultuur”. Hier komt het genoemde verschijnsel van de Mcdonaldisering te voorschijn.
De uitholling van de Woordcultuur, de ont-woording van het evangelie baart de schrijver zorgen. Het is verder heel eerlijk dat de interviewer van de EO vraagt of de schrijver, sprekend over grootschalig christelijk entertainment, hiermee ook doelt op de EO-jongerendag. Bakker ziet inderdaad in dit soort zaken geen goed signaal. De vorm der dingen drukt de inhoud bijna helemaal weg.
Dan weer een bepaalde term, die we allemaal wel zullen begrijpen. De wijze van kerkzijn lijkt hier en daar op een tupperware-presentatie. De schrijver hoort van predikanten bijvoorbeeld wel eens de volgende uitspraken:”Wij hebben er zoveel mensen bij. We hebben weer een doopdienst met mensen die staan te trappelen….”. Er zal hiermee bedoeld worden dat alles gericht is op succes en marktwerking. Christenen uit de tweede eeuw zouden de bundel "Opwekking”  te eenzijdig vinden. Waarom werd er geen opwekkingslied geschreven over de woorden van de apostel: " Ik, ellendig mens, wie zal mij verlossen?” Waarom worden liederen over het belijden van zonden zo weinig gezongen? Deze bundel doet te weinig recht aan het gewone christelijke leven.
De schrijver doet een heel speciale, maar ook doeltreffende uitspraak: "….als Hij (Jezus) nu een evangelische McChurch zou binnenkomen, zou een van Zijn  eerste opmerkingen zijn: Zet die herrie af!”.
In de evangelische hoek, zo stelt Bakker, worden pogingen ondernomen om het evangelie uitsluitend vanuit het perspectief van de liefde van God te benaderen en juridische termen  als schuld, oordeel en genoegdoening achterwege te laten. Over die laatste woorden zou meer gepreekt moeten worden.
Wilt u nog een paar eigentijdse termen? Laagdrempelige aanpassingen kunnen de kerkelijke stoep veranderen in een pretpark, een mediacircus dat Jezus op de achtergrond drukt en ongelovigen van meetaf aan op het verkeerde been zet.

Wat Bakker hier allemaal op en rij zet, kan voor ons als christelijke gereformeerde  mensen niet vreemd zijn. Maar hij doelt vooral op de evangelische stroming. Dus blijkt hier duidelijk uit welke hoek allerlei verschijnselen in ons eigen kerkelijke leven wegkomen. Evangelische invloeden. Daarmee hebben allerlei zaken als toneel en drama in de prediking te maken. Het onderstreept voor mij persoonlijk, u zult er niet vreemd van opkijken, dat ik niet weg ben van deze evangelische invloeden binnen onze kerken. Overigens merk ik direct in alle eerlijkheid op, dat mensen als Bakker uit de evangelische beweging soms ook weer dichtbij ons staan als het gaat om de kernzaken. De schrijver blijft bewust kiezen voor de evangelische aanpak en dat zij zijn goed recht. Natuurlijk denken wij daar anders over.
Het gaat me nu vooral om de invloed die er in onze kerken op te merken is vanuit deze hoek. Sinds ik enkele artikelen schreef over allerlei uitbeeldend en voorbeeldend materiaal in de prediking, zijn de voorbeelden nog vermenigvuldigd. Het is, schijnbaar vooral in het Noorden, een sterke trend. Ik betrek hierbij ook iets anders. In bepaalde gebieden (Zaandam, Amsterdam) zijn kerkplanters werkzaam zoals u weet; het streven naar kerkwervend optreden naar buiten is zeker op zich beschouwd niet verkeerd. Ik kan respect opbrengen voor mensen die de geborgenheid (?) van de gemeente verlaten om de wereld in te trekken. Maar op het voetspoor van Paas c.s. zijn al deze pogingen zeer, zeer laagdrempelig. Hoe zou het in zulke diensten toegaan? Was het niet beter geweest als we in gebieden van ontkerkelijking, zoals in genoemde plaatsen, meer getracht zouden hebben de gemeente te behoeden voor laagdrempelige verlating van eigen kerkleden. Ik zeg niet dat dit niet gedaan is, maar ik ben wel bevreesd dat de zogenaamde laagdrempeligheid juist eigen mensen gaat kosten, die niet meer aangesproken worden door de uitgeholde verkondiging. Ik blijf nu even doorgaan op het tracée, die de schrijver is gegaan. Ik denk door in zijn lijn.
Ik kom nog eens terug op de aansprekende term: McDonaldisering. Ik heb reeds eerder een term (ook van een ander) doorgegeven: verkleutering van de prediking. De kerk komt nog eens terecht op deze manier op de reclamefolders, die iedere week door de supers op onze mat vallen. Licht verteerbaar, hapklaar, oppervlakkig, ondoordacht, onmachtig, vlak en snel verdwijnend. Helaas zouden er nog veel meer aanduidingen kunnen vallen.

Laten we als kerken toch wakker worden. Over de volle breedte van de kerk (dus ook onder onze eigen gemeenten) moge geluisterd worden naar de boven aangehaalde woorden. Gaan zaken als schuld, oordeel en genoegdoening ook in heel veel preken uit onze eigen kring hun kracht en scherpte niet verliezen? Is de prediking een tweesnijdend scherp zwaard of is het een gerecht, dat vooral als  smaakmakend wordt ervaren? Laten u en ik er voor waken dat toch ergens niet meer het kruis, maar de mens centraal staat. De mens met zijn behoeften, met zijn strijd, met zijn zorgen, zonder dat we de mens met zijn schuld duidelijk in beeld hebben. Dan alleen krijgt het kruis van Christus waarde. Dan zal ook de liefde Gods gestalte krijgen, juist dan. Ik weet best dat we de moderne mens daarin niet mee hebben. Een McDonald onderweg is aantrekkelijker en makkelijker, dan zelf een eigen stevige maaltijd klaarmaken. Het is daarbij niet toevallig dat de genoemde keten juist op kinderen weet in te spelen. Dan is ook in dat licht deze vergelijking helemaal uit de verf gekomen.
Tenslotte: er zijn  preken die door sommigen worden aangeduid als toch wel ruim en uitnodigend, maar dan ook plotseling weer waarschuwend en onmogelijk. En dat wil de hoorder niet. Hij wil, zonder meer, erbij behoren en alle zaken direct in bezit krijgen. Dat is dan McDonald-element. We zeggen dat de prediking ruim mag zijn, tenvolle, maar tegelijk ook dat de onmogelijkheid moet worden voorgesteld, opdat de Heere, de drieënige God àlles zou doen en metterdaad ook alles doen zal. Bevel en belofte, gebod en gebed vormen een eenheid. Dat is de kracht van het Evangelie, de kracht ook van de Reformatie.


DE KERKELIJKE WEG         2006

Zo wordt in de visitatie-vragen  manier van doen aangeduid als men tegen bepaalde zaken in kerk en gemeente bezwaren wil inbrengen. De term wordt hier gebruikt in verband met het werk van deputaatschappen. Er moet voor gecollecteerd worden. Maar wat, als er bij een kerkenraad bezwaren leven tegen de manier waarop deputaten zich kwijten van hun taak. Er zijn deputaatschappen die op dit terrein een reputatie hebben. Dit was en is het geval met het deputaatschap voor Israel; maar er zijn ook genoeg andere namen te noemen. Collecten moeten gehouden worden, maar er leven bezwaren. Dus niet collecteren? Nee, dan moet de kerkelijke weg bewandeld worden. U moet dan uw bezwaren kenbaar maken bij het betreffende deputaatschap. Dat is de Bijbelse weg. Correct. Dan schrijft u die brief en u krijgt een brief terug, met de uitleg van deputaten waarom zij hun werk op die manier doen. Van hun standpunt bezien kunnen zij ook niet anders. Zij menen in oprechtheid het zo te moeten doen. Wat moet u nu verder? U bent als kerkenraad niet overtuigd. U behoudt uw bezwaren. Tot nu toe heeft de kerkelijke weg nog niets opgeleverd. Tot grote teleurstelling. U denkt nu eenmaal anders dan de geachte depuaten.
Wat nu? De kerkelijke weg zegt verder dat u als kerkenraad een appèl kunt indienen of per instructie uw bezwaren aan de orde kunt stellen. Maar u bent juist in uw classis als gemeente een witte vlek. U kunt op uw vingers wel uittellen dat uw zaak weinig begrip zal ontmoeten. De classis denkt in de lijn van de deputaten. Men deelt uw bezwaren niet. Dus wijst ook de classis uw bezwaren af.
Daarna loopt de kerkelijke weg niet dood. Nee, deze weg is lang en de uitgestelde hoop krenkt het hart. Dan naar de Particuliere Synode. Op zich bezien een goede manier om het niet te snel op te geven. Misschien is de PS anders samengesteld, misschien heeft men daar wel begrip voor uw bezwaren. De Kerkorde wijst ons hier zorgvuldig en weloverwogen een mogelijke uitweg. Zo behoort een kerk om te gaan met bezwaren en bezwaarden. Maar stel dat ook de PS in gelijke zin denkt als de classis. Dan loopt u opnieuw vast. Inmiddels bent u met een misschien wel brandende kwestie een jaar verder en er is nog niets gebeurd. Men heeft u nog steeds niet kunnen overtuigen; de argumentatie bevatte weinig nieuwe dingen.
De befaamde en op zichzelf goede kerkelijke weg gaat nòg verder. Inmiddels is het pad wel erg versmald. De Generale Synode staat tenslotte als de hoogste instantie nog open voor indiening van uw bezwaren. Maar deze wordt helaas pas over twee jaar gehouden. U zult moeten wachten tot dan. Die wachttijd is te betreuren. Sommige zaken kunnen natuurlijk niet zo lang wachten. Denkt u maar eens aan een onhoudbare toestand hier of daar. Er moet iets gebeuren. De lange wachttijd heeft misschien ook voordelen. Uw mening slijt misschien wel wat uit en na jaren lijkt het allemaal ook niet meer zo belangrijk. Als straks de GS vergadert, is de druk wel van de ketel en hoeft het allemaal niet meer zo nodig.
Zo zou het kunnen gaan. Het hierboven geschetste scenario is bij veel ambtsdragers bekend. Ongetwijfeld kan de kerkelijke weg tot zegen zijn. Dat zal heel vaak het geval geweest zijn. Maar naarmate de tegenstellingen binnen een kerkverband toenemen, wordt het wel een stuk moeilijker. Dat wordt niet in één bepaalde hoek van de kerk zo gevoeld, nee, in alle uithoeken doet men deze ervaring op. Daarom hebben velen in de kerk niet meer zo veel verwachting van deze weg. Het lijkt zo weinig uit te halen. Bent u een eenling in uw classis, dan weet u bijna met zekerheid de afloop. Maar misschien heeft die meerdere vergadering enig begrip voor u. In dat geval spreekt men dat uit, maar u had het dan juist weer iets anders aan de orde moeten stellen.
In concreto, geven wij ons collectegeld aan zaken, die onze instemming hebben of werken wij eigenlijk mee aan controversiële projecten, zoals dat bijvoorbeeld ook wel zou kunnen gebeuren inzake allerlei evangelisatie-activiteiten?
De weg die een kerkenraad gaan moet, is lang en ver. Een lange weg vermoeit. Ik merk op dat u als gemeentelid ook het recht hebt de kerkelijke weg te bewandelen. Dan brengt u uw bezwaren in bij uw kerkenraad, en dan kan het zo verdergaan en opklimmen, of…. afdalen.

U begrijpt dat de kerkelijke weg in normale omstandigheden grote voordelen heeft. U bent niet zo maar overgeleverd aan de willekeur van uw kerkenraad of uw classis. Er is hoger beroep mogelijk. U mag er zelfs wel van uitgaan dat anderen een frisse kijk hebben op uw probleem. Misschien kunnen zij u overtuigen van uw misverstand of vergissingen. Het kan toch inderdaad zijn dat u of ik het verkeerd ziet. Het kan ook zijn dat men u niet overtuigt omdat men aan de andere kant van de tafel nu eenmaal inhoudelijk anders denkt. U kon het weten voordat u eraan begon. Dit doet niets af van de integriteit waarmee men uw zaak behandelt. Men wil, daar gaan we van uit, eerlijk en oprecht zijn in zijn oordeelvorming. Maar men denkt anders. Het kan echter ook nog wel zijn dat u bij die broeder, van wie u het niet gedacht had, nog het meeste begrip vindt voor uw zaak. Meer dan bij die andere, die dichtbij u staat en die u desondanks toch geen steun verleent. Dit verschijnsel zou met namen en voorbeelden te staven zijn.
Helaas kan het dus zijn, dat uw zaak ten prooi valt aan kerkelijke verdeeldheid en bevooroordeeld denken. De classis licht de PS wel zo ongeveer in over de appelant en uw zaak wordt veroordeeld zonder dat u zelfs ook maar gehoord bent. Het is de omgekeerde wereld, maar het kan u best overkomen.
Uiteindelijk kan de kerkelijke weg doodlopen. Dat is heel erg triest. Nee, niet als het gaat over zaken, die niet zozeer van levensbelang zijn. Die zaken zijn er.
Maar het kan ook over diepingrijpende zaken gaan, die personen betreffen. Luther ging in zekere zin ook de kerkelijke weg van die dagen en we weten hoezeer hij overal vastliep en stuitte op onbegrip. Dan is er gelukkig naast de kerkelijke weg ook nog een geestelijke weg, een Goddelijke weg, die nooit vastloopt. Beide wegen vormen, het zij ten overvloede gezegd, geen tegenstelling. Het is ook wel het beste dat u die weg van meetaf bewandelt want dat geeft u onderweg moed en kracht, als uw zaak voortgang mag hebben. Hoe stonden Petrus en de apostelen niet moedig voor de Joodse raad en hoe heeft de Heere willen voorzien in hun noden. De Naam des Heeren alsmede Zijn zaak werden erdoor gediend.
Een ander droevig voorbeeld van de kerkelijke weg zien we in Kohlbrugge. Ik las pas nog een weergave van zijn onderhoud met de Hersteld Lutherse gemeente te Amsterdam. Volgens de verteller moet dat buitengewoon onheus toegegaan zijn. Hij kwam overal buiten te staan. Hij heeft vele jaren moeten leven als vergeten burger in Utrecht. Groot onrecht en smartelijk voor degene die het treft. Het is de weg van Johannes de Doper die viel onder het onrecht van Herodes. Het is de weg van Christus, Die door kerk en wereld onschuldig veroordeeld werd. Hoevelen hebben niet troost mogen ontlenen aan de weg van Christus, Die Hij gaan moest. Ze hebben gemeenschap mogen oefenen met een vernederde Christus in het geloof dat ze eenmaal zouden mogen delen in Zijn verhoging.
In de dagen van de Afscheiding ging het niet anders toe; kerkelijke wegen waren bijna altijd hobbelig en gevaarlijk. Trouwens, ik behoef niet terug te gaan naar het verleden; ook nu beleven we processen en wandelen velen op de kerkelijke weg, maar ook nu is ide weg voor velen bezaaid met mijnen en vallstrikken.
Ook nu gebeurt het onder ons dat het gaat over het levenslot van ambtsdragers. Hun gehele toekomst hangt ervan af. Allen die erbij betrokken zijn, voelen de pijn van de zaak aan. Benijd hen niet die over dergelijke zaken zich kerkelijk moeten uitspreken. Als de teerling geworpen is, en het leven zijn loop herneemt, kan het best gebeuren wat pas nog iemand tegen me zei over een dergelijke persoonlijke uitspraak: het was toch eigenlijk niet nodig geweest dat deze maatregel werd genomen.
Soms omdat de aanjagers van toen inmiddels met de noorderzon uit de gemeente vertrokken zijn.

Bewandelt u de kerkelijke weg? Dat behoort u wel te doen. We hebben als kerken en leden een roeping ten opzichte van elkaar. Ook dat is een aspect. U moet waarschuwen als er naar uw inzichten een verkeerde weg bewandeld wordt. Dat kan heilzaam zijn voor de toekomst van de kerk. We mogen ons daaraan niet onttrekken.
Maar uiteindelijk kan het zo gaan worden, dat u die weg bewandeld hebt, terwijl u niet gevorderd bent. Ja, wat blijft er dan anders over dan kerkelijke ongehoorzaamheid? Het zou kunnen gebeuren dat u die collecte dus niet meer kunt houden. De kerk of het deputaatschap zou er dan goed aan doen een alternatief project voor te stellen. Want u kunt u niet zonder meer onttrekken aan de roeping om uw gaven ten nutte van anderen gewillig en met vreugde aan te wenden. Gaat het werkelijk tegen uw geweten in, dan zal de kerk daarvoor begrip moeten hebben. Maar natuurlijk, ik hoor u al zeggen dat het lang niet altijd mogelijk is om een verantwoorde weg te vinden. De praktijk van kerkelijk freewheelen gaat schering en inslag worden, in alle hoeken van de kerk.
We concluderen dat eigenlijk het kerkverband onder druk staat. Niet zozeer bedoeld om een andere weg te zoeken of een andere kerk binnen te gaan. Daar is vooralsnog weinig heil van te verwachten. Maar ik bedoel te zeggen: het kerkverband voorziet niet (meer) in uw vragen en noden. Dat moet de kerk ter harte gaan. En dat gaat het, we zeggen het met spijt en met schuldgevoel, ook weer niet altijd. Als de plons van de zware steen in de vijver is gehoord, sluit zich het water en over enkele minuten kan niemand meer zien dat er iets gebeurd is. Er liggen zodoende heel wat stenen misschien wel op de bodem, die beter maar als een steen op de maag konden drukken. Dat is tot schuld van de kerk. Dat is nog makkelijk gezegd. Maar we moeten eigenlijk zeggen: dat strekt tot mijn en uw schuld.
De geestelijke weg, die geen tegenstelling behoeft te zijn met de kerkelijke weg, ligt gelukkig open, zoals we hierboven aangaven. Tot die geestelijke weg behoort ook de verootmoediging vanwege kerkelijke zaken die behandeld werden, maar die niet afgehandeld werden. Kerkelijke vergaderingen hebben het niet gemakkelijk. Pilatus is in dit opzicht een aangrijpende figuur op de lijdensweg van Christus. Hij kende meer hartzeer over het proces tegen de Heere Jezus dan de kerkelijk denkende hogepriester Kajafas. Hij heeft geworsteld met de zaak van deze Rechtvaardige. Hij heeft getracht buiten de zaak te blijven. Maar hij stond voor die buitengewone beslissing: voor of tegen Jezus. U kent de afloop. Maar u en ik staan ook voor die zaak. Hopelijk heeft een levend geloof u mogen leiden op de weg der zaligheid. Maar afgezien daarvan, u staat telkens weer in allerlei kerkelijke en maatschappelijke zaken voor diezelfde keus. Het gaat in alles om de zaak en de Naam van Christus. Dat maakt het leven in kerk en wereld ernstig. Want eenmaal geldt het: "In d’acht’bre Godsvergaderingen, staat God als Richter der gedingen; Hìj oordeelt over goed en kwaad in ’t midden van der goden raad”. En daar hebben we tenslotte allemaal mee te maken, nu en straks.
De toepassing: handel nooit tegen uw geweten in, ook niet als de kerk het anders beoordeelt. Laat u niet meenemen door de heersende overtuiging van iedereen. Dat geldt ook binnen de muren van onze eigen kerken. Laat u ook nietopzij door een verkeerd gebruik van de kerkelijke weg. Roep, ook al roept u in de woestijn. De Heere oordeelt over goed en kwaad. Hij kent het hart!


           
EVANGELISATIE         2006

Commissie-werk?
Bewogenheid met de ons omgevende wereld is een eerste vereiste en een heerlijke vrucht van het levende geloof. Daarom is het goed dat ook dit onderwerp in de schijnwerpers van de visitatie gesteld wordt. "Wat doet de gemeente aan evangelisatie?” Het gedicht is bekend van de rechterbuurman die vannacht is overleden, terwijl er geen woord tot zijn behoud werd gesproken.
Het is opvallend dat er in de kring van onze kerken betrekkelijk veel aandacht is voor de ons omringende wereld. Dat blijkt in de grote steden en de nieuwe wijken, waar de kerk present wil zijn. Juist dezer dagen meldde de krant dat er in het uitbreidingsgebied van de stad Utrecht (Leidse Rijn) vrijwel geen kerk te vinden is. Indertijd werd Almere ook genoemd als de stad van de toekomst, maar dan een stad zonder God. Het verschijnsel van ontkerkelijking blijft verder niet beperkt tot de steden; ieder dorp heeft er mee te maken.
Of er ook een evangelisatie-commissie is, zo wordt er doorgevraagd. Een goede vraag over een goede zaak? Niemand zal het ontkennen. Toch zit er een gevaar in zo’n commissie. U begrijpt de bedoeling van mijn opmerking. De gehele gemeente zou immers commissie moeten zijn, evangelisatie-commissie. Dan hadden we de kleine commissie niet nodig. Dus ligt er een roeping voor ieder gemeentelid. Zou ieder lid van uw gemeente per week twee mensen aanspreken inzake de eeuwige toekomst, dan zou daar al heel veel van kunnen uitgaan. Maar dat moet je wel kunnen en het gaat er dan ook al om dat we de juiste toon vinden. Het zou wel kunnen zijn dat een predikant, die ’s zondags twee preken houdt voor de gemeente, de dagen in de week maar moeilijk de zaak van God en Zijn dienst aan de orde kan stellen tegenover anderen. Dat geldt niet alleen van predikanten. Het heeft mede ook wel te maken met de geest van deze tijd. Het wordt nog geaccepteerd dat u privé gelooft in God, maar u moet de ander in zijn waarde laten. Spreek niet over het geloof in het publieke leven. Men mag de ander niets opdringen.
Ik kan me goed voorstellen dat het gesprek met de buitenwacht voor veel kerkmensen een hele opgave is. Je moet maar dagelijks omgeven worden door een groep collega’s die je maar een vreemde eend in de bijt vinden. Je moet over het WK toch wel kunnen meepraten en je mag je toch ook niet onttrekken aan een weekend vol vrijheden, dat van tijd tot tijd door de zaak wordt georganiseerd. Je moet sterk in je schoenen staan en vooral niet te lijden hebben onder een negatief zelfbeeld, dat in zo’n werksituatie alleen maar sterker wordt. Het kan anderzijds toch ook voorkomen, dat je, ondanks je kerkelijke achtergrond, geaccepteerd en gerespeceerd wordt. Dan maakt de Heere Zijn belofte waar dat het u in die ure gegeven zal worden wat u spreken zult.

persoonlijk
Ik zou er voor willen pleiten dat ieder levend lidmaat evangelisatie-minded is. Ieder zal toch iets gevoelen van de noodzaak om anderen te doen delen in het wonder van Gods genade. In mijn kinderjaren was er in Utrecht een veranderde vrouw, die met haar man juist woonde aan het einde van een buslijn. De chauffeurs hadden dan even gelegenheid hun brood op te eten of een kop koffie te drinken. Deze mevrouw Saarloos ving hen dan meermalen op en kwam in gesprek met de mannen. Zij heeft in ieder geval enkele huwelijken van buschauffeurs mogen redden. Als het jaarlijkse buurtfeest werd gehouden, werd haar woning uitgezonderd van de versieringen uit achting voor haar getuigenis. Dat is heel wat, vooral in een stad als Utrecht. Dit moet inmiddels ongeveer zestig jaar geleden zijn. Toen was de instelling van ons volk toch nog heel anders dan nu. Toen ik predikant in Utrecht was, hoorde ik eens van een gezin ook over een buurtfeest. Dat ging door tot ongeveer vier uur ’s nachts. Als dan de auto de volgende zondagmorgen werd gestart om naar de kerk te gaan, was er onbehagen bij de buurt, omdat ze daardoor gestoord werden in hun slaap. Dan is de situatie wel erg veranderd.
Nog even over Utrecht: er was in bepaalde jaren een bloeiende sociale dienst, waarbij mensen werden geholpen bijvoorbeeld bij het invullen van de belasting. Zulke diensten werden gewaardeerd en zorgde voor een sociaal gezicht van de gemeente. Men maakte er gretig gebruik van. Een bepaalde kerkstsamenkomst maakte een enkeling ook nog wel mee en er kwamen soms ook wel mensen in de kerkdiensten. De gemeente deed betrekkelijk veel aan evangelisatie, maar de resultaten bleven mager. In de stad gebeurt het meer dan op een dorp dat er vreemdelingen in de kerk komen. Er wonen in de grote steden veel mensen, die juist vanwege die stad hun opvoeding langzaam maar zeker kwijt raakten. Voor zulke afgedwaalden kon een gemeente soms een haven zijn, als men door de jaren heen toch weer zocht naar de wortels van de kerkelijke opvoeding. Maar u moet toch de problemen niet onderschatten, als mensen uit de wereld in de kerk komen en een tijdlang toenadering zoeken. Ik zou meerdere voorbeelden kunnen noemen van mensen die, eenmaal in de gemeente aangeland, later terugvielen in oude kwalen of bij wie bleek dat het echte probleemmensen waren, waar een gemeente niet deskundig mee om kan gaan. Drankverslaafden, psychiatrische patiënten…hoe kan een gemeente deze mensen op de juist manier opvangen? De kerk in de wereld: het blijft een moeilijk onderwerp. Dat kunnen we ook al lezen in de Bijbel. Denk aan de zeven gemeenten. Ook toen vervolging en verguizing. Sterken weerstanden in onze tijd; een persoonlijke inzet is noodzaak.

indirect
Maar de roeping ligt er en hoe leggen we dat nu aan? Het begrip "laagdrempelig” is in de mode geraakt. Niet alleen in Amsterdam, maar bijna overal worden in die sfeer diensten gehouden. Vooral laagdrempelig. U begrijpt inmiddels wat het inhoudt: geen hoogkerkelijke vormen, geen eigen stijl die de mensen afschrikt, geen apart kerkelijk woordgebruik, dat onbekend is, geen afwijkende snit inzake kleding en mode; nee, we worden opgewekt een tegemoetkomende houding aan te nemen tegenover de gasten uit de wereld.
Wij moeten onze grote twijfels echter hebben bij dergelijke aanraders. Letterlijk kan het in riviergebieden wel gebeuren dat men juist de drempels verhoogt om het wassende water buiten de deur te houden. Lage drempels zijn  lang niet altijd goed, integendeel; dat geldt echt ook in geestelijk opzicht.
Ik heb mijn ernstige twijfels als de kerk zich in allerlei bochten gaat wringen om de wereld te bereiken. Ds. Heerma moet eens gezegd hebben: als de wereld kerks wordt, wordt de kerk werelds. Sterke betrokkenheid op de wereld kan soms reeds een beïnvloeding door de wereld verraden.
Laat de kerk gewoon maar kerk zijn. Leef maar als kerk in deze wereld. Zonder halsbrekende toeren. Allereerst omdat we hebben te bewaren wat we hebben. De bede luidt: bewaar (!) en vermeerder Uw kerk. Heeft ook de Heere Jezus zo in het Hogepriesterlijke gebed niet gebeden voor de Zijnen? Meermalen spreekt ook Hij over de bewaring van de kerk in dat gebed (Joh.17:6,11,12). De Kerk ìs in haar wezen een stad op een berg, een licht op de kandelaar. Daar behoeft ze in zekere zin niets voor te doen. Het ligt in haar wezen opgesloten. Daar ligt ook de werving. Maar vergeet toch vooral niet dat onze eerste roeping is: blijven wie we zijn. Hoezeer waarschuwt de Heere alom tegen een van binnenuit voortvretend verval (Galaten, Hebreën, de zeven gemeenten). Er spreekt geestelijke gearriveerdheid uit als men meent er nu nog maar alleen voor de wereld te zijn als enige roeping. We hebben binnenshuis genoeg te stellen.
Breng juist drempels aan, tegen de invloeden vanuit de wereld, tegen de dwaalleer, tegen de vorst der duisternis en de geest der eeuw. Gaat uit het midden van haar, zegt Gods Woord.
Maar hoe dan met onze roeping naar de wereld toe? Deze komt juist dan het best tot haar recht. Als de kerk werkelijk Kèrk is, dan gaat er iets bijzonders van uit. Dan schijnt de kaars en verlicht ze allen die in het huis zijn. Dan zullen tien mannen uit de heidenen grijpen, ja de slip grijpen van een Joods man, zeggende: Wij zullen met u gaan want wij hebben gehoord dat God met ulieden is (Zach.8:23). Dan is de kerk een licht in de wereld, schijnend temidden van een krom en verdraaid geslacht (Filip.2:15). De kerk zal, als zij zichzelf zuiver en ongeschonden bewaart, indruk maken op de wereld. Ik doel op geestelijke zuiverheid, ook morele zuiverheid vanuit de wet Gods; ook zuiver in het isolement. Want vanuit het OT is het ook duidelijk dat Israel alleen moest wonen. Bileam zei het al. De grote verzoeking voor het volk was dat ze zich zouden vermengen met de heidenen. Deze moesten door Israel verdreven worden uit de bezitting. We lezen in Jozua 23:13: "Weet voorzeker, dat de HEERE, uw God, niet voortvaren zal deze volken van voor uw aangezicht te verdrijven; maar zij zullen ulieden zijn tot een strik, en tot een net, en tot een gesel aan uw zijden, en tot doornen in uw ogen, totdat gij omkomt van dit goede land, hetwelk u de HEERE, uw God, gegeven heeft”.
Zo gebeurt het ook nu dat christenen op de werkvloer worden bevraagd op hun gedrag. Ze doen dignen nìet en ze doen dingen wèl. De a.s. WK-rage kan een goede proef zijn. Maar zeker, dat is wel moeilijk en zwaar. Dat kan alleen als we de Heere mogen kennen en ook dan zijn er obstakels genoeg. Maar de Heere heeft het gezegd dat de poorten der hel Zijn gemeente niet zullen overweldigen. Hij heeft getuigt dat Hij, de Heere Jezus, met hen is tot aan de voleinding der wereld. Dat gedrag zal opvallen en aandacht trekken. Dan zal in vervulling gaan, waartoe Petrus reeds heeft opgeroepen, namelijk dat de kerk altijd bereid moet zijn tot verantwoording aan een iegelijk die haar rekenschap afeist van de hoop die in haar is (1 Petrus 3:15).
De wereld gaat dat vragen aan de kerk. Als de kerk haar identiteit reeds kwijt is, zal de wereld niet naar de kerk vragen, omdat ze dan niets meer over heeft. Dan wordt de kerk misschien wel als halfslachtig afgedankt door de wereld. Maar als de kerk iets van Christus toont, zoals gebeurde in Antiochië, dan zal de wereld hen christenen noemen en dat houdt meer in dan een naam. Als de kerk Zijn zalving deelachtig is, dan trekt zij aandacht, en de wereld zal vragen naar de kern van dat wonder. Dat lijkt me evangelisatie, indirecte evangelisatie.
Maar kunnen we dat wel, u en ik? Nee, de kaars, zo deze al brandt, walmt te vaak en de vlaswiek rookt slechts…. De vurige pijlen treffen doel en er lijkt soms niets meer te zien van de kerk als een mast op de top van een berg en een banier op een heuvel. Een nachthutje in de komkommerhof. Maar de Heere zal toch dezulken niet verbreken en uitdoven. Vrees niet, gij klein kuddeke, want het is Uws Vaders welbehagen ulieden het Koninkrijk te geven. Zie dan op Hem. De Geest van Pinksteren biedt uitkomst. Naar Zijn volheid mogen we uitzien. De vrouw uit Openbaringen heeft betekenis voor de gehele kosmos. En zo zingen we van de Filistijn, de Tyrier en de Moren, die binnen de Godsstad zijn voortgebracht.
           


OPENBARE BELIJDENIS  (1)        2006

In dit voorjaar zullen in veel gemeenten jongeren openbare belijdenis des geloofs afleggen. Het formulier voor de kerkvisitatie stelt daarover ook een vraag. Daarin worden vooral  de motieven genoemd die leiden tot het doen van belijdenis. De vraag is rustig gesteld. Het verband met het Heilig Avondmaal blijft hier ongenoemd. In dit artikel wil ik de kerkordelijke achtergrond met u bezien.

aarzelingen

In art. 61 van de Kerkorde, waar vanuit het Avondmaal gesproken wordt over de belijdenis des geloofs, vinden we meer over het karakter van de openbare belijdenis. Deze belijdenis vindt overigens plaats overeenkomstig de regeling van de plaatselijke kerk, zo staat er. Niet geheel duidelijk is wat hiermee bedoeld wordt. Ziet het ook op verschil van opvatting inzake belijdenis doen? Het laat zich vermoeden. Wel spreekt ook de Kerkorde duidelijk over belijdenis des gelóófs.
In een drietal later toegevoegde uitspraken wordt ingegaan op de tweeërlei opvatting, die in verschillende kerken en gemeenten bestaat over belijdenis des geloofs en belijdenis der waarheid. Dit laatste wordt in art. 61 sub 1 wel wat makkelijk aangeduid als het van buiten leren van enige waarheden. Misschien zouden we nu deze bepaling uit 1836 toch wat anders formuleren. Er zijn niet zoveel catechisanten meer die waarheden van buiten leren, laat staan teksten in hun gedachten inprenten. Wie catechiseert, weet dat dit van buiten leren al de grootst mogelijke moeite kost. Verder moet ik zeggen dat ik persoonlijk in mijn gang door de kerken zelden aspirant- belijdeniscatechisanten ben tegen gekomen, die zuiver alleen maar wat verstandelijke kennis verzamelden. In die zin komt belijdenis der waarheid, als zijnde louter een uitgesproken historisch geloof, onder ons vrijwel niet voor. In gemeenten waar men aarzelt over het verband tussen belijdenis en een levend geloof, heb ik veel mensen aangetroffen die met ernst de zaken trachtten te beleven. Ik denk zelfs dat in gemeenten die misschien neigen naar de opvatting van belijdenis des geloofs in de zin van belijdenis van het obiektieve geloof (fides quae), de verbondenheid met de kerk en het geloof doorgaans duidelijk blijkt, terwijl zeer hoogkerkelijke opvattingen niet persé mensen binden aan een trouw en volhardend leven.
Want de vraag laat zich niet onderdrukken hoe nu feitelijk het verband gezien moet worden tussen openbare belijdenis en het gaan aan het Avondmaal. Concreet: wat verstaan we onder "geloof” als het gaat over belijdenis des geloofs. Onze jonge mensen worstelen met deze vraag. Zij beseffen enerzijds de noodzaak van belijdenis doen en tegelijk spreken zij grote terughoudendheid uit inzake het persoonlijke geloof (fides qua) en de zekerheid daarvan. Velen zijn in verlegenheid over de mate waarin zij kennis van hun zonde en schuld bij zichzelf waarnemen. Ook wordt beseft dat de kennis van Christus een geschonken genade is, niet uit de mens af te leiden. Vanzelfsprekend is men ook voorzichtig als gevraagd wordt naar godvruchtige levenswandel in deze moeilijke tijden. Althans, deze jongeren zijn er gelukkig en het zijn niet de minste leden van de gemeente. Hoe gaan wij met hen om? Hoe spreken we met hen over de Avondmaalsgang? Trouwens, kunnen wij wel onderscheiden hoe deze dingen beleefd worden in het hart van de jeugd?
Hier geldt wat de Heere Jezus Zelf heeft geleerd inzake de twee zonen, die moesten arbeiden in de wijngaard. Op het bevel van de vader antwoordt de ene welgezind: "Ik ga, heer!” en hij ging niet. Er staat eigenlijk: "Ik (wel), heer”. Hij zei dat zo omdat zijn broer eerst had gezegd: "Ik wil niet”. Hier waaarschuwt de Zaligmaker ons Zelf voor een al te veel vetrouwen op menselijke gezindheid en goedbedoelde voornemens. Onze tijd mag daar best van leren. Voorheen werden allerlei voornemens niet direct geijkt als uitingen van geestelijk leven. Er staat immers van veel goede voornemens: "Van toen af gingen velen Zijner discipelen terug en wandelen niet meer met Hem” (Joh.6:66). Als jongeren eerlijk worstelen met de vraag naar de echtheid van hun geloof, moeten we hun verlegenheid serieus nemen en deze niet trachten weg te nemen met allerlei algemeenheden, zeker niet met een vorm van al te goedkope genade. Velen ook in onze tijd deden belijdenis van hun geloof, maar velen ook helaas stelden later teleur. Tot verdriet van de catecheet en de gemeente. Daarnaast zal geen belijdeniscatechisant zonder meer zeggen: Ik wil niet, maar deze herkent in eigen hart en leven wel de neiging daartoe. En dat geeft verlegenheid. Deze gelijkenis maakt ons heel voorzichtig, ook als we spreken over belijdenis doen.

leiding

De Synode van 1950 spreekt nogal nadrukkelijk over het onlosmakelijke verband tussen belijdenis doen van het geloof en belijdenis doen van de waarheid. "Zij (de Synode) dringt er bij de kerken ten ernstigste op aan dat beleefd worde het onlosmakelijk verband tussen het afleggen van belijdenis des geloofs en het gebruik der sacramenten” (art. 61 sub 3).
Deze woorden geven heel juist aan dat er naar het allerbeste gestreefd moet worden en dat we geen opening geven aan een kerkelijk fiat op een onbekeerd leven. Zouden we de zaken anders stellen dan zou dat gebeuren: dan geeft de kerk aan het ongeloof een kerkelijke en legitieme plaats.
Het zijn echter twee zaken als we spreken over de noodzaak van oprecht geloof èn over de veronderstelling van dat geloof. Men kan uit een zo geladen zin makkelijk besluiten tot een veronderstelling, dat het nu ook wel zo zal zijn. Zo ontstaat een Avondmaalspraktijk die zorgen baart, omdat er dan sprake is van het bekende automatisme. De noodzakelijkheid van oprecht geloof, uitgesproken door de Synode van 1950, nemen we over, maar niet de daaruit onbedoelde voortgekomen Avondmaalspraktijk in veel gemeenten.
De bepaling uit 1913 geeft toch iets meer inzake de praktijk van openbare geloofsbelijdenis: "De Synode spreekt uit dat op grond van Gods Woord en de belijdenisgeschriften van de kerk een levend geloof als eis van God bij het afleggen van geloofsbelijdenis gevorderd moet worden. Zij erkent nochtans dat de mens niet kan zien wat in het hart van de belijder voor God is, zodat de kerk niet meer van de belijder eist dan wat de mond belijdt, indien het leven zulks niet tegenspreekt” (art. 61 sub 2). De voorzichtige vraag mag wel gesteld worden of de bepaling sub 3 (1950, zie boven) na de uitspraak van 1913, wel strikt nodig was?
Het zal gebeurd zijn in onze kerken, dat de wettige eis geleid heeft tot een veronderstelling van wat geëist wordt. Terecht is wel opgemerkt dat de veronderstelde wedergeboorte onder ons wordt gemeden en hoe is daar in het verleden tegen gewaarschuwd, terwijl het verondersteld geloof naderhand is binnengehaald. Onze jeugd zal ermee gebaat zijn als we hen niet overvragen. Erkennen we tenvolle in eerlijke zelfkennis de realiteit van de geestelijke worstelingen en de grote verlegenheid  die veler deel is. Als deze worsteling er niet is (Ik ga, heer!), dan is dat zelfs een ernstig tekort.
De Synode van 1913 heeft duidelijk leiding gegeven temidden van de vele vragen die in het hart leven. Kerkeraden hebben de plicht om de catechisanten voor de eis van Godswege te stellen. Met minder kan het niet. Maar welke eis stellen we dan? De mate van het geloof kan verschillend onder woorden gebracht worden. Het is een teer werk om het geringste niet te beschadigen en tegelijk te wijzen op hetgeen er nog meer te verkrijgen is. Juist in de verlegenheid kan te meer het werk van de drieënige God worden voorgesteld zoals dat in de beloften van het evangelie naar voren komt. De eis te stellen betekent echter niet dat we jongeren op valse gronden het ware geloof aanpraten. Leg niemand haastig de handen op, zo klinkt het vermaan van de apostel Paulus.
Voor hen die zich herkennen in de persoonlijke vragen die zich hier voordoen, zou ik graag willen wijzen op de kamerling uit Hand. 8.
Op zijn vraag om gedoopt te worden stelt Filippus de nadrukkelijke eis: "Indien gij van ganser harte gelooft, zo is het geoorloofd”. Plaats de jeugd (of de oudere, want het gaat hier feitelijk om ieder) voor deze strikte eis en de vragen vermenigvuldigen zich. Hoe kan ik weten van ganser harte te geloven? Filippus echter stelt deze eis niet, maar het is het bevel van de Heere Zelf. In plaats hiervan mag geen belijdenis der waarheid erkend worden. Het eigen hart kan zo verdeeld lijken; daarom bidden we om een verenigd hart. Had Filippus niet beter kunnen zeggen: de begeerte is genoeg, of een klein beginsel is ook al waar; hij had ook kunnen vragen naar de kennis der waarheid. Maar nee, hij hangt de ruif heel hoog en hij stelt strikte en bijna onmogelijke eisen. Het is eerlijk om het zo te doen.
Het antwoord daarentegen sluit niet aan op de vraag. De kamerling spreekt in zijn antwoord niet zozeer over de echtheid van zijn geloof, maar wel over de echtheid van de Godheid van Christus. Dus geen antwoord: ik geloof het echt wel. Hij gaat niet tenvolle in op de vraag van Filippus. Hij werpt zich in zijn verlegenheid op de Heere Jezus. In Hem ligt alle echtheid en volkomenheid gegeven. Hoewel dan de kamerling niet strikt antwoordt, neemt Filippus dit antwoord wel over.
Heel mooi komt dit ook uit in het gesprek tussen de Heere Jezus en de vader van de maanzieke knaap. De man vraagt: "Zo Gij iets kunt….”. Daarop wijst de Heere deze man op zijn eigen geloof. "Zo gij kunt geloven, alle dingen zijn mogelijk degene die gelooft”. Er is ook een andere sprekende vertaling: "Wat betreft het –zo Gij iets kunt….-, alle dingen zijn mogelijk degene die gelooft (Mark. 9:23). De Heere stelt Zijn almacht buiten en boven elke discussie, maar hij stelt de man voor de noodzaak van het geloof in zijn hart. Dat persoonlijk geloof is onmisbaar. Zo zullen we het ook tegen de catechisanten mogen en moeten zeggen. Je kunt ervoor terugschrikken. Als het van jouw geloof moet afhangen, zeg je, dan is er geen hoop.
De man spreekt daarop de bekende woorden uit: "Ik geloof, kom mijn ongelovigheid te hulp”. Geen sluitend antwoord op de gestelde vraag. De man erkent dat hij de toonhoogte van de vraag van Christus niet bereikt.
Toch, en dat is hier een groot wonder, de Heere aanvaardt dit antwoord. De Heere erkent zijn verdeelde hart tòch als worstelend om en met het ware geloof. De Heere legt het accent niet op het ongeloof, maar hij heeft gehoord van het ware geloof, hoe bestreden ook. Is het zo ook bij ons? In dat licht kunnen we belijdenis doen. Er wordt een eerlijk antwoord gevraagd. Je kunt niet antwoorden op de belijdenisvragen in de kerk: Ja, maar… Alleen het jawoord (ik geloof) is wettig. Het ongeloof, hoe sterk ook, heerst niet over het geloof, maar het omgekeerde is het geval. "Zo ik niet had geloofd….”. Zo was het bij die vader, hoe is het bij ons?

           

OPENBARE BELIJDENIS (2)

De vorige maal heb ik in een eerste artikel geschreven over het doen van geloofsbelijdenis in het licht van de Kerkorde. Ik wil nu nog enkele accenten aanbrengen op de geloofsbelijdenis in het algemeen en het karakter ervan.
Er bestaan binnen de Gereformeerde Gezindte twee opvattingen over het belijdenis doen. Men spreekt over belijdenis der waarheid en daarnaast van belijdenis des geloofs. Ik heb als mijn indruk weergegeven dat belijdenis der waarheid zonder meer in die vorm onder ons in onze kerken niet of nauwelijks voorkomt. Belijdenis doen van de waarheid wordt verklaard vanuit een historisch geloof. Men verklaart in te stemmen met de waarheid van Gods Woord; men verklaart Gods Woord voor de waarheid te houden. Het persoonlijke geloof blijft daarbij buiten beeld. Er wordt geen uitspraak gedaan over het hart van de belijder.
Motieven voor deze visie zullen zijn dat niet ieder kerklid zo maar kan zeggen dat hij het zaligmakend geloof bezit. Men kan dat als kerk niet eisen. Deze eis komt alleen God toe. Verder gaat men hierbij uit van de realiteit van het historisch geloof. Men beschouwt de kerk feitelijk ook als een vereniging, waarvan men door vrije keuze lid kan worden.
Wij menen echter dat de kerk mag eisen, wat de Heere eist. Ja, de kerk moet dat zelfs verlangen. Het bevel van bekering en geloof vinden we zowel in Gods Woord (Mark.1:15) alsook in de Belijdenis (DL. II,5). Maar mag de kerk het vorderen op een bepaalde leeftijd, bijvoorbeeld in de jeugd? De kerk moet het zelfs ten alllen tijde in het heden vragen van de hoorders. Juist het nalaten van de eis is niet zonder gevaar; men ontkent daardoor de schuld van het ongeloof. Maar let wel: de eis tot geloof is niet hetzelfde als de veronderstelling van het geloof. In de Gereformeerde kerken gebeurde dat in sterke mate. Daarvan moeten wij ons wel onderscheiden. Wij mogen wel ieder houden aan zijn belijdenis en we spreken daar de belijdende leden op aan, maar we verklaren niet en we gaan er ook niet van uit dat een afgelegde belijdenis nu ook zonder meer een bewijs is van genade. Veel belijders zijn later teruggevallen in de wereld en de zonde (Matth.7:21-23).
En hoe staat het dan met het historisch geloof? We kennen allen deze aanduiding. De Schriftgeleer-den kenden de inhoud van de Bijbel, toen ze Bethlehem aanwezen als de plaats van Jezus’ geboorte; men kan dit natuurlijk geen geloof in de eigenlijke zin noemen. Wel geloven de duivelen ook, sidderend, maar voor hen bestaat geen vergeving. Hun geloof is geen geloof. Geloof zonder genade en zonder de bediening van de Heilige Geest, kan geen volwaardig geloof genoemd worden. Het zou goed zijn de historisch gelovigen ervan te overtuigen, dat zij geen echt geloof hechten aan de Schrift.
Paulus verbindt inzake het geloof hart en mond: "Indien gij met uw mond zult belijden de Heere Jezus en met uw hart zult geloven dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, zo zult gij zalig worden” (Rom.10:9).

De belijdenis des geloofs vinden we reeds terug in Gods Woord. De kamerling sprak zijn geloofsbelijdenis uit en werd daarna gedoopt. Toen de kinderdoop ingang vond, kwam de betekenis van de geloofsbelijdenis op. Men werd daardoor bewust lid van de gemeente. Men verkreeg daardoor ook toegang tot het Heilig Avondmaal.
Veel belijdeniscatechisanten onder ons zullen worstelen met de vragen rond het Avondmaal. Dit geldt van de een meer als van de ander. Hoe leggen we dit verband? Het is inderdaad zo, dat onze vaderen een nauw verband legden tussen belijdenis en Avondmaal.
Toen echter de kerk al meer volkskerk werd, hetgeen reeds gebeurde in de loop van de zestiende eeuw, werd het moeilijker voor de kerk om het zuiver karakter van geloofsbelijdenis en Avondmaal te handhaven, zo merkt Bouwman op. Er ontstond strijd en verschil van gevoelen over deze vragen. Er waren er die stelden dat een onergerlijk leven, alhoewel zonder genade, geen belemmering was voor het deelnemen aan het H. Avondmaal. Men bestreed hiermee de Labadie, die op zijn wijze de wedergeboorte sterk accentueerde als voorwaarde voor het Heilig Avondmaal. Hij stelde dus dat geloof en wedergeboorte zeer kennelijk en duidelijk moesten openbaar worden bij de Avondmaal-gangers. En juist daartegenover kwam, ook weer volgens H. Bouwman, de mening op, dat uiterlijke instemming met de belijdenis reeds genoeg was om toegang te hebben tot het Avondmaal.
In het voetspoor van de Labadie vroeg men soms aan hen die belijdenis wilden doen, een duidelijk verslag van hun bekering. Voetius wees deze eis in haar gestrengheid af, omdat iemands verleden soms wel veel reden tot schaamte gaf en ook omdat zo’n verhaal van de bekering nog geen bewijs is van de echtheid van het geloof.
We zien dan dat er in de geschiedenis der kerk spanningen geleefd hebben. Er was een de Labadie, die zeer minutieus en onderzoekend het hart als het ware op tafel wilde hebben en daarnaast waren er anderen, die iedere belijder aan het Avondmaal wilden zien.
Hoe moeten we hierover oordelen? Laten we ons houden aan de Catechismus, die het bekende antwoord geeft betreffende de toelating tot het Avondmaal. Daar wordt een levend geloof gevraagd. U zult begrijpen waar de schoen wringt. Een schuchter mensenkind durft zich deze vereisten niet toe te rekenen. Om de nauwe band tussen belijdenis en Avondmaal vast te houden, zijn er in het Noorden gemeenten (geweest), die de wacht betrokken bij de openbare belijdenis. Deze vond niet plaats als afsluiting van de catechisatie, maar men kwam ertoe, wanneer men kennelijk in de ruimte van het geloof was gesteld. Wie hierover leest, komt onder de indruk van de schoonheid van dergelijke krachtige persoonlijke getuigenissen. Soms deden hoogbejaarden nog belijdenis. Het was aan geen leeftijd gebonden. Dit gebruik had ongetwijfeld rijkdom en kracht in zich. Maar er zijn ook wel bezwaren tegen in te brengen. Vanouds werd in het verleden de belijdenis altijd gezien als een afsluiting van de catechisatie. En hoe moest het dan als doopleden of ongedoopten kinderen kregen? Konden hun kinderen gedoopt worden? Dat gebeurt wel als het gaat over doopleden, die hun kinderen willen laten dopen. Ongedoopten konden hun kinderen niet zonder meer laten dopen. Waren dit dan nog wel kinderen des verbonds?
Buiten het Noorden werd in onze kerken de eis gesteld dat men belijdenis moest hebben afgelegd, aleer men de kinderen wilde laten dopen. Dat is toch wel een terechte voorwaarde. Zo wordt gebouwd aan een geordend kerkelijk leven. Zo wordt de jeugd geleerd zonder uitstel de eis van het bekering en geloof onder de ogen te zien. Maar het brengt de aspirant-belijders wel in een onmogelijk, inderdaad een onmogelijk parket. Men moet belijdenis des geloofs aflegggen en men kan het niet, men wil het niet. Ik denk dat op deze manier de belijdenis der waarheid hier en daar haar kansen heeft gekregen. Is er geen waar en zeker geloof, dan vragen we maar een uiterlijke belijdenis. En in dat geval wordt de weg naar het Avondmaal langer en moeilijker en moet eigenlijk de wacht betrokken gaan worden bij de Avondmaalstafel.

Ik heb zelf heel verschillende Avondmaalspraktijken in mijn vorige gemeenten meegemaakt; en dan heb ik persoonlijk het meest vrede met de gedachte dat er geen automatische band gelegd wordt tussen belijdenis en Avondmaal. Geen logische constructie, noch aan de ene kant, noch aan de andere kant. Allereerst vanuit de gedachte dat later veel belijders blijken buiten het geloof te staan. Velen gingen terug, zoals ook de Heere Jezus moest meemaken. In een gemeente met een zeker volkskerk-karakter kan dit verval bij een zeer hoog percentage achteraf toeslaan. Dat make ons temeer voorzichtig om de indruk te wekken dat jonge belijders allen ware gelovigen zijn. Als we eerlijk zijn, moeten we erkennen dat deze praktijk binnen onze kerken wel leeft. Belijder, Avondmaalganger, hemelganger. We zijn niet Rooms, waar men gelooft dat uitwendige handelingen genade bewerken, zoals de deelname aan de mis. Het is dan ook niet vanuit de geschiedenis hard te maken dat bij de geloofsbelijdenis de belofte bindnend wordt gevraagd om deel te nemen aan het Avondmaal. Dat gebeurt wel in gevallen van de volwassendoop en ook dan kan het een zeer zware eis zijn.
Maar ook in die gevallen waarin we met blijdschap mogen vernemen van belijdeniscatechisanten, dat zij een oprechte begeerte uitspreken naar de kennis van de Heere Jezus en dat zij de kenmerken van een oprechte keuze vertonen, is er tijd en voortgang nodig om de weg naar het Avondmaal te kunnen gaan.
Jonge mensen kunnen een vast voornemen uitspreken, om de Heere te dienen, zodat de onberouwelijke keus in hun leven in principe is gedaan. Maar dat gaat nog lang niet altijd samen met een onderscheiden kennis aangaande het lichaam des Heeren. Het is niet te ontkennen dat er een hecht verband bestaat tussen belijdenis en Avondmaal. Maar in de voortgang van het geestelijk leven kan het nog ruim tijd vragen aleer men enigermate verstaat de volheid die er is in Christus Jezus. Zijn Persoon kan nog zo verborgen zijn. Paulus wist ervan dat het de Heere had behaagd Zijn Zoon in hem te openbaren. Daarom kan het niet goed zijn om jonge mensen te drijven naar het Avondmaal. Drijf hen wel tot Christus, en als dat vrucht heeft mogen hebben, dan ontsluit zich als vanzelf de weg naar de tafel des Heeren.
Vanuit de liefde van Christus mogen we trachten als voorganger en gemeente onze jongeren jaloers te maken op de rijkdom die er bij de Heere is. Deze rijkdom mag, als het goed is, afstralen van het Avondmaal. Maar het gebeurt helaas lang niet altijd, al zou het zo moeten zijn. Als de gemeente de liefde van Christus vertoont, zal dat doorwerken naar de jeugd. Dan mogen we onze jongeren opwekken om in de Avondmaalsgang opnieuw belijdenis te doen van het geloof in Christus. Maar dat kan alleen de Heilige Geest bewerken. Iedere prediker zal me toestemmen dat het lokken van de lammeren op afstand soms maar weinig resultaat lijkt te hebben, terwijl allerlei ontdekkende en afmanende signalen juist hen treffen, voor wie deze niet bestemd zijn.
We mogen geen pleit voeren voor een rust buiten Christus en buiten het Avondmaal. Wie iets van Hem kent, zal begeren Hem daar te ontmoeten. Maar laat het zijn op Gods tijd en spontaan vanuit het persoonlijke geloof, dat gewerkt is door Gods Geest. "Hij zal leiden het zacht gemoed, in het effen recht des Heeren”. Ons gebed mag zijn: "Trek ons, wij zullen u nalopen”. Die hernieuwde belijdenis hebben wij allemaal nodig.
En hiermee heb ik tegelijk getracht aan te geven dat de vragen van Voetius juist en goed afgestemd zijn op de praktijk van het kerkelijke en geestelijke leven.
          


KERKVISITATIE         2006

Zo noemen we de dienst van de classis aan haar lidkerken, waarin de classis opzicht uitoefent en raad geeft in voorkomende gevallen.
Art. 44 van onze Kerkorde stelt hiertoe de verplichting. Jaarlijks zullen twee broeders, meestal predikanten, enkele gemeenten bezoeken. U kunt het ieder jaar horen afkondigen vanaf de kansel dat op een bepaalde datum de classis de kerkenraad zal visiteren. Bent u lid van de kerken, dan hebt u eventueel gelegenheid om de betreffende vergadering te bezoeken, indien u een dringende zaak daartoe hebt. Op deze wijze oefent de classis, in feite dus het kerkverband, toezicht uit op de participerende gemeenten.
Het is van belang dat dit gebeurt. Het is tegelijk ook belangrijk, dat u als lid weet wat dit betekent.
Er is een lijst met heel veel vragen opgesteld, waarin de broeders van de classis informeren naar de stand van zaken in een gemeente. Het gehele gemeentelijke leven komt aan de orde. Niet alleen de kerkelijke organisatie, maar vooral ook de geestelijke aspecten van het gemeenteleven. Het lijkt me om die reden goed, dat ik in de komende maanden u meeneem naar enkele zeer wezenlijke vragen, die bij gelegenheid van de visitatie gesteld worden.

Klein Azië

Ik wil eerst iets schrijven over de visitatie zelf. Gods Woord geeft aanleiding om als kerken gestalte te geven aan het onderlinge meeleven. Vooral de pastorale brieven, geschreven door Paulus aan Timotheus en Titus bevatten heel veel ambtelijke regels en aanraders voor de gemeenten van die tijd. Maar vooral de brieven vanuit de hemel, door Christus Zèlf geschreven aan de zeven gemeenten van Klein Azië, bevatten scherpe diagnoses en vriendelijke raadgevingen aan het adres van de gemeenten. In deze brieven zouden we modellen kunnen aantreffen voor een kerkvisitatie. Om welke zaken gaat het? Hoe is niet alleen een classis, maar vooral de Koning der Kerk betrokken bij de gemeenten? In deze brieven vinden we een duidelijke beschrijving van de strijd die een gemeente te voeren heeft, maar ook komen daarna aan de orde vermaningen en vertroostingen, alsook beloften en bedreigingen.
Er blijkt dan een groot verschil te zijn tussen het opzicht van Christus over Zijn gemeenten enerzijds en het meeleven van een classis anderzijds.
De Heere Jezus kent tenvolle de situatie in Zijn Kerk en Hij spreekt ook met het hoogste gezag. Ons visiteren komt niet verder dan Bijbels vermaan en geestelijke bijstand, waarbij de stellige toon uit Openbaringen grotendeels ontbreekt. Ons spreken is slechts een afgeleid spreken, ook al kan het van grote betekenis zijn.
Ik heb vaak de behoefte gevoeld bij mijzelf aan een brief vanuit de hemel, geschreven aan de gemeente waartoe ik behoor. Natuurlijk besef ik dat dat op die manier niet gebeuren zal en gebeuren kan. Maar ik vermoed dat elke dienaar des Woords er zeer mee gebaat zou zijn als hij eens precies wist hoe de geestelijke stand van zaken in zijn gemeente is. We zullen als ambtsdragers worstelen met de vraag hoe de Heere onze gemeente en dus ook onze arbeid, beoordeelt.
In breder verband geldt dat ook. Hoe is de werkelijke beoordeling van de toestand in de wereld of in ons land? Hoe denkt de hemel over onze kerken in het meervoud?
Hebt u als lezer van ons blad en tevens als lid van een plaatselijke gemeente er enig vermoeden van hoe de Heere uw gemeente beoordeelt? Dat oordeel ligt er en het is bij God bekend. Het onderzoekrapport over uw en mijn gemeente bestaat in volle realiteit. Als het goed is, zullen ook wij, leden van een gemeente, de belangen van die gemeente dragen op ons hart.
Het is daarbij nogal een verschil of mijn gemeente Laodicea is of Smyrna gelijkt. De prediking krijgt daardoor een geheel ander karakter. De hoofdzaak is wel gelijk, maar de accenten liggen dan wel heel anders. En de prediking is toch concreet gericht op de situatie in die en die bepaalde gemeente.

Kerk

Je hoort vaak zeggen: Het is overal wat; hier vind je wat en daar laat je wat. Er ligt een stukje waarheid in die benadering. We scheren dan alle gemeenten wel over één kam. We zijn allemaal van dezelfde lap gescheurd.
Misschien hebben de mensen in Klein Azië ook wel een soortgelijk generaliserend oordeel over hun gemeenten gehad. Maar op die manier blijven de zaken wel erg onduidelijk. De preken zouden op die manier wel eens te hoog kunnen blijven zweven. Ze worden niet concreet en persoonlijk toegepast.
Aan dat persoonlijk toegespitste spreken bestaat onder ons wel behoefte. Ook Gods Woord geeft daar sterke aanleiding toe. Ezechiël spreekt van het zwakke, het kranke, het verlorene, het gebrokene, het weggedrevene en het sterke en vette. Het zou leerzaam zijn over deze categorieën eens na te denken. Paulus spreekt tegenover de Thessalonicenzen over de ongeregelden, de kleinmoedigen en de zwakken. Er is dus tussen de leden van een gemeente een groot onderscheid. Dat onderscheid behoort dan ook uit te komen in de prediking.
Zo is er echter ook een groot onderscheid tussen de gemeenten in onze tijd. Er zijn gemeenten in deze dagen en in onze eigen kring bekend, waarvoor vele dienaren des Woords wel een zekere zwak hadden. Dit vanuit de ervaring die we op de kansel hebben over de betrokkenheid van een gemeente en het luistergedrag. Daartegenover waren of zijn er ook wel andere plaatsen, die niet zo’n beste naam hebben, al zou ik van de laatste soort geen directe voorbeelden weten.

kerken

De vraag is van belang: Hoe zou de grote Kervisitator denken over mìjn gemeente?
Een deel van mijn lezers zal misschien spelen met de gedachte dat zijn of haar gemeente een Laodicea-gemeente is. We zullen in deze dagen allen wel zekere trekken herkennen uit die gemeente. Er lopen lijnen vanuit Laodicea naar onze tijd.
Dit heeft te maken met het algemeen karakter van onze tijd. Er bestaat een uitleg die ervan uitgaat dat elke gemeente van die zeven een periode uit de kerkgeschiedenis voorstelt. Wij zouden dan leven in het Laodicea-tijdperk. We propageren deze opvatting zeker niet, want daardoor gaat het specifiek eigene weer grotendeels verloren.
Er ligt echter wel een kern in. Maar tegelijkertijd zou het ook kunnen dat wij de geest van de gemeente van Efeze uitademen. Bedenken we dan echter wel dat deze hemelse visie een heel ander karakter heeft dan een vriendelijk gesprek tijdens een visitatie onder ons. Wat zou het diep ernstig zijn, als uw of mijn gemeente de trekken vertoont van Laodicea? In dat geval staat het oordeel voor de deur. Of er zou nog bekering kunnen ontstaan, maar deze komt juist tot stand op een diep ontdekkende en een werkelijk hartverscheurende inventarisatie van de geestelijke balans. Stellen we de diagnose niet echt eerlijk, dan schieten de preken hun doel voorbij. Heel veel preken bevatten slechts algemeenheden. Dat was niet het geval met de preek die Edwards hield in zijn gemeente, een preek, die de aanleiding was voor een grote opwekking.
Ik geef maar een voorbeeld. De gedachte is algemeen en veel voorkomend, dat altijd en overal de beloften van het volle evangelie gepreekt moeten worden. Maar de brief aan Laodicea geeft een heel andere "preekschets” ten beste. Daarin gaat het dan toch vooral om het diep ernstige oordeel over het verval in Laodicea. In Laodicea zou een enigermate eenzijdige belofteprediking een slag in de lucht zijn. Zo zou het kunnen zijn met veel preken uit onze tijd. Omgekeerd zou het ook zo kunnen zijn, dat er in Smyrna, een van de betere gemeenten, stenen voor brood zouden geboden worden, als men slechts het oordeel zou voorstellen.
Dan is er nog iets. Het welzijn van die zeven gemeenten werd vooral op het adres en het hart van de voorganger der gemeente gebonden. Denk ook daar niet gering over. Zij worden in ieder geval persoonlijk verantwoordelijk gehouden voor de eerlijke verwerking van hetgeen de verhoogde Zaligmaker aan Zijn Kerk schrijft. Als ik dat bedenk, is het echt niet zo makkelijk om afscheid van een gemeente te nemen.
Kom, denk eens biddend na over de vraag hoe uw gemeente er in het licht van Gods Woord, voorstaat. Wacht u voor een te snel oordeel. Maar blijf ook niet steken in algemeenheden. Dit geldt voor ambtsdragers en ook voor gemeenteleden, die een welgevallen hebben aan Sions stenen.

           

DE LES DER GESCHIEDENIS        2006

Nu wij eraan denken dat "Bewaar het Pand” veertig jaar bestaat, bepaalt dit feit ons zowel bij de dagen van toen alsook bij de tegenwoordige tijd. Hoe zijn de ontwikkelingen geweest? Is er veel veranderd? Deze vragen willen wij in deze toespraak onder de aandacht brengen.


 


Kansel van de kerk in Ulrum, waar de Afscheiding begonnen is.

 


Ik doe dat vanuit een woord uit Hebreen 10:32; daar lezen we: "doch gedenkt der vorige dagen”.
De schrijver herinnert de gemeente eraan dat zij in het verleden veel goeds hebben ontvangen, terwijl dat nu in het heden anders is.

 

Wat we zijn

Het zal u bekend zijn, dat de gemeente der Hebreën bloot stond aan verval. Op meerdere plaatsen in de brief komt dat naar voren. Ons teksthoofdstuk is er een duidelijk voorbeeld van. Daarom de herinnering aan de betere dagen van weleer. We zullen zien dat er parallelen lopen met onze tijd. We zien dus eerst wat we zijn, vanuit de situatie van deze gemeente. Daartoe trekt ons hoofdstuk vooral vier lijnen. Deze vinden we in de verzen 22-25. Er staat tot viermaal: "Laat ons….” Viermaal een aansporing en dat was helaas nodig.
De eerste: ”Laat ons toegaan met een waarachtig hart….”(vers 22). Het gehele verval in deze gemeente begon met innerlijk verval. Het geloofsleven stond op een laag peil. De gemeenschap met God in Christus werd minder of helemaal niet beleefd. Er moest weer hernieuwd contact komen met God. Het tweede: "Laat ons de onwankelbare belijdenis der hoop vasthouden….” (vers 23). Vanuit het gemis aan persoonlijke doorleving was er ook een verzaken van de rechte leer, de belijdenis. En dat leidde weer tot een verflauwing van de onderlinge gemeenschap: "Laat ons op elkander acht hebben tot opscherping der liefde…” (vers 24). Een ander gevolg bleek in de onderlinge bijeenkomsten: "Laat ons onze onderlinge bijeenkomsten niet nalaten…” (vers 25).
We zien deze lijn lopen, ook in onze dagen. Het proces van verachtering begint niet met slecht bezet-te diensten, nee, er is een aanleiding, een reden daarvan te noemen. Er is ìnnerlijk wat veranderd. De persoonlijke ontmoeting met de Heere staat onder druk. Legt u uw oor te luisteren, dan hoort u dat in de worsteling van kinderen Gods. Er is een zekere matheid, een geestelijke schemer. Daar begint het mee. Ongetwijfeld ook in onze tijd. Dat maakt de zaak ook des te ernstiger. Als dit Gods kind overkomt, hoe zal het dan de gemeente in haar breedte vergaan? En als er soms anderzijds hoog opgegeven wordt van geloofsbezit, dan moeten we ons afvragen of dat voortkomt uit een waarachtig hàrt. Is het een hartezaak? Bij ons en om ons heen?
Van hieruit een volgend symptoom,  bestaande in een verslapping van het belijden. Men had toen nog geen Nederlandse Geloofsbelijdenis, natuurlijk niet. Maar er bestond wel een persoonlijke belijdenis en dat was een gemeenschappelijk goed, waar de gemeente kracht uit kon putten. En blijkbaar werd deze basis verlaten. Er zijn altijd wel argumenten voor. De belijdenis knelt te veel of verduistert het Woord, de Bijbel. Hier wordt deze belijdenis echter positief gewaardeerd als de belijdenis der hóóp. Wostelen ook wij al niet langer met een onder kritiek stellen van de belijdenis, ook binnen onze kerken?
Dan volgt de onderlinge gemeenschap. Opscherping der liefde. Daarin hoort u het woord scherp. Ijzer scherpt men met ijzer, zegt de Spreukendichter. Maar dan tegelijk gesmeed op het aanbeeld der liefde. Zo mag dat zijn bij een levend geloof. Verzwakt het geloof, dan gaan onderlinge tegenstellin-gen spelen en we gaan er dan ook niet scherp en eerlijk mee om, terwijl helaas de liefde daarbij ontbreekt.  Hier worden we allen aangesproken. Er ontstaat gekrakeel in de kerk; meningsverschillen vullen de agenda. Kerkelijke vergaderingen moeten allerlei knopen ontwarren en conflicten oplossen. Waarover zijn we het al nìet eens: de liturgie, de preek, de positie van de vrouw, enz. enz. Hoeveel gemeenten hebben eronder te lijden. Predikanten worden tegen de muur gezet omdat ze hierin ook een mening hebben.
Tenslotte het kerkbezoek. Slechte opkomsten worden onder ons al lang niet meer gezien als tekenen van verval. Twee diensten op zondag worden ervaren als een teveel van het goede. Bedenk dan ook dat de preek reeds lang ingekort is en een vluchtig karakter krijgt. Sommigen of velen hebben die gewoonte, zo staat er. O, dus ook daarin speelt de macht der gewoonte. Voor kerkgang uit gewoonte zijn velen bang. Het speelt omgekeerd echter ook! Contraproductief. Er moet tussen haakjes ook opgemerkt worden dat de toogdagen van onze stichting in mindere mate onze aandacht en die van vele anderen hebben; ook die onderlinge bijeenkomsten hebben te lijden. Een breed verschijnsel dus.
We zien hier de treden van de ladder, die naar de afgrond leidt. Zeker, de afgrond. Daar hangt alles van af. Wie zondigt tegen de wet van Mozes, sterft "zonder barmhartigheid”. Een vreselijk einde.
Maar er zijn nog ernstiger zaken. Er is zonde en zonde, want er wordt gesproken van willens zondi-gen, bewust, tegen beter weten in. Daarvoor is geen slachtoffer en geen belofte meer. Er is geen "tweede” Christus, Die redt als u de Eerste hebt verworpen.
Men kan de Zoon van God vertreden en het bloed van het testament onrein achten; de Geest smaadheid aandoen (vers 29). Het zijn huiveringwekkende woorden.

Wat we waren

Niet alleen wat we zijn, ook wat we waren komt hier aan de orde. Wie waren we? Gedenkt der vorige dagen…. Wat was er tòen?


 


Historische stenen, maar het blijven stenen. Er wordt daar nu een andere leer gebracht dan in de dagen van de Afscheiding.

Hoe is dat nu, onder ons, in  de kerken der Afscheiding?


Leest u het maar na in de verzen 32 tot en met 35. Ik noem enkele trefwoorden, die het verleden glans gaven: verlichting, strijd, lijden, gemeenschap, blijdschap, hemelverlangen….. Verlichting wijst op een innerlijke beleving van het deel aan Christus, Die toch het Licht der wereld is; het wijst op de Heilige Geest, Die verlichte ogen van het verstand geeft. Wij hebben Gods kinderen gekend en gezien, die licht uitstraalden. Vanwege het licht dat van Zijn aangezicht straalde. De Kerk is een lichtend licht en een zoutend zout. "Nadat gij verlicht zijt geweest…” Daar begon al het goede mee. Het kwam van God.
Verlichting brengt strijd met zich mee, de goede strijd des geloofs. Strijd vanwege allerlei lijden. Lijden is moeilijk, maar het verheft het geloofsleven meestal wel tot een hoger niveau. Dan mag ondervonden worden dat de Heere voor de Zijnen strijdt en de vijanden tenietdoet.
Dan ook gemeenchap. Juist datgene wat nu ontbreekt in de gemeente. Onderlinge verbondenheid in de kring van Gods kinderen. Ze hebben zoveel gemeenschappelijk. Zonder te idealiseren mogen we zeggen dat onderlinge gesprekken en gezamenlijke bijenkomsten soms mochten getuigen van de tegenwoordigheid van de Heere.
En dan ook blijdschap, als een echte vrucht van het geloof. Blijdschap, terwijl men beroofd werd van bezit. Dat kan de wereld niet geven, maar de Heere gaf het hen. Zij konden gemakkelijk het hoofd beiden aan de verdrukkingen, die hen overkwamen.
Er was ook een uitziend verlangen naar de hemel. Een blijvend goed in de hemel stond in het vooruitzicht. In al deze woorden zien we een krachtige beleving van Gods genadige gunst.
De schrijver van deze brief vindt het nodig de gemeente te herinneren aan haar geschiedenis. Zo was het toen. Hoe is het nu? Er is een les der geschiedenis. Hier gaat het dan om, de geschiedenis van de gemeente, maar in het geheel van de brief komt ook de grote Kerkgeschiedenis aan de orde, namelijk in de weergave van de woestijnreis, van de aartsvaders, van Moze sen Aäron en vele anderen. Heilsgeschiedenis en kerkgeschiedenis, als toetsstenen van leven.

 

Wat we hebben

U vraagt uzelf misschien af: Hebben we nog iets? Juist dit hoofdstuk ontdekt me eraan wat ik niet heb: een waarachtig hart, volle verzekerdheid des geloofs, gereinigde harten (vers 22). Zeker, het is een groot gemis. Veel hebben we niet (meer).


 


Deze kerk valt overigens op door een bijzonder kenmerk, het tongewelf bestaat uit gemetselde stenen. 

 


Maar toch, wat hebben we nog wel? Er worden hier (in vers 19 en 21) twee lijnen getrokken. We hebben nog vrijmoedigheid, we hebben vooral ook een grote Priester over het huis Gods. Begin vooral met het laatste. Deze grote Priester heeft gezorgd voor een verse en levende weg, die Hij heeft ingewijd door het scheuren van het voorhangsel. Ook in deze tijd mag daar nog van gesproken worden. We hebben het kortgelden nog weer duidelijk mogen horen. De Heere leeft nog en Hij houdt Zijn kerk in stand. Hij wandelt tussen de gouden kandelaren. Hij gaf een verse en levende weg, de weg tot God staat nog open. In Christus ligt alles wat wij in onszelf missen. Zijn opwekking kan de aanleiding zijn tot een kerkelijke opwekking. In Zijn sterven ligt de garantie van het volle heil en is de weg gebaand, ook voor de kerk van nu.
Maar is het wel zo dat we Hem hèbben? Hoe heb ik Hem, vraagt u? In ieder geval staat het hier; ook al hebben de vertalers de woorden "wij hebben” erbij gevoegd vanuit verd 19. Hebben wij Hem zaligmakend? Dat kan niet gesteld worden van ieder van ons wellicht; zo kan het niet vanaf de kansel gepreekt worden. Alleen Gods kinderen hebben Hem werkelijk als hun Zaligmaker. Toch geldt het wel van ieder van ons dat we Hem hebben, in een bepaald opzicht. Het doopformulier zegt ook dat we iets hebben in Christus, terwijl het ons nog moet worden toegeëigend. U hebt een huisarts. Hebt u hem vaak nodig? Misschien weet u nauwelijks waar hij woont en wie hij is. Maar u hebt hem wel. Zo ligt het ook hier. Hij is er voor u, u hebt Hem in die zin toegewezen gekregen. Maar zoek Zijn spreekuur; u weet toch dat u ernstige kwalen hebt? Zoek de band met Christus te kennen en te versterken.
Vanuit Christus is er nu ook vrijmoedigheid. We zouden dat juist niet denken. Iemand die zo terugvalt, mist vrijmoedigheid. Toch staat het hier. We hebben vrijmoedigheid, niet als een persoonlijke eigenschap, maar als een verleende zaak, van Godswege. Vrijmoedigheid, hand in hand gaande met versslagenheid. Ook een onbekeerd zondaar mag vrijmoedigheid hebben, ook een afgedwaald kind van God. De Heere zegt: Opent uwe mond, eis van Mij vrijmoedig, op Mijn trouwverbond.
           

 


GELOVEN ZONDER KERK       2008

Het jaarboek van onze kerken verscheen; Ds. Van Heteren besteedde er al enige aandacht aan. Jaarlijks worden de telkens weer terugkerende trends opgemerkt: een sluipende vermindering en verzwakking van ons kerkelijke leven, sluiting van kerkgebouwen en opheffing van gemeenten, enz. Ook enkele artikelen die een bezinnend woord bevatten over de "waan van de dag” en de gang van de kerk.

diagnose

Dr. S. Paas schreef een artikel (in heel kort bestek) over geloven zonder kerk? Het staat op de laatste bladzijden van ons jaarboek. Er is daarin toch wel zoveel gezegd, dat ik er enige aandacht aan wil besteden. Het valt onder de categorie: kerkelijk actueel.
Hij stelt terecht dat men niet kan geloven zonder de kerk en de gemeenschap. Dat lijkt de kerk voor hem te zijn: een gemeenschap van allerlei mensen. Die mensen hebben elkaar nodig. U bedenkt natuurlijk direct dat de kerk eigenlijk ook en vooral nog iets anders is. Het is de plaats waar de Zoon van God Zijn gemeente vergadert en waar de Heilige Geest werkt door de verkondiging van het heilig evangelie. Dat is geen geringe aanvulling. Het is goed dat hij de kerk onopgeefbaar acht, maar het is tegelijk wel een gemis dat hij de kerk vooral sociaal belicht wil zien. Deze leemte doortrekt het hele artikel. Het artikel lijkt dan ook meer geschreven te zijn door een socioloog dan door een theoloog.
Want hij geeft enkele oorzaken aan waarom de kerk toch niet zo bepalend is voor de mens van nu. Dat de kerk dat inderdaad niet is, blijkt uit het feit dat de doorsnee Nederlander, hoewel geen atheïst, toch de kerk voorbijloopt. Hij heeft de kerk niet nodig. De overgebleven kerkleden, vooral de jongeren, zijn orthodoxer en overtuigder, maar ze verzuimen tegelijk ook makkelijker de tweede dienst.
Dat komt omdat de zondag wordt opgenomen in het overladen programma van de werkweek. Ook ’s zondags hebben we het nog druk. Hij somt oorzaken op: vanwege het vele werk moeten man en vrouw (beiden werken) ’s zondags uitrusten, vanwege denkwerk enz. zijn de mensen ’s zondags geestelijk uitgeput en lokt daarom juist het bos. "Om dan op zondag een boekje vast te moeten houden en naar een preek te moeten luisteren, betekent weer een prikkeling van dezelfde zintuigen”.
Verder zijn er andere zaken zoals "conferenties, mannendagen, zomerkampen, vrouwendagen, jeugdkerken, concerten en wat niet al”. Temidden van al die activiteiten wordt het moeilijker voor de kerkgang.
Ja, dat zijn echt typisch factoren die in de 21e eeuw het beeld van ons kerkvolk bepalen. Daar had men vroeger minder last van. Een nieuw couplet bij het lied van de heel andere tijden die vragen om een heel andere aanpak. Genoemde oorzaken lijken het verzuim in de kerkdiensten aannemelijk te maken.
Dat horen we vaker: afname van aandacht voor de kerkdienst betekent helemaal niet dat de kerkganger minder gelovig is. Een boekje vasthouden (wordt de Bijbel bedoeld?) kan nauwelijks nog.
Laat ik ter aanvulling nog andere oorzaken noemen die een tanende belangstelling opleveren. Ik zou dan liever wijzen op de catastrofale val van de mens in het paradijs, waardoor hij als natuurlijk mens niet meer verstaat de dingen die spreken over God en Zijn dienst. Die oorzaak lijkt me veel meer doorslaggevend. Het is net alsof Paas denkt dat de mens van deze tijd bijna zelfs geloviger is dan voorheen; waardoor hij positiever staat tegenover de Heere en Zijn weg der zaligheid. Als we dit gegeven over het hoofd zien, werken we over de breuk heen. Nog een andere oorzaak, die reeds door Paulus werd onderkend, toen hij zei: "Doch wij prediken Christus de Gekruisigde, de Joden wel een ergernis en de Grieken een dwaasheid”. Je zou toch niet denken dat de Christusprediking mensen uit de kerk houdt? Toch is dat zo; mensen keren zich massaal af van de dwaasheid der prediking. Zij keren zich af van díe Christus en van Zijn kruis. Dat geldt van ieder mens, van ons allen. Daar had men vroeger evenveel last van als nu.
Nog meer oorzaken? Ja, ongetwijfeld ook deze dat de kerk zelf meehelpt aan de uittocht. Paas zelf doet dat op zijn manier ook, maar ik denk dan vooral aan het verval van de prediking. Wat hoort de gemeente in deze tijd op veel plaatsen? Veel predikers hebben reeds spontaan de preek aangepast en ze hebben met de beste bedoelingen getracht op die manier de gemeente bij de les te houden. Ze preekten steeds korter, het geheel werd ook steeds eenzijdiger en oppervlakkiger; alles werd vriendelijker getoonzet en het proces van versuikering sloeg genadeloos toe. De preek gaat dan verworden tot een verzameling cliché’s en algemene waarheden, zonder dat de hoorder er nog onrustig van wordt. Hij komt er toch wel en waarom zou je dan nog naar de kerk gaan? Het Godsbeeld is totaal veranderd. In vorige artikelen hoorden we dat Vrijgemaakten en ook Gereformeerden zeggen.
Voeg daar nog bij dat de massa in deze tijd vanwege de TV meer visueel ingesteld is dan auditief. Ik moet het bij deze opsomming van oorzaken laten.
Nu noemt Paas ook dieperliggende oorzaken, namelijk de individualisering ("ik kan voor mezelf denken”) en de fragmentering ("het leven is verbrokkeld”). Daardoor gaan mensen op zoek naar hun echte "zelf”. Geen kwaad woord bij hem over deze neigingen van de moderne mens. "Mensen willen alleen gehoorzamen aan gezag waarvoor zij zelf hebben gekozen en dat spoort met hun eigen innerlijk”. God en Zijn Woord komen er als het ware helemaal niet aan te pas.

therapie

Vanuit dit verhaal kunnen we tenslotte raden naar de therapie. De kerk moet eerlijk omgaan met de vragen en de twijfels van de mens. Niet mooier voordoen dan we zijn, ook de predikanten niet. We kunnen hiermee instemmen, tot op zekere hoogte. De echte schriftuurlijke prediking staat diep verankerd in de menselijke nood. Op dit punt signaleert Paas een werkelijk probleem. Mensen moeten zich in de gemeente kwetsbaar op kunnen stellen, zonder daarop afgerekend te worden. Gods Woord schetst de realiteit van het zondaarsbestaan in schrille kleuren. Toch leeft het Farizeïsme in de kerk. Mensen met zonden en zwakheden voelen zich niet zelden afgewezen door de gemeente. We moeten naast ieder staan, maar dan toch nog in een diepere dimensie, namelijk vanuit het bewustzijn dat we alle gevallen zondaren zijn, met alle gevolgen van dien.
Paas geeft ook het advies de middagdienst een ander karakter te geven. Meer aandacht voor gesprek, verdieping, samenzang en ontmoeting. Twee preken dragen de sporen van haastwerk en oppervlakkigheid. Op dat idee was ik nog nooit gekomen. Nee, ik denk juist dat één kerkdienst getuigt van haastwerk en oppervlakkigheid. Je vraagt je dan af hoe deze twee zodanig tegengestelde gedachten ooit verenigd kunnen worden. Hoe deed Calvijn het dan die iedere avond preekte? Paas vreest te veel informatie (in ons informatietijdperk!) en hij denkt dat door deze aanbevelingen de kwaliteit van de prediking toeneemt.
Op deze manier werkt onze scribent zelf mee aan de teloorgang van de zondagse kerkdiensten. Maar lijkt het dan niet aannemelijk wat hij zegt? Wel in menselijke redeneertrant. De Heere Jezus heeft het woord gesproken: "Bij de mensen is dan onmogelijk, maar niet bij God”. Voor de natuurlijke mens is  alles te veel, maar de geestelijke mens  vindt zijn lust in de wet en het Woord van God en hij overdenkt die dag en nacht. Als iemand steeds minder gaat eten en zelfs maaltijden overslaat, gaan we als opvoeders ons niet aanpassen aan het verkeerde eetpatroon, maar wordt een onderzoek ingesteld naar de dieper liggende oorzaken van deze afwijking. We zijn op geen enkele wijze gebaat bij een verdere uitholling. Het is erg genoeg dat nu officieel in onze kerken meningen verkondigd worden, die voorheen ver buiten onze kring leefden en die door ieder werden afgewezen. Dat een kerkelijk jaarboek ruimte leent voor deze gedachten, is te meer een teken aan de wand. Heeft Paas onlangs ook niet doen weten dat zelfs de bestaande gemeente zou kunnen opgeofferd worden voor de missionaire gemeente? We zien het hier feitelijk bevestigd. In diezelfde geest konden we een veelbetekenende zin lezen in hetzelfde jaarboek: "De gemeente van De Krim is niet meer, maar wij mogen weten dat Gods werk doorgaat, tot aan de wederkomst van Christus”. Natuurlijk gaat Gods werk wel door, maar ook in de Krim en straks ook in Nederland, voor onze kinderen? Gods werk gaat door in de wereld, maar het is wel erg als in het Avondland de zon ondergaat. 
En dat terwijl juist vanuit Willowcreek berichten binnenstromen, die aangeven dat men daar weer meer aandacht wil geven aan de bestaande gemeente? Ik hoop op dit laatste trouwens een volgende keer terug te komen.

Men zal vragen: Hoe denkt ù dan middelen aan te dragen tegen de voortgaande ontkerkelijking? Het is zonder meer waar dat ook wij allen worstelen met deze vragen. Ik denk het zelf ook nog wel eens als ik naar huis rijd vanuit een gemeente, die een kwijnend bestaan lijdt, terwijl ik die gemeente voorheen gekend heb ik een bloeiende staat. Ik heb dan niet genoeg aan een troost als die over de gemeente van De Krim. Dat mag en kan ook niet. We moeten ons deze nood ernstiger aantrekken dan we doorgaans doen. Wie de kerkelijke wereld op zich laat inwerken, kan het benauwd krijgen onder de tekenen van ontbinding en verval. Hopelijk brengt het u en mij samen aan de troon der genade. Maar in ieder geval put ik dan geen troost uit de gedachten van onze evangelist. Nee, juist in die weg wordt de neergaande lijn onbedoeld gestimuleerd. We zien om ons heen dat in andere kerken het zo laag is afgelopen, omdat men organisatorisch de kerkdienst wat aantrekkelijker ging maken. Trouwens, dat weten we met elkaar ook wel. Ik kom ook meermalen in gemeenten waar de middagdienst evenveel mensen of meer trekt dan de morgendienst. Waarom heeft men daar die problemen nog niet zoals elders? Niet omdat die gemeente beter is of geestelijker leeft, want dat behoeft nog niet altijd het geval te zijn. Het is daar nog zo omdat men gewoon blijft preken zoals het altijd is gedaan. Omdat het Woord kracht doet. Ik woonde nog kortgeleden een kerkdienst bij in een ander kerkverband. Ik zag een gemeente massaal opkomen in de middagdienst, geheel volgens de bestaande orde, ook in uiterlijke zin; ik nam veel jonge mensen waar die met een zeker ontzag luisterden naar de preek. Ik weet natuurlijk dat ook daar onder de dekmantel veel mis gaat. Maar ik weet ook dat daar de kanalen nog open zijn voor de bediening van Gods Geest.
De eigenlijke nood is onze geesteloosheid. De kwaal is veel ernstiger dan we beseffen. Jesaja moest preken onder het oordeel (Jesaja 6:10v). Hij stelde de beklemmende vraag: Hoelang, Heere? Die paar woorden kunnen ons uitzicht geven. Breng uw nood bij de Heere. Voor wie worstelt aan Gods genadetroon, komt er rust. Maar het roept ons wel op tot bekering en geloof.
Paas redeneert geheel vanuit de mens en hij rekent in zijn artikel te weinig met de kracht Gods inzake de dwaasheid der prediking.
Daarom zou ik nog een nader advies willen geven, een aanbeveling, zoals hij zijn goede raad aanduidt. Het is gewoon de weg van Paulus: "Predik het Woord, houdt aan tijdig en ontijdig, wederleg, bestraf, vermaan in alle lankmoedigheid en leer; want er zal een tijd zijn, wanneer zij de gezonde leer niet zullen verdragen…..en zullen hun gehoor van de waarheid afwenden” (2 Tim.4:2-4).
En ook dit: "Het heeft Gode behaagd door de dwaasheid der prediking zalig te maken die geloven” (1 Kor.1:21).

 


QUO VADIS?         2008


We zijn al meermalen gestuit op de constatering dat alles in beweging is. Panta rei. Drie feiten trokken in dat verband deze weken mijn aandacht. Het stelt ons de bovenvermelde vraag: Quo vadis? Waar gaat gij heen? In concreto: Waar gaan onze kerken heen? Waar komen we uit en waar komen we terecht? Het gaat om de grenzen van het compromis in

een kerkblad

Mij trof allereerst een mededeling in de pers dat een kerkblad gaat verdwijnen. Er is geen toekomst meer voor het Kerkblad voor het Westen. Dit blad besloeg de gehele P.S., zoals ook het Kerkblad voor het Noorden zich uitstrekt over het hele Noordelijke gebied. Er zijn redenen genoemd voor deze stop. Br. Koole, de hoofdredacteur, gaf volgens het bericht aan dat de meer behoudende gemeenten te weinig lezers aanleverden.
Er zij stellig meer redenen. Naar mijn idee worden dergelijke mamoetbladen te onpersoonlijk. Gemeenten krijgen maar beperkte ruimte toegemeten voor de plaatselijke berichtgeving. In het Noorden gold dat de schrijvers van gemeentelijk nieuws niet opiniërend bezig mochten zijn. Dat werd immers gedaan in de redactionele artikelen. Het Noordelijk blad heeft mij persoonlijk echter altijd lankmoedig de ruimte gegeven, ook voor opiniërend gebruik. Omgekeerd beschikte ik ook over die lankmoedigheid ten aanzien van de redactionele inhoud. Ik moet zeggen: de redactie gaf het kerkelijke leven over de volle breedte ruim aandacht. Ieder kwam aan de beurt. In het Noorden kan dat ook wel, want daar heerst een betrekkelijk grote overeenstemming over allerlei ontwikkelingen. De meningen worden breed gedragen, op een enkele uitzondering na. In het Westen ligt dat veel moeilijker. Niet alleen omdat deze regio (de randstad) zwaar te lijden heeft gehad onder kerkverlating; denk maar eens aan eertijds grote gemeenten zoals Den Haag-W en Amsterdam-W. De meeste gemeenten zijn zwaar geslonken. Resultaat: een verminderend aantal lezers. Het zijn er geen duizend meer, zo las ik. Daarnaast is er dan ook nog de reden dat een deel van de gemeenten afhaakt. Ik begreep dat dit feit br. Koole teleurstelde. We kennen deze broeder als een bruggenbouwer binnen de kerkelijke verscheidenheid. Het is dan moeilijk als we zien dat de strategie niet werkt. Kunnen de vleugels van onze kerken door één deur, kunnen ze in één kerkblad? Onze broeder heeft dat wel geprobeerd, maar het lijkt niet gelukt te zijn. Alles groeit te ver uit elkaar. In een van de gemeenten waar ik onlangs preekte, kreeg ik een nummer van het kerkblad voor het Westen onder ogen. Ik begreep toen waarom de brede aanpak slecht werkt. Het blad toonde een foto van twee predikanten rond een intrededienst. In hoogkerkelijke ambtsgewaden, zo schrijft Koole. Maar voor mij had het evengoed Anglicaans of Rooms kunnen zijn. Trouwens, we hebben toch geen ambtsgewaden? Koole vermelde er ook nog bij dat de kerkenraad vindingrijk en zorgvuldig invulling wist te geven aan het geheel. "De uitleg van de symboliek van de liturgische (!) bloemschikking was er het voorbeeld van….” Ik lees hier allemaal vreemdheid ten top. Sinds wanneer worden bloemen in de dienst "liturgisch” geschikt? En hoe gaat dat eruit zien?
Het lijkt me dat hier voor de moderne kerkganger zo veel moois geboden wordt, dat de leesdichtheid omhoog zou moeten schieten; maar dus niet. Ik acht het anderzijds een goed teken als een ander deel dit niet langer wil meemaken. Want dit is onze kerk niet meer. Toen ik in Middelharnis predikant werd, waarschuwde een ouderling me voor het compromis. Niet de kool en de geit sparen, want de kool bederft en de geit gaat lopen, zo zei hij. Daar ligt veel waarheid in. Om dus de vinger vermanend naar één richting uit te strekken, zoals Koole doet, lijkt me niet terecht. Integendeel, we moeten koers houden!
Vanwege het karakter van het breedkerkelijke aanbod is de vraag wel eens opgekomen bij deze en gene om van Bewaar het Pand ook een soort kerkblad te maken, met gemeentelijk nieuws. Daar kan behoefte  aan zijn; er is rond ons blad ook een zekere gemeenschap. Uitvoering van een dergelijk gedachte is echter moeilijk. Het kerkelijke eilandenrijk zou te meer uiteenvallen en het zou veel meer papier vergen. Wel is het de opzet dat er toch ook "opiniërende” artikelen verschijnen, naast de geestelijke inhoud. Er wordt meer aandacht gegeven aan de vele vragen, waarmee velen van ons worstelen ten aanzien van ons brede kerkelijke leven. Dat lijkt me terecht en de lezers stellen het op prijs.

in de kerken

In "De Wekker” schrijft Bart Wallet over evangelicalisering: "de toenemende invloed van de evangelische beweging binnen de reformatorische kerken”. Niet meer de evangelische richting als zuil naast de reformatorische, maar een onderling ineengroeien van beide groeperingen. Inderdaad gebeurt dat steeds meer; het gaat vrijwel geruisloos. Het is goed dat er op gewezen wordt. Ik heb zelf in ons blad veel aandacht gegeven aan de evangelische beweging. Mijn eerste opzet is daarbij niet om deze richting onder voortdurende kritiek te stellen, al moeten we zeker wel kritisch de geesten wegen en beproeven. Wat ik steeds weer vrees en gevreesd heb is de teloorgang van onze Gereformeerde belijdenis. Dat zal het offer blijken te zijn dat de reformatiorische richting gaat brengen. Dat is het allermeest zorgelijk. Ik kan me voorstellen dat velen door bepaalde uitingen van evangelischen worden aangesproken; we mogen ook alles niet verwerpen. Dus geen eenzijdige en harde kritiek; dat behoeft ook niet, want dat kunnen we wel aan vertegenwoordigers van deze richting zelf overlaten. Immers, evangelische koplopers uiten steeds meer kritische vragen op de ontwikkelingen binnen hun groep.
Wij echter moeten ons geestelijk erfgoed bewaken. En dat is echt niet alleen de belijdenis, maar dat omvat nog heel veel meer. Dat en meer gaan we steeds meer verliezen. We zouden dat niet moeten accepteren. U en ik, wij moeten wachters zijn op Sions muren. De Heere heeft ons in de Gereformeerde leer zoveel goeds gegeven, dat we daarvoor moeten staan. Dat gebeurt te weinig. Op die manier leven we niet van het offensief of van aanvallen van anderen, maar gaan we uit van de positieve kracht der Gereformeerde religie. Als die belijdenis niet meer werkt, ligt dat aan ons en niet aan die leer.

in de opleiding

We hebben tenslotte ook de aankondiging van een promotie kunnen lezen; het RD heeft er over bericht en wijdde er reeds een artikel aan. Wat in het artikel wordt gesteld, zal de nodige vragen oproepen en de eerste tekenen daarvan zijn er al. Het lijkt er wat op dat de promovendus, W. den Boer, lid van onze kerken, een andere weg gaat dan de weg die tot nu toe gegaan werd. Arminius heeft een waardevolle bijdrage geleverd aan de toenmalige theologie, zo schrijft hij. Als wij Arminius te veel lezen vanuit de Dordtsche Leerregels, zoals hij constateert, roept dat bij mij de vraag op wat daar verkeerd aan is. Het gaat hier om een belijdenisgeschrift, dat juist heel evenwichtig spreekt over verkiezing en verwerping. Zegt Dordt zelf al niet dat de gedachte wordt verworpen dat God de Auteur der zonde zou zijn? Om niet meer te noemen: Gomarus, zo stelt den Boer, heeft Arminius waarschijnlijk niet goed begrepen; dat legt echter mij weer de vraag in de mond of den Boer beiden dan wel begrepen heeft en waaruit dat dan blijkt.
Eén ding is zeker: den Boer heeft meer van Arminius gelezen dan ik en dus past mij bescheidenheid. Ik ben echter anderzijds als predikant veel bezig geweest met de Dordsche Leeregels en vanuit die insteek komen de gestelde vragen, en nog wel andere ook, bij mij naar boven. Dr. Van der Sluis heeft in het RD eveneens al kritische vragen gesteld.
Ik breng deze zaken vooral ter sprake in verband met onze theologische Universiteit. IK meld erbij dat ik dit artikel schrijf op dinsdag 24 juni. De promotie moet nog plaats vinden. De promovendus is vrij om zijn gedachten over Arminius te ontwikkelen, in die zin dat hij niet "admissiaal”  verbonden is aan onze opleiding. Als wetenschapper is hij vrij om te onderzoeken en vast te stellen wat hem goed dunkt; hij is evenwel ook lid van onze kerken, maar dat laat ik op dit moment rusten.
Mijn zorg strekt zich meer uit naar de positie van de Universiteit in dit verhaal. Ik moet altijd nog wennen aan die hoge titel voor Apeldoorn; vergeet u niet dat ik als student het heb beleefd dat de opleiding slechts een school was, of althans, zo genoemd werd. Als de opleiding van onze kerken betrokken is bij een bijstelling van de visie op Arminius, dan kan dat problemen veroorzaken. Nogmaals, als dat zo is. Er zijn er in Apeldoorn genoeg, die dat veel beter kunnen beoordelen dan ik. Maar ik zie hier wel een dreiging hangen. Het gaat eigenlijk om de vraag: wat is nu de positie van de Universiteit? Normaal staat een Universiteit voor vrij onderzoek en vrije wetenschap. Dat zal het geval zijn bij een Rijksuniversiteit. Maar de TUA is niet een vrije Universiteit van rijkswege. Deze is een orgaan van onze kerken. Zo was dat voorheen en hoe is dat nu? Als de TUA onder de paraplu van onze kerken staat, zijn de uitkomsten van studie en onderzoek gebonden aan de grenzen van de belijdenis. Wat is dan verder de positie van een hoogleraar-promotor, die ambtelijk en persoonlijk geheel in onze kerken staat? Hier spreekt dan ook de overheidssubsidie een woord mee. Zal deze subsidie blijven voortduren, als we als kerk grenzen stellen aan de beoefening van de wetenschap? De grenzen die Voetius stelde: wetenschap, verbonden met vroomheid?
Ik kan alleen maar hopen dat het proefschrift zelf de nodige duidelijkheid verschaft en dat in het interview in de krant de zaken wat overtrokken zijn geuit. Ik kan me moeilijk voorstellen dat alle betrokkenen voor hun rekening nemen wat we als schoten voor de boeg gehoord hebben. Ik ben wel erg benieuwd, ook bezorgd, hoe dit zich zal ontwikkelen. En hoe we verder gaan aankijken tegen een "absolute, onvoorwaardelijke” predestinatieleer in de lijn van Calvijn, Beza, Perkins, Gomarus. Voorzover ik weet is er tussen Calvijn en Beza al weer een duidelijk onderscheid en daarom kunnen we zo de lijnen ook weer niet trekken. Ik heb de hoop dat den Boer slechts de opvattingen van Arminius tegen die van zijn tegenstanders aangeeft. En dat het niet een zaak van sympathie is voor de gedachten van Aminius. Daarover is in ieder geval het artikel niet erg duidelijk.
Quo vadis? Voor het Westen, voor de TUA, voor mij en voor u. Die vraag moeten we allemaal aan onszelf stellen. Eerlijk en onbevangen. Alleen in Gods kracht kunnen we die vraag beantwoorden.

 

VAN GESLACHTE TOT GESLACHT       2008

Dr. E. P. Meijering, Remonstrants theoloog en oud-lector te Leiden, heeft in een terugblik het falen van zijn generatie erkend. Dat is een hele belijdenis. Hij werd geboren in 1940, dus hij behoort tot de zestigers. Het is heilzaam om te luisteren naar zijn visie op het verleden. Waar ging het verkeerd en hoe kwam het dat de kerk haar greep verloor op ons volk?

Het zijn vragen die ook mij telkens weer bezig houden. Door het zondagse preekwerk kom ik in veel gemeenten en vanwege mijn leeftijd trek ik dan nogal eens een vergelijking met een inmiddels ver verleden.
Zo was ik zondag j.l. in Rotterdam-West. Ik reed deels over een traject, dat mij nog heel bekend voorkwam. Het was namelijk de weg die ik reed, als ik vanuit Middelharnis naar de Coloniastraat reed voor een derde dienst. Dat was zo rond 1970. Ook omdat ik er catechisatie gaf, kwam ik daar heel vaak. Er kwamen toen toch nog wel ongeveer een vier à vijfhonderd mensen naar de kerk. Nu zijn het er ongeveer veertig à vijftig. Kerkenraad en gemeente worstelen momenteel met
de vraag hoe het verder moet met de gemeente. Er vertrokken recent diverse gezinnen naar elders. Deze week houdt men een bidstond in verband met het voortbestaan van de gemeente. En dan te bedenken dat de gemeenteleden merendeels niet meer geografisch gebonden zijn aan de wijken rond de kerk. Men komt soms over een afstand van wel veertig kilometer naar de diensten. Wie het kerkgebouw kent, weet dat de kerk een monumentale uitstraling heeft. Maar ook het oude Westen wordt grotendeels bewoond door allochtonen. Zo is de situatie in enkele tientallen jaren drastisch gewijzigd.
Vooral in de steden heeft de ontkerkelijking toegeslagen. In een levensbeschrijving van Ds. W.L. Tukker, die ook in Rotterdam gestaan heeft (Koninginnekerk), las ik eens dat vele malen de hoeden afgingen als men de dominee, die te voet op weg was dwars door de stad naar een kerkdienst, wilde groeten. Dat is nu volkomen ondenkbaar. Niemand zou meer weten wie welke predikant ook maar is. Een evangeliedienaar is heden een wereldvreemde verschijning in de stad!
In de Coloniastraat is het in de kerk stil geworden. De stilte in de ruime, stijlvolle kerk trof me, juist temidden van het rumoer van de grote stad. In de directe omgeving staat de Euromast; daar is het nu drukker. En ook de havendagen kunnen rekenen op veler belangstelling. Het orgel speelde echter nog op dezelfde imponerende wijze als voorheen. Dat versterkte de herinnering. En zo zijn er meer zaken, die terugwijzen naar het verleden.
Dan komen zulke vragen in je op. Temeer omdat ik recent ook in omliggende gemeenten verblijven mocht. De gemeenten langs de Maas (Maassluis, Schiedam), waar ik dan mocht zijn, delen in eenzelfde lot als West. Eenzelfde indruk overviel me toen ik ongeveer een jaar geleden in den Haag-W preekte. Ook een indrukwekkende kerk, die vol is geweest van mensen. Nu een kleine groep, die als eenlingen door de stadswijken trekken. En wat te denken van Amsterdam-W, de Lauriergrachtkerk, een beeldbepalende kerk voor ons hele kerkelijke leven. Deze kerk is al jaren geleden afgestoten. Dat alles zit niet in de Westelijke gemeenten, dat begrijpt u wel. Maar het komt juist zo uit. Trouwens, Utrecht-West vormt nog een gunstige uitzondering in deze reeks. En dat zouden we veertig jaar geleden nog niet eens zo gedacht hebben.

Dr. Meijering sprak in verband met de leegloop in de kerken over zijn generatie die kennelijk gefaald heeft. In verband daarmee wil ik het nu hebben over de generaties. Eerst merk ik op, dat ik met respect kan denken aan de huidige nieuwe generatie. Jonge mensen zijn in de verdwijnende gemeenten geen uitzondering. Zij behoren bij wijze van spreken tot de volhouders. Ze hebben al heel vaak anderen zien vetrrekken, terwijl zij nog bleven. Zij verdienen op bijzondere wijze ons meeleven, want zij moeten het ook allemaal maar verwerken. Overal werd afgehaakt, in de familie, in de gemeente, in de stad. Zij mochten door Gods genade weerstand bieden aan de zuigende draaikolken van de tijd. Zij getroosten zich grote inspanningen om kerk te kunnen blijven. Daarom is het dringend nodig dat we met hen meebidden temidden van de afkalving en de verlating. Ook tot hen kwam de vraag: Wilt gijlieden ook niet weggaan? Hopelijk mogen zij kracht ontlenen aan wat Petrus antwoordde op die vraag van de Heere Jezus.
Maar nu die andere generatie, die van dr. Meijering? Ik kan het ook anders zeggen: mìjn generatie?  Hoe staan wij in dit proces? Welke plaats hebben wij in dit geheel ingenomen?
Het betoog van Meijering (het stond in het RD) komt erop neer dat hij en de zijnen te veel hebben ingespeeld op de tijdgeest. De kerk heeft haar identeit prijsgegeven. De fundamentele heilswaarheden uit de Gereformeerde traditie moesten al maar meer wijken voor moderne maatschappelijke vragen, die te maken hebben met zingeving e.d. Ik citeer enkele zinnen: " Te vaak heeft het de kerk, ook in de dialoog met anderen, aan identiteit ontbroken, constateert dr. Meijering. Hij bepleit een herbezinning op het erfgoed van de Reformatie. In dat licht stelt hij aspecten aan de orde als de functie van de Bijbel, het geloof in God als Schepper, de leer van de (erf)zonde, de Persoon van Jezus Christus, de „typisch reformatorische opvatting van het nieuwe leven in Christus” en het geloof in het eeuwige leven.
Overigens heeft niet alleen de kerk te waken voor haar identiteit. Dr. Meijerings pamflet bevat ook een waarschuwing voor een omroep als de EO. „Gehoopt moet worden dat (…) ze niet het voorbeeld van een andere (zich vreemd genoeg nog steeds christelijk noemende) omroep volgt en verklaart „het ook niet te weten, maar graag naar anderen wil luisteren…. Het gevolg daarvan zou kunnen zijn dat ze over een aantal jaren eveneens met een vergrijsd ledenbestand zitten en zich zorgen moeten maken of ze nog lang een A-omroep kunnen blijven.”
We hebben deze opmerkingen reeds meermalen geuit in ons blad. Maar het is wel opmerkelijk dat het nu van een kant komt, waarvan u het niet had verwacht. Het is treffend, dat dwars door allerlei groepen en kerken heen, zulke geluiden gehoord worden. Ik heb in vorige aartikelen mensen aangehaald uit de GKN, uit de GKV, uit de Gereformeerde Bond, die allen, wel als een roepende in de woestijn, maar die dan toch allemaal hetzelfde constateerden. Meijerink zegt het zo: Het roer moet om. In de grote kerken van ons land ging het inderdaad zo. Het evangelie verbleekte op allerlei kansels. De kerken raakten leeg. Vindt u het vreemd, dat mensen geen moeite meer doen voor oppervlakkige en krachteloze preken, die weinig verschil laten zien met de rubrieken achter het nieuws? Of voor een prediking waarin ieder al gered is? Daarvoor hoef je immers niet naar de kerk te gaan?

Hoe ging dat bij ons? Onze kerken volgden op afstand. We meenden dat de ontwikkelingen bij anderen aan ons zouden voorbijgaan. Want, we deden wel aan vernieuwingen, maar de prediking, de boodsschap, daaraan wilden we vasthouden. Dat was bij velen een oprechte overtuiging. Maar we weten inmiddels nu wel, dat ook wij op het hellende vlak leven en dreigen af te glijden naar beneden. Gelukkig, niet in die mate zoals we het om ons heen zien. Maar we hebben ook een generatie gezien, die te makkelijk deed over allerlei aanpassingen en die te vaak aangaven dat het natuurlijk "daar” niet in zit. Grensverleggende bewegingen.
Wij hebben gelukkig in onze gemeenten ook een tegenbeweging mogen waarnemen. Rond de zeventiger jaren sprak men van een verrechtsing in onze kerken. Er waren toen heel wat gemeenten die begrepen dat de maalstroom van verandering grote gevaren met zich meebracht. Het zou kunnen zijn dat "Bewaar het Pand” en ook de Calvijnkring conserverend hebben gewerkt in de gemeenten en onder de predikanten. Maar zij niet alleen. Niet alleen gemeenten in een verre kerkelijke uithoek, maar ook gemeenten in het middenveld gingen voorzichtig met de geest van de tijd om. Er werd gewaakt tegen aanpassing en verslapping. Die gemeenten zijn er ook nu nog. Gelukkig wel. Het zijn niet alleen de gemeenten, waar ons blad nog veel gelezen wordt; er zijn ook gemeenten waar het uiterlijk anders oogt, maar waar toch gewaakt wordt rond de rechte pediking.
Ik heb wel eens eerder opgemerkt, dat ook ik persoonlijk het mij moet aantrekken dat we tot de generatie behoren van hen, die de grote uittocht hebben moeten meemaken. Daar houden ook wij geen schone handen aan over. Niet in die zin bedoeld, dat we ook het evangelie hebben ingeruild voor de linzemoes van onze tijd. De leer bleef bij velen van ons wel gehandhaafd, maar de geloofsbeleving begon te tanen.
Als de vorige generatie inderdaad zo gefaald heeft, hoe staat het dan met de jongeren? Ik merkte het al op: een ruim aantal jongeren staat op de barricades. Diverse kerkenraden bestaan grotendeels uit jonge mensen. Ze missen enerzijds een stuk bagage vanuit het verleden, zodat de continuïteit soms ontbreekt, maar er is wel een duidelijke en sterke inzet voor de kerk en de gemeente, voor de Heere en Zijn dienst.
Dat is een zaak om dankbaar voor te zijn. Immers, er wordt aan de gehele Gereformeerde gezindte getrokken door de machten van deze moderne tijd. Het is niet voorspelbaar hoe onze jongeren er over veertig jaar aan toe zijn en wat er over is van het enthousiasme van nu, maar we mogen in ieder geval blij zijn dat ze er nu zijn. We moeten daar ook zuinig mee omgaan.
Maar vooral is het het Woord van God, dat aanspreekt en wonderen kan doen. Het is de enige Naam die onder mensen gegeven is, Die grote dingen kan doen. Blijft er een kerk over in Nederland? Onder Israel was er een rest, die zou terugkeren. De hoofdsttroom is bezig te verdwijnen, maar we moeten ons er nu op richten dat er een rest zal blijven, die pal staat voor de eer des Heeren. Er wordt wel gesproken van een reveil, een opwekking, maar misschien is dat een te grote greep voor onze dagen, al is bij de Heere alles mogelijk. Maar het zou al verblijdend zijn als de rest er zou mogen blijven om behouden te worden. We zouden natuurlijk kunnen denken dat ook het laatste beetje zou verdwijnen, maar het is goed mogelijk dat de kerk van Nederland als rest verder mag gaan, onder Gods gunst en genade. Lees Jesaja 6:13: "maar gelijk de eik, en gelijk de haageik, in dewelke na de afwerping der bladeren nog steunsel is, alzo zal het heilige zaad het steunsel daarvan zijn”.
De afwerping der bladeren, maar toch nog een heilig zaad. Dan is er hoop voor ouders die hun kinderen opvoeden en er is hoop voor jongeren die onder de hoede Gods mogen voortgaan. De Heere is het waard. Laat dan onze generatie niet denken dat ze in een geestelijkie rusthuis kan toekijken
( een reëel gevaar !), nee, laten we biddend en strijdend de komende generatie helpen en leiden naar Hem, Die de Weg, de Waarheid en het Leven is, ook in 2008.
Het roer moet om. Dus stoppen met allerlei aanpassingen en toegiften, maar het Pand bewaren dat ons is toebetrouwd! Door middel van ons blad, maar ook daarbuiten. Ik hoop echter ook concreet dat onze eenvoudige arbeid rond ons blad tot zegen mag zijn, ook voor de jeugd. 

 

De opleiding          2009

In "De Saambinder” , het kerkelijk orgaan van de Gereformeerde Gemeenten, schrijft Ds. G. J. van Aalst over het Curatorium, dat verantwoordelijk is voor de toelating van toekomstige dienaren tot de opleiding. Onder het thema "Dominee worden”. Hij weet van veel kritische vragen naar het goed recht van dit college, dat a.s. studenten onderzoekt betreffende roeping en genadestaat. Kunnen mensen dat wel? In deze tijd van het jaar, waarin dit onderzoek weer plaats vindt, ook bij ons, lijkt het me goed hieraan enige aandacht te geven.

Niet alleen de enkele curatoren, maar ook kerkenraden krijgen hiermee te maken, omdat zij immers een attest moeten afgeven aan de eventuele kandidaat voor de gang naar Apeldoorn. Ds. Van Aalst geeft uiting aan zijn gevoel van een zwaarwegende verantwoordelijkheid voor deze arbeid. Dat geldt ook voor onze curatoren. Hij merkt op dat zijn kerken enige overeenkomst vertonen op dit terrein met de onze. "De curatoren van onze gemeenten krijgen nog wel eens het verwijt dat ze te strenge keurmeesters zijn. Dat wordt dan vooral gebaseerd op het kleine aantal mannen dat toegelaten wordt. Op zichzelf is het merkwaardig dat het curatorium van onze gemeenten het steeds moet ontgelden, terwijl bijvoorbeeld in de Christelijke Gereformeerde kerken per jaar nauwelijks meer kandidaten tot het predikambt worden toegelaten”. Deze constatering is voor beide kerken zowel opmerkelijk als veelzeggend. Het aantal vacatures binnen de Geref. Gemeenten is vele malen groter dan bij ons; niettemin is er ook binnen onze kerken sprake van een zekere nood, omdat er een groep vacante gemeenten is, die jarenlang worstelt met een aanhoudende vacature, die de kerkenraden voor niet geringe problemen stelt. Als een gemeente meer dan drie jaar vacant is, gaan de lasten in toenemende mate drukken. Dit is in meerdere gemeenten het geval.
Hoe zou het komen dat er betrekkelijk weinigen zijn die de collegebanken in Apeldoorn bevolken als admissiale studenten?
Het curatorium zal hier veel meer van weten dan ik, maar er kunnen in het algemeen wel enkele zaken duidelijk zijn. Er wordt soms gesproken over een vlucht uit het ambt en dat geeft dan tegelijk wel aan dat de begeerte om dominee te worden niet in sterke mate leeft onder de meeste van onze jongeren. Zij vormen geen uitzondering op de ouderen, die zich niet bekwaam achten voor het ambt in de kerkenraad. Daarentegen zijn er weer aan de TUA wel veel studenten naar art. 16 (zij studeren wel theologie, maar worden geen gemeentepredikant). De figuur van de predikant gaat zeldzaam worden? Toch is het een goede zaak dat een herder en leraar zich bekommert om het lot van zijn gemeenteleden. Dat hebben we zeker in deze tijden van vereenzaming wel nodig. Iedere kerkenraad voelt na verloop van enkele vacante jaren aan dat de geregelde bearbeiding van de gemeente door een vrijgestelde dienaar onontbeerlijk is. We mogen ook in de zondagse kerkdiensten wel in de voorbede denken aan de vacante kerken en zeker ook wel aan de opleiding.
Een gevolg hiervan is misschien wel, dat er relatief veel zgn. lekenpredikers opstaan, die naar art. 3 KO de kerken mogen dienen. Is deze ontwikkeling wel positief te duiden? Het is wellicht een idee dat overwaait vanuit allerlei vrije groepen waarin een ambtelijke structuur ontbreekt. Ik weet van mijn vader dat de toelating via art. 3 en 8 KO in vroeger tijden een uiterst moeilijke en welhaast onmogelijke gang was. Toen hij in Naarden stond als lerend ouderling, heeft hij maar liefst zeven keer zijn opwachting gemaakt bij de classis Amsterdam. In deze tijden is de weg naar de kansel hier en daar sneller gevonden. Nu de preken in deze moderne tijden steeds meer gebrek aan diepgang en studie vertonen, zal deze constatering ook in ieder geval wel gelden van hen, die geen opleiding hebben ontvangen tot dit werk. Vertonen de preken inderdaad dit tekort, zult u vragen? Werpt u dan eens een blik in de prekenbundels van nu en van een halve eeuw geleden. Of neem eens kennis van preken van een oudvader als Costerus, die op iedere bladzijde toch minimaal wel 5 of zes teksten noemt als bewijsplaats voor wat hij zegt. Zeer doorwrocht in alles. Zowel exegetisch als inhoudelijk moet worden opgemerkt dat veel preken tot een onaanvaardbaar minimale kracht zijn teruggebracht. Als mijn indruk juist is, zijn thematische preken de meer grondige exegetische wegen gaan verdringen. Nog afgezien van een bevindelijke en onderscheidenlijke zuurdesem, die de rechte prediking moet kenmerken. En denkt u dan ook nog aan de confessionele pijlers van de preek, als u meermalen de opmerking om u heen hoort dat de catechismusprediking steeds meer nagelaten wordt.
Broeders die niet beschikken over een gedegen opleiding, wordt het door deze ontwikkelingen niet al te moeilijk gemaakt om de kansels te beklimmen. En als er dan maar enkele zijn die in Apeldoorn studeren voor het ambt van dienaar des Woords, dan leidt deze ontwikkeling niet tot opbouw van de gemeenten. Ik wil dus graag de noodzaak onderstrepen van de opleiding in Apeldoorn. Waarmee ik tegelijk de waarde en de verdienste daarvan zou willen aangeven.

Helaas zijn er nog dieper liggende oorzaken te noemen voor de afname van het theologisch gehalte in de preken. Het zal waarschijnlijk zo zijn, dat de gemeenten wel tevreden zijn met hetgeen geboden wordt en er zelfs onbewust naar vragen. Als de gemeente uit Jesaja’s dagen al vroeg om zachte dingen en bedriegerijen zelfs, dan kunnen we dat gevaar ook nu niet uitsluiten. Waar vraagt de gemeente om en waarmee is zij tevreden? Of liever gezegd: wat wijst zij al niet af als zijnde te moeilijk en te onbegrijpelijk en niet meer van deze tijd! Terwijl toch Gods Woord juist alom het pleit voert voor gedegenheid en diepgang. Waar zijn  dus de leraars (Hebr.5:12) ìn de gemeente en in de bank, die deze zaken kunnen verwerken en verstaan? Is het niet de gemeente die zich leraars opgadert naar de eigen begeerlijkheden? Ook al is het waar dat de rechte prediker zich daardoor niet zal laten leiden.
Misschien maakt dit op onze jeugd en op eventuele aspirant voorgangers wel een zodanige afschrikkende indruk, dat zij hun toekomst op een ander gebied zoeken. Ik kan mij dat begrijpen. Voeg hierbij het aantal gemeenten dat in een conflictverhouding is verwikkeld met de predikant, dan zal dit ook al niet aanmoedigen. Met daarbij het verschijnsel van twist en strijd binnen de gemeenten. Het is dus echt wel eens goed om grondig na te denken over het gebrek aan geestelijke leidslieden in de kerken. We mochten er als gemeenten wel mee in de schuld komen voor het aangezicht des Heeren. Hoe ernstig als we van alles kunnen begrijpen, omdat we zo hoog zijn opgeleid, terwijl we de elementaire beginselen van de Schrift niet kunnen volgen. En dit geldt nog niet eens van de jeugd zozeer; er zijn  naar verhouding veel meer ouderen, die leven op een laag verstaansniveau. Jonge mensen zijn eerder bereid hun tijd en aandacht te geven aan de inhoudelijke rijkdom van de Schrift.
Wat het gebrek ook zij, de kerken hebben behoefte aan hen die de gang naar kansel en gemeente begeren. Daarvoor hebben we onze TUA en ook het jaarlijks onderzoek door het curatorium. Ik ben ervan overtuigd dat er jonge mannen zijn die worstelen met de vraag naar hun roeping. Laten zij zich niet weerhouden laten door de moeilijkheidsgraad van het werk. Het hangt immers niet af van die moeiten, maar alleen van het feit of de Heere met ons is. Profeten en apostelen hebben zich ervoor over gehad om te staan voor de waarheid van het Woord Gods. Dat is tot opbouw voor de gemeente en het is tegelijk zo heilzaam voor mens en maatschappij. Bedenk, jonge mensen, dat de recht Schriftuurlijke prediking het beste medicijn is voor de moderne mens met zijn noden. Een trouw gezant is medicijn. Daarmee vergelijkt Gods Woord de rechte prediking. Onder die prediking gebeurt iets, daar werkt de Heilige Geest het geloof. Die prediking is een tweesnijdend scherp zwaard, dat elke vorm van vijandschap bestrijdt, ook het verzet in onszelf, in onze ziel en zelfs in ons merg (Hebr.4:12). Die woordbediening is niet alleen het zout in de spijzen, maar het is ook de spijze zelf. Er is toch niets rijker dan op die wijze bezig te zijn tot waarachtige opbouw voor de gemeente en de hoorders. Hoe goed het soms kan zijn om de wereld nog te willen bereiken met het Woord, deze neiging kan toch anderzijds voortkomen uit een vastgelopen situatie in de gemeente. Die gemeente is de bruid van het Lam, ze is de kudde van de goede Herder, ze vormt het eigen lichaam van Christus. Daar eerst hebben we onze verantwoordelijkheden. In dit verband zij het slechts terloops opgemerkt, dat het zo levensgevaarlijk is om andere vormen en wegen te zoeken voor de gemeente ( en bestaande vormen op te geven) om zodoende gemeenten in de wereld te kunnen planten. Waarom toch de gewortelde plant verwaarlozen om een jonge twijg alle kansen te geven?
Ik heb zo-even de ambtelijke dienst vergeleken met Bijbelse zaken als een medicijn, een zwaard; er zou meer aan toe te voegen zijn. Paulus spreekt in beelden als vader en voedster(1 Thess.2:7), hij geneest en is helend aanwezig voor de gemeenten, enz. Maar zeker, hem overvalt ook dagelijks de nood van de gemeenten. Er wordt trouwens ook nu gesproken over lijden aan de kerk of zelfs ziek zijn van de kerk. Dat zijn zeker geen aanbevelingen voor het ambt, maar alle wegen zijn ook niet gelijk. Het geeft wel aan dat gemeenten en kerken zich bewust moeten zijn dat de voorganger het niet alleen kan. We hebben elkaar zo hard nodig, op en onder de kansel.
Voor de opleiding, voor jonge broeders, voor dienende en soms zuchtende ambtsdragers is de bede van zo groot belang: "Ontwaak Noordenwind en kom Gij, Zuidenwind, doorwaai mijn hof….”. Versterk de trage handen en de slappe knieën! Dat betekent de noodzaak van bekering voor ons allen. Voor de gemeente, om zich te onderzoeken op de behoefte aan een  grondige en een gezonde prediking. Het vraagt bekering van ons als dienaren, om te smeken om die overtuiging, die ons sterk maakt temidden van de aanvechtingen van deze tijd, ook al zijn  we in onszelf zwak en ellendig. Kerk en school zullen daarvan de baten ondervinden. Maar hoe zal de kerk opstaan uit haar geestelijk verval?
Juist daartoe gebruikt de Heere in de eerste plaats de zuivere en de rechte prediking. Het zwaard op de kansel en de medicijnen tegen allerlei kwalen en noden. De prediking lijkt zo ontzonken aan het hoge doel: "Uw pijlen zijn  scherp, zij zullen treffen in het hart van des Konings vijanden”. Zo heeft ook de Heere Jezus het gedaan. Zonder enig aanzien des persoons, zonder het vlees te sparen, zonder de rokende vlaswiek uit te blussen. U en ik, wij zijn er allen van overtuigd dat we het ook zo moeten doen. Ieder zal toestemmen in onze eeuw dat de prediking nog steeds zonder aanzien des persoons moet plaats vinden. En toch….., doen we dat ook? Of verstrikken we ons op de kansel toch weer niet met allerlei zaken als "tact en wijsheid”, die toch soms heimelijk, onbewust en ongemerkt, de waarheid het zwijgen opleggen? Zien we werkelijk de hoorder niet aan als bepalende factor voor de preek? Speelt deze of die gemeente in haar ligging niet mede een rol, als we het Woord brengen? Daar mogen we toch met elkaar niet aan meewerken?

Ik sprak over jonge broeders, die worstelen met een roeping voor dit treffelijke werk. Ik geloof zeker dat er jongeren zijn, die weten dat de Heere moed en kracht wil geven. Tot heil voor de kerken. Maar vooral tot de eer des Heeren, waarom het alles toch moet draaien. En zullen we daar zelf niet wel bij varen? Het woord uit Spreuken zij ons allen tot aansporing:
Zijt naarstig, om het aangezicht uwer schapen te kennen; zet uw hart op de kudden.
Want de schat is niet tot in eeuwigheid; of zal de kroon van geslacht tot geslacht zijn?
Als het gras zich openbaart, en de grasscheuten gezien worden, laat de kruiden der bergen verzameld worden.
De lammeren zullen zijn tot uw kleding, en de bokken de prijs des velds.
Daartoe zult gij genoegzaamheid van geitenmelk hebben tot uw spijze, tot spijze van uw huis, en leeftocht uwer maagden.
Dat zijn rijke beloften voor de kudde en voor de herder!

           


BREUKEN           2009

We beleven dagen van ongekende communicatie. We kunnen mobiel met iedereen praten en technisch gesproken loopt de maatschappij over van contacten. En toch zijn de mensen  eenzaam. Het blijkt slechts vluchtig en zonder inhoud te zijn.
De kerk lijkt hierop geen uitzondering te maken. Veel gepraat, maar geen echt gesprek. Ook in onze kerken. We zijn het Bijbelse woord "elkaar” kwijt .

gebroken kerken

Het was al langer bekend, dat er in Purmerend een geïsoleerde actie had plaats gevonden. Toen het algemeen bekend werd, deed het bericht uit Purmerend veel stof opwaaien en veroorzaakte het ook veel onrust. Het RD wijdde er een apart bericht aan. Dat bericht maakte de zaak er niet beter op. Visitatoren zouden feitelijk hun fiat gegeven hebben aan de mevrouw, die zou voorgaan in de kerkdienst. Bovendien werd erbij gezegd dat het een noodmaatregel was, terwijl enkele zinnen verder stond dat er altijd een ouderling in de dienst aanwezig was. Elders wordt de indruk gewekt dat het slechts om een "preekleester” zou gaan. Ook dat is verhullend taalgebruik.
Ingrijpend! Een vrouw op de kansel.
Een nieuw hoofdstuk is aangebroken in de geschiedenis van een kerk, die juist 175 jaar bestaat. Een herdenking van dit feit kan alleen maar bestaan in een biddag, niet alleen vanwege de economische, maar ook vanwege de geestelijke crisis. Individualisering, u kent het woord inmiddels vast wel. Ieder gaat zijn eigen weg. Ieder leeft voor zichzelf. Het gebeurt in gezinnen, in Nederland, in kerken. Andere berichten voegden zich hierbij. Twee gemeenten besloten de tweede dienst op te heffen. Ik herinner me nog de discussies die in de Gereformeerde kerken werden gevoerd over de opheffing van de tweede dienst. Heel het kerkverband dacht mee. Dat gaat nu anders. Alsof het een peulenschil betreft.
Ik had er een paar maanden geleden ook geen lust toe, om het artikel in de Wekker te weerspreken over de jeugddiensten in Groningen. In de Wekker werd het bijna als een succes gebracht, zonder  commentaar. Dat vond ik jammer. De redactie ging vast en zeker niet mee met de teneur van het artikel, maar het was beter geweest er kanttekeningen bij te plaatsen..
Veel jongeren komen op deze diensten af, net als destijds het geval was met de jeugddiensten in andere kerken; de praktijk heeft geleerd dat het snel voorbij kan zijn. Een pan spinazie. Ik heb jaren geleden al de klacht van oudere mensen uit Groningen vernomen, dat er vrijwel geen gewone diensten meer zijn: veel lawaai en minder inhoud.
Ik had moeite met de euforie omdat ik een tijdje daarvoor een jeugddienst had gevolgd via internet. Ik kwam op het idee vanwege een Vrijgemaakte dienst die binnen de eigen kring (n.b.) groot opzien baarde. Ik vroeg me toen af hoe het er in onze CG gemeente aan toeging. Er werd in een jeugddienst gepreekt over de hel. Een te waarderen themakeus, omdat de predikant er blijkbaar van overtuigd was dat ook over dat onderwerp moest gedacht worden. Inhoudelijk was het echter teleurstellend, omdat de strekking van de preek voor mijn gevoel was dat je, als je verantwoord handelde, voor de hel niet bang hoefde te zijn. Dat leek me te weinig gezegd. We moeten er wél beslist bang voor zijn, naar het eigen woord van de Heere Jezus. En het is nog niet eens een halve waarheid te zeggen dat we het zelf min of meer in eigen hand hebben. Dat hebben we juist niet, omdat wij van nature de verkeerde keus maken. En dat besef brengt dan, als het goed is, op de knieën om een geredde ziel te verkrijgen voor de eeuwigheid. En dan pas kan de vrees wegvallen, maar dan vanuit de genade.
Liturgisch was het een triest gehoor. Drama, muziek, preek ze spraken een andere taal dan goed is. Geen CG herkenningspunt deed zich voor.  Maar de dominee rechtvaardigde dat in de Wekker als volgt: als Christelijk Gereformeerd een kwestie is van zwarte pakken en kerkorgels, dan zijn wij dat niet. Als dat waar is dan ben ik het wel (R). Maar dat is niet waar. Er is meer voor nodig. En dat stelt zowel hem alsook mijzelf voor grotere opgaven. Ten overvloede vermeld ik dat ik de predikant hierop heb aangesproken. Zijn enige reactie kwam hierop neer dat hij mij sterkte wenste met mijn artikel in BhP.

Drie echt opzienbarende zaken!
Het valt me moeilijk om hierover te schrijven. We moeten vaststellen dat onze kerk bezig is uiteen te vallen. Dit is niet meer alleen verschillend denken, het is ook verschillend handelen, verschillend geloven. Niet alleen symptomen, want deze praktijk komt veel breder voor. Onze kerk is, wat betreft de eenheid, niet meer te redden. Als men zulke dingen doet, worden grenzen volkomen geminacht. Die minachting geldt het kerkverband, het geldt ook anderen in de kerk. De facto, in geestelijk opzicht bestaan onze kerken als kerk niet meer. Organisatorisch wel, maar geestelijk niet. Visitatoren, consulenten, classes, Synoden, ze hebben geen gezag meer of oefenen het niet uit. Er is immers oneindig veel meer te noemen. Maar voor ons ligt hier een breuk, geen breuk die ons direct  uiteendrijft, maar wel een geestelijke breuk. En het gaat niet alleen over zwarte pakken.
Geen zaak van genoegen om hierover te schrijven. Zijn het de beroepsklagers, die aan de noodrem trekken? Dat beeld verspreidt zich. Ik noem hen liever klokkenluiders, een duidelijke en eigentijdse term uit onze dagen. Nu echter ben ik dus toch zover gekomen dat ik opnieuw bepaalde uitglijders wil signaleren. Het is daarbij zo onbegrijpelijk dat de zaken worden toegedekt. Dan komen Bijbelwoorden als de kracht der dwaling en een geest van een diepe slaap wel onweerstaanbaar boven drijven.

gebroken gemeenten

Maar er is nog een reden waarom ik nu de zaken aan de orde stel. En dat heeft voor mijn gevoel een nog droeviger reden. Dat is het zonder dat ook al. Als we onze kerken lief hebben, doet het pijn als de zaken zo snel verworden.
Zaterdag jl. heb ik tijdens de ontmoetingsdag reeds aangegeven waarom er nog een reden is om treurnis te hebben over de kerk. En ik geef eerlijk toe dat een mens niet zo snel treurt over de ontwikkelingen. Het is iets dat de Heere nog geven moet, anders slapen we voort.
De andere reden is dat er nog veel dichter bij huis zoveel kerkelijke misstanden bestaan. Allereerst, ook dat heb ik getracht in het verleden wel aan te geven, bij mijzelf. Dat moet voorop gesteld worden. Wij hebben allen onze verantwoordelijkheid. Ik ben mede verantwoordelijk voor de kerk, als we het goed stellen. In die zin ben ik zelf ook aansprakelijk.
Dat vooropgesteld. Maar met dat "dichter bij huis” bedoel ik de kring van gemeenten, die heel dicht bij me staan. Ik voel me er sterker mee verwant als met de zo-even genoemde gemeenten. Ook in de kring van deze gemeenten gaat het niet goed. In gemeenten waar ik de zondagen doorbreng, die ik als bijna vijftig jaar ken en liefheb.
Wat is er in onze gemeenten aan de hand?
We horen van kerkenraden die het in het oog van de gemeente altijd verkeerd doen. Er zijn predikanten die in hun gemeente zwaar onder vuur liggen, zodat ambtelijke arbeid stil ligt of ernstig bemoeilijkt wordt. Ze gaan door diepe dalen. We kunnen in meerdere gemeenten rustig spreken van een gezagscrisis, een vertrouwenscrisis. Dat raakt me persoonlijk en u ook meer dan de verschijnselen in gemeenten die meer buiten onze horizon liggen, al willen we elkaar niet uit het oog verliezen.
Blijkt uit dit alles feitelijk niet dat ook wij evenzeer te lijden hebben onder modernistische invloeden, ook al houden we alles bij het oude? Zo gaat het in de wereld immers ook. Ik hoorde vanmiddag een uitzending over de algemene beschouwingen. De voorzitster moet geruime tijd wachten, want meer dan de helft van de afgevaardigden was er nog niet. Kinderen die niet op tijd in de les zijn, waarschijnlijk omdat er iemand gaat spreken die men negeert. Als u dan de harde taal hoort van politici, wat in wezen niets anders is dan de ander afbreken ter wille van de eigen status, dan wordt het des te erger als het in de kerk zo ook toegaat.
Het zou dus een verkeerde slag zijn als we denken op te komen voor de behoudende prediking, terwijl we innerlijk daar niet bij leven. Dan gaat alles een hypocriet karakter vertonen.
Misschien denkt u dat we deze dingen aan de kerkelijke vergaderingen moeten overlaten. Laat het onderwerp rusten! Maar we hebben het er allemaal in de wandelgangen wel over. Er komt een tijd dat zwijgen niet langer kan. Niet de kerkelijke vergaderingen dit keer (natuurlijk, ook die wel) maar nu is de beurt aan u en aan mij, aan ons persoonlijk. Het is toch uw kerk? Ook u hebt een verantwoordelijkheid, namelijk de zaak van het gebed. Dit zal een gebedszaak moeten worden; en dan in de zin van Daniël: wij hebben gezondigd. Kerkelijke handelingen zijn mensenwerk, hoe nodig overigens ook. Maar bidden is geestelijk werk; en daar ligt de breuk. Daar hebben wij in ieder geval allemaal gefaald. Dat moet openlijk uitgesproken worden. Dat zou aan onze gesprekken en handelingen een heel andere inhoud kunnen geven. Schuldbesef leide tot gebed.

En verder?
Hier zal de Heere alleen uitkomst kunnen geven. Daarna moeten we allemaal de hand aan de ploeg slaan. Allereerst wij, predikanten. We zijn ook kinderen van deze tijd, oud en jong. En zeker zijn gemeenten soms niet makkelijk, maar we moeten meer luisteren naar het apostolisch vermaan, dat een dienaar niet twisten moet, maar vriendelijk zijn, bekwaam om te leren en die de kwaden kan verdragen (2 Tim.2:24). Ik moet de eerste zijn om te weten wat dit betekent en hoe vaak we niet beantwoorden aan het doel. Maar zwakheden moeten als zonden aangemerkt worden. Ook onder dienaren des Woords. Gemeenten kunnen te lijden hebben onder ons optreden.
De gemeenten moeten absoluut bekeerd worden van de vermeende mondigheid en kittelachtigheid, die velen kenmerkt. U merkt dat ik noch deze, noch gene bijval want wie ben ik om dat te doen? Maar er waait een verkeerde geest door veel gemeenten. Allerlei menselijke twisten staan de Geest in de weg. Oprechte dienaren hebben zwaar te lijden onder de liefdeloosheid van gemeenteleden, die soms nog maar al te vaak gelijk krijgen. Dat zijn tekenen van verval. Ik heb al lang de stille vrees dat velen ook onder ons de innerlijke overtuiging missen dat de waarheid van Gods Woord en de Gereformeerde belijdenis het waard zijn om ervoor te staan en ervoor op te blijven komen. We brokkelen langzaam af en geven stap voor stap toe. Sommigen glijden weg en spreken te vaag over het bewaren van de rechte beginselen. Tot die beginselen behoort ook de waarachtige beleving, die bewaart voor twisten en conflicten.
De kerkenraden hebben wijsheid nodig. We hebben het Woord, we hebben de Kerkorde en daar moeten we onze handelingen op gronden.
Alleen een geestelijke herleving kan de kerken en de gemeenten nog redden. Dat sluit zeker de middelen niet uit. Maar het is tekort als we denken: de classis komt bij elkaar, besluiten worden genomen, er vallen klappen enz. Zonder de Heere is dit loze kalk.
Het gaat om mensenlevens, in en buiten het ambt. Het gaat om zielen, op reis naar de eeuwigheid. Maar bovenal: het gaat om Gods eer! U moet zich de ernstige vraag voorstellen wat er over twintig jaar nog over is van kerkelijk Nederland.
In de weg van gebed is er zeker hoop. Van God uit gedacht. Maar de noodzaak van bekering moet breed gaan leven, niet alleen voor Groningen of Zwolle; dat weten we al lang en die kant moeten we ook uitkijken, maar de moeilijkste les is: ook voor ons. En dan staan we allemaal, Noord en Zuid, naast elkaar. Dan moeten we zeker elkaar vermanen, maar vanuit die waarachtige bekering zal de Heere dan opstaan en Zich ontfermen over Sion, want de bestemde tijd is dàn gekomen en dan zullen haar dienaren een welgevallen hebben aan haar stenen en medelijden met haar gruis; en dit alles wordt werkelijkheid op het gebed van hem die gans ontbloot is (Psalm 102). Zo begint het bij God, zo daalt het neer op de dienaren en wordt de bede van de gemeente gehoord. Zoeken we samen die weg!

 

SCHOOLDAG          2010

De jaarlijkse schooldag gaat verdwijnen. Een pijnlijk besluit. Zeker voor hen die aan de TUA hun werkkring hebben. Men kan de teruglopende belangstelling voelen als een geringschatting van het vele werk dat in Apeldoorn verricht wordt. Ook ik vind het jammer dat het zo loopt.

Men zou mij echter onmiddellijk kunnen vragen waarom ik dan zelf ook gedurende vele jaren afwezig ben geweest. Ik kan niet om die vraag heen als ik mijn spijt uitspreek over het verdwijnen van deze dag.
In ieder geval is de reden niet dat ik het geheel oneens ben met de invulling van het programma. Doorgaans is deze dag niet kerkelijk eenzijdig ingevuld. In het verdere verleden is dat misschien wel eens zo geweest, maar voorzover ik mij deze bijeenkomsten van de laatste tijd herinner, waren deze afgestemd op het beginsel van onze kerken. Dus eigenlijk moet ik beginnen met een "mea culpa” uit te spreken.
Als ik zoek naar redenen waarom ik er niet was, denk ik dat het meest voorkomend excuus is: er waren meestal andere bezigheden. Zeker in die jaren waarin ik bestuurslid werd van "Bewaar het pand”, betekent dit dat ik op twee andere Zaterdagen present wil zijn op de Panddagen. Dat zal de voornaamste reden zijn. Maar er is ook sprake van een te gemakkelijke onttrekking en verwaarlozing.
Het bericht geeft mij aanleiding tot enkele overwegingen. Weet u wat de mooiste oplossing zou zijn? Dat we van de Schooldag en de Panddagen één ontmoetingsdag  zouden kunnen maken. Want dat zou inhouden dat onze kerken weer een eenheid zouden vormen. Voor ik verder hardop nadenk, moet u eerst weten dat ik deze en volgende regels absoluut schrijf op persoonlijke titel. Het zijn zo maar overwegingen die bij mij opkomen, nadat ik het bericht las. Ervan uitgaande dat de Schooldag en de Panddagen inhoudelijk ook weer niet zo heel ver van elkaar afliggen, zou het in een tijd van verbrokkeling mooi zijn als er ook weer eens iets bij elkaar zou komen.
Maar: één centraal geregelde dag, waarop de hele breedte van onze kerken vertegenwoordigd zou zijn, kan niet. Daar ben ik van overtuigd. De uiterste grenzen van onze kerken liggen te ver uit elkaar. Wie het kerkelijke leven volgt, weet dat. Als emeritus kom ik ook in gemeenten die anders gestructureerd zijn dan ik zelf, en dan voel je wel afstand. Maar ook op  dit punt moet ik relativeren. Kerkenraden zijn steeds voorkomend en tegemoetkomend, ook al worden zij geconfronteerd met een anders gerichte prediking. Men stelt zich doorgaans verdraagzaam op, maar dat neemt niet weg dat de afstand duidelijk bestaat en ook gevoeld wordt. Er is verschil tussen verdraagzaamheid en overtuiging. We kunnen over de verschillen na afloop ook meestal heel eerlijk spreken. Daarom wil ik me ook niet onttrekken aan de vraag om in zulke gemeenten te preken.
Schooldag en ontmoetingsdag hebben een andere doelstelling. Panddagen zijn ontmoetingsdagen, terwijl de Schooldag zich afspeelt rond de TUA. Ook daarom is de gedachte van een centrale bijeenkomst niet realistisch.

Er was een tijd dat de gehele kerk op de Schooldag vertegenwoordigd was. Uit Zwijndrecht, waar mijn vader toen predikant was, reed jaarlijks een bus. Het was de tijd van de toogdagen. Het leefde toen. De School bond samen en men was tegelijk een dagje uit. Sinds de komst van de auto werden we individualisten. Ieder reist op zichzelf. Naar de Schooldag, naar de kerkdienst, naar…. de hemel? We hebben niet zoveel meer met elkaar. We hebben elkaar ook niet meer zo veel te zeggen?
De Schooldag toen was een belevenis, voor mijn ouders, ook voor ons als jongeren. Uit het hele land stroomden de touringcars binnen in Apeldoorn. Er werden contacten gelegd en onderhouden. Daar klopte het hart van de kerk. Er werd met ontzag opgezien naar mannen als Van der Schuit, van der Meiden, Wisse. Dat waren onze voortrekkers. Zij leidden de kerk. De studenten werden op zo’n dag gemonsterd, want zij vormden de nieuwe lichting voorgangers. En ook al preekten toen niet alle dominees overal, als men elkaar sprak viel het lang niet altijd tegen. Eens werd een jubileumschooldag gehouden in vier kerken vanwege de grote toeloop. Prof. Wisse sprak er en wie kon dan nog denken dat er niets goeds meer was. Zo’n naam stond garant ergens voor.
Heeft alleen de auto dit veranderd? Nee, zeker niet. Gaandeweg werd ook wel eens een ander geluid gehoord en dat gebeurde steeds meer. Dat werd dan ook kerkbreed uitgemeten. Maar zelfs dat was het niet alleen. Hoewel het wel meedeed in de publieke opinie. Toen de dagen rond ons blad opgestart werden vanwege een zekere verontrusting  was er plotseling weer de oude gloed. De grote kerk in Zwolle was niet te groot. De ruime Bethelkerk in Sliedrecht hadden we qua grootte hard nodig. Maar ook dat veranderde langzaam maar zeker.
Lag dat aan de sprekers? Misschien ook wel. Niet direct wat betreft het beginsel, maar wel als het gaat over het overwicht dat de generatie van leidslieden uit die tijd had. Persoonlijkheden vervaagden door de jaren heen en met hen hun woord. De mannen broeders van weleer stierven uit.
Natuurlijk zegt dit alles, zowel in Apeldoorn als in Urk en Werkendam ook iets over het kerkvolk. Niet zozeer de auto, maar het hart, de ziel was medebepalend. Jonge mensen lijken het niet meer zo in zich te hebben. Naar een EO-jongerendag dan? Of een familiedag? Ik weet niet in hoeverre deze dagen de taken onder onze kerkmensen hebben overgenomen. Zowel de Schooldag als ook de Panddagen zijn anders gestructureerd; zou het daaraan liggen? We zien de aandacht voor de Panddagen in ieder geval ook afnemen, in Werkendam, in het Zuiden (!) nog meer dan in Urk. In een vorig artikel heb ik goede woorden over Urk gesproken, maar nu moet ik de vraag stellen, als ik het oog heb op de aanwezigheid van Urker inwoners tijdens deze dagen: Waar zijn de negen?
Niet alleen jongeren zijn niet meer zo massaal aanwezig, ook kerkenraadsleden en predikanten worden over de hele linie gemist. Zijn we met elkaar zo individualistisch geworden? Dat individualisme betekent natuurlijk ook dat we het allemaal zelf wat beter denken te weten dan de buurman. Wat gelooft gij dus van de gemeenschap der heiligen?
Dit alles is met een gezamenlijke touringcar niet meer op te lossen. Andere vormen of meer klantvriendelijke toenaderingen zullen dat ook niet kunnen.
We zitten allemaal met een gemeenschappelijk probleem. Dat geeft aan alle kanten zorgen. Het drukke leven verslindt onze tijd. Die bewuste dag is al ingepland voordat de Schooldag zich aandient. Onze agenda biedt geen gelegenheid meer, ons hart heeft er niet zo’n behoefte aan. Want je geestelijke leven hangt toch niet van zo’n speciale dag af? Dit soort redeneringen hebben al wat goede gebruiken helpen verdwijnen! Het hangt er zeker niet van af, het hangt ook niet van de tweede kerkdienst af. Maar alles bij elkaar dan? Geen binding aan het beginsel, geen gemeenschapszin? Onze kinderen slaan de training van de voetbalclub niet zo makkelijk over. Er ontstaat een ernstige botsing van belangen als de catechisatie en de voetbal op hetzelfde tijdstip zitten. En pa is er druk mee; hij moet immers langs de lijn staan en de dominee, als hij echt indruk wil maken, doet het soms ook. En dan krijg je een heel ander gevoel als in de kerk en krijg je ook andere interesses en andere contacten. Begrijpt u dat er iets heel erg veranderd is? Kerkelijke dagen zou je kunnen schikken onder de marktdagen van het Evangelie. En wij allen hebben er aan meegedaan dat de handel terugliep.
Zou het niet goed zijn als we samen één dag zouden plannen? Zeker, maar dan een dag van verootmoediging en wederkeer. Over onze gemeenschappelijke zonden. Het is een ernstig geestelijk probleem. We zijn elkaar kwijt en daaraan merk je dat je misschien ook het beginsel en zelfs dat je God kwijt bent. Die conclusie is niet overtrokken. Die is waar.
De WK gaat het straks bewijzen. Gemeenschapszin genoeg. Maar niet in de kerk, niet rond de Avondmaalstafel.
Ik heb dit artikel geschreven uit medeleven met de TUA. Ook met het doel tegelijk eens lijnen te trekken naar onszelf toe. Ook wij krijgen in de kring van Bewaar het Pand te maken met hetzelfde verschijnsel. Eenmaal riep de profeet uit: "Blaast de bazuin te Sion, heiligt een vasten, roept een verbodsdag uit. Verzamelt het volk, heiligt de gemeente, vergadert de oudsten, verzamelt de kinderen……”

P.S. Onze stichting staat tòch vermeld in het Jaarboek: op blz. 220/221 onder de aansprekende titel "Diversen”. Ik was de vorige keer dus abuis. Dank aan hen die mij hierop wezen! 

 

GENERALE SYNODE         2010

Over enkele weken beginnen de werkzaamheden van de Generale Synode, het hoogste overlegorgaan van onze kerken. Ik kan ook schrijven: het hoogste besluitorgaan, maar dat vraagt om een kanttekening. De kerken zijn in hun breedte en diepte vertegenwoordigd. Hoewel ook daar iets bij gezegd moet worden. Ware dit het geval, dan zou Urk wel bijna een hele tafel mogen bemannen en dat zou voor de uitkomsten weer een heel ander resultaat geven……

Die laatste overweging maakt het al een beetje lastig om hoog aan te kijken tegen deze vergadering. Het grondvlak ziet er anders uit dan de Synodale verten. Ik wil dit graag met nadruk stellen opdat wij en anderen buiten onze kerken zich niet op een Synode verkijken. De GS is niet zonder meer het gezicht of het boegbeeld van onze kerken. De Synode kan voorstellen aanvaarden, terwijl het grondvlak deze zou verwerpen.
Heeft de Synode een duidelijk gezicht? Wie de kerken op betrokken wijze volgt, heeft de namen van de afgevaardigden al getaxeerd. Het is opmerkelijk: predikanten vooral zijn hun leven lang identiek en onlosmakelijk verbonden met en zelfs vastgeketend aan hun imago. Het soortelijk (geestelijk) gewicht van onze broeders staat vast. Dat ontstaat al voordat men ooit een kansel betreden heeft. Je wordt er je leven lang aan afgemeten en beoordeeld, als er geen opzienbarende wijzigingen optreden. Dat is natuurlijk niet goed. Op die manier worden sommigen over het paard getild en anderen worden zonder meer veroordeeld. Dat laatste gebeurt erg snel en makkelijk. Daar mogen wij niet aan meedoen. Maar predikanten hebben er zelf ook aan bijgedragen dat men een bepaald beeld van hen heeft.
Nog een zijdelingse opmerking: Deze weging bewerkt dat zij niet in alle gemeenten gevraagd worden om voor te gaan. Dat wordt als negatief ervaren door velen. Toch lijkt me dat onjuist. Dit zal hopelijk meestal niet gebeuren vanuit een geveld oordeel over een persoon. Ik voor mij zie het zo: iedere gemeente houdt onbewust een bepaalde volgorde aan in het rangschikken van de namen van voorgangers. Dat gebeurt niet alfabetisch. De volgorde heeft te maken met factoren als bekendheid met iemand, vertrouwen in een dienaar, gaven die hem verleend zijn, geestelijke verbondenheid, enz. Dus als in een gemeente sommige broeders nooit voorgaan, laat dat dan maar te maken hebben met de volgorde die men aanhoudt. Ieder kan niet op de eerste of de honderdste plaats staan. Het hoeft en het mag geen kwestie zijn van iemand veroordelen. Ik heb er zelf vrede mee dat er veel kansels onbereikbaar zijn. Niettemin heb ik in veel gemeenten gepreekt die anders denken dan ik en dat gaf aan beide zijden geen moeite, zo hoop ik, maar op den duur worden de accenten duidelijker en meer divers. En verder zou het niet goed zijn als iedere dominee op alle kansels zou komen!
Als ik een raad mag geven: we moeten een voorganger beoordelen naar zijn prediking, zijn pastoraat, zijn persoon en zijn beleid. Dat laatste mag niet vergeten worden. De preek kan aanslaan, het beleid staat soms haaks op het uwe in uw gemeente.
Moeten we een voorganger eigenlijk wel beoordelen (niet: veroordelen)? Ik meen van wel; de gemeente met de kerkenraad voorop, moet o.m. ook op gepaste wijze kritisch luisteren of de prediker de volle raad Gods verkondigt.

Uit mijn herinnering van enkele Synoden die ik als afgevaardigde heb meegemaakt, vormt zich een zeker beeld van de wijze waarop besluiten worden genomen. Ik ga niet op de hele procedure in, maar enkele zaken zijn voor u en de kerken van belang.
Iedere Synode heeft enkele hete hangijzers, die voor commotie zullen zorgen. Dat kan een kwestie zijn als homoseksualiteit of ook een eventuele acceptatie van de Nieuwe Bijbelvertaling. Meestal hebben wij en ook Synodeleden daarover een duidelijk beeld: je bent voor of tegen aanvaarding van genoemde zaken.
Een voorstel wordt in stemming gegeven, nadat er over gediscussieerd is. Bij een eenvoudige voorstelling van zaken loopt dat uit op een aantal voor- en tegenstanders. Met beide onderwerpen, die genoemd werden, zou het zo kunnen gaan. Het is dan òf aangenomen, òf verworpen. Gevolg: er zijn twee kampen en de eenheid staat onder druk. Maar de uitslag is wel duidelijk.
Nu zijn Synodale vergaderingen doorgaans correct en broederlijk van aard. Er blijkt in de dagelijkse omgang met elkaar een zekere verbondenheid, althans, in woorden en in die bepaalde situatie. We hebben veel meer wat verbindt dan wat ons scheidt.
Daarom valt het niet goed als er twee groepen of kampen ontstaan van voor- en tegenstanders. De eenvoudigste weg om dichter bij elkaar te komen, zou zijn dat we een voorstel formuleren dat uitgaat van de bekende woorden: enerzijds- anderzijds. Er zijn twee kanten aan de zaak. Met een dergelijke formulering ondervangen we al een stuk verdeeldheid. We blijven over de twee kanten van één en dezelfde zaak samen spreken.
Er zijn meerdere mogelijkheden. We kunnen woorden te hulp roepen als: "in feite” of "eigenlijk” of "ten diepste”. U bent wel tegen, maar eigenlijk kunt u dat niet altijd volhouden. Of: eígenlijk ligt de zaak gecompliceerder. Ik las pas een opmerking van iemand die het niet over kerkelijke zaken had: mensen die vaak zeggen "eigenlijk” of i.d. kunt u nauwelijks vertrouwen. Het oordeel van een wereldling!
Neem een voorstel. De intentie is: we zijn voor. Maar u kunt ook zeggen: we zijn er nù niet voor. We zijn in dit stadium niet voor. Dus zijn we tegen. Maar u hebt op de volgende vergadering de zaak al opnieuw op de agenda gezet. U schiet daar niets mee op. 
Een andere mogelijkheid: we nemen die vertaling aan, maar iedere kerkenraad en iedere predikant is vrij deze te gebruiken. Zo is het ooit gesteld en het leek geruststellend. Maar deze formulering is nu een slot op veel kansels. Gebruikt de voorganger onze vertaling of berijming niet, dan wordt het moeilijk. En dat is praktisch gezien begrijpelijk. Maar de formulering was destijds niet goed en het besluit was geen eerlijk besluit. We laten mazen open. We trekken geen lijn, scheppen geen duidelijkheid. Of is de ondertoon dat je er toch niet principieel op tegen kan zijn? Zoiets als een morele dwang?
Verder doordenkend: iemand zegt tegen te zijn om die en die reden. Maar de voorzitter zal haastige pogingen doen, om aan dat bezwaar tegemoet te komen. Vriendelijk wordt gesteld: U hebt eigenlijk wel gelijk; de zaken liggen ingewikkelder. Dus wordt er een amendement opgenomen met de vraag: zou het zo kunnen? Bent u nu voor?
U begrijpt mij: we werken aan op een compromis, op een middenweg, of, zo zal iemand zeggen, op kerkelijk evenwicht. Een evenwichtig besluit. Prachtig dat we ons allemaal daarin kunnen vinden. Maar het volk noemt het een compromis.

Hoe moeten we hier tegenaan kijken? Is een compromis altijd verwerpelijk? Is het niet van belang elkaar vast te houden? Hebben we als voor- of tegenstanders niet iets gewonnen? Ieder meent iets bereikt te hebben. Stel de zaken relatief en denk genuanceerd. Voor- en  tegenstanders kunnen zich in deze uitkomst immers vinden. Dat kan van voordeel zijn. Pas deze redenering bijvoorbeeld maar eens toe op een dreigende breuk in een huwelijk.
Er zijn ook nadelen. Het grondvlak begrijpt al die lange voorstellen en die omslachtige redeneringen van een Synode niet. Het kerklid, die is aangewezen op de krant, trekt zijn eigen conclusie. Dat doen ook kerkenraden. De GS sprak dat wel uit, maar als je het goed leest, is er enige ruimte of tenminste enig begrip om het anders te doen. De afgevaardigden komen later terug in de gemeente en daar werkt de sfeer anders. Werd de praktijk in Nunspeet niet wat verdoezeld? Dus….?
Hebben we wel iets bereikt? Hebben we als kerken iets tegengehouden? Bleek een paar jaar later weer niet dat het alleen maar wat uitstel is geweest? Nee nu eens de kerkelijke eenheid. We hebben de deur naar de NGK gesloten, toen het bijna niet meer kon. Het  resultaat? Via een andere weg staan we op elkaars kansels. We hadden wel bezwaren tegen Vrijgemaakte denkbeelden, maar waar zijn die bezwaren nu? Niemand ziet in bepaalde delen van de kerk nog enig verschil tussen beide kerken. De vakantieperiode is een goed excuus om helemaal samen te gaan. Gedane zaken nemen alzo geen keer.
De stijl van het compromis werkt ontegenzeggelijk vervagend en grensverleggend, ook misleidend. Elia of Johannes de Doper zouden er niet in passen.
Er kleven echter ook nadelen aan de al te simpele voorstelling van òf voor òf tegen. Dat weet u zelf wel als het over andere zaken gaat. U bent tegen echtscheiding, maar als het één van uw kinderen betreft, komen de zaken anders te liggen. We roepen allemaal om duidelijkheid, maar dat kan weer leiden tot simplisme, tot een ongenuanceerd oordeel. Dus liggen de zaken niet makkelijk. Voor de GS niet, voor ons niet. Wat is de beste weg? Hoe blijven we oprecht?
Ik denk dat ik moet zeggen dat we als afgevaardigden vroeger en nu alle wel hebben meegedaan aan het compromis. Was dat goed? Ja of nee, maar het zou ontactisch geweest zijn om er zonder meer tegen te zijn. Hiermee duid ik weer op een dilemma: tact of oprechtheid. Trekt u zelf uw conclusies.
Ik hoorde eens van een zeer getrouw dienaar in onze kerken. Hij hoorde twee mensen aan, die een twist hadden. Eerst hoorde hij de ene partij: u hebt gelijk. Toen de andere partij, ook met sterke argumenten, zodat hij hem ook gelijk gaf. Daarop zei zijn vrouw tegen hem: jij geeft iedereen gelijk. Waarop hij haar antwoordde: Jij hebt ook gelijk. Zeker, een dwaas voorbeeld, maar het geeft wel aan dat de zaken moeilijk kunnen zijn.
 
Maar, heeft een Synode wel gezag over de kerken? Daar wordt verschillend over gedacht. Een Synode kan al spoedig de autonomie van de plaatselijke kerkenraad aantasten. Dat kan een classis trouwens ook. Synoden hebben nut in algemene zaken zoals opleiding, zending of contact met de overheden. We moeten dus maar goed nadenken over de consequenties van allerlei besluiten. Het Independentisme heeft al lang toegeslagen. Meerderen hebben voorzichtig voor die weg gepleit. Is het niet de beste oplossing?
Tenslotte: ik las een opmerking van een leidsman uit de HHK. Een deel van onze kerken is sterk met deze kerken verbonden. Wederzijds staan de deuren naar elkaar open. Maar, zo schreef deze broeder: We kunnen toch niet bidden om eenheid met de CGK, want als dat gebeurde, zou daar de boel exploderen….. Dat is beschamend.
Zo heb ik (al te) menselijke overwegingen de revue laten passeren. Gelukkig zegt de Heere: "Mijn raad zal bestaan en Ik zal al Mijn welbehagen doen”. Het gaat zo het gaat. Wie daarbij mag leven, zal meer de knieën dan de woorden zoeken. Op de Synode, in de kerkenraad en in "Bewaar het Pand”.

 


Wat is er van de nacht?         2010

Gelijktijdig met mijn vorige artikel schreef Ds. Quant eveneens over de a.s. Generale Synode. Een onthullende ontboezeming. Wat we destijds vermoedden, werd in zijn woorden duidelijk: een mooi moment van verbroedering loste de eigenlijke zaken niet op. Verder stem ik geheel in met de zorgelijke toon, die in zijn woorden doorklinkt. U begrijpt dan ook dat ik graag nog eens wil meedenken over de toekomst van onze kerken.

 We moeten uitgaan van de kloof die er is. Ik ontken hiermee niet dat we nog niet veel goede dingen hebben in ons kerkelijke leven. Ik denk  aan zaken de opleiding, aan de broederschap dwars door de richtingen heen, aan het (nog) bestaande beginsel van onze kerken. In hoeverre zal de gesignaleerde kloof de toekomst bepalen?

Onze kerken zouden, wat niemand zal wensen, in het uiterste geval uiteen kunnen vallen. Gaat u maar na: De GS kan niet anders dan de deur naar de HHK breed openzetten. Dat gebeurde immers al naar de GKV. Waarom dan naar de HHK niet? Het is de eigenlijke kerk der vaderen, die teruggekeerd is naar de beginselen van Gods Woord. Ik weet dat niet ieder dat zo ziet, maar ik kan daar niet omheen. Welnu, dan ligt er zelfs een roeping, een plicht, om deze broeders de hand te reiken.
Maar het gevolg zal zijn: we krijgen en sympathiserend deel met de GKV en ook een ander deel dat sympathie heeft voor de HHK. Twee geheel verschillende bloedgroepen. Naar de mens gesproken zal deze gang van zaken onze kerken verder breken. Dat werd reeds gesteld door een scribent vanuit de HHK.
Hier wacht niemand op. Ik begeer die consequenties niet, maar het lijkt voor de hand liggend. We hebben het CGK beginsel lief, maar die liefde heeft grenzen. Er is althans minder liefde tot het Vrijgemaakte beginsel. Dergelijke uitspraken werden jaren geleden ook reeds duidelijk gedaan door wijlen Ds. J.H. Velema.
Zou het ooit zover komen, dan zou dat een groot verlies aan beginselkracht betekenen. Het beginsel dat onze kerken altijd hebben voorgestaan en uitgedragen, ligt in de lijn van de Schrift. Het is ontelbaar velen tot zegen geweest. En nog is er een deel dat juist die beginselen lief heeft.
We moeten ons ook de consequenties hiervan indenken. Hoe gaat het met de Universiteit, als onze kerken verder van elkaar vervreemden? Wat krijgen wij er in beide richtingen voor terug, als we zoveel verliezen? Ik heb reeds vaker opgemerkt, dat onze kerken toch diep wortelt in veler hart, ook van hen die onze kerken reeds verlaten hebben. In de prediking van onze kerken gaan zonde en genade op een evenwichtige wijze samen en is er ook een balans in zaken als roeping en verkiezing. Dat is lang niet overal zo. Ook de schriftuurlijk- bevindelijke accenten hebben een zegenrijke werking.
De komende Synode heeft verschillende zaken op de agenda staan die de eenheid van onze kerken nog verder kunnen doen afkalven. Maar als we eerlijk zijn, hebben we het punt reeds bereikt waarop we de vraag moeten stellen: Waar is die bewuste prediking van de Afscheiding nog zichtbaar?

In deze kerkelijke situatie zouden we de blik ook hoger kunnen richten. Zijn er nog profetische verwachtingen?
In geestelijk licht zou het zo kunnen gaan dat door steeds meerderen binnen de kerk wordt ingezien dat er dreigende ontwikkelingen wachten, die geen heil brengen. Het kan en het gaat ook gebeuren, dat de wereld ons meer en meer bijeen drijft. De aanzet tot deze dingen wordt reeds lang zichtbaar.
Voor de Heere is niets te wonderlijk. Er kan een verdiepte geestelijke belangstelling komen. De uitspraak over het vrouwenstandpunt van de SGP leverde wonderlijkerwijs een meer principieel doordenken van de zaak op binnen de SGP. SGP-jongeren stonden voor het eigen gedachtegoed van de partij. Dat was voor velen een verrassing.
Zo kan dat toch zeker binnen de kerken gaan. Er kan toch een wezenlijker besef ontstaan over de eigenlijke geestelijke waarden. De Heere kan daardoor een opwekking geven. We zullen gaan beseffen: we raken òf alles kwijt, òf we willen niets meer kwijt. En dan blijven we niet alleen wie we zijn, (want wat zijn we nog?) maar dan zal er een begeerte komen om weder te keren tot de Heere. De ware kerk zal dan gaan beseffen dat de wereld ons toch eigenlijk helemaal niets te bieden heeft. "Waarlijk, tevergeefs verwacht men het van de heuvelen en de menigte der bergen, waarlijk, in de Heere, onze God, is Israels heil” (Jer.3:23).  Dat gaat altijd samen met schuldbesef. Als de ogen opengaan, gaan we onszelf zien. We zullen ook zien wat er van God in Christus te verwachten is. Dat zal ook samengaan met een wegzenden van de afgoden en de ijdelheden.
Bekering is een persoonlijke zaak. Maar ook de kerk moet zich bekeren. De zaken liggen vanuit Gods Woord bezien heel eenvoudig. We kunnen druk zijn met de kerk en de gemeente en onszelf daarbij vergeten. De kracht van onze kerken heeft altijd gelegen in de aandacht voor het heil in Christus én de toepassing daarvan in alle verbanden van het leven, vooral in het persoonlijke leven. Daar moet alles beginnen. Bij u en bij mij!

Jeremia was een profeet die in grote bewogenheid zijn dienst heeft vervuld. Hij leefde in de vooravond van de ballingschap. Hij moest telkens weer het volk oproepen tot bekering. Maar hij stond zelf niet buiten die oproep. Ook hij, hoewel hij zuiver de woorden Gods overbracht, moest telkens weer teruggeroepen worden van eigen dwaalwegen (Jer.15:19). Met Daniël lag de zaak niet anders. Indien iemand, dan kon hij toch wel menen dat de Heere met hem was. Hij komt in het Woord naar voren als een man die in alle opzichten de Heere trouw gediend heeft. Toch is hij de eerste om te erkennen gezondigd te hebben tegen de Heere (Daniël 9).
Bekering begint bij mij. Ook bij u en bij de gehele kerk van Nederland. Maar dat persoonlijke begin is nodig. Daniël zei: wij hebben gezondigd. Ezra is een ander voorbeeld. In zijn dagen, zo kort na de ballingschap, was het verval al snel weer erg groot. Er is een vermenging opgetreden met de volkeren rondom Israel. Er leven vreemde vrouwen binnen het heilige volk. Als Ezra daarvan hoort, overvalt hem een diepe droefheid. Hij zit bedrukt neer tot de tijd van het avondoffer (Ezra 9:4). De nood van het volk overvalt hem. Als nu reeds het verval heerst, wat moet dan de toekomst brengen?  We zien in hem wat één enkel mens betekenen kan voor de zaak van de Heere. Deze ene man begint de zonden van het volk te belijden. Niet van terzijde, maar als lid van het volk.
Dit gebed va Ezra maakte zoveel indruk, dat heel het volk tot inkeer komt. Eerst zijn het degenen die voor de woorden van de God Israels beefden (9:4), en later is het een nog veel bredere groep van mensen die tot hem komen; "want het volk weende met groot geween”(10:1).
Dit zijn duidelijke voorbeelden voor allen dat wij persoonlijk de eerste moeten zijn, ieder voor zich, om bedrukt te zijn vanwege de nood van de kerk. Het avondoffer, ziende op het werk van Christus, biedt de uiteindelijke grond voor deze opwekking. Uiteindelijk was het de Heere Jezus, Die als Enige de nood van de kerk heeft gevoeld. Hij reinigde niet alleen de tempel van allerlei tempelzonden, maar Hij leed en stierf onder de zonden van de kerk. Wij allen hebben die tempel afgebroken, maar Hij heeft deze weer opgebouwd. Hiervoor aandacht te hebben is meer en beter dan allerlei kerkelijke beschouwingen over mensen en zaken.
Ik noemde Jeremia; hij bracht de boodschap der bekering aan het volk, maar hij kreeg zelf van de Hoogste hand te horen dat ook hij moest wederkerken. Laten predikanten, ambtsdragers, gemeentelijke leidslieden die oproep tot bekering persoonlijk ernstig nemen. De dingen zijn ernstig genoeg immers en de nood is groot.

Maar dan biedt de persoon van Jeremia ons nog meer lering. Het derde hoofdstuk laat ons dan zien hoe het er met het vòlk bij staat. Het volk als geheel verkeert in grote nood en moeite. Het Tienstammenrijk is reeds in ballingschap weggevoerd naar Assyrië. Het Tweestammenrijk is nog in Juda en het eigen land. Tien stammen reeds zuchtend onder het oordeel; het leek voor hen een verloren zaak. Twee stammen nog gespaard, levend rond de tempel. Daar heersten nog godvruchtige koningen. Daar kon men nog spreken van een geestelijk besef.
Maar hoor dan hoe de Heere deze beide delen taxeert. Het Tienstammenrijk krijgt de naam afkerige (3:6). We zouden verwachten dat Juda daar gunstig bij afsteekt. Het is dan wel schokkend dat Juda in Gods oog het nog erger gemaakt heeft dan haar zuster Samaria. Juda krijgt de naam Trouweloze. Beide volken staan naast elkaar in de zonde van de afval. Voor het oog was Juda er veel beter aan toe: de tempeldienst leefde en het Woord van God klonk en er waren soms nog heel godvrezende koningen. Maar in Gods oog is de zonde van Juda nog ernstiger dan die van Israel.
Van alle groepen en liggingen in de kerk moet dan hetzelfde gezegd worden. Of we modern of behoudend zijn, de vraag is hoe de Heere ons, de kerk van Nederland, ziet. Vrijzinnig of rechtzinnig, voor God zijn we allen schuldig.
Dus heeft heel de kerk, van Noord naar Zuid, bekering nodig. En dan hebben die beide rijken ons ook nog iets te zeggen. Beide volken hoorden voortdurend de oproep tot bekering. Hoe werd deze beantwoord? Israel (de tien stammen) bekeerde zich niet (3:7); Juda, de twee stammen, bekeerde zich niet tot de Heere "met haar ganse hart” (vers 10).
Ook dat is ontdekkend. Hoe het ook was, echte bekering kwam er bij geen van beide. De een wees het bot van de hand, de ander deed net alsof. Daar komt dan de schijnvroomheid om de hoe kijken. En dat kan ook weer heel leerzaam zijn voor de kerk van Nederland. Er zijn er velen binnen de kerk die de bekering niet van node hebben en deze daarom van de hand wijzen. Er zijn er ook die erover spreken en ernstig lijken om te gaan met geloof en bekering, echter met geen ander gevolg dan een schijnbekering. In Gods oog is die schijnbekering dan nog erger dan de volledige afwijzing.
Dat besef moet ook doordringen. Wie zijn we dus? We staan allen in de schuld tegenover God.
Als dit besef doordringt in de kerk, ook in onze kerken, is er nog hoop. Als we ten eerste persoonlijk gaan begrijpen dat het bij onszelf moet beginnen; en als we daarna gaan zien dat geen enkele partij of groep voor de Heere kan bestaan. Dan ontstaat de echte bezinning. Deze weg is de enige goede weg. Vanuit de mens is dit niet te verwachten, maar de Heere staat boven al onze onmogelijkheden. Laat het onze bede zijn dat de Heere zo zal doorwerken onder ons. Tot zegen voor land en volk en tot eer voor de Heere. De Heere zegt het heel eenvoudig: "Roep Mij aan in de dag der benauwdheid en Ik zal u er uit helpen en gij zult Mij eren”daar ligt alles in.

           

VOOR BIJBELS HOUDEN        2011

In de Synodale verklaring over homoseksualiteit hebt u deze woorden kunnen lezen. De pastorale handreiking van 1986 moeten we voor Bijbels houden, totdat….de GS 2013 daarover een uitspraak heeft gedaan, aldus een bericht in de Wekker. Totdat dus, niet zodat, want dat laatste zou een heel andere conclusie geven. Deze zin roept veel vragen op. De GS moet een uitspraak doen over een reeds gedane uitspraak. Een mogelijke koerswijziging wordt in het vooruitzicht gesteld. Er wordt mee gerekend. De waarheid voor dit moment is voorlopig en daardoor reeds nu verzwakt en welhaast vervallen.

Een opmerkelijke en tegelijk ook een onvatbare uitdrukking dus. Wat vandaag Bijbels is, kan het morgen niet meer zijn. Of het is dringend aan herziening toe. In de politiek kwam de term "voortschrijdend inzicht” in zwang. Ieder zal eerlijk moeten erkennen dat er in zijn levensgang ontwikkelingen zijn geweest inzake bepaalde onderwerpen; het betreft dan geen zaken van leven of dood. Bedenkelijker wordt het als we allerlei uitspraken of beloften later inslikken en er geen weet meer van hebben. Als een politieke partij haar beloften niet kan waarmaken, wordt er gemakshalve ook gesproken van voorschrijdend inzicht.
Is dat werkelijk altijd negatief te duiden? Er zijn voorbeelden in de geschiedenis dat de kerk in haar spreken over allerlei zaken een positieve ontwikkeling doormaakte. Denk maar aan de slavernij. Onze synode zal het misschien in deze zin bedoeld hebben. Moet je er dan iets achter zoeken? Echter, de ene zaak is de andere niet. We hebben het over een thema, waarin Gods Woord volkomen helder en duidelijk spreekt. Zou een predikant op de kansel zijn gemeente zeggen dat hij uitgaat van een voorlopige visie op het Schriftgezag, dan zouden we onraad ruiken. Er kan geen sprake zijn van een voorlopige opvatting over de bekering of over de rechtvaardiging. We zouden wel kunnen spreken van een kennen "ten dele”. We hebben niet de volle wijsheid in pacht en niemand kan het laatste woord spreken. Met kerkordelijke uitspraken zou men nog kunnen zeggen dat deze niet "voor vast en bondig gehouden” kunnen worden. Deze terminologie werd gehoord rond de Vrijmaking in 1944. Dan betreft het menselijke uitspraken. Hier echter gaat het om Gods Woord. Maar, de synode bedoelt niet te zeggen dat Gods Woord een voorlopig gezag heeft. Ons verstaan van Gods Woord is wel een voorlopige zaak? Dat kan dan waar zijn, maar het blijft toch een uitspraak die meer vragen oproept dan beantwoordt; welke kant gaat men ermee op? Ik wil oprechte bedoelingen in deze uitspraak niet bij voorbaat onder verdenking stellen, maar ik mag deze wel toetsen, zeker nu het gezag van Gods Woord in het geding is.

Er zijn redenen die een zeker wantrouwen aanwakkeren. Het voornaamste is wel dat al zovelen op het punt van de homoseksualiteit een omslag hebben meegemaakt. Amerika maakt deze processen momenteel in verschillende staten mee. New York heeft het homohuwelijk aanvaard. In allerlei landen gist het rond dit thema. In Nederland is dat proces al heel lang bezig. We hebben het al zo vaak gehoord dat mensen en organisaties anders zijn gaan denken. Voor de profeten van Achab zou dat een reden zijn om mee te gaan in de massa. Maar dat is het voor de ware profetie nu juist uitgerekend niet! Alles hangt met elkaar samen. De EO is anders gaan denken. De NGK zijn omgezwaaid, nu zijn wij wellicht aan de beurt en de scholen en onze huwelijken. Jan Kees de Jager zou minder populair zijn als hij niet manhaftig had verklaard dat hij een vriend heeft. Dat geeft je een introductie waar niets tegenop kan. Het is echt de tijdgeest. Het zijn de goden dezer eeuw. Rond de gaypride in Amsterdam spelen zich walgelijke taferelen af. De manier waarop Amsterdam de homo-emancipatie aan de orde stelt, tart elke redelijkheid. Het gaat in Nederland hèt criterium worden van integriteit en rechtvaardigheid! Parkeerhavens langs de snelwegen kunnen straffeloos worden opgeëist door homo’s. Hoe is het mogelijk, zo vragen wij ons af. Er mag echter, als het over homodiscriminatie gaat, best eens gezegd worden dat diverse homo-organisaties het toppunt van discriminatie en dwangmatigheid bereikt hebben. De kerk moet dus heel erg oppassen wil ze gemene zaak maken met deze maatschappelijke beweging, die als een tsunami over ons heen spoelt en alles ontwricht. Ik noem dit even terloops om aan te geven dat deze seculiere beweging zeer decadent en uiterst goddeloos is. En toch lopen er onderhuidse verbindingen tussen maatschappij en kerk, waar dit type decadentie niet aan de orde is.
In Baptistenkringen speelde dezer dagen eenzelfde thema. Ik citeer uit een persverslag: "
Velen van de ruim 4500 afgevaardigden op de nationale conventie van Zuidelijke Baptisten waren met stomheid geslagen. Was de orthodoxe Albert Mohler nu ook al om? Het leek erop. „Wij baptisten hebben ons vaak bezondigd aan homofobie.” Opwinding binnen de grootste Amerikaanse kerk”. Naar zijn zeggen is Albert nog steeds tegen de homoseksuele praktisering. Maar er is niet goed omgegaan met homoseksuelen, zo verklaarde hij. De Bijbelse lijnen zijn niet goed toegepast tegenover de betrokken gemeenteleden. Deze uitspraak is nog helder en het Bijbels denken is overeind gebleven. Maar de garantie dat onze kerken hetzelfde zullen zeggen, hebben we nog niet in handen. Inzake de pastorale vertolking en de Bijbelse overdracht hebben we allemaal tegenover homo’s steken laten vallen. Ik zou mij persoonlijk aan die belijdenis ook niet willen onttrekken. Dat is al vele malen erkend en het kan geen kwaad om dat voor alle duidelijkheid ook nu weer te doen. Maar bij de Baptisten bleef de Bijbelse visie dezelfde en dat is van belang. Maar hoe gaat het bij ons? Waarom dit rekken van besluitvorming? Is twijfel zo nuttig? Uit het aansprekende artikel van br. den Butter hebt u kunnen opmaken dat een eventuele uitspraak ons zou kunnen vervreemden van ons kerkverband.  

Twee overwegingen houden mij bezig rond de omstreden woorden uit de synodale uitspraak.
Ten eerste: De kerk, ook onze kerken, hebben heel veel voor Bijbels gehouden, totdat er een moment aanbrak waarin dat niet meer gold. Bavinck schreef in zijn tijd nog dat het schriftgezag boven alle twijfels verheven was (ik geef mijn eigen omschrijving). Dat is echt niet meer zo. We moeten helaas zeggen: De Bijbel werd voor Gods Woord gehouden, totdat…. We houden de wedergeboorte voor Bijbels, totdat iemand bedenkt dat een mens niet van dood levend gemaakt hoeft te worden We houden de rechtvaardiging van de goddeloze voor Bijbels, totdat mensen gaan denken dat het veeleer gaat om de rechtvaardiging van de gelovige. We houden de zondag voor een Bijbelse instelling, totdat men ontdekt dat het eigenlijk ook wel anders kan. We houden de Gereformeerde Belijdenis voor Bijbels, totdat we deze gaan ervaren als het harnas van Saul. Beste lezers, dit wordt een heel lange rij als ik nog even door zou kunnen gaan. Ik zou heel ons blad kunnen volschrijven. De uitspraak van onze GS is werkelijk up to date. Ik denk dat mensen als Calvijn en de Cock lang werk zouden hebben om vast te stellen welke indruk het voegwoordje "totdat” op hen maakt. Er zijn nauwelijks nog waarheden die gegarandeerd vast staan tot in de dood. Natuurlijk wil onze synode die kant niet uit, maar er gebeuren dingen en er voltrekken zich processen of je deze nu wilt of niet. Met zuivere bedoelingen is de zaak zelf nog niet zuiver. Elia zou de eenvoudige vraag stellen: Hoe lang hinkt gij op twee gedachten? Laten we ophouden met schipperen en laveren. Er kan wantrouwen bestaan over de constatering dat het de studiecommissie niet gelukt is de kerken te dienen met een rapport zoals was gevraagd. Dit heeft stellig te maken met het woordje: "totdat”. Wennen we er niet aan dat alles zich ontwikkelt en dat er geen absolute waarheden zijn? Niet alleen een synode, maar wij allen bevinden ons in de houdgreep van de tijdgeest en de beweeglijkheid de dingen. Alles stroomt, panta rei. Laten u en ik onszelf eens vergelijken met bijvoorbeeld de dagen onzer jeugd; hoe staan wij er dan op? De Heere gedacht de liefde der ondertrouw van Israël en sindsdien was de liefde bekoeld. Moeten we niet allen eerlijk erkennen dat we het heilsspoor kwijt zijn? Steeds gaan er wissels om en we weten zodoende nog nauwelijks waar we naar toe gaan en waar we uitkomen. Het richtingsgevoel is verdwenen vanwege het vele draaien en keren.

Ten tweede: de vraag is belangrijk hoe het komt dat een zaak als homoseksualiteit zo oprukt en doordringt binnen onze gelederen? Ik stel voorop dat er zijn die in oprechtheid worstelen. We moeten en willen als kerk hen steunen en bijstaan in hun strijd. Op geen enkele wijze wil ik hen met dit artikel bezwaren  en verwonden. Ik heb het over geestelijke machten, niet over mensen. Ik ben er dan van overtuigd dat we een offensief van de hel beleven en één van de pijlen van de satan is de homo-emancipatie. Onze overheid stelt de eis aan het onderwijs dat het thema homoseksualiteit in de lessen moet worden opgenomen. Waarom, denkt u? De dingen bespreken en bespreekbaar maken is een vorm van bedekte propaganda. Ons verzet richt zich tegen deze homopropaganda! Ik ben bang dat ook onder ons te veel het pleit gevoerd wordt voor openheid over allerlei intieme zaken. Ouders moeten met hun kinderen spreken over seksualiteit. Een kern van waarheid. Maar we horen dat te vaak door te veel mensen zeggen. Persoonlijk denk ik dat die doorgeschoten openheid verkeerd uitpakt. Men spreekt in dit verband ook graag over dingen die uit de taboesfeer moet worden gehaald. De politiek noemt dat: de dingen uit de illegaliteit halen. Op allerlei leeftijden spreken over (homo)seksualiteit, roept gevoelens naar boven. Deze kunnen in bepaalde perioden jonge mensen kwellen; door te spreken over allerlei persoonsgebonden onderwerpen, worden de dingen tot een probleem. Zelfmoorden worden terecht meestal niet openlijk vermeld, want het is bekend dat het ene geval het andere kan oproepen. Ik begrijp dat mensen die allerlei inwendige strijd te voeren hebben (en wie heeft dat niet), steun nodig hebben. Maar laat dat op gepaste en gedoseerde manier gebeuren. Ik bid tijdens kerkdiensten wel eens voor hen die zo’n zware strijd te voeren hebben. We kunnen dan denken aan deze categorie mensen, maar tegelijk kunnen we zeggen dat heel de gemeente een strijd te voeren heeft.
Waarom is het belastend dat dit verschijnsel zonde genoemd wordt, terwijl we elke andere uitglijding wel zo noemen? Ik concludeer persoonlijk dat er zijn die door de overmatige publiciteit over dit onderwerp uit hun evenwicht gebracht zijn en op dit terrein de weg kwijt zijn. Alle dingen stichten niet. Het zal moeilijk zijn strijders tegen deze zonde bij te staan, maar er is toch de zalving van de Heilige, waardoor de vergeving der zonden mag worden verkondigd en waardoor we in de kracht des Heeren mogen staan tegen de boze dag? Een leven naar Gods geboden en inzettingen is vrucht van de Heilige Geest. Wie in Christus is, die is een nieuw schepsel. Dat kan Gods volk vaak niet geloven. De praktijk stelt zich teweer. Maar de apostel getuigt: "Houdt het ervoor dat gij der zonde dood zijt, en Gode levend geworden zijt”. Daar ligt onze enige hoop.

          

 

TOTDAT          2011

Opnieuw enige aandacht voor het woordje: "totdat”. Een klein woord, dat grote betekenis heeft. Het stond in de verklaring van onze GS in de Wekker; u herinnert u nog de uitspraak, dat we de Synodale handreiking over homoseksualiteit van 1986 voor Bijbels moeten houden, totdat de GS 2013 daarover een uitspraak heeft gedaan. Het moderamen van de GS heeft mij geattendeerd op de eigenlijke bedoeling, die de GS met deze woorden had.

Ik begrijp van onze broeders dat ik die bedoeling niet helemaal recht gedaan heb. Feitelijk kon dat ook nauwelijks omdat ik de bespreking tijdens de Synode niet meemaakte. U dus ook niet en wij, als lezers van de Wekker, misten een stuk informatie over de achtergrond van de gewraakte zinsnede. Maar wij hebben met elkaar wel een redelijk inzicht in hetgeen er momenteel in onze kerken speelt op dit terrein. En dat geeft, langs een andere weg, toch aanleiding om te blijven spreken van zorgelijke ontwikkelingen.
1. Blijkens de nadere toelichting van het moderamen werden de betreffende woorden juist gebruikt om paal en perk te stellen aan een mogelijk groeiende onduidelijkheid over ons kerkelijk standpunt inzake homoseksualiteit. De Synode kon niet tot een uitspraak komen. Een rapport, dat ter Synode diende, werd niet afdoende geacht. 
Nu wordt de definitieve uitspraak van de GS verwacht in 2013. Betekent dit dat we de komende drie jaren in een niemandsland verkeren en ieder kan menen wat goed is in zijn ogen? Nee. Juist om dat te voorkomen heeft de Synode de uitspraak gedaan dat de handreiking ’86 van kracht blijft. De gebruikte woorden wilden juist consolideren wat tot nu toe in onze kerken gold. De Synode wilde geen ruimte geven aan een gevoel van voorlopigheid, waarvoor ik mijn vrees heb uitgesproken. De GS heeft blijkens deze toelichting juist willen doorgeven wat in mijn artikel werd beklemtoond. Ik wil deze nadere toelichting graag geven, zodat er geen verkeerde beeldvorming zal ontstaan, noch over de GS, noch over ons blad. Gelukkig had ik al gezegd dat ik zeker niet twijfel aan de oprechte bedoelingen van de Synode. Mijn artikel was dus ook niet tegen iemand ter Synode gericht, maar tegen de vigerende tendensen. Ik ben blij met deze toelichting. Misschien had de GS beter kunnen stellen dat de handreiking in ieder geval van 1968 van kracht bijft tot 2013.
2. Dit gezegd hebbende, kom ik dan tot mijn artikel in haar geheel. Ik heb aan de uitdrukking op zich conclusies verbonden, die willen aantonen dat het Schriftgezag onder grote druk staat los van de concrete bedoelingen van de Synode. Wat ik signaleerde is, sterker nog, de realiteit en Synodeleden zullen mij dat direct toestemmen. U moet dus wel het artikel blijven lezen als een vertolking van een bestaande vrees, maar maak dat dan los van de broeders die deze clausule hebben voorgesteld en aanvaard. Immers, wat wij voor Bijbels houden, heeft geen "totdat” en dat is niet begrensd. Daarbij past alleen het woordje "zodat”: wij houden allerlei zaken voor Bijbels, zodat we geen behoefte hebben aan wijzigingen in dit standpunt.
Ik word versterkt in deze gedachte omdat er redenen zijn die mij zorgen geven over de weg die door onze kerken gegaan wordt.  
Toen ik nog niets wist van de bewoordingen, waarin de Wekker dit besluit vertolkte, was ik al bezwaard over de gedachte dat de GS niet kon komen tot een eensluidende Bijbelse uitspraak. Als de GS het zo moeilijk vind, wat moet dan de gewone man, zoals wij allen zijn, er van denken? Hij heeft het gevoel alle oriëntatie kwijt te zijn. Zou een predikant er iets over zeggen op de kansel, dan zou de gemeente zijn woorden naast zich neer kunnen leggen vanwege het feit dat de breedste vergadering van de kerk er niet uitgekomen is. De GS heeft hierin een getuigenis van eigen onvermogen gegeven. Voeg daar nu bij dat een ter Synode dienend rapport niet duidelijk of niet bevredigend werd geacht, dan wordt de mist dikker en weten we de weg niet meer. Moeilijk te rijmen met de dingen die onder ons volkomen zekerheid hebben. Enkele jaren geleden waren er eens ergens mensen in de kerk uit een ander kerkverband; ze gaven als commentaar na afloop van de dienst dat de dominee zei dat homoseksualiteit zonde was, terwijl hun eigen predikant er eigenlijk maar omheen draaide. Zij vonden dat een goede zaak en het was voor hen een openbaring. Zo algemeen is de neiging om allerlei dubbelzinnige uitdrukkingen te gebruiken. Dat laatste willen we dus niet. Veel jonge mensen hebben het gevoel dat de kerk duidelijker moet zijn in allerlei dingen. Goed dus dat de Synode aan deze onzekerheid een halt heeft willen toeroepen, maar, zo vraag ik,  had de GS zichzélf dan in dit geval niet moeten corrigeren? Men heeft in ander verband onbedoeld de onzekerheid juist gestalte gegeven.
3. Een volgende opmerking heeft te maken met de bedoeling van mijn artikel. Er zijn er geweest die meenden dat daardoor onrust zou ontstaan. Onrust mag niet op verkeerde gronden ontstaan. Maar ik zou persoonlijk wel willen dat er meer onrust zou komen over de geestelijke en kerkelijke verwikkelingen waarmee wij steeds meer te maken krijgen. Het was in de dagen van de profeet Zacharia een veeg teken dat het ganse land nog steeds stil terneer zat. De komende verlossing zou onrust brengen onder de mensen; er zou een heilzame beweging komen en deze was er helaas nog niet. Ik heb al vaker duidelijk proberen te maken dat ik daar zelf wel eens mee zit. Mensen zullen misschien mij en ons blad in zijn geheel zien als klokkenluiders, waarover niet iedereen gelijk denkt. De profeet Jeremia, met wie ik mij geenszins wil vergelijken, had het juist heel moeilijk met de verkeerde inschatting van hem door zijn omstanders. We denken echter dat er meer onrust moet komen. Over de koers van veel kerken in deze tijd en over de kantelende waarheid in onze dagen. Die onrust moet dan vooral gaan om de inhoud van onze preken en de geloofsbeleving van ons allen. Onze overheid zegt na allerlei uitbrekende rampen en branden vaak dat er geen enkel gevaar is voor de volksgezondheid. Later blijkt dat men dat zei op losse gronden. Toen de Heere Jezus de tafels omkeerde bij de tempel, ontstond er grote onrust. Daarop was feitelijk heel Zijn optreden gericht. Wij moeten de gevaren zien van een uitroep als in de dagen van Jeremia: "Vrede, vrede en geen gevaar”. Mensen willen altijd weer met rust gelaten worden. Zo lang de sterkgewapende de hof bewaart, is alles in vrede. Denkt u eens aan de bekende boek van Bunyan over de heilige oorlog. Vorst Immanuël heeft na Zijn inname van stad Mensziel helaas de stad weer moeten verlaten vanwege de ongeestelijke houding van de inwoners.
Op het feest van Vleselijke gerustheid, waar de gehele bevolking aanwezig was, stelde Vreze Gods enkele vragen die ontsteltenis veroorzaakten. Hij vroeg waar Vorst Immanuël was en…… wie Hem voor het laatste gezien had. Heeft iemand nog van Zijn kostbare gaven ontvangen? Het was gelukkig voort de stad dat deze man er nog was. Maar de grote nood van Mensziel was dat niemand dit zich dit bewust was. Ik merk om me heen dat mensen verontrust zijn over innerlijke dorheid en duisternis. Laten we ons dan storen aan de vragen die door Bunyan gesteld worden. Deze onrust hebben wij nodig. Dat geldt dan niet alleen voor de Synode, maar het is een zaak van ons allen. Als we echter menen dat het allemaal zo’n vaart niet lopen zal, dan zijn we werkelijk tot een gemeente van Laodicea geworden.
Ik merk ook steeds weer dat er zijn onder ons kerkvolk die zeker iets aanvoelen van de malaise die alom zich openbaart. We moeten niet vergeten dat het uiteindelijke de kerkganger is die met vragen rondloopt over de koers van land en volk, ook van kerk en gemeente. Ik reken het daarom een gunst te zijn om iets voor hen te kunnen betekenen. Omdat ik vele malen in contact kom met hen, weet ik dat het nodig is om hen te steunen in hun eenzame strijd.
4. Tenslotte spreek ik graag uit dat ik dankbaar ben voor de brief van het moderamen. In deze discussie hebben we elkaar serieus genomen. Wij nemen natuurlijk de Synode serieus, men heeft ook serieus willen rekenen met onze zorgen; men verklaarde deze zorgen ook zelf te delen. Op die manier heeft het toch geleid tot meer verduidelijking. Ook tot meer begrip voor ons streven.
Vooral de komende drie jaar blijven we het woord "totdat” goed volgen. En niet alleen op dit ene terrein, maar op alle terreinen van het kerkelijke en geestelijke leven. We houden ook deze brief in gedachten. Daarboven echter heeft het Woord van God alle aandacht. Wij mogen het niet van onszelf, ook niet van elkaar, maar alleen verwachten van de Heere. Geen Laodicea, maar een Berea waar dagelijks het Woord van God onderzocht wordt. Tot Zijn eer en ons heil.
Besef vooral dat het woord "totdat” veel verstrekkender is dan wij nu uiteengezet hebben.
Gods Woord houdt haar kracht tot in het laatste nageslacht, maar zelfs tot op de jongste dag. Het zal voor ons allen een strijd zijn om dat vast te houden. We zijn tot hinken en tot zinken ieder ogenblik gereed. Maar, beste lezer, daar zal het voor u en mij om gaan. Gelukkig, de Heere blijft de Getrouwe tot in de eeuwigheid.
 
 

 

Ambtelijk Contact                                                                                            2012

 

AC., het toerustingsorgaan voor ambtsdragers binnen onze kerken, bestaat vijftig jaar. Reden voor een jubileumuitgave. Een dik nummer met vooral veel informatie over wat er in de achterliggende halve eeuw allemaal gebeurde. Voor ons ook een reden mee te bladeren in de geschiedenis van onze kerken.

 

één in de schuld

 

Er wordt in deze uitgave veel aandacht gegeven aan de conferenties, die jaarlijks voor ambtsdragers werden gehouden. Lang geleden trokken deze dagen een volle kerk, maar dat lijkt nu totaal veranderd. Zoals het met zoveel bijeenkomsten in het kerkelijke leven gaat. In deze bijeenkomsten werd rekening gehouden met de breedte van onze kerken; ook de bevindelijken (zoals een deel van onze kerken meermalen in deze uitgave genoemd wordt) kwamen eerlijk aan hun trekken. Meestal gebeurde dat zo dat twee sprekers gevraagd werden, één uit de ene hoek en de ander uit de andere hoek. Laat ik me op deze neutrale manier uitdrukken. Het organiserend comité heeft zich ingespannen om de kerk en de gemeenten bij elkaar te houden. Daarom te meer wordt spijt uitgesproken over het feit dat Bewaar het Pand eigen conferenties ging beleggen. Ik begrijp de treurnis die enkele schrijvers daarover uitspreken.

Enkele historische overzichten geven veel stof tot overdenken. Als je het leest, zeg je: Wat is er veel gebeurd! Het lijkt er op dat de scribenten ook zelf teleurgesteld zijn in deze halve eeuw kerkzijn. Vooral de verdeeldheid krijgt een sterk accent. En dan schrik je wel als je het allemaal leest. Hebben we met elkaar dat nu bereikt? Is dit nu het resultaat van ons kerkelijke handelen? De verschillen krijgen een zodanig zwaar accent, dat het een artikel in ons blad had kunnen zijn. We zijn niet de enigen die verdriet beleven aan de kerkelijke ontwikkelingen. Als we er tenminste verdriet van hebben.

Er is van alle kanten ijverig gepoogd elkaar te zoeken. Men concludeerde echter dat de kloof groter is dan ooit. Liturgie en prediking komen uitvoerig aan bod. Op die terreinen liggen de oorzaken van de verdeeldheid. Dat is waar. Persoonlijk denk ik echter dat er nog dieper liggende oorzaken zijn. We lezen in Gods Woord duidelijk dat de Heere Zich kan terug trekken. Dat is veel erger. Dat gebeurde in de OT-ische tempel (Ezech.10:18) en ook later in het NT (Opb.2:5). En dat gebeurde vanwege de zonden van het volk. Zou dat ook nu niet het geval kunnen zijn? Niet dat er geen werk van de Heilige Geest meer is, maar het neemt af en wordt minder krachtig en duidelijk. Als we het met elkaar dan alleen hebben over zingen en preken, schieten we ons doel voorbij; we raken de kern van de zaak niet. Dat gevaar bedreigt ons allen. Hierin ligt voor mijn gevoel de eigenlijke nood. Er gebeurt zoveel dat ingaat tegen de bedoelingen van de Heere, dat we in ieder geval moeten rekenen met het feit dat het donker wordt in de kerk, omdat het Licht der wereld links en rechts uit beeld raakt. Dat is een zaak van schuld, waarbij wij allen betrokken zijn. 

Desondanks is het ook zaak ons te verdiepen in de geschiedenis; dat gebeurt dan ook in deze uitgave. Er wordt licht verwijtend naar onze kant gekeken. Denk maar aan die eigen conferenties. "Het comité heeft het destijds hoog opgenomen dat Bewaar het Pand vanaf 1994 eigen ambtsdragersconferenties is gaan beleggen….; hadden ze niet een beetje gelijk?” Koole meent dat hierdoor de verdeeldheid in feite werd "geïnstitutionaliseerd”. Hij bestrijdt dat er niet bevindelijk over geloof en leven is gesproken. Dat kunnen we hem zeker toegeven. Waarom gebeurde het? Het spreken vanuit een tweeërlei invalshoek op zulke conferenties had misschien iets vermoeiends. Je komt er niet zo ver mee. Dat blijkt ook telkens weer op een classisvergadering. Hoe goed bedoeld en georganiseerd ook, ik denk dat het frustratie oproept als je telkens eerst over de muur moet klimmen om elkaar te spreken te krijgen. Als je dan al over de muur heen komt. Ik heb op een conferentie van BhP ervaren en meerderen met mij dat we direct tot elkaar konden komen. Dat duurde in Amersfoort veel en veel langer….

Daarmee strijd ik niet voor ons gelijk, want dat hebben we niet. We hebben allemaal schuld en tekorten en de pogingen die gedaan werden om bij ons aan boord te komen, waren oprecht en welgemeend. Maar het ging meestal niet. Wat die institutionalisering betreft: Onze stichting is indertijd door de voortrekkers opgericht om juist de kerk bij elkaar te houden. Er dreigde verbrokkeling, doordat meerderen de kerk verlieten. Men bedoelde elkaar en de kerk vast te houden. Dat moeten wij nog steeds willen. Het kan zijn dat we zo niet altijd overkomen maar het is niet alleen een vriend, maar ook een broeder die mij mijn feilen toont en vanuit die gedachte willen we meedenken, ook nu, met het hier gebodene.

 

Ik heb al aangegeven dat met name twee terreinen van onrust worden genoemd, namelijk de liturgie en de prediking. Twee belangrijke zaken. In verband met het eerste worden enkele woorden van br. H.W. van den Brink, destijds lid van mijn gemeente Harderwijk, aangehaald. Het ging over rhytmisch zingen, de Nieuwe Vertaling, ambtsdragers boven de gemeente uit tronend in aparte banken. Dat waren de items van toen. Hij meldt dat er eindeloos over vergaderd moest worden. Toen ging het om vragen zoals: Zijn liturgische vernieuwingen niet een afspiegeling van geestelijke teloorgang? Gaan we de Gereformeerde Kerken niet achterna? Vragen die nu duidelijker beantwoord kunnen worden als toen. Allerlei vernieuwingen werden doorgevoerd want de liturgie had niets te maken met de leer, zo meende men. Anderen bestreden dit en wij met hen. Men wilde daar wel creatief mee omgaan, maar het brak meer af dan dat het opbouwde. We moeten ons kunnen indenken dat een gewoon behoudend kerklid nu eenmaal een volslagen vreemdeling wordt in zijn kerk, als er anders gezongen wordt, anders gelezen wordt, anders gecollecteerd wordt, anders gekleed wordt, anders ….gepreekt wordt. Een vreemdeling omdat hij de smeekbede van de tollenaar kent en deze als een last gevoelt, terwijl die gestalte in de preek over het hoofd wordt gezien. Hij voelt zich als iemand met een lege beurs in een dure juwelierszaak. Kan men dat begrijpen? Ik kan het wat mij betreft wel begrijpen dat anderen, even oprecht en eerlijk, juist vernieuwingen voorstaan. Ik kan hen dat niet kwalijk nemen. Men heeft een andere achtergrond. Je kunt dat allemaal gewoon niet meer in één harnas persen, je kunt het niet in één kerkverband stoppen. Daar zijn we nu misschien wel achter gekomen. Maar ik kan het minder snappen dat men als leden van een kerk met een eigen beginsel zo vervreemdt van dat beginsel. En ook niet waarom dat dan niet iedereen overkomt, maar slechts een bepaalde vleugel. Zeker als u bedenkt wat er ook allemaal nog bij gekomen is: samenvloeiing met GKV en NGK. Men heeft steeds die kerkelijke vleugels tevergeefs willen samenbinden. Bij de opening van een classis werd telkens weer herhaald dat we met elkaar allen hetzelfde bedoelen. Nu zijn we er achter gekomen dat dat niet zo is. Maar, vergeet dat niet, we hadden destijds wel met elkaar onze kerken en vooral haar beginsel lief. En daarom hielden we ook elkaar vast. En het is wel jammer dat dat nu achterhaald lijkt te zijn door de praktijk.

 

verschillend in het beginsel

 

Maar ik stel de dingen misschien toch te evenwichtig voor. Ik zeg nu op mijn beurt: had al die onrust over nieuwe dingen toch achterwege gelaten! Blijf gewoon CG. Ga de buren niet achterna om zo nodig ook mee te kunnen komen. Als predikanten van vijftig jaar geleden zouden kunnen opstaan, konden zij in onze gemeenten hun woord kwijt. Dat zou in veel andere gemeenten niet meer kunnen. Dat is toch een simpele redenering? Wie zorgde er dan voor de onrust? Als men dan wil vernieuwen, waarom gaat ú er dan niet uit? Laat ons blijven die we zijn.

Maar ik besef dat mijn progressieve broeder dat juist heel anders ziet. Preken van vijftig jaar geleden zijn voor hem uit de tijd. Ik las van een gemeente waar die oude bundels werden opgeruimd. Hoe is het mogelijk, denk ik dan. Dat zouden wij nu uitgerekend juist nìet doen.

Ik kan over mijn standpunt en mijn beginsel een goed geweten hebben. Ik heb dat niet als ik nadenk over de manier waarop ik en anderen streden voor de goede zaak. Daarover sprekend voel ik ook mijn schuld en verkeerde in zichten. Maar ik heb geen schuldgevoel dat ik wilde behouden wat de Heere ons gegeven heeft.

De geschiedenis is een goed leermeester. Dat blijkt ook als de naam van Ds. JH. Velema valt. "Te weinig kwam de preek over als een tegenover van Gods kant. Velema vreesde dat er in de CGK in feite een midden-orthodoxe prediking werd getolereerd, waarin de levende God monddood werd gemaakt, de diepte van de zonde niet werd getekend, de ontdekking van de zondaar en de gelovige achterhaald werd genoemd, de weg tot Christus vanzelfsprekend werd gevonden en de dagelijkse bediening van Christus niet aan de orde kwam. In één woord: een suikerzoete, lieve prediking die geen mens kwaad doet maar ook geen mens op de knieën brengt en zaligt. AL deze dingen waren lastig aan te wijzen, omdat er geen directe onwaarheden werden gezegd. Als Velema’s seismograafje goed registreerde werden de verschillen in de prediking eerder groter dan kleiner”. Een zeer duidelijke typering. Maar het werd hem niet in dank afgenomen, zo lees ik elders. Nog een krachtig citaat: "Aan allerlei vernieuwingen had hij (JHV) persoonlijk bijgedragen. Op den duur verloor hij echter het vertrouwen in hen die almaar verder wilden. Vernieuwing, zo reageerde hij in 1985 op de progressieve flank, lijkt een middel om langzamerhand af te rekenen met het oude, het ons overgeleverde, het echt gereformeerde karakter van de kerk”. En nu komt het: "De bevindelijken meenden vanzelf dat Velema rijkelijk laat tot deze conclusie kwam”. Ja, vanzelf. Geef hen maar toe dat zij dat eerder zagen dan veel anderen. Maar dat iemand als hij zulke typeringen gaf, had toch iedereen aan het denken moeten zetten? Van Ds. Beekhuis, zo lees ik, was het te verwachten, maar als Ds. Velema dat zei? Lees eens goed wat hij zei: God wordt monddood gemaakt door….de dominee op de kansel. Daar kan alleen maar Gods oordeel over komen.

Hier staat dus, lees dat goed, dat Velema aanvankelijk ook meedeed aan vernieuwingen, maar dat hij daar later afstand van nam, toen hij zag dat er geen houden meer aan was. Welnu, hier hebt u nu de vrees, die sterker en eerder leefde bij de bevindelijken. Ik kan zijn opstelling goed begrijpen: allerlei dingen zijn niet aanwijsbaar verkeerd, maar je komt er wel verkeerd mee uit. Dat is door de geschiedenis bevestigd. Ik kan me nu indenken wat ik laatst hoorde, dat Velema gezegd moet hebben: Als ik nog zou moeten kiezen, werd ik een Bewaar het Pander.   

 

Er zijn veel meer lessen te trekken uit de historie. Lessen die geestelijk geheel overeenkomen met Gods Woord. Het gaat er maar om dat we de geschiedenis kennen. Het jongere geslacht van onze kerken kent deze geschiedenis niet meer. Begrijpt er misschien ook niet veel van als AC de geschiedenis inzichtelijk maakt. Net zo goed als het geslacht dat Jozua en de oudsten niet meer gekend had. Dat is hen niet kwalijk te nemen. Maar de vervreemding is levensgroot voelbaar.

IK moet nu denken aan wat Habakuk sprak: "Uw werk, o Heere, behoud dat in het leven, in het midden der jaren; maak het bekend in het midden der jaren; in de toorn, gedenk des ontfermens” (3:2). Hier wordt tweemaal over het midden der jaren gesproken. De voortgang der jaren tekent ons een proces. Jaren, als onderdeel van de tijd, brengen ontwikkeling. We spreken over de tand des tijds. De tijd vreet aan alles. Aan je lichaam, aan een gebouw, aan een kerk. De Martinikerk in Groningen, zo las ik pas, verkeert in vervallen staat, terwijl er geen geld is voor restauratie. Erger is dat de kerk innerlijk door de erosie en de slijtage en de vereelting van de tijd verandert. Dat lijkt een vast gegeven, een zekere wetmatigheid. We zingen van de tijd die alles schendt. Habakuk was bang dat het werk des Heeren zou sterven in de loop der tijden. Een dergelijk proces hebben we voor ons getekend liggen in dit nummer van AC. Waar blijft Gods werk? Het is niet onze kerk. De tijd zorgt voor gewenning en vervlakking. Overal en in elke kerk. Wat is er over van de Reformatie, van de Afscheiding? Nu kunnen we wel confereren over dat proces. Habakuk echter bad. Leer van hem dat het "Uw werk” is. Dat maakt de zaak te ernstiger. Hij wijst ons de weg. Laten we meer denken aan het werk van Gód. Dat werk komt uit in de schepping als het werk Zijner handen. Het komt ook uit in het werk der verzoening in Christus. De jaren hebben dat werk aangetast. Gods werk echter zal niet ten onder gaan. Maar het kan wel afnemen en minder worden. Gelukkig de mens die dat werk kent. Die weet heeft van Christus en Zijn verdienste. Hij hoeft niet zo druk te zijn met zijn eigen werk. Dat moet zelfs geheel wegvallen. Alleen de bediening der verzoening blijft overeind. Laten we dat gebed overnemen. Dat kan alleen als we deze nood, de nood van de profeet, aanvoelen. Moge de Heere Zijn werk ook openbaren in het midden der jaren. In deze woorden krijgen de jaren het karakter van genadetijd. De Heer gebruikt de jaren om Zijn werk bekend te maken. Nog dieper gaat de nood, als de profeet zegt: "In de toorn gedenkt des ontfermens”. Deze toorn is realiteit. Maar hij weet dat zelfs in de toorn de Heere Zich ontfermt. Hij weet ook dat ontferming alleen maar gekend wordt "in de toorn”. Laten we deze bede leggen over de geschiedenis van onze kerken. In de toorn, die gaat over mij en over ons allen, wil de Heere Zich ontfermen. Maar het is wel de hoogste tijd, want de jaren gaan niet eeuwig door.

Ik denk in mijn hart dat broeders als Koole e.a. ook treuren over hetgeen we kwijt zijn geraakt. Zij zullen echter denken dat het niet anders kon gaan. Je moet met je tijd meegaan. Maar dat hoeft natuurlijk helemaal niet. Water blijft water, door de eeuwen heen. Dat geldt dan toch zeker van het Evangelie. Dat blijft gewoon zichzelf. Wìj zijn veranderd, dat is de oorzaak!

Tenslotte: ik moest denken aan een Gereformeerde kerk hier in de buurt. De gemeente bestond een eeuw. Men wilde dat feit vieren en gedenken. Hoe deed men dat? Men trok kleren aan uit de dagen van toen en zo beleefde men feestelijk de lang vervlogen dagen. Feest in de crisis. Men erkende: de preken uit die tijd, nee, dat zou niet meer kunnen. Daarom deed men het zo. Zo’n voorbeeld tekent een volk dat zijn geschiedenis niet meer kent en verstaat.

 

 

Ds. G. Bouw                                                                                                    2012

 

Aan het werkzame leven van onze broeder Bouw is een einde gekomen. Hij heeft in onze kerken en in onze kring mogen verkeren en velen hebben zegen mogen ontvangen onder zijn bediening. Omdat ik in Apeldoorn samen met br. den Butter een jaargenoot van hem was, wil ik u doen delen in enkele herinneringen.

 

Ik sprak van een werkzaam leven; ik zou hem nog meer kunnen typeren met de woorden vurig en ijverig. Een gedreven prediker, een scherp waarnemer in pastorale zaken, een actieve en soms onrustige geest en tegelijk ook een sterk gevoel voor humor. Zo leeft zijn beeld en gedachtenis voort in de gemeenten die hij gediend heeft. Hij heeft zich als het ware geofferd aan de Heere door zijn brede inzet. Hij kon niet buiten zijn werk. Toen hij al ernstig ziek was, had je wijsheid nodig om met hem te spreken over zijn emeritaat. Dat was lange tijd niet bespreekbaar. En zo ging het dan: hij luisterde wel en toonde zich een welwillend toehoorder, maar je wist gewoon dat hij zijn eigen gedachten had, die hij consequent volgde. Zijn beide dochters, die een schets van zijn leven gaven in de rouwdienst, verklaarden dat zíj als kinderen niet Ds. Bouw begroeven, maar hun lieve man en vader. Ik herken die neiging ook bij mijn eigen kinderen. Gemeenten en voorgangers moeten maar veel bedenken dat hun dominee ook een gezin heeft, dat immers deel uitmaakt van hun gemeente. Het kan op momenten een strijd zijn om te weten wat voor gaat.

Het werk van onze broeder stond continu in de overtreffende trap; als er wind was, woei het altijd windkracht 10. Hij léék ook een wervelwind. Op de kansel ook. Een veelheid van gedachten verdrongen zich om voorrang, als hij preekte. De  snelheid van zijn woorden was niet altijd door iedere hoorder bij te houden. Maar de boodschap bleek wel duidelijk over te komen. Men begreep waar hij het over had. Er lag warmte in zijn prediking. Zijn preken waren ook echt "Apeldoorns” bestudeerd. Zijn grote energie bleek dus in echt inhoudelijke zaken, het bleek ook in het aantal diensten dat hij in zijn leven heeft geleid. Afgaaande op mijn eigen aantallen, kan hij best een tienduizend keer gepreekt hebben. Dat is echt een formidabel getal. Hij was daarin onvermoeibaar.

De tekst die op de kaart stond uit Efeze 2 was inderdaad echt een woord voor onze broeder. Hij heeft over die genade van God mogen spreken en hij heeft er van getuigd. Het is waarneembaar overgekomen. Hij heeft een groot aantal keren allerlei mensen begeleid naar het aardse Jeruzalem, we mogen wel geloven dat hij ook heeft mogen dienen als een gids naar het nieuwe Jeruzalem. In dat grootse hoofdstuk uit de Efezebrief komen de lijnen allemaal samen in het werk van de Heere Jezus. De diepe verlorenheid van de mens, die dood is in zonden en misdaden en daarbij dan toch ook het grote "maar” aan Gods kant. God, Die rijk is in barmhartigheid. Deze lijnen stonden in een zeker evenwicht en het was ook wel merkbaar dat hij mocht delen in die grote liefde. Hij sprak daar hartstochtelijk en geaccentueerd over. In zijn geschreven stukken kenmerkte zijn stijl zich door de vele accenten, die overal op zekere lettergrepen geplaatst werden. Dat was ook zo in zijn preken. Zijn schoonzoon heeft een duidelijk beeld van hem geschetst in de rouwdienst. Het was alles herkenbaar. Zijn oproep tot en het appel op zijn hoorders, had iets van de liefde van Christus in zich. Hij leefde in de oude Christelijke Gereformeerde prediking.

Begrijpelijk dat hij, midden in zijn drukte, moest voorbereid worden op de eeuwigheid. Dat geldt van ons allen. Het is zo ook gegaan met hem. Hij mocht, als je even bij hem was, toch spreken over de toekomst. Hij heeft voor zijn sterven in de kring van zijn kinderen iets van de glans van de hemel laten zien.

 

Zoals hij altijd geweest was, zo was hij reeds in de eerste jaren van zijn opkomst in onze kerken. Ik denk aan zijn studententijd. Gijs heeft meerdere maken zijn gang naar het admissie-examen moeten en mogen maken. Gods werk werd daarin wel beproefd. Hij heeft negen lange jaren moeten studeren, want hij moest ook de vooropleiding door. Zodoende stond hij bekend als een doorzetter. Hij was afkomstig uit het nabijgelegen Nunspeet. Het was in de dagen dat Ds. Tijmes die gemeente diende. Er leefde bij hem respect voor deze predikant, die vanuit de Gereformeerde kerken naar onze kerken was overgekomen, met zijn gemeente. Zijn hospita in Apeldoorn, mevrouw Bomhof, leefde ook in de eigen kerkelijke kring en dus stelde zij haar huis open voor ons als studenten. Het ging toen heel anders dan nu: studenten moesten doorgaans ook de zondagen doorbrengen in Apeldoorn en aan trouwen tijdens de studie kon niet worden gedacht. Dat had ook wel weer voordelen. Je was als studenten meer op elkaar aangewezen. Je wist ook redelijk veel van elkaars hoogten en diepten. In die dagen stond Ds. J. H. Velema in Apeldoorn en was huize Spaans voor ons een toevluchtsoord. In Apeldoorn vond hij ook zijn vrouw Koos, die afkomstig was uit de Hervormde evangelisatie. Ieder mens maakt heel veel mee, maar natuurlijk Gijs ook; het aparte was echter dat hij voor mijn gevoel altijd veel bijzondere dingen meemaakte. Dat vond hij zelf ook en daarom kon hij daarover met smaak en spanning vertellen. Ons studiejaar telde zes man; tweemaal drie, die onderling wel verschilden, maar waarvan toch gezegd kon worden, dat er onderling een redelijke  acceptatie was. Vriend en broeder Jan Plantinga nam in ons jaar bijvoorbeeld een sprekende plaats in. Hij is ook al niet meer, maar zijn inbreng telde. In de studie kenmerkte onze vriend Bouw zich ook door vuur. Zijn studeertempo had iets verrassends en overrompelends. Het leek soms even moeilijk te gaan met de voortgang van zijn studie, maar het gebeurde dan plotseling dat hij over de streep kwam bij tentamens, eerder dan wij. Dat was eigenlijk in alles zo. We moesten in hem wel een meerdere erkennen. Ik heb zelf heel vaak met hem op tweetal gestaan, maar de meeste beroepen gingen naar hem (het waren er zestien). In dat aantal blijkt dat de kerk toen totaal anders gestructureerd was dan nu. Toen had je veel bloeiende gemeenten en we wisten nog niet zoveel van kerkverlating. Een tijd met veel vacante gemeenten en met kerkelijke bloei. Het beginsel van onze kerken trok mensen en was tot zegen in de kerk.

We hebben gedrieën elkaar nooit losgelaten. We kregen onze eerste gemeenten. We waren samen ook weer ongeveer in hetzelfde tempo in onze tweede gemeente. Veel te vroeg naar veler oordeel kwam de verhuiswagen. Zelf voel ik dat nu meer dan toen; het was wel teleurstellend voor de gemeenten die we achterlieten. Broeder Bouw kwam in Eemdijk. Echt nog een landelijke gemeente met sprekende mensen en bekende namen. In die dagen kon je de groene zeep ruiken als de dienst begon. Ik stond in Nijkerk, dus we hebben ook toen wel wat aan elkaar gehad. In die tijd is hij begonnen, een tijd met eenvoud en echtheid.

In zijn tweede gemeente, Scheveningen, groeide hij steeds meer uit tot een volwassen prediker. Denk het u in: hij kwam van Eemdijk, was een dorpsjongen uit Nunspeet en maakte toen de gang naar de Hofstad met het congresgebouw bijna naast de deur en in de stad de vele kenmerkende ambassades en overheidsgebouwen. Dat moet heel wat geweest zijn voor hem. Maar hij heeft er wel gelééfd, met zijn vrouw en de kinderen. Scheveningen was in die dagen een gemeente waar wel zes à zevenhonderd mensen naar de kerk gingen. Daarbij is het volk van deze kustplaats open en gemoedelijk. In geestelijk opzicht sprak men vrijmoedig over de wegen des Heeren. Er was overeenkomst met een plaats als Katwijk. Vrijmoedig en gemoedelijk, dat waren de kerkgangers. Het is nu allemaal wel anders maar het werk des Heeren mag er toch ook nu nog voortgang hebben, als een wonder van de Heere. Een kerkenraad als in die dagen maakte indruk op een jonge dominee; men luisterde scherp onderscheidend. Een prachtig werkveld voor een dienaar des Woords. De diensten kregen mede sier door de vele mutsen die behoorden tot de dracht van de vissersvrouwen. Ook door het zingen in een eigen setting en stijl. In de kleine gemeente Rijnsaterwoude was hij in feite ook de eigen  predikant. Er was er voor die gemeente eigenlijk maar één.

Daarna riep hem de Heere naar Urk. Enige aansluiting bij de vorige gemeente was er natuurlijk wel. Ook een vissersplaats. Toen was er alleen de Eben Haëzerkerk. Er leven er nog steeds velen, die van hun dominee hielden. Hij was er zeker op zijn plaats. Ook Urk, zeker in die dagen was een gemeente met onderlegde Schriftgeleerden. Nog niet zo lang tevoren telde de enige gemeente van ons kerkverband daar nog geen driehonderd zielen. Beroofd van kerk en bezit. Ds. Slagboom heeft er mogen arbeiden en daarna o.a. ook br. Bouw. Een dominee wordt mede ook gevormd door zijn gemeente en kerkenraad. Lettend op de gemeente die hij mocht dienen, sprak hij de bevindelijke taal met te meer diepte. 

Daarna Doornspijk. Hij moest het wel kalmer aan doen, dus nu deze kleinere gemeente. Hij zal er zeker last gehad hebben van enige overtollige energie. Het moet daar gebeurd zijn dat hij, toen hij de kansel al verlaten had, nog even snel deze weer opzocht, omdat hij toch nog iets heel nodig moest zeggen.

En toen hoopte zr. Bouw dat er een tijd van rust mocht aanbreken. Hij werd immers ouder. Maar… de weg, leidde naar Alphen. Redelijk onverwachts. Omdat deze periode nog vers achter ons ligt, hebben we kunnen constateren dat hij in die gemeente ook veel goed werk heeft mogen verrichten en in moeilijke tijden de gemeente mocht bouwen.

Het was erg op zijn plaats dat ds. van der Meij zijn begrafenis memoreerde op de Panddag. Hij verwoordde de zaken in aansprekende taal. Moge de Heere nagedachtenis van onze broeder tot zegen stellen en Hij doe hem spreken nadat hij gestorven is.

Heb ik te veel mooie dingen verteld? In ieders leven is het zo: onze kracht is tegelijk ook onze zwakheid. Dat leert de praktijk. Gods Woord zegt het omgekeerd: als ik zwak ben, dan ben ik machtig. Dat is een grote les voor Gods kinderen en ook zeker voor Zijn knechten. Dan alleen kunnen we zeggen: Die roemt, roeme in de Heere.

 

      

Kerkplanting                                                                                                              2012

 

Prof. Dr. J van Bruggen schreef enkele weken geleden een belangrijk artikel over de missionaire roeping van de gemeente. Hoe bereiken we als kerk de mens van deze tijd? Wat zegt Gods Woord daarover? Het is een thema dat ons in het verleden van ons blad meermalen heeft bezig gehouden. Graag vraag ik u te luisteren naar wat hij te zeggen heeft. Hij komt tot een onthutsende conclusie: het ideaal van de missionaire gemeente werkt verlammend in de kerk en is niet te vinden in het Nieuwe Testament. Een leerzame waarschuwing voor onze kerken.

 

"In de kerk lijkt een virus rond te waren, het virus van een Kerkelijk Minderwaardigheidsgevoel. Net als bij vele virusinfecties kunnen ook hier de eerste symptomen zijn dat we ons lusteloos voelen. Niet meer van harte en met overtui­ging betrokken bij het kerkelijk leven. Erger vergaat het ons wanneer de ziekte doorzet. Dan kunnen we te maken krijgen met vormen van geestelijke verwarring en vervreemding. Dat maakt ons ongeschikt voor overtuigd werken in de gemeente en het doet ons haast koortsachtig dromen van een andere gemeente dan waarin we nu leven. De moed ontzinkt ons.
Laten we proberen dit virus in beeld te krijgen. De eerste ver­schijnselen worden zichtbaar wanneer we te maken krijgen met de ontwikkeling van een aantal hoge idealen die heel vanzelfspre­kend lijken, maar die in feite wat onwerkelijk zijn. De belangrijkste drie zijn de volgende.
Het eerste ideaal is dat de kerk voor iedereen duidelijk moet zijn.
Liederen, preken, gewoonten moeten direct te begrijpen zijn voor ieder gemeentelid, voor alle leeftijden en voor elke binnenko­mende Nederlander. Bij alles gaan mensen zich afvragen of de gemid­delde Amsterdammer of iemand uit de moderne jeugdcultuur het wel zal kunnen meemaken. Die vraag is natuurlijk altijd zinvol, maar het wordt een probleem wanneer hij allesoverheersend gaat worden.
Het tweede ideaal is dat de kerk veilig moet zijn voor iedereen in onze samenleving. De kerk moet veilig zijn voor asielzoekers en illegalen, veilig voor mensen met afwijkende gevoelens, veilig voor mensen die relatiebreuken meemaken. Alleen wanneer de gemeente voor iedereen voelt als een warme deken, mag ze er echt zijn. Bij alles gaan mensen zich af­vragen hoe anderen het misschien zouden ervaren. En het is natuur­lijk goed daar ook aan te denken.
Maar het wordt een probleem wanneer dit een overheersende dwanggedachte gaat worden.
Het derde ideaal is dat de kerk relevant moet zijn voor het levensgevoel van mensen in de huidige cultuurperiode. Bij alles gaan mensen zich afvragen hoe relevant de islamitische buurman dit of dat zou vinden. En of het wel als relevant zal overkomen bij jongeren die vaak gewend zijn aan Twitter en Facebook, aan pop­concert en uitgaansleven. Het is zinvol om daar over na te denken, maar het wordt een probleem wanneer deze gedachte onze eigen vreugde overschaduwt en soms zelfs wegneemt”.

 

Prof. van Bruggen geeft hier voor mijn besef een scherpe analyse van het streven om apostolair in de wereld van nu bezig te zijn. Vanwaar deze gerichtheid op de wereld, op de grote stad, waar het zoeklicht vooral op gericht is? Het antwoord is niet moeilijk te geven. Het is voor een christen vanzelfsprekend dat hij bewogen is met mensen die leven buiten het Koninkrijk Gods. Het is eerder heel vreemd als we dat niet kennen. Jona hoorde het als een verwijt dat hij te makkelijk dacht over de inwoners van Ninevé en hun eeuwige toekomst. In ieder geval moeten we allen ons aangesproken weten door het woord van Christus: "Dwing ze om in te komen, opdat Mijn huis vol worde”.

Daarover mag geen enkel misverstand bestaan. Wel schuldbesef, want de kerk straalt dit lang niet altijd voldoende uit.

Men voelt het soms zo aan dat de kerk zich opsluit in haar eigen wereldje. Ze trekt met een boekje in een hoekje. Ze laat de wereld maar voor wat deze is; ze laat deze aan haar lot over. De zuil heeft daarbij voor veler besef ten onrechte alleen maar een negatieve uitwerking.

Daartegenover stelde men een andere aanpak voor. De kerk moet in ieder geval laagdrempelig en uitnodigend in de wereld staan. Daarbij is het voor velen ook niet het belangrijkste wat er van de kerk zelf overblijft. Als de wereld maar bereikt wordt, mag dat best ten koste gaan van de knusse sfeer in de kerk. Die sfeer bevordert alleen maar heilsegoïsme. Van verschillende kanten werden de zaken zo voorgesteld. Ook in onze eigen gelederen hoorden we zulke dingen.

 

Nu is bewogenheid met de moderne mens, die leeft zonder God is een edel streven; verwaarlozing of zelfs onachtzaamheid tegenover de gemeente van Christus lijkt me echter in absoluut conflict te komen met de eerder geroemde bewogenheid. De eigen gemeente mocht best haar identiteit opgeven; dat was de gedachte. Ze moest zelfs in de jas van Amsterdam kruipen om geloofwaardig over te komen. De liturgie werd omgebouwd, bestaande Bijbelse regels en opvattingen over de orde in de kerk werden van geen belang geacht; de preek werd tot een vriendelijk toespraakje, waarbij de moderne mens zich thuis kon voelen. Wie zo eens luistert naar fragmenten van kerkdiensten, hoort de vreemdste geluiden. Er schijnt geen koning te zijn in Israël. We hielden en houden bijna niets meer over. Het werkte zo aanstekelijk dat deze preekstijl voor alle gemeenten wel goed leek te zijn. Denk aan het poppenspel uit het vorige nummer, waar ik over schreef.

Dit proces heeft zich al behoorlijk ver voltrokken en is nog steeds bezig zich te voltrekken. Het gevolg is dat kerkelijke gemeenten hun bloei verloren hebben. Ik vind het woord "minderwaardigheidsgevoel” hiervoor goed gekozen.

Maar als we nu de balans opmaken, hebben de diverse idealen ons niet veel verder gebracht. Het tegendeel is het geval. We hebben de wereld nog nauwelijks bereikt, terwijl we de gevestigde gemeenten zien lijden aan bloedarmoede. Kerkplanters van naam erkennen nu meer dan voorheen dat we rekenen moeten met de realiteit. De moderne mens laat zich zo maar niet bekeren. Dr. Paas, door ons meermalen aan u voorgesteld als de man van de grote idealen op dit terrein  schrijft nu: "Ik zie vooralsnog geen tekenen dat we aan de vooravond staan van een grote geestelijke opleving in Nederland” (AC). Hij laat nu ook duidelijker zien dan voorheen dat er grote weerstanden leven in het hart van de mens van alle tijden.

Ik hoor hierin een pleidooi voor een pas op de plaats. Nuchter blijven. Ik vraag me echter wel af hoe het komt dat in plaatsen als New York iemand als Tim Keller wel de duizenden bereiken kon, terwijl dat in Nederland niet mogelijk blijkt. Wat missen we wat men daar wel had?

Het lijkt me te maken te hebben met de manier waarop we in de wereld willen staan. De kerk moet een zoutend zout zijn, naar het Woord van Christus. Ze moest juist zichzelf willen zijn en blijven. Houd wat gij hebt! Ze moet juist wel vreemd staan in deze wereld. Ze moet zich vooral niet laten inpalmen door de beloften van de nieuwe tijd. Ds. Heerma, zo schreef iemand me, zei wel eens: De kerk moet meegaan met de tijd, maar niet met de tijdgeest. Van hem herinner ik me ook een ander woord: Als de wereld kerks wordt, wordt de kerk werelds. Daar ligt dan de oorzaak. Geen suikerplantage, maar een zoutgroeve. Denkt u aan de werking van zout: het is bederfwerend, zuiverend en smaakmakend. Geen lage drempel, waardoor het vloedwater van de tijd binnenstroomt, maar juist een stad op een berg. Steden hadden in de oudheid juist wel muren en poorten. Zo gaan leven dat de kerk de aandacht trekt en de mensen vragen: Waarom doen jullie dat niet? En waarom doen jullie die dingen wel? Dus: bouw aan je eigen gemeente. Bidt het de Heidelberger na: "Bewaar en vermeerder Uw Kerk”. Iemand die wijn wil verkopen in streken waar wijn onbekend is, zal dat niet doen door zijn product te verdunnen. Integendeel, hij zal deze zo zuiver mogelijk willen houden. Daarin ligt de kracht van zijn koopwaar. De kerk heeft alles in huis om de wereld van dienst te zijn. Daarbij gaat er verschrikkelijk veel mis, maar dat doet niets af van de zuiverheid van het Evangelie van Jezus Christus.

Ik geef graag nog weer het woord aan van Bruggen: "De gestichte gemeenten zijn ge­roepen en geheiligd om een nieuw offer voor God te zijn in deze wereld. Hun allereerste opdracht is om te bidden voor alle mensen, opdat zij tot bekering komen. En hun tweede opdracht is om zo heilig en liefdevol te leven dat daardoor de laster van de ongelo­vigen wordt weerlegd.
De brieven staan vol opdrach­ten om toe te zien op jezelf, omdat de tegenstander rondsluipt als een hongerige leeuw. Ook de oudsten moeten toezien op zichzelf en de gemeente. Geboden voor vaders en moeders, kinderen en slaven worden herhaald en ingescherpt.
De gemeente is in deze wereld een heilig priesterdom. Daarin passen het toezien op elkaar, de onderlin­ge bemoediging en vermaning.
Er is in de apostolische brieven geen opdracht noch belofte om de buren en de stad (waarvoor men bidt) te bekeren. Er is wel een opdracht om zich niet te schamen voor het Evangelie en om te allen tijde bereid te zijn tot verant­woording. Misschien zal God het gedrag van personen en gemeen­ten belonen door anderen ook tot dit geloof te brengen en aan de gemeente toe te voegen.
De stad en de wereld waarin de christenen leven, zijn niet maat of doel voor hun huisstijl. Integen­deel: dit is de duisternis waarin men licht moet zijn. Dit licht straalt en moet gezien worden in contrast met het duister. Het licht is geen bouwlamp maar een kaarsje dat kan uitwaaien.
De belangrijkste vraag voor gelovigen en gemeenten is daarom of zij zelf straks zullen mogen in­gaan in de vreugde van hun Heer, komende uit de grote verdruk­king.
Samenvattend kunnen we zeg­gen dat gelovigen en gemeenten betekenis voor anderen kunnen krijgen, wanneer God het wil, door hun voorbede, hun gedrag en hun openlijk uitkomen voor hun hemelse Koning. Wanneer gelovigen zuinig zijn op het licht dat God in hen ontstak en er op bedacht zijn dat het niet uitwaait, kan God ook anderen tot dat licht brengen. Dat hopen en bidden we. Nergens in het Nieuwe Testament lezen we dat aan christenen later een verwijt zal worden gemaakt wanneer ze geen bekeerlingen ge­maakt lijken te hebben. Wel lezen we dat onze Heiland Zich voor ons zal schamen wanneer wij ons voor Hem geschaamd hebben en niet durfden uit te komen voor zijn Naam. Het is aan ons als christe­nen om in de 21e eeuw vrijmoedig voor de dag te komen als burgers van een rijk dat in de hemelen is.
Het is aan onze Heere om dat al of niet te gebruiken (misschien zonder dat wij het weten) bij Zijn werk om anderen te trekken.
Vanuit deze taakstelling voor de gemeente die gebouwd is op het fundament van de apostelen en profeten, mag men ferm en fier en frank en vrij zijn op ontvangen belijdenis, lied en liturgie. Veel kan altijd anders, maar wie in een belegerde stad woont moet niet steeds aan stadsvernieuwing doen: noodzakelijk onderhoudswerk is voldoende. Wees dankbaar dat je woont en veilig bent.
De kerk heeft tijden gehad dat ze zich meerderwaardig voelde met haar kathedralen en invloed of met haar kerkhistorisch alibi.
Tegenwoordig dreigt er minder­waardigheidsgevoel in het Westen. Maar beide zijn keerzijden van dezelfde medaille: Wij vinden onszelf belangrijk voor de wereld.
Maar zo is het niet. God kan ons gebruiken, maar onze belangrijk­heid ligt in de hemel, bij Hem. Dat geeft nederigheid en dankbaar­heid, rust en vertrouwen, liefde en tevredenheid. Alleen zo is er een gezond gemeentelijk leven in de kerk. Moedig en met een sterke overtuiging.

Lees goed wat hier gezegd wordt! Over de grote stad gesproken: Ik heb veertien jaar in Utrecht gestaan. De kerk stond op één van de donkerste plekken van de stad. Er werd door velen veel gedaan om de omgeving te bereiken. Dat gebeurde ook. De mensen wisten dat de kerkgangers een boodschap uitdroegen, door gewoon naar de kerk te gaan. Er kwamen ook wel eens vreemden uit de buurt in de kerk. Ik denk aan die vrouw in een rolstoel: ze reed de kerk binnen met achter op haar rug de leus: Feyenoord kan alles. Ik geloof niet dat zij besefte dat die zin vreemd viel in de kerk. Veel resultaat werd niet gezien. Het getuigenis klonk echter wel. Maar we mogen niet resultaatgericht denken, zegt men. Ik denk dat dat wel moet. Als ik zaai, zoek ik de onkiemende velden.

Ik heb in mijn tijd gemerkt dat de stad wel in nood is. Evenals het dorp. Er wonen mensen die in de massa dachten hun opvoeding te kunnen kwijtraken., Deze mensen vonden soms toch weer de weg naar de kerk. Het was nuttig en boeiend om in de stad te werken. Gewoon door er te zijn, door kerk te zijn. Houd de wijn zuiver; laat het zuivere Evangelie als het huismerk van de kerk zichtbaar worden. 

Nietsche moet gezegd hebben: Ik neem het christenen niet kwalijk dat zij dat zijn, maar dat zij dat níet zijn. Gelukkig houdt onze Vrijgemaakte hoogleraar ons dezelfde les voor. Het zou mooi zijn als we het op dat punt en alle andere in ieder geval eens mogen zijn.

 

                                                                                                                              

 

Kerkverlating                                                                                                                         2012

 

Dr. A. A. Prosman is emeritus predikant te Nijkerk. Hij doet een poging om onze tijd en onze cultuur te verstaan. Dat is een moeilijke bezigheid. Over het verleden kunnen we helderder oordelen dan over het heden. Je hebt immers nog geen afstand kunnen nemen. Toch lijkt me zijn poging redelijk geslaagd en is het  daarom goed te luisteren naar wat hij te zeggen heeft.

 

Het is een thema dat bij velen leeft. In "De Wekker” schrijft Ds. van Atten over hetzelfde onderwerp.

Dr. Prosman schreef drie artikelen in de Waarheidsvriend over kerkverlating. Hij komt tot de conclusie dat het geloof de mensen verlaat. Niet dat God ons verlaat, maar "het geloof”. Hij bedoelt daarmee niet het persoonlijk geloof, maar de christelijke vormgeving van het leven. Ik schrijf enkele treffende regels over: "De hele samenleving droeg eeuwenlang als het ware Gods vingerafdruk. Kunst, rechtspraak, wetgeving, gebruiken en gewoonten normen en waarden, de wijze waarop aan gebeurtenissen als geboorte, huwelijk en het sterven vorm gegeven werd: dat alles had altijd wel in meerdere of in mindere mate met het christelijk geloof te maken. Op allerlei manieren kwamen mensen daarmee in aanraking, meestal zonder dat ze zich daarvan bewust waren.

Niemand in ons land of elders in Europa groeide op zonder steeds weer herinnerd te worden aan Bijbel en geloof. De kerktorens aan de horizon, de kerkgangers die zondags de straten bevolkten, de koning of de koningin die regeerde bij de gratie Gods, Gods hand, die in de geschiedenis opgemerkt werd, de inhoud van het onderwijs aan de kinderen, de aandacht en hulp voor armen en zieken: overal waren aanknopingspunten en impulsen vanuit een christelijke levensvisie. Je kunt het alles gestold geloof noemen. Een christelijke cultuur is gestold geloof.

Dat alles is voorbij. Er is een wals van andere ideeën, overtuigingen en visies over ons heengegaan. De West-Europese cultuur is onherkenbaar veranderd. Het hele levensgevoel is gewijzigd. We oriënteren ons alleen aan doelen die we zelf stellen en die we dus steeds weer moeten bijstellen, omdat er geen vaste punten zijn om ons aan te oriënteren. In ons en buiten ons is alles in beweging (!). En wij bewegen mee. De ene keer de ene kant op, de andere keer de andere kant op. En dat alles naar de behoeften van de tijd. De mens staat naakt in deze wereld. Hij is ook heel kwetsbaar geworden, kwetsbaar voor occulte machten, die steeds meer ruimte krijgen om zich te manifesteren. De moderne tijd heeft een andere cultuur voortgebracht: een vloeibare. Het leven bestaat uit een voortdurend aanpassingsproces waarin voor vaste normen, voor blijvende waarden, voor hechte relaties tussen mensen en voor uitgesproken geloofsovertuigingen geen plaats meer is. Vandaag doen we het op deze manier, maar morgen kan het roer helemaal om”.

Hij haalt Nietsche aan, die het beeld gebruikt van een schip dat de haven uitvaart. Er wacht een eenzame weg over de grote oceaan. Er zijn geen vaste punten van oriëntatie.  "Dat betekent dat de mens zelf voor zingeving moet zorgen, zelf koers en doel moet bepalen en dat is een loodzware last. De mens bezwijkt eronder. Dat gevoel hebben we steeds meer. Zolang je gezond bent en jezelf kunt ontplooien, kun je de vragen van zingeving van het lijf houden. Maar zodra ziekte of ouderdom je leven gaan bepalen, zodra je huwelijk stuk loopt of wanneer je een burn-out krijgt, doemt er een grote leegte op. Geen enkel christelijk geloofsartikel of dogma heeft in zo”n cultuur overlevingskansen”.

Ik heb soms iets weggelaten uit het betoog. De hoofdlijn heb ik getracht weer te geven. Deze taxatie is aangrijpend te noemen. Geen vastheid meer, geen zekere ankers meer, maar een steeds wisselende veranderlijkheid, waardoor een groot vacuüm ons omgeeft. In die leegte slaat de duivel toe. Het beeld over Rotterdam van Zadkine (een mens zonder hart) kunnen we toepassen op Europa, dat de eigenlijke waarden kwijt is. Dat lege hart heeft de duivel makkelijk kunnen opvullen.

Het gebeurt maar weinig dat onze tijd dusdanig diep gepeild wordt. We zijn  op de een of andere manier de vastheid van het geloof in God kwijt. Dan houden we niets meer over. Bij het lezen hiervan kun je niet zeggen dat het misschien nog wel zal meevallen. Dat is juist een reactie die kenmerkend is voor de lege visie van deze dagen. Als dit waar is, als onze tijd zo verschrikkelijk verandert, dan moeten de alarmbellen gaan rinkelen. Dan is de nood hoog. Prosman wil niet zeggen dat God de mensen verlaat, maar ook dat zou kunnen en het ligt in ieder geval niet ver af van onze situatie.

De schrijver geeft een oplossing voor dit probleem. In de persoonlijke beleving van deze dingen (hij haalt psalm 77 aan, met de centrale woorden "dit krent mij”) kan er houvast gevonden worden. De gemeente moet zich de vraag stellen: "Is God in ons midden?”, dat is een vraag die leidt tot zelfonderzoek. Hij meent dat die vraag beantwoord wordt als het Avondmaal weer een centrale plaats gaat innemen. Dat zal op zich zeker waar zijn, maar er is op dit punt meer te zeggen. Ik tracht een aanvulling te geven.

 

Je blijft steeds weer opnieuw nadenken over de vraag hoe de impasse doorbroken kan worden. In hetzelfde nummer van de Waarheidsvriend vinden we een interview met Ds. C. van den Berg, die jarenlang in Zuid Oost-Azië gewerkt heeft en nu weer teruggekeerd is naar Nederland. Hij geeft op zijn wijze ook aan hoe hij de veranderingen in ons land als smartelijk en vervreemdend ervaart. Hij moet opnieuw leren ademen in Nederland. Dus de dingen gaan ook ons niet voorbij. Onze gemeenten niet. Als de waarheid vloeibaar is en geen vastheid meer heeft….

Ik denk altijd weer aan de gemeente van Laodicea, die met haar vermeende rijkdom het Woord van God en de genade van Christus overbodig achtte. Dat is ook een beeld van onze tijd. Maar ik denk nu vooral aan een andere gemeente, die òns als Reformatorische kerken met name veel te zeggen heeft, namelijk de gemeente van Efeze (Openb.2:1-7). Ook daar was veel veranderd. Anders dan hierboven beschreven werd, maar misschien toch niet zoveel anders. De gemeente heeft nog steeds de vastigheden van de rechtzinnige belijdenis, wat vooral bleek in het feit dat de dwaalleer door deze gemeente werd onderkend. "Gij hebt verdragen en hebt geduld; en gij hebt om Mijns Naams wil gearbeid en zijt niet moede geworden. Maar ik heb tegen u dat gij uw eerste liefde hebt verlaten”. 

Dat was er veranderd. Schrift en Belijdenis leken nog hetzelfde, maar er was in allerlei uitingen geen betoon van liefde meer. Het werd ook in de harten en op de kansels gestold geloof. Voelt u het zo ook soms niet aan? We hebben de orthodoxie en deze wordt in de preken op veel plaatsen nog zichtbaar. Maar ik en meerderen, wij worstelen met de vraag hoe die orthodoxe waarheden nu levende werkelijkheden kunnen worden. Een tegenhanger van de orthodoxie is in de geschiedenis altijd het Mysticisme geweest; de Mystiek of ook wel het Piëtisme. De orthodoxie roept dat Mysticisme op. Maar vooral de Mystiek zien we om ons heen, in bijvoorbeeld de Evangelische beweging. Veel gevoel en dat spreekt aan, maar te veel gevoel en te weinig graat en geraamte. Het rechtzinnige geloof willen we koste wat het kost, vasthouden. Maar lukt ons dat? Als de liefde eruit verdwenen is, wat houden we dan over? Kunnen dogma’s ons zalig maken? Kunnen tradities ons redden voor de eeuwigheid? Het kwam niet als een lot over de gemeente, want de Heere beschuldigt haar ervan dat zij dit zelf bewerkt heeft.

En daarom klinkt de eenvoudige en duidelijke oproep, voor toen en voor onze tijd: "Gedenk dan waarvan gij uitgevallen zijt en bekeer u en doe de eerste werken”. Bekering heeft te maken met het gedenken waarvan we uitgevallen zijn. Dat kunnen vooral de ouderen, want zij weten hoe het vroeger was. Zij hebben bijvoorbeeld in Rotterdam de grote kerken (waaronder de Koninginnekerk) met de stromen kerkgangers en de oprechte beleving van dat geloof nog gezien. Gedenkt dan waarvan gij uitgevallen zijt. Het is zo’n gemeenplaats om te zeggen dat het vroeger ook niet alles was. Dat is een klinkende waarheid. Er was toen ook heel veel schijn. De mensen waren niet beter dan nu. Maar het gaat niet om vroeger, het gaat om de beleving van het geloof in Christus Jezus. Toch moeten we de geschiedenis kennen. "Gedenkt de vorige dagen”…. Zo lezen we in Hebr. 10:32. Als u dat doet, merkt u de verandering op die hierboven werd weergegeven. Haal het portret van Jozua nog eens voor de dag (Joz.2:7-10).

De bekering die de Heere vraagt, krijgt juist urgentie als we gedenken waarvan we uitgevallen zijn. Een eerste val in het Paradijs, een tweede val na ontvangen genade. De Heere wijst de weg naar deze bekering. Hij doet dat door deze gemeente een brief te schrijven. Haar ogen te openen voor de nood waarin zij terecht gekomen is. Gevallen uit een grote, heerlijke hoogte en nu gevallen in een donkere ravijn. Maar wat de Heere vraagt, wil Hij geven. Hij maant tot bekering zowel door de belofte ("die overwint…” vers 7) alsook door de dreiging ("en zo niet….” vers 5). Bij alle veranderingen is de Heere niet veranderd. Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en tot in de eeuwigheid. Dan zegt uw hart: "Komt en laat ons wederkeren tot de Heere…” (Hos.6:1).

Ik hoop dat de treffende weergave van onze tijd, zoals Dr. Prosman die gaf, ons allen aan het denken zal zetten. Bij de Heere is ook bekering te vinden. Hij hoort het gebed: "Bekeer mij zo zal ik bekeerd zijn”. Dat gebed wil Hij verhoren. En dan zal ook de Heere het gebed van Mozes verhoren: "Keer weder, Heere, tot hoe lange en het berouwe U over Uw knechten”.

In Efeze had men de eerste liefde verzaakt. Daarmee is bedoeld die liefde die in het begin van het gemeentelijke leven zo levend was. De aanvang van het leven met de Heere vertoont deze liefde. Die liefde was sterk in de dagen van de Pinkstergeest en ten tijde van de Reformatie en van de Afscheiding. Telkens als er een nieuw begin ontstaat, is er liefde in. Maar als de tijd daarna voortgaat, worden de dingen gewoon en verdwijnt op de een of andere manier het eerste vuur. Dat vuur bestaat niet alleen in gevoel of emotie, het doorgloeit ook alle werken. De Heere spoort hen immers hier ook aan dat zij de eerste werken zullen doen. Het is wel zeker dat die liefde ook onder ons verkoelt. Dus is het nodig te horen naar het vermaan van de Zaligmaker. Tijdens Zijn aardse leven zei Hij reeds dat de liefde van velen zal verkoelen (Matth.24:12). Deze afkoeling is altijd weer de grote bedreiging. Rechtzinnigheid bevorderen, het pand bewaren, men deed het in  de gemeente, maar ongemerkt verflauwde de liefde tot de Heere en tot de naaste. Laat de diagnose ons brengen tot de heilzame therapie, laat het onderzoek ons nauwer verbinden aan de grote Medicijnmeester. Om liefde te geven, moeten we eerst liefde ontvangen. De bronnen van deze liefde liggen in de Drieënige God. Op die manier groeit de eerste liefde uit tot een voortdurend liefhebben, tot een tweede liefde en een derde liefde, en zo dan maar door. Dagelijkse vernieuwing  van het leven. Wij hebben Hem lief omdat Hij ons eerst heeft liefgehad.