VRUCHT OP DE PREDIKING  -1-                                                                      2006

 

De vraag naar vrucht op de prediking, wordt door ieder die bij een visitatie betrokken is, als heel erg belangrijk ervaren. Wordt die vraag gesteld, dan zijn we toe een een wezenlijk onderdeel van het kerkzijn.

Het visitatie-formulier stelt de vraag nadrukkelijk en ook later wordt de zaak van het geestelijke leven der gemeente nog eens aan de orde gesteld. Of deze vraag nog steeds, buiten de visitatie om, de gemoederen bezig houdt, is nog maar de vraag.

Zo ongeveer een dertig, veertig jaar geleden werd dikwijls de bede uit Hooglied aangetroffen in en classisverslag: "Ontwaak Noordewind en kom gij Zuidenwind, doorwaai mijn hof….” Deze bede werd aangehaald nadat de verslagen art. 41 waren aangehoord. In deze verslagen geven de afzonderlijke gemeenten tijdens een classisvergadering een indruk van het reilen en zeilen van de gemeente. In die jaren  werd dan meestal uitgesproken dat er, ondanks het goede dat gehoord werd, toch wel behoefte werd gevoeld aan de doorwerking van Gods Geest en aan een vollere openbaring van het werk der bekering in het midden van de gemeente. Men voelde een tekort in de vraag naar de geestelijke vrucht.

Er heeft zich op dit terrein wel een verschuiving voorgedaan. In de genoemde verslagen tegenwoordig worden vaak andere gemeentelijke zaken belicht. Men geeft bijvoorbeeld aan hoe het gaat met de verenigingen, hoeveel belijdeniscatechisanten er zijn, welke nieuwbouwplannen er bestaan of op welke manier men de gemeente pastoraal bearbeidt. In deze verslagen klinkt een wat "vrolijker toon” door dan jaren geleden, toen het geestelijk tekort meer werd aangevoeld. Men bezag voorheen over het algemeen de zaken meer in geestelijke perspectief dan thans. Of zou het zo zijn dat de geestelijke legering tegenwoordig meer wordt bedolven onder een stroom van menselijke activiteiten om daardoor maar een zekere schijn op te houden? Verzwijgen we op die manier niet de eigenlijke armoede? Het zal ook te maken hebben mete en veelheid van sociale en maatschappelijkke en kerkelijke problemen, die de eigenlijke vragen van geestelijke aard, op de achtergrond houden.

Ik heb, evenals vele van mijn ambtsbroeders, in de loop der jaren heel wat gemeenten bezocht en ik heb uiteraard ook als deel van een kerkenraad zelf visitatie-bezoeken meegemaakt; een overheersende indruk is wel, als deze speciale vraag wordt gesteld, dat er een zekere stilte valt; we zijn  er eigenlijk wel wat verlegen mee. We komen aan, zo lijkt het, op een moeilijk terrein. De vruchten liggen zo maar niet voor het oprapen. Er wordt misschien ook aangevoeld, dat er een zekere windstilte of een bepaalde onvruchtbaarheid heerst in de gemeente. Toch is de kerkenrad de aangewezen instantie om er weet van te hebben als er vrucht is. De broeders doen jaarlijks huisbezoeken, dus men is daarmee naarstig om het aangezicht der schapen te kennen. Dat is ook roeping en plicht.

Ik wil in dit eerste artikel nu reeds op enkele zaken wijzen. Vrucht op de prediking bestaat niet in uiterlijke activiteiten en kerkelijke productiviteit. De vraag, waar het over gaat, omschrijft zelf al heel juist de bedoeling van het onderwerp: ”Is er vrucht op de prediking, uitkomend in geloof en bekering en in een opwassen in de genade en de kennis van de Heere Jezus Christus, zodat u kunt spreken van een gebouwd worden van de gemeente?” Dat is een duidelijke omschrijving die allerlei actvistische antwoorden en menselijke werken uitsluit. Natuurlijk hebben allerlei dingen er indirect wel mee te maken. Het aantal catechisanten dat belijdenis doet, een hoge deelname aan het verenigingsleven enz. zijn factoren die wel te maken kunnen hebben met de staat en stand van de leden der gemeente, maar er mag hier geen vereenzelviging optreden. Dat geldt ook van het aantal kerkgangers en hun trouw daarin en ook niet van de dichtheid van de deelname aan het Heilig Avondmaal. Dat laatste overigens zou er heel dicht bij kunnen komen, maar het is niet de vrucht op zich. Van een toegenomen schare Avondmaalgangers werd en wordt overigens wel meermalen gedacht dat het een klaar bewijs is van geestelijk leven. Dat kan natuurlijk wel zo zijn, maar dat is het op zichzelf beschouwd, toch niet.

Een andere valkuil, waardoor we aan de eigenlijke intentie van de vraag niet toekomen, kan gelegen zijn in de uiteindelijke reactie dat we de eigenlijke vrucht vaak niet kunnen waarnemen. We hebben niet anders te doen dan te zaaien en de Heere weet uiteindelijk alleen wat de ware vrucht is op de prediking. Goedbedoelde opmerkingen aan het adres van de predikant in deze geest worden wel eens te makkelijk gemaakt. De rechtgeaarde dienaar zal zich juist wel afvragen wat de vrucht is op al zijn arbeid. De Heere laat er op Zijn tijd ook wel eens iets van zien. Onvruchtbaarheid binnen de gemeente zal de prediker brengen tot zelfonderzoek. Jesaja moest, hij wist het vantevoren, gaan ploegen op rotsen, maar hij vraagt wel: "Hoe lang, Heere?” (Jes. 6:11). De Heere Jezus Zelf heeft de vrucht heel duidelijk aan de orde gesteld in enkele gelijkenissen. De vrucht is waarneembaar in allerlei gewenste en ongewenste gevolgen. De gelijkenis van de Zaaier is wel een heel duidelijk voorbeeld. Maar ook die van het onkruid tussen de tarwe, waarin de arbeiders waarnemen dat er tweeërlei vrucht op de akker wordt gevonden. Hun vraag is verstaanbaar, ook voor ons: " Heere, hebt gij niet goed zaad in uw akker gezaaid? Vanwaar heeft hij dan dit onkruid?” (Matth.13:27).

Sprekend over de wijnstok en de ranken, wijst de Heere Jezus Zelf op de noodzakelijke vruchten die gezien zullen worden. "Die in Mij blijft en Ik in hem, die draagt veel vrucht” (Joh.15:5); er wordt ook gesproken over "alle rank, die in Mij geen vrucht draagt…” (15:2). In Lukas 6:44 lezen we dat iedere boom aan zijn vruchten wordt gekend. En wat denkt u van de onvruchtbare vijgeboom uit Lukas 13, waar het onderzoek naar de vrucht bepalend is voor het toekomstig lot van de boom? Daarom zegt ook de apostel Paulus, dat hij weliswaar niet de gave zoekt, maar wel de vrucht (Filip.4:17).

Ambtsdragers hebben derhalve de taak om het maaiveld te overzien. Zoals de landman vanzelf-sprekend de situatie op de akker in het oog houdt.

Ik kan zelfs nog verder teruggaan. Niet alleen de dienaren, ook de gemeenteleden zèlf moeten de stand der vruchtbaarheid bijhouden. Een moeilijk punt. Onze Catechismus zegt toch dat "elk bij zichzelf van zijn geloof uit de vruchten verzekerd zij….” (vraag en antwoord 86). Ook een teer punt. Ook daarover bestaan soms wel verkeerde meningen. Kunnenw e dat zelf wel weten? Anderen kunnen het zien, maar je kunt het zelf niet waarnemen. Hoezeer kunnen Gods kinderen hiermee vastlopen in de onvruchtbaarheid van het eigen hart. Want waarin bestaat die vrucht? Hoe weinig kunt u er zelf van zien. Hoe verdrietig als u zelf almaar bepaald wordt bij uw onvruchtbaarheid. Juist dat laatste moet diep ingeleefd worden, het moet ook betreurd worden dat we er zo weinig van zien. Gelukkig als we zien mogen wat de Heere zegt dat "uw vrucht uit Mij gevonden is” (Hos.14:8). Het houdt Gods volk klein en dichtbij de Heere Jezus, als het goed is.

Maar als het dan zo is, dat een christen hetzelf vaak niet zien kan, dan zal toch zeker de ambrsdrager eer wél iets van kunnen zien. Gods volk draagt de lantaarn op de rug. En dat zal hen persoonlijk te meer bezig houden, omdat het ten nauwste samenhangt met hun prediking en hun ambtswerk. Wat kunnenw e ons overigens hierin vergissen. Er was eens een prediker die de vraag voorgelegd kreeg naar de vrucht op zijn bediening. Hij gaf toen een merkwaardig antwoord. Er waren een behoorlijk aantal mensen die hij had mogen bekeren door zijn prediking. Maar, zei hij, er is niets van overgebleven. Er zijn er ook een aantal die de Heere heeft veranderd, en dat duurt nog voort en brengt vruchten aan het licht. Hierin ligt een diepe waarheid!

De dienaar is naar mijn vaste overtuiging geroepen tot een ernstig onderzoek naar de vruchten op de akker van de geemente. Hier zijn echter wel beperkingen aan te brengen.

De eerste is dat er inderdaad vruchten zijn, die zich niet terstond voordoen, zodat we er van spreken kunnen. Er is een tijd in het leven van Gods kinderen, dat de vrucht nog verborgen is. De zaken liggen nog te teer om er groot van te spreken. Ook dit vinden we uitgedrukt in een gelijkenis, namelijk die van de zaaiende landman uit Markus 4. Er staat van hem in vers 27, dat hij, na gezaaid te hebben "sliep en dat het zaad uitsproot en lang werd, dat hij zelf niet wist hoe”. Pas als de vrucht zich voordoet, dan zendt hij terstond de sikkel daarin (vers 29). De boer gaat niet direct de aarde omwoelen om te zien of er al leven is. Hij moet het geduldig afwachten. De vruchten moeten gezìen worden. Dus geen krampachtig gewoel in de grond om het zaad te verontrusten en daardoor juist de vrucht te belemmeren.

Dan is het soms ook zo, dat de vruchten van de voorganger door de opvolger pas duidelijk worden gezien. Hij mag oogsten wat anderen hebben gezaaid. De Heere Jezus spreekt erover als Hij zegt dat het een ander is die zaait en een ander die maait. "Ik heb u uitgezonden om te maaien hetgeen gij niet bearbeid hebt” (Joh.4:38). Er zijn bekende voorbeelden van. Er wordt van de bekende prediker M’Cheyne verteld, dat hij zelf weinig zag van zijn prediking, terwijl na zijn vertrek zijn opvolger daar juist heel veel van mocht zien. Ook in onze kerken zouden er namen en gemeenten te noemen zijn, die dit verschijnsel te zien gaven. In Driesum diende een zekere ds. Woldringh  29 jaar lang de geemente en zijn prediking had vooral als thema de grote ellende van de zondaar buiten Christus. Zijn prediking werd gekenmerkt door ernst en waarschuwingen. Maar toen daarna zijn opvolger ds. Holland een ruimere prediking bracht, mocht er geoogst worden. Ds. Holland zei ervan dat bij zijn komst de schapen al voor de deur lagen; hij behoefde die deur alleen nog maar open te zetten. Zo kunnen verschillende accenten bij verschillende dienaars toch een goed geheel vormen. Toen na de liefelijke prediking van ds. Driessen in ’s Gravenzande na hem ds. Salomons kwam, bleek duidelijk dat de verschillende accenten die beide dienaren aanbrachten, toch beide mochten meewerken aan een afgewerkt geheel. Het strekte tot opbouw van de gemeente. Zo vertelde men het indertijd.

Tenslotte wordt de eigenlijke vrucht onderzocht en bevaagd door de grote Kerkvisitator, de Heere Jezus Christus. Hij alleen kent volmaakt de vruchten, maar Hij weet ook van mislukte opbrengsten. De Heere getuigt bij monde van Jesaja: "Waarom heb Ik verwacht dat hij goede druiven voortbrengen zou en hij heeft stinkende druiven voortgebracht?” (5:4). Maar juist vanwege die ernst is het zo nodige dat wij ons een getrouw beeld vormen van de geestelijke staat van de gemeente en haar leden. Zeg niet langer: we kunnen het niet weten en overzien; alleen de Heere kan het. Heel veel kunnen we wel overzien en het is duidelijk dat er veel zaad verkeerd terecht komt en zich verkeerd ontwikkelt. Brengt dan vruchten voort van geloof en bekering, zo riep Johannes de Doper. Wat heeft mijn prediking uitgewerkt en wat heeft uw levensboom voortgebracht? Dat zijn voor u en mij gewichtige vragen. Iedere boom wordt aan zijn eigen vruchten gekend.

 

VRUCHT OP DE PREDIKING -2-                                                                                  2006

 

We willen in dit artikel speciale aandacht geven aan het tweeledige doel, dat in de visitatie-vraag genoemd wordt: Is er vrucht op de prediking, uitkomend in geloof en bekering en in een opwassen in de genade en kennis van de Heere Jezus Christus, zodat u kunt spreken van een gebouwd worden van de gemeente?

Het gaat om twee dingen: bekering en geloof alsook groei in het geloofsleven. Het zijn de twee lijnen die de Catechismus trekt: Bewaar en vermeerder Uw kerk. We moeten oog hebben voor deze beide aspecten.

Men kan deze beide lijnen verwaarlozen, zodat we slechts een van beide beklemtonen. In de kring van onze kerken zullen de accenten heel verschillend gelegd worden. Gaat men ervan uit, dat er zeer velen onbekeerd zijn in de gemeente, dan beklemtonen we vooral de bekering en het geloof. Bekeert u en gelooft het evangelie, zo klinkt door alles heen, telkens weer, iedere zondag.

Het komt in deze tijd ook heel vaak voor, dat men eigenlijk de gedachte heeft dat de gehele gemeente deelt in de genade. We komen toch naar de kerk en bewijzen daarmee toch dat het ons ernst is? De oproep tot een principiële eerste omzetting en verandering lijkt achter de rug te liggen; deze opdracht is bij wijze van spreken uitgevoerd en we moeten het nu voortaan hebben over de dagelijkse bekering, over een groei in het geestelijke leven. U hoort misschien ook wel eens om u heen zeggen: ik wil groeien in mijn geloofsleven. Het wordt algemeen om te spreken over "mijn geloof”; alsof bekering een gepasseerd station is.

Vele jaren geleden zei een mede-ambtsbroeder eens tegen me dat de gemeente die hij diende een gearriveerde indruk maakte. Hij heeft toen eens tegen de gemeente gezegd: Wat heb ik als predikant hier eigenlijk te doen? U bent er in feite allemaal al, zo denkt u.

De beide in de vraag genoemde elementen worden op die manier uit elkaar geplozen en men wordt eenzijdig in de prediking. De trein rijdt over een rails.

 

Treffen we het eerste gevaar vaak aan? Zijn er veel predikers die in een kerkdienst staan als in een evangelisatiedienst? We kunnen vrijwel zeker stellen dat dit in onze kerken niet algemeen voorkomt; zo wordt er onder ons niet gepreekt. Ook in de engere kring gemeenten die zich aangesproken weten door de doelstelling van Bewaar het pand; laat ik het kind maar bij de naam noemen, niet om separatistisch te doen, maar om duidelijk te zijn. Het is echter wel zo, dat in genoemde kringen gevoeld wordt dat de mens wederomgeboren moet worden en dat hij nimmer ontkomt aan de noodzaak van zelfonderzoek.

Is het Bijbels om zo over de gemeente te denken? Zegt de NGB niet dat de kerk een heilige vergadering is van alle ware schriftgelovigen, al hun zaligheid verwachtend in Christus Jezus, gewassen zijnde door Zijn bloed, geheiligd en verzegeld door de Heilige Geest (art. 27)? Dat is de kerk inderdaad naar haar wezen. Zoals we kunnen zeggen dat er koren op de akker staat, terwijl we natuurlijk weten dat stro en kaf veel moeite veroorzaken, als er geoogst wordt. We vergeten echter niet dat de kerk dit in haar wezen is. Dat moet vast staan. Spreken we echter over de gemeenten, dan hebben we het over de verbondsgemeente. Daarover kunt u nader onderwijs krijgen in de Heid. Catechismus, in antwoord 74 ( de kinderen zijn in het verbond Gods en Zijn gemeente begrepen), in antwoord 54 (de gemeente wordt vergaderd uit het ganse menselijke geslacht); ik wijs ook op antwoord 65: (de Heilige Geest werkt het geloof in onze harten door de verkondiging van het heilig Evangelie). Er is een tweeërlei aspect als we spreken over de gemeente: het is de verbondsgemeente en teglijk in haar wezen de gemeente, uitverkoren ten eeuwige leven. Dit hangt ook samen met het tweeërlei aspect van de schenking en de deelachtigmaking. Ik heb hier enkele woorden aangehaald van wijlen Professor Kremer (Priesterlijke prediking, blz. 61,62).

Maar, mogen we toch de gemeente niet wat hoger aanslaan? We vinden in de Schrift heel veel sterke aanduidingen van de geestelijke positie van de gemeente. Is zij niet een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom (1 Petr.2:9)? Het zout der aarde, een stad op een berg en een licht op de kandelaar (Matth.5:13,14)? Let eens op de aanhef van de meeste brieven van Paulus, waarin hij hooggestemd de gemeente aanspreekt op het volle heil in Christus. Het ontbreekt die gemeente aan geen gave (1.Cor.1:4v). Het valt niet te ontkennen dat de gemeente zeer hoog wordt neergezet in Gods Woord. Noemt de Heere Jezus de discipelen niet Zijn vrienden en broeders? In al deze aanduidingen treffen we het ideale beeld van de kerk aan.

We moeten hier goed onderscheiden. Om met het laatste over de aanspraak tot de discipelen te beginnen: het valt mij vaak op dat heel dikwijls de doorsnee geementeganger op één lijn wordt gesteld met de discipelen. Dan maken we echter wel een grote sprong. Dat gebeurt nogal eens rond het Avondmaal. Christus begeerde grotelijke dit Avondmaal te houden met Zijn discipelen. Dat wordt te makkelijk, te snel overgebracht op de gemeente. Vergeet u niet dat buiten die kring van twaalf mensen de verbondsgemeente van Israel en Jeruzalem leeft in openlijk verzet tegen Christus; straks zullen zij Hem kruisigen. Hierover zou nog wel meer te zeggen zijn. Stel altijd de vraag tegen wie de Heere in Zijn Woord spreekt. De aanspraak "Gemeente des Heeren, of: gemeente van onze Heere Jezus Christus” wekt te grote verwachtingen. Men kan deze aanduidingen goed opvatten, maar meestal hoort de gemeente er meer in dat ermee bedoeld wordt, als het er al niet mee bedoeld wordt.

Ik stel hier de volgende zaken verder tegenover: De verbondsgemeente was uitgeleid uit Egypte en deelde ruim in de beloften. Maar de apostel verklaart van hen dat zij allen onder de wolk waren, terwijl de Heere in het meerden deel geen welgevallen had (1 Cor.10:1v). Zelfs hebben zij allen dezelfde geestelijke spijs gegeten…. Wel uitgeleid, maar niet ingegaan (in Kanaän). Door ongeloof. De uittocht uit Egypte was geen zaak van werkelijke levendmaking, het zag op het apart geplaatst worden als uitverkoren volk. Denkt u later aan de prediking van de profeten onder het OT. Het volk wordt genoemd: koeien van Bazan (Amos 4:1), gerusten te Sion (6:1); Hosea moet in 1:9 het volk benoemen met de namen van Lo-ammi (niet Mijn volk), Loruchama (niet ontfermd). Er zijn zo heel veel voorbeelden te geven. De gang van het bondsvolk onder het OT is één grote teleurstelling. In de dagen van de Zaligmaker is het niet anders. Christus spreekt onthutsend ernstig tot het volk: Gij zijt uit de vader de duivel (Joh.8:44). In het zesde hoofdstuk van dezelfde apostel gaan duizenden massaal bij de Heere vandaan, terug naar huis. Hier spreken we over de verbondsgemeente.

Ja maar, dat wordt later na Pinksteren anders? Zeker wel. Paulus spreekt positiever over de gemeente? De hoge bewoordingen van deze apostel, die ik zoëven aanhaalde, betreffen de gemeente van Corinthe. Juist deze gemeente wordt in dezelfde brief aangesproken op verschrikkelijke ongeestelijke wantoestanden. Er was sprake van verdeeldheid, van dronkenschap rond het Avondmaal, er kwam hoererij voor, de opstanding werd geloochend, de censuur moest veelvuldig toegepast worden. De tweede brief van Paulus aan die gemeente tekent een onthutsend beeld. Ik heb zoëven aangegeven er goed op te letten tot wie de Heere spreekt. Maar let er ook op op welk tijdstip de Heere spreekt. Is de gemeente kortgeleden gesticht, dan is de bekering een duidelijk waar te nemen zaak; maar bestaat die gemeente wat langer, dan rukken de dwalingen en de ketterijen op, dan is er dat sluipende proces van verval en afval. Deze dingen zijn geschied ons tot voorbeelden. In evangelische kringen wordt gesteld dat men eens voor altijd bekeerd is. Maar dat is onder ons nooit zo geleerd, in de tijd toen de prediking in onze kerken nog algemeen krachtig en overtuigend klonk. Van de zeven gemeenten zijn er twee in de meest ernstige nood, het is vijf voor twaalf (Sardes en Laodicea). Twee zijn in heel gezegende staat, zoals het geval was in Smyrna en Filadelfia. De overige vier gemeenten vertonen een gemengd beeld. Deze zeven brieven vertonen het beeld van de kerk in alle tijden, terwijl Laodicea naar veler oordeel vooral ook speciaal een tekening is van onze tijd.

 

Het is nodig om de eerste lijn uit de vraag bilijvend aan de orde te stellen, namelijk die van bekering en geloof, als een aanvankelijke ommekeer in mensenlevens. Algemeen zal men dat toestemmen in onze kerken. Iedere classis zal hierover eenstemmig lijken te zijn. Toch moeten we van alle kanten eerlijk zijn en erkennen dat in veel preken en meditaties, die u allemaal lezen kunt, een ander beeld wordt geschetst. We zijn toe aan gemeenteopbouw, aan groeigroepen, aan kerkplanting, waarin uitkomt een bewogen activiteit naar de wereld, dat ons aanspreekt, maar helaas wel met de optimistische achtergrond, dat de gemeente er toch wel is. En daar lijken geestelijk de wegen toch uiteen te gaan. Hier moeten wij afhaken van de tijdgeest. Het kan toch niet worden ontkend dat de Heere Jezus, Die toch de beste prediker aller tijden mag worden genoemd, juist zo onderscheidenlijk sprak tot het volk van die dagen.

Welnu, is er in uw gemeente sprake van bekering en geloof in uw gemeente, zo luidt de vraag? Hoe is dat in ùw gemeente? Het is er te weinig, zo moeten we allen erkennen. Gelukkig echter zien we ook nu nog jonge mensen veranderen, vertonen sommigen in de gemeente een plotselinge koerswijziging en leeft er binnen een gemeente soms een  levende honger naar het Woord. De roep om een opwekking klinkt meermalen en duidelijk.

Toch moeten we erkennen dat het te weinig wordt gehoord. Daarom is deze vraag heel belangrijk. Het is verleidelijk om een positief beeld te schetsen. Tijdens een visitatie doen we daar allemaal nogal eens aan mee. We hebben toch nog een goede en trouwe gemeente en de mensen komen trouw naar de kerk. Veel goede dingen. Daartegenover weten we dat in veel gemeenten de kerkverlating ernstige vormen aanneemt.

Om aan Johova-getuigen te ontkomen, plakken soms mensen een sticker op de deur: we zijn al bekeerd. Vreselijk, als u daar goed over nadenkt. Maar denken soms kerkmensen niet dat die sticker op hun voorhoofd of op de kerdeur zit? En dat moet er dan eerst af! Want zondaren worden door de Heere ontvangen en Hij eet met hen, maar rijken worden ledig heengezonden. Hebt u het ook zo geleerd? Dat is dan juist toch een heerlijk woord, dat zij, die alles verliezen, in Christus alles zullen kunnen vinden?

 

                                                                                                                                 

VRUCHT OP DE PREDIKING -3-                                                                                  2006

 

bevinding

 

Het eerstgenoemde kenmerk van vrucht op de prediking ligt, zo hebben we gezien, in geloof en bekering. Of: bekering en geloof, want deze volgorde vinden we ook vele malen in de Heilige Schrift. Dat maakt geen wezenlijk verschil, maar het legt wel een ander accent.

Het tweede gevolg, waaraan ik nu enige aandacht wil wijden, is gelegen in de opbouw van het geestelijke leven. Er staat letterlijk: "een opwassen in de genade en kennis van de Heere Jezus Christus, zodat u kunt spreken van een gebouwd worden van de gemeente?”

We komen nu dan toe aan hetgeen de Heere Jezus sprak tot Petrus: "Weid Mijn schapen”. In de gemeente bevinden zich gelukkig ook kinderen Gods en deze zoeken voedsel en onderwijs onder de prediking. We kunnen dit element uitnemend weergeven met de aanduiding: het bevindelijk element. Merk op dat dit tweede geformuleerde doel ook weer gericht is op de eigen gemeente. Er wordt niet zozeer hier gezegd dat de gemeente, nadat zij tot geloof is gekomen, nu uitsluitend haar roeping naar de wereld moet gaan vervullen. Deze gedachte wordt tegenwoordig door meerderen zo vertolkt. Dat lijkt de enige overblijvende taak en roeping van de kerk. We worden hier vermaand te denken aan de voortgaande opbouw van de eìgen gemeente en als vrucht daarvan zal dan de roeping tot evangelisatie gestalte krijgen. Dat is de goede orde.

Hier ligt uiteraard een breed terrein, dat niet in een enkel artikel uitputtend kan worden behandeld. Ik wil zien hoever ik ermee kom. De gegeven formulering vinden we ook terug in de Bijbel. Zo lezen we in 2 Petrus 3:18  Maar wast op in de genade en kennis van onzen Heere en Zaligmaker Jezus Christus. Hem zij de heerlijkheid, beide nu en in den dag der eeuwigheid. Amen.

We kunnen ook denken aan de volgende uitspraken van Gods Woord: "Maar de waarheid betrachtende in liefde, alleszins zouden opwassen in Hem, Die het Hoofd is, namelijk Christus” (Ef.4:15); en daarnaast: "En, als nieuwgeborene kinderkens, zijt zeer begerig naar de redelijke onvervalste melk, opdat gij door dezelve moogt opwassen”(1 Petr. 2:2).

Het woord "opwassen” is een nadere verklaring van het begrip "vrucht”. Het staat zo mooi in Markus 4:28, waar we lezen: "Want de aarde brengt vanzelf vrucht voort, eerst het kruid, daarna de aar, daarna het volle koren in de aar”. Let op de volgorde.

De Schrift gebruikt ook andere beelden, zoals die van het lichaam of van een gebouw dat zijn voltooiing nadert. Dat laatste vinden we ook genoemd in het laatste deel van de betreffende vraag.

Wat is nu opwassen?

 

groei

 

Ds. L. Vroegindeweij noemt in een van zijn preken een mooi voorbeeld. Als we na jaren mensen terugzien, die we als kind hebben gekend, zeggen we vaak: Wat zijn jullie groot geworden! Maar bij Gods kinderen ligt de zaak juist andersom. We zeggen dan na jaren: Wat zijn ze kleìn geworden! Maar dat maakt het nu juist zo moeilijk voor u, die de Heere vreest. U zoekt vrucht en toename daarvan en u zult uzelf daarop ook onderzoeken, als het goed is. Maar helaas, het kan zijn dat u deze vrucht niet voldoende ontdekt in uw leven. Moet u daar dan zo naar zoeken? Jazeker, want  Gods Woord roept ons op tot zelfonderzoek, op allerlei plaatsen. Het valt me vaak op dat ook onze oude schrijvers zo heel sterk hebben aangedrongen op een onderzoeken van het eigen hart. En op grond van dat onderzoek ook een besluit opmaken aangaande uw staat voor de eeuwigheid. Het is voor mijzelf en u de vraag of wij dat nog wel echt methodisch kunnen. Bent u bekend met de schuilhoeken van uw eigen hart en bent u bekend met de gronden waarop uw geestelijk leven steunt? Of gaan we toch teveel af op het eigen gevoel, op een innerlijke rust of gerustheid?

Maar u vindt geen vrucht bij uzelf. Ik weet dat ik nu de tolk ben van velen uwer, die de vruchten bij zichzelf missen. Maar nu zou het kunnen zijn, geliefde vriend(in), dat u het toch teveel zoekt in het groter worden en minder in het kleiner worden. Groeit u nu omhoog of groeit u naar beneden? Het voorbeeld van de stratenmaker wordt wel gebruikt. Hij gaat het meeste vooruit als hij achteruit gaat. Hij werkt op zijn knieën en legt de straat aan en onderwijl moet hij dan wel naar achteren werken.

Bedenk verder dat we allen een zeer beperkt beeld hebben van de kennis van Christus. Deze kennis richt zich naar het woord van Paulus op een steeds dieper inzicht in de volheid die er is in Hem. Dat heeft te maken met de drie ambten van de Middelaar, het heeft te maken met de beide staten van Christus, het richt zich op een zich verdiepende kennis van Zijn Persoon en van Zijn werk. Profetisch zal de Heere meer en meer Zichzelf door Zijn Geest verklaren aan het hart, daarbij plaats makende voor meerdere genade en dus daarbij meer en meer ontdekkend aan de eigen dodelijke kwalen van de ziel. Daarin ligt het kleiner worden van hen die de Heere vrezen. Het is een diepe droefheid in hun leven dat zij geen vorderingen zien. Maar hangt het bij u samen met een teruggang in eigen kracht, zoals ook Johannes dat uitdrukte: "Hij moet wassen, ik minder worden?” Ik weet dat het ook te maken heeft met een geestelijke dorheid, die het geestelijke leven van onze dagen zo kenmerkt. De klacht daarover is nodig en actueel. Er kunnen verschillende oorzaken zijn voor het klagen over eigen gebreken en zwakheden en zonden. Dorheid moet soms ook nog meehelpen om tot geestelijke kleinheid te komen, al mogen we het daarmee niet toedekken en goedpraten.

De opwas in de kennis van Christus hangt verder ook samen met de beide andere ambten van de Zaligmaker. Zijn offer op Golgotha en de overdenking daarvan leidt tot een grotere rouwklacht dat we Hem door onze zonden doorstoken hebben en tevens tot een diepere vrede des harten dat nu alle zonden zijn verzoend en er daardoor vrede met God mocht ontstaan. Koninklijk leert de Zaligmaker dingen die zelfs voor bevestigde christenen een gevoel van diepe afhankelijkheid bewerken. Prof. Wisse merkte daarover op dat juist in dit deel van de weg van de Heere mensen nog ellendiger worden dan ze ooit tevoren waren. Daarin wordt ondervonden de hardnekkigheid van het vlees der zonde en gaan we zodoende nog weer steeds dieper afdalen in de breuken van het eigen hart.

Ik noem ook nog de diepere kennis betreffende de beide staten van de Heere Jezus. Paulus spreekt erover in Filip.3:10: "Opdat ik Hem kenne, en de kracht Zijner opstanding, en de gemeenschap Zijns lijdens, Zijn dood gelijkvormig wordende”.

Het gaat hier om gelijkvormig te worden zowel aan de dood van Christus alsook aan Zijn opstanding. Dat houdt in dat we dat ook gaan ondervinden in ons. Het gaat hierbij dan niet alleen om de Christus voor ons en buiten ons, maar ook om de Christus ìn ons. De gelijkvormigheid met de dood van Christus duidt op het feit dat Gods kerk met Christus gekruisigd wordt (Gal.2:20) en dat is een zaak ook van droefheid en strijd. Hierin ligt ook weer het element van het minder en kleiner worden opgesloten. We zullen in die weg gaan ondervinden dat de wereld Hem gehaat heeft, maar dat dit ook gaat gelden van al de Zijnen. We komen te staan in het krachtenveld van de poorten der hel, die reeds door de Heere Christus werden aangekondigd. De Catechismus verwoordt dit alles uitnemend in vraag en antwoord 43: "Wat verkrijgen wij meer voor nuttigheid uit de offerande en den dood van Christus aan het kruis? Dat door Zijn kracht onze oude mens met Hem gekruisigd, gedood en begraven wordt, opdat de boze lusten des vleses in ons niet meer regeren, maar dat wij onszelven Hem tot een offerande der dankbaarheid opofferen”.

 

onderzoek

 

 Hieruit blijkt wel dat Gods kinderen niet na hun bekering direct continu en voor altijd alleen maar roemen in de blijdschap en de vrijheid, maar dat toch het leven van een arm zondaar mede ook het bestaan van Gods kerk blijvend blijft bepalen. Hiertegen worden juist tegenwoordig veel bezwaren ingevoerd, met name ook in evangelische kringen en alle kerkelijke eigen gelederen, die hiermee nauw verwant zijn.

Daartegenover staat dan ook heerlijk (en het een kan niet zonder het ander) dat er ook is een gemeenschap oefenen met Christus in de kracht van Zijn opstanding. Daarmee wordt bedoeld het nieuwe leven der heiliging, dat nu uit Zijn kracht geleefd mag worden in de vreugde van een nieuw leven, zoals de apostel daarvan zegt dat wie in Christus is, een nieuw schepsel is (2 Cor.5:17).

Op deze wijze zal de gemeente gebouwd moeten worden. Elke prediker zal moeten erkennen dat hij zeer veel tekort komt in zijn preken in het uitwerken van deze gelijkvormigheid met Christus. Ieder van Gods kinderen begeert deze dingen wel te bevinden, maar het volbrengen wordt niet gevonden. Dit bewaart voor allerlei triomfalistische gevoelens, waarin de afsterving van de oude mens te weinig tot zijn recht komt.

We moeten helaas zeggen dat deze fundamentele zaken de scheidslijn markeren tussen de prediking van onze kerken van verleden en heden, zonder hierin te willen generaliseren. Maar er ligt een duidelijke scheidslijn. Te spreken over allerlei kerkelijke zaken die slechts de vormen raken, verdoezelt de eigenlijke geestelijke nood die er is. Wie deze Bijbelse lijnen zoekt in de prediking en deze niet aantreft, verkommert en wendt zich vroeg of laat af van datgene dat hiermee gebroken heeft.

…"zodat u spreken kunt van een geestelijk gebouwd worden van de gemeente….?” Daar staat een vraagteken. Dit is iets anders dan uiterlijke kerkbouw, hoezeer we dat ook mogen nastreven. De term "bouwen”wijst heen naar een gebouw, zoals de gemeente dat ook is. Een geestelijk huis! Daarin worden levende stenen ingevoegd en bebikt om pasklaar in dat gebouw ingevoegd te worden. Dat geestelijk gebouw werd zichtbaar in schuren en boerendelen waar in moeilijke tijden gepreekt werd en waar mensen samenkwamen die levende stenen waren. Zoals een natuurlijke steen niet kan leven, zo konden zij alleen ook maar leven door het wonder. Bent u nu zo’n steen?

Wat zullen de broeders van de raad nu antwoorden op deze wezenlijke vraag? Wordt werkelijk de gemeente gebouwd? Of vertoont het bouwwerk scheuren en lijkt het op die vallende scheur, uitwaarts gebogen in een hoge muur, waarover Jesaja spreekt (30:14)? De bouwlieden van deze tijd mogen erkennen dat zij het niet kunnen en dat slechts de Heere het is Die Jeruzalem verkiest en bouwt. Daarin ligt troost, maar ook vermaan. Wij moeten wel wachters zijn op Sions muren, om zoals Nehemia deed, de situatie in ogenschouw te nemen. Dan moge het onze begeerte zijn, die de bekende regels vertolken: "Reeds verlangen Uw knechten, hare stenen op te rechten; elk heeft deernis met haar gruis, elk toont ijver voor Gods huis”. God van de hemel zal het ons dan doen gelukken en wij, Zijn knechten, zullen ons opmaken en bouwen.

                                                                                                                                 

 

 

 

 

PINKSTERPREDIKING                                                                                                     2006

 

Ditmaal onderbreek ik de serie artikelen over de kerkvisitatie en wil ik enkele gedachten doorgeven over de preek die Petrus hield op de Pinksterdag. Ik doe dat niet in de vorm van een meditatie, maar ik zoek meer enkele bouwstenen voor de prediking in zijn algemeenheid. Hoe moet er gepreekt worden en hoe gebeurde dat tijdens de Pinksterdag, toen Petrus het woord nam? We mogen ervan uitgaan dat die preek, zo kort na de uitstorting van de Heilige Geest, zuiver en helder de diepste bedoelingen weergeeft betreffende de verkondiging van het evangelie.

 

drie punten?

Het meest opvallende lijkt mij het feit, dat Petrus in eerste instantie geen volledige preek met een uitgewerkt evangelische boodschap geeft. Als hij bij wijze van spreken amen zegt, heeft hij de mensen feitelijk alleen nog maar hun schuld voorgehouden. Had hij drie punten gehad, dan was het eerste geweest: uw schuld; het tweede zou weer gaan over: uw schuld en het derde zou opnieuw uitlopen op: uw schuld. Er staan wel verzen in, die spreken van Gods rijke genade, zoals bijvoorbeeld vers 15-18 en  21, maar dat gaat dan niet over zijn hoorders. Zij worden slechts geconfronteerd met hun zeer ernstige zonde in de krusiging van de Zaligmaker. In vers 23: " Deze hebt gij genomen en door de handen der onrechtvaardigen aan het kruis gehecht en gedood”, en in vers 36 (het slot): "deze Jezus, Die gij gekruisigd hebt”. Tot de hoorders wordt voor vers 36 geen belofte gericht. Deze volgt pas later in ruime zin, als de mensen in vertwijfeling hebben uitgeroepen: "Wat zullen wij doen, mannen broeders?” Hij spreekt wel over Christus, maar dat gaat dan vooral over het Koningschap van Christus en over de grootheid van Zijn Persoon.

Had Petrus deze mensen niet direct het volle evangelie met Gods beloften hen moeten voorstellen? Wordt Gods Geest uitgestort, dan zouden we toch verwachten dat de stromen van Gods genade ruim en zonder omwegen worden gezien en gepreekt? Men zou zich nog kunnen voorstellen dat de hoorders Petrus in de rede zijn gevallen met hun vraag en dat de spreker nog niet gereed was met zijn preek, maar dat lijkt mij niet aannemelijk. Petrus is er bewust op uit geweest, om deze mensen confronterend op hun schuld te wijzen. Hij spaart hen op geen enkele wijze.

We zien dat meer in Gods Woord. Als Nathan tot David komt na zijn zonde met Bathseba, spreekt hij alleen maar over de ernst van de zonde en over de gewisheid van Gods oordelen. Pas als David daarop zijn zonde beleden heeft, volgen woorden van vergeving. Deze volgen direct. Nathan had de opdracht van de Heere al bij zich om David te spreken van Gods genade, maar hij deed dat nog niet direct. Dat komt later.

We moeten hier wel de conclusie uit trekken dat Petrus er bewust bedoeld heeft, nee dat de Heilige Geest het erop aangelegd heeft, om deze mensen te overtuigen van hun schuld. Bedenk echter dat dit reeds de uitwerking van een rijke belofte is. De Geest zal de wereld overtuigen van zonde….

Hoe zouden de mensen gereageerd hebben als de spreker hen in één adem zou hebben gesproken van vergeving en verzoening? Dan zouden de mensen wellicht over de zaak van hun schuld makkerlijker heengestapt zijn. Als Petrus later, in Hand.3:12-26 opnieuw een kortere preek houdt tegen de Joden, gebeurt het wel iets breder en ruimer, want daar klinken wel beloften, maar de kern ook van dat betoog ligt toch in de bekendmaking van hun schuld.

Leerzaam voor onze tijd! Veel mensen zitten met een weegschaaltje in de kerkbank om nauwkeurig af te wegen  hoe de verhouding is van zonde en genade, wet en evangelie. In deze tijd, ik zeg niet te veel, is de conclusie dan al heel snel dat er teveel zonde is en te weinig genade. Je krijgt soms de indruk dat men meent een zeker recht te hebben op het evangelie. Of men spreekt zo, omdat men meent dat men anders geen moed en kracht zou overhouden. Het zou de mensen maar depressief maken als de ellende breed wordt uitgemeten. Dat zou ook best kunnen. Hoorders ervaren soms de prediking van de schuld als een (te) zware belasting en daar kan in bepaalde gevallen begrip voor zijn. Niettemin kan het soms zo gaan lijken op een prediking naar de mond van Jeruzalem.

Toch is Petrus niet enghartig, want nadat de schuldbelijdenis geklonken heeft, wijst hij zijn hoorders een duidelijke weg van behoud. Dan is hij heel ruim en richt hij zich tot "een iegelijk van u” en hij spreekt duidelijk over Gods grote genade, dat de door hen gekruisigde Christus vergeving der zonden wil schenken. Het gaat er dus niet om dat we hem zouden mogen verwijten dat hij tekort doet aan het evangelie, maar hij hanteert een zekere orde daarbij. Dat is niet op te vatten als een voorwaarde, maar wel als een weg waarin een zondaar deze dingen leert.

Laten wij ons daaraan houden. De vraag van deze mensen is voor ons allen nodig: "Wat zullen we doen, mannen broeders?” Onder veel preken, die onder ons en door ons gehouden worden, wordt deze vraag niet zo vaak meer gesteld. De genade ligt binnen handbereik. Men behoeft er, volgens velen in deze dagen, niet over in te zitten. Met gevolg dat, wonderlijk genoeg, de mensen er nooit ècht uit komen. Juist deze beslissende vraag vraagt om een duidelijk antwoord en dat klinkt terstond. Ik meen dat wijlen ds. van der Vlies eens gezegd heeft: We richten de mensen soms te vroeg van hun knieën op. Begrijpen we die uitdrukking? Ze mogen en moeten wel opstaan, maar op Gods tijd. Er moet echt een wonder gebeuren.

 

Jezus Christus

Een tweede opvallende lijn in deze Pinksterpreek is, dat Petrus op een bepaalde manier over de Heere Jezus spreekt. Hij spreekt vooral over Zijn Persoon en minder over Zijn werk. Zijn lijden en sterven stonden in het teken van Gods raad. Zijn opstanding, door de Joden ontkend, is een daad van God in de hemel geweest. Heel scherp komt hier de Persoon van Christus naar voren. Hij is weliswaar wel Jezus, de Nazarener, maar Hij is een Man van God, Hij is een Heere en Christus. Over de vruchten van Zijn kruisoffer horen we hier nog niet direct alles. De heerlijkheid van Zijn naturen wordt hier bekend gemaakt. De conclusie moet wel zijn dat Hij de Zoon van God is.

Het is een rijkdom dat het bloed van Golgotha reinigt van alle zonden. Het is een heerlijke waarheid, dat daar de bronnen van vergevende liefde uitstromen naar zondaren. Maar in deze preek gaat het om vooral twee andere lijnen, namelijk om Zijn Goddelijke zending en om Zijn koninklijk ambt. Dat is heel opmerkelijk.

Ook Christus heeft Zelf meermalen gesproken over Zijn Persoon. "Wie zeggen de mensen, dat Ik, de Zoon des mensen, ben?”, zo vroeg Hij. Zijn heerlijke Persoon werd ook beleden en erkend: "Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods”. Ook de hemel heeft gesproken over Zijn Persoon en over Zijn zending: "Gij zijt Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik al Mijn welbehagen heb”.

Onze tijd leegt de nadruk op de menselijkheid van Jezus. Dan wordt Hij een vriend genoemd, een leidsman of een lichtend voorbeeld. Het zou goed zijn als we naar Petrus leren luisteren. De Heilige Geest verheerlijkt Christus. In de gesprekken met de Joden ging het er steeds weer om dat zij mochten zien wie Hij is. En juist daarover ontstonden de problemen. Hij werd ook veroordeeld vanwege Zijn vermeende godslastering.

Het zal er ook voor ons op aankomen meer zicht te verkrijgen op Zijn Persoon. Wanneer u daarover gaat nadenken, krijgt u meer zicht op de alomvattende betekenis van Zijn werk. Wat ligt er al niet opgesloten in de drie ambten van Profeet, Priester en Koning. In dit drieluik openen zich brede perspectieven, die het geestelijke leven kunnen verdiepen en verbreden. Zijn beide naturen hebben voor de kerk van alle tijden een diepe rijkdom blootgelegd, waarin des te meer de volheid van Zijn werken naar voren kwam. Beseffen we dat wel, als we uitsluitend soms maar spreken over Jezus, terwijl er soms geen besef is wie de Christus is? Het gehele betoog van Petrus gaat er juist om, dat Jezus de Christus is. Dat is een diepe waarheid. Dan blijkt ook de kracht van de Gereformeerde belijdenis, als juist de Heidelberger daar zo breed op ingaat.

Een van de vereisten voor de prediking wordt vaak vertolkt in de gedachte dat het gaat om  Christusprediking. Maar beseffen we wel waarom we dan vragen? Men bedoelt vaak met deze term dat in de Christusprediking de belofteprediking en de ruimte van het evangelie naar voren komen. Dat is terecht, maar slechts ten dele. De volle, rijke Christusprediking is de prediking van ellende, verlossing en dankbaarheid. Hij ontdekt profetisch aan de wet; denkt dan maar aan de uitleg van de wet in de Bergrede. Hij verzoent priesterlijk de zonde in al haar gruwelijkheid en dat blijkt in Zijn onderwijs, maar vooral ook aan het kruis. En koninklijk regeert Hij in het hart der Zijnen, opdat zij aller zonden vijand mogen zijn. Prof. Wisse schreef daar helder en diep over in zijn boekje over de ambtelijke bediening van Christus in de gelovige. We moeten vrezen dat de Christusprediking verschraalt en langzaamaan steeds smaller en eenzijdiger wordt. Daarin komt een geest van oppervlakkigheid naar voren, die schade toebrengt aan het geestelijk verstaan der dingen. Het is heel opmerkelijk dat juist op Pinksteren de Heilige Geest bijina uitsluitend spreekt over de Persoon van Christus.

Hierboven merkte ik al op dat het opvalt dat Christus vooral wordt voorgesteld in betrekking tot Zijn Vader. Er wordt telkens weer van Hem naar de Vader gewezen; zie de verzen 22,23,24, 32,33 en 36.

Als we hier echt zicht op krijgen, wordt ook duidelijker de noodzaak van de komst van de Heere Jezus gezien. Hij moest voldoen aan de opdracht van God. Zijn werk en Zijn offer werden reeds in de Raad Gods van eeuwigheid vastgesteld. Hier gaat voor ons oplichten wat wel eens werd opgemerkt: we moeten niet met Christus, maar met God verzoend worden. Op deze wijze krijgt ook het Oude Testament te meer betekenis.

Het werpt verder licht op de uitverkiezing, een zaak, door velen als benauwend ervaren, terwijl daaruit juist de stroom van Gods genade in Christus naar voren komt. Hier worden de diepere perspectieven zichtbaar en zo gaan we ook meer verstaan van de rijkdom van de Drieëenheid.

Kortom, de preek van Petrus, zo nauw verbonden met en bepaald door de komst van de Heilige Geest, kan ons wijzen op een bredere en diepere invulling, die wij vaak missen, tot schade voor het geestelijke leven.

Er zijn nog meer opvallende zaken in deze Pinksterpreek. Misschien daarover een volgende keer nog eens wat meer genoemd. Kijkt u er zelf ook vast eens naar. Het gaat er tenslotte om, dat ook tot ons gezegd zal worden: "Gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen”.

 

                                                                                                                                 

PINKSTERPREDIKING (2)

 

concrete zonde

 

In het vorige artikel heb ik willen aangeven, dat Petrus veel aandacht geeft aan de overtuiging van zijn hoorders betreffende hun zonde. Omdat het Pinksteren was, mogen we zeggen dat Gods Geest daar Zijn werk van maakt, om in die weg plaats te maken voor de Heere Jezus.

Ik wil daar nog nader op ingaan. Want hoe overtuigt Hij de mensen van hun zonden en om welke zonden gaat het? Het vraagt om nadere onderscheidingen, als we spreken over zonde en schuld. We moeten eerlijk erkennen dat heel veel spreken en preken over zonde toch niet raakt aan de eis der Schrift. Vaak blijft alles heel algemeen en onpersoonlijk. Wat is nu concreet zonde en wat is ùw en mijn zonde?

Petrus spreekt over de bepaalde zonde van zijn hoorders tegenover de Heere Jezus Christus. Zij hebben Hem in ongeloof en vijandschap gekruisigd. Er is zonde tegen de wet en er is ook zonde tegen het evangelie. Hier gaat het om de zonde tegen het evangelie des kruises. Tegen de liefde van Christus. Tegen de Zoon van God. Dat lijkt toch wel de ergste zonde die er bestaat. Nee, het is niet de enige zonde, zoals wel geleerd wordt. Dan zegt men dat het ongeloof de enige zonde is, de enige werkelijke zonde. Dat mogen we nooit zeggen. Er is ontdekking nodig vanuit de Wet Gods, zoals ook de Heildelberger zegt. Christus heeft ook Zijn hoorders overtuigend gewezen op hun misverstaan van de wet en hun zonde daartegen als de uitgedrukte wil van God. Maar hier gaat het om hun zonde tegen de liefde van de Zoon Gods.

Natuurlijk, zo kunt u denken. Deze zonde hadden zij zojuist bedreven en zij hebben het dan ook zelf uitgeroepen dat Hij gekruisdigd moest worden. Dat ligt bij ons anders. Dat is ten dele juist, maar in feite staan ook wij schuldig aan deze zelfde zonde. De Heilige Geest overtuigt van zonde, zo sprak Christus, "omdat zij in Mij niet geloven”. Daar hebt u de zonde belicht als zonde tegen Christus.

Het komt voor dat deze zonde voor velen niet zwaar weegt. Dat gebeurt daar waar de eis tot geloof niet scherp gebracht wordt. Ongeloof is dan geen zonde. Er is dan ook geen zonde tegen Christus, want men zal zeggen dat zij Hem niet kennen en dus kan men dan ook niet tegen Hem zondigen. Zonde wordt dan veel meer gezien als hetgeen er gebeurde in het paradijs. Dat is een Bijbelse waarheid en het is heel belangrijk dat daarop gewezen wordt. Maar het wordt voor de persoon zelf weinig concreet, vanuit een misverstaan van de Schrift. Ongeloof is dan geen zonde, want men kan immers niet geloven? Terwijl onze Belijdenis hierover zegt: "Doch dat velen, door het Evangelie geroepen zijnde, zich niet bekeren noch in Christus geloven, maar in ongeloof vergaan, zulks geschiedt niet door gebrek of ongenoegzaamheid vann de offerande van Christrus, aan het kruis geofferd, maar door hun eigen schuld” (DL, 2,6) Hoe heeft ook Christus juist de Joden niet overtuigd van hun verzet inzake het geloof in Zijn naam. In het vorige artikel spraken onze vaderen in de lijn der Schrift over het bevel van bekering en geloof.

Zonde tegen het evangelie als tegen de liefde van Christus ligt diep. Zacharias heeft daarvan gesproken: "zij zullen Mij aanschouwen, Die zij doorstoken hebben en zij zullen over Hem rouwklagen; zij zullen over Hem bitterlijk kermen….; te dien dage zal te Jeruzalem de rouwklage groot zijn” (12:10,11). Een doorstoken Zaligmaker, door onze zonde en tegenstand, door onze haat jegens God en Zijn eer, is een smartelijk gezicht. Daar komt de zonde in zekere zin tot haar hoogtepunt. Hebben we dat persoonlijk wel mogen zien? Verstaan we de ernst van deze rouwklacht? Gezondigd te hebben tegen een goeddoend God, Die in Christus Zijn liefde toonde. Dan wordt ook uw ongeloof tot zonde, tot een zeer zware zonde. In het afwijzen van Christus door het ongeloof kroont u alle andere zonden in uw leven en geeft u aan dat u die zonden bemint en handhaaft. Op Golgotha blijkt de zonde van het paradijs in haar diepste ernst. We hebben in Adam gezondigd tegen God en die vreselijke zonde handhaaf ik nu, staande bij een doorboorde Heiland. Ik spreek ermee uit dat de zonde zo erg niet is, terwijl juist het sterven van Christus de diepte van het recht Gods laat zien. God neemt uw zonde zo ernstig dat Christus zo zwaar moest lijden en boeten, terwijl u en ik zelfs dat lijden nog hebben verzwaard. In Christus spreekt de hemel diep ernstig over de zonde tegen de wet; Christus droeg die heilige wet en daarom moest Hij sterven. In Zijn dood blijkt nu verder ook Zijn liefde en tegen die liefde en dat evangelie zondigt een ieder die volhardt in ongeloof.

Van deze zware zonde heeft Petrus zijn hoorders overtuigd. Hij wist wel dat zijn hoorders juist van nature deze zonde volkomen zouden ontkennen en van de hand wijzen. Hij wist dat hij hun diepste verzet opriep met deze overtuigende preek; maar hij heeft eerlijk zijn hoorders aangegrepen in hun diepste verzet tegen Christus en hij heeft hun schijnvroomheid ontmaskerd. Dat zal met ons ook steeds weer moeten gebeuren. Als we dat gevoelen, lopen we niet meer zo gerust de kerk uit na de prediking van Zijn recht en genade. We blijven dan ook niet langer steken in onze onmacht, maar we krijgen dan oog voor onze onwil. Maar dat moet de Heilige Geest wel leren. Anders blijft alles een slag in de lucht. Hier heeft de Heilige Geest van die zonde overtuigd en dat geeft ons onderwijs aangaande de prediking.

 

bekering en geloof

 

Een tweede opmerking over de preek van Petrus heeft te maken met zijn antwoord op de vraag van hen, die verlegen werden onder hun schuld. Hij houdt deze mensen dan de eis van bekering voor. "Bekeert u en een iegelijk van u worde gedoopt….”. Had hij niet beter kunnen oproepen tot geloof? Hier ligt een verschil. Vraagt de Heere nu geloof of vraagt Hij bekering?

Voor mijn waarneming wordt in onze dagen de eis tot geloof sterk benadrukt. Vaak ook zonder de noodzaak van waarachtige bekering te stellen. Christus heeft beide zaken beklemtoond: "Bekeert u en gelooft het evangelie” (Mark.1:15). Twee woorden en twee zaken. In deze beide woorden ligt de ommekeer van de zondaar verklaard. Zeker vinden we ook in Gods Woord soms alleen sprake van geloof of van bekering, maar deze beide woorden samen geven de volle werkelijkheid aan. Paulus riep de stokbewaarder op tot het geloof in Christus (Hand.16:31). De profeten uit de dagen van het Oude Testament spraken doorgaans over bekering.

Het woord dat Petrus gebruikt voor bekering, betekent o.a.: berouw hebben. Door de preek van Petrus loopt, alhoewel niet als zodanig benoemd, wel de lijn van het geloof, maar de bekering staat toch voorop. Anders dan in veel preken van onze tijd, zoals ik al zei. De oproep: Je moet geloven, is wel een Bijbels bevel, maar men vergeet dan de eis: Bekeert u. Dat betekent: kom tot berouw, ga anders denken over uw schuld, kom tot een andere levenswandel. Ik vrees dan dat vaak het geloof wordt aangegrepen, zonder de eis der bekering. Geloof geeft dan blijdschap en er behoeft maar weinig mis te gaan of we zien dat geloof als een daad van de mens. Bekering echter brengt ook tot een heilzame droefheid. Dus is de oproep tot geloof, zonder de noodzaak van de bekering, een eenzijdige benadering. U komt dan in de buurt van wat de Heere Jezus Zelf zei dat er mensen zijn die het Woord met blijdschap aannemen, maar slechts voor een tijd.

Ik weet natuurlijk wel dat er ook mensen zijn die alleen maar spreken over de noodzaak van de bekering. "Je moet bekeerd worden!”  Een bekende uitdrukking, waarin u toch ook een misverstaan van Gods Woord opmerkt. Want de Schrift zegt bijna altijd: Bekeert u! (als een bevel).

Bekering en geloof. Daarin gaat de vrijmacht Gods en de verantwoordelijkheid van de zondaar samen. Gods werk, uitkomend mede ook in het werk van mensen. Blijdschap èn droefheid, hoofd en hart, geloof en wandel.

Juist bij de uitstorting van de Heilige Geest, is het verrassend te zien dat Hij primair spreekt over bekering. Ik trek daar dan de conclusie uit dat de weg der bekering absoluut nimmer verzwegen mag worden. Niet alleen geloven, maar ook zich bekeren. Niet alleen zich bekeren, ook geloven. Geloof denkt men soms in een enkel moment, eens en voor altijd, te kunnen bewerken, maar bekering ziet op het gehele leven. Juist tegenover het accent op de blijdschap, spreekt de tekst over berouw en droefheid. Gewerkt vanuit de liefde Gods.

Er ligt voor mijn besef een groot gevaar in het eenzijdig accentueren van het geloof als blijdschap, terwijl men, vreemd genoeg, juist zich verzet tegen droefheid en berouw. Men verstaat dan de kracht en de rijkdom er niet van. Er is een blijdschap waarvan Gods Woord zegt dat het hart zelfs in het lachen smart zal hebben (Spr.14:13). In de droefheid over de zonde ligt een innerlijke, verborgen vreugde. Het is een droefheid, gemengd met hoop en verwachting. Er ligt liefde Gods in verklaard. Het zwaard der wet, zei Wisse, is gedoopt in het bloed van Christus.

Zie het als een volle Bijbelse waarheid dat bekering en geloof samen gaan. Er is geen bekering zonder geloof en geen geloof zonder bekering. Van beide zaken komen echter wel schijngestalten voor. Dat kan nooit gebeuren, als de volle schriftuurlijke waarheid klinken mag. Bekering en geloof. U kunt u slechts bekeren door de kracht van een verborgen geloof. Hoezeer gaat een verloren zondaar in de weg der bekering geloof hechten aan Gods Woord. Juist door dat Woord te geloven, komt hij tot berouw. Berouw omdat er gezondigd werd tegen Gods wil en wet; berouw omdat de liefde van Christus zo versmaad werd. Vanuit dat verborgen geloof komt er dan ook een koerswijziging inzake de levenswandel. Mogen we deze lessen leren, dan blijkt er ook geen geloof zonder bekering te zijn. Geloof kan niet optreden zonder bekering. Het geloof in Christus brengt dan tot waarachtige dankbaarheid, waardoor het leven anders wordt.

Wat een rijkdom, als Gods Geest meekomt in de weg der bekering, zoals hier in handelingen. De hoorders werden dodelijk gewond in hun hart, zo lezen we. Wat een heilzame vraag: Wat zullen wij doen, mannen broeders? Vooral als dan gehoord wordt dat er niets te doen valt dan het werk Gods te aanschouwen. "Gijlieden hebt nu wel droefheid, maar Ik zal u wederom zien en uw hart zal zich verblijden en niemand zal uw blijdschap van u nemen” (Joh.16:22); dat geldt ook van deze droefheid. Over het karakter van deze droefheid zou nog veel te zeggen zijn, maar ik laat het nu hierbij. Tot de bedroefden van hart, klinkt het woord: " deze dag is onze Heere heilig; bedroeft u niet want de blijdschap des Heeren, die is uw sterkte” (Neh.8:11). Christus kwam om de treurenden Sions te troosten. En zalig die treuren, want zij zullen vertroost worden!

 

                                                                                                                                 

 

 

 

BEELDEND PREKEN                                                                                                     2006

 

Het zal de lezers bekend zijn dat tegenwoordig in diverse gemeenten de gewone zondagse kerkdiensten onder andere namen worden aangekondigd. Er zijn bijvoorbeeld: Diensten met belangstellenden (DmB), er zijn gezinsdiensten, themadiensten, jeugddiensten, enz.

In deze kerkdiensten kan dan een andere vormgeving aangehouden worden. Er worden andere liederen gezongen, er worden alternatieve vormen van verkondiging geboden.

Een toenemende trend op dit terrein wordt gevormd door aanschouwelijk, visueel onderwijs in de dienst. De voorganger bepaalt zich niet tot het Woord dat verwòòrd wordt, maar hij zoekt naar voorbeelden, die beeldend aangeven waar het over gaat.

Het gebeurt al jarenlang, dat men soms een voorwerp meeneemt naar de kansel. Bijvoorbeeld een steen die een stenen hart moet aanduiden. Dat gebeurt dan in speciale diensten voor minder begaafden en men kan zich dat voorstellen. Het kan iets verduidelijken. Nu echter doel ik op andere zaken.

Een heel sterk voorbeeld hiervan is de predikant, die tijdens de dienst een motor, die eens gebruikt was bij kampioenschappen, voor in de kerk plaatste en daar telkens de aandacht op vestigde. Het liefst had bedoelde voorganger, zo vertelde men mij, deze motor onder de kerkdienst de kerk binnen laten komen, in vol bedrijf. Dan begrepen de mensen het nog beter.

Dat komt in onze kerken niet voor, tenminste niet in die verregaande vorm. Toch gebeuren er dingen tijdens kerkdiensten, die veel vragen oproepen.

 

Beeldend preken!

Men zou bijvoorbeeld, prekend over de ladder Jakobs, het betoog kunnen dienen door voor in de kerk een ladder op te stellen en deze tijdens de dienst te beklimmen. Ik geef maar een willekeurig voorbeeld. Of, als het gaat over de voetwassing zou men kunnen beginnen de voeten van een kerkganger te wassen om zodoende de tekst beter tot zijn recht te doen komen. Als het zou gaan over de intocht van de ark te Jeruzalem, zou de dominee huppelend de kerk binnen kunnen komen. U zult ongetwijfeld denken dat ik nu overdrijf, maar de genoemde voorbeelden zijn niet van elke realiteit ontbloot. Ik hoor steeds meer geluiden van mensen, die zeggen dergelijke zaken te hebben gehoord of te hebben meegemaakt.

Een van mijn catechisanten vertelde mij dat zij zo’n dienst had meegemaakt; het was een dienst voor gehandicapten. In zulke diensten wordt al jaar en dag aanschouwelijk onderwijs gegeven en dat kunnen we allemaal tot op zekere hoogte plaatsen. Wat er in die dienst gtebeurde, ging heel erg ver en mijn  catechisante was daardoor toch wel in verwarring gebracht.

Op een van mijn bezoeken vertelde men mij dat de kleinkinderen opgetogen hadden verteld over een kerkdienst, die zij hadden bezocht. Volgens zeggen moesten de mensen allemaal op een blad papier hun moeiten en hun zonden opschrijven; vervolgens moest men het geschrevene op een kruis spijkeren, dat voor in de kerk stond opgesteld. Men kan hier slechts op geruchten afgaan, omdat je niet overal bij bent. Maar het zijn anderzijds publieke handelingen, die publiek besproken dienen te worden.

Het is de stijl van de EO-familiedagen en de jongerendagen, waar al een behoorlijk aantal jaren allerlei visuele attributen het podium bevolken. Dat men soms zulke technieken en presentaties gebruikt om de onkerkelijke mens te bereiken, zou nog te accepteren zijn? Al gebruikte Paulus zich nooit van zulke vormen en hìj had toch duidelijk te maken met natuurlijke mensen.

Maar, gebeurt dat nu ook in navolging van moderne uitingen om ons heen, in gewone kerkdiensten?

We moeten vrezen dat dit inderdaad het geval is. Ik meen op deze veschijnselen de aandacht te moeten vestigen, omdat deze dingen geruisloos worden doorgevoerd. Moet ertegen gewaarschuwd worden, of kunnen we deze nieuwere vormen dit keer welwillender beoordelen?

Er is blijkbaar veel aan de hand. De naam "Willowcreek” moet hier in één adem genoemd worden. Het heeft verder te maken met de cultuur van onze dagen, die vooral visueel ingesteld is. De kerk speelt daar op in. In de Bethelgemeente in Drachten, waarover iki reeds eerder geschreven heb, komen dit soort dingen ook regelmatig voor. Ik liep jaren geleden eens op een zaterdagavond een rondje in een van mijn vorige gemeenten; ik zag toen overal het blauwe licht, ook bij mijn gemeenteleden. Ik heb me toen wel zuchtend afgevraagd hoe ik deze mensen de volgende morgen het Woord van God zou kunnen duidelijk maken.

Men zal ongetwijfeld op diverse kansels vanuit goede bedoelingen trachten de mensen duidelijker onderricht te geven vanuit de Bijbel. De aantrekkelijkheid van kerkdiensten zakt weg tot een minimum; in diverse classes wordt de tweede kerkdienst problematisch aan de orde gesteld. Modern ingestelde mensen zeggen weinig meer te begrijpen van de preek. Iedere dominee zal ermee worstelen. Hoe maak ik dit nu duidelijk?

 

Men zegt dat een mens maar twintig minuten geconcentreerd kan luisteren. Maar daar zit nu juist het probleem. Ik geloof dat een mens, een natuurlijk mens, nog geen minuut geconcentreerd kan luisteren. Want de natuurlijke mens begrijpt niet de dingen die des Geestes Gods zijn. Ze zijn hem een dwaasheid. Hij begrijpt ze niet en wil ze ook niet begrijpen. WE trachten hem wel te bereiken in vertrouwen in onze Zender, maar we moeten wel realistisch uitgaan van de doodsstaat van de mens.

Het zaad valt in de bekende gelijkenis van de Zaaier aan de weg en daarmee zijn zij bedoeld die het Woord horen maar niet verstaan. Paulus zegt in 1 Cor.3:2: " Ik heb u met melk gevoed en niet met vaste spijs; want gij vermocht toen niet; ja, gij vermoogt ook nu nog niet”.

Zou niet bedacht moeten worden in ernstige zelfkritiek wat we lezen in Hebreën 5:11, waar gezegd wordt dat er veel dingen gezegd zouden moeten worden, die zwaar zijn om te verklaren, omdat de hoorders traag om te horen geworden waren.

Veel predikers zullen het misschien zwaar hebben om allerlei zaken te verklaren,  maar anderzijds kan het ook zijn dat de hoorders traag geworden zijn om te begrijpen.

Alleen Gods Geest kan de uitlegging geven. Mensen die nog maar kort echt tot verandering kwamen, lijken soms de schade van jarenlange onkunde en onbegrip en ontbering in korte tijd te kunnen inhalen vanwege een grote geestelijke honger. Als de Heere Zelf het Woord niet verklaart en als we geen geestelijke antenne hebben, missen we alle begrip. We gaan absoluut blind varen als we gaan inspelen op de huidige onkunde van de moderne mens en als we dan met de beste bedoelingen ons gaan beperken tot het meest haalbare.

Het treft mij persoonlijk altijd weer diep, als ik de opdracht aan Jesaja lees: "Maak het hart dezes volks vet en maak hun oren zwaar en sluit hun ogen, opdat het niet zie met zijn ogen, nocht met zijn oren hore, noch met zijn hart versta, nocht zich bekere en Hij het geneze” (Jes.6:10). Ik vraag mezelf ook wel eens in arren moede af of iets daarvan ook in deze tijd en misschien wel in alle tijden heerst. O, wat zou het vreselijk zijn, geliefde lezer, als dat onze gemeenten zou gelden en als onze tijd zo getypeerd zou moeten worden. Het is wel nodig dat we diep ontsteld mogen zijn of worden als we dat lezen. Waarom zou het toen wel zo zijn en nu niet? Heeft ook de Heere Jezus Zelf deze woorden niet aangehaald om ook het volk van Zijn dagen te typeren?

Roept de kerkganger het soms ook niet in onze dagen uit: We kunnen niet zien en we kunnen niet horen en daarom kunnen we ons niet bekeren. Het hart is zwaar en vet geworden van de welvaart! Dat geldt de gemeente, dat geldt evenzeer ons als predikers. Niemand ontkomt aan de klem van dit woord.

Maar Gods getrouwe knechten zullen dan toch wel roepen met Jesaja: "Hoe lang, Heere?” En dan is er gelukkig een "totdat”, maar wel in een ernstige vorm. "Totdat de steden verwoest worden, zodat er geen inwoner zij en de huizen dat er geen mens zij….”.

Zijn het niet bange gedachten? Toch zal het heilig zaad het steunsel zijn zoals de eik en de haageik dat steunsel tonen na de afwerping der bladeren. Dat geeft moed, vanuit God en vanuit Zijn belofte.

U begrijpt, wij kunnen het misverstaan niet wegnemen door te simplificeren. Daar is een wonder van boven voor nodig. Bij ons als predikers en bij u als hoorders.

Petrus schrijft er ook over als hij zegt dat Paulus naar de hem gegeven wijsheid over "deze dingen” spreekt; "in welke sommige dingen zwaar zijn om te verstaan, die de ongeleerde en onvaste mensen verdraaien, gelijk ook de andere Schriften, tot hun verderf” (2 Petr.3:16).

Laten we niet trachten in menselijke kracht de nood op te heffen, maar zoeken we toch vanuit de Goddelijke belofte het èchte middel te vinden, waardoor gezegd kan worden: "Hoort en uwe ziel zal leven”. Wie oren heeft om te horen, die hore wat de Geest tot de gemeente zegt!

 

                                                                                                                                 

 

BEELDEND PREKEN (2)

 

In het vorige artikel heb ik willen aantonen, dat zich een geruisloze verandering voltrekt op het terrein van de prediking. Men wil zaken als toneel, drama, visuele acties enz. een plaats geven in de verkondiging, om zodoende de moderne mens nog zoveel als mogelijk is te betrekken bij het Woord. Men denkt dat dit nodig is omdat de mens van deze tijd ver verwijderd is van een goed verstaan van de Bijbel en haar boodschap. Men wil hieraan tegemoet komen, om die postmoderne mens toch nog te bereiken.

Ik heb getracht duidelijk te maken, dat dit geen goede weg is. Wie steeds meer water bij de wijn doet, houdt geen wijn meer over, maar alles wordt water. Als er structurele onkunde bestaat inzake het Woord van God, dan moeten we die onkunde niet sanctioneren, maar dan zijn er grondiger maatregelen nodig. Hoe kan dat? Dan moeten we de gemeente de nood laten zien van deze al maar neergaande beweging; dan moeten we ons als gemeente en kerk dringend afvragen of de Heere nog wel onder ons is; kortom, dan is bekering nodig en een hernieuwd reformatorisch zoeken van de kennis des Heeren. Men moet dus niet zonder meer inspelen op al maar minder belangstelling en steeds toenemende oppervlakkigheid, maar de verder weg dwalende mens moet gewaarschuwd worden voor een eeuwige ondergang, als de zaken zo doorgaan. Er moet een totale ommekeer plaats vinden, gewerkt door de Heilige Geest. Dat kunnen we als mensen niet bewerken, maar de Heere wil door Zijn Geest deze zaken uitwerken.

Het grote bezwaar tegen de huidige gang van zaken in onze kerken is dat de gemeentebeschouwing zo optimistisch blijft en dat we niet inzien, hoeveel we al verloren hebben. We redden hier de zaken niet met gemeenteopouw en groeigroepen enz., maar er zijn geestelijke vormen van bezinning nodig. In de woorden van Jesaja 6 werd een oordeel uitgesproken over de geringe kennis van de mensen van die dagen; die onkunde was zelfs zèlf een oordeel! Ten diepste zijn we op deze manier bezig om de wegen van onze tijd te stroomlijnen, alhoewel deze blijven doorleiden in de verkeerde richting, in de richting van de eeuwige ondergang, terwijl juist nodig is dat we de smalle weg ten leven weer opnieuwe ontdekken. Deze dingen zijn hard om te zeggen en om te verstaan en ik zou het zo niet durven zeggen als ik er niet tegelijk bij zou zeggen dat ik hier niemand persoonlijk veroordeel, maar dat het mijn oprechte bdedoeling is om de zaken en de verschijnselen te signaleren, die immers toch te maken hebben met eeuwig wel of eeuwig wee. Wij staan hier ook allen mede schuldig. Gesprekken en gedachten over deze zaken moeten meer de klem en de ernst krijgen van eeuwigheidslicht. Er wordt vaak te kerkelijk en te menselijk over zulke dingen gesproken. De prediking in onze tijd moet gewoon blijven wat deze is. De dwaasheid der predking worde niet aangepast; de kerk heeft altijd mogen geloven dat de prediking het doen zal als een middel van de Heilige Geest en daarom moeten we het kruit van de prediking droog houden. Dit klemt temeer omdat we de zaken die we inleveren of die we inruilen, definitief kwijt zijn.

 

Ik wil nu trachten om vanuit een andere invalshoek nog iets te zeggen over het onderwerp. Men zou namelijk toch de vraag kunnen stellen of het Bijbels gezien nu zo verkeerd is om deze nieuwe wegen van verkondiging te bewandelen. Zijn er soms ook Bijbelse voorbeelden te noemen van deze manier van overdracht? Moesten ook profeten als Jeremia en Ezechiël zich bij tijden niet bedienen van beeldende en uitbeeldende presentatie? Jeremia moest een linnen gordel kopen en deze begraven bij de Frath (Jeremia 13). Ezechiël moest zich "gereedschap van vertrekking” maken (12:2). Deze profeet heeft meer voorbeelden moeten geven die een visuele boodschap wilden overbrengen. Het huwelijk van Hosea met Gomer (1:2) zou ook in dit verband genoemd kunnen worden.

Nu moet gesteld worden dat een prediker nog niet volkomen op een lijn te zien is als een profeet uit het O.T. Verder zijn dit allemaal voorbeelden, die gegeven werden als laatste redmiddel, vanuit een dodelijke ernst en zeker niet om wat "hapklaar” voedsel te verstrekken. Buiten de gegeven voorbeelden echter gebeurt het maar zelden in Gods Woord, dat men zich begeeft buiten de paden van de audiële verkondiging. Het geloof blijft uit het gehoor.

En vergete men toch niet dat ook woorden op zichzelf heel veel beelden kunnen oproepen. Ook een gewone preek kan een beeldende presentatie zijn. Er zijn bekende voorbeelden geweest van voorgangers, die met hun woordkeus en mimiek alles gedaan hebben om door de prediking de mensen te raken. Dat blijft altijd nodig. Ds. N. de Jong bouwde aanschouwelijk een huis op de preekstoel en ook kinderen konden het zich dan goed voorstellen. Ds. van Pagee preekte eens over David en Goliath en toen hij in het vuur van de preek de vraag stelde: "Zou Goliath het dan toch winnen?”, toen riep een klein kind uit: "Nee hè mamma”! Zulke inlevende vormen van betrokkenheid kunnen ook plaast vinden vanuit de gave van het woord en vanuit die van het Woord.

We zouden ook kunnen denken aan de gelijkenissen die werden uitgesproken door de Heere Jezus Zelf. Wat zou het trouwens betekenen dat er van Hem geschreven staat dat Hij hen leerde als machthebbende en niet als de Schriftgeleerden (Matth.7:29)?

Deze gelijkenissen nu werden toch uitgesproken ter verduidelijking, zo meent u welicht. Ogenschijnlijk kan zo’n gelijkenis als een praktisch voorbeeld heel verduidelijkend werken. Wie begrijpt niet de loop der dingen in een bekende gelijkenis als de Zaaier?

Toch liggen de zaken hier gecompliceerder. De Heere Zèlf zegt in Matth.13:11 waarom Hij door gelijkenissen spreekt: "Omdat het u gegeven is de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen te weten, maar dien is het niet gegeven”. Gelijkenissen kunnen dus juist ook een verhullende en verbergende betekenis hebben. De Heere spreekt zelfs over de verbòrgenheid van het Koninkrijk. Maar iedereen kan toch begrijpen hoe de gang van zaken is in zulke eenvoudige alledaagse beelden?

Dat is nog maar zeer de vraag.

De gelijkenis van de Zaaier wordt, zoals u wellicht weet, in twee fasen gegeven. Eerst wordt het verhaal, het beeld verteld en daarna, maar dan aan de discipelen alleen, de betekenis. De schare heeft alleen het natuurlijke beeld. Dat is heel aangrijpend. Juist dan spreekt de Heere over de reeds genoemde woorden uit Jesaja 6. De werkelijke geestelijke toepassing werd door het volk niet gehoord. De concrete persoonlijke betekenis van de woorden verstonden de mensen niet.

Als ik mij niet vergis, is dat een verschijnsel van alle tijden. Mensen kunnen gewoon genoeg hebben aan een bepaald verhaal of een zeker beeld, terwijl men heel erg moeilijk gaat doen als de toepassing aan bod komt. Het valt me wel eens op dat de mensen dan zeggen het niet meer te begrijpen. Als voorganger moet je jezelf dan wel onderzoeken, maar tegelijk is het duidelijk dat hier dan meer aan de hand is. De toepassing en de rechte uitleg van de Zaaier vraagt geestelijk onderscheiden. Als hoorders deze dingen echt zouden verstaan, zouden ze schrikken. Dee ontdekkende vraag komt dan op: Hoe valt het zaad van het Woord in mijn leven? Deze vraag is nodig om de weg ter bekering. Maar de schare van toen en die van nu wil zo’n vraag niet stellen. Men begrijpt het niet als de zaken zo’n persoonlijke spits krijgen en ten diepste willen we het niet begrijpen.

 

Gods Woord geeft dus zeker geen aanbevelingen om het gesproken woord in te ruilen voor mimiek en drama, enz. Gods Woord zegt ons en blijft ons zeggen: "Het geloof is uit het gehoor”. Daaraan moeten we blijven vasthouden. Paulus schrijft aan Timotheus: "Predik het Woord! Houd aan tijdig en ontijdig” (2 Tim. 4:2).

Deze woorden moeten voor ons voldoende zijn. Beide polen van deze tekst moeten beklemtoond worden. We hebben het Wòòrd te prediken, alsook het Woord te prédiken. Zoek daar uw kracht. De Heere wil dat Woord zegenen. En houden we dan ook aan in situaties, waarin we denken dat het ontijdig en ongelegen komt. Dat zal ten diepste altijd zo blijven. Dan gebeurt het wonder dat doden zullen horen de stem van de levende God. Het Pinksterfeest heeft ons bepaald bij de eigen talen, waarin mensen het Woord hoorden. Er was een spreekwonder en een hoorwonder. Het moge zijn en blijven dat ook de mens van deze tijd kan zeggen: Wij horen hen in ònze talen de grote werken Gods spreken!

BEELDEND PREKEN [3]

 

Afsluitend wil ik graag nog enkele redenen noemen, waarom de visueel getinte prediking geen acceptatie verdient.

Ik denk dan aan de beperking, die men zal ontmoeten in tekstkeus. Er zijn maar een gering aantal onderwerpen, die zich echt lenen voor "toneel”. Ja, zo noem ik het maar, want deze aanduiding wordt hier en daar ook door anderen gebruikt.

Juist die teksten, die getuigen van diepgang en grondigheid, zullen uitgesloten worden van de moderne kansel. Alleen die zaken komen aan de orde, waar je met handen en voeten iets mee kunt doen. Daardoor gaan we de melk stellen boven de vaste spijzen.

Men zal zeggen dat we toch leven in een visueel tijdperk? De mens van nu is toch groot geworden bij TV en internet? Moet de kerk daar niet op inspelen? Vraagt deze tijd niet om een eigentijdse benadering?

De fundamentele vraag is dus of we de methodieken van de wereld min of meer zouden moeten overnemen. Ik denk hierbij ook aan powerpoint-presentaties, die hier en daar ook tijdens een kerkdienst worden gebruikt. Voor wie het niet weet: powerpoint is een programma voor de computer, waarbij allerlei lijnen en thema’s uit een preek of een lezing op een scherm geprojecteerd worden. Bij het catechetisch onderwijs kan deze vorm van onderricht enige diensten bewijzen aan het goede doel. Maar in de kerk en tijdens de preek?

Ik vermoed eigenlijk dat allerlei leermeesters het ook wel aardig en leuk vinden om wat te spelen met allerlei technische hoogstandjes. We weten nu eenmaal dat er ook in ambtelijke kringen soms maar wat graag geëxperimenteerd wordt met de computer. Misschien een te gedurfde opmerking?

Maar inspelen op de mode van de tijd en de waan van de dag in de kerk, nogmaals, kan dat wel?

Ik ben er persoonlijk van overtuigd dat dit een dwaalspoor is. Ik zie het als een laatste poging om de mens nog te bereiken en met die laatste poging geven we alles weg. De gewone preek van elke zondag bent u dat feitelijk kwijt.

Ik zie laatste tegen iemand dat we hier ’s zondags nog een gewone dienst hebben, zonder allerlei opsmuk; een gewone preek, zonder die schijnbaar zo vlotte en aansprekende boodschap. Toen hoorde ik aan de andere kant van de lijn verzuchten: Hadden we dat nog maar! En dat was iemand uit een gemeente binnen ons kerkverband.

 

Hoe ging een groot prediker als Paulus om met de neigingen van zijn dagen? Nam hij de stijl van zijn dagen over?

Wat zou hij bedoelen in 1 Corinthe 2:1, als hij zegt niet gekomen te zijn met "uitnemensheid van woorden of van wijsheid”? In die dagen waren er de Griekse redenaars, die het zochten in een schone rede en een vlotte rhetorica. Paulus heeft het nimmer overgenomen. "Mijn rede en mijn prediking”, zo zegt hij, "was niet in bewegelijke woorden der menselijke wijsheid, maar in betoning des geestes en der kracht” . Hij verkeerde in die gemeente in zwakheid en in vreze en in veel beving.

Menselijk gesproken had Paulus geen schijn van kans en kon hij niet rekenen op enig succes. Dat was zo wat betreft de vorm en de presentatie, maar dat was dan ook nopg eens een keer zo wat betreft de inhoud van zijn woorden. Deze werden namelijk bepaald door Jezus Christus en Dien gekruisigd en daar liepen Joden en Grieken al helemaal niet warm voor. In een dubbel opzicht dus een verloren zaak, deze dwaasheid der prediking.

Paulus bedient zich van wijsheid, welke de overste dezer wereld niet gekend heeft. Omdat hij niet ontvangen heeft de geest der wereld, maar de Geest Die uit God is. Daar hebt u de zaak! Het kan alleen goed gaan, als God een wonder doet. En daar mocht de apostel het van verwachten.

Natuurlijk was hij de Joden een Jood en de Grieken een Griek, maar dat kwam nooit aan de orde als het ging om de dwaasheid des kruises.

 

Denken we ook eens aan wat hij zegt in Galaten 6 over zijn roemen in het kruis van Christus. Hij spreekt in dit verband over hen die een schoon gelaat willen tonen naar het vlees (6:12). Dat waren sommige Joodse redenaars, die van het evangelie een soort "show” maakten. In de engelse vertaling lezsen we het zo: "a fair shew”.

Werk dat eens uit. Een show maken van de preek. Dat kan op allerlei manieren. Deze dwaalleraars poetsten de preek op in een wettische geest om de mensen maar tegemoet te komen. Precies zoals de showmasters van onze tijd zich schminken en uitdossen om er zo voordelig mogelijk uit te zien.

Het is voor Gods knechten in ieder geval ook een reëel gevaar ’s zondags een show op te voeren. Met de bedoeling om indruk te maken, om invloed te krijgen of om het goede doel te dienen. Daar maken we allen ons wel aan schuldig.

Als de dominee het niet bedoelt als een show, zullen veel hoorders het wel zo oppakken, namelijk als een vertoning die bij een deel van het publiek indruk maakt

 

Kom, laten we ons maar houden aan de gewone preek en de gewone kerkdienst! Bij de dwaasheid der prediking met woorden die de Heilige Geest leert en niet, zo zegt Paulus, met woorden die de menselijke wijsheid leert (1 Cor.2:13).

Predikers mogen vertrouwen op de belofte van God. De Heere belooft Zijn woorden in onze mond te leggen. Hij is machtig om alle weerstanden te overwinnen en daar mag Gods dienaar op vertrouwen. Doden zullen horen de stem van de levende God en die ze gehoord hebben, zullen leven. Duidelijker kan niet gezegd zijn dat er niets is in de hoorder en dat alles van Gods kant moet en zal komen. Er is in mensen geen aanknopingspunt, maar dat behoeft ook niet omdat de Heere wakker is over Zijn Woord om dat te doen. Er is onze kerken ook altijd een volk geweest dat hunkerde naar de reine prediking; zij hoorden in die prediking de stem van God Zèlf. Hopelijk zijn ze er nog, die bedenken dat God Zèlf spreekt door Zijn knechten.

Maar wij hebben dan ook de dure roeping om in dat geloof te staan. En maakt de Heere niet elke zondag weer allerlei vrees beschaamd, als Hij op de kansel een wonderlijke kracht van Boven doet ervaren?

Laten we dus de gemeente het volle Woord brengen. Niet beperkt door de geest van de tijd, maar verruimd door de vervulling met Gods Geest. Dan kan die prediking nog grote dingen uitwerken. Dan zal op Gods tijd en wijze de vrucht niet uitblijven.

Luister zeker wel naar de stem van de tijd, waarin u leeft. Maar niet zozeer om aanpassing te bewerken, maar wel om werkelijk de mens van onze dagen te bereiken. De rijkdom van het Woord is zo groot, dat het staande zal blijven in de wereld van nu.

In het Hebreeuws heeft men een woord dat betekent: woord èn daad. Gods Woord ìs een zaak, het ìs een gebeurtenis. Gelukkig wie het zo hoort. Gods beloften zijn zowel woorden alsook zaken. En dat heeft de Kerk van alle tijden ook gehoord. Het blijft waar: Hoort en uw ziel zal leven!

 

                                                                                                                                 

 

 

 

LEERDIENST                                                                                                                      2006

 

We hebben tot nu toe nagedacht over het preken over de Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Dordtsche Leerregels. Over de Catechismus heb ik nog niet veel gezegd. Dat komt dan nu aan de orde. De zaak is belangrijk genoeg. Het kan natuurlijk niet mijn bedoeling zijn om zondag voor zondag te gaan behandelen. Ik wil slechts enkele hoofdlijnen trekken die te maken hebben met de Catechismusprediking. Welke kenmerkende trekken vinden we in ons leerboek? Wat heeft de Heidelberger zo ongekend geliefd gemaakt en waarom is juist dit geschrift wereldwijd verbreid geworden? Ik wil graag enkele accenten aanbrengen op onderdelen die het beeld van de Catechismus mede bepaald hebben.

Ik denk dan allereerst op de bekende drie stukken, die genoemd worden, na antwoord 1. Deze indeling vinden we zo niet in de beide andere geschriften. U hebt al vaak gehoord vanaf de kansel, dat het bij deze drie stukken niet gaat om een leerschool, waarbij u achtereenvolgens de drie klassen doorloopt. Eerst de eerste klas van de ellende, daarna de tweede klas en tenslotte de derde klas. Geen boek dat als een trilogie gelezen wordt. Geen afzonderlijke perioden. Het is als met de seizoenen. U hebt al heel vaal een lente meegemaakt. Dat geldt ook van de andere drie tijden. Ze komen telkens weer terug. Zo is het ook met deze drie stukken. Gods volk heeft nimmer definitief afscheid genomen van het deel der ellende om daarna voorgoed in de verlossing te leven. En men neemt ook geen afscheid van de vragen rond de vergeving, om voortaan geheel in het derde deel van de dankbaarheid te staan. Nee, zeker niet. U valt, als u de Heere kent, telkens weer terug in uw ellendenood, u hebt steeds weer hernieuwd onderwijs nodig als het gaat om de verlossing in Christus en de vragen naar de wil van God komen steeds weer vanuit allerlei situaties naar u toe. Het is een doorgaand, zich telkens herhalend, maar ook een zich meer en meer uitdiepend onderwijs. De mening wordt in onze tijd wel alom verkondigd dat eens verlost altijd verlost is, ook voor het bewustzijn van de mens. Deze voorstelling van zaken leeft in de evangelische richting. En ik zou in dit verband kunnen wijzen op meer richtingen die zich uitsluitend laten leiden door een der drie stukken.

Toen ik eens gepreekt had over de drie stukken, merkte een ouderling na de dienst op dat het vooral om het eerste gaat. Misschien is het juister te zeggen dat alles vooral zal moeten cirkelen om het derde deel, namelijk het leven tot Gods eer. Hoe wordt God in het leven van Zijn kerk verheerlijkt? Toch lag er wel een goede gedachte in wat onze broeder zei. Hij bedoelde: wie niet gefundeerd het eerste deel heeft leren kennen, loopt vast in wat daarna komt.

 

Ik stel wel de vraag aan de orde of hier nu een zekere volgorde zichtbaar wordt. Daargelaten dat deze drie zaken steeds weer opnieuw terugkomen, is de vraag wel belangrijk of we kunnen spreken van een eerst en een daarna en een tenslotte. Eerst de ellende, daarna de verlossing, uiteindelijk de dankbaarheid. Of kunt u zich ook voorstellen dat het eerst begint met deel twee, de verlossing om vandaaruit de ellende te leren verstaan. Ik hoorde eens de opmerking: Neem eerst Christus aan en dan zult u als vanzelf uw ellende leren kennen. Kan dat zo gesteld worden? Het lijkt me geen Bijbels gefundeerd onderwijs.

Vooropgesteld moet worden dat we hier geen strakke en strenge orde moeten aannemen. Men heeft vaak gezegd: wat de een aan het begin leert, leert de ander achteraf. Er is zeker ontdekking, niet alleen uit de wet, maar ook zeker wel vanuit het evangelie. Het kruis van Christus is het diepst ontdekkend van alle dingen. Ze zullen zien Wie zij doorstoken hebben en zij zullen over Hem rouwklagen en bitter kermen. Toch geldt voor de normale leiding van de Heere in een mensenleven dat deze driedeling zeker ook een element van een zekere volgorde in zich bergt. We  tellen niet van drie terug naar één; we beginnen doorgaans niet zomaar ergens in het midden, maar ellende gaat toch wel aan de verlossing vooraf. Ik las juist nog in een studie van Graafland (Van Calvijn tot Comrie) dat er vanuit de Catechismus lijnen lopen naar Melanchton, naar de Lutherse traditie; bij Luther vinden we, sterker dan bij Calvijn, de gedachte dat de verbrokenheid door de wet voorafgaat aan het geloof in Christus. Hij merkt daarbij ook op dat ons leerboek bij uitstek een bevindelijke inslag heeft. Daar is trouwens de Catechismus zelf ook heel duidelijk in. We mogen gerust spreken van een zekere volgorde en van opeenvolgende onderwerpen. Het voorbeeld is bekend: de dokter stelt eerst een diagnose, daarna komt hij met de therapie.

We vinden hiervan ook Bijbelse voorbeelden. U vindt deze lijnen terug in bijvoorbeeld psalm 130 en in veel andere psalmen. De Romeinenbrief is een duidelijke illustratie van de drie stukken die nodig zijn in deze troost te leven en er eenmaal zalig in te sterven.

We kunnen het zo samenvatten: het gaat om drie zaken op rij, die telkens weer opnieuw en versterkt terugkomen. De vraag of u diep genoeg aan uw ellende ontdekt bent en of u wel tot Christus mag opzien, is geen goede vraag. Het gaat er wel om of onze ontdekking waar en zuiver is. Dan worden we noodgedwongen gedreven naar het kruis van Christus.

 

Drie stukken!

Let er op dat er niet staat: dàt ik ellendig ben, dat ik verlost word en dat ik dankbaar ben. Het staat er veel dieper: hòe groot mijn ellende is, hoe ik verlost wordt en hoe ik Goed dankbaar zal zijn. Het gaat om het "hoe”.

Het verschil is duidelijk. Stel dat iemand schuld heeft. Hij weet het ook. Hij weet wel dàt hij schuld heeft, maar niet hoe gróót zijn schuld is. Hij heeft er geen idee van dat hij morgen al failliet kan gaan.

Maar, zo vraagt u, is het wel nodig dat we zo diep ingaan op de nood van zondaren? U denkt er wanhopig van te worden. Mensen zouden depressief kunnen worden. Psychologen evenwel hebben aangetoond dat dat zo niet is. Waar de ellende zware accenten krijgt, zijn per definitie niet meer depressieve mensen. Dat zou men verwachten, maar het is niet zo. U wordt veel eerder depressief van onverwerkte moeiten en zorgen, waar u geen uitweg in weet. Na een operatie is de vraag belangrijk: Heeft de arts alles weg kunnen krijgen?  De scan in het ziekenhuis wil alles heel nauwkeurig in beeld gebracht hebben.  Hoever is de zonde uitgezaaid? Waar lopen de vertakkingen? Daar wordt de therapie, de zorgbehoefte op afgestemd. Anselmus heeft de bekende woorden uitgesproken: U hebt nog nooit gepeild hoe ernstig de zonde is. Dit wil ik in onze dagen beklemtonen. Er is op dit terrein veel oppervlakkigheid. Recht en grondig moeten we onze ellende kennen, zo staat elders in ons leerboek. Dat is juist voor u zo nuttig. Als het evangelie in de preek dan maar afdoende uitzicht biedt. Dat is wel nodig. Maar de ellende moeten we goed peilen. De omvang van de zonde, de schuld van de zonde, de straf op de zonde, enz. Staat u daar voor open? De dichter bad: Doorgrond mij, o God en zie of er een schadelijke weg in mij is….. Neem het uw predikant niet kwalijk als hij uw nood en schuld op de kansel voorstelt. Kèn uw ongerechtigheid. Tegen de wet, tegen het evangelie. Tegenover Mozes, tegenover Christus. Psalm 130 geeft eerst aan het roepen uit de diepte. Is dat genoeg? Maar daarna vervolgt de dichter: Zo Gij de ongerechtigheden gadeslaat, wie zal bestaan? Dat is nog een stap meer de diepte in. Maar de jubel der verlossing is er te meer om. U leest de psalmen hier maar op na.

Maar dan volgt ook: hoe ik van al mijn zonden en ellenden (in die orde) verlost worde. Er is voor àl die zonden verlossing, zo staat hier. Nu wordt de verlossing groter. Hier komt de weg der verlossing aan de orde. Hier valt het oog op Christus. Ik vrees dat we dit onderdeel ook teveel beperken. Het kruis van Christus is een centrale boodschap, maar er is in Hem daarnaast nog zo heel veel meer. Denkt u eens aan de drie ambten van de Heere Jezus: Profeet, Priester en Koning. Hoe weinig komen we daar eerlijk en grondig aan toe. Komt de Zaligmaker niet ernstig tekort in onze beleving, misschien ook wel zeker in onze preken? Hoe wordt u verlost door Zijn profetische ontdekking (dat is al verlossing!), hoe wordt u aan Zijn voeten onderwezen in Zijn verdiensten en hoe deelt u in de vergeving der zonden door Zijn bloed en hoe wordt u een ander mens door Zijn Koninklijke almacht en regering? Hier doen zich heel veel schatten voor. Hij is voor de Zijnen in de dood gegaan, maar het is ook een stuk van die verlossing hoe u mèt Hem de dood in gaat (Rom.6: 4;Filip.3:10).

Waar slaat nu het woord "hoe” op? Op twee zaken: hoe Christus Zijn kerk heeft willen verlossen en wat Hij daarvoor heeft moeten leiden; dan gaat het om Christus voor ons. Maar het heeft ook te maken hoe Hij door Zijn Geest die verlossing uitwerkt in het leven der Zijnen. Hier komen de kleinste accenten aan de orde. Hoe u verlost wordt door dat kruiswoord of door de toepassing van Zijn doorboorde handen. Elke tekst, elke voetstap, elk woord van Hem is van het grootste belang. Ik moet wel erkennen dat we daar als dienaren heel veel aan tekort komen. Mensen vragen om een Christusprediking. Ik vraag me af of die vraag altijd goed begrepen en goed gesteld wordt. Men bedoelt met  Christusprediking soms de belofteprediking, of de prediking van de verlossing. Maar het houdt toch wel meer in. In dat licht bezien kunnen we nooit genoeg spreken over de verdiensten van de Heere Jezus. Ik hoop dat u en jij een accent willen leggen op dat andere kleine woordje: "ik”. Hoe word ìk verlost?

En hoe zal ik Gode nu dankbaar zijn? Hier zal niet zozeer bedoeld zijn: hoe diep moet mijn gevoel zijn? Het zal er veel meer om gaan hoe ik moet leven tot de eer van God. Het derde deel van de Catechismus onderwijst in de wet als een regel der dankbaarheid. Hoe moet ik Godverheerlijkend leven op mijn werk en in de straat, in de kerk en in de wereld? Voeg daarbij alle vraagstukken van onze moderne tijd, dan ontrolt zich hier ook weer een wijd veld. Verwacht van de preek geen precies antwoord op uw vraag en in uw situatie. Het gaat om de algemene lijnen vanuit het Woord. U staat zelf voor de invulling van dat alles. Maar tegelijk mogen we zeggen dat hier de bediening van Gods Geest aan de orde komt. Hij zal u alles leren en u leiden, zo zegt de Heere, in àl de waarheid. Wie zou willen beginnen met deel drie, zonder de eerste delen, komt verkeerd uit. Hij overschat zichzelf, als hij niet weet hoe zwak en onmachtig  en onwillig hij is; hij kan ook niet recht leven tot Gods eer, als er geen besef van grote dankbaarheid is.

Hoe zult u Gode dankbaar zijn? Bent u echt dankbaar? Bent u het wel eens ècht geweest? Dan weet u ook dat u er heel weinig van terecht brengt. Helaas. Daarvan spreekt Romeinen 7 overduidelijk. Eden heilig leven is een leven vanuit de dànkbaarheid. Zonder die dank wordt het wetticisme. Het wordt bepaald vanuit de binnenkamer.

Lezer, deze drie stukken zijn u nòdig te weten! Hier een geestelijk weten bedoeld. Het woordje "hoe” zegt dat het kleinste niet te klein is en dat alles steeds vatbaar is voor verdieping. Hier wordt de rijke volheid van de Heilige Geest duidelijk bedoeld. Hij zal u in al de waarheid leiden; Hij zal u àlles leren! Het gebed van de dichter mag het uwe zijn: "Leid mij in Uw waarheid en leer mij, want Gij zijt de God mijns heils”.

 

                                                                                                                     

 

 

CHRISTUSPREDIKING                                                                          2008

 

 

In sommige plaatselijke kerkboden behandelt ds. A.C. Uitslag de kanselboodschap van 1953; in die kanselboodschap, die de hand van Prof. Wisse verraadt, wordt gewaarschuwd tegen allerlei afbuigingen van de rechte leer. Het was een officieel stuk, opgesteld vanuit de Generale Synode. Ook toen kwamen er ontsporingen voor die we nu levensgroot en sterk uitvergroot hebben leren kennen. Het mooie was dat een dusdanige boodschap toen nog breed kerkelijk werd gedragen.

Ds. Uitslag zegt in zijn commentaar (afl.8) dan het volgende over een eenzijdige belofteprediking: "Men wil wel horen van Christus en Zijn verlossingswerk. Het geloofsappel mag na aan het hart worden gelegd. De schoonheid en dierbaarheid van de Heere Jezus mag breed worden aangeprezen. Hij mag worden geschilderd in Zijn noodzakelijkheid en gepastheid. Dat wil men ook graag horen: een ruime en rijke Christusprediking! Maar dan wel een eenzijdige Christusprediking en geen trinitarische prediking. Geen prediking waarin de verkiezende liefde en het toepassende werk van de Heilige Geest ook klinken. Geen prediking, waarin een mens als een uitgeklede en uitgeschudde zondaar erbuiten komt te staan. Geen prediking, waarin alles van de mens als schuld en tekort voor God wordt aangezegd. Zo’n ontdekkende, overtuigende en afsnijdende prediking wil men niet horen. Terwijl dit toch de weg is, waarlangs de Heilige Geest plaats gaat maken in het hart voor de Christus”.

Hij spreekt dus van een eenzijdige Christusprediking, die ten koste gaat van de trinitarische prediking. Onder dat laatste verstaan we een prediking, die aandacht heeft voor het werk van de drie Personen, namelijk de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

Ik noem nog een naam uit onze kringen. Ik hoorde recent een lezing van Ds. J.P. Boiten over de Godsleer bij Prof. A. van de Beek. Genoemde hoogleraar stelt (met eigen woorden gezegd), dat we slechts over God kunnen spreken vanuit Christus.

Dat brengt mij tot de vraag welke plaats Christus in de prediking inneemt. Wisse en van de Beek trekken elk heel verschillende lijnen. Maar het is geen academische kwestie, alleen bestemd voor professoren. Ook u, die in ernst de Heere zoekt, hebt er mee te maken. Is er geestelijk leven buiten de bewuste kennis van Christus? Of,  anders gezegd, lopen alle geloofszaken in ons bewustzijn uitsluitend over via de persoon van Christus? 

Hoe begint het geestelijke leven in het hart van een zondaar? Is er onmiddellijk de kennis van de Heere Jezus, of gebeurt het ook, dat juist deze Persoon nog verborgen is? U hebt misschien gestaan bij het sterfbed van uw vader of moeder en u hebt hen gekend als mensen, die leefden in een groot gemis. Ze zochten hun leven lang de openbaring van de Heere Jezus in het hart, maar er bleef altijd iets tussen staan. Niet zelden komen zulke zoekers op het sterfbed dan wel tot volle zekerheid. Gebeurt het dat mensen in het dal van zonde en schuld verblijven, zonder bewust uitzicht op de Heere Jezus? Dit is belangrijk omdat juist nu meermalen wordt gesteld dat er buiten de bewuste kennis van Christus geen leven is. Dat kan worstelingen in het hart geven.

 

Het kan niet ontkend worden dat er buiten Christus geen leven is. "Niemand komt tot de Vader dan door Mij”, zo heeft Hij Zelf daarover gezegd in Joh.14:6. Er zijn veel meer teksten die van gelijke strekking zijn.

Paulus wil over niets anders spreken dan over Jezus Christus en Dien gekruisigd (1 Cor.2:2). Dat zijn heel sterke uitspraken. Niemand heeft God gezien; alleen Christus is het Die Hem ons verklaard heeft. Er is buiten Jezus geen leven. Dat moet ook zo gesteld en beleefd worden. Het zijn de Schriften die van Hem getuigen. Missen we Christus, dan missen we alles. Dus in het aannemen van Christus ligt de enige oplossing!

Betekent dit nu ook, dat we terecht kunnen komen bij datgene wat door ds. Uitslag wordt gesignaleerd: een eenzijdige Christusprediking?

Het gevaar dat hij aangeeft, is niet denkbeeldig. Zo hanteren veel kerkgangers de term "Christusprediking”. Deze term is voor hen de aanduiding van de volle ruimte van het evangelie en de brede voorstelling van de beloften. Veel predikers, die niet aan die voorwaarde voldoen, worden bestempeld als onbijbels en onzuiver. Of nog ernstiger, ze prediken eigenlijk de wet en niet het evangelie.

Het is niet doordacht om zulke dingen te zeggen. Toch kunnen we het overal om ons heen horen. Wat bedoelde Paulus in 1 Corinthe 2? Versmalt hij zijn prediking? Strikt genomen zou de apostel niet alleen uitsluitend spreken over Christus, maar hij zou zich ook beperken tot de gekruisigde Christus; zoals hij ook opmerkt in Galaten 6 dat hij niet wil roemen anders dan in het kruis van onze Heere Jezus Christus. Dat kan zijn bedoeling niet zijn. Nee, hij zegt deze woorden in een bepaald verband. Er waren mensen die het zochten in uitnemendheid van woorden en menselijke wijsheid. Tegenover die menselijke roem stelt Paulus het kruis. Het kruis is juist een eerloze zaak, het spreekt van de vloek, het rekent af met alle menselijke deugden en roem. Wie het kruis leert kennen, verliest alle uitnemendheid der mensen. Paulus heeft ook heel veel gesproken over het werk van God de Vader en het werk van God de Heilige Geest. Het Bijbels spectrum omvat meer dan alleen het spreken over Christus. De grond der zaligheid ligt alleen in Christus. Alle werken en alle menselijke vroomheid hebben geen enkele waarde.

Daarnaast merk ik op, dat de Drieënige God in Zijn volle bediening gestalte wil krijgen in de prediking. Prof. Kremer sprak in dit verband van heilsbeschikking, heilsverwerving en heilsbediening. Ook hij wist ervan dat men eenzijdig Christocentrisch preekt; zoals men ook eenzijdig over het werk van de Vader en de Heilige Geest kan spreken. Ik heb sterk de indruk dat de ten tijde van Prof. Kremer de drie Personen meer een rechtmatige plaats kregen in de prediking dan tegenwoordig. Dus moeten wij hier wel waken tegen eenzijdigheden.

En verder: beseft men wel waarover gesproken wordt als we het hebben over de Christusprediking? Christus was ook Profeet, Die onderwijst in de weg der zaligheid, dus ook in de kennis der ellende. Hij is Priester, Die met Zijn bloed Zijn kerk verlost en Hij regeert als Koning in het hart der Zijnen. Zo kan het zijn dat iemand profetisch door de Heere Jezus wordt bearbeid en ontdekt, zonder dat hij nog bewust weet van het kruisoffer. Christusprediking is niet alleen te vatten onder de noemer van een ruim evangelie. In de Catechismus, waarin juist heel ontdekkend de bediening der wet wordt voorgesteld, ligt deze wet in de hand van Christus. De Samaritaanse vrouw werd door de Heere ontdekt aan haar schuld, terwijl ze bewust nog niet wist wie de Messias was. Ook de discipelen deelden in de profetische bediening van Christus, terwijl het kruis hen verborgen was. In Maleachi 3 zegt Christus dat Hij Zijn engel zal zenden voor Zijn aangezicht. Hiermee wordt bedoeld Johannes de Doper. Johannes heeft heilshistorisch een bepaalde plaats. Hij gaat aan Christus vooraf. Hij maakt plaats voor Christus. Dat is ook de doorgaande lijn in de heilsordelijke lijn, dus in de bewuste beleving. Er kan kennis zijn aangaande God de Vader, zonder de bewuste kennis van de Tweede Persoon. "Gijlieden gelooft in God, gelooft ook in Mij” (Joh.14:1). En elders:”Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader, Die Mij gezonden heeft, Hem trekke” (Joh.6:44)

 

Dus kan men gevangen zitten in een gemis, terwijl men Christus nog niet bewust kent. Is er in  die situatie hoop voor hen, die het volle zicht op Christus nog missen? Het is duidelijk dat die hoop er is, alleen men mag buiten de bediening van Christus geen rust zoeken en deze rust mag in de prediking ook niet geboden worden. Het gaat om de begeerte van de apostel, die begeerde Hem te kennen in Zijn volkomen bediening. Er is geen leven buiten Christus, er is wel leven buiten de bewuste kennis van Christus. U kent misschien het onderscheid tussen deze twee zaken: men kan in Christus zijn, en: men kan weten in Christus te zijn. De bewustheid van de geloofskennis speelt hier een grote rol.

Moge onze prediking dan ook zijn een heenwijzen naar de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Onder die bediening worden al Gods kinderen genoemd, de kleine en de grote, de bekommerde en de verzekerde zielen. Daar zal onze naam genoemd worden; daar wordt in ieder geval Zijn Naam genoemd. Heilsbeschikking, heilsverwerving en heilsbediening. Hierin klinkt de volle Bijbelse boodschap. Wat is er niet veel te zeggen over het werk van God de Vader. Zijn werk blijkt toch ook heel duidelijk rond het Kerstevangelie. Alzo lief heeft God de wereld gehad. Dan vallen de stralen van Gods liefde in het hart van zondaren en worden zij daardoor verwarmd. Of men staat als bij de berg Sinai, vervuld met vrees en schrik vanwege de heiligheid van de Heere. Maar we mogen het werk van de drie Personen niet van elkaar losmaken. Het is de Vader Die trekt tot Christus, het is toch ook de Heilige Geest, Die Christus verheerlijkt. Het is zelfs ook Christus Zelf, Die zondaren tot Zich trekt (Joh.12:32). Al deze lijnen mogen onderscheiden worden, maar niet gescheiden. Het is de wet Gods Die ontdekt aan onze diepe verlorenheid en schuld, maar het is tegelijk ook Christus Die uitnemend en diepgravend heeft voorgesteld wat zonde is. En datzelfde kunnen we ook zeggen van het overtuigende werk van de Heilige Geest. En zo kunnen we elke gave op de weg der genade in verband brengen met de drie Personen. Verlossing en vernieuwing komen voort uit de handen van God Drie-enig.

De prediker staat hier voor grote geheimen, waar Hij nimmer het volle licht in zal ontvangen. Het blijft in het licht van deze volheid slechts gestamel, wat er gepreekt wordt. Dat moge ons allen ootmoedig maken. Wij kennen ten dele. We zien door een spiegel in een duistere rede.

Terugkomend bij het uitgangspunt, moet dan erkend worden dat er een eenzijdige Christusprediking is. Waarin niet alleen geen plaats is voor de beide andere Goddelijke Personen, maar waarbij we ook te kort doen aan de prediking van de Heere Jezus Zèlf. Juist Hij heeft ook zonde en vloek voorgesteld en heeft het recht van God uitgedragen. Het was juist Zijn liefste werk om de wet Gods te eren temidden van zondaren; Hij sprak over de schrik der verdoemenis, Hij kwam op voor de tittel en iota der wet. En zo kunnen we zien wat de prediking van de drieënige God inhoudt.

In die zin kan de roep om een Christusprediking ook ingegeven zijn vanuit een eigen programmering en het kan betrekking hebben op een prediking naar de mens. Dat is het in Zijn Bijbelse volheid en diepte niet. Dan kan gezegd worden dat in de Persoon van Christus de ganse bediening der genade vervat ligt. Zoek in uw leven deze drieënige God te kennen. Sta naar een eerlijke prediking betreffende de weg der zaligheid. Niet ons programma, maar het raadsplan Gods zij onze troost. Vraag uzelf ook af of deze drie Personen u bekend zijn. U zult ongetwijfeld veel blinde vlekken ontdekken, maar gelukkig als het licht des Heeren in uw hart is opgegaan. In de kleinste zucht kan deze volheid reeds werken, in de eerste stap op de rechte weg liggen alle volgende besloten. Stel, u krijgt een pakket over de post. U kent de inhoud niet. Het kan een gouden horloge zijn, van grote waarde. U hebt het in handen, maar u weet het niet. Het is niet uitgepakt. Gelukkig als u het in handen hebt! En gelukkiger, voor uw besef, als het volkomen geopenbaard is, zodat het geloof het zien kan. Zo geldt voor ieder van Gods kinderen: Gij zult groter dingen zien dan deze.

 

                                                                                                                     

 

 

 

DE PREDIKING                                                                                                               2010

 

Als ik spreek over de prediking, bedoel ik niet helemaal hetzelfde als wat we onder een preek verstaan. In het woord "prediking” gaat het om de structurele boodschap die in de zondagse preken doorklinkt en door moet klinken. De preek is voor mijn gevoel meer de inhoud met daarbij de vormgeving, waabij ook allerlei praktische vragen verwerkt worden. Het gaat me in dit artikel om de prediking als boodschap, als Woord Gods.

 

Dr. De Leede

 

U hebt het artikel misschien ook gelezen over de preek, waarin gezegd werd dat deze scherper moet zijn dan wat wij gewend zijn. Het ging daarin om opmerkingen van Dr. De Leede, die deze uitspraak deed over veel preken binnen de PKN. Hij betrok zijn opmerkingen ook op de prediking binnen rechterflank van de PKN. Het gaat teveel om "goed burgerschap, een bemoedigende boodschap voor nette mensen”. Nog enkele zinnen: "De prediking moet scherp zijn. „Gods Woord is partijdig, schept onderscheid en vraagt om keu­zen. Je wilt als hoorder toch ge­stoord worden, ook al wil je dat natuurlijk tegelijk ook niet. Zo paradoxaal is het.
Een preek kan scherp zijn als de te behandelen Bijbeltekst niet uitgelegd wordt in eigen opvat­tingen over „cultuurchristen­dom, overwinningschristendom of over de kerk die de beteke­nis van het Evangelie al tevoren heeft en weet.”

In deze zinnen wordt het manco scherp blootgelegd. De Leede merkt ook op dat het Evangelie een ergernis is, zoals Gods Woord het zelf noemt. U begrijpt dat de zaak het waard is om daarover door te denken en onszelf op dat punt te onderzoeken. Eenvoudig gezegd gaat het erom of de prediking nu naar de mond  of naar het hart van Jeruzalem is.

Ik betrek hierbij ook een artikel dat te lezen is op de digitale nieuwsbrief van Eén in waarheid, een uitgave binnen de Vrijgemaakte kerken. "In een tijd echter waarin haast met de vingers te tasten is dat vele zonden openlijk beoefend kunnen worden binnen de kerk en men desondanks zich met de naam christen blijft bedekken ligt dit verhaal anders. Zeker als deze concrete zonden ook vanaf de kansel worden toegedekt en/of verzwegen. Dan verwordt deze leer tot een leugen zelfs al zou deze leer gepaard gaan met de biecht over die zonden. Indien de zonden niet worden weggedaan maar vaste voet hebben of krijgen in de levens van kerkleden kan er geen sprake van absolutie zijn al beweren predikanten ook het tegendeel. De prediking van de gerustheid in Sion omdat niets ons kan scheiden van de liefde in Christus wordt tot een holle frase als niet tegelijkertijd wordt opgeroepen de concreet aanwijsbare zonden weg te doen. Vooral als daartegenover ook nog gesteld wordt dat zij die deze zonden bestrijden in het midden van het volk maar naar zichzelf moeten kijken. Je weet dan zeker dat het oorkussen voor het vlees verstrekt wordt door predikers. Predikers die geroepen zijn de zonden te bestrijden i.p.v. zonden te verbreiden door stilzwijgen en nalaten. Dat is de woekerwinst van de gifplant van verkeerde prediking.
De sacramenten worden in de praktijk dan niet langer gebruikt als een teken, maar als de betekende zaak. En de gemeente wordt daarmee in slaap gesust. De arme en verslagene van hart wordt niet langer door de prediking gevoed, gesterkt, verkwikt en vertroost, maar de gerusten in Sion krijgen surrogaattroost aangereikt. Niet langer wordt hardop gezegd dat men het sacrament kan ontvangen tot zijn veroordeling. Welhaast nooit meer hoor je nog zeggen: Gebruikers van het sacrament ontvangen niet de waarheid van het sacrament, Christus, indien zij zich niet bekeren. De bekering wordt verondersteld en dan is het goed.
Gelukkig dat God er Zelf voor zorgt dat de onrust zich dan meester maakt van de ware gelovigen. Zij kunnen niet berusten in een surrogaattroost vanaf de kansel omdat zij daarin Gods Woord horen aantasten en weten dat daardoor hun kinderen hoorbaar worden misleid. Immers het ware geloof wordt hen zo niet langer gepredikt. Ongelovigen en schijngelovigen moet worden aangezegd, dat de toorn van God op hen blijft rusten zolang zij zich niet bekeren. De gelovigen moet worden verkondigd dat zij vergeving van zonden hebben en vrijspraak hebben van schuld. Alleen die, zie zondag 31 van de Heidelbergse Catechismus”.
Opmerkelijk dat deze geluiden uit deze kring naar ons toekomen. Ik wil hierbij nog een voorbeeld voegen. Het werd gezegd tijdens een studiedag aan de TUK over de Heilige Schrift: "
Prof. dr. A. L. Th. de Bruijne, hoogleraar ethiek aan de TUK, ging, aan de hand van de vraag of ongehuwd samenwonen al dan niet toelaatbaar is, in op de verhouding van Bijbel en ethiek. Een „direct beroep” op de Bijbel is bij de kwestie samenwonen niet goed mogelijk, aldus dr.

De Bruijne. „Het huidige bur­gerlijk huwelijk is niet hetzelfde als het huwelijk in de Bijbel”.
U merkt aan dit voorbeeld op welke manier de ergernis van de Schrift wordt weggenomen door een rookgordijn te leggen rond Bijbelse uitspraken en een slot open te breken. Dr. Veling had op dezelfde plaats tevoren al aangegeven, dat we inzake het Schriftgezag geen juridische obiektiviteit moeten nastreven. Ieder heeft zijn eigen context. Op die manier trekken we de zaak in het subiektieve vlak.

Prof. Wisse

 

Ik heb ditmaal wat veel materiaal moeten verzamelen. Het gaat in de drie citaten om hetzelfde onderwerp: duidelijkheid inzake de eigenlijke boodschap van Gods Woord. Het is waar dat ieder zijn eigen context heeft. Ieder is bepaald door zijn opvoeding en zijn afkomst. Dat moeten we ons bewust zijn. Bescheidenheid kan hierdoor beoefend worden. Juist inzake de wisselnde tonelen van kerk en wereld is het dan zo’n zegen dat we een belijdenis hebben, die ons de vaste doorgaande lijn biedt van wat de kerk ook vierhonderd jaar geleden al geloofde. Men wijst nu vaak op de verschillen tussen de context van het verleden en het heden, maar de belijdenis wijst gelukkig de constante en blijvend geldige factor aan.

We hebben waarschijnlijk nog enige herinnering aan de catechisatie, waar we bekend werden met de verschillende opvattingen over de inspiratie. Als we die mogelijkheden naast onze tijd leggen, zien we dat onze tijd helemaal niet zo anders is, want allerlei dwalingen van nu hebben altijd al de kop opgestoken.

Het zou goed zijn op de inspiratie van de Bijbel nog eens nader in te gaan. Ik richt me nu echter speciaal op het punt van de praktische prediking. De Leede zegt dat de scherpte van de preek ook in de rechterflank wordt afgezwakt.

Hij betrekt ieder erbij, ook ons dus, links of rechts. Ik geloof dat wij zijn woorden ernstig ter harte moeten nemen. We (zonder nadere aanduiding) houden te vaak preken, die goed voldoen aan de eisen van de evenwichtige verkondiging. In onze kerken lopen we dat gevaar misschien nog eens extra, omdat we vinden dat wij evenwicht willen bewaren tussen twee uitersten. Niet teveel dit en niet teveel zo. Dat bergt het gevaar van een compromis al levensgroot in zich. De gemeente weet dat schema ook heel goed en behendig te hanteren. Het weegschaaltje werkt goed in de bank, maar ook op de kansel.

De gemeente moet aan het eind van de dienst weer wat tevreden naar huis gaan. De naam van ons als voorgangers moet overeind blijven. Er is meermalen al op gewezen dat de preek bijna uitsluitend bemoedigend moet zijn.

Maar kloppen deze criteria nu met wat Gods Woord zegt? Ligt er bij u op de kansel een tweesnijdend scherp zwaard? Klinkt in mijn en in uw preken de ergernis van het kruis door? Worden gemeenteleden verslagen (of zoals er staat: gewond) onder de prediking? Er zijn veel preken die keurig rechtzinnig zijn. We hebben aan alles willen denken. Maar het raakt de gemeente te weinig. Wie tactisch preekt, wil toch niet polariseren? En dat moet ook niet. Daar zal de Leede ook niet voor pleiten. Maar wat wordt dan bedoeld met de dwaasheid, de ergernis van de prediking? We zouden dan nog eens een preek van Luther of Kohlbrugge moeten kunnen meemaken. Of een van Micha of Paulus. En noem ze maar op: Elia, Nathan of Johannes de Doper.

Ook in bevindelijke preken worden mensen ontzien. Staat een echt zoekend mens ook onder ons niet onder een zekere bescherming? Maar voor de Heere staat niemand onder een afdak.

En tegelijk bedoelt de Heere voor iedere hoorder zijn welzijn. De prediking moet iedere hoorder het besef geven dat de Heere hem roept en hem nodigt. En de ruimte van het Evangelie noodzaakt ons om niemand tot wanhoop te drijven. Het gaat er alleen wel om op welke manier we die troost brengen. Jeremia moest afbreken en ook bouwen. Hij moest wel bouwen, maar veel moest ook afgebroken worden. We mogen de mensen tot Christus roepen, maar dat houdt tegelijk in dat we hen waarschuwen voor allerlei valse vormen van redding en hoop. De wereld moet alles ontnomen worden, maar dat moet met Gods volk ook gebeuren, ook met mij en met u. In het laatste nummer van ons blad stond een treffende aanhaling uit een boekje van Prof. Wisse: "Als God een mens gaat levend maken, doet Hij hem eerst…. sterven; als God een mens geestelijk en volzalig wil troosten, maakt Hij hem eerst geestelijk bedroefd, bedroefd naar God”.

Daar staat het precies. Toch leeft er in de doorsnee gemeente veel kritiek tegen deze wijze van preken. Ik heb vaak mensen ontmoet, die vonden dat er teveel over de zonde gepreekt werd. Ik kom ook steeds meer het geluid tegen dat er helemaal niet meer over de zonde gepreekt moet worden.

De prediking is dan aangepast, vriendelijk voor de mens. Je hoort het soms aan de toon van de preken, dat we de mensen willen ontzien. Dat gebeurt niet bewust. Mijn collega’s maken het misschien ook mee dat we, als we op de kansel komen, onder een zekere invloed van de gemeente terecht komen. Dat is niet vreemd want er moet ook een wisselwerking zijn tussen de kansel en de kerkbank. Hoe snel kan het dan niet gebeuren dat ongemerkt en onbewust de gemeente een soort dictaat, of laat ik het zachter zeggen, een zekere claim overbrengt naat de voorganger. Bovendien weten we als voorgangers allemaal wel zo’n beetje in welke gemeente we daar staan. Een bijzonder voorrecht is het dan dat je emeritus bent, anders gaat de vraag naar een beroep ook nog meedoen….. Ik weet uit ervaring dat al deze dingen mee kunnen spelen. Ik weet gelukkig ook dat we hierboven uitgetild kunnen worden.

En deze gang van zaken is nu juist het manco, waardoor de hoorders op de duur zich van de kerk afwenden. Dat lijkt inconsequent. Toch is de grote oorzaak van het brede kerkelijke verval hierin gelegen, dat de preek geen zoutvat is, maar een suikerpot. De hoorders weten eigenlijk vantevoren al wat er gaat komen. Alleen de wijze van presentatie doet er nog wat toe. Ik ben overtuigd van ieders beste en oprechte bedoelingen naar de gemeente toe. Maar laten we ons met elkaar steeds weer afvragen of we de gemeente willen leiden in "al de waarheid”.

Laten we Woord hanteren totdat het pijn doet en totdat het écht troost biedt. Laten we met elkaar achter het Woord van de Christus staan. Hij kwam aan de ene kant om vuur op de aarde te werpen en aan de andere zijde kwam Hij helemaal om de zondaren zalig te maken. Dat besef hebben de voorgangers en de gemeenten nodig!

Dit is ook het beste middel tegen de kerkelijke leegloop. De kansels moeten afgestoft worden, de hoorders moeten een doorboord oor krijgen of hebben, het hart moet vernieuwd worden. Het is hiervoor de hoogste tijd. De Heere zegt: "Versterk het overige dat sterven zou…”.

Zo klemmend is het!

 

 

 

 

IJVERIGE POGINGEN…..                                                                                  2006

 

verlegenheid

 

Er gaat een verhaal van een vrouw, die een voorganger hoorde. Er viel zegen, zo, dat zij onmiddellijk geestelijk verbonden werd aan de prediker. Hij had gesproken naar haar hart. Begrijpelijk dat zij ijverig naspeurde waar die gezalfde dienaar voorging, zodat zij hem nog eens kon beluisteren. En die gelegenheid deed zich voor. Maar toen zij de preek hoorde, viel het allemaal heel erg tegen. Ze vertelde hem haar wedervaren: toen heb ik zoveel zegen ervaren en nu sprak niets mij aan. Waarop de dominee haar vroeg waarom zij in de kerk was gekomen. Om u te horen, zo sprak zij. Wel, zei hij, dan hebt u dit keer mìj gehoord. U hebt precies gekregen wat u wilde. U zag teveel van de mens en u verwachtte teveel van zijn persoon. Dat was dus voor die vrouw heel beschamend.

Ik meld dit voorbeeld om aan te geven dat een predikant enerzijds dienaar van het Goddelijk Woord is en anderzijds, dat hij een gewoon mens is. Die twee lijnen kunnen behoorlijk veel moeite geven in de gemeente, en vooral ook voor hem zelf. Het gaat daarbij niet om het vat, maar om de schat.

Ik knoop deze overweging vast aan de vraag: Stelt u ijverig pogingen in het werk om een dienaar des Woords te beroepen, eventueel met hulp van de kas onderlinge bijstand (thans OBA geheten).

Er is rond de huidige praktijk van het beroepingswerk veel dat stof tot nadenken geeft. Het is een complexe zaak, die velen voor vragen stelt. Ik neem om mij heen in diverse vacante gemeenten een zekere verlegenheid waar. Er kunnen vragen gesteld worden over de dienaren en er kunnen vragen gesteld worden over de gemeenten. De zaken liggen gevoelig. Het was een aantal jaren geleden een zeer zeldzaam verschijnsel dat een predikant zodanig onder kritiek stond, dat er een crisis ontstond welke leidde tot losmaking. Momenteel is dit een reële dreiging voor meerdere predikanten.

Hoe is dit zo ontstaan? Welke factoren hebben hiertoe geleid? Ik heb zelf het gevoel dat de diep geestelijke visie op het ambt zwaar uitgehold is. Er is een tweeslachtige visie op het ambt ontstaan. Een predikant is dienaar van Christus en geen functionaris van de gemeente. Het ambt is geen orgaan van de gemeente. De voorganger moet gezien worden als komend van "tegenover”. Hij is een man Gods. Tegelijk zijn er heel veel aspecten die hem dreigen te brengen op het niveau van een manager, die er maar moet zijn voor de gemeente. Je hoort termen als democratische verkiezingen, men spreekt over het ambt en de kerkenraad als over een afspiegeling van de gemeente, enz. Voor al deze dingen is wel iets te zeggen, maar we mogen de zaken niet uit het evenwicht trekken.

Het beroepen van een predikant in gemeenten die afkomstig zijn vanuit  de Hervormde kerk verloopt anders dan in de meeste gemeenten bij ons. Daar beroept de kerkenraad een dominee en de gemeente speelt een veel minder actieve rol. Minder inbreng van de gemeente dus. In het verleden verliep alles onder ons ook minder krampachtig. Het kon in verleden tijden wel gebeuren dat er een beroep kwam uit een gemeente waar de betrokken dominee nooit gepreekt had. Er was een preek van hem gelezen en dat was de aanleiding. Natuurlijk een onvoorzichtige gang van zaken, maar aan de andere kant: zegt die ene preek of die ene zondag dat men een beroepen dominee hoort nu alles over de man en zijn werk? Kunnen we daar op afgaan?

Het heeft voorheen bij mijn weten voorheen nooit tot groteske spanningen. In onze kerken nù speelt de inbreng van de gemeente een veel grotere rol. We kunnen niet zeggen dat het beter verloopt.

 

de gemeente

 

We moeten terug naar de geestelijke invulling van het ambt. Dat geldt zowel voor de predikant als voor de gemeente.

Allereerst voor de gemeente. Een gemeente die een predikant beroept, schenkt haar vertrouwen aan hem. Zij spreekt beloften uit en biedt de nodige garanties. Er spelen tegenwoordig factoren in de kerk die allerlei gegeven beloften in rook kunnen doen opgaan. De kerkenraad die destijds beriep, is misschien na tien jaar door heel andere mensen bemand. Men weet nauwelijks hoe het beroep van weleer tot stand gekomen is. Ook in de gemeente kan veel veranderen. Er trekken mensen naar elders, er komen anderen bij. Daardoor kan er in een gemeente een deur opengaan voor een andere opstelling tegenover de dienaar. Feitelijk mogen deze wisselingen geen grond bieden voor een veranderde opstelling. Kerkenraad en gemeente dienen de continuïteit met genomen besluiten te waarborgen. Maar het komt voor dat er door de jaren heen een andere mentaliteit ontstaat. Geen kerkordelijke bepaling doet daar iets aan. Gemeenten en gemeenteleden menen soms alle grond te hebben voor hun gewijzigde visie op predikant en prediking. Maar is dat wel terecht? Moet de gemeente niet de consequenties nemen van een eens uitgebracht beroep, ook als later blijkt dat de predikant ook maar een mens is?

Wat echter veel meer betekenis heeft ligt in het feit dat de voorganger een dienaar van het Goddelijke Woord is. Hoe meer dit gaat wegen, des te meer zullen menselijke belemmeringen een mindere rol spelen. Gaan we naar de kerk met de verwachting dat de Heere spreekt? En als de preek tegen valt en niet voldoet aan de gestelde verwachtingen, lopen we dan niet het gevaar het Woord Gods daarmee af te wijzen? Denkt u maar aan het voorbeeld van die vrouw, waarmee ik dit stukje begon. Ze kwam voor de dominee en begon al verkeerd. Ze gaf de eer meer aan de voorganger dan aan de Heere. En, we weten het, met afgoden valt een mens om. Dat moet zelfs ook.

Als er achteraf frustraties optreden in een gemeente ten aanzien van de voorganger, dan kunnen deze zaken alleen maar op een geestelijke wijze opgelost worden. Men grijpe dan toch niet te snel naar menselijke en zelfs wereldlijke middelen. Dat zullen kerkelijke vergaderingen ook zeker niet doen, zo mogen we vertrouwen. Met geestelijke middelen bedoel ik eigenlijk dat de gemeente ècht een krachtig gebed tot de Heere mag opzenden om verandering.

In het verleden is het eens gebeurd dat er een dominee was gekomen in een gemeente, onder wiens prediking Gods kinderen verkommerden. Wat gebeurde? Men hield gebedssamenkomsten, waarin Gods volk bijeen kwam om voor de prediker te bidden. De Heere wilde het gebruiken om verlichting te geven. Deze mensen hadden geestelijke behoeften. Als we eerlijk zijn, moeten we nu vaak zien dat men allerlei menselijke verwachtingen vooropstelt, waaraan de dienaar moet voldoen. Een sleutelwoord daarbij is communicatie. Een moeilijk te vatten begrip, in te vullen naar ieders willekeur. Menselijke vereisten kunnen moeilijk een geestelijke oplossing krijgen. Maar het kan gelukkig, als de Heere dominee en gemeente op de knieën brengt. Als dat niet gebeurt en als er gezocht wordt naar menselijke maatregelen, lijdt dat helaas tot zware beschadiging, zowel voor de voorganger alsook voor de gemeente. Mocht het over de volle lengte van het kerkelijke leven nog eens waar worden, wat de profeet getuigde: Niet door kracht, noch door geweld, maar door Mijn Geest zal het geschieden. De Pinksterpreek van Petrus had alle ingrediënten in zich om tot een conflict te leiden, maar toen Gods Geest er in meekwam, vloeiden de harten ineen.

 

de dienaar

 

Maar kan er dan desondanks geen aanleiding bestaan in het optreden van de dienaar, waardoor de gemeente in verwarring komt? Zeker, ook dat is stellig waar, met inachtneming van hetgeen hierboven werd geschreven. Ook de voorganger zelf moet een levend en geestelijk besef hebben dat hij staat voor het Woord Gods. Daar komen wij als ambtsdragers allen lang niet aan toe zoals het behoort. Jeremia moest het snode van het kostelijke scheiden; hij moet geen eigen woorden mengen in het Woord van God. Dat moeten wij onzerzijds allen ter harte nemen. Dat bewaart de dienaar voor een overschatting van de eigen persoon. Dat geeft hem ook het diepe besef dat hij met de apostel moet kunnen zeggen dat hij al de raad Gods heeft verkondigd.

De gemeente geeft niet alleen garanties, maar er mogen ook verwachtingen aan de dienaren des Woords gesteld worden. Wij, ambtsdragers zijn ook behept met allerlei menselijke overwegingen en we treden te vaak menselijk op en laten ons te vaak leiden door menselijke afwegingen en visies en we verliezen te snel het geestelijk karakter van ons ambt uit het oog. Persoonlijke en zuiver menselijke pijlen afschieten vanuit de onschendbare plek van de preekstoel, het kan voorkomen en hoe vaak is het niet gebeurd. Onzekerheid over onze positie kunnen in spanning doen reageren en hoezeer moeten Gods knechten biddend waken dat zij niet in allerlei valkuilen terecht komen. Zal de Heere het in de persoonlijke strijd rond het ambt dan niet waar maken, dat Hij de Zender is van Zijn knechten? Het moet dus ook voor de voorgangers een geestelijke zaak zijn. Gods Geest zal onderwijzen in de weg naar de kansel en hoe menigmaal wordt het niet ervaren dat de Heere boven de twisten des volks wil verheffen. Verder zal de rechte dienaar bewogen zijn met de noden van de gemeente, zelfs ook met de eigenaardigheden van het volk. Maar dat zal alleen zo zijn, als we als een barmhartige hogepriester werkzaam zijn tot verzoening van de zonden van de gemeente alsmede ook tot verzoening van onze eigen schuld. Kunnen gemeente en voorganger elkaar niet vinden als dat van twee kanten beseft wordt? Gods knechten zullen er verder op ingesteld moeten zijn om verdrukkingen te lijden als een goed soldaat in het leger van Christus. Wat Elia en Jeremia en Johannes de Doper en Paulus en vooral ook de Heere Jezus overkwam, zal de rechte dienaar ook overkomen. Het grootste gevaar is  misschien nog wel dat we naar de mond van Jeruzalem gaan spreken en preken. Onder de vlag van tact en wijsheid gaan we dan gewoon de kool en de geit sparen. Een ouderling uit Middelharnis zei vele jaren geleden eens: de geit gaat lopen en de kool verrot. Calvijn preekte eens met de vijandelijke ruiters om zijn kansel; dat maakt toch weerbaar, als we namelijk weten mogen dat de Heere meegaat.

 

het beroep

 

Laat dus tenslotte het beroepingswerk een geestelijke zaak zijn. Ik heb in dit artikel over de hele linie willen pleiten voor een geestelijke bezinning op de moeiten van het moment. Dat houdt dan ook in dat een beroep niet te snel moet uitgebracht worden. Zult u als gemeente trouw blijven aan de beroepen dienaar, ook als hij u niet naar de mond preekt? Het kan eigenlijk niet dat een predikant beroepen wordt op een enkele zondag preken. Een kerkenraad zou er misschien goed aan doen de structurele zaken vooraf aan de orde te stellen. Hoe gaan we om met de eisen van de mondige kerkganger, blijven we naast elkaar staan als het moeilijk wordt, gaan we niet te makkelijk over van het hosanna naar het kruist hem? En verder kan het best zijn dat een dominee een zeer rechte prediking houdt, maar in zijn beleid niet aansluit bij de lijn van de gemeente, zodat hij toch niet de juiste man is die de Heere daar hebben wil. Een beroep zal meer uitgebracht moeten worden in het besef dat men in een enkele maand misschien wel een tienjarenplan ontwerpt, of zelfs nog meer. Overzien we de consequenties? Kunnen we als gemeente ook onderscheidend luisteren?

Dit zijn alle overwegingen die biddend onderzocht moeten worden. Gemeente en voorganger zullen er wel bij varen, want de eer van God wordt in al deze zaken dan beoogd. Het was voor Israel een goed moment, toen gezegd kon worden: het volk geloofde in de Heere en in Mozes, Zijn knecht.

 

                                                                                                                                 

BELIJDEN                                                                                                               2006

 

Doornik

 

In plaats van de Catechismuspreek kan ook de Nederlandse Geloofsbelijdenis aan de orde komen in de leerdienst. De kerkvisitatie biedt daartoe de mogelijkheid. Daarover wil ik nu iets gaan schrijven. Er ligt een link naar de actualiteit van dit moment. De auteur van de NGB, Guido de Bres, heeft dit geschrift in de nacht van 1 op 2 november 1561 over de muur van het kasteel te Doornik geworpen, om de koning van Spanje te informeren over de leer der Reformatie. Een getuigend geschrift in het politieke bestel van die dagen. Hier komt een van de doelen van de confessie duidelijk aan de orde, namelijk het getuigenis naar de wereld toe van hetgeen de kerk gelooft en belijdt.

Het is misschien wat ver gezocht, maar ik wil toch graag de lijn doortrekken naar de politieke ontwikkelingen in Nederland. Bijbelse politiek heeft ook een roeping naar de wereld, naar het staatsbestel toe. We maken het nu mee, dat christelijke politici bewust deelnemen aan het regeer-accoord. Ongetwijfeld een intensieve vorm van getuigenis afleggen naar de wereld. We merken dat nu reeds. De christenen zijn een factor geworden door deze regeringsdeelname. We worden plotseling uit de schaduwhoek van ons land naar voren gehaald. Nederland gaat ontdekken, dat er toch ook nog zulke mensen zijn als christenen die een inbreng leveren in de politiek, op dèze speciale manier. Guido de Bres beschikte niet over deze mogelijkheden. De kerk werd in die dagen bloedig vervolgd. Hij getuigde op zijn manier in die tijd, nu doet Rouvoet dat anders.

Hoe moeten we dit bezien? Er zijn ongetwijfeld voordelen verbonden aan deze opstelling. Laten we ook niet vergeten dat we zelf allemaal op een bepaalde manier deelnemen aan het maatschappelijke leven en dat we daarin ook heel veel voor lief nemen. De SGP gaat ook in op wetsvoorstellen en stemt uiteindelijk ook voor allerlei plannen en wetten. We kunnen dus niet uit de wereld gaan. Als ik het RD van ruim een week geleden goed gelezen heb, werd daarin een beeld geschetst van de CU als en partij die zich fris en eigentijds en modern en vlot wil profileren. Dat zal heel veel mensen aanspreken, met daarbij gevoegd de persoonlijke uitstraling van iemand als Rouvoet. 

Maar het blijft wel de vraag of deze weg ergens heen leidt. Het lijkt nu te kunnen, maar staat het er over vier jaar ook nog zo bij? Maar vooral deze vraag: kan Rouvoet, kan de CU accoord gaan met hetgeen er nu in het regeeraccoord staat? Men zal hem en zijn partij er later nog vaak op aanspreken, dat hij onder de huidige status quo, die bestaat op het medisch-ethische vlak, zijn handtekening heeft gezet. Hij kan zich toch niet accoord verklaard hebben met de huidige praktijken in ons land? Dat zal hij dus niet gedaan hebben. Maar men zal hem er wel op aanspreken. Hier doet zich het probleem van het compromis voor. We gaan er allemaal op een bepaalde manier ook mee om. Maar kan dat wel? Als van der Vlies verklaart dat hij zijn handtekening niet kan plaatsen onder allerlei zaken, dan kunnen wij hem daarin goed begrijpen. En, zo kunnen we vragen, is er nu werkelijk wel zo heel veel bereikt? Ik vind dat allerlei organisaties op christelijk terrein te vroeg juichen. We moeten eerst nog zien dat er werkelijk in de praktijk iets verandert ten aanzien van de heikele punten die er zijn. Misschien is er in dit accoord ergens een notitie dat een handtekening niet betekent dat we het nu dus ook overal mee eens zijn en dat we overal achter staan. Ik hoop dat er zo’n bepaling is, want anders krijgt de CU hiermee nog grote moeilijkheden. Het zet mij en u nader aan te denken over onze positie in ons land. Ik wel niet bij voorbaat een botte afwijzing laten horen, maar we moeten in ieder geval wel de euforie van het moment trachten af te remmen. Ik merk daarbij ook op, dat de CU wel opschuift in een richting die zich verwijdert van de Reformatorische lijn. Ik vraag me daarbij af in hoeverre de Vrijgemaakten zich daarin kunnen vinden. Het lijkt geen grote problemen op te leveren.

Uiteindelijk blijft de vraag bestaan: Welke gemeenschap is er tussen het licht en de duisternis? Die vraag geldt ook naar ons toe. Dat maakt ons voorzichtig en moge ons op de knieën brengen om wijsheid van de Heere te begeren.

Guido de Bres kon slechts getuigen. Een heel andere situatie. Toch was de kerk van die dagen beter bij de les dan de kerken die wij met elkaar in dit tijdsgewricht vormen.

 

Den Haag

 

Vanwege het belang van de zaak ga ik op dit onderwerp nog even door. Ik moest denken aan de geschiedenissen der koningen van Juda en Israel. De kronieken laten verschillende modellen of gradaties zien van godsvrucht. Sommigen waren zeer godvruchtig, anderen waren daarentegen heel erg goddeloos. David en Hiskia en anderen muntten uit in de vreze des Heeren. Achab en Achaz en anderen maakten het heel bont in het verlaten van de Heere.

Temidden deze beide duidelijke lijnen zijn er nu ook, die er schijnbaar wat tussenin staan. Het woord "volkomen”  is in deze geschiedenissen een graadmeter van de wandel der koningen. Het gaat dan over koningen, die naast goede dingen ook allerlei zwakheden en zonden aan de hand hielden. David bidt meermalen om een volkomen hart voor zijn zoon Salomo (1 Kron.28:9 en 29:19). In 1 Kon.11:4 blijkt dan helaas dat het hart van Salomo niet volkomen was, omdat hij vreemde vrouwen aanhing en hun goden diende. Het hart van Abiam was niet volkomen met de Heere; hij wandelde in de zonden van zijn vader Rehabeam (1 Kon.15:3). Hier slaat de weegschaal door naar het negatieve. Bij Amazia slaat de schaal door naar de andere kant, hoewel er van hem geschreven staat dat hij deed wat recht was in de ogen des Heeren, doch niet met een volkomen hart (2 Kron.25:2). Met Asa stond het er ongeveer net zo bij: "de hoogten werden wel niet weggenomen uit Israel; het hart van Asa nochtans was volkomen al zijn dagen” 2 Kron.15:17). In het volgende hoofdstuk blijkt dat de volkomenheid van Asa vlekken desondanks vertoonde.

Uit dit korte overzicht zien we dat er verschillend over deze koningen wordt geoordeeld. Soms overheersen de zonden, soms drijft de vreze des Heeren toch boven. Maar in ieder geval wordt er wel verheugd gemeld dat het hart van een koning, ondanks allerlei zonden, volkomen was met de Heere. We mogen dus met een gerust hart ook het goede van deze coalitie noemen en daar blij mee zijn. Nóemen, niet roemen. Ik merkte al op dat er te veel roem is gehoord over het driemanschap uit den Haag. Thorbecke zei: Wacht op onze daden. En die zich aangorde, beroeme zich niet als die zich losmaakt. Maar we waarderen natuurlijk in hoge mate het goede dat er nu is. Geen D66–beginsel, maar een christelijke overtuiging. Een maand geleden heb in reeds in die richting geschreven. Waardeer het goede, maar spreek erook van dat de hoogten niet worden weggenomen. We moeten er helaas zeker van uitgaan dat dat niet gebeurt. Maar bij de Heere is dat mogelijk. Optimisten spreken hier van een goed begin, maar dat lijkt me persoonlijk te vroeg gejuicht. Want bedenk nu wel, dat de Heere (en dat staat ook in de geschiedenissen der koningen) een volkomen hart eíst.

Er staan dan nog enkele voorbeelden die misschien meespreken in dit verband. Ik noem de naam van Josafath en deze godvruchtige koning  was in een bepaald opzicht laakbaar; hij werd daarover bestraft. Josafath sloot tot tweemaal toe een verbond, eerst met Achab (2 Kron.18)  en daarna met Ahazia (2 Kron.20:35). De Heere heeft hem hierover ook bestraft. Is een regeeraccoord een verbond sluiten met de wereld? De Heere sprak: "Zoudt gij de goddeloze helpen en die de Heere haten liefheb-ben? Evenwel, goede dingen zijn bij u gevonden, want gij hebt de bossen uit het land weggedaan en uw hart gericht om God te zoeken” (2 Kron.19:2,3). Ook deze woorden stemmen tot onderzoek, niet tot voortijdige roem. Ik kan nauwelijks de rijkweidte van deze dingen overzien, maar het maant tot voorzichtigheid. 

In de Schrift vinden we meer lijnen als we spreken over overheden. Ik denk dan aan de vorsten van Babel en later van de Meden en de Perzen. Daniël stond aan het hof en hij deelde daar in verantwoordelijkheden. We moeten wel bedenken dat het hier een tijd van ballingschap betreft. Er was sprake vane en zekere dwang. Bij Daniël wordt heel duidelijk dat hij afstand neemt van de Babylonische cultuur en dat hij ten allen tijde frank en vrij opkomt voor de dienst van de Heere. Hij waagt het Nebukdnezar te vermanen, als hij zegt: "Breek uw zonden af door gerechtigheid”. Hij kondigt Belsazar het oordeel aan vanwege zijn zonden. Toch functioneert hij aan het hof. Maar hij sluit de gordijnen niet, als hij bidt om daarmee uit te spreken dat godsdienst een privé zaak is. Zijn houding wordt gekenmerkt door standvastigheid. Helaas kunnen we dat in onze tijd niet zeggen van ons als christenheid. We moeten allemaal bij Daniël in de leer, we hebben de resolute houding nodig van de drie jongelingen. Wij allen hebben daarin gezondigd en wij allen hebben het heilspoor verlaten. Maar daar moeten we nog wel weet van hebben. We moeten ook geen aanpassingen voorstaan, die en wankelende houding verraden. Als we bedenken hoe EO en CU toenadering tonen tegenover het COC (homobeweging), dan zien we wankelende en kantelende panelen. En dat gebeurt op andere terreinen bij mij en bij u ook. Maar laten we het nooit zegenen als verkregen voorrechten. Zonde blijft zonde.

In het Niewe Testament staan de overheden er niet bijster goed op. Ten ultimale wordt in het laatste Bijbelboek de overheid een antichristelijke macht. En wat is het kenmerk van deze overheid? Dit, dat alles en iedereen op de knieën valt voor de God dezer eeuw.

Er wordt rond het regeeraccoord door voorstanders gesteld, dat de medisch- ethische paragraaf niet het enige item is dat een christen moet bezielen. Men doelt dan op het sociale gevoelen, dat een christen moet kenmerken. Het generaal pardon staat dan hoog op de agenda. Het vraagstuk is veel te massief om er alleen maar positief tegenover te staan. Toch behoort het bij een goede voorstelling van zaken dat we een plicht hebben tegenover de vreemdeling, ook vanuit de Bijbel gezien. Maar hoe staan we dan tegenover een dreigende islamitisering van onze samenleving? Dat is wel iets anders, maar het staat niet los van zaken als integratie. Als men echter zegt dat er nog andere vraagstukken zijn, waar een christen zich sterk in profileert, dan zou ik willen denken aan de werkelijk theocratische accenten, die een christen in de eerste plaats moet aanbrengen. Medisch-ethisch is nog maar een afgeleide zaak van het eerste gebod, namelijk de rechte verhouding tot de Heere. Daarna volgen de andere zaken.

Het hoge ideaal van de theocratie komt in deze dagen wel heel slecht uit de verf.

 

Met dit alle spreek ik geen veroordeling uit van wat nu gebeurt. Maar ik pleit voor biddende afhankelijkheid. Bedenk dit: als we nu zaken weggeven, krijgen we ze nooit meer terug. Er kunnen twee dingen gebeuren: als de christenen in de politiek getrouw zijn, zal er een moment komen dat de wereld hen uitwerpt. Als ze ontrouw zijn, zal de afval hierdoor nog des te sneller voortgaan. Wat zal het zijn? Wij weten het niet. We kunnen alleen maar bidden tot de Heere om een volkomen hart voor onszelf en voor Rouvoet en allen die met hem zijn.

Trouwens, het komt erop aan dat u en ik getrouw zijn. We hebben al zo vaak een verbond gesloten. Toch zal de ware christen er geen vrede mee hebben, dat hij of zij een verdeeld hart heeft. Er wordt gebeden: Neig mijn hart en voeg het saam, tot de vrees van Uwe Naam.

Ik heb deze dagen ook moeten denken aan mensen als van der Vlies en van der Staay. Ik zou me kunnen indenken dat ze door deze ontwikkelingen inn een dubbel isolement terechtkomen. Hun positie wordt nu extra gemarkeerd als "niet vele edelen, niet vele machtigen”. Er kon ook, zo hoorden we deze dagen, geen subsidie af voor deze kleine partij. Ze staan echt buiten spel!

Hopelijk vinden zij rechte geestelijke steun in de woorden van de apostel, die toch ervan wist dat God het verachte heeft uitverkoren…. We hopen dat zij, maar ook de CU, daar persoonlijk kracht in mogen vinden. Dan geeft het niet waar we precies staan, maar dan zullen we toch mogen leren dat we alleen maar roemen kunnen in de Heere!

                                                                                                                                 

 

 

 

 

ONDER DE WET                                                                                                               2007

 

Een nieuwe wet

We zijn eraan gewend dat iedere zondagmorgen de wet gelezen wordt. Dat gebeurt echter lang niet overal meer. En dat niet alleen omdat de taal voor de jeugd wat ouderwets klinkt. Veelmeer, omdat velen geloven dat we nu niets meer te maken hebben met allerlei geboden en regels. Dat behoorde bij het tijdperk van het oude verbond. In het Oude Testament hoort de wet thuis; niet meer in onze tijd, waarin het evangelie de boventoon viert.

Dat hebben velen voor onze dagen ook al vaak geacht. De wet behoort tot het verleden. Dus geen wet meer van tien geboden. Dat was der oude wet. Nu hebben we een nieuwe wet, een veel betere regel. Geen wettische geboden meer, zo zegt men, maar eigenlijk maar één gebod, een nieuw gebod en dat is dan het gebod om te geloven. Dat ene gebod geldt nu voor ons allen. Verder niets. Kort en goed: de oude wet is afgeschaft; er is een nieuwe wet voor in de plaats gekomen, namelijk deze regel: Je moet geloven. Zo wordt het evangelie veranderd in een nieuwe wet. Het evangelie wordt afhankelijk gesteld van de voorwaarde van het geloof. U kunt slechts gerechtvaardigd worden door God, als u voldoet aan deze voorwaarde: u moet geloven. Uw geloof vormt de basis waarop u kunt delen in de vergeving der zonden.

Moeten we dan ook niet geloven? Is er geen bevel tot geloof en bekering? Zeker, maar in de eerste plaats brengen we hiertegen in, dat de oude wet niet is afgeschaft; deze heeft ook nu nog haar functie voor ons. In de tweede plaats kunnen we niet zeggen dat het geloof geldt als een wettische eis, die de mens zelf kan volbrengen. Het geloof is wel een verplichting, maar dan vanuit het evangelie.

Nu is het opvallend dat in Romeinen 3:27 gesproken wordt over de wet des geloofs. Dus leerde Paulus misschien ook een geloof als vrucht van de wet? Zeker niet. Het woord "wet” kan meerdere betekenissen hebben. Hier zou het vertaald kunnen worden met het woord "leer”: de leer van het geloof.