OM DE EENHEID VAN DE KERK       2004

Voortdurend hebben wij allen ons te bezinnen op de noodzaak van geestelijke en daarna ook organisatorische eenheid.
Ieder is daar op zijn manier mee bezig. Allereerst die gemeenten, die op de een of andere manier samenwerking tot stand brengen met plaatselijke Vrijgemaakte gemeenten. De classisverslagen melden ons dat er inmiddels een behoorlijk aantal gemeenten zijn, waar verregaande contacten bestaan met de GKV. Het gaat snel en tamelijk gemakkelijk.
Uit het feit, dat deputaten art.49 KO. In al deze zaken gekend zijn, mag blijken dat er geen onkerkrechtelijke zaken gebeuren in dat zoeken naar onderlinge verbondenheid. De besluiten van de Kerkorde en van de Generale Synode daarna, laten dit kennelijk toe; zo althans moeten wij wel concluderen.
Het is intussen een zaak van grote ambivalentie.
Er wordt eenheid gezocht op deze manier en op een andere manier wordt in een zeker opzicht schade toegebracht aan dezelfde eenheid.
U begrijpt misschien wat ik bedoel. De eenheid tussen gemeenten die leven binnen ons kerkverband, komt nu ook kerkordelijk en organisatorisch meer en meer onder druk te staan. Het eigen kerkelijke leven verliest zijn eigen gezicht en aanzien. Het kan gebeuren dat op een bepaalde zondag misschien in een flink aantal gemeenten predikanten voorgaan die niet behoren tot de Christelijke Gereformeerde kerken. Dat werkt verwarrend. Soms is het een predikant uit de GKV, soms ook een voorganger uit de kringen van de Nederlands Gereformeerde kerken. Door dit verschijnsel is het niet meer duidelijk wie en wat Christelijk Gereformeerd is. De grenzen van onze kerken worden vaag en gerafeld. Er is de mogelijkheid tot deelname aan Avondmaalsbedieningen in andere kerken, er kunnen andere predikanten voorgaan dan die tot ons kerkverband behoren; wordt een dienaar des Woords gevraagd voor een bepaalde dienst, dan zou dat best een gezamenlijke dienst met een ander kerkverband kunnen zijn. Het is allemaal moeilijk te onderscheiden. Met het gevolg dat we als CGK gemeenten onderling het zicht op elkaar verder kwijt raken en meer verdeeld raken over de gang van zaken.
Uit de stormachtige toename van allerlei samenwerkingsgemeenten komt toch wel de vraag op waar dit straks op gaat uitlopen?
Kan een komende GS de zaak nog in het vage laten? Dan ontstaat er nog veel meer wildgroei (vergeef me dan deze aanduiding). Gaan deze voorboden de GS niet onder zware druk zetten, zodat we er straks achter komen, dat het tij niet meer te keren is? Maar wat gaat het in een ander geval worden, als er toch een meerderheid is, die samengaan met de GKV afwijst? Zal dan het verwijt van onbetrouwbaarheid niet klinken?
Ik heb, vanwege mijn leeftijd kan ik dat zeggen, een andere Christelijke Gereformeerde kerk gekend.  Kwam je in een gemeente van het eigen verband, dan stond er een predikant uit de CGK op de kansel. Altijd en overal. Was er toen altijd zoveel eenheid? Er is altijd, het is waar, een onderlinge spanning geweest. Maar er heerste een zekere orde. Je wist ook wie wie was. En we hadden in onze kringen toch een zekere vaardigheid om te leven met verschillen, steeds toenemende verschillen. We hadden gezamenlijke afspraken. Hebben we die nu nog? Toen was er althans een organisatorische eenheid.
Zijn we nu feitelijk niet bezig het aanzien van ons eigen kerkverband te vervormen en te vervagen? Aan de ene kant zoekt men de eenheid, aan de andere kant miskent men de eenheid! Dat getuigt van een tweeslachtig denken.
Het overkomt me geregeld, dat ik verbaasd moet concluderen, dat er reeds veel gebeurt in samenwerking met de GKV. Als het gaat over de opleiding, over het jeugdwerk, over evangelisatie-methoden, in allerlei verbanden lijkt het erop, dat we eenzelfde weg gaan. Uit een recent schrijven dat me onder de aandacht kwam, maak ik op, dat op deputatenniveau overeenstemming bestaat over de toeëigening van het heil, dat men bijeenkomsten belegt om bij wijze van spreken de laatste hand te leggen aan de afwerking van dit eenheidsstreven, terwijl we tegelijk weten dat in de eigen gelederen de afstanden groter worden, mede door toedoen van deze feiten.
Dit is, zo wordt gesteld, allemaal in aansluiting op de besluiten van de Generale Synode. Toch zullen er heel wat gemeenten zijn, die in deze ontwikkelingen niet mee kunnen denken. In een kranten-artikel werden deze van Vrijgemaakte zijde aangeduid als de Bewaar het Pand gemeenten. Daarom nu deze hartekreet op dèze plaats.
Grote verwarring dus. In de ene gemeente een dominee uit de NGK, in de andere gemeente een predikant uit de GKV enz. Als straks de NHK toch zal blijven bestaan, zullen er wellicht aan de andere zijde van onze kerken ook contacten ontstaan met deze groep. Dat zou op zich te wensen zijn. Maar waar blijft dan ons kerkelijke leven?
Bij mij komt de vraag op of we als kerken op de goede weg zijn. Heeft de GS deze ontwikkelingen allemaal overzien en voorzien? Denken deputaten werkelijk dat het goed gaat? Het lijkt me dat ergens in de besluitvorming de zaken niet goed ingeschat zijn.
Wat me bezig houdt is dit: groeien onze kerken niet heen naar een andere kerkordelijke opstelling? Ons kerkverband lijkt meer en meer af te stevenen op een independistische of congrgationalistische structuur. Dat houdt in: de plaatselijke kerk krijgt een meer zelfstandig karakter. Bindingen met het eigen kerkverband raken op de achtergrond. Plaatselijk gaan er dan allerlei zaken gebeuren, die landelijk of regionaal niet kunnen. Deze gang van zaken lijkt voor de deur te staan. Willen we samengaan met de GKV, dan kan dat plaatselijk; dat kan ook wel met de NGK, maar evengoed met de NHK van straks. Ieder zoekt de contacten die hem passen.
Hierop moeten we ons gaan bezinnen. Is deze ontwikkeling verkeerd? Hoe dan ook, het lijkt erop, dat we die kant toch, misschien ongewild, uitgaan.
Op andere terreinen immers is dat toch ook al zo? Wie vindt het nog vreemd dat er in een radiodienst allemaal opwekkingsliederen worden gezongen, terwijl de GS dat niet heeft aanvaard? Ook dat lijkt te berusten op plaatselijke vrijheden, op independentisme.
Viooruitlopend op deze zaken, denk ik dan dat de GS ook niet meer zo lang hoeft te vergaderen. We behoeven alleen nog maar te spreken over die zaken die onder ons volkomen zekerheid hebben. En die zaken nemen al maar af.
We vormen dan als CGK hoogstens met elkaar nog een federatie, een federatief groei- of krimpmodel. Maar, zo denken we dan, wat hebben we dan gewonnen met allerlei eenheidsbetuigingen naar anderen? Federatie naar buiten en naar binnen.

Wat een verdeeldheid. Wat een beschamend verhaal over de kerk van Christus. Hoe komt het toch dat we allemaal zo anders denken, zo anders geloven en zo anders preken. Hier kan alleen de Heilige Geest uitkomst geven. Vergaderen zonder meer zal ons er niet brengen. Oprechte verlegenheid, uitmondend in een klemmend gebed lijkt en ìs de enige weg. Omdat er Eén geweest is, Die bad om waarheid en eenheid. Och, dat Israëls verlossing uit Sion kwame….

Hoe kon het zover komen? Ik noem enkele opties ter beantwoording van deze vraag:
1. Er zullen er zijn die zeggen: Er is niets aan de hand. De GS heeft het besloten; we zijn in de kerkrechtelijke weg. Synode locuta, causa finita. Tegen dat argument kan ik niet op, er lijkt niets tegen in te brengen. Al eerder kwam de vraag bij mij op: zijn synodale bepalingen even sterk als de regels van de KO? Of worden Synodale bepalingen genomen al naar gelang de wind waait in het kerkelijke leven? Vandaag starten we bijvoorbeeld samensprekingen met de NGK, over een aantal jaren worden deze weer even makkelijk stilgelegd. Zulke onzekere zaken kent de Kerorde niet. Daarin vindt u het bezinksel van eeuwen kerkelijk leven. Staat een GS op dat niveau? Hier liggen vragen die best overweging verdienen. Moeten we in allerlei zaken bijvoorbeeld de ellenlange rapporten in meervoud en in duplo of triplo doorworstelen om erachter komen wat de orde van de kerk is? Als besluiten omslaan al naar gelang Synoden zich wijzigen, krijgen we een zigzag- beleid.
Als verder blijkt dat zij die zich beroepen op de Synode in andere opzichten breken met bepalingen van de Kerkorde, dan gaan we ook niet eerlijk om met datgene wat altijd en overal en door ieder is aangenomen (!).
Ik bedoel te zeggen: Moet de GS niet grondiger zorg dragen voor kerkelijke en geestelijke continuïteit?
2. Een sterker argument zal gelegen zijn in het feit, dat men plaatselijk metterdaad eenheid en verbondenheid voelt met de Vrijgemaakten. Goed, maar voelt men dat dan niet met de eigen verbanden? Beseft men dan niet dat men die eenheid onder druk zet?
Maar hoe komt het dan dat die eenheid wordt gevoeld? Veertig jaar geleden was dat niet zo. De GKV kunnen veranderd zijn en dat is blijkbaar het geval. Er zijn zeker mer bevindelijk aandoende geluiden te horen binnen die kerken. Maar er zijn ook totaal andere geluiden, van een heel andere aard, op te merken in die kringen. Zijn we dan plaatselijk niet fragmentarisch bezig terwijl we het totaal uit het oog verliezen? Of heerleeft de geest uit de Richterentijd?
3. Het kwam tussen de regels door al meermalen aan de orde: de geestelijke eenheid. Helaas zal men zeggen, dat wij zelf die eenheid niet in praktijk brengen. Is die eenheid er niet? Hier overheerst de vrees en de huiver. Hierover hebben we talloos vaak tijdens allerlei vergaderingen met elkaar gesproken. Toch zijn we niet gevorderd, integendeel. Wat moeten we daar nu van zeggen? Moeten we niet allemaal zeggen en erkennen dat we daarin gefaald hebben? Velen halen de schouders op uit een besef van onmacht en verlegenheid. We hebben het aanvaard. Het is niet anders. Vrome wensen, anders niet.
Wat verbindt? O, er zijn zoveel dingen die echt kunnen verbinden. Ik denk dan aan de volgende dingen: het éne geloof, de éne Heere, enz. Schrift en Belijdenis kunnen verbinden; waarom werkt dat niet meer? Verbrokenheid des harten werkt saambindend, want dan hebben we niets meer over van eigenwaarde.
Laten we ons daartoe wenden.
Niet op de manier, zoals dat wel eens wordt verwoord: de een achte de ander uitnemender dan zichzelf. Is dat dan niet waar? Zeker wel. Maar er staat niet: acht de lering en het optreden en de stijl en de naltigheden van de ander uitnemender. Dat mag ik en dat mag u niet doen. Dan zullen we juist in de bressen moeten staan en niet sussen en goedpraten.
Heb ik dan zelf geen nalatigheden in overvloed? Ook dat kan niet ontkend worden. Maar als het goed is, zijn deze mij enigszins bekend en zal ik deze ook niet verdedigen, maar eerlijk erkennen. Luther had ook echt wel veel nalatigheden, toen hij in Worms stond en eens een keer niet tapte uit het vat van de zogeheten "ootmoed en liefde”. Waarheid en eenheid, daar gaat het om!
Ik heb deze regels niet neergeschreven om beschuldigend te wijzen naar hen die verrregaande contacten hebben gesmeed. Ik kan best begrijpen dat het een aanlokkelijke gedachte is om de grenzen te verleggen naar hen, van wie we menen dat ze naast ons staan.
Ik schrijf deze regels wel om aan te geven dat er blijkbaar wissels zijn omgegaan, die ongemerkt een andere richting aangeven. Ongemerkt! Daar zijn we met elkaar verantwoordelijk voor. U en ik. We zijn nu eenmaal van Kreta afgevaren. Paulus beleefde daarna de storm, al had hij tevoren gewaarschuwd. In de storm hervond hij het vertrouwen in de Heere. Dat kan ook nu.


GKV          2006
KAMPEN - Op 93 plaatsen in het land is er contact tussen de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt (GKV) en de Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK). Daarvan doen dertig gemeenten aan kanselruil. Tien kerken willen samen een samenwerkingsgemeente vormen. Dat blijkt uit een enquête van de gereformeerd vrijgemaakte deputaten kerkelijke eenheid. „De landelijke gesprekken met de Christelijke Gereformeerde Kerken vinden goede voortgang en ook plaatselijk worden de contacten intensiever”, schrijft secretaris K. Mulder in een brief aan de vrijgemaakte kerkenraden, afgedrukt in het jongste nummer van het vrijgemaakte orgaan De Reformatie. „Helaas zijn er ook 32 plaatsen waar de contacten met de plaatselijke CGK zijn vastgelopen of opgeschort.”
Bovenstaand bericht hebben we kunnen lezen in het RD van 20 oktober. Het reglement op de kerkvisitatie geeft mij de ruimte om enige aandacht te wijden aan deze contacten. De vraag, waar dit thuis hoort luidt: "Onderhoudt u contacten met andere kerken van Gereformeerde belijdenis ter plaatse? Zo ja, van welke aard zijn deze contacten? Zo nee, waarom niet?”
Een bericht als hierboven vermeld, vraagt om aandacht en bezinning. Het is een actuele stand van zaken over onze kerkelijke positie anno 2006.
In snel tempo zijn er in heel veel gemeenten lopers uitgelegd naar de Vrijgemaakte Kerken. We hebben daarover de laatste jaren en met name het laatste jaar herhaaldelijk kunnen lezen in classisverslagen e.d. Dertig gemeenten hebben kanselruil. Tien kerken willen een samenwerkings-gemeente.
Ik zou deze zaak kunnen bespreken vanuit een geestelijk- principiële invalshoek, ik zou ook over deze contacten kunnen schrijven vanuit een praktisch- kerkelijke insteek. Tot het eerste behoort bezinning op de positie van de GKV in verhouding tot onze eigen kerken. Tot het tweede behoort de vraag waar het met ons kerkelijke leven heen moet en waar het heengaat. Is er nog sprake van een CG kerkverband in zuivere vorm en vertoont ons kerkverband nog een herkenbare identiteit?
Begrijpen wij de ernst van dit alles? In dertig gemeenten kan er ’s zondags een predikant op de kansel staan, die  binnen ons kerkverband geen lastbrief heeft ontvangen, die geen kerkelijk examen heeft afgelegd ooit, die wellicht volgens een veertigtal predikanten van onze kerken een prediking brengt, die afwijkt van de lijn der Schrift.
Het gaat hier niet om accenten of lichte verschillen. Voeg hierbij ook nog het bericht dat in 32 gemeenten deze contacten zijn opgeschort. Dat betekent dat een niet onaanzienlijk deel van onze kerken, die wel contacten hebben gehad, daar in het verloop van de procedure naar eenheid van hebben afgezien. Verder is het nodig te bedenken dat een nog groter aantal gemeenten nog nimmer contacten hebben durven aangaan.
Het gaat nog ingewikkelder worden als we bedenken dat een groot aantal predikanten die wel een lastbrief binnen onze kerken hebben ontvangen, instemmen met deze gang van zaken en dat een honderdtal kerkenraden al een stevige loopplank hebben uitgelegd naar de GKV, daarbij bedenkend dat zij derhalve wel kunnen instemmen met de prediking, die door velen van hun collega’s wordt afgewezen.
De problemen zijn door mij nauwelijks te overzien, dat geef ik eerlijk toe. Ik ben me bewust al snel dingen aan het papier te gaan toevertrouwen, die ik niet zou kunnen verantwoorden. Ik mag over niemand oordelen. IK zal achting kunnen hebben voor velen uit de kring van de GKV. Ik heb al eens eerder gemeld dat ik in het Noorden veel ex-leden van die kerken heb aangetroffen, die een goede gereformeerde indruk op me maakten. Ik wil dus geen absoluut oordeel uitspreken over zovelen, die ik niet voldoende ken, maar die anderzijds zich toch ook openbaren in de kerkelijke en geestelijke praktijk.
Maar juist omdat ik er nog zo weinig zicht op heb en juist omdat heel veel contacten niet voldoende zijn doordracht zou ik tot bezinning willen oproepen. Er wordt ook nu voor de tweede maal een proces opgestart dat later bij nader inzien toch diepe schaduwen zal werpen over ons kerkelijke leven, waarvan ik vrees dat het hierdoor schade zal worden toegebracht.
Ik wil het onderbouwen, niet zozeer vanuit een verzet tegen de GKV, alswel vanuit een verbondenheid met de rechte prediking binnen onze eigen CGK. Op die manier blijf ik in het positieve spoor, al is een vorm van verzet absoluut niet ongewenst.
Ik ben ervan overtuigd dat de rechte prediking, zoals deze binnen onze kerken gebracht en gehoord is, velen tot Christus heeft mogen leiden. Deze prediking is Bijbels gefundeerd, tracht te onderscheiden op schriftuurlijke gronden tussen kaf en koren, en wil een geestelijk verband aanbrengen tussen het werk van de drieënige God en de zondaar. Dan gaat het niet om kleine dingen, dan spreek ik niet over dille en komijn en dan zuig ik de mug niet uit. Dan wil ik wel graag met de woorden van de Heere Zelf spreken van tittels en iota’s en van het oog van een naald.
Ons eigen kerkelijke leven is verdeeld en ondanks de bijna honderd contacten kunnen we niet meer zingen van zonen van hetzelfde huis, die als broeders samenwonen. Vragen als: "Wat is christelijk gereformeerd”, en "Wie zijn wij?” krijgen opnieuw actualiteit. Maar de destijds gegeven antwoorden lijken niet meer te overtuigen en schijnen hun tijd gehad te hebben.
Zo kan een bericht van groeiende toenadering juist een gevoel geven van aanzwellende verwijdering. Daar staan wij voor. Daar staan onze gemeenten voor en daar hebt ook u op de een of andere manier mee te maken. Tua res agitur; uw zaak staat op het spel!

Wat zullen wij nu tot deze dingen zeggen?
Ik zou niet weten wat ik ervan zou moeten zeggen. Wie ben ik? Ik weet bij benadering toch wel wat de grote Kerkvisitator Zelf van deze dingen gezegd heeft tot de zeven gemeenten. Komen deze contacten nu voort uit geestelijke verbondenheid, gewerkt door de Heilige Geest, of zijn het pogingen om buiten en zonder die Geest een menselijk verbond te sluiten? Wie zal het zeggen? Deze vraag moet echter wel beantwoord worden. Evenmin als ik feitelijke grond heb om deze vraag op de ene manier te beantwoorden, hebben anderen grond om deze positief te duiden. Dus pleit ik voor een diepergaand en grondiger onderzoeking van de wegen des Heeren. Een dieper afdalen tot de gronden van het welbehagen des Heeren vanuit de begeerte om zonder Hem geen stap te zetten op een pad, dat te duister en te onzeker is.
De Heere Jezus heeft gezegd tot de gemeente van Sardis: "Gedenkt dan hoe gij het ontvangen en gehoord hebt en bewaar het” (Openb.3:3). Dat zegt de Heere ook tot u en mij, tot alle gemeenten van ons kerkverband. Daarmee wil ik namens velen onze kerken oproepen om te gedenken en te bewaren. Daar moet een generatie die geen weet meer heeft van de geestelijke wortels van onze prediking naar luisteren. Ook de kerk, ook onze kerken zouden in die zin wel een canon van absoluut noodzakelijke kennis van de geschiedenis moeten opstellen en biddend en geestelijk in het hart mogen opnemen.
Deze woorden van de Zaligmaker komen ook naar ons, naar hen onder ons, die begeren de woorden aan Sardis’ gemeente gericht, ernstig te nemen.
Weten wij hoe het gehoord is? Weten wij wat we bewaren moeten? Ezra maakte zijn toch naar Jeruzalem de kostbare tempelschat werd hem  en de zijnen ter bewaring gegeven. Er moest een grote reis afgelegd worden. Toen zij aankwamen in Jeruzalem werd nauwkeurig nagegaan of ze onderweg niets verloren hadden. De Heere zal ook eens mij en u onderzoeken met de vraag of wij de schatten van het Woord des Heeren hebben bewaard. Daartoe hebben we de leiding van de Geest zozeer nodig. Niemand van ons kan dat, ook niet diegenen die overtuigd zijn van de noodzakelijke zorg aangaande het beginsel. De Heere alleen kan bewaren en vandaaruit vraagt Hij het van ons. Begin met: gedenken. Hebt u het werkelijk gehoord? Gedenk aan de dagen der Reformatie, gedenk aan de dagen der Afscheiding, gedenk hoe gìj het gehoord hebt…. En bewaar het.
Mijn ziel bewaart Uw trouw getuigenis;
Dat heb ik lief, ook doe ik Uw bevelen;
Uw woord kan mij, ofschoon ik alles mis,
Door zijnen smaak, èn hart èn zinnen strelen;
Gij weet mijn weg, en hoe mijn wandel is;
‘ k Wil niets daarvan voor U, mijn God, verhelen.

           
EENHEID

In dit tweede artikel wil ik nader ingaan op onze verhouding tot de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt.
Ik heb enige geluiden verzameld die klonken op de laatste GS van de GKV, gehouden in Amersfoort in het jaar 2005. Het is interessant en ook schokkend om kennis te nemen van de verschillende uitspraken en besluiten die daar gevallen zijn.
Ik geef puntsgewijs enkele zaken aan u door en ik leg ze u tegelijk ook voor.

independentisme

Mijn verwondering werd allereerst gewekt door het feit, dat ter Synode heel veel werd gezegd over het independentisme. U kent dit begrip nu allemaal wel. Er is in ons blad al meermalen over geschreven, laatstelijk door ds. Den Butter, die daarop nader werd bevraagd in de Wekker. Misschien is het goed dat Prof. Van ’t Spijker en ook ds. Schenau zich nader verdiepen in de folianten van deze Synode. Er werd daar klip en klaar het pleit gevoerd voor …… independentisme! Blijkbaar is het independentisme een breed levende beweging binnen de kerken, links en rechts. Op de Vrijgemaakte Synode pleitte men er voor om zodoende aan de plaatselijke begeerte naar kerkelijk samengaan ruimte te kunnen bieden, ook al zijn de landelijke deputaten nog niet zo ver. Ter Synode werd geconstateerd: "Verder lijkt het er op dat de plaatselijke kerk voorrang krijgt boven het kerkverband, niet als incident, maar als regel”. Voor het eertijds zo strakke hoogkerkelijke denken van de Vrijgemaakten een opmerkelijk geluid.
De Synode gaf nieuwe kaders aan voor de samensprekingen tussen beide kerken. Als ik mij niet vergis ligt het nieuwe vooral daarin dat er plaatselijk meer ruimte wordt gegeven, ook al is men landelijk nog niet zo ver.
Independentisme! Voor lezers die dit begrip niet kunnen thuisbrengen: Independentisme gaat uit van de absolute zelfbeschikking van de plaatselijke kerk; de banden met het kerkverband worden losser en komen op de tweede plaats.
Dit independentisme heeft blijkbaar bij de Vrijgemaakten ook nog te maken met een andere achtergrond, namelijk met de verhouding tot de Nederlands Gereformeerde Kerken (NGK). Citaat: ” Concreet komen er twee nieuwe regelingen: een voor de CGK, waarmee we landelijke overeenstemming hebben, en een voor kerken zonder die landelijke overeenstemming. Daaronder kunnen naast de NGK bijvoorbeeld ook kerken van Gereformeerde Bond signatuur en gemeenten die zich niet kunnen vinden binnen de PKN vallen”.
Natuurlijk kleven daar bezwaren aan en dat wordt wel aangevoeld ook. Men beseft dat onze kerken in landelijk verband de contacten met de NGK hebben verbroken en dus staat een groei van de GKV naar de NGK de goede verhouding met onze kerken in de weg.
Men stelt zich op dit punt ook heel flexibel en open op: "Dat betekent voor deputaten ook dat wanneer er contacten zijn, je die niet meteen af moet breken als er iets is wat je zelf daarmee niet in overeenstemming vindt. Denk aan vrouwelijke ambtsdragers, aan kerken uit andere verbanden dan de NGK, enz. Dat is niet op voorhand een breekpunt, maar wordt automatisch een bespreekpunt. Leer de ander eerst kennen, voordat je gesprekken afbreekt. Kijk ook naar de missionaire spits die in dit soort contacten naar voren treedt. Je kunt zeggen: kom ga met ons en doe als wij, je kunt ook in bepaalde situaties je afvragen: hoe kunnen we deze gemeente dienen, in deze concrete, geïsoleerde positie”. Het is goed te bedenken dat deze vrije geluiden leven binnen de GKV.
De Synode wil dus de weg naar de NGK openhouden. Men vindt allerlei heikele onderwerpen nu geen breekpunt, maar een bespreekpunt.
Is dat een goede lijn? Stel u voor dat een jongen uit een van onze gemeenten omgang krijgt met een meisje uit een heel ander kerkelijk milieu, waar men anders denkt over wezenlijke punten. Er zijn twee mogelijkheden: U kunt als ouders tegen uw zoon zeggen dat hij maar beter niet kan beginnen aan een toenadering, omdat dat risico’s in zich bergt, juist doordat zij beiden dan naar elkaar toegroeien.  U kunt ook zeggen dat hij moet gaan spreken en praten met haar, want het zal toch wel zo zijn dat het meisje haar standpunten bijstelt. Of Gods Woord deze lijn aangeeft? Ik lees het eigenlijk nergens in de Bijbel. Er staan juist waarschuwende woorden tegen allerlei compromisachtige pogingen.
Hoe zien de Vrijgemaakten dat zelf? "In onze kerken is veel in beweging. Dynamiek van de Geest! Maar dat niet alleen. Er is ook het heen en weer van allerlei wind van leer. Sinds onze vorige synode zijn wij veel broeders en zusters kwijtgeraakt. De een vond bij ons te weinig beleving en enthousiasme, de ander te weinig overtuiging en gehoorzaamheid”.
Er leeft dus binnen de GKV openheid naar alle kanten. Men heeft geen grote moeite met het aanvaarden van het federatieve groeimodel, want dat is bij hen al gebeurd! Onze kerken hebben dat nog niet gedaan, maar de wens leeft bij velen.
 
ootmoed

Nu zou men kunnen denken dat ik vanuit de hoogte neerkijk op de Vrijgemaakte kerken. Ik kreeg daarover ook een reactie van een broeder, die in deze richting mij aansprak. Ik kan dat begrijpen. Daarom haast ik mij om ook een ander geluid te laten horen, zodat we een completer beeld kunnen krijgen van de GKV.
Er zijn binnen de GKV ook leden die net als wij eigenlijk wel bezwaard zijn over al te nauwe banden tussen die kerken en de onze. Dat heeft dan te maken met het toezicht op de leer. Er leven ook diverse bezwaren tegen onze kerken!
"De (Vrijgemaakte) broeders en zusters dragen hiervoor de volgende gronden aan:
 a. de CGK tolereren Schriftkritiek, hetgeen onder meer blijkt uit het feit dat ze de opvattingen van dr. B. Loonstra niet afwijzen;
 b. de CGK kennen geperforeerde gemeentegrenzen, waardoor er voor onderlinge tucht nog maar weinig plaats is;
 c. de CGK onderhouden plaatselijk vaak nauwe kontakten met de Nederlands Gereformeerde Kerken, waardoor zij medeverantwoordelijk zijn voor de instandhouding van een kerkgemeenschap welke leervrijheid toestaat;
 d. bovengenoemde reden is er de oorzaak van dat de eenheid in de eigen gemeente opgebroken wordt”.
Het is niet mijn bedoeling op de inhoud van deze bezwaren in te gaan; het gaat me er nu om dat het een vriend is die mij mijn feilen toont. In een zeker opzicht zijn dat bezwaren die wij heel goed kunnen plaatsen. Er zijn plaatselijke gemeenten waar de GKV kerkenraad niet verder wilde spreken met de onze, omdat men bij ons de leervrijheid niet duidelijk genoeg aanpakte.
Feitelijk zitten alle kerken met een probleem. Enerzijds zijn er in vrijwel alle kerken mensen die zich gewoon willen houden aan het verstaan van de Schrift, zoals dat tot nu toe altijd geweest is. Daartegenover zijn er ook in alle kerken, die het historisch besef willen opgeven ten gunste van allerlei eigentijdse opvattingen. De CGK hebben de GKV niet zoveel te verwijten. In de variatie die de GKV hierboven hebben vertoond herkennen we onze eigen kerkelijke verdeeldheid.
Dus zouden we kunnen zeggen: Wat klagen we nog? We hebben allemaal te maken met dezelfde bonte variaties die zich overal voordoen. Vrijheid en gebondenheid leven alom en bijna overal op gespannen voet met elkaar. In een zeker optimisme zouden we kunnen zeggen dat er toch ook wel binnen de GKV gemeenten zijn die zich misschien wel verwant voelen met bijvoorbeeld de denktrant van "Bewaar het Pand”? Dat zou in een enkel geval ook best wel zo kunnen zijn? Als bij ons dezelfde kwalen leven als daar, waarom zouden we ons dan nog verzetten tegen een nauwer samengaan met deze kerken?

beslistheid

Toch wil ik hierbij enkele zaken opmerken. Het is natuurlijk nog niet zo dat beide kerken (GKV en CGK) een vrijwel gelijk beeld vertonen. Hoeveel er in beide kerken ook veranderd is, de historische wortels en de afzonderlijke geschiedenis van beide kerken zijn toch heel verschillend. Daar heeft ook ds. J.H. Velema op gewezen in zijn boek: "Wie zijn wij?” We hebben beide een fundamenteel andere kijk op het verbond, en daardoor ook op zaken als wedergeboorte en persoonlijke toe-eigening. We laten ons niet voorstaan op een bevindelijke prediking, maar toch ligt hier een wezenlijk onderscheid. Komt daar dan ook nog eens bij een vrijer denken over de geloofsleer en een brede opstelling naar kerken, waar onze Synode de deur voor dicht deed, dan komen we als kerken door een samengaan met de GKV wel erg op de tocht te staan. Zeker hebben we in eigen huis heel veel recht te zetten, zo dat nog mogelijk is. Daarom past ons ootmoed. Niet alleen voor moderne afwijkingen, ook voor traditionele verstening en verstarring. Maar willen we het in eigen huis nog recht blijven zien, dan kunnen we er de versterking van allerlei vrijheidsgevoelens er niet bij hebben. Het is zonder hoogmoed gezegd!
Daarom kunnen we niet meedenken in het federatieve groeimodel. Want dat komt, volgens Amersfoort neer op het volgende: "Het federatief groeimodel bevat de volgende elementen:
 a. in principe ligt voor alle plaatselijke kerken de mogelijkheid open voor kanselruil met een plaatselijke kerk uit het christelijke gereformeerde kerkverband;
 b. in principe is de mogelijkheid open elkaars ongecensureerde belijdende leden toe te laten tot de viering van het avondmaal;
 c. over en weer erkennen de plaatselijke kerken elkaars tuchtoefening en laten geen leden van elkaar toe zonder wederzijds goedvinden;
 d. de plaatselijke kerken van beide kerkverbanden worden over en weer opgewekt, voor zover dit nog niet gebeurt of gebeurd is, om met elkaar in contact te treden met het doel activiteiten te ontplooien om naar elkaar toe te groeien, waarbij het zoeken naar en het beleven van geestelijke eenheid voorop dient te gaan.
Eigenlijk willen we dat niet. Laten we dan maar samen heengroeien naar Gods Woord, naar de Belijdenis, naar de beleving van het geloof. Laten we dan allen uitspreken: Wij hebben God op het hoogst misdaan, wij zijn van ’t heilspoor afgegaan… Dan hebben we elkaar heel snel gevonden.


HET VERBROKEN ALTAAR        2006

Hoe het was

De vraag naar contacten met andere kerken van gereformeerde belijdenis heeft ons ertoe gebracht te spreken over de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt. Voor dit moment laat ik dat aspect van de vraag  nu verder rusten.
Er zijn echter nog meer kerken van gereformeerde confessie, die in beeld komen, als we deze vraag uit de visitatie behandelen. Te denken valt dan aan de PKN (onze deputaten hebben nog onlangs gesproken met vertegenwoordigers van de Gereformeerde Bond) en we kunnen denken aan de Hersteld Hervormde Kerk. Ik vond het opvallend dat er een gesprek plaats vond met de Gereformeerde Bond. Zeker, ik weet dat dit meermalen reeds is gebeurd, maar juist nu, nu er ook nogal eens over de HHK is geschreven, vroeg ik me af of dit gesprek mede te maken had met sympathieën van sommigen uit onze kring voor de HHK. Nu er een HHK is ontstaan liggen onze prioriteiten, het kan niet anders gezien worden, in de richting van HHK en niet in die van de PKN. De visie die onze kerken steeds gehad hebben op de oude vaderlandse kerk wijst ons in die richting. Toch zal de nauwkeurige beschouwer van het kerkelijk erf binnen onze kerken ook een duidelijke trek naar de Gereformeerde Bond, de PKN dus, waarnemen.
Het lijkt me toe dat men daarin niet consequent denkt vanuit de lijnen van 1834, de Afscheiding. Onze kerken hebben altijd bij alle waardering voor de Nederlands Hervormde kerk als bezwaar aangevoerd dat de Gereformeerde Bond deel uitmaakt van een plurale kerk, een kerk als een hotel, waarin allerlei confessionele mogelijkheden en onmogelijkheden konden bivakkeren. Zo hebben we officieel altijd de Ned. Herv. Kerk beoordeeld. Niet ieder deed dat (persoonlijk kon ik me daar niet zo erg in vinden), maar in het algemeen werd wel zo gedacht. Er leefden ernstige bezwaren tegen de NHK in de oude jas van voor 2002.
Persoonlijk, ik zei het al, dacht ik daar toch anders over. Vanuit de meer praktische overweging dat binnen de NHK de Heere duidelijk wilde werken. Er viel binnen die kerk zegen en het gereformeerde element in diverse gemeenten was wervend aanwezig. Het nam hier en daar duidelijk toe. In heel veel gemeenten, waar de gereformeerde prediking niet of bijna niet aanwezig was, is het gebeurd dat er een predikantsplaats kwam voor een gereformeerde bonder. Een man als ds. Tukker heeft dat meermalen mogen beleven. Bekend is een plaats als Katwijk aan Zee, waar een vrij massale toestroom ontstond naar de zuivere gereformeerde prediking. Als ik het goed heb, was dat een tegenbeweging tegen een zekere uitstroom in die dagen uit de NHK naar onze gemeente in die plaats. Deze werd toen gediend door ds. N. de Jong, die nogal mensen trok uit de Hervormde kerk. Op die manier kan een afgescheiden gemeente bijdragen aan geestelijke opbouw van een Hervormde gemeente.

Hoe het is

Maar helaas, de oude vaderlandse kerk is niet meer. Dat is een zeer trieste constatering, zeker ook vanwege de droevige gevolgen die het Samen op weg proces heeft gehad. Wie zou niet wenen? Het moet voor broeders van hetzelfde huis, zowel binnen de PKN als binnen de HHK, een smartelijke zaak zijn dat de oude gemeentestructuur niet meer bestaat en er een zo vreselijke splijtzwam ontstond, die men nog lang niet te boven is. Ondanks onze bezwaren tegen de oude NHK, is de breuk die geslagen is voelbaar tot op de dag van vandaag. Als afgescheiden kerken past het ons niet om vanaf de zijlijn allerlei commentaren en raadgevingen te doen. Omdat we allen toch respect hadden voor hen die binnen de NHK de beginselen van onze belijdenis verdedigden alsmede omdat we zelf op de weg der scheiding niet erg duidelijk hebben kunnen maken dat onze weg nu de goede weg was.  Er was bij ons ook genoeg aan de hand.
We hadden ook niet gedacht dat het ooit zover zou komen dat de Gereformeerden binnen de NHK zouden scheuren. Het Hervormde wijgevoel leek zo sterk dat een breuk ondenkbaar scheen.
Alles heeft toch nog weer snel en overhaast zijn beloop gekregen. Het is nu zoals het is. We kunnen er niet te veel van zeggen, maar dit is wel duidelijk: als de bonders zelf over de gehele linie de rug recht hadden gehouden, was het er niet van gekomen. Dat is een pijnlijke constatering. We kunnen niet mee en we kunnen niet weg, om die dualiteit ging het verschil van mening. Eén van deze beide uitspraken is helaas toch omgevallen.
Want, het is voor ons vanuit onze positie wel duidelijk, dat de PKN er nooit had moeten komen. Hier spelen argumenten rond de belijdenis, maar praktisch is het ook zo, dat het ongereformeerde element bredere vleugelen heeft gekregen; en daar kun je nooit blij mee zijn in een kerkverband. Wij kunnen dat goed aanvoelen.

Hoe het moet

Maar, dit gezegd hebbend, leven we mee met broeders aan beide zijden van de scheidslijn, die zondag aan zondag de kerkelijke verminking moeten aanschouwen. De ware Kerk kan niet anders dan smart gevoelen bij het zien van de uitwendige kerkelijke nood. Gods kind heeft de uiterlijke kerk lief. Hij is immers in Sion geboren; daar liggen de wortels. Die liefde is er niet alleen voor de eigen kerk, maar deze gaat uit naar allen die eenzelfde geloof deelachtig mogen zijn. Hopelijk zal dat meer gaan toenemen als de nood groter wordt. Denk aan vele psalmdichters, die deernis hadden met het gruis van Sion. Zittend op de puinhopen van ons aller kerkelijke leven, kunnen we een klaaglied aanheffen. Ook een schuldbelijdenis uitspreken. Dat zal heel breed moeten beleefd worden. Daar staat niemand buiten en boven. Moge de bede opklinken, meer en meer: "Aanschouw het verbond”. Wat zal er van Jakob overblijven, want hij is klein, zo bad Amos. Waar is de Heere in al deze dingen? Heeft de Heere niet een twist met ons allen? Hoezeer is Jeruzalem dat beneden is, dienstbaar met haar kinderen. We kunnen niet meer zoals eens, spreken over de muren, de vestingen en de paleizen van Gods kerk op aarde, zoals psalm 48 zingt. Was het niet een oordeel toen de Heere Jezus van al de schone gebouwen van toen getuigde dat er geen steen op de andere zou blijven?
Maar, uitgaande van de actuele situatie, welke kant moeten we als CGK nu uitkijken? We hebben te maken met de PKN en ook met de HHK. Vanuit onze oude kerkelijke visie op de Hervormde kerk van weleer, staan we dichter bij de HHK als bij de PKN. Dat zal ieder duidelijk zijn. Maar dat betekent niet dat de PKN voor ons niet bestaat. We mogen ook niets en niemand afschrijven. In die zin is het niet verkeerd dat de deputaten gesproken hebben met het hoofdbestuur van de GB.
Binnen onze kerken hebben velen gehoopt dat de Hervormde kerk nog weer eens zou mogen terugkeren tot de waarheid. Is dat nu gebeurd? Is de Hervormde kerk nu in de HHK teruggekeerd tot de waarheid en is deze gezuiverd van allerlei dwaling en ketterij?
Binnen de PKN zal men dat ten stelligste bestrijden. Er was juridisch geen mogelijkheid, zo werd gesteld, dat men de Hervormde kerk zou voortzetten. Deze ging automatisch op in de PKN. Wie niet mee wilde gaan, scheidde zich per definitie af. En afscheiding is een heel erg besmet woord in kringen van de PKN.
Deze redenering heb ik zelf nooit kunnen volgen; maar ook ons kerkrecht kent deze kronkels niet. Voor mijn gevoel zouden hierdoor de mensen van de HHK gebonden zijn in hun geweten om mee te gaan in de PKN. En dat dan vanwege een "must”, een verplichting van een vormelijke en formalistische redenering.
Nogmaals, is de Hervormde kerk terug bij de rechte prediking, nu de HHK ontstaan is? We behoeven dit nu niet waterdicht te beredeneren, maar praktisch gezien moeten we in de droevige breuk toch ook een bijkomend zegen zien, namelijk dat er een kerk is ontstaan met de oprechte begeerte om zich vrij te maken van allerlei dwalingen. In die zin volgen we met respect en verbondenheid de strijd binnen de HHK.
Dat heeft ons als CGK wel wat te zeggen. Breuken kunnen helaas geslagen worden, maar ze kunnen ook hersteld worden. De tijd dringt ons ertoe om elkaar op allerlei fronten te vinden op de basis van het Woord van God. Dat kan niet zo maar vanuit de mens ondernomen worden. Kerkelijke eenheid kan slechts ontstaan als de Heere het geeft. De scheuring van de twaalf stammen laat dat duidelijk genoeg zien. Als God het niet wil, kunnen we doen wat we willen, maar dan blijft de kloof bestaan. Laten we beseffen dat eenheid een werk is van de Heilige Geest, niet een daad van deputaten of kerkenraden. Dat zouden we meer moeten aanvoelen. We moeten met de zaken echt bij de Heere terecht komen. Dat gebeurt door ons allen niet of veel te zwak. We belijden dat wel, maar we gevoelen innerlijke de noodzaak er niet van. Elia bouwde een altaar van twaalf stammen, en dat in de dagen van Achab, toen er helemaal geen kijk op eenheid was en toen alles afgevallen leek te zijn. Het altaar was verbroken!
Alles komt op Gods tijd. De HHK heeft de handen vol aan de opbouw van het kerkelijk leven. De tijd der jeugd, of wel de crisis der jeugd, is nog niet voorbij. Alles moet nog uitgekristaliseerd worden. Dat moet ons allen voorzichtig maken. Wel willen we deze gemeenten zo nodig de helpende hand bieden om hen te steunen in hun strijd. Doordat we meedenken met hun moeiten en zorgen, of ook doordat we invallen in allerlei leemten en zorgen. Ook doordat we samen bepaalde bezigheden kunnen ondernemen of samen kunnen overleggen in bijeenkomsten waar de weg van de Heere heengaat. Waar staan de voetstappen der schapen? We moeten de kudde weiden bij de woningen der herders. Niet bij de kudde der metgezellen. Dat onderscheid is in onze dagen niet eenvoudig op te merken. De lijnen lopen niet zo duidelijk.
Ook wat betreft onze eigen kerken verkeren we in een zekere impasse. Wat gaat de toekomst voor onze kerken worden? We kunnen niet om de veronderstelling heen, dat er heel veel is losgeslagen en dat de CGK, zoals we die gekend hebben, ook al niet meer bestaat. Allereerst niet omdat allerlei andere kerken zich met ons gemengd hebben en we het heldere beeld van het christelijke gereformeerde leven aan het kwijt raken zijn. Verder omdat we ook zelf losslaan van de wortels.

Hoe gaat het met u en mij in de toekomst? Misschien loopt u te worstelen met deze vragen. Misschien ligt de kerk zwaar op uw ziel. Iemand zei me onlangs: ik zou onderhand niet meer weten waar ik in verschillende plaatsen zou moeten kerken in ons kerkverband. Dat gevoel van verlegenheid houdt velen bezig. Blijf dan maar zoeken naar de voetstappen der schapen; naar Hem vooral, Die gezegd heeft: "Mijn schapen volgen Mij, overmits zij Mijn stem kennen”. En verder: de Heere heeft Sion gegrond, opdat de bedrukten Zijns volks daarin een toevlucht zouden hebben.


RECHTSHERSTEL Ds. R. Kok                                                                              2007

Nu allerlei onderwerpen vanuit de kerkvisitatie aan de orde zijn gekomen, breekt de tijd aan voor andere onderwerpen. De redactie bedeelde me de taak toe om acutele gebeurtenissen uit het maatschappelijke en kerkelijke leven onder uw aandacht te brengen. Tevens is er dan plaats voor bespreking van artikelen uit andere bladen, die voor onze lezers van belang zijn. Ik kijik met u naar recente ontwikkelingen binnen de Gereformeerde Gemeenten.

Ds. M. Golverdingen ga onlangs te kennen dat naar zijn mening de procedure’s die geleid hebben tot de schorsing en afzetting van ds. R. Kok en dr. C. Steenblok de toetsing aan het kerkrecht niet kunnen doorstaan. Hij spreekt hierbij over de formele gronden die tot genoemde besluitvorming geleid hebben. De inhoudelijke argumenten die deze zaken bepaald hebben, laat hij buiten beschouwing. De inhoudelijke kant van de zaak kwam in het verleden aan de orde in de moedige publicatie van ds. C. Harinck (De prediking van het evangelie, 2002).
We kennen ds. Golverdingen als een eerlijk en integer scribent, zelfs ook als het gaat om zaken, die in de Gereformeerde Gemeenten gevoelig liggen.
Wat is de waarde van deze erkenning en wat kan er eventueel als vervolg hierop worden verwacht?

De vorm

Wat ds. Golverdingen aan de orde stelt, is feitelijk een algemeen voorkomend verschijnsel. Achteraf blijken allerlei kerkelijke handelingen vaak verricht te zijn zonder het noodzakelijke fiat van de kerkorde. Roomse theologen hebben in het verleden meer dan eens opgemerkt, dat de loop der gebeurtenissen rond de Reformatie eigenlijk niet gegaan is zoals het behoorde. Tal van tuchtprocedure’s, die later aan een nauwkeurig onderzoek werden onderworpen, leden aan hetzelfde manco. Men zou zich kunnen afvragen of het kerkrecht transparant en helder genoeg is voor een juiste hantering ervan. Niettemin zijn de gevolgen van de reeds genoemde kerkelijke handelingen desastreus en zeer betreurenswaardig geweest. Het is te begrijpen dat ds. Mallan zijn waardering uitsprak naar aanleiding van deze erkenning van schuld. Als ik het goed heb, heeft ds. Kok met intens verlangen uitgezien naar een of andere vorm van erkenning van kerkelijke schuld van de kant van de Gereformeerde Gemeenten. Diverse predikanten hebben in het verleden wel kenbaar gemaakt dat de gang van zaken rond zijn vertrek uit de GG niet vlekkeloos verlopen is. Zij gaven aan achteraf de zaak te betreuren. Tot een officiële kerkelijke erkenning is het nooit gekomen.
Nu dus wel?
Ik acht het zeker niet zonder betekenis dat nu in 2007 is toegegeven dat er ernstige fouten gemaakt zijn. Het zou zeker te waarderen zijn, als het kerkverband deze erkenning zou willen overnemen. Ja, er zou werkelijk nog heel veel meer gedaan kunnen worden, als de consequenties van deze erkenning zouden worden getrokken. Dat geldt dan ook weer niet alleen van dèze zaak, het geldt voor alle fouten die gemaakt zijn, waar dan ook.
Als een zaak op enige kerkelijke vergadering niet kerkrechterlijk door de goede deur binnenkomt, gaat de zaak terug naar de indiener. Helaas kan dat nu in de zaken rond de beide predikanten niet meer plaats vinden. Zij leven beide niet meer. Postuum kunnen wel allerlei rimpels gladgestreken worden. In bescheidenheid stel ik de vraag, of het niet goed zou zijn als de GG, na deze erkenning van vormfouten, ook op de inhoudelijke zaken zouden terugkomen. Vorm en wezen zijn toch niet te scheiden. De zaken zijn belangrijk genoeg. Immers, nog steeds worden de gemeenten verontrust door allerlei gevoelens van ongenoegen rond de leeruitspraken van 1931 en de functionering hiervan in de prediking. Over en weer worden dan wel allerlei stellingen geponeerd, maar tot een eenduidige visie lijkt het niet te kunnen komen. Als we verder bedenken dat er ook actuele tuchtzaken lopen tegen hen die onvrede gevoelen met de praktijk binnen de GG, dan is de urgentie hiervan nog sterker. Zullen de tegenstellingen niet nog meer schade toebrengen aan het kerkverband?
Wat te zeggen over de lijvige en waardige studie van K. van der Zwaag (Afwachten of verwachten?). Legendevorming kan zelfs gaan optreden; als het gesprek een debat wordt, worden er opmerkingen gemaakt, die hun waardigheid verliezen. Het is te betreuren dat er dan soms op bepaalde personen wordt gespeeld.

de inhoud

Ik wil voor de welwillende lezer trachten enig inzicht te geven in de onderhavige materie. Ds. Kok heeft zijn gehele persoon ingezet voor de prediking van het aanbod van genade. De beloften van het evangelie komen tot alle mensen. Gaat men verloren, dan gaat men om eigen schuld verloren. Er is voor iedere zondaar een mogelijkheid van zalig worden. "Wij hebben het voor waarachtig te houden dat de beloften van het  evangelie , elk lid der gemeente, levend op de erve des verbonds, geschonken zijn” (Dierbare beloften, blz. 38). In sterke mate beklemtoonde hij de verantwoordelijkheid van de mens. Ds. Harinck wijst erop, dat de beloften van het evangelie niet dezelfde zijn als de beloften van het genadeverbond, een onderscheid dat wij moeilijk zullen kunnen meemaken. Of bedoelt hij het onderscheid tussen voorwaardelijke en onvoorwaardelijke beloften? Zou ds. Kok niet geleerd hebben dat de doop de beloften van het genadeverbond betekent en verzegelt? In ieder geval heeft hij het genadeverbond niet gesteld onder de beheersing van de uitverkiezing.
Dr. Steenblok nam een tegenovergesteld standpunt in. Hij stelde dat er geen algemeen aanbod van genade is voor alle mensen en tevens ook dat er geen mogelijkheid is van zalig worden voor allen. Aan natuurlijke hoorders kan alleen de wet gepredikt worden. De zaligheid kan wel worden voorgesteld, maar zeker niet worden aangeboden. Er zouden meer citaten te geven zijn.
Het zijn geen onbelangrijke zaken, die hier aan de orde komen. Wie de soms bijna spitsvondige onderscheidingen in dit kerkelijk conflict volgt, kan alleen maar dankbaar zijn dat binnen onze kerken geen verschil van mening bestaat over het aanbod van genade, al erkennen we tegelijk dat er in onze kerken weer velen aan de andere kant uit de boot vallen. Ik schrijf dus ook zeker niet vanaf de kant over deze zaken. We kunnen gerust stellen en erkennen dat we allen het juiste zicht op deze zaken vaak missen.
Het is een open deur om te zeggen dat wij met elkaar ons nauw verbonden voelen met de GG en hun gang door de tijd. Gaat het deze kerken goed, dan is dat belangrijk voor heel de kerk des Heeren. Hopelijk kunnen we ooit zelfs de handen ineen slaan.

overwegingen

We hopen dat de GG in de toekomst ontkomen mogen aan de gesignaleerde tweeslachtigheid, die heel veel uitspraken en uitingen kenmerkt.
Ik wil nu met u de zaken enigermate tot een afronding komen en nog enkele opmerkingen maken over dit onderwerp.
Er is in de historie veel strijd geweest over verbond en verkiezing. Er is veel geschreven over de zaak van twee of drie verbonden. Onze kerken staan in dit opzicht binnen de GG onder een zekere verdenking. Het is gelukkig zo, dat men, staande op het standpunt van de twee verbonden, zoals de GG, toch een ruime belofteprediking kan brengen. IK denk dat velen binnen de GG ook wel weten dat we "ondanks” de drie verbonden het gevaar van Arminianisme kunnen vermijden. Deze verschillen inzake de verbondsopvatting mogen we niet uitvergroten. Het zal ons, vooral de oudere generatie, bekend zijn, dat er weinig meer gesproken wordt over de drieverbondenleer. Opmerkelijk! Dat betekent geen principiële koerswijziging, maar wel een minder strijdlustige houding op dit gebied.
Wat voor u en mij doorgaans gelukkig vaststaat is, dat we ervan overtuigd zijn dat het  genadeverbond een zelfstandige plaats inneemt naast de verkiezing. De prediking mag niet onder de beheersing staan van de uitverkiezing. Ook het genadeverbond niet. Maar dat betekent niet dat de verkiezing in de prediking niet een duidelijke plaats in moet nemen. En we moeten er ons ook tegen verzetten als er binnen onze kerken een verbondsautomatisme optreedt. Dan heeft men genoeg aan verbond en belofte en dan fungeert het verbond als een handvat voor zelfbediening. Zo moeten we op twee fronten de zaken zuiver trachten te stellen. We geloven dat de beloften vragen om de toepassing door de Heilige Geest. Dat zijn woorden die we ook bij ds. Kok vinden. Zonder die toepassing van boven zullen bondelingen eeuwig omkomen. Wel tot de hemel verhoogd, maar tot de hel neergestoten. Of men nu uitgaat van twee of drie verbonden, of men het nu spreekt van wezen of  bediening, de zondaar moet wederom geboren worden. De leeruitspraken van 1931 (GG) spreken zelf ook van het verbond der verlossing en het genadeverbond, zie lid 1. Alleen spreekt men uit dat deze beide één zijn. Ten diepste blijkt hier wel uit, dat ook de GG onderscheiden tussen de beide verbonden. We weten dus beide waarover we het hebben. Verder onderscheidt men ook daar tussen wezen en bediening van het verbond: het wezen geldt alleen de uitverkorenen, de bediening omvat alle bondelingen. Hoort deze bediening bij het verbond, of hangt het er maar wat bij?
Het is voor ons echter wel een vreemde gedachte, dat een bondeling feitelijk eerst moet weten dat hij uitverkoren is en dat daarna de betekenis van de verbondsbeloften pas aan de orde komt. Men zal dat misschien tegenspreken, maar ten diepste moet de ware en echte bondeling toch enige tekenen in zich opmerken aangaande zijn verkiezing. Dat gevaar treedt op binnen de GG. Die tekenen kunnen bestaan in hartelijk berouw, of in bepaalde kenmerken, maar de verkiezing gaat dan toch voor het verbond uit. Dat is aan Gods kant stellig waar, maar in de prediking kan dat zo niet toegaan. Dat lijkt ons niet bevorderlijk voor het aanbod van genade. Het strijdt ook met zoveel betuigingen van de Heere, die erop neerkomen dat Hij geen lust heeft in onze dood. Alleen zo kan de Bijbelse strekking duidelijk worden van het feit, dat een mens niet gewild heeft dat Christus koning over hem zou zijn.
We mogen hopen en bidden dat er binnen de CGK alsook binnen de GG plaats, meer plaats mag komen voor de beleving van het verbond. Maar de beleving heeft wel nodig de onwrikbre vastigheden die de Heere in Zijn Woord heeft geopenbaard. En hoe de Heere Zijn welbehagen uitvoert, kunnen wij niet doorgronden. Calvijn gebruikte het beeld van het zeilschip. Geen wind, geen vaart. Zeilen zonder wind brengen geen baat. Maar het is ook ondenkbaar dat de matrozen de zeilen gereefd houden als de wind er is.
Trachten wij allen toch door genade roeping en verkiezing vast te maken. Petrus noemt niet voor niets deze volgorde. Maar dan ook, naast de roeping, de verkiezing. Dat lijkt in onze tijd een vreemde zaak. Maar de Heere kan het werken, komend vanuit de welmenende roeping naar de kennis van de verkiezing. Dan zingt de kerk Gij toch, Gij zijt hen roem, de kracht van hunne kracht.
Laten de GG niet alleen over de vorm spreken, maar, en dat zal men zeker begeren te doen, ook over het wezen. In het wezen ligt het werk Gods. De Heilige Geest zal in àlle waarheid leiden.
 

Rechtsherstel -2-

In een vorig artikel is de hoop uitgesproken dat de GG niet slechts over de vorm, maar ook over de inhoud van de conflicten uit het verleden zullen spreken. Waarom werd dat gedaan in ons blad, dat toch immers buiten de GG staat? Het gebeurde vanwege nauwe verbondenheid, die we gevoelen met deze  gemeenten. We zouden het een wonder achten, wanneer allerlei barrière’s tussen reformatorische kerken zouden worden weggenomen. Daar hebben wij als CGK belang bij, daar zouden ook de GG zelf wel bij kunnen varen. Daarbij denk ik ook aan andere kerken, zoals bijvoorbeeld de HHK.
Welk belang hebben wij bij de GG? Voordat ik daarover nog iets wil zeggen, wil ik eerst nader ingaan op een reactie die mij bereikte na mijn vorige artikel
Een broeder, die eertijds de overstap had gemaakt vanuit de GG naar onze kerken, schreef me het volgende:”Het is voor ons echter wel een vreemde gedachte, dat een bondeling feitelijk eerst moet weten dat (of?) hij uitverkoren is en dat daarna de betekenis van de verbondsbeloften pas aan de orde komt. U schrijft er meteen al achter dat men dit misschien zal tegenspreken. Nu kom ik zelf uit de GG, maar heb het zo nooit geleerd, gehoord en beleefd. Enkele jaren geleden ben ik met mijn gezin overgegaan naar de CGK, uit praktische overwegingen.
Als ik ervan overtuigd zou zijn dat er een wezenlijk leerverschil zou zijn tussen de GG en CGK, dan had ik deze stap zeker niet overwogen”.
Hij vroeg me om een verklaring van hetgeen ik schreef. Ik wil er graag nog nader op ingaan. Men bedoelt stellig niet te zeggen in de GG dat een zondaar eerst een feitelijke zekerheid van zijn persoonlijke uitverkiezing moet hebben, waarna dan de verbondsbeloften aan de orde komen.
Indirect loopt deze lijn er m.i. toch wel in min of meerdere mate. In 1931 werd namelijk uitgesproken dat het verbond staat onder de beheersing van de uitverkiezing. Daar moet ik toch uit opmaken, dat eerst de verkiezing aan de orde komt en daarna het verbond. Of het zou moeten zijn dat men hiermee uitspreekt dat in "tijdsorde” de verkiezing voorafgaat aan het verbond; dat wordt natuurlijk ook door ons zo gesteld.
Vanuit de bedoelde zinsnede gaat de verkiezing in de prediking het spreken over het verbond beheersen. In onze prediking fungeert juist het verbond als uitvalsbasis voor de oproep aan allen tot bekering. Dat geldt over de gehele linie. De doop vormt een pleitgrond voor de onbekeerde bondeling. In deze oproep brengen we de uitverkiezing op die plaats niet ter sprake, wel hopelijk op allerlei andere momenten in de prediking. In Gods Woord treffen we ook niet aan dat het bevel tot bekering wordt doorkruist door de prediking van de verkiezing.
In de beschouwing van 1931 echter is de verkiezing direct verbonden verklaard met het verbond. Noemt u het verbond, dan noemt u tegelijk de verkiezing. Daar hebt u de kern van de zaak. Luister echter naar de uitspraak van de DL: "En opdat de mensen tot het geloof worden gebracht, zendt God goedertierenlijk verkondigers van deze zeer blijde boodschap, tot wie Hij wil en wanneer Hij wil; door wier dienst de mensen geroepen worden tot bekering en het geloof in Christus, den Gekruisigde. Want hoe zullen zij in Hem geloven, van Welken zij niet gehoord hebben? En hoe zullen zij horen, zonder die hun predikt? En hoe zullen zij prediken, indien zij niet gezonden worden? (I,3).
In DL (I,6) volgt pas daarna de verkiezing, nadat de mensen tot geloof gekomen zijn. Het is, het moet worden erkend,  ook in onze prediking een voortdurende worsteling om bevel en belofte onvoorwaardelijk te brengen aan de hoorders.
Maar in de GG kan het gebeuren, dat de hoorders toch eerst gedrongen worden te zoeken naar enig kenteken van de verkiezing, voordat men de verbondsbeloften serieus kan en mag nemen.
Dat hangt dan samen met de verbondsleer binnen de GG. Om nader tot elkaar te komen, zou het goed zijn als de GG naar alle kanten duidelijk zouden willen maken wat de "bediening” van het verbond betekent voor de onbekeerde kerkganger. Dit naar aanleiding van de stelling dat de uitverkorenen delen in het wezen van het genadeverbond, terwijl de overige kerkgangers delen in de (uiterlijke) bediening ervan. Als de onbekeerden niet leven binnen het verbond, kunnen zij ook het verbond niet verbreken of vernietigen. Toch zegt de Schrift meermalen dat dit wel gebeurde (Lev.26:15; Ezech.17:16-19). Hoe zou verder een gedoopte kunnen delen in de vloek van het verbond, als hij er niet metterdaad is geleefd heeft (Deut.29:12)? Het bloed des verbonds werd op het gehele volk gesprengd (Ex.24:8).
Persoonlijk kan ik mij echter ook goed voorstellen dat men desondanks toch slechts spreekt van twee verbonden. Dat betekende echter voor veel Puriteinen en Oudvaders niet dat het bevel van geloof en bekering onder druk kwam te staan. Dat zal ook het geval zijn met veel preken, die in de GG gehouden worden.
Maar het is wel een punt voor nadere overweging. Ik lees reeds jaren de Saambinder, met daarbij ook de meditaties. Doorgaans met genoegen, maar de beschrijving wint het meermalen toch van de oproep tot bekering en geloof.

Gereformeerde Gemeenten

Diepere doordenking van dit gehele thema heeft zin voor de gehele Gereformeerde Gezindte. Ook voor de Gereformeerde Gemeenten zelf.
Ik denk dan aan de scheuring van 1953. Ongetwijfeld is de kloof diep, anderzijds hebben deze kerken veel met elkaar gemeen. Er lopen allerlei verbindingen. Ik begrijp op afstand dat de wegen geblokkeerd zijn. Maar wat op de Dordtsche Synode (1618/19) samen kon gaan, kan ook nu nog. Nu de gemaakte fouten erkend zijn, kan het naar de Uitgetredenen van betekenis zijn om elkaar te zoeken.
Verder roept de situatie binnen de GG intern ook om nadere bezinning. Er is binnen de eigen gemeenten onrust, soms veel onrust. Het valt mij en meerderen dan op, dat de strijd op een soms verbeten manier wordt gevoerd. Men richt zich vanuit de kritische hoek soms heel sterk op mensen. Op die manier kunnen mensen beschadigd worden. Leidinggevenden aan de School en in de kerkelijke Pers liggen onder vuur. Dat kon best wel minder. Men kan als reactie weer sterk verkrampt reageren naar de ander, over en weer. In veel opzichten kunnen we het verweer in de Saambinder begrijpen, maar soms lijkt er te veel in bescherming genomen te worden.
De kritiek is verbeten. De toon is soms ontoelaatbaar scherp. Dat blijkt ook daarin dat leden die afscheid nemen van het kerkverband en zich bijvoorbeeld bij een CGK voegen, snel verder radicaliseren en niet zelden doorschieten naar meer oppervlakkigheid en moderniteit. De critici staat open voor de evangelische beweging. Daar zou nog veel meer over te zeggen zijn, maar ik laat het bij de constatering dat dit een gebrek aan invoelvermogen verraadt, misschien aan beide zijden.
Ik zonder hiervan in ieder geval de studie van K. vd Zwaag uit. Laat men hieraan niet te makkelijk voorbijgaan. Er worden zoveel dringende en wezenlijke zaken aangesneden, dat we dit niet kunnen afdoen, zoals dat soms gebeurt.

Christelijke Gereformeerde kerken

Helderheid inzake de gesignaleerde verwarring is ook voor onze kerken belangrijk. In dit synodejaar worden we pijnlijk herinnerd aan het feit dat we een zeer verdeelde kerk zijn. Zonder nu over de Synodale zaken uitvoerig te spreken, hebben we wel allen kunnen merken dat er diepgaande verschillen van inzicht bestaan. Het werd in het RD duidelijk en meermalen voor het voetlicht gebracht. Dat wisten we al lang. Terzake van de eenheid met andere kerken, stagneert nu ook de toenadering tot de GKV. Zo lijkt het. Als ik het goed begrepen heb, laat men allerlei vormen van eenheidsstreven op het plaatselijke vlak ongemoeid. Het kan moeilijk anders, want er zijn heel veel gemeenten die in de afgelopen tijd versneld toenadering hebben gezocht tot de GKV. In de praktijk zijn we al te ver! Op die manier gaan onze kerken toch uiteenvallen in een eilandengroep, die u gerust nog de mooie naam CG kunt geven. Maar het zijn eilanden geworden. Gevolg van het veelgenoemde independentisme. Eén eiland waar de N(ed) G(eref) Kerken in beeld zijn, een ander eiland, waar de GKV aan tafel aangeschoven zijn. Het andere eiland? Laten we zeggen dat wij dat met elkaar zijn? Goed, wij wensen gewoon CG te blijven. Maar het ligt toch ook voor de hand dat we (plaatselijk) contacten kunnen zoeken met verwante groeperingen en kerken. Dan komen voor ons toch de GG en de HHK in ieder geval in beeld. Ik kan begrijpen dat de GG met ons kerkverband in haar geheel geen goede communicatie kunnen krijgen. De opvattingen liggen te ver uiteen. Dat zou wel kunnen met allerlei plaatselijke gemeenten, die dicht bij hen staan. Dat behoeft niet uit te lopen op vereniging, het kan heel voorzichtig en aarzelend plaatselijk beginnen. Het is verstrekkend, wat ik hier neerzet. Maar het is maar een heel kort lijntje, dat ik wat verder doortrek, als ik het vergelijk met de dikke streep, die onze GS heeft getrokken inzake de vrijheid van de plaatselijke kerken naar de GKV toe. Als plaatselijk heel veel kan met de VGK, waarom dan niet  met andere kerken, in een andere hoek? Omdat er geen officiële landelijke gesprekken zijn, op deputatenniveau? Maar zelfs met de GKV verlopen die gesprekken uiterst moeizaam, en gaan deze mank aan een zekere tweespalt. We zouden elkaar op die manier binnen onze kerken wat meer vrij kunnen laten.
Trouwens, waarom heeft men nu niet beslister de lijn naar de GKV afgehouden? Daarvoor bestaat een doorslaggevende reden, die ik bij mijn weten niet heb gehoord tijdens de Synodale gesprekken. Het gaat hierom: onze kerken hebben enige jaren terug de gesprekken met de NGK stopgezet. Om principiële redenen. Nu blijkt duidelijk dat de GKV verwantschap gevoelen en uitspreken in de richting van de NGK. Op die manier zouden we dan toch de NGK weer naar ons toe zien komen, via de GKV. Nu de GKV de broederhand steeds meer uitsteken naar de NGK, zouden wij terecht kunnen zeggen, dat zulks ons spijt en zelfs meer dan dat, dat dat ons weerhoudt om verder te gaan. Hebt u mij kunnen volgen? Ik hoop dat u niet in verwarring komt door de vele afkortingen, die gebruikt werden……

En verder, voor welke kansel zijn de hier aangesneden zaken niet van wezenlijk belang, hoe men dan ook heet?
Juist als het gaat over de verhouding verkiezing- verwerping, blijkt duidelijk dat we allen ten dele kennen. Het is een dik boek, dat als titel draagt: Een eeuw van strijd over verbond en doop. Wie hier een twist zou willen ontketenen, bedenke dat we hier te maken hebben met geheimen, die door geen mens tot op de bodem kunnen doorgrond worden.
Dat ondervindt ieder, die persoonlijk te maken krijgt met het Woord Gods. Hij mag zeker ervaren dat de Heere het bevel van bekering en geloof legt op iedere hoorder. Tegelijk zal hij daarbij leren, dat er vanuit de mens geen weg is. Juist als alles binnen ons bereik wordt verloren, blijkt de volheid in het werk van Christus. Het kan alleen door Zijn kracht en genade worden volbracht. Dat alles ligt besloten in de twee woorden: roeping en verkiezing. Wie kan het tenvolle verklaren wat we lezen in Filip.2:12 en 13: "Werkt uws zelfs zaligheid met vreze en beven, want het is God Die in u werkt, beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen?” God moet zelfs het willen in ons werken. Hìj moet òns werk werken. Wat blijft er dan nog over voor de mens? In het Grieks vinden we hier het bekende werkwoord " energein”, dat verwant is met ons woord energie. Het is slechts hemelse en Goddelijke energie, wat we kunnen weergeven met "inwerking”. Vanwege die energie alleen kan onze lamp haar licht geven.
           
            

 

 

 

 

           

GOD IN DE SCHADUW         2008

Er is in deze rubriek reeds meermalen geschreven over onze verhouding tot de GKV. Meestal niet over de Vrijgemaakten zelf, maar over de verhouding van onze kerken tot die kerk. Het laatste besluit van de GS is kort geleden ook voor het voetlicht gehaald, mede omdat anderen daarover schreven. Ik vind opnieuw aanleiding om de kant van de GKV uit te kijken. Ditmaal gaat het om waardering en herkenning voor wat in die kring werd geschreven.

een analyse

Het betreft een bericht in het RD, dat ons aan het denken kan zetten. Ik doel op een lezing van Prof. dr. M. te Velde. Tegelijk meldde de krant juist bij het gereedmaken van dit artikel, dat een groep van 7 predikanten binnen de GKV pleit voor een grotere aandacht voor de Gereformeerde Belijdenis. Zij constateren dat deze slechts marginaal aan de orde komt. Hun verontrusting heeft mede te maken met de groeiende aandacht voor de Ned. Geref. Kerken. Wij mogen dankbaar zijn dat ook deze klanken gehoord worden binnen de GKV.
Prof. Te Velde heeft o.m. het volgende opgemerkt:
De typerende kenmerken van het moderne levensgevoel zijn meer in de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt (GKV) aanwezig dan beseft wordt. 
De grootste bedreiging is volgens prof. Te Velde het denken dat de waarheid bij de gereformeerd Vrijgemaakten automatisch veilig is. „De typerende kenmerken van het moderne levensgevoel zijn meer binnen het eigen kerkverband aanwezig dan beseft wordt. Een typische trek van onze tijd is dat God helemaal in de schaduw staat van de mens. Ook in de kerk draait het te veel om de mens. Dat is de reden dat de zonde niet gepeild wordt en de verzoening niet begrepen. Termen als zonde en schuld worden weliswaar genoemd, maar ze liggen zo ver van het moderne gevoel verwijderd dat niet echt beseft wordt wat ze inhouden.”
Prof. Te Velde noemde het veelbetekenend dat sinds de jaren tachtig de term gebrokenheid in zwang kwam, ten koste van de term zonde. „Dat sluit aan bij de moderne trend. Wij willen graag naadloos zalig worden.”
(….) Anderzijds moeten we zo eerlijk zijn om te erkennen dat bij ons veel zwakten aanwezig zijn die lijken op wat er in de Gereformeerde Kerken gebeurde na de jaren zestig. Wij hebben te veel de neiging de waarheid te problematiseren”. 
Veelzeggende woorden! Het zal ongetwijfeld zo zijn dat deze dingen aan de orde zijn binnen de GKV. Prof. Te Velde kan het weten, beter dan wij. Hij noemt echter dingen, die in onze eigen gelederen eveneens de dienst uitmaken. Genoemde zaken zijn symptomatisch voor de gehele Gereformeerde wereld van nu. Ik wil er nader op in te gaan vanuit de vraag: Hoe blijkt het nu dat ook de CGK door de geest van de wereld zijn geïnfecteerd? Want als de zaken er werkelijk zo bij staan, verkeert de kerk in grote nood. Hij constateert immers dat de verzoening niet begrepen wordt. Daarin gaat het om het hart van de zaak.

de prediking

"God helemaal in de schaduw van de mens”. Rond de prediking is de dominante houding van de moderne mens voelbaar. De boodschap wordt in allerlei richtingen afgewogen op de weegschaal van de menselijke behoeften, licht of zwaar. Zodra de preek echt een aanval opent op mijn meningen en behoeften, ontstaat er kortsluiting. Er zijn afgoden als de goden dezer eeuw van weleer, die feitelijk ook op de kansel heilig zijn. Wij, voorgangers, hebben soms ook nauwelijks de moed om erop af te gaan. We waken er misschien ongewild voor dat de hoorders niet echt in een geestelijke crisis terechtkomen. Daar is de gemeente grotendeels ook uiterst waakzaam in. Ik moet niet aan het wankelen gebracht worden. Ik mag mijn zekerheden niet verliezen, geestelijke zekerheden wel te verstaan. Bovendien lijkt de moderne mens heel snel terecht te komen in een sfeer van vertwijfeling en hopeloosheid, zodat men hem dat nauwelijks zou kunnen aandoen. Enerzijds stellen we onze kinderen soms bloot aan occulte en demonische uitingen, met horror en spanning, en anderzijds kunnen we in de preek het woord "hel” nauwelijks verdragen. Daar liggen mensen dan plotseling weer van wakker. Behandel de hoorder met enige voorzichtigheid. De moderne hoorder is psychisch heel gevoelig en de stoppen kunnen zo maar doorslaan. En dat is ook zo. Het is aangrijpend dat mensen soms helemaal van slag zijn bij het horen van Bijbelse lijnen in een preek. Er kunnen dan zo maar grote problemen ontstaan. Naäman zit op de bok en hij moet zichzelf toch kunnen blijven respecteren.
Maar, zo vraagt u, moeten er dan wèl grote problemen ontstaan? Ja, dat moet zeker wel. Er ligt toch immers al een immens groot probleem voor u en mij in de verstoorde verhouding met God?  En laat dat probleem dan eens heel duidelijk gaan worden, voordat we met middelen gaan werken. Er werd in het bedoelde referaat opgemerkt: Ook in de kerk draait het te veel om de mens. Dat is de reden dat de zonde niet gepeild wordt en de verzoening niet begrepen.
Te Velde stelt dus dat de verzoening niet begrepen wordt, omdat de zonde niet gepeild wordt. Als de zonde wordt gepeild, ontstaan de problemen. En problemen hebben we in onze gecompliceerde tijd al meer dan genoeg, daarvoor komen we juist niet in de kerk, zo zegt men. In de kerk komen we om enige steun en bemoediging te ontvangen. En de behoeften en de moeiten van de moderne hoorder zijn ook waarlijk niet gering. Daarom willen we hem natuurlijk niet nog meer belasten met de schuldvraag.
De schuldvraag is op de vlucht gejaagd ten gunste van een ander woord, zoals te Velde opmerkte, namelijk de gebrokenheid. Dat laatste kun je de mens niet echt aanrekenen, zonde en schuld echter wel. En dat moet vermeden worden. Zodoende worden we eerder slachtoffer dan schuldigen.
De mens, de hoorder, we kunnen ook zeggen: de markt deelt op de kansel de lakens uit? Er zullen zeker veel voorgangers zijn bij wie dat niet het geval is, maar dit virus waart rond en het is heel erg hardnekkig. Dat wordt heel verschillend beleefd. In de ene preek zal de mens met zijn eigen gestelde waarden en normen als onaantastbaar aangemerkt worden. Ik moet me lekker kunnen blijven voelen. Elders kan het de hoorder zijn, die vanwege zijn ernst en zijn bekommering in zijn waarde moet blijven. De ontdekte zondaar is dan onaantastbaar.
Deze dingen spelen ook rond het thema van de verstaanbaarheid. De gemeente kan uitgerekend de Bijbelse diepten juist niet meer bevatten; toch wil de oppervlakkige hoorder er natuurlijk wel iets van meenemen. Dus moet de dominee, als hij zijn ambt wil blijven uitoefenen (!), zich uitputten in simpelheid en kinderlijkheid van voorstelling, daarbij de Bijbelse vaste spijzen maar overlatend aan het voorgeslacht. Het gaat vooral om lichtverteerbare kost. Drama en toneel moeten daarbij helpen. Nu de mensen in een visuele cultuur leven, moet ook de preek inwerken op het oog, meer dan op het oor.
Ook het evangelisch gehalte wordt grotendeels door de hoorder bepaald. En echt niet alleen in vrijzinnige en hypermoderne gemeenten, waar weinig meer over is van de Gereformeerde prediking. Nee, ook onder ons gebeurt dat, in  "behoudende” kringen. Het luistert heel nauw als het gaat over de drie stukken. Worden ze genoemd, prima dan, maar in welke verhouding staan ze. Het is bekend dat mensen spoedig spreken over een "hel en verdoemenispreek”, om nog maar geen andere termen te gebruiken. Daar wil toch geen rechtgeaard prediker zich voor lenen? Eer het amen van de preek wordt uitgesproken, moeten alle rimpels toch immers weer glad gestreken worden. Ik heb me al vaak ingedacht hoe Luther in onze tijd zou gepreekt hebben. Hij zou in allerlei zuiver Gereformeerde betogen toch heel vaak een Roomse zuurdesem hebben aangetroffen. Je merkt als voorganger in allerlei gemeenten dat de zaken heel gevoelig liggen. Het lijkt soms balanceren op de punt van een naald.
Het is als een groenteveiling. Vooraf hebben de kopers de waren getaxeerd. Geeft de wijzer van de klok het gewenste bedrag, dan moet je drukken op de knop. Het mag niet te veel, geen cent meer, kosten. Heel precies werk. Zitten we zo niet in de kerk? Komt mijn theologie, mijn opvatting tot zijn recht?

Christus

We horen het nu vanuit de Vrijgemaakte hoek. Te Velde zal het vanuit zijn situatie misschien weer anders verwoorden en uitwerken, maar de markt vertoont overal dezelfde structuur. Ik zou dit met praktische voorbeelden uit Gods Woord kunnen aantonen. Ik noem Lukas 13:22. "En er zeide een tot Hem: Heere, zijn er ook weinigen, die zalig worden? En Hij zeide tot hen: Strijdt om in te gaan door de enge poort; want velen, zeg Ik u, zullen zoeken in te gaan, en zullen niet kunnen; Namelijk nadat de Heer des huizes zal opgestaan zijn, en de deur zal gesloten hebben, en gij zult beginnen buiten te staan, en aan de deur te kloppen, zeggende: Heere, Heere, doe ons open! en Hij zal antwoorden en tot u zeggen: Ik ken u niet, van waar gij zijt.
Alsdan zult gij beginnen te zeggen: Wij hebben in Uw tegenwoordigheid gegeten en gedronken, en Gij hebt in onze straten geleerd”.
Hier vinden we allerlei elementen die dwars ingaan tegen de begeerten van de mens. Dat geldt van de enge poort, van het tevergeefs zoeken in te gaan, de gesloten deur, het buiten staan, de vermeende eigengerechtigheid enz. Zo preekte de Heere Jezus meermalen, met ingrediënten, die voor de mens van nu te zwaar zijn om te verteren. Het meest schokkende vind ik dan nog dat de Heere tegen deze argeloze vraagsteller persoonlijk zegt: gìj zult beginnen buiten te staan; alsdan zult gìj beginnen te zeggen…. Deze man zal geschrokken zijn. Rekent de Heere mij ook tot de buitenstaanders? Daarin kan echter juist zijn behoud liggen.
Het probleem moet eerst in kaart gebracht worden. Dat gebeurt in allerlei beroepen en ambachten op een logische manier. Dat behoort ook op de kansel te gebeuren. Dan zal de kracht der genade heerlijker blijken. Hier is de weg tot Christus; hier is Christus geheel de weg, ook reeds in de profetische verklaring van onze schuld. Brengt Zijn Woord ons in de nood, dan blijft Hij Zelf telkens weer over met het verlossende woord. Daar zal juist ruimte en hoop ontstaan vanuit de overgave aan Hem. Hij moet wassen, ik minder worden. Dan komt er ook troost in de gebrokenheid. Want deze is er wel. En heel veel mensen hebben het werkelijk moeilijk en we zien soms geen weg. De rechte prediking zal daarvoor ook oog hebben. Hoevelen verkeren in rouw en verdriet, in eenzaamheid en uitsluiting, in zorgen en kwalen. Dan is het niet een keus: zonde of gebrokenheid, maar: zonde en gebrokenheid. Diezelfde Zaligmaker heeft daarvoor oog, Hij heeft daarvoor een hart. Maar dat ontstaat in de rechte weg. Wie zijn leven zal willen verliezen, die zal het behouden. Dat is de genadewet.
Ondanks de ernst van de zaak ben ik dankbaar dat te Velde ook scherp ziet waar de tekorten liggen. Zullen wij naar deze stem luisteren?

 

 

 

 

   


FEDERATIE          2008

In het Kerkblad voor het Noorden geeft ds. D. Visser enkele gedachten onder de sprekende titel: Hoe lang houden we het nog uit? Hij doelt op het besluit van de laatste GS betreffende de beoogde eenheid met de Geref. Kerken Vrijgemaakt. Ik heb zelf aanvankelijk niet direct weer willen schrijven over de GKV en ook (nog) niet over de GS, maar nu ds. Visser de stilte doorbreekt, ga ik hem aarzelend volgen.

verval

Het besluit roept vragen bij hem op. Op deputatenniveau pas op de plaats, plaatselijk zoveel mogelijk gestalte geven aan de eenheid met de GKV. Hij merkt volkomen terecht op: ”Het is in onze kerkstructuur onmogelijk, dat plaatselijke –groeiende- samenwerking met andere kerken geen gevolgen op landelijk niveau heeft…. Maar toch hebben de kerken samen –in de GS- besloten dat moet wat niet kan”.  Verder signaleert ook hij de groeiende tendens om alle nadruk bij de plaatselijke gemeenten te leggen. Als de GS trouwens vanuit deze tendens heeft besloten, slaat de balans toch door in het voordeel van de eenheid met de GKV. Dit terzijde. 
Hij komt tot de merkwaardige gedachte dat onze kerken steeds meer afzakken naar een federatie van gemeenten. Hij noemt dat een federatief afslankmodel. Nog geen federatie met de GKV, wel een federatie met de eigen kerkelijke broeders. U schrikt daar met mij van: de CGK verworden tot een federatie. Hierop voortbouwend, zouden er heel veel zaken bijgesteld moeten worden. De Schrift, de belijdenis en de Kerkorde. Maar praktisch bekeken, staan de zaken er zo misschien wel voor. Het najagen van een federatie met de GKV lukt niet, interne federatie valt ons zo in de schoot. Daar zal Ds. Visser ook van geschrokken zijn. En ik met hem. We zijn het met elkaar eens.
Er wordt ook een oplossing voorgesteld. In gesprek gaan als kerken en ambtsdragers en leden met elkaar op allerlei niveaus, om zodoende onze kerken te redden en overeind te houden. We hebben daar met elkaar geen direct bezwaar tegen, maar we hebben er toch ook weer niet zonder meer alle vertrouwen in. In de oplossing verschillen we misschien, maar in de taxatie van de schade is er  overeenkomst. Dat vond ik ook vaak in de artikelen van ds. Jonkman in de Wekker: haarscherp ontdekkende en knap geformuleerde analyses, maar de oplossing lag voor mijn gevoel toch elders dan hij aangaf.

mogelijkheden

Welke opties liggen er nu open? Ik spreek even niet van oplossingen, want ik noem wat ik hierna ga noemen, lang niet in alle gevallen een oplossing. Er is maar één werkelijke oplossing.
Opties lijken er wel te zijn. Ontstaat er een federatie van CG gemeenten, dan zou het kunnen zijn dat een aantal gemeenten zich nader zouden voegen bij het verband van de GKV. Tegelijk met velen in één kerkverband, gecombineerd met sommigen in een federatie. Zoals het nu werd voorgesteld op de GS, maar dan in andere verhoudingen. Ik weet dat dit kerkordelijk nog wel uitgewerkt moet worden, maar de mogelijkheden lijken er te zijn. U begrijpt mij toch goed? Velen begeren eenheid binnen het CGK verband, verbonden met federatie met de GKV. Ik keer een paar namen om: eenheid (voor een deel van onze gemeenten, die al heel ver zijn) met de GKV, een federatie overhoudend met de eigen CGK gemeenten (die nog niet zo ver gekomen zijn). Dit zou een antwoord kunnen geven op de vraag: Hoe lang houden we het nog vol? Ik denk niet dat br. Visser dat bedoelt, en (al weer) ik ook stellig niet, maar de ontwikkelingen kunnen in die lijn gaan. Moet men het ook niet ernstig overwegen? Als u al zo ver bent, wat let u nog om u te voegen bij de GKV? U beleeft zelf een plaatselijk sterke verbondenheid, soms meer dan met de eigen broeders. Het vloeit min of meer voort uit de gedachten van het KvhN, namelijk uit die van de CG federatie. Ik ben er zelf niet aan toe om echt op dit spoor verder te denken, maar ik stel me wel voor dat de ontwikkelingen hier ooit gaan uitkomen. Er is veel ongeduld, wat ook bleek uit een ingezonden stuk van Ds. Groenleer in het RD. U neemt wel met mij en van mij aan dat het ook niet altijd zo kan zijn dat een bepaald deel van de kerken gezien wordt als een blok aan het been. Dat houden we ook niet vol op de lange duur.
Anderen zouden misschien iets zien in de volgende optie: een overig deel van de CG "federatie” zou zich natuurlijk ook kunnen voegen bij kerkverbanden, waar zij een zekere toenadering ervaren. Ook een vorm van eenheid. Laat bijvoorbeeld Bewaar het Pand c.s. sterkere eenheid zoeken met aanverwante kerkverbanden. In een federatie moet dat mogelijk zijn?
Deze optie lijkt me geen mogelijkheid. Waarom niet? Omdat we toch ook weer niet in die mate eenheid ervaren met de Geref. Gemeenten of met de Hersteld Hervormden. Niet in die mate, zeg ik. Wel allerlei goede contacten, maar geen gevoel van absolute verbondenheid. Omdat we toch een sterk eigen kerkelijk beginsel hebben. We geloven toch nog dat het CG beginsel hoog gehouden moet worden. We hebben wel geen eigen theologie, maar we hebben wel een kerkelijk beginsel. We kunnen dat nog niet zo maar inruilen of verbinden met andere alternatieven. Deze wegen zijn voor ons toch hopelijk niet in beeld. Het zou wel mooi zijn, als we met deze kerken in gesprek zouden kunnen gaan om zodoende gestalte te geven aan de roeping om eenheid te zoeken. En we zouden echt op heel veel gemeenschappelijke onderdelen uitkomen. Onze kerken zoeken dat zelf, ook vanuit het deputaatschap. We mogen daar plaatselijk ook wel zoeken naar begaanbare wegen, maar er is natuurlijk nog geen sprake van kerkelijke eenheid. Dat vraagt gebed en gesprek. We gaan dan maar met Jozef op weg: "Ik zoek mijn broeders”.

uitweg

De oplossing zoek ik in een andere richting. We hebben als CGK (nog) veel gemeen. In ieder geval op het gebied van organisatie en geschiedenis. Ooit zijn we allemaal op een bepaald punt begonnen. Dat was in 1834. Het is heel duidelijk en helder vast te stellen. Waarom zouden we met elkaar daar weer niet naar terug gaan? Dat jaartal (en ik hoop van veel meer) hebben we samen gemeenschappelijk. Ds. Visser stelt gesprekken voor. Welnu, dan gaan we met elkaar een preek van ds. De Cock bestuderen op de classis, of allerlei andere preken uit het verleden van onze kerken. Zeker, ergens is er verwijdering gekomen. Ergens gingen de treinen op een verschillend spoor verder, steeds verder van elkaar afwijkend. Laten we het punt opzoeken, waar we een wissel hebben omgezet. Dat geldt dan niet alleen voor de ene kant, het geldt eerlijk voor ons allen. Terug naar de "roots”. Het trof me dat de jubileumbundel van "Uit de Levensbron” daaraan ook een bijdrage heeft geleverd. Daarin twee preken over dezelfde tekst, twee predikanten daarbij met dezelfde naam. Grootvader en kleinzoon. U kunt deze zelf vergelijken. Daartussen liggen honderd jaar. Er is veel veranderd.
Het jaartal 1834 heeft ons aller vertrouwen. Iemand zou echter een ander jaartal kunnen aangeven: 1516 (Kerkhervorming). Dat is een prima gedachte, een goed voorstel. Ook daar komen we dan vanzelf wel uit. Maar laten we dan maar helemaal naar de wortels teruggaan. Lees dan de preken van de Heere Jezus of van Johannes de Doper, van een Jesaja en een Jeremia. De wortels liggen in het onfeilbare Woord. Teruggaan is een ander woord voor "bekering”. Kunnen we het daar als kerken over eens worden? Zou dat niet beter zijn dan de huidige situatie? Nu vormen we inderdaad een verdeeld huis. Een korte persschouw geeft daar blijk van. Ds. R. van der Kamp verklaarde best vrede te hebben met de huidige status quo. Hij is bijvoorbeeld niet tegen de vrouw in het ambt, maar hij kan ook best leven met hen die anders denken. Dat is een goede kerkelijke eigenschap (die we als CG allen wel tot op zekere hoogte hebben), maar die wel tegen grenzen aanstoot. Het eigen verband gaat minder goed functioneren in een ander gesprek in de krant. Ds. Den Bleker spreekt denigrerend over ons kerkverband, als hij verdeeldheid terugbrengt op onwil bij sommigen, die er n.b. ook nog een eigen "blaadje” op nahouden, terwijl de verschillen z.i. nergens over gaan. Op die manier functioneert ons kerkverband op z’n slechtst. Ds. Langenvelde ging naar Zwolle, omdat daar voorliefde bestaat voor nieuwe vormen, zo verklaarde hij. Dat kan, maar het roept tegelijk veel vragen op. Waar staat dat nu in de Bijbel? Ds. Visser schreef in hetzelfde genoemde kerkblad over de grote waarde van de psalmen en dat is dan toch weer een heel ander geluid. Wie argeloos in een dagblad al deze hierboven aangegeven geluiden leest, vraagt zich wel enkele zaken af. Is dat de CGK? Het lijkt inderdaad meer op een federatie, dan op een kerk. Gelukkig heeft onze br. Van Sorge een evenwichtig en treffender beeld geschetst van onze kerken. Dat beeld moeten we voor ogen houden.
En dat kan dan m.i. het beste als we werkelijk terug gaan naar de wortels. Naar het Woord. Naar de Christus der Schriften. Dat zou kunnen op de manier zoals Ds. Visser ons voorstelt: met elkaar in gesprek.
Maar kunnen we wel terug? Men kan dat ontkennen met het argument dat we in een andere tijd leven. Vergeet dan niet dat we àllemaal in deze tijd leven, niet alleen moderniserende gemeenten maar ook de meer behoudende delen van onze kerk. En, om dan maar eens iets te noemen, ook in 2008 kan de kerk ’s middags nog net zo gevuld zijn als ’s morgens. Zeker, ik ben met ieder vreselijk beducht voor de gevaren van deze tijd, zoals mediaverslaving, comsumptief gedrag, technische vooruitgang. Maar vraagt dat nu moderne en nieuwe vormen, vraagt dat om een preek van twintig minuten en een overname van de methoden van de wereld? Natuurlijk kunnen we maatschappelijk en sociaal niet terug, want de maatschappij is veranderd. Maar gelukkig dan juist, dat het Woord niet veranderd is. In het KvhN werd onlangs juist ook weer gepleit voor gewoontevorming. Zo kunnen we misschien toch nog van elkaar leren.Maar met de Bijbel in de hand zal dat stellig het geval zijn. Niemand heeft het antwoord op de vragen van deze tijd in zichzelf. Ik allerminst. Maar de Heere noemt Zich ook nu de Waarheid. Dat kan deuren openen voor allen die het van Hem verwachten.
We behoeven er niet op te wachten tot de kerk of de Synode gaat spreken over de wortels en over bekering. Iemand zal misschien zeggen: daar hebben we het toch altijd over? Dat is de vraag. Hebben we het echt over bekering en over schuldbelijdenis en over een waar geloof? Er lijken heel veel zaken belangrijker te zijn.
Nogmaals, u hoeft er niet op te wachten. U bent persoonlijk toch al lang op die weg van geloof en bekering en hopelijk bidt u de Heere om de doorwerking hiervan, eenvoudig, zoals het in de Schriften te lezen is? Daar toch ligt uw hoop. Het breed kerkelijke moet persoonlijk beginnen. Gaat u dan mee naar de wortels? Dat zou heerlijk zijn. Dan, in dat spoor, mogen de GKV en de GG en de HHK en wie dan ook, ook meegaan. En dan geen federatie, als dat werkelijk gaat gebeuren, maar een werkelijke gemeenschap der heiligen. Wat gelooft gij van de heilige, algemene, christelijke kerk? We hebben als kerken allen de wortels van 1517, maar meer nog we hebben toch allen het profetische Woord dat zeer vast is? Vanwaar dan toch al dat misverstaan van de Schrift en van elkaar? Dat moesten we in ieder geval als CGK gemeenschappelijk hebben. Dàt Woord. Dat kan nog hoop bieden. Want: ik ben een vriend, ik ben een metgezel, van allen die Uw naam ootmoedig vrezen.
Ezra 8 verhaalt ons de expeditie vanuit Babel naar Jeruzalem. Het volk kreeg grote schatten mee. De weg was gevaarlijk, ook vanwege rovers. Bij aankomt in Jeruzalem werd het zilver en goud gewogen. Was er onderweg niets verloren? Dat was de vraag toen, dat is de vraag nù. Laten we als kerkene ens wegen wat we nog hebben…..

Hoe lang houden we het nog vol? Of is de vraag: hoe lang houdt God het nog vol met ons)?


Nationale Synode         2010

Onze Generale Synode nam een besluit tot deelname aan de a.s. Nationale Synode van Dordrecht. Ik wil graag meewerken aan het opscherpen van uw gedachten hierover. Zie het als een meedenken over de vragen van deze tijd, ook als ik anders uitkom dan velen binnen onze kerken. IJzer scherpt men met ijzer. Dat was in mijn studententijd de leus van de studenten in Apeldoorn. Ik wil die lijn dan vasthouden.

Ik wil in mijn bijdrage niet anderen naspreken, maar trachten met een eigen geluid te komen. Ik wil het met u hebben over enkele historische en principiële motieven om het deelnemen aan deze bijeenkomst af te wijzen. Maar ik begrijp dat anderen de gedachte van een dergelijke synode aantrekkelijk vinden. Men erkent ook dat we hier niet moeten denken aan een werkelijke synode; het is eerder een podium. Verder wordt ook door allen geconstateerd dat er elementen worden gemist in het statement (credotekst) van deze a.s. synode. Maar er staan ook dingen in die aanspreken. Hier ligt mijn insteek in deze discussie. Deze goede dingen moeten we toch aangrijpen? Zoek eerder naar wat verbindt dan naar datgene wat scheidt. Dat lijkt toch een heel goed uitgangspunt? Daar wil ik het vooral over hebben. 
1. Principiële bezwaren: zoek naar de grootste gemene deler, zo zeggen velen. De samenleving zal nader van ons horen. Is dat de goede benadering? Er is ook een andere. We kunnen ook juist breekpunten zoeken om ons isolement te handhaven. Maar die weg brengt gevaren met zich mee. Hoogmoedig oordelen over anderen ligt dan op de loer. Daarvoor moeten we ons hoeden.
Gods Woord echter volgt de lijn van de grootste gemene deler in heel veel gevallen niet. Paulus spreekt in de Galatenbrief over de Judaïsten. Zij stelden de besnijdenis (5:2; 6:12) weer verplicht. De apostel ziet dit als een poging om de mensen weg te trekken bij het Evangelie. Men komt weer onder de wet. Hij redeneert hier niet vanuit de gedachte dat zij toch ook nog veel gemeenschappelijk hadden. Het gaat ogenschijnlijk om een kleine zaak. Maar hij verbindt daar het "anathema” aan. Ook op een ander terrein trekt hij eerlijke, maar wel harde conclusies (1:9; 2:11). Onze Nederlandse Geloofsbelijdenis haalt in art. 7 de bekende woorden van de apostel Johannes aan in 1 Jo.4:10 en 2 Joh:10. Vooral de laatst genoemde tekst is sterk afmanend: "indien iemand deze leer niet brengt, ontvang hem niet in uw huis”. Kanttekeningen: "Dat is: houdt met hem geen broederlijke gemeenschap of nauwe omgang”. Matthew Poole: "Such as bring any contrary doctrine, (as #Ga 1:8), ought not to be harboured or countenanced by any encouraging salutation, lest we involve ourselves in the participation of their guilt (1Ti 5:22)”. Het gaat om "any contrary doctrine” (een afwijkende stelling) en dan moeten we niet met deze mensen havenen of hen echt ontmoeten. Het gaat Johannes dan om de leer dat Jezus in het vlees gekomen is. Denkelijk is deze zaak ook aan de orde als het gaat om deze synode. Ter aanvulling 1 Joh.4:1-3: "Geliefden, gelooft niet iedere geest, maar beproeft de geesten, of zij  van God zijn; want vele valse profeten zijn uitgegaan in de wereld. Hieraan moet gij den Geest Gods kennen: iedere geest, die belijdt, dat  Jezus Christus in het vlees gekomen is, die is van God; en iedere geest, die niet belijdt, dat Jezus Christus in het vlees gekomen  is, die is niet van God; en dit is de geest van den antichrist, van  welken gij gehoord hebt, dat hij komen zal, en hij is nu alreeds in de  wereld”. Naar mijn mening wordt hier een heel andere weg gevolgd dan die welke wij in onze tijd vaak volgen, namelijk dat we het moeten hebben over het goede en over hetgeen verbindt. Zo hebben de apostelen zeker niet gehandeld. Het is aantrekkelijk om blij te zijn met het goede en niet te letten op hetgeen ontbreekt, maar we zeggen toch ook terecht dat een halve waarheid een hele leugen is.
Maar als diezelfde Paulus zegt dat er zijn die Christus onder een deksel verkondigen (Fipip.1:18), wat hij een zaak van blijdschap vindt? Dan moeten we bedenken dat het over iets anders gaat. Deze mensen verkondigden Christus door nijd of twist, namelijk om Paulus daardoor te benadelen.
Gods Woord spreekt in veel meer verbanden ook over deze zaak en ik heb dat allemaal  niet geheel in beeld. Maar hoe moest ook de Heere Jezus Zich niet teweer stellen tegen de Farizeeën en de Joden in het algemeen die weigerden Zijn zending te erkennen. Maar, zo zult u vragen, doet men dat dan in nieuwe Dordtsche kringen? Gaat u dan zelf eens na. We hebben een heel erg bekend belijdenisgeschrift, namelijk het Apostolicum. Simpeler en eenvoudiger dat het credo van "Dordrecht ÏI”. Zelfs de Rooms- Katholieke kerk erkent de Twaalf artikelen. In dat licht was het nu een echt aansluiten bij de geschiedenis geweest, als men heel gewoon deze artikelen had overgenomen. Hiermee te maken kan hebben dat men actueel wilde belijden, maar bij vergelijking kunt u niet zeggen dat deze moderne vertolking duidelijker is; deze is wel meer aangepast bij het apostolaatsdenken, dat onze eeuw kenmerkt. De deelnemers aan deze a.s. kerkvergadering willen ongetwijfeld belijden in gemeenschap met de kerk van alle tijden. Maar dan moeten we opmerken en vragen waarom enkele wezenlijke zaken niet ter sprake komen, zoals de maagdelijke geboorte, de uitdrukkelijke vermelding van Jezus als God uit God en Licht uit Licht, alsook de hemelvaart. De gedachte van de algemene verzoening ontbreekt niet. Wie namen als van Ritschl enz. kent, ziet dan wel rood licht opflitsen dat ons wil waarschuwen. Een synode zonder pretenties? Oordeelt u dan zelf: "De vreugde van dit evangelie bindt ons samen, wij horen bij elkaar en zijn aan elkaar gegeven in het ene lichaam van Christus, zijn kerk. Het doet ons pijn dat die eenheid in Christus onder ons zo gebroken is, onzichtbaar haast”. De genoemde RK kerk doet nu nog niet mee om anderen daardoor niet af te schrikken, zo lees ik ergens!
2. Historische bezwaren: De opstelling van dit plan lijkt mooi. Men wil in dezelfde lijn gaan als de Synode 1618/1619. Dat blijkt uit veel. Men noemt het plan "een startschot voor de organisatie van een tweede nationale synode van nederland”. Maar ieder beseft dat de Synode 1618 een totaal ander gezelschap was. De afbeelding is bekend dat de Remonstranten als geciteerden (gedagvaarden!) werden opgeroepen. Hier zitten de Remonstranten inmiddels aan de moderamentafel en in de bankjes. Het is namelijk ook misleidend dat men de bedoelde afbeelding rustig toont als een soort logo. Derde probleem: waarom noemt men nu deze vergadering "synode”, terwijl dat helemaal niet zo is. Vierde: Waarom juist in Dordt? Alles wijst erop, dat men de indruk wil wekken dat we het toch nog goed samen eens zijn. Ik heb dan bij de naam van de eigenlijke initiatiefnemer de gedachte op de achtergrond, dat zijn stem beslissend is geweest voor het opgaan van de NHK in de PKN. Daardoor is er een smartelijk conflict uitgebroken tussen broeders van hetzelfde huis en dat duurt tot op de huidige dag toe. Hier lopen helaas al te duidelijke verbanden. Ik gebruikte het woord misleidend voor de identificatie met Dordt; ik kan ook sprekend van een verwarrende gang van zaken. Maar ook in het laatste geval moet men juist nog beter en onderscheiden en waakzamer zijn tegen een verkeerd beeld, dat geschetst wordt. Komt de dwaling niet veel vaker tot ons onder het gewaad van de waarheid?
Er is nog een historisch bezwaar van een geheel andere orde. Een cluster bezwaren die dan ontleend zijn aan de geschiedenis van onze eigen kerken. Op dit punt zien we dat de geschiedenis leerzaam is en ter harte moet worden genomen. Ik denk namelijk aan de dagen van de ICCC, een organisatie van Bijbelgetrouwe kerken, die steevast op de agenda van onze synodale vergaderingen vermeld stond. Hieraan zijn vooral de namen verbonden van Prof. van der Schuit en Dr. J.C. Maris. De tegenvoeter van deze groepering vormde de Wereldraad van kerken, die ook nu nog bestaat. De tegenstellingen lagen heel scherp. Onze synoden had oog voor de breuklijn die er liep tussen de beide organisaties. In dat opzicht is er dan heel veel veranderd. Op dit terrein zien we duidelijk dat er zich binnen onze kerken een ontwikkeling heeft voorgedaan. Hiermee parallel loopt een andere zaak, die ter synode diende, namelijk onze verhouding tot de Vrijgemaakte Gereformeerde kerken. In mijn vroege jeugd waren er al gesprekken met deze kerken. Onze kerken hebben er misschien wel veertig jaar over gedaan om de weg naar de GKV te vinden. Ik bedoel te zeggen dat er tijden zijn geweest dat er slechts een kloof gaapte. Maar dat maakt juist velen in onze kerken zo ongerust dat er van de toenmalige schroom en aarzeling en zelfs afwijzing nu niets meer over is. We vliegen elkaar nu op veel plaatsen in de armen en het woord klonk ter synode dat we doorgaan, maar "van den beginne” is dat dan alzo niet geweest. Deze mentaliteitswijziging baart zorgen en doet de conclusie trekken dat wij als kerken het spoor bijster zijn. En als dan de krant iets doet, wat beter niet gedaan had kunnen zijn, namelijk de vermelding dat er slechts twee stemmen waren die tegen het voorstel waren, dan worden de vraagtekens vele malen groter.
Ik hoop dat mijn argumenten op hun waarde beoordeeld worden en niet vanuit een afdoen van de zaak alsof er toch van ons blad niets anders verwacht kon worden dan deze visie. Maar het worde beschouwd als een eerlijke bijdrage aan de discussie. En als het geluid van mensen die nog een glimp van  Jozua” hebben meegekregen. Wij moeten dan alle begrip hebben voor hen die dat niet hebben en zodoende hun afwegingen anders maken. Maar zowel de Schrift alsook de geschiedenis bevatten lessen die niet zonder schade verwaarloosd kunnen worden.
Ik hoor het bezwaar van iemand die er juist moeite mee zou hebben als we ons afzijdig zouden houden. Dat zou dan een gemiste kans zijn. Maar ik stel daartegenover dat er naast deze vergadering, ook een andere bond bezig is te groeien, namelijk die van de eigenlijke Gereformeerde gezindte. Zo is er indertijd een adres aan de overheid geweest inzake  het onderwerp "homoseksualiteit”, uitgaande van kerken ter rechterzijde van onze kerken. We waren er toen als kerken niet bij, maar ook een zodanig getuigenis kan dan toch blijk geven van een meeworstelen met de noden van deze tijd. Verder heb ik nog vers de column van ds. Beens in het RD van ( 9 november j.l.) in gedachten, die enkele vraagtekens plaatste bij de dwangmatige neiging om overal getuigend bij aanwezig te willen zijn. "De vraag komt onweerstaanbaar op naar het rendement van dat alles. Soms wil de indruk niet van je wijken dat evangeliseren –getuigen heet het vandaag– een doel op zichzelf wordt, een activiteit die elke zichzelf respecterende christelijke gemeente zich oplegt. Want dat kan het worden. Vroeg of laat slaat dan de vermoeidheid toe. En de gemeenten zijn, naar mijn indruk, zachtjesaan een beetje murw… Misschien zijn we met z’n allen toe aan nieuwe bescheidenheid. Het zou kunnen zijn dat we ons kruit verschoten hebben met allerlei acties, soms heel grootscheeps aangepakt met ronkende slogans. Die tijd is echt  voorbij”.
Tenslotte: in Dordt heeft men niet alleen de leer voluit beleden, maar ook de dwalingen verworpen. Hoe zal de verwerping der dwalingen er anno 2910 uitzien?
Persschouw         2010

Ditmaal een kleine rondblik door enkele landelijke kerkelijke organen. Het gaat om onderwerpen die van groot belang zijn voor het persoonlijke leven. Het eerste artikel stond in het kerkblad van de HHK en is van de hand van Ds. P. den Ouden.
Het tweede komt uit de Saambinder, het kerkelijk orgaan van de Gereformeerde Gemeenten. Het werd geschreven door Ds. W.J. Karels.

Ds. den Ouden schrijft:
"We luisteren naar wat Alexander Whyte schrijft over heer Natte Ogen, die we tegenkomen in Bunyan's Heilige Oorlog.
'Zo helder als tranen' zo prezen de Perzen de heerlijkste waterfonteinen aan. Maar Natte Ogen zou het met die uitdrukking niet eens zijn geweest. Hij zei: 'Ik zie vuil in mijn tranen en onreinheid op de bodem van al mijn gebeden.  Natte Ogen is in onze ogen een hopeloos geval. Hij is bijna onuitstaanbaar. Hij zou de grootste heilige nog zijn geduld doen verliezen.  Hij is nooit tevreden en hij is nooit gerust, hij blijft altijd maar moeilijk doen, die Natte Ogen. Met die man is het onmogelijk uit te houden. De allerbeste gebeden en tranen, zoals de grootste heilige die nog niet zou voortbrengen, schieten in de ogen van Natte Ogen nog te kort. Tranen, waar wij ons mee zouden vertroosten en verzekeren, zelfs lange tijd nadat we ze vergoten hebben, over die tranen weent hij nog, zoals wij zouden wenen over onze grootste zonden. Zijn bidvertrek maakt al zijn schoonheid tot verderf en al zijn gerechtigheden tot gescheurde vodden. Geen wonder dat iedereen zo'n man uit de weg gaat. Behalve Ontwaakt Verlangen. Hij zei tegen de burgers van stad mensenziel: Ik wil prins Immauel uw smeekschrift aanbieden, maar op één voorwaarde: dat Natte Ogen met me mee gaat. En zo ging daar die onafscheidelijke tweeling, droefheid over de zonde en een honger naar heiligheid, hand in hand naar het paleis van Immanuel. Ontwaakt Verlangen met een koord om zijn nek en Natte Ogen met ineengewrongen handen. Zo gingen ze op weg.
U zegt dat u niet zoveel vuil kan ontdekken op de bodem van uw gebeden? Ik weet wel hoe dat komt. Om dat u niet de ogen van Natte Ogen hebt. Als u zijn ogen zou hebben en u zou dan op uw gebeden en tranen uw natte ogen richten, dan zou u hem gaan begrijpen. Dan zou u van hem gaan houden. Dan kiest u de kant van die ontroostbare ziel. Dan wilt u niemand anders liever meenemen als u prins Immanuel uw smeekschriften gaat aanbieden.
Lees die boeken die er op gericht zijn om gebroken harten te maken. Natte Ogen, die goede, beste man, was zo bang dat hij nog niet genoeg verbroken was. Hij snikte: 'Goede lieden hebben soms slechte kinderen en de oprechten krijgen dikwijls huichelaars.' Het zijn juist de oprechten, die zo vaak vrezen dat ze onoprecht zijn.
Na nog verder aan Natte Ogen allerlei lessen ontleend te hebben, besluit Whyte met een indringend woord. 'Geestelijke prediking, recht toe recht aan, inwendig, toetsend, bevindelijk. Prediking voor een hart dat worstelt om heiliging. Prediking voor mensen wier leven er geheel op gericht is om zich een nieuw hart te maken (Ezech. 18:31). Dat soort prediking wordt in onze dagen (1870) nauwelijks meer gevonden. Er is op de kansels wel veel geleerdheid, grote welsprekendheid en grote ernst, maar bevindelijke prediking, prediking naar het hart, prediking met tranen ('wet-eyed' preaching, vgl. Hand. 20:31) is iets wat verdwenen is”.
In een heel eenvoudig beeld zien we hier wat een gebroken hart en een verslagen geest betekenen kunnen. Deze gestalte hebben we ook nu nog nodig, maar deze is zeldzaam geworden. In de wereld geldt het devies dat we onze gevoelens niet verbergen moeten. In de kerk gebeurt dat maar te vaak; gevoelens van droefheid en van blijdschap, want die beide hangen met elkaar samen. Een bekende regel luidt: "Ween, kind der aarde, ween, omdat g’ een zondaar zijt”. Het gevoel, emotie nog minder, is zeker geen grond en de een heeft er meer van dan de ander, maar een mens is geen robot; Gods werk laat de ziel en onze gevoelens niet ongemoeid. Het zou erg zijn als bij het gemis aan tranen, ook de bediening van Gods Geest, Die deze tranen werkt, verdwenen zouden zijn.

Uit de Saambinder:

Hoe komt God nu aan Zijn eer?
Bij de redactie kwam een vraag binnen met het verzoek deze te beantwoorden in De Saambinder. De vraagsteller worstelt met het probleem dat er in zijn leven wel ogenblikken zijn geweest, met name ook onder de prediking, dat hij heeft mogen geloven dat er een mogelijkheid was om zalig te worden. De liefde Gods voor Zijn Kerk werd geproefd. Maar nu is dat alles weg en toegesloten en blijft er niets anders over dan zonde en een hemelhoge schuld. Een toegepaste Zaligmaker wordt gemist. Wel Zijn liefde gesmaakt, maar Die persoon nog te missen. Wel de verloren staat gezien en een beest geworden voor God. Nu is alles kwijt en schreit het van binnen. Hoe komt God nu aan Zijn eer? Hoe moet het nu verder?
Hierop antwoordt Ds. W. J. Karels:
"De vraag was: Hoe moet het nu verder, en hoe komt God nu aan zijn eer? Wel: Is dit niet de les die Christus Zelf leerde: ‘Indien het tarwegraan in de aarde niet valt en sterft, zo blijft hetzelve alleen; maar indien het sterft, zo brengt het veel vrucht voort’. En 2 Korinthe 4:11: ‘Want wij die leven, worden altijd in de dood overgegeven om Jezus wil, opdat ook het leven van Jezus in ons sterfelijk vlees zou geopenbaard worden’.
Is dit niet de les van het gehele Woord van God? Hebben ook de discipelen met hun bekering, met hun openbaring van de Middelaar en met hun roeping tot het ambt zich uiteindelijk niet geërgerd toen het op de betaling van hun schuld door de Borg aankwam? Hebben ze hem niet allen verlaten? Omdat ze ten diepste nog zo blind waren voor het karakter van de zonde, voor de eis van Gods heilig recht en de noodzaak van betaling? En komt niet juist in deze voldoening van de Borg God aan Zijn eer?
Ds. G.H. Kersten schrijft in zijn catechismusverklaring dat juist in deze weg de Borg de meeste waarde krijgt voor een arme, uitgewerkte en verloren zondaar. Dan moeten wij totaal verdwijnen. Hij moet verschijnen. Wij minder en minder worden, ja, omkomen zelfs. En is dit niet juist datgene waar we ons zo tegen verzetten: dat sterven aan onszelf! Juist dat vrome en godsdienstige vlees wil niet uit genade zalig worden. En zo zeker dat de planting van het ware geloof een eenzijdig Godswerk is, zo is ook de beoefening van het geloof  een werk van Gods Geest.
Dat we dan toch maar zouden smeken of de HEERE ons wil bekeren en leren en  leiden en onderwijzen in het effen recht des HEEREN. De HEERE leert echter door de onderwijzingen van Zijn Geest niet alleen dat Zijn uitverkorenen zalig kunnen worden door het geloof in Christus, maar Hij leert hen ook hoe ze zalig kunnen worden, namelijk alleen door het Bloed op grond van recht. De HEERE schenke het ons allen uit louter genade. 
Van der Groe schrijft:   
‘Mijn vriend, ik moet er mijn eigen zaligheid, die ik van God uit genade door Christus ben hopende, onder zetten dat Christus u waarlijk genade geven wil, indien gij maar waarlijk genade hebben wilt.
Nu zoude ik u hiernevens raden:
1e Zoek te leren kennen door Christus’ Geest wat genade is. O! gij zult die niet begeren voordat gij ze kent. Ik wens dat Christus u wil doen weten wat genade, genade is.
2e. Zoek ook te leren verstaan wat er toch in de weg staat, dat, daar Christus alzo ruim is in Zijn aanbieding, en zo onbepaald en generaal in Zijn beloften, nochtans uw arme ziel niet door Hem geholpen en tevreden gesteld wordt. Want voorzeker, Hij belooft niet alleen, maar geeft ook ruste aan allen die vermoeid en belast tot Hem komen. Zie Zijn eigen woord (Matth.11:28). Al had gij het ook duizendmaal gezien, zie, het nog eens terdege, en geloof het door Zijnen Geest, dan zult gij zekerlijk geholpen zijn en zalig worden.
3e. Zoek ook eens recht te leren verstaan wat zonde en helle, vloek en toorn voor dingen zijn, en wat dingen het voor u zijn. O, ik wens u daartoe Jezus’ licht zelf . Studeer maar eens met uw hart bij Gods licht in deze dingen, totdat de binnenste grond van uw hart door Gods Geest eens recht verbrijzeld is; en zie eens hoe lange tijd gij dan nog met Christus en met Zijn genade en almachtige Geest zult kunnen twisten. Laat uw staat en vorige werkzaamheden en ondervindingen en uwe ontmoetingen, daar gij van geschreven hebt, en alles, alles daar gij dagelijks gewend zijt te leven, maar eens geheel rusten; want het is Christus niet en ook niet de weg tot Christus. Gij zijt zelf een schipper (Van der Groe bedoelt hier de vraagsteller, WJK), naar ik leze in uw brief, en gij vaart immers gaarne de kortste weg die goed is. Nu, de Heere doe u ook zo eens handelen met uw eigen ziel en eeuwige zaligheid. Ik bidde u, haal niet meer werk overhoop dan alleen maar de drie dingen die ik u voorgesteld heb. Zet en sluit uw zelven (o, dat het Gods Geest eens met en voor u mocht doen!) maar eens terdege in deze enge en benauwde gevangenis en loop er niet uit, voordat gij als een gebondene door Christus Zelf wordt uitgelaten door het bloed des Verbonds. De mensen nemen duizend keren draaien en omwendingen om in den hemel te komen, maar zij missen het enge pad, Christus Zelve”.
Wie met deze vraag worstelt, vindt hier goede raad. Ik denk aan wat van der Groe opmerkt: "laat uw …..ondervindingen… maar eens geheel rusten, want het is Christus niet”. De vraag was hoe het nu verder moet; maar we bedoelen dan aan te geven dat we al op de weg zijn, terwijl van de Groe er op wijst dat Christus alleen de Weg is. Onze bevinding is ook geen weg tot Hem. Deze dingen moeten we nauwkeurig onderscheiden. Ds. Karels wijst er ook nog op dat we niet sterven willen aan onszelf; we zoeken wegen buiten Christus om. We moeten het kleine woord "genade” leren verstaan. Ook onder ons wordt geworsteld met de genoemde vragen. Als dan Christus zegt: "Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven”, dan ligt daar alles in wat we nodig hebben. Dan vraagt van der Groe: "Wat staat er toch in de weg”? Bij dit licht moeten we onszelf telkens weer onderzoeken.

  

 

 

SAMEN DELEN         2010

J. van ‘t Hul schrijft momenteel in het RD over Schotse dorpen, waar in het verleden godvrezende voorgangers hebben gestaan. Het is aangrijpend, dat er zo weinig meer van over is. Dat zet aan het denken. Zal het ook zo in Nederland gaan? Het is opmerkelijk, dat er in ons land meer overgebleven is dan in Schotland.

Ik weet daar geen verklaring voor. De vraag is urgent of we niet rekenen moeten met dezelfde werkelijkheid in de toekomst van ons land. Tegelijk met een aflevering over een Schotse gemeente las ik een verslag van een bijeenkomst, waarin  C.S.J.L. Janse schreef over de uitholling van de reformatorische zuil van binnenuit. Ik heb in het verleden deze gedachte ook al meermalen aan het papier in deze rubriek toevertrouwd. Ik ga nog even op die gedachte door. Het signaleren van dit alles kan tot nut zijn voor onze lezers.
Innerlijke uitholling is een ernstige zaak, getuige de verwaarloosde kerken in Schotland. Waar moeten we aan denken, als het gaat over de teloorgang van het schrijftuurlijke beginsel? We moeten goed onderscheiden. Ik denk dan niet aan de verschijning van de HSV. Er waren er die constateerden dat de Gereformeerde Gezindte er weer een nieuwe splijtzwam bij had om elkaar de maat te nemen (De Waarheidsvriend). Dat is redelijk overdreven. Zover mogen we het immers niet laten komen. In zulke zaken moeten we ieder zijn vrijheid gunnen. We wijzen de HSV ook niet af als niet betrouwbaar. Zeker heeft ieder zijn mening en het recht op die mening, maar we mogen het naar alle kanten niet te zwaar accentueren als mensen anders denken dan u of ik.
Op dat terrein liggen de breekpunten niet. Denk aan andere zaken zoals tanend  schriftgezag, aan een kerkelijke breuk zoals deze in de NHK enkele jaren geleden ontstond, aan een algemeen afnemende tendens om alles te relativeren. De Nationale Synode balanceerde op het snijvlak van schijn en werkelijkheid. Tekenend voor deze Synode was de schuldbelijdenis tegenover de samenleving. De kerk moet echter allereerst schuld belijden tegenover de Heere. Dat is eis van Gods Woord en daar wacht de Heere op. Heeft het geen nut naar de samenleving toe? Ik denk dat de gemiddelde Nederlander nauwelijks nog weet waarover zo’n schuldbelijdenis gaat. Men denkt dan al gauw aan zaken als misbruik enz. Laten we liever kerk en maatschappij oproepen om samen voor de Heere onze schuld te erkennen. 
Uitholling begint bij de gemiddelde kerkganger. Als het innerlijke leven verschraalt of bij velen gaat ontbreken, moeten we er niet op rekenen dat de verschillende organisaties overeind blijven. De diepe breuken die door meerdere gemeenten heenlopen over allerlei conflicten zijn bijvoorbeeld tekenen van een ontbrekend geestelijk besef. Ik heb feitelijk de krant daar niet voor nodig om te zien dat alles inkrimpt. Mijn eigen hart laat het ook zien evenals onze eigen kerkelijke gemeenschap, ook rond ons blad. Als we daar met elkaar beginnen, zou het anders toegaan dan nu. Bid de Heere om persoonlijke verootmoediging en om een meedragen van de zorgen en noden. Lees Ezechiël 13:5, waar staat: "Gij zijt in de bressen niet opgetreden, noch hebt den muur toegemuurd voor het huis Israels, om in den strijd te staan, ten dage des HEEREN”. Daar hebben we allen schuld aan. De Heere roept ons op in de binnenkamer te gaan en onze noden Hem bekend te maken. Het begint bij mij en bij u. Dat moeten we steeds weer tegen elkaar zeggen.
Vandaaruit moeten we ook onderscheiden waarop het aan komt. Johannes geeft deze raad en die geldt zeker ook voor onze tijd: "Geliefden, gelooft niet een iegelijken geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn uitgegaan in de wereld. Hieraan kent gij den Geest van God: alle geest, die belijdt, dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, die is uit God” (1 Joh.4:1,2). Gelooft niet! Ook dat kan een goede raad zijn.
Johannes doelt in onze tekst vooral op de ontkenning van de komst van Gods Zoon in het vlees. Dat spreekt aan in deze dagen na Kerst. Wie dat doet, noemt hij de antichrist. Paulus zou zelfs een engel uit de hemel weerstaan, als deze een ander evangelie zou verkondigen dan dat van de gekruisigde Christus. De Heere Jezus waarschuwde voor hen die roepen dat de Christus hier of daar is (Mark.13:21). Ook Hij spreekt dezelfde taal: Gelooft het niet! Deze taal is niet hard, maar duidelijk en heilzaam. Tegelijk zien we hier dat we niet allerlei eigen meetlatten moeten hanteren. Er doen zich onder onze gezindte genoeg dingen voor die behoren tot de middelmatige dingen waarover we niet mogen twisten. Zaken als gewoonte of traditie mogen een plaats hebben en men kan er aan verknocht zijn, maar het is de kern niet. Lees eens wat artikel 7 NGB zegt: "Men mag ook geen geschriften van mensen, hoe heilig de schrijvers ook geweest zijn, op één lijn stellen met de goddelijke Schriften, ook de gewoonte niet met Gods waarheid - want de waarheid gaat boven alles-; evenmin het grote aantal, de ouderdom, de ononderbroken voortgang in de tijden of de opvolging van personen, of de concilies, decreten of besluiten. Want alle mensen zijn uit zichzelf leugenaars”  Al deze gevaren bedreigen ons. We mogen onze gewoonten wel verdedigen, aar zeg er dan direct bij dat het slechts een menselijk gebruik is. Anders hebben we Roomse trekken in onze Gereformeerde gezindte en die zijn er al  genoeg.
Duidelijke waarschuwingen horen we in de mond van Christus. Ik noem slechts Mattheüs 24: "Zo zij dan tot u zullen zeggen: Ziet, hij is in de woestijn; gaat niet uit; Ziet, hij is in de binnenkameren; gelooft het niet” (vers 26). Als die roep gehoord wordt vanuit de woestijnen van ontbering en zelfverloochening, komt dat wel echt over. Of als men in overgeestelijke taal vanuit de binnenkamer zulke schoonklinkende woorden laat horen, zouden we geneigd zijn daar gunstig over te oordelen. 
Ik noem ook Micha, die tijdens de regering van Achab in de gevangenis zat. Hij profeteert over mij altijd kwaad, zei Achab. Deze had 400 profeten, die van zijn brood aten. Als de 400 aan het woord geweest zijn, vraagt Josafath: "Is hier niet nog een profeet des Heeren?” Deze vierhonderd spraken allen naar de mond van de koning. Die ene Micha deed dat niet. Daar ligt het hart van Josafath. Mensen als Micha en Josafath hebben we nodig. In deze dagen waarin we geneigd zijnover veel heen te stappen, is het goed te luisteren naar Gods Woord.
Het is dan nauwelijks nog te begrijpen dat lezers van het RD de nationale Synode hebben omarmd, vanwege de gedemonstreerde eenheidsformule.

Een ander teken van een veel te snelle conclusie inzake een verkeerd eenheidsstreven leek me de verklaring van onze Synode dat de verschillen over de toeëigening des heils met de NGK tot het verleden behoren. Het stond zomaar terloops bijna in de Wekker, maar het komt wel onthutsend over. We wisten immers niet beter of onze Synode besloot in 1998 "de samensprekingen met de NG commissie voorlopig te beëindigen en deputaten geen nieuwe opdrachten te geven en aan de kerken mee te delen dat er in het licht van de ontwikkelingen helaas geen reden is contacten met de NGK te zoeken en uit te breiden”. De Synode constateerde toen dat het niet goed mogelijk is gebleken te spreken over de verschillen inzake de toeëigening des heils. Verder waren er bezwaren ten aanzien van de AKS (landelijke vergadering) en ook betreffende de openstelling van het diakenambt voor de vrouw (Acta 1989 art.181). Inmiddels werd onlangs gemeld dat de eerste vrouwelijke predikant binnen de NGK haar intrede heeft gedaan. Anno 2010 blijken er geen verschillen meer te zijn  betreffende de toeëigening. Nu nog (even) spreken over de overige genoemde zaken en dan kan men constareren dat de belemmeringen verdwenen zijn.
We leven snel. Twaalf jaar later een geheel andere constatering. "Hoe is dit dat gij het zo haast gevonden hebt, mijn zoon?” zo vroeg Izak aan Jakob. Deze vraag is ook hier op zijn plaats. In de politiek spreekt men van voortschrijdend inzicht. Heeft zo’n proces zich hier ook voltrokken?
Zeker, het was in de vorige eeuw. Maar als we zo praten, ligt 1834 nog veel verder achter ons….. En toch viel het me in Ulrum laatst nog op, dat er op het gedenkbord achter de kansel de bekende tekst staat te lezen over het bewaren van het pand. Waar is het pand? De Heere vraagt ons Zijn Woord te bewaren. Waarheen voert deze Synode onze kerken? De lijn met de GKV wordt versterkt, de weg naar de HHK staat zonder meer en ook al heel snel open. We kunnen toch denken wat er gaat gebeuren? Er is door afgevaardigden ter Synode op gewezen dat onze kerken op die manier verbrokkelen. Een deel gaat samen met de NGK en de GKV, een deel zoekt contacten met de HHK en een ander deel weet het niet en zou voorlopig het liefst 1834 overeind willen houden. En bovendien: zien de broeders van de HHK er wel been in om toenadering naar onze kerken te zoeken? Bij wie moeten zij dan aankloppen en zal men er de moed voor hebben om dergelijke pogingen met een zodanig verdeeld kerkverband te ondernemen?
De jaarwisseling ligt vers achter ons en we hebben de vraag gesteld in diverse preken wat de toekomst zal brengen. Hoe gaan we verder als kerken van Nederland? In dit verband hebben we de mening kunnen vernemen van Ds. W. Pieters, die blijk gaf niet veel op te hebben met een kerkverband. "Stel dat het helemaal niet Gods bedoeling is dat er nationale kerkverbanden zijn; zoals wij ook niet denken dat er internationale kerkverbanden moeten zijn met gezaghebbende synoden en aanverwante zaken.
Stel eens dat er in 1834 geen nationale of bovenplaatselijke kerkstructuur was geweest die meende bevoegdheid te hebben om in een gemeente van Christus (zoals Ulrum was) in te grijpen, maar dat er toen (net als in de dagen van de apostelen) alleen plaatselijke gemeenten waren geweest. Dan hadden de gemeente, kerkenraad en predikant in het Zeeuwse Biggekerke (of welke plaats je ook maar noemen wilt) niet hoeven beslissen om wel of niet ds. Hendrik de Cock en zijn kerkenraad en zijn Groningse gemeente te volgen in hun keuze tot afscheiding”.
In ons blad zijn dezelfde klanken al langer gehoord. Jaren terug noemde ik het Independentisme als een mogelijke oplossing van de huidige kerkelijke crisis. We zijn er na verloop van jaren steeds dichter bij gekomen. Voor onze kerken is er geen andere oplossing meer denkbaar. Maar ook dat vraagt diepgaande overweging bij de lamp van de Schrift. Er is in Gods Woord geen sprake van een kerkverband, maar er lopen wel onderlinge verbindingslijnen tussen de verschillende gemeenten in Paulus’dagen. Denk aan het Apostelconvent (Hand. 15). Of aan de brieven die geschreven werden aan de gemeenten in de verstrooiïng. Het is toch goede denkbaar dat gemeenten waar Johannes en Paulus bekend waren, onderling gevoelens van herkenning vertoonden. Waarom is deze geestelijke herkenning er nu niet meer?
Maar er is sindsdien nog een probleem bijgekomen, namelijk dat van de kerkscheuringen. Daardoor is alles een stuk ingewikkelder geworden. Een kerkverband is een verzameling van gemeenten, maar ook van mensen, ook van zondaren. Daarom komen er drijvende schotsen die gevaren in zich bergen. Maar zelfs in de plaatselijke gemeente drijven mensen uit elkaar. Binnen een kleine gemeente kunnen de verschillen ook desastreuze gevolgen hebben. Dus zou het goed zijn als er binnen een stad en een dorp verschillende kerken zijn met onderling afwijkende kleine kenmerken. Voor zaken als zending, onderlinge bijstand en opleiding vinden we dan zeker een oplossing.
Dit artikel bedoelt aan te geven dat we niet over allerlei zaken direkt een scheidsmuur moeten opwerpen. Tegelijk heb ik willen attenderen op zaken, die ons juist wel moeten waarschuwen. Onze kerken varen in dikke mist. Dat is gevaarlijk. Beseffen we toch dat het om Gods zaak gaat. Eens klonk de vraag: "Wachter, wat is er van de nacht?” Op die vraag voor dit moment weet de Heere alleen het antwoord.


VERBONDENHEID         2009

Mijn aanvankelijke voornemen was om te gaan schrijven over "eenheid”. Dat heeft dan te maken met de verdeeldheid van de kerken. Het lijkt me bij nader inzien echter beter aandacht te geven aan de zaak van de "verbondenheid”. Verbondenheid kan er zijn, zonder dat er feitelijke eenheid bestaat. De kerkelijke gebrokenheid is door niemand ongedaan te maken, maar er kan desondanks verbondenheid gevoeld worden met allen, in welke kerken dan ook, die hetzelfde evangelie liefhebben.

De Synode van de Gereformeerde Gemeenten in Nederland nam een besluit om nader en verder te spreken met de Synodaal Geref. Gemeenten. Ruim een halve eeuw geleden kwam er een scheuring, waaraan de namen verbonden zijn van ds. R. Kok en Dr. Steenblok. De breuk was diep en schijnbaar onherstelbaar. Wie zich verdiept in de strijd van toen, verbaast zich over de steeds fijner wordende mazen van het net, waardoor men trachtte elke zweem van ketterij uit te sluiten. Dat gaat meestal zo in een conflict. In grote lijnen bestaat er overeenkomst, maar in details gaan de wegen uiteen  en deze kleine nuances gaan alles bepalen. We zullen daar allemaal, ook in andere verbanden, voor moeten oppassen. Het richt grote schade aan.
Nu kan niemand beweren dat het conflict toen nergens over ging. Er was wel degelijk een verschil in visie, met grote consequenties voor de prediking. Als jongen heb ik vele malen de diensten in de kerk aan het Goudse Stationsplein  bijgewoond, waar toen dr. Steenblok preekte. Zodoende weet ik er iets van. Het lijkt me heel dienstig als het nageslacht de gang van zaken destijds bestudeert om te weten welke oorzaken geleid hebben tot de scheuring. Ds. Golverdingen en Ds. C. Harinck hebben zich ermee bezig gehouden. Er komen dan soms opmerkelijke resultaten boven water. Deze hebben mede geleid tot het gebaar van de Geref. Gemeenten in Nederland. De Geref. Gemeenten (Syn) hadden al eerder de broederhand uitgestoken.
Het is te hopen voor de beide kerken, dat men elkaar mag vinden. Zover is het nog niet, maar ontegenzeggelijk kijkt een volgende generatie anders aan tegen de handelingen van het voorgeslacht. De kruitdamp moet eerst optrekken om te zien wat er feitelijk gebeurd is.
De weg naar eenheid voor de verschillende kerken van Nederland zal een lange weg zijn. Maar misschien zou ik een pleidooi mogen voeren voor verbondenheid tussen  die kerken onderling; voor die kerken namelijk die zich werkelijk gebonden weten aan de gezonde en zuivere leer der waarheid.
Ik werd mede op die gedachte gebracht door een gesprek met een collega uit een ander kerkverband. Hij herkende zich en zijn kerkelijke situatie in de schetsen die ik zo nu en dan geef van de kerkelijke moeiten. Het ging vooral over het verschijnsel van de verontrusting.
Elk kerkverband heeft ermee te maken. Er zijn alom mensen die zien dat er een verkeerde ontwikkeling op gang gekomen is. Wat is er aan de hand? Overal kunt u mensen horen klagen over de prediking die steeds oppervlakkiger wordt; daarmee gepaard en daardoor bepaald is er sprake van allerlei experimenten in de liturgie en ook in de levensstijl, waardoor mensen zich niet meer op hun plaats voelen in hun kerk. Deze broeder sprak er toen over dat we elkaar over de kerkmuren heen steeds dringender nodig hebben; ook dat we aan dat besef meer gestalte moeten geven.
Het streven naar eenheid tussen de verschillende kerken is een goede zaak, maar misschien zou het goed zijn als we zouden beginnen met iets, wat dichterbij ligt. We kennen het allemaal, het gevoel van herkenning en verbondenheid in mensen uit andere kerken.

Verbodenheid kan in verschillende mate voorkomen. Binnen onze eigen kerken is heel veel dat onderlinge verschillen onderstreept. Het is er nu eenmaal en wat is er aan te doen? Toch voelen we ons als leden van onze kerken ook weer breed verbonden met anderen in onze kerk, ook al leeft men in een heel andere hoek van die kerk. Dat is een kerkelijke verbondenheid, die er ongetwijfeld bestaat. Dat wordt gevoeld op vergaderingen van de classis, waar soms heel sterke tegenstellingen leven. Het wordt ook beleefd als het gaat om zaken van opleiding en zending; zeker lang niet altijd en er leeft zelfs fors onbehagen over allerlei zaken, maar we zijn toch broeders van hetzelfde huis. Anderen verbazen zich er over dat onze kerken nog bij elkaar kunnen blijven; daarin zien we iets van kerkelijke verbondenheid. Deze  verbondenheid kan positief werken: het maakt ons scherp om de zaken van leer en leven goed te onderscheiden en af te bakenen.
Er is ook een geestelijke verbondenheid. Dat is iets anders. Natuurlijk kan dat beleefd worden allereerst in de eigen kerk, zoals bijvoorbeeld op de "Panddagen”, maar er bestaat ook dwars door alle kerken heen een zekere betrokkenheid. Daarvoor gebruiken we vaak de term "Gereformeerde Gezindte”. Als we er iets aan veranderen, krijgen we Gereformeerde gezindheid. Deze gezindheid bestaat in meerdere kerken. Een klein stapje verder is dan de onrust die er bestaat over de toestand van de kerk in onze tijd. Ik merk door de jaren heen dat die verontrusting toeneemt. Dat heeft alles te maken met het proces van afbraak en verval. In het geloofsleven zijn de werkingen van Gods Geest minder waarneembaar en dat blijkt in allerlei kerkelijke en persoonlijke moeiten. Gebrek aan de bediening van Gods Geest, zodat daardoor de menselijke factoren al maar meer nadruk krijgen. Werk de Geest des Heeren niet in de kerken, dan blijft een groep mensen over en deze is zeker niet beter en rustiger dan de PvdA of de PVV. Zonder God zijn we als kerken aan de wereld en de geest der wereld overgeleverd. Laatst zei iemand tegen me: de duivel is druk bezig in kerkelijk Nederland, wetend dat hij nog weinig tijd heeft. Ook Gods Woord zegt het zo. Maar het is waar: naast gebrek aan Geestelijke beleving is er ook het woeden van de satan tegen de kerk, een toenemende demonische invloed.
Dit alles brengt Gods volk in onrust. Niet alleen omdat ze allerlei dingen bij anderen om zich heen waarnemen, maar omdat ze hetzelfde ook in zichzelf waarnemen. Zij gevoelen zich mede verantwoordelijk voor wat er elders gebeurt. En het diepste motief is dan uiteindelijk de welstand van Sion, het Koninkrijk van God, waaraan Zijn eer verbonden is. Dat is het juiste motief.

En zo zijn er dan in allerlei kerken mensen die zuchten onder de nood van de kerk. Behoort u ook tot hen? Dat is niet vanzelfsprekend omdat  we bijvoorbeeld ons blad lezen, want daar is veel meer voor nodig. De Heere moet ons ook persoonlijk die nood op het hart binden. De nood moet worden opgelegd, van boven. Dat zijn degenen die zuchten onder de gruwelen van Jeruzalem en de Heere kent hen en tekent hen. Die nood en de liefde tot Gods zaak verbindt hen allen. En zo bedoel ik dan dat besef van verbondenheid en daarom wilde ik daar uw aandacht eens voor vragen.
Vindt u nu ook echt dat het niet goed gaat in kerkelijk Nederland? Ik hoor het steeds meer mensen zeggen. Het kan ook zijn dat u de gang van zaken gelaten accepteert. We hebben daarvoor ook wel onze argumenten: je moet niet altijd zeuren en er zijn ook best wel goede dingen. Zo praatten de mensen vlak voor de ballingschap ook; daardoor keken ze niet echt op de klok van de tekenen der tijden. Het gaat er echt om dat we die overtuiging hebben, de innerlijke overtuiging, door God ons opgelegd, dat we die laatste dagen beleven. Dat mogen we dan niet glad strijken met een cliché. Wij moeten waakzaam zijn op Sions muren. Ezra was ooit de eerste die in zijn eentje het verval waarnam en hij zat verbaasd neder tot het avondoffer. En daardoor kwamen anderen tot hem.
Is er een weg om nader vorm te geven aan die echte verbondenheid binnen de Gereformeerde gezindheid? In het onderwijs en in allerlei maatschappelijke organisaties heeft dat proces zich ook voltrokken, al lang geleden. Er kwamen allerlei eigen organisaties. De refo’s vonden elkaar. Zou er kerkelijk ook zo’n organisaties kunnen ontstaan, die houvast biedt in onzekere tijden?
Nu we zien dat diverse Reformatorische grootheden ook al weer een tijd van verval en afbraak beleven, zal er weinig verwacht kunnen worden van weer opnieuw allerlei nieuwe en verse oprichtingen. Zolang de Heere geen signalen geeft, moeten we blijven waar we zijn. Geen nieuwe breuken, maar wellicht wel een gezamenlijke verbondenheid, die op de een of andere manier natuurlijk gestalte moet krijgen. Dwars door alle kerken heen. We horen op andere terreinen wel eens van een platform, een ruimte waar mensen met verbindende beginselen elkaar ontmoeten. Je weet dan tenminste dat die anderen er ook zijn. Geen georganiseerde stichtingen, maar meer een informeel elkaar zoeken rond de nood der tijden. En zeker kan zich dat manifesteren in bijeenkomsten en ontmoetingen van allerlei aard. De invulling daarvan kan zo maar niet gegeven worden, maar het besef zou onder ons moeten gaan groeien. Het leeft onder Vrijgemaakte kerken en zelfs ook in de vanouds zich noemende Gereformeerde kerken en zeker ook in de PKN van nu. Het leeft het sterkt in die kerken waar het verval het ergst is. Daar vindt u relatief gezien de sterkste verontrusting, daar vormt een krachtige overtuiging zich dat we in de bressen moeten staan. Dat lijkt misschien vreemd, maar het is zo. De sterkste verontrusting vinden we momenteel niet in die kerken die rechts gepositioneerd staan.
Ik zou initiatieven willen aanmoedigen op plaatselijk niveau. Daar moet deze gezindheid groeien. Daar is de praktijk. En natuurlijk met een scheut Independentisme, maar niet te veel. Er kan plaatselijk heel veel gedaan worden. Zulke initiatieven zijn al voorzichtig hier en daar opgestart. Moge de Heere daaraan Zijn zegen verbinden.

P.S.
U hebt kunnen lezen over de conferentie over Arminius. Ik sluit me aan bij hen die daarover positief hebben gesproken. De rector, Prof. Selderhuis, heeft tijdens de bijeenkomst woorden van begrip uitgesproken naar degenen die bezwaard waren over de gang van zaken; ik vond zijn woorden in het RD- verslag nog duidelijker. Daar zijn we blij mee. Prof. Baars heeft in zijn lezing de bezwaren verwoord en dat gaf ook een gevoel van herkenning.
Er zijn vragen van fundamentele aard overgebleven. Daarover moeten en mogen we van alle kanten met elkaar nadenken. Vragen die ook u aangaan: Wat is Gereformeerd en wat is Arminiaans? Wat is dwaling en wat waarheid? Hoe word ik behouden en hoe komt God aan Zijn eer? Belangrijke vragen, die de Heere alleen kan oplossen.

           
VERSMALLING          2009

Prof. Antoon Vos wijt de kerkverlating vooral aan de verdeeldheid der kerken. Zo las ik het gisteren in de krant. Eén deel uit zijn betoog trof me vooral: "De grote klap voor Vos persoonlijk was dat hij in vijf jaar tijd de kerken in Utrecht leeg zag stromen. „Op een zondagavond in maart 1964 ging de bekende dr. Koolhaas, de voormalige synodepreses, voor in een kerk in Utrecht. Ik ging er op tijd heen om een goed plekje te krijgen. Twintig minuten voor aanvangstijd stonden er lange rijen te wachten. Maar wat gebeurde later? Na vijf jaar waren er in de meeste hervormde en gereformeerde kerken nog maar een vijftigtal kerkgangers. Hoogleraren als Van Ruler, Van Niftrik en Lekkerkerker hebben die vreselijke leegloop niet kunnen verwerken en zijn van ellende aan hartkwalen doodgegaan.”

De laatste komt hard over. Als de genoemde hoogleraren inderdaad mede tengevolge van de teruggang der kerken hun einde gevonden hebben, pleit dat niet voor de kerk maar wel voor hen. Ze hebben dan tenminste leed gevoeld vanwege de nood van de kerk. Niemand kan natuurlijk nagaan of zijn constatering waar is, maar Vos heeft ongetwijfeld (hij was ook hoogleraar in Utrecht, waar van Ruler c.s. woonden en werkten) enige grond om te stellen dat zij zich het lot van de kerk hebben aangetrokken. En hoevelen zullen zich met hen niet ontzet hebben over die leegloop en afbraak van kerken. Als jongen liep ik ook door de straten van Utrecht met mijn ouders naar de kerk aan de Wittevrouwensingel, waar destijds ds. P. de Smit predikant was. Ik weet dus van die drukke straten en de volle kerken. Toen ik vele jaren later in diezelfde stad zelf predikant was, heb ik ook de moderne leegheid moeten aanzien. In mijn jeugd zat ik eens in de Oranjekerk waar ds E. van Meer preekte; hij werd de kansel opgedragen vanwege een verlammende ziekte. Hij was eerst ethisch predikant maar later werd hij na een doorleefde bekering een getrouw prediker. De kerk zat helemaal vol. Toen ik in Utrecht werkte heb ik het moeten beleven dat ik op mijn fiets door de stad rijdend zowel de Oranjekerk alsook de kerk waar dr. Bout regelmatig preekte (Julianakerk), op een en dezelfde dag gesloopt zag worden.
Het proces heel snel gegaan. Zo ging het in alle grote steden. Zo ging het daarna in middelgrote plaatsen zoals Hilversum; nu zijn we tenslotte bezig met de dorpskerken. Daar zou de kerk wel een hartkwaal aan moeten overhouden, een hartkwaal in een misschien wat andere betekenis. Dat geeft heel veel hartzeer. Of wennen we eraan? We zijn er al lang aan gewend. Of we zijn zelfs blind voor deze ernstige teruggang van het huis des Heeren. Ik merk weinig leed daarover. De sluiting van de Coloniastaat, voor velen zo bekend, heeft ons (gelukkig) sterk doen beseffen hoe treurig de kerk er bij staat. Ook onze kerken.
Deze trend zet zich voort. Er lijkt geen houden aan. daarbij wil ik niet voorbijgaan aan de ijver en de inzet van jonge mensen, die ook in stadsgemeenten nog de moed hebben om door te gaan. Zulke jongeren waren er ook ten tijde van Ezra en Nehemia, terwijl de ouderen met droefheid en weemoed dachten aan de eerste tempel, de dagen van weleer.
Niet alleen kerken worden gesloopt. Ook gemeenten delen in hetzelfde lot. Soms raken ze diep verdeeld over buitenissige zaken. Zo gaat het met kerkenraden en predikanten. Welk proces is er toch gaande in de kerk van Nederland? Ik zeg met nadruk dat ik mij niet meng in plaatselijke gebeurtenissen; wel is me duidelijk dat wij zonder uitzondering allen tot bekering worden geroepen. Ik heb altijd geweten dat we allen schuldenaar zijn aan het verval. Toen ik laatste echter opnieuw weer een moeilijk bericht hoorde, werd het waar voor mijzelf. Ik kwam bij mijn eigen kerkelijke en geestelijke schuld uit. Toen werd het toch anders. Ik ben gebroken vanwege de breuk der dochteren mijns volks, zo sprak Jeremia. En ik zou daar ook best willen blijven, want het is de enige mogelijkheid om de dingen te verwerken.

Die hartkwaal van de genoemde professoren laat zich dus wel verstaan. Vos wijt deze aan de verdeeldheid. Dat zal ten dele zeker zo zijn. Nu schreef ik de vorige maal over verbondenheid, als een heel voorzichtige poging om biddend na te denken over de noodzakelijke eenheid. In Schiedam voelde men dat ook. Onze kleine gemeente aan de Warande en een evenzeer kleine kern binnen de HHK. Beide gemeenten in een ontkerktelijke stad.
Het heeft geresulteerd in een gemeenschappelijke verklaring, waarin men sterke verbondenheid heeft uitgesproken. Ik ga niet passen en meten met de kerkordelijke bepalingen, die hier nog niet in voorzien. Die meetlat zijn we trouwens in onze gemeenten en classiciale vergaderingen her en der al lang kwijt geraakt. Ieder lijkt te doen wat goed is in eigen ogen. Wie zou e r dus kwaad van zeggen als twee kleine gemeenten elkaar ontdekt hebben. Nee, het had heel makkelijker slechter kunnen uitvallen! Ik wil dus van harte mijn meeleven uitspeken met de gemeente van Schiedam; hopelijk gaan volgende deuren voor deze gemeente ook open.
Wat in Schiedam gebeurde, spreekt van verbondenheid. Geen grote woorden van eenheid en samengaan, maar een voorzichtig begin. Afgedacht van Schiedam had ik mij al voorgenomen nog wat nader in te gaan op de onderlinge kerkelijke verhoudingen. Het boven aangehaalde woord van Prof. Vos heeft dat voornemen nog weer versterkt.
Daarover nadenkend moeten we ook nuchter vaststellen dat er heel veel scheidsmuren bestaan. Formeel kerkordelijke en praktische bezwaren zijn er in alle maten.
U zou kunnen denken aan een fuik of een trechter; een breed en ruim begin, maar uitlopend in een steeds smaller wordende beklemmende verenging. In de eeuwen die achter ons liggen, is er wel sprake geweest van een zodanige verenging. De verdeeldheid werd erdoor versterkt.
Er zijn tijden geweest dat de kerk als enige sluis het protestantse karakter had. Men was Rooms of men was Protestants. Dat zal niet zo lang geduurd hebben. Luther en Calvijn stonden heel dicht bij elkaar en ze hadden elkaar nodig; maar er waren ook verschillen.
Al snel ging een klein verschil de boventoon voeren. Er kon gesproken worden van een verengende visie bij Luther. Het kwam zo ver dat hij snijdend scherp sprak over de Sacramentariërs, waartoe hij ook de Gereformeerde stroming rekende. Hij ging heel ver in het uitsluiten van zijn Geneefse collega; dat ging over het Avondmaal. Voor hem zo belangrijk dat het tot een halsvoorwaarde werd. Calvijn evenwel kon de zaak relativeren. Aanvankelijk beiden geheel verenigd, later kwam er verwijdering. Dat werd dus die ene zaak van het Avondmaal. Daar ziet u de fuik.
We zien daarin dat betrekkelijk kleine verschillen grote gevolgen en verstrekkende consequenties krijgen.
Zo ging het ook met de drie formulieren van enigheid, de Heidelberger, de Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Dordtsche Leerregels. Deze mochten, dunkt me, toch wel genoeg zijn om ruimte en grenzen van de kerk aan te geven. Formulieren van énigheid! Dat duurde echter maar even. Er kwamen al snel andere en fijnere onderscheidingen en mazen. Woorden als "evangelisch” en "Reformatorisch” moesten binnen de Protestantse kerken duidelijker aangeven waar we staan. Tegenwoordig zeggen we, als we aangeven welke grens we hanteren, erbij "bevindelijk Gereformeerd”. Dat is het dan helemaal. Ik moet eerlijk zeggen dat ik zelf die onderscheiding ook wel gebruik. Maar moet dit eigenlijk wel en gaan we er zodoende niet aan meewerken dat de fuik al nauwer en enger wordt? Waarom doen we dat eigenlijk?
Helaas ligt een oorzaak daarin dat velen nog wel spreken van hun Gereformeerde belijdenis, maar dat ze inhoudelijk heel veel van de inhoud hebben prijsgegeven. Vandaar dat er dan behoefte bestaat aan kenmerkende aanduidingen om het viswater helder te houden. Er zijn voorbeelden te over van ambtsdragers in andere kerken die ten onrechte hun handtekening zetten onder de drie formulieren. Op die manier ontstaat begripsverwarring en zegt het niets meer of we ons nu Gereformeerd noemen of niet. Allerlei onderscheidingen blijken op den duur kameleongedrag te vertonen. Wat zegt het woord  "Evangelisch” en wat zegt het woord "Reformatorisch” nog ècht? Nu hebben we dan als aanduiding van betrouwbaarheid het woord "bevindelijk”. Maar dekt dat woord de zaak? Is de aanduiding Christelijk Gereformeerd toereikend om klare wijn te schenken? Herinnert het woord "afgescheidenen" nog werkelijk aan Ulrum?

Zou het dan niet beter zijn om terug te keren naar de echte sluis, namelijk die van de Gereformeerde belijdenis? Daar zit toch alles in? Daarin wordt toch ook klaar gesproken over de rechte bevinding? En als u dan bang bent dat zo heel veel mensen zich daarmee tooien zonder dat ze Gereformeerd zijn, dan moet u uiteindelijk dat oordeel maar aan God overlaten. Want Hij alleen weet wie we zijn, als persoon en als kerk. En Paulus zei het ook zo: "Want die is niet een Jood die het in het openbaar is, maar die is een Jood die het in het verborgen is, wiens lof niet is uit de mensen maar uit God” (Rom.2:28,29). Moet het niet uw en mijn zorg zijn dat ik het ben, in waarheid voor God? Ben ik zelf Gereformeerd, ben ik zelf werkelijk bevindelijk gelegerd?
Met dit alles wil ik zeggen dat al onze sluizen toch geen enkele garantie kunnen bieden. En natuurlijk zijn er wel sluizen nodig, maar we hebben toch genoeg aan die ene van de belijdenis? Verbondenheid nu zal ontstaan rond die belijdenis en rond dat Woord van God, rond de banier van het evangelie.
Zo zijn er genoeg kerkelijke namen en criteria op papier. Nu de kerkelijke kaart door al deze zaken versnipperd is tot een legpuzzel, spreekt de verklaring van Schiedam aan. Men kijkt een goede kant uit. Het moge doorwerken in alle kerken, die waarlijk verbonden zijn met het Koninkrijk Gods. De heersende kerkelijke indelingen kunnen niet gehandhaafd worden, omdat de begrippen de feiten niet meer dekken.
U vraagt zich dan misschien bezorgd af wat er van onze kerken worden zal? Zullen ze niet langzaam maar zeker opgaan in allerlei samenwerkingsverbanden, zodat er van onze kerken binnenkort weinig meer terug te vinden is? Als meerdere gemeenten zouden uitspreken wat in Schiedam gebeurd is, waar blijft dan de prediking, zoals we die onder ons kennen? Hoe moet het met de kerkelijke organisatie?
We zijn echter onze kerken al lang kwijt. Kijk maar naar de preekbeurten in vele gemeenten. Er zijn legio gemeenten waar zondag geen predikant van onze kerken voorgaat. En we weten toch dat de Kerkorde daarin geen enkele rol meer speelt.
Onze kerken hoeven we niet te beschermen. Maar die prediking willen we toch hartelijk voorstaan, niet als iets bijzonders, maar wel als een groot goed, als het erfdeel, dat ons lief is. Als dan anderen in andere kerken daarmee verbonden zijn en als wij ons verbonden weten met de prediking in de Geref. Gemeenten en in Bondsgemeenten en zeker ook in de HHK, dan moeten en mogen geen muren ons uiteindelijk tegenhouden. Dan graast de kudde waar het gras groen is. Ik had aanvankelijk iets willen schrijven over enkele artikelen in de Saambinder (GG); het goede gehalte daarvan trof me. Als we zulke dingen ervaren in deze tijd, mogen we daar dan toch nog dankbaar voor zijn? Daarom zijn initiatieven zoals in Schiedam welkom. Het is een voorzichtige stap en zo moeten wij ook in andere gevallen de voorzichtigheid in acht nemen. Met beleid biddend te werk gaan. Vragend: Wat wil de Heere?
Is het tegen Gods Woord? Ik meen zeker van niet. Is het tegen de Kerkorde? Als Deventer niet tegen de KO is, dan is dit het ook niet.
De tijd zal komen dat de belofte uit Gods mond in vervulling gaat: Zij zullen een worden "in Mijn hand” (Ezech.37:19b). Ezechiël moet twee stukken hout nemen en ze tot elkaar brengen. Zo heeft de mens een roeping, als de Heere spreken gaat. En dat gebeurt in de weg van waarheid en eenheid.
Twee stukken hout, dat gaat nog, maar twee kerken, twee christenen, twee kinderen van God? Als de Heere het doet, kom t het goed!

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Gereformeerde Gemeenten        2010

Uit reacties op mijn artikel over de HSV is mij gebleken dat er op het grondvlak van onze kerken en ook elders, veel verwarring heerst. Ik wil het echter voor dit moment laten bij wat er geschreven is. Er waren er, die mijn intentie hadden ontdekt, om in ieder geval de HSV niet op de kansel te gebruiken. Er waren ook meerderen, die het op prijs hebben gesteld dat ik anderen niet veroordeeld heb. Integendeel, ik wilde hen erkennen als broeders, die handelen vanuit oprechte bedoelingen.

Hieraan moest ik ook denken in verband met een ander onderwerp. Ik heb kortgeleden ook geschreven over de Synode van de Geref. Gemeenten (GG). Ik heb daarin mijn waardering geuit voor die wijze van vergaderen en ook voor de agenda die daar diende. Terloops heb ik in een enkel zinnetje gezegd: "Over een zaak als de toeëigening hebben wij ook verschillen met de GG, maar ik wil die verschillen nu niet overaccentueren”. Ik ben door meerdere lezers aangesproken en men vroeg mij wat die verschillen dan zijn. Omdat ik beloofd heb daar nader op in te gaan, wil ik dat nu doen. Maar dan wel vanuit dezelfde bedoeling, namelijk om geen onnodige kritiek te spuien. In kerkelijke geschillen gebeurt dat helaas te vaak. Ik ga proberen om zo te schrijven dat ook hier de kloof niet vergroot wordt, maar juist verkleind.
We lezen in zondag 48 van de Heidelberger de bekende woorden: "Bewaar en vermeerder Uw kerk”. Hier zijn twee zaken aan de orde. Als het gaat om het bewaren, dan mogen we daar ook onder verstaan het hoeden van de schapen en het voortleiden van Gods volk op de weg des levens. We kunnen dat vatten onder de noemer van bevindelijke prediking. Onder het andere, namelijk de vermeerdering van de Kerk versta ik dan de prediking tot onbekeerden, tot hen die nog buiten Christus leven. Ik neem dan waar, voor zover mij mogelijk is, dat het bewaren van de Kerk centraler staat in de prediking van de GG, terwijl het vermeerderen in onze preken meer naar voren komt. Ik teken hierbij aan dat ik, sprekend over de GG en onze kerken (CGK) het oog heb op het eigenlijke beginsel dat die kerken en gemeenten kenmerkt. Er zijn in beide kerken geluiden, die afwijken van dat kerkelijke beginsel. Die afwijkingen in onze kerken zijn mij meer en beter bekend dan die bij de buren, dat spreekt vanzelf. We hebben doorgaans de neiging om ontsporingen te zwaar te accentueren. Dat gebeurt aan twee kanten.
Tegenwoordig schieten heel veel voorgangers door naar de vermeerdering van de kerk. De grote steden vooral zijn dan het doelwit. Deze bewogenheid is goed en ik moest daar meer van hebben, maar in die visie komt het bewaren van de Kerk ernstig te kort. Daar zijn voorbeelden van in ons eigen kerkelijke leven.

Bewaring van Gods volk is nodig. Gods Kerk staat onder zware druk. Dat is van alle tijden. Denk maar aan de zeven gemeenten. Of aan de brieven aan de Galaten en de Hebreeën, waar de leer van vrije genade zo klemmend moet worden voorgesteld en gehandhaafd, omdat velen weer terecht kwamen onder de wet. De Heere Jezus sprak over Zijn schapen en Zijn Lammeren. Er zijn gebrokenen, verlorenen, zieken en afgedwaalden onder Gods kinderen. In de psalmen blijkt hoe velerlei nood er is op de geloofsweg; noden van gemis en aanvechting, van beproeving en kastijding, van duisternis en strijd. Bunyan geeft een helder beeld van de vele gevaren die de weg naar Sion omgeven. Van mooiprater tot reus Wanhoop toe. De heilsorde is gegrond op Gods Woord: roeping, wedergeboorte, bekering, geloof, rechtvaardiging en heiliging. Dit is geen spoorlijn met stations, maar er ligt een zekere orde in, die we in Gods Woord ook terugvinden. In hoeverre is de weg van de OT-ische Kerk of die der discipelen ook nog maatgevend voor ons? Hier ligt de kracht van de prediking in de GG. Er wordt geestelijk onderwijs geboden aan hen die daarom verlegen zijn.
Waar ligt dan de kracht van de prediking binnen de CGK? We zijn geneigd deze te zien in de vermeerdering van de Kerk. Een appelerende prediking, die onbekeerde mensen aanspreekt. Dat wordt dan gedaan door waarschuwingen voor de zonde en de eeuwigheid. Er zal verder diepgaande ingegaan moeten worden op de noden van hen die nog voor eigen rekening leven. Je kunt immers ook op velerlei verschillende manieren onbekeerd zijn. Vroom of goddeloos, ernstig of oppervlakkig, werelds of kerkelijk, jong of oud, enz. Het vraagt veel aandacht om zondaren te leiden op de weg naar Christus. De één komt uit Samaria, de ander uit Jeruzalem. De Heere Jezus heeft over de hele stad Jeruzalem geweend. Hij had zowel oog voor de wijze maagden, alsook voor de dwaze.
De moederbelofte geldt heel de mensheid. Alle creaturen moeten onderwezen worden. De profeten spraken tot heel het volk. Christus leerde ook de schare.
In deze weergave is het niet òf-òf, maar het moet zijn en-en. Ik heb heel wat preken mogen houden, maar nu weet ik beter dan jaren geleden dat hier een waaier, een spectrum ligt, dat breed en wijds is.
Ik weet dan als eerste dat de tekst ons wel echt moet leiden en dat we alleen maar het Woord kunnen naspreken, anders komen we in een moeras terecht.

Een andere vraag is nu hoe dat verschil is ontstaan. Er zijn oorzaken. Deze worden verschillend benoemd. Zit het verschil in de verbondsleer? Daarover werd immers in het verleden veel geschreven. U raadt het: twee of drie verbonden. Maar die discussie is verstild. Wat hiermee nauw samenhangt is de betekenis van het genadeverbond, van de doop. We zeggen in de CGK, dat de gehele gemeente in het verbond is. Dat kunnen we zeggen omdat we ook weten dat het genadeverbond niet zozeer met de uitverkorenen is opgericht, maar met Abraham en zijn natuurlijk zaad, de hele gemeente dus. We zien een duidelijk onderscheid tussen de uitverkiezing en het genadeverbond. Het stroomgebied van het verbond is breder dan de bedding van de uitverkiezing. In het verbond te zijn, betekent geenszins dat men nu ook behouden is of zal worden. Ismaël was in het verbond, want hij was besneden. Desondanks stierf hij zonder God. Als er dan staat: "In Izak zal u het zaad genoemd worden”, dan betekent dit dat alleen Izak deelt in de weldaden en de toepassing van het verbond. Heel Israël was in het verbond en deswege deelden zij in de belofte van het land Kanaän, maar zij zijn er niet gekomen. Zij misten de toepassing, de betekende zaak.
Dat lijkt me duidelijk, maar het blijkt dat daar anders over gedacht wordt. Ook voor die visie zullen er overwegingen gevonden kunnen worden. Er wordt gesproken over de twee verbonden (Gal.4:24). Vanuit deze en andere teksten komt men dan anders uit. Ik bedenk hierbij dat de meeste theologen uit de (Nadere) Reformatie in deze richting dachten. Onze kijk op het verbond (CGK) werd het meest gevonden bij hen die Remonstrants dachten! Dat zegt wel wat. De verbondsleer in onze kerken zal zeker hebben bijgedragen aan een veel te optimistische visie op de gemeente. Niettemin ben ik overtuigd dat de doop en het verbond voor iedere gedoopte betekenis heeft. Dat zegt ook de Catechismus (antw.74). De verbondsbeloften gelden de gehele gemeente. Ook dat wordt in de GG anders gezien. De beloften van het genadeverbond zijn alleen voor Gods volk. Is de kloof hier diep? Ik denk het niet. In de GG wordt wel gesteld dat er algemene beloften zijn voor onbekeerden. Er is ook een aanbod van genade. In de CGK weet men ook dat er voorwaardelijke en onvoorwaardelijke beloften zijn. Praktisch ligt dat dicht bij elkaar. Daarom mogen we deze verschillen niet overmatig duiden.
Nu lees ik op een website (geen officiële) het volgende: "De uitspraken van de synode vormen een duidelijke tegenstelling met het geen met name in de Christelijke Gereformeerde Kerk werd geleerd en gepredikt. Wat de synode uitsprak komt o.a. op het volgende neer: het verbond der genade staat onder de beheersing van de uitverkiezing ter zaligheid; Het eigene van de Gereformeerde Gemeenten komt inzake de prediking openbaar in de grote plaats die hierin aan de toepassing van het heil wordt gegeven. Aan de persoonlijke beleving van dit heil (bevinding) wordt veel aandacht geschonken. Men voelt zich hierin verwant met de beweging der Nadere Reformatie”.
Men kan hieruit concluderen dat niet alleen het verbond, maar ook de prediking onder die beheersing staat. Wij leren hopelijk tenvolle de uitverkiezing, maar deze beheerst de prediking niet. De CGK stellen de prediking niet onder de beheersing van de verkiezing, maar weer wel onder die van het soevereine werk Gods, evenwel met volle handhaving van de verantwoordelijkheid van de zondaar. Verder zijn er die menen dat de prediking ook onder de beheersing staat van een bepaalde heilsweg, wat een schematisering inhoudt. Daarvan zijn tekenen te zien, maar het is te verwerpen als men aan sommige predikanten aanduidingen verbindt als stappenplan en standenleer. Dat kan incidenteel best zo zijn, ook onder ons wel, maar daarmee mag de naam van bijvoorbeeld Ds. Moerkerken niet verbonden worden.
In meerdere gevallen kunnen de verschillen zwaar wegen. De laatste jaren is men binnen de GG ook bezig met het verleden (Di. C. Harinck en M. Golverdingen) en we laten deze zaken graag voor de Gemeenten zelf. 
Ik hoop hiermee enige duidelijkheid te hebben verschaft over de beide kerken. Lezers echter hebben hun eigen ervaring. Ik denk aan het lijvige werk van K. van der Zwaag. In mijn ogen heeft hij veel aangedragen waarover we allen moeten blijven nadenken. Jammer dat zulke boeken met alle arbeid daaraan verbonden, weer zo snel vergeten worden. Bekend is verder de reactie van Blauwendraad, die m.i. niet zuiver met zijn kritiek omgaat. Ook binnen de GG zijn er plaatselijke verschillen. Dat geldt ook van ons, ook binnen gemeenten die in de rechterflank leven. We zouden veel van elkaar kunnen leren. Hopelijk zal dat nog eens gebeuren.
Eigen ervaringen. Ook die broeder uit de GG, die zich volkomen kon verenigen met hetgeen in ons blad wordt geschreven. Bij het licht van Gods Geest zijn de verschillen niet onoverkomelijk.
U merkt misschien op dat ik de GG anders beoordeel dan de GKV. Dat valt niet te ontkennen. Het hangt samen met de plaats waar we staan. Maar over beide kerken moeten we wel eerlijk en zuiver schrijven.
Tenslotte: welke kerk kan zich in deze tijd verheffen? Waar dringt de wereld niet binnen? We strijden allen tegen  de wereld, maar de wereld is al lang binnen de muren. Alleen de Heilige Geest en Hij dan ook echt alleen zal in àl de waarheid leiden. Vanuit die leiding zingen we: "Ik ben een vriend, ik ben een metgezel van allen die Uw naam ootmoedig vrezen”. De kring van die allen is oneindig groter dan die van de CGK of de GG. Het zijn zij die waarachtig gereformeerd zijn. Ze zijn ook hervormd. Ze zijn ook christelijk. Het is de kleine kudde en de schare die niemand tellen kan.

           

Dr. STEENBLOK          2010

U zult deze naam de laatste weken meermalen tegengekomen zijn. Er verscheen een boek van P. L. Rouwendal over zijn persoon. Hij stelde daarin dat Dr. Steenblok misschien niet vrij was van autisme. Een merkwaardige constatering over iemand die reeds lang overleden is, waardoor deze stelling elk bewijs mist.

zijn persoon

Wie was Dr. Steenblok? Voor hen die het niet weten:  rond zijn optreden heeft zich de scheuring van 1953 voorgedaan binnen de Geref. Gemeenten. Door deze scheuring ontstonden de Geref. Gemeenten in Nederland (GGiN).
De studie van Rouwendal meldt interessante gegevens uit de kerkgeschiedenis. Ds. Kersten was de saambindende figuur in de Geref. Gemeenten (ontstaan vanuit de kruisgemeenten). Hij heeft Steenblok binnengehaald, om een wetenschappelijk en theologisch kader te scheppen binnen de GG. Zodoende werd Steenblok al heel snel docent aan de opleiding. Wat ik niet wist is het feit dat ds. R. Kok (die later vanuit de GG overkwam naar onze kerken) van meetaf zich ook verzette tegen de persoon van Steenblok; hij zag, met anderen,  het gevaar in van de opvattingen van Steenblok. Op beslissende momenten lieten zijn medestanders hem echter alleen staan in zijn verzet, zodat het is voorgekomen dat Kok als enige tegen was in een bepaalde stemming over Steenblok.
Kok en Steenblok waren de twee tegenpolen binnen de GG. Beide werden zij door de GG  gediskwalificeerd. Het lijkt me helder dat de GG zich nu, na zoveel jaren, meer in de lijn van Steenblok bewegen dan in die van Kok.
Omdat ik Steenblok vele malen heb horen preken in Gouda, heb ik enige interesse voor de kerkstrijd van die dagen, maar ik wil daar nu niet nader op ingaan omdat niet ieder ermee bekend en dus ermee geïnteresseerd is.
Er is wel aanleiding op de verschijning van dit boek in te gaan. Allereerst vanwege het vermoeden van Rouwendal, dat Steenblok autisform was. Dat is destijds nooit vastgesteld, maar hij spreekt een persoonlijk vermoeden uit op grond van sommige kenmerkende karaktertrekken van Steenblok. Hoewel ik het onjuist vind om zulke vermoedens te uiten over mensen die reeds overleden zijn (waardoor die vermoedens nooit nagetrokken kunnen worden), zou het nuttig kunnen zijn voor ons allen, om enig zicht te hebben op die eigenschappen die hier in het geding zijn. Deze eigenschappen zijn waarneembaar in onze tijd in allerlei mensen in het kerkelijke leven.
Er is nog een bezwaar tegen de openhartigheid van Rouwendal. De volgelingen van Steenblok binnen de GGiN zijn natuurlijk niet gelukkig met dit etiket op Steenblok. Wij zouden het ook niet aardig vinden als iemand ging beweren dat Hendrik de Cock een psychisch lijder was. Daardoor zou er een blaam over de Afscheiding kunnen geworpen worden.

zijn karakter

Deze suggestie lijkt me geen goede zet. Ik spreek liever in termen van het karakter. Er zou een omvangrijke studie geschreven kunnen worden over het onderwerp: de rol van karakters in de kerkgeschiedenis. Het karakter speelt een rol in het geloofsleven, maar het heeft zich ook in verschillende figuren uit de kerkgeschiedenis krachtig gemanifesteerd. Over het karakter van Steenblok geeft de schrijver enige informatie. Het was enigermate bijzonder. Niet alleen omdat hij zijn auto parkeerde in de achterkamer van zijn pastorie in Lopik, maar om heel veel andere trekken. Ik noem enkele zaken: een hoog IQ (graad van intelligentie) en een laag EQ (emotionele graadmeter). Dus grote geleerdheid gepaard met geringe sociale contacten en een wereldvreemd gedrag; verder een obsessieve belangstelling voor specifieke zaken (verkiezing en aanbod van genade); geen invoelvermogen ten opzichte van anderen; geen oogcontact; bijzondere wijze van ordenen (speciaal voor insiders: hij ordende zijn boeken in de kast op boekhoogte; auteurs en titels deden niet ter zake! Uiterst merkwaardig. Dat geldt ook van het feit, dat hij driemaal iemand binnen een uur kon tegenkomen, deze persoon dan vriendelijk groette zonder te beseffen dat het de tweede of derde keer was dat hij hem tegenkwam.  De hierboven vermelde karaktertrekken verdienen aandacht, juist ook voor ons en in onze kerkelijke situatie.
Bijvoorbeeld de gedrevenheid die neigde tot onverzettelijkheid. Volgens Rouwendal typeerde dat ook zijn tegenstander, ds. Kok, en daar kon hij gelijk in hebben, al mag erbij gezegd worden dat Kok steeds bereid was tot gesprek en verzoening. Staan voor de waarheid, onverschrokken en duidelijk. Als ik dan namen noem als Luther, John Knox,  Hendrik de Cock of Kohlbrugge, dan zien we dat deze eigenschap gediend heeft tot zegen voor de kerk. Niet altijd. Denkt u zich in hoe het ooit mogelijk geweest is dat Luther als eenvoudige monnik het gehele machtige Roomse imperium heeft kunnen en durven uitdagen. Keizer en Paus heeft hij getrotseerd. In heel de geschiedenis zijn het vaak de mannen geweest die het konden (na)zeggen: "Hier sta ik, ik kan niet anders, God helpe mij”. Deze stijl heeft de kerk er telkens weer boven uitgetrokken. En de kerk werd ook telkens weer neergehaald door de stromen van mensen die wel anders konden. Ze spraken van een flexibele instelling en van een genuanceerde opvatting. Recent heeft Dr. Van de Beek gesteld dat de prediking confronterend moet zijn. Wel, dat gold zeker van deze mensen. Kon het ook maar van ons gezegd worden in deze tijden van mistigheid en vervaging. 
Natuurlijk voel ik me beter thuis bij de onverzettelijkheid van Kok dan bij die van Steenblok; dat brengen de opvattingen van hen beiden met zich mee. Maar hun presentatie diende de duidelijkheid. In de Bijbel zien we deze lijnen ook; denk aan Elia, Johannes de Doper of Paulus. Alle profeten waren stuk voor stuk onverschrokken mensen, al bracht dat wel veel, heel veel persoonlijke strijd met zich mee (Jeremia).
Kijk eens naar Paulus: krachtige uitdrukkingen (1.Cor.16:22; Gal. 1:9; 3:1); zijn beroep op de keizer; het opgeven van alles voor de zaak van Christus; zijn strijd tegen de tegenstanders; een vrij geweten en een onverschrokken houding tegenover de dwaalleer. Dat zijn sterke eigenschappen, die de kerk nodig heeft. Onze tolerante samenleving (ook in de kerk) zou afstand nemen zo niet van de inhoud, wel van de wijze van zijn optreden. Onze tijd pleit voor tact en voorzichtigheid. Terecht? U moet eens beginnen allerlei algemene waarheden uit onze tijd kritisch te gaan bezien en deze niet langer zo maar toe te stemmen.

zijn gedachten

Ik moet nog iets zeggen over de inhoudelijke gedachten van Steenblok. Rouwendal wijdt enkele pagina’s aan het voorwaardelijk aanbod van genade. Dit was een speerpunt in de prediking van Steenblok. Rouwendal geeft aan wat hiermee dan precies bedoeld zou zijn. Het heeft ermee te maken dat hij stelde dat de wet tot allen komt, maar het Evangelie slechts tot diegenen die geloven en zich bekeren. Het aanbod van genade tot allen is dan voorwaardelijk.
Een voorwaarde werpt doorgaans de mens terug op zichzelf. Arminius was de man, die het Evangelie voorwaardelijk bracht. Als we onze wil goed gebruiken, dan wil de Heere ons zegenen. U begrijpt dat ik deze zin met schroom, maar ook met nadruk neerschrijf. Eerst de mens, daarna de Heere.
Steenblok, hoe is het mogelijk, lijkt in dezelfde dwaling te vervallen. Nee, hij heeft dat niet Arminiaans bedoeld. Maar de uitwerking, ook in zijn eigen kringen, brengt ons wel dicht in de buurt van Arminius. Dat gebeurt in ieder geval als we het aanbod van  genade voorwaardelijk doen zijn. Het ingaan in Gods koninkrijk geschiedt op voorwaarde van geloof en bekering, maar het aanbod van genade en de belofte van het Evangelie is onvoorwaardelijk. De zondaar kan immers aan geen enkele voorwaarde voldoen. Het aanbod van genade komt zonder onderscheid tot alle mensen, op geen enkele voorwaarde. Koopt zonder geld!
Maar, zo denkt u misschien, er zijn toch ook in Gods Woord wel voorwaardelijke beloften? Dat is ongetwijfeld waar. Bijvoorbeeld: "Zo gij Hem zoekt, Hij zal van u gevonden worden” (2 Kron.15:2). Zo zijn er talloos vele. Ik moet eerst dit doen en dan zal de Heere dat doen. Bidt en gij zult ontvangen. U ontvangt, als u bidt (voorwaarde).
Bedenk dan dat er ook weer andere beloften zijn, die deze voorwaarden beloven te vervullen. De Heere bedient Zich van allerlei voorwaarden, opdat we daardoor Gods recht en onze schuldige onmacht zouden leren verstaan.
Hoezeer denken wij altijd weer voorwaardelijk. Als ik maar zo was, dan zou het wel beter zijn. Als ik maar meer ernst had en meer zondekennis had, dan zou ik wel mogen geloven in Christus. Zodoende verwerpen we Christus en houden we vast aan onszelf. Deze voorwaarden gelden wel, maar alleen Christus heeft ze allen vervuld. De Heere gebruikt  de voorwaarden, om ons te leiden tot het onvoorwaardelijke leven. Voorwaarden bepalen ons dieper bij onze nood en verlorenheid, om zodoende te meer de rijkdom van Christus te mogen beleven door het geloof. Dat bedoelde Augustinus: Geef wat Gij eist en eis wat Gij wilt.
           


Utrechtse Synode        2010  

Het jaar 2010 is een Synodejaar. Het zou voor de hand liggen enige aandacht te geven aan de besluiten van onze Generale Synode. Op dit moment echter wil ik dat niet doen, omdat de Synode nog niet beëindigd is. Laat men in Nunspeet rustig het werk doen, zonder voorbarige commentaren. Daarom iets anders. De Geref. Gemeenten hielden ook een Generale Synode.

Er zijn opvallende verschillen met de GS van onze kerken. Dat geldt al in uiterlijk opzicht; de verschillen strekken zich uit tot aan de publieke tribune toe. Een ander klimaat en een andere uitstraling.
Vooral echter de agenda is anders; meer afgeslankt en minder tijdrovend. Belangrijk wat er wel op staat en ook wat er niet op staat. Ik begin met het laatste. Allerlei interne kerkelijke problemen strekken zich niet zover uit dat ze de vergadering in de Utrechtse Westerkerk bereiken. Er bestaan wel interne verschillen, maar deze lijken meer beheersbaar en men gaat er anders mee om. Van tijd tot tijd vallen er wel stenen in de  vijver, maar de gelederen worden daarna weer gesloten. Er staan geen voorstellen op de agenda die liturgische vernieuwing beogen. Er wordt weinig of geen aandacht besteed aan kerkelijke eenheid met die kerken die ter linkerzijde zich bevinden.
De liturgie ligt vast. Zaken als vertaling, psalmberijming, formulieren en liturgische orde geven geen waarneembare spanningen. Dat moet toch wel een aangename rust geven. Men is het over veel nog eens. Maar ik besef dat ik nu te veel zeg. Ik weet immers ook dat men het over veel niet eens is. Ik denk aan het dikke boek van van der Zwaag: "Afwachten of verwachten”. Maar het zijn meer de geestelijke vragen die een deel van de mensen bezig houden. Ook deze geven veel strijd en over deze verschillen heb ik mijn  zorgen, ook als het gaat over de GG.  Maar men houdt elkaar vast want het kerkelijk besef is waarschijnlijker sterker dan bij ons. Een vergelijking met onze Synode brengt dus duidelijke verschillen aan de dag.
Ethische thema’s trekken minder Synodale aandacht. Waarschijnlijk omdat men ervan uitgaat dat standpunten daarover vast liggen en niet ter discussie staan. Voorzover ik weet stond een actueel thema als homosexualiteit niet op de agenda. Niet vanwege het feit dat deze discussie ook binnen de gemeenten niet zou worden gevoerd; dat zeker wel. Ik denk aan de artikelen die een paar jaar geleden in de Saambinder over dit thema verschenen. Ik noem verder de gefundeerde artikelenserie over de Evangelische beweging. Men heeft er dus daar zeker ook mee te maken, maar men weet deze onderwerpen meer buiten de schijnwerpers te houden.
Ik noemde al de vragen naar kerkelijke eenheid. Een handrijking naar onze kerken zit er niet in. Zelfs de lijn naar de HHK blijft grotendeels binnenboord. De behoefte aan dergelijke contacten is niet aanwezig. Men lijkt genoeg te hebben aan het eigen kerkverband. Wel zoekt men naarstig naar meer eenheid met de Uitgetreden GG ter rechterzijde. Dat is historisch en geestelijk verklaarbaar. Veel meer verklaarbaar dan dat men ooit erover denken zou om de poort te openen naar de Vrijgemaakte kerken. Deze zijn niet in beeld. Hoewel? Op het gebied van de gezondheidszorg werkt men wel samen, maar, heel opmerkelijk, dat heeft geen consequenties voor enigerlei kerkelijke verbroedering.
Ik denk dat onze Synodeleden jaloers zullen zijn op deze agenda. Je zou het denken, maar het geldt natuurlijk niet kerkbreed. Ik zelf zeg maar in alle oprechtheid dat deze vergaderstijl en deze kerkopvatting mij in dit opzicht aanspreekt. Natuurlijk weet ook ik wel dat er op het grondvlak verschuivingen optreden. Leden zoeken soms bijna massaal de andere kerken op. Over een zaak als de toeëigening hebben wij ook verschillen met de GG, maar ik wil die verschillen nu niet overaccentueren.
De repressiemethodiek van het sluiten der gelederen werkt in de hand dat mensen de gemeenten verlaten. Maar of de resultaten bij ons, die andere lijnen volgen, nu beter zijn? Het blijkt meermalen dat leden die de Gemeenten verlaten, het ook in bijvoorbeeld onze kerken op den duur niet kunnen vinden om zodoende te belanden in de vrije groepen. Aan dat verschijnsel kan ik in dit korte bestek geen aandacht geven, maar het feit is bekend. Het betekent wel dat het eigen verband duidelijker in vorm blijft. En de kerken worden er niet leger om.
Ik voel mij niet in staat of bevoegd om een heldere visie te ontwikkelen op al deze verschillen, maar ik ben geneigd, ondanks de dreigende gevaren ook naar deze richting, mijn waardering uit te spreken voor deze gang van zaken. Dit doet geen afbreuk aan het meevoelen met hen die het klimaat binnen de GG in geestelijke opzicht als beklemmend en zelfs als verstikkend hebben moeten ervaren.

Wat stond er wel op de agenda? Ik noem een paar dingen. Men heeft volgens de pers vrij uitvoerig gesproken over de openheid van de kerkdienst. Het is een algemeen verschijnsel dat veel kerkdiensten te volgen zijn via internet. In de GG gaat men hiermee anders om. Er is terughoudendheid om de diensten zo maar voor iedereen toegankelijk te maken. Sommige afgevaardigden hebben nadrukkelijk verklaard dat dit niet voortkomt uit de vrees om openlijk voor het beginsel uit te komen. Er kan immers een tijd komen, dat instanties als het COC zich zullen werpen op onze diensten om op grond daarvan juridische aanklachten op te stellen. Zoals NSB’ers in de oorlog in kerken aanwezig waren om voorgangers te kunnen betrappen op hun betwijfelde loyaliteit jegens Hithler. Bezwaren tegen een al te open houding vanuit de diensten naar de buitenwereld zijn van een iets anders orde, naar ik meen. Er worden immers in de kerkdiensten voorbeden gedaan. Er worden persoonlijke situaties genoemd van mensen in bijzondere omstandigheden. Is ieder lid er wel van gediend dat zijn personalia open en breed uitgestald worden voor het forum van de straat? Op zijn minst is het goed om deze zaken te doordenken en toetsend toe te zien of er geen privé deuren opengaan, terwijl "men” daar toch feitelijk niets mee te maken heeft. Het hangt mede ook af van de kiesheid van de voorganger, waarmee hij persoonlijke zaken benoemt. Misschien ligt hier wel een gevoelig punt. Er zijn soms kanseldienaars die kwalen en situaties tot in de finesses behandelen voor de gemeente. Daarvoor moeten we ons hoeden. In de politiek wordt door velen gewaakt over de privacy van mensen. En terecht. Het electronisch patiëntendossier en de omgang daarmee wordt angstvallig bewaakt door bepaalde organisaties. Predikanten zullen in het algemeen moeten beseffen dat terughoudendheid  betracht moet worden in het openbaar als het gaat over het wel en wee van de gemeenteleden.
Er is nog een aspect. Een predikant, sprekend tot zijn eigen gemeente, zal moeten ingaan op de specifieke noden van die gemeente. Het zal dan ook gaan over gemeentelijke zonden en heersende praktijken, die zich voordoen. Is dat dan tegelijk ook bestemd voor Jan Rap en zijn maat, zoals Kuyper beeldend sprak over de man van de straat? Dat kan niet het geval zijn. Nog iets: ik weet dat diensten worden beluisterd vooral om de mededelingen die op een bepaalde zondag vanaf de kansel werden gedaan in verband met een kwestie in die gemeente. Zodoende kan kerkelijke roddel in de hand worden gewerkt.
Daarom vond ik het wel terzake dat men op de Synode van de GG deze dingen duidelijk heeft willen doordenken. Het zou goed zijn als kerkenraden ook beleid zouden ontwikkelen op dit punt. Een gemeentegids geven we zo maar niet op verzoek aan allerlei instanties; hoe veel te minder moeten we dus allerlei privé zaken aan de grote klok willen hangen.
De Synode heeft ook uitgebreid gesproken over de jeugd. En hier doet zich een opmerkelijk verschijnsel voor. Ik trof dat ook aan in De Saambinder. Beschouwingen werden mede vastgeknoopt aan de enquête die de LCJ uit onze kring, onlangs heeft gehouden. Ik vond dat opmerkelijk. Men schatte de eigen situatie niet beter in, maar er werd een lijn van verbondenheid zichtbaar. Dat juichen we natuurlijk toe. Er zijn problemen die we gezamenlijk moeten aanvatten. Hopelijk zal deze wolk als eens mans hand zich nog eens duidelijker openbaren als een milde regen, welke dan door de hand des Heeren zal worden bewerkt.

Ik laat het hierbij. Ik heb het nog niet gehad over de regeringsverklaring die het nieuwe kabinet heeft gepresenteerd met daaraan gekoppeld de politieke verhoudingen. Ik had daar ook sterke neiging toe. Ik heb echter aan de kerkelijke lijnen voorrang willen geven.
Zo zijn er telkens weer zaken die vragen om aandacht. Ook dat bericht over een stewardess bij de KLM, die ontslagen werd (en volgens de rechter terecht) omdat zij een alternatieve haardracht demonstreerde. In de kerk zou men zeggen: Waar bemoeit u zich mee? Maar ik denk dat zo’n bericht ons ook aan het denken moet zetten. Blijkbaar heersen er in de wereld ook bepaalde vormen. In de kerk zou deze zaak best meer accent mogen krijgen, omdat Gods Woord er duidelijk over spreekt. We hebben het meer over de hoed dan over het haar van de vrouw. Ik heb me daar al vaak over verbaasd. Denk er zelf maar eens verder over na. Want, wat we ook doen, het moet alles gedaan worden ter ere van God.

           

 

 

 

 

 

 

 

 

GEESTELIJKE EENHEID        2011

Over vijf jaar fusie CGK, GKV en NGK. Zo luidt de mening volgens een bericht in het RD van Prof. Dr. R. Kuiper. Deze gedachte werd gelanceerd tijdens een bijeenkomst van het Gereformeerd Appèl. Natuurlijk, het is een mening van iemand, die dit verkondigt op particulier initiatief. Op grond daarvan zouden we kunnen zeggen: Wij hoeven hier geen aandacht aan te geven. De spreker stelde zelfs dat genoemde kerken over vijf jaar gefuseerd móeten zijn. Dat is wel een hele mond vol!

Niet teveel aandacht dus aan dit woord dat als een dwangbevel overkomt. Tegelijk besef ik dat de uitgesproken mening in grote delen van deze drie kerken leeft. Dus kunnen we het ook weer niet negeren. Vanuit de bewoordingen van dr. Kuiper lijkt me dit een eenheid vanuit de méns. Daarom wil ik met u nadenken over eenheid, zoals deze gewerkt wordt door Gods Geest. Vanuit het negatieve wil ik het positieve belichten.
Want we zijn als lezers van ons blad met elkaar natuurlijk niet tegen een gefundeerde eenheid. Daar moeten we zelfs hartelijk naar verlangen. Op het Pinksterfeest werd eenheid gewerkt door de grote daden des Heeren. Gods Woord roept ons op tot een waarachtige eenheid. Waar Gods Geest van bovenaf gaat werken, daar vinden mensen van allerlei origine elkaar. De menigte die op de Pinksterdag bijeen was, was naar menselijke maatstaven gemeten onderling sterk verdeeld. Er waren verschillende factoren die een echte eenheid in de weg stonden. Ik noem er enkele.
Er waren vrienden van de Heere Jezus aanwezig en dan denk ik aan Zijn discipelen en verdere volgelingen. Daartegenover stond een machtig aantal vijanden van diezelfde Christus, want zij hadden Hem gekruisigd. Hoe zou er nu toch ooit eenheid kunnen ontstaan tussen groepen, die onderling zo sterk verdeeld zijn? De preek van Petrus had een geweldige oorlog kunnen ontketenen tussen de voor- en tegenstanders van het kruis van Christus. Deze kloof lijkt veel dieper dan die welke allerlei Gereformeerde belijders van nu scheidt. Vergeten we echter niet dat diezelfde tegenstelling ook onze Gereformeerde wereld beheerst; vriend en vijand zitten verscholen in kerkelijk Nederland, in onze kerken evenzeer en onder ons als bewaarders van het pand niet minder. Het feit dat we allemaal eenzelfde belijdenis ondertekenen, maakt alles alleen nog maar ingewikkelder. De scheidsmuren worden werkelijk niet veroorzaakt door rationaliteit en een overtrokken neiging tot schematisering, zoals Prof. Schuurman simpelweg stelde.
Er was verder te Jeruzalem nog een zaak die de mensen van elkaar had kunnen vervreemden. Het is een factor die juist in onze tijd in kerken en gemeenten mensen uit elkaar drijft. We zouden het kunnen aanduiden met het moderne woord: communicatie. Wie brengt de boodschap over en hoe doet hij dat? Er was op de persoon van Petrus heel veel aan te merken. Hoe kon hìj nu naar de microfoon grijpen en de kansel beklimmen? De discipelenkring had op dit punt best wel uiteen kunnen vallen. Wij weten vanuit onze tijd dat dit geen vreemde dingen zijn.

Toch gebeurde het wonder: de menigte van zo verschillende samenstelling, werd samen gesmeed tot een hechte gééstelijke eenheid. Waardoor kwam die vereniging, die fusie tot stand? Allereerst door de uitstorting van de Heilige Geest. Al had Petrus nog honderd preken gehouden, zonder die Geest zou er geen enkele stap gezet kunnen zijn in de richting van  ware broederschap. Een geweldig gedreven wind dreef allen bijeen. De taal die verstaanbaar was voor allen, overbrugde elk verschil. Zeker, er bleven spotters en ook hun stem werd gehoord. Maar de hoofdstroom was toch een menigte die samenkwam en beroerd werd.
Natuurlijk zal men dat allerwegen wel erkennen, maar dat is bij velen misschien toch ook niet meer dat een stukje "rationaliteit”. We kunnen dat verstandelijk wel zeggen, maar zonder inleving daarvan brengt het ons nergens. Als Gods Geest krachtig gaat werken, worden allerlei menselijke beraadslagingen en synodale uitspraken van minder gewicht. Ik zou toch van harte wensen dat de drie genoemde kerken (om me daartoe nu maar te beperken) door deze Geest zó zouden worden bepaald. Dan zou ik persoonlijk echt wel vrijgemaakt kunnen en willen worden. Ik zou echter ook van harte hopen dat wij met andere kerken zoals de HHK en de GG zo met die Geest vervul zouden zijn. Dan zou ik zeker met hetzelfde of met meer gemak HHK of GG kunnen zijn. IK mag dus uiteindelijk maar hopen en bidden dat ik zelf en velen rondom mij door die Geest zouden  mogen worden bezield.
Maar de eenheid die vanuit de mens "moet”, heeft zoveel woorden en samenscholingen nodig. Er moeten zoveel mensen aan te pas komen. Er moet zoveel gelijmd en er moet zo veel bezworen worden…..

Deze Pinksterkerk werd dus geleid door de Geest. Maar ook door het Woord. Gods Geest schakelt menselijke woorden in. Wat waren dat voor woorden? Waaruit bestond de preek van Petrus? Had Petrus bij wijze van spreken tussen onze deputaten in kunnen zitten? Hij ging absoluut niet de verschillende uiterste standpunten naar elkaar toebuigen. Dat doen wij mensen al te vaak. Hij ging integendeel de verschillen uitvergroten. Hij durfde de mensen ernstige verwijten te maken. "Deze Jezus Die gíj gekruisigd hebt….”. Zo hoort het ook. Juist de verschillen eerlijk onder woorden brengen en vanuit die verdeeldheid en verscheurdheid zoeken naar een hecht fundament. En dat fundament is de vergeving der zonden in het bloed van Christus. En die vergeving hebben we allemaal nodig, in welke kerk we ons ook bevinden. Petrus zou dus ook eerlijk spreken over de scheidsmuren die er nu in deze eeuw  zijn. In ieder geval sprak hij over het bekende thema van de toeëigening en dat kon hij gemakkelijk doen omdat zij allen verslagen waren en smeekten om genade. Ik denk dat de ploeg van Petrus wel enkele spaden dieper ging dan ons preken en spreken over deze toeëigening. Maar in die weg kwam men ook tot de gave van de Heilige Geest en tot de Naam van Jezus Christus tot vergeving der zonden. En waar deze dingen zo leven, daar is het vanzelfsprekend dat men volhardt in de leer der apostelen, in de gemeenschap, in de breking des broods en in de gebeden. Wat een sterke eenheidsbeleving. De kern heeft hen verbonden.
Ik krijg bij vergelijking met die prediking tegenwoordig wel eens de indruk dat kerken elkaar vinden omdat ze met elkaar steeds dieper worden gedrenkt in de geest des tijds. Die geest kan namelijk ook verbinden en daar moeten wij allen voor oppassen.
Zo werd de diep verdeelde massa te Jeruzalem door Woord en Geest eerlijk bijeengebracht. En ik misken niet de ernstige pogingen van kerkelijke broeders om tot elkaar te komen. En ik wijs het ook niet af als kerken, die elkaar benaderen, elkaar de hand willen geven. Vanuit menselijk oogpunt begrijpen we dat ook wel. Maar toch: als we niet spreken naar dit woord dan hebben we geen dageraad. Is het vanuit de mens of vanuit Gods Geest? Het is op z’n minst nodig om dat blijvend te onderzoeken.

Deze eenheid moeten wij begeren en daarom mogen we bidden. Als de drie kerken zo tot elkaar zouden komen, was daar alles voor. Vanuit de Pinkstergeest zou zelfs de gehele kerk van Nederland kunnen samengroeien. Eén van de initiatiefnemers van de Nationale Synode gaf onlangs aan (ik las het ergens) dat Rome ook in het verschiet ligt in het nieuwe Dordrecht. Daar wil men heen, al geldt dat niet van allen. Vanuit de bediening van Gods Geest kúnnen vriend en vijand elkaar vinden. Maar zo ook alleen. De tegenwoordige pogingen tot fusie en eenheid doen te veel denken aan een werk vanuit de mens. En als kerken elkaar op die manier vinden, hoeft er maar een splinter te komen, die opnieuw allerlei ontstekingen veroorzaakt.
Maar, zo vraagt u, is dit nu zo’n grote tegenstelling? Gebruikt Gods Geest geen menselijk overleg? De Heere werkt toch middellijk? Zeker waar, maar komen kerken  tot elkaar vanuit de doorleving van de volle waarheid van Pinksteren? Hebben onze preken die kracht? Of slaan we ongemerkt en onbedoeld die noodzakelijke voorwaarde over? Kan het samengaan met de leer en de Geest van Pinksteren dat de kerk verzwakt en de prediking verarmt? Daarom zullen er blijven, als God het wil, die heel deze eenheidsbeweging wantrouwen  en uiteindelijk afwijzen.
Er gaat in onze kerken misschien ook een situatie ontstaan, waarin we moeten zeggen: we kunnen niet mee. Later werd er bijgezegd: we kunnen ook niet weg. Dat tweede scoort onder ons minder hoog. Toen, in 2004, bleef er geen Hervormde Kerk over. Dat was de pijn, ook voor mensen die wel bleven. Wij zien in de toekomst, dat er geen Christelijke Gereformeerde Kerk meer overblijft. Dat veroorzaakt een proces van versnelde vervreemding. Laat het een geestelijke klacht zijn: Wij zien onze tekenen niet. Dan kan de kerk niets anders doen dan uitgaan op de voetstappen der schapen en weiden bij de woningen der herders. We kunnen onze kerken niet bewaren, we moeten wel het begínsel van die kerken meedragen en hoog houden. Maar dat kan alleen door de kracht van Gods Geest. Daar ligt de uitkomst. Gods Geest werkt als wij het niet meer weten. Ziende op de kerk van Nederland, kunnen  we de bekende vraag stellen: "Mensenkind, zullen deze beenderen levend worden?” Het antwoord kan alleen maar zijn: "Heere, Gij weet het”.

             

CGKV

Reeds meermalen heb ik in deze rubriek de samenwerking met de Geref. Kerken Vrijgemaakt aan de orde gesteld. Het bleef daarbij beperkt tot algemene standpunten en inzichten. Er kwam nu een vraag bij ons bestuur binnen over een situatie in de praktijk, zoals deze gestalte krijgt in een plaatselijke gemeente. Ik verleen deze vraag voorrang gezien de urgentie hiervan. De vraagstellers stellen belangrijke vragen, die naar ik verwacht, bij meerderen in onze kerken leven.

Ik onthoud mij voorlopig van het noemen van namen en plaatsen. Het is echter mogelijk dat men punten van herkenning aantreft in het onderhavige geval. In onderstaande vragen wordt dieper nagedacht over de uiteindelijke consequenties die een nauwere vorm van samenleving met de GKV heeft. De vraag luidt als volgt:

"De samenwerking met G.K.v. (in overleg.met de Classis) is thans zover gevorderd dat nà de a.s. najaarsclassis – en er tussentijds geen verhindering ontstaat – het definitieve samengaan met de vrijgemaakten per 1 jan.2013 zijn beslag zal hebben gekregen, met als naam  CGKV! Daarbij hebben ondergetekenden, die Chr. Geref. wensen te blijven o.a. de volgende vragen: Heeft de kerkenraad (plus een deel van de gemeente) die deze samenwerking aangaat (en in praktische zin reeds aangegaan is) de gemeente, en daarmee de C.G.Kerk verlaten?”

Als de zaak niet zo ernstig was, zouden we kunnen spreken van een interessante vraag. Deze vraag is voor mij nieuw, maar dat heeft te maken met het feit, dat de betreffende kerkenraad voor mijn gevoel een nieuwe fase van samenleving heeft bedacht. Onze kerkorde heeft voorzover ik weet, geen maatregelen getroffen voor een geval als het onderhavige. Er is in bijlage 8 van de Kerkorde niets te lezen over een zo verregaande vorm van samenleving. Heb ik mij daarin vergist, dan is er te meer reden om de noodklok te luiden. De betreffende kerkenraad overstijgt onze kerkorde omdat er in de KO nergens gesproken wordt over een naamsverandering, die verstrekkende gevolgen heeft. Ik begrijp de zorg van de vraagstellers en val hen daarin bij. Het is, nogmaals gezegd, voor mij een extra reden om deze vragen volledige voorrang te verlenen.

De vraag spreekt van een definitief samengaan, terwijl onze KO elke vorm van samenleving "voorlopig” noemt. Nu de kerkenraad zelfs denkt aan een nieuwe naam, doet deze zaak denken aan het dilemma waar veel leden uit de oude NHK voor stonden bij de fusie in 2004. Zet de NHK zich voort in de PKN, of houdt deze op te bestaan. Er is een spreekwoord dat men Roomser dan de Paus wil zijn; een soortgelijke situatie vinden we dan ook hier.

Ik begrijp overigens dat de classis hieraan nog een fiat moet verbinden; mijn belangstelling is temeer gewekt naar de afloop van dat besluit.

U begrijpt allen wel met mij dat het hier om belangrijke zaken gaat. Voorop moet ik stellen dat voor de meesten van ons der kerkordelijke onderbouwing al niet meer de hoogste prioriteit heeft, omdat we inhoudelijk het gehele concept van deze samenleving afwijzen. Wat zegt onze kerkorde hierover? Ik stel naast elkaar twee bepalingen uit Bijlage 8. Oordeelt u zelf!

"De nauwere samenleving is zuiver plaatselijk en mag niet worden gezien als een vereniging tussen de betrokken kerken of als het constitueren van een nieuwe kerkformatie. De plaatselijke kerk behoudt haar zelfstandig karakter wat leer, dienst en kerkregering betreft totdat het eventueel komt tot verdere stappen op weg naar plaatselijke eenheid” (Bijlage 8, 1b).

"Bij de voortgang van het nauwer samenleven kan het komen tot een samenwerking waarbij de plaatselijke gemeenten vergaderen als één gemeente, uitkomend in de eenheid van leer, dienst en kerkregering, onverminderd het bepaalde in 1b en 1c inzake het zuiver plaatselijke en voorlopige karakter van deze nauwere samenleving” (3c).Ik krijg het gevoel als ik dit lees, dat de bekende Synodale vaagheden ook hier hun tol weer geëist hebben. Het is niet eenvoudig de beide bepalingen met elkaar in harmonie te brengen. Wat ernstiger is: ieder kan hiermee weer een eigen richting kiezen en een eigen uitleg aanhouden. Het is dus geen vereniging tussen de betrokken kerken of het constitueren van een nieuwe kerkformatie (1b). Maar het mag wel komen tot de vorming van één gemeente !), uitkomend in de eenheid van leer, dienst en kerkregering….. Maar dat moet dan weer onverlet laten, wat er staat over de voorlopigheid enz. enz (1b). Hier zijn zoveel vragen te stellen dat ik nauwelijke de moed heb er aan te beginnen.

Waar is nu de beleden voorlopigheid als alles al één verklaard is? Welke voortgang is er verder nog, als de finish al bereikt is? Hier is het echt: elk wat wils. U kunt er alle kanten mee op. Dezelfde ambivalentie die ook ligt in het besluit (met eigen woorden gemakshalve vertolkt): Synodaal een halt, maar plaatselijk op naar de top.

 

?xml:namespace>

De vraagstellers hebben te maken met progressieve stappen van hun kerkenraad. Deze stappen worden ondubbelzinnig onder kritiek van de KO gesteld (1b). Er blijft geen zelfstandig karakter meer over voor de kerkenraad van de CGKV. Men heeft dat ingeleverd.

Men heeft verder in die gemeente een nieuw kerkverband geconstitueerd. De classis krijgt het gemakkelijk. Hopelijk gaan de broeders niet moeilijk doen, als zou de zaak "gecompliceerder” liggen dan men zou denken. Maar de kerkenraad op zijn beurt zal denkelijk als volgt argumenteren: wij zijn in de lijn van de KO "voortgegaan”. Wij zijn nu één gemeente, omdat we in álles één zijn (behalve in de naam [Rs]). Nu wordt het toch weer gecompliceerder dan ik  denk. Ik vrees dat dergelijke bepalingen debet zijn aan de verwarring in ons kerkverband, waar de vraagstellers terecht de vinger bij leggen. De concrete vraag is: Heeft de kerkenraad met deze besluiten nu het kerkverband verlaten? Er lijkt me, afgaande op wat ik nu op dit moment weet en begrepen heb van deze situatie, reden tot deze suggestie. Althans zal de betrokken kerkenraad er goed aan doen zich op deze consequenties te beraden. En als de classis deze weg verder meebewandelt, is de gehele zaak van de eenheid gefuseerd geraakt tot een nog verdere voortgang. Want dan is er weer een precedent. Ik ga er oprecht van uit, dat noch de kerkenraad, noch de classis deze ontwikkelingen beogen. Op kerkrechtelijke gronden. Maar op inhoudelijke heb ik dat vertrouwen niet zo duidelijk. Als we eerlijk concluderen moeten we zeggen dat het gros van onze kerken dit namelijk wel wil. En dat we wat geruststellende gedachten inbouwen om iedereene rustig te houden en tevreden te stellen. Nu zou ik wensen dat de suggestie van de vraagstellers (namelijk een breuk met het kerkverband van de CGK) positief beantwoord zou kunnen worden. Het zou voor onze kerken de best aannemelijke oplossing zijn. Begrijpt u mij niet verkeerd: ik wil hiermee allerminst zeggen dat ik onverschillig sta tegenover een verlies van zoveel leden en gemeenten en broeders. Maar de gegeven situatie leidt vanzelf tot de gedachte dat de vorming van een nieuw kerkverband (CGKV) voor ons eigen kerkverband de minst schadelijke weg zou zijn. Wij als blijvers zullen dan direct bereid zijn om het resterende verontruste deel van de GKV op te nemen. Hopelijk leidt deze vraag tot een kritisch zelfonderzoek binnen onze kerken.

 

?xml:namespace>

Maar de vraag bevat nog een ander element: heeft de kerkenraad zodoende ook de gemeente verlaten? Hier schiet mijn kerkordelijke inzicht tekort. Dit gaat mijn verbeelding te boven. Ik ben sterk geneigd deze vraag met een "ja” te beantwoorden. Maar degenen die behoorden tot het gereformeerde deel van de oude NHK, hebben met deze vragen meer ervaring. Al moet ik opmaken uit de verschillende standpunten, dat deze vraag zeer verschillend beantwoord wordt. De kerkenraad zal deze conclusie niet willen trekken; de classis ook niet. Maar men dient zich af te vragen of men ongewild aanleiding geeft tot dit soort vragen. Hoe dan ook, we hebben hier te maken met een discussie, die verstrekkende gevolgen heeft.

De vraagstellers stellen nog enkele vragen, die m.i. de discussie verlengen  "ad absurdum”. Er is aanleiding tot deze vragen, maar ze voeren ons tot een onvoorstelbare situatie. Men vraagt of de kerkenraad met een dergelijk besluit zich schuldig maakt aan trouweloze verlating. Men vraagt verder naar de positie van hen die CGK (willen) blijven? Vormen zij nog een gemeente? Hebben zij  nog rechten?

Ik denk dat dat laatste niet het geval is. In onze KO is het namelijk zo, dat de de kerkenraad, die de gemeente vertegenwoordigt, autonoom is. Natuurlijk alleen in dat geval als men de gemeente werkelijk vertegenwoordigt. En als de zaken kerkrechtelijk uitgeprocedeerd zijn, d.w.z. dat de verontruste leden de kerkelijke weg van appèl zijn gegaan; maar men herinnere zich hetgeen ik ooit geschreven heb over de kerkelijke weg).

Uit deze vragen moeten we wel concluderen dat de minderheid telkens en overal in de kou komt te staan. Dat is niet terecht, maar het is tegelijk wel praktijk. Gaat het over onbeduidende zaken dan moet men zich onderwerpen. Gaat het over principiële dingen, dan kan dat niet. En daarmee kom ik bij een vraag mijnerzijds: Wat kunnen wìj voor leden als deze vraagstellers, betekenen? De vraag werd gesteld aan het bestuur van onze stichting. Deze vraag blijft nog op tafel liggen en vraagt om bezinning.

Men zou na lezing van dit artikel kunnen denken dat ik een sterk anti-standpunt heb vertolkt. Ik begrijp dat, maar ik vraag u te overwegen of ik juist niet in sterke mate een pro-geluid heb laten horen, door namelijk te denken en te handelen in het belang van ons eigen kerkverband. Dat kan de kerkenraad voornoemd nauwelijks zeggen. Zelfs onze GS kan dat niet zeggen. Ik wil echter alleen maar denken in het belang van ons kerkelijk beginsel. Dat is nog belangrijker dan het belang van onze kerken. Hiermee stel ik dat onze kerken in een grote crisis verzeild zijn geraakt. Deze had kunnen voorkomen worden als men van Kreta niet was afgevaren. Ik voor mij denk steeds duidelijker aan onze toekomst als een gewoon blijven wat we zijn, namelijk Christelijk Gereformeerd. Dat lijkt me voor onze gemeenten maar de beste weg, zonder allerlei overhaaste stappen in welke richting dan ook. Laten we elkaar vasthouden, als er getrokken wordt aan de broederschap. Moge de Heere de staven Lieflijkheid en Saambinding , voorzover deze er nog zijn, niet verbreken. Na dit geschreven te hebben, voel ik ook de behoefte om in de komende tijd eens met u na te denken over de ware eenheid. Waarmee ik  niet oordeel over de eenheid van een eventuele CGKV, maar waarmee ik wel een veiliger weg zou willen gaan.

 CG

KV (2)

?xml:namespace>

In een vorig artikel ging het over de problemen die ontstaan voor hen die zich niet kunnen vinden in een samensmelting van onze kerken met de GKV en de NGK. Er werden stevige kerkordelijke vragen gesteld. Deze brachten aan het licht dat er een nieuw kerkverband dreigt te ontstaan, als er een nieuwe naam gebruikt gaat worden. Dat laatste roept weer veel nieuwe vragen op. Ik heb daarna voor mijzelf nog eens enkele zaken nader op een rij gezet.

Want kort na mijn artikel hoorde ik dat het bijna een algemeen gevolgde weg wordt dat de meeste samenwerkingsgemeenten zich bedienen van de naam CGKV of i.d. Ik kreeg na mijn vorige artikel inzage in een ontwerp van samenwerking van een gemeente; dit moet nog dienen op de najaarsclassis. Hierin worden opzienbarende ideeën gelanceerd. Of gaat het hier om de bekende proefballon? Men wil handelen in het kader van het Burgerlijk Wetboek (!). De samenwerkingsgemeente wordt geacht rechtspersoonlijkheid te bezitten. De naam van "het nieuwe kerkgenootschap” (letterlijke aanhaling) zal dan zijn CGKV. Beide kerken gaan samen in deze "juridische eenheid”. Dit zijn zeer officiële aanduidingen. Elke zweem van voorlopigheid is hier ver te zoeken. Het gaat hier over een andere gemeente dan die waaruit de vraagstellers komen; het statuut, waar ik nu uit geciteerd heb, maakt de gestelde vragen van de vorige keer des te actueler. Er ontstaat een nieuw kerkverband! Normaal gesproken kan dit niet anders betekenen dan dat er afstand genomen wordt van het oude kerkverband (CGK). Mijn vraagstellers hebben scherp en terecht aangevoeld dat de consequenties hiervan verstrekkend en onomkeerbaar zijn. Het geeft tevens aan dat helaas velen slapen als het over zulke zaken gaat. Ook bewijst deze gang van zaken dat allerlei stappen op hoog of laag niveau niet alleen slecht voorbereid en ondoordacht blijken, maar ook dat we moeten spreken van een sluipend proces, dat ons eigen kerkelijke leven op losse schroeven zet en eerlang volkomen ontmantelt. Misschien moeten we ook denken aan zandstrooiers. In zaken van echtscheiding komt het voor dat de man op een goede dag thuiskomt met een andere vrouw en de eigen vrouw sommeert het huis te verlaten. Er is sprake van enige overeenkomst. Je koopt een nieuw huis terwijl het oude nog niet verkocht is en dus ontstaat er een moeilijke situatie. Terugkomend op de eerste vraag van de vorige keer: we hebben op grond van bovenstaande gegevens reden om te zeggen dat de groep CGKV-ers metterdaad ons kerkverband zal verlaten. Er wordt een nieuw kerkverband gesticht. Ook de volgende vraag krijgt meer dan alleen een schijn van recht: "Is dit verlaten in kerkrechtelijke of  kerkordelijke zin trouweloze verlating te noemen?  Onze gedachte hierbij is namelijk dat de kerkeraadsleden eigenlijk hun ambt hadden moeten neerleggen en na aanvrage van hun lidmaatattest hadden kunnen heengaan! Is dat juist?”

Deze weg lijkt me kerkordelijk en juridisch de enig mogelijke.” Wat wordt de positie van het (C.G.) blijvende deel nà 1 januari 2013, aangezien gesteld moet worden dat er dan geen CG.Kerk meer in xx aanwezig is!? Vormt dit blijvende deel nog een gemeente, maar zonder kerkeraad? Of is door de daad van kerkenraad het blijvend deel ontkerkelijkt geworden?” Wat betreft de trouweloze verlating: dit is een zware term, maar het blijft altijd weer steken dat men de eenheid met het eigen verband van minder belang acht ter wille van nieuwe kerkelijke vrienden.

Het zijn allemaal lastige vragen, die echter wel terecht gesteld mogen en moeten worden. In dit licht worden allerlei handelingen van gemeenten die dergelijke stappen ondernemen, ondoordachte acties. Ik kom nu weer terug bij het statuut, waaruit ik geciteerd heb. Er zijn nog meer  verrassingen. Het blijkt immers verder dat de CGKV de enige vertegenwoordiger is richting de GKV alsook richting CGK. Predikanten uit de GKV kunnen binnen de CGK functioneren in volle rechten plichten. Dus ook als zij deel uitmaken van een meerdere vergadering. Voila! Het wordt nog ingewikkelder: "De samenwerkingsgemeente maakt onderdeel uit van de GKV en de Chr. Geref. Kerken in Nederland”. Het Vrijgemaakte deel van de gemeente heeft zich een wettige plaats weten te verwerven binnen het verband van de CGK. De samenwerking wordt ons dus allen opgedrongen en we worden op termijn allemaal meegesleept in deze stroomversnelling. Ik kan het ook zo zeggen: 1834 is ingehaald door 1944, zowel materiëel alsook formeel. Dus gaan onze kerkelijke vergaderingen ook dit gemengde beeld vertonen. Wat gewoon CG is, moet dit over zich laten komen, zonder te weten waar we terecht komen. Maar wilt u dat ook gaan doen? Ik acht het niet onmogelijk dat zij die gewoon CG willen blijven, gaan nadenken over eigen officieus-kerkelijke vergaderingen; deze dienen dan om de eigen CG bloedgroep in stand te houden en om gewoon te blijven wat we altijd geweest zijn.

Maar u vraagt of dat dan persé moet? Is dit nu zo’n ramp? Om dit duidelijk te maken geef ik hieronder een citaat, waarin de bezwaren van Prof. Douma tegen ontwikkelingen in zijn kerkverband onder woorden gebracht worden. Hij is zelf vrijgemaakt en behoort tot een minderheid die bezwaard is over de ontwikkelingen binnen de eigen kerken. Oordeelt u dan zelf: "De dissertatie van de christelijke gereformeerde dr.S. Paas, docent aan de vrijgemaakte universiteit wordt door Douma als schriftkritisch bestempeld. Er is daarmee onzekerheid gekomen of de universiteit als instituut nog wel voor de betrouwbaarheid van de Schrift staat.  Douma laakt het dat velen de tweede dienst verzuimen om reden dat men liever de middag vrijaf neemt. Hij merkt op dat allerlei verfraaiingen en vernieuwingen niet helpen het verzuim te verminderen. Ten onrechte wijst de nieuwe concept kerkorde niet aan dat de middagbijeenkomst zal worden gebruikt als leerdienst. Dr. Douma oordeelt dat er in kerkdiensten te weinig aandacht is voor de noodzaak van persoonlijke bekering en verzoening. Sommige predikanten, als b.v. J. Ophoff/Zwolle-Noord, weigeren zelfs om de Tien Geboden nog te lezen in de diensten. In het nieuwe verbond zou daar geen plaats meer voor zijn, volgens hen. Zo vindt hij Opwekkingsliederen en specifieke kinderliederen niet behoren tot de gemeenschappelijkheid die we samen zouden moeten oefenen in de erediensten. Er wordt veel gesproken over missionaire gemeenten, kerken die zich in eigen land richten op zending onder landgenoten. Daaronder verstaat men ook het stichten van nieuwe kerken. Dat vormt het thema van het boek Als een kerk opnieuw begint, geschreven door o.a. dr. S. Paas. Een voorbeeld van zo'n nieuwe kerk is Via-Nova te Amsterdam, voortgekomen uit de Christelijke Gereformeerde Kerk. Douma beschrijft hoe ongebonden

het daar toe gaat. Er is sprake van een vérgaande contekstualisatie waarbij de cultuur van de stad heel sterk de boodschap van de kerk bepaalt. Zo kan er bijvoorbeeld beter geen dienst op zondagmorgen zijn omdat de mensen dan liever uitslapen. En vrouwen moeten ambtsdrager kunnen worden omdat het anders niet te verkopen is onder hoogopgeleide leden van de kerk. Keuze tussen kinderdoop en volwassendoop is vrij. Er zou daarbij ook geen sprake zijn van één zuivere kerk of van een evangelie dat boven elke context verheven is. Waar deze interactie van 'wereld' en kerk op uitkomt weet niemand. Douma vindt dit pure ketterij, omdat op deze manier het evangelie niet meer de boodschap is zoals die voor alle tijden en voor alle mensen geldt. Kerk en wereld zouden samen bepalen wat tot heil voor de wereld dient. Zo wil ook de vrijgemaakte ds. A.W. Beute het liefst helemaal opnieuw beginnen, signaleert Douma. De kerk zoals die nu bestaat moet 'aan het kruis'. Douma noemt dat grove taal die beledigend is voor de Bruid van Christus die immers al duizenden jaren bestaat”. Ik kan niet nagaan of Prof. Douma hier zuiver wordt weergegeven, maar als de helft waar is, dan nog is de zaak duidelijk genoeg. Het citaat maakt enkele dingen duidelijk. De genoemde symptomen zijn sterk bepalend voor de beoogde samenwerking. Nadat ik eerst kerkrechtelijke bezwaren heb geuit, zijn dit dan de inhoudelijke bezwaren. De bestaande bezwaren over de toeëigening des heils, zoals bijvoorbeeld Ds. JH. Velema deze vertolkte (zie zijn "Wie zijn wij?”, blz. 156) blijven daarbij nog steeds van kracht.  

Bent u nog niet overtuigd dat hebt u misschien nog iets aan de volgende column die in Koers heeft mogen dienen. Deze werd geschreven door een gezaghebbend theoloog in onze kringen en in die van de GKV.:

"Het woord ‘zuiver’ is een gevaarlijk woord. Neem nu het probleem van de rashonden. Het predicaat ‘rashond’ is een kwaliteitskeurmerk, zou je denken. Zuiverder vind je ze niet. Maar het tegendeel is waar: van de circa 500.000 rashonden in Nederland komt inmiddels 40 procent ter wereld met aangeboren gebreken. Je kunt veel beter een vuilnisbakkie aanschaffen dan een pup met een te kleine schedel, chronische oorontsteking, ademhalingsmoeilijkheden, knieproblemen, heupdysplasie, of constante hoofdpijn en jeuk. Om de meest gebruikelijke ellende maar te noemen. ‘Zuiver’ blijkt vaak een recept voor ‘ongezond’. Hoe komt dat? Twee oorzaken worden genoemd. De eerste is smaak. Afwijkingen zoals bolle ogen en kleine schedels worden vaak mooi gevonden, en dus wordt daarop doorgefokt. En de tweede reden is inteelt. Als je op zoek bent naar steeds ‘zuiverder’ honden, wordt het beschikbare materiaal steeds kleiner. De zogenaamde tophonden kruisen steeds vaker met elkaar. Zo wordt de genenpool na elke generatie kleiner en de hoeveelheid erfelijke aandoeningen groter. Het gevolg is verlies van vitaliteit. Sommige rassen zijn niet eens meer in staat zichzelf voort te planten. Andere zijn zo verzwakt dat hun voortbestaan op het spel staat. In het protestantisme wordt al lang gestreefd naar zuivere ´raskerken´. Op bepaalde erfelijke afwijkingen, zoals een polemische attitude of elitair relativisme, wordt verbeten doorgefokt. Dat gebeurt noodgedwongen met een steeds kleinere groep kerken, waarbinnen de mensen steeds meer op elkaar lijken. Totdat het hele gevaarte van louter raszuiverheid door z´n pootjes zakt.

Of men zich nu op vrijzinnige of op orthodoxe wijze afzondert van de genenpool van de kerk, het is allebei een recept voor een ongezond geestelijk leven. Het zorgt voor eenzijdige en voorspelbare theologie, een spiritualiteit die niemand meer bezielt. Kerken moeten verscheidenheid kennen. Zouden gemeenten er niet meer naar moeten streven om ‘bastaarden’ te worden? Minder zuiver misschien, maar wel veel gezonder." Aldus een vooraanstaand theoloog. Met carricaturen kun je ver komen als het gaat om ideeën te promoten. Tenslotte: hoe zou het nu zijn als de Heilige Geest kerken en mensen bijeen brengt? Wat een verschil of we elkaar vinden door de tijdgeest of door de Geest Gods. Mozes bad: "Och, of al het volk des Heeren profeten ware, dat de Heere Zijn Geest over hen gaf” (Numm.11:29).

 

 

?xml:namespace>

CGKV (3)

 

?xml:namespace>

De doordenking van en de bezinning op de verhouding van onze kerken met de GKV blijft mij en zeer velen met mij bezig houden.

Ik heb de laatste weken heel erg veel leden van onze kerken aan de lijn gehad, die zich grote zorgen maken over de toekomst van onze kerken en van ons beginsel. Daarom wil ik nog enkele dingen aangeven, die van belang zijn voor de toekomst.

 

?xml:namespace>

De Generale Synode 2013 komt in de verte al weer naar ons toe. Er zullen dan besluiten genomen moeten worden, die rechtstreeks te maken hebben met onze verhouding tot de GKV. Als ik het goed begrepen heb, zal dan een besluit genomen moeten worden over de rechten die ambtsdragers van samenwerkingsgemeenten straks hebben in de wederzijdse kerkverbanden. Instructies daartoe zijn in de maak. Concreet: Zullen over een jaar vrijgemaakte ambtsdragers onze kerkelijke vergaderingen bevolken? Dat gaat dan betekenen dat zij meebeslissen over binnenkerkelijke vragen van de CGK. We beseffen met elkaar dat het dan pas echt gaat spannen. Een dergelijk besluit zou roepen om maatregelen van onderop door die gemeenten te nemen die gewoon onvermengd de lijn van ons kerkverband zuiver willen voortzetten. Ik loop daar niet op vooruit.

Zover is het nog niet, zal men zeggen. Maar 1) voor het besef van velen zijn we nu al reeds te ver. Ik heb dat in het verleden genoegzaam aangegeven. Ik zeg er nadrukkelijk bij dat ik dan spreek alleen namens mijzelf en anderen, die hetzelfde denken. Ik begrijp ook heel goed dat gemeenten waar men aan beide kanten zover is dat men geen vesrchillen meer ervaart onderling, een eerlijke behoefte gevoelen om samen verder te gaan. Die behoefte noem ik een eerlijke zaak, maar het zover gekomen zijn (eenheid met de GKV) vind ik dan een minder positieve zaak. Feitelijk komt het hierop neer: eens was er een scheiding tussen de CGK en de GKV; nu loopt die scheiding intern door de CGK heen. En zelfs ook door de GKV heen, in mindere mate. In het RD is een discussie geweest met Ds. Quant; we hebben naderhand ook gesprekken gevoerd hierover. We begrijpen elkaar heel goed en we zijn het in meerdere opzichten ook wel eens, maar we zullen ook obiektief en oprecht moeten aangeven dat we op een wezenlijk punt anders denken.

Er is ergens een mediaterbureau dat bemiddelt in scheidingszaken. Dat bureau heet: gelukkig uiteen. Een misleidende naam. Gaat men ooit uiteen, zoals binnen onze kerken zich een scheiding der geesten voltrekt, dan gebeurt dat met pijn en verdriet.

2) We zijn nog niet zover, maar de ontwikkelingen gaan erg snel en ook al is alles nog niet kerkrechtelijk in kannen en kruiken, er wordt in onze kerken al genoeg geanticipeerd op de nieuwe koers. Ook geëxperimenteerd. Dat maakt de dingen ook extra vaag en ondoorzichtig. Men heeft aangegeven dat de notaris geen statuut wil opstellen over de onderhavige zaak zonder de juridische term: een nieuw kerkverband. Misschien heeft de notaris dan toch meer eerlijk inzicht in de situatie dan wij als kerkmensen. De notaris kan zich geen andere samenwerking in deze vorm voorstellen zonder te spreken over een nieuw kerkverband en daarom wil hij nadrukkelijk deze term gebruiken en daarom doet men het in gemeenten dan ook maar zo, maar we bedoelen dat niet. Zo wordt dan gezegd. Ik heb al eerder gezegd: men bedoelt dit eigenlijk ook!

Ik staaf mijn relaas met een praktisch voorbeeld: Heel recent sprak een classis o.a. uit: "De classis heeft tevens kennis genomen

van bezwaren die leven bij een aantal gemeenteleden met betrekking tot de vorming van de samenwerkingsgemeente, bezwaren die onder andere betrekking hebben op de viering van het Heilig Avondmaal, op het percentage gemeenteleden dat voor dan wel tegen de samenwerking is, op liturgische zaken; en heeft geconstateerd dat de aangevoerde bezwaren niet gegrond zijn op de Heilige Schrift, de belijdenis en de kerkorde, maar meer te maken hebben met gebrek aan vertrouwen in het beleid van de kerkenraad; en besluit derhalve dat de bezwaren niet in de weg staan om de door de kerkenraad gevraagde toestemming te verlenen. De classis beseft dat het in de genoemde bezwaren om gevoelige zaken gaat en roept de bezwaarde gemeenteleden op om open te staan voor pastorale gesprekken met een classicale commissie”. Hier wordt gemakshalve te vlot een oordeel uitgesproken over serieuze bezwaren die leven bij hen die willen blijven wat zij zijn. Zij moeten, hoe dan ook, meevaren. Er zijn  in deze gemeenten hierna meerdere leden "huns weegs” gegaan en de anderen voelen zich door hun kerkenraad in de steek gelaten. Het besluit is genomen en achteraf gaat men praten met de bezwaarden. De volgorde had ook anders en beter aangegeven kunnen worden: eerst spreken en daarna besluiten over de vraag of samenwerking een zo hoge prijs mag vragen aan een gemeente.

Inmiddels heeft ook de classis Leeuwarden zich uitgesproken over de verregaande plannen van een gemeente, waar concreet en letterlijk werd gesproken over een nieuw kerkverband. En wat deed de classis? Deze nam alles voor kennisgeving aan. Stilzwijgend liet men voorbijgaan dat een kerkenraad deze praktijken uitoefent. Had de classis dan geen taak om naleving van de KO te vorderen? Hier faalde de classis volkomen. U ziet hoe we soms dingen naar onze hand zetten!

Resumerend: laten wij allemaal met elkaar biddend de komende GS afwachten en op onze hoede zijn. De Heere ontferme zich over ons allen.

 

DE LEER

 

?xml:namespace>

U hebt verleden week kunnen lezen dat de Evangelischen steeds meer belangstelling krijgen voor de klassiek Gereformeerde leer. In hoeverre dit een betrouwbare constatering is, kan ik niet beoordelen. Het is echter wel heel opmerkelijk. Sinds vele jaren bestaat er in de vrije groepen juist een verzet tegen een vastomlijnde belijdenis. Het lijkt me een nuttige zaak dat de leer in zicht komt, ook in die sector van de kerk.

 

?xml:namespace>

Het heeft vooral ons als Gereformeerde gezindte veel te zeggen. We zien allereerst dat de geschiedenis zich voltrekt met golfbewegingen. Na een bepaalde actie volgt weer een reactie. De these roept de antithese (een tegenstelling) op, volgens Hegel. We moeten er op bedacht zijn dat de dingen zich op die manier voltrekken. Zo gaat het ook onder ons. Ook onze kerkelijke wereld kent deze wisselende tonelen. Zijn we aanvankelijk voor de Gereformeerde leer, er komt een tijd dat we deze leer kritisch gaan bekijken zodat deze ons tenslotte dreigt te ontglippen. We moeten uit deze ontwikkelingen lering trekken.

Deze ontwikkelingen kunnen ook duiden op de breedte van de Evangelische groepen. Er zijn allerlei vleugels; er is bijvoorbeeld ook een groep, die nauw verwant is met het Puritanisme, waardoor men dichter bij de kerken staat. Dat maakt ons voorzichtig om een te makkelijk oordeel over deze gemeenten te vellen.

Men heeft ongetwijfeld ontdekt dat gevoel alleen geen leidsvrouwe zijn kan. Kennis van Gods Woord en de belijdenis is als een geraamte. Een lichaam zonder geraamte is een weekdier, een slak. Het is een dier dat alleen maar slap en plat ligt, zonder gestructureerde beweging. Wat is gevoel zonder kennis?

Deze ontwikkeling gaat in de Reformatorische kerken juist samen met een verminderde belangstelling voor de leer en de belijdenis. Ds. Polinder heeft dat recent aangegeven in een lezing voor een bijeenkomst van de mannenbond. Hij signaleerde de gevaren van de allesoverheersende gevoelscultuur. "Tegenwoordig veranderen mensen van kerk zonder enige principiële reden, enkel omdat men elders een fijner gevoel krijgt door de sfeer en muziek. De catechismuspreek, die volgens sommigen vervangen moet worden door themadiensten, vaak toegespitst op bepaalde groepen, staat onder druk”.

Deze afnemende belangstelling bestaat al langer. Gaan we nu als kerken rechts ingehaald worden door de vrije gemeenten? Wat daar gebeurt, moet dan temeer voor ons een waarschuwing inhouden. Deze signalen roepen ons op tot bezinning. Hoe kunnen we het tij keren?

Misschien vraagt u zich af waarom de leer zo belangrijk is? Gevoel is veel aangenamer en warmer dan allerlei stellige waarheden. Misschien komt de voorkeur voor het gevoelsmatige leven wel door de popcultuur, waarin ook alles draait om gevoel en opzwepende klanken. De oorzaak kan ook dichterbij liggen. De kerk verwaarloost zélf de kracht van het onderwijzen in de voorzegde leer. Catecheten zien er geen brood meer in om de jeugd vaste formules te laten leren. Preken worden steeds meer versimpeld, zodat kerkgangers alleen maar melk voorgeschoteld krijgen. Verder leveren de kerkgangers ook hun deel: alles moet simpel en kinderlijk en kinderachtig zijn, zo lijkt het wel.

 

Het woord "leer” komen we in de Heilige Schrift op meerdere plaatsen tegen. Dit woord geeft aan dat de Bijbelse waarheden een geheel vormen. Reeds de Heere Jezus Zelf onderwees de leer (Mark.1:17; Joh.7:16,17; 18:19). Soms betekent dit woord (didachè) de handeling van het leren en onderwijzen, soms heeft het betrekking op de inhoud van dit leren. Ook de apostel Paulus gebruikt het woord meermalen (Rom.6:17; 7:17; enz). Het spreken van Christus en de apostelen werd beschouwd als een vorm van onderwijs. Dit geeft aan dat we de prediking vooral ook moeten zien als een vorm van kennisoverdracht. Het is verleidelijk om enige stichtelijke waarheden te zeggen of zich te richten op ontroering en emotie, maar we hebben in de kerk onderwijs nodig. Gevoelige beroering gaat snel weer voorbij, maar onderwijs heeft blijvende waarde. Daardoor worden we gefundeerd in de waarheid van Gods Woord. Zo ontstaan er schriftuurlijke christenen, wier voeten op een rotssteen gezet zijn. De Heere Jezus heeft er telkens weer op gewezen dat we in Zijn Woorden moeten blijven. Paulus noemt deze woorden gezond; het is de goede leer. Calvijn noemt het geloof kennis.

De leer is dus van het grootste belang. De geloofsleer en het belijden daarvan levert veel vrucht op. Eén aspect is gelegen in de totaalvisie die we krijgen als we kennis hebben van de leer. In een preek gaat het niet alleen om de waarheid van die ene tekst, maar ook om het geheel van de Bijbelse leer. Een goede regel is: Schrift met Schrift vergelijken. Scriptura sui ipsius interpres (de Schrift is haar eigen uitlegger). Wordt dit verwaarloosd, dan ontstaat het gevaar van Biblicisme (leven bij losse teksten). Of we beperken ons slechts tot allerlei dingen die ons goed in het gehoor liggen, waarheden die we graag horen, met voorbijgaan aan het overige. Aan dit gevaar is de Evangelische beweging niet ontkomen, maar ook de kerk gaat hieraan mank. De gezonde leer, de belijdenis wil ons daarvoor behoeden en geeft ons een evenwichtige visie op de gehele leer. Eenzijdigheden liggen op de loer. Ieder wil dan op zijn eigen manier zalig worden. Men heeft een eigen Bijbel, die nooit tegenspreekt maar altijd bemoedigt en troost. Hierdoor is de kerkelijke wereld overspoeld. Niet alleen in oppervlakkige beschouwingen, maar ook in de meest bevindelijke kringen. Predikers kunnen de wereldse mens willen ontzien, maar ze kunnen ook de bevindelijke mens willen sparen en opbouwen in de eigen vroomheid. Ik las in dit verband enkele uitspraken van Ds. W. M. Dekker, die pleitte voor een provocerende prediking. "De crisis van kerk en geloof biedt een kans om de Bijbel beter te verstaan, lichtte dr. Dekker vorige week tijdens de presentatie van zijn boek in Kampen toe. Gelovigen zijn gewend om zich bij het Bijbellezen af te vragen: Wat spreekt mij aan? Ik ben bang dat we daar vaak mee bedoelen: wat vind ik fijn, wat bevestigt mijn denken, mijn voelen, mijn leven?” Dr. Dekker, zoon van IZB-docent dr. Wim Dekker, verzet zich tegen die manier van omgaan met de Bijbel. „Ik denk dat het vruchtbaarder is om te vragen: Wat spreekt mij tegen? Wat ergert mij? Wat vind ik eigenlijk onverdraaglijk?”

De hoorder zal zulke vragen niet zo snel stellen, maar het zal er wel van moeten komen. In ieder geval moet de voorganger evenals Paulus wel weten van de prediking van het kruis die de Joden een ergernis is en de Grieken een dwaasheid. Natuurlijk beseffen we allemaal wel tot op zekere hoogte dat we de gemeente de volle raad Gods moeten voorhouden en dat de Heilige Geest de kerk in àlle waarheid leiden zal. Durven we echt tegen de geest van de tijd in te gaan of sluiten we ons daar juist bij aan? Vanuit het managerpastoraat hebben velen in onze kerken de preek aangepast aan de wensen van het volk. U moet dan denken aan beeldend preken en het overnemen van strategieën uit de wereld. Maar dit is niet het enige.

Ik vrees dat wij allen, u en ik, als voorgangers onbewust of zonder het te beseffen offeren op het altaar van de mens. We kunnen over "zonde” spreken op een wijze, die niemand echt pijn doet. We kunnen voorbijgaan aan die woorden van de Zaligmaker, waarin Hij het volk van Zijn dagen kinderen van de duivel noemt of gepleisterde graven. Het is vreemd, maar juist de woorden van Christus worden het meest aangepast en versmald tot een alleen maar vriendelijk Evangelie. Maar de offerande aan het kruis krijgt pas echt betekenis, als we inzien dat we onverzoend met God leven en ons gedragen als vijanden van het kruis. Begrijpen wij wel dat niet het welbevinden van de zondaar maar de eer van God op het spel staat? Ik zou hartelijk wensen van die waarheid nog meer doordrongen te zijn in mijn prediking.

 

?xml:namespace>

Het gaat niet alleen om het sola srciptura, maar ook om het "tota scriptura”. Israël mocht het beloofde land intrekken ten tijde van Jozua. De Heere had hen het hele land beloofd. We zouden natuurlijk menen dat zij heel Kanaän zouden willen bezitten. Maar dat gebeurde niet. Ze namen al snel genoegen met huizen en akkers, die makkelijk te veroveren waren. Ze lieten heel veel land zo maar aan de vijanden over. Jozua moest hen daarom vermanen. Het volk zag op tegen de moeiten van de strijd. Dat bracht later allerlei ellende over hen. Vreemd dat een mens zich in geestelijke zaken beperkt tot het eerst haalbare, tot het voor de hand liggende. Wie zich beperkt tot een enkele belofte, leeft ver beneden de stand. De gehele schrift is gegeven. Besef dan ook dat het Woord genoemd wordt met namen, die vrees inboezemen. Het is het zwaard des Geestes, het is een tweesnijdend scherp zwaard, het  wordt vergeleken met scherpe pijlen.

Denkt u eens aan Josafath. We vinden van hem een mooi voorbeeld hiervan. Hij zou gaan strijden met Achab, de koning van Israël. Dat was op zichzelf al een verkeerde zaak. Er waren vierhonderd profeten van Achab die allemaal hun zegen uitspraken over het voornemen van Achab om te strijden tegen Ramoth in Gilead. Vierhonderd voorgangers riepen in koor dat het plan goed was en dat de koning zijn wensen zou verkrijgen. Er was er niet één die hem waarschuwde. Ze vonden het niet nodig om eerst de Heere te vragen. Hun boodschap was altijd naar de wensen van de hoorder. Het waren allemaal predikers van de "algemene verzoening”. Profeten zonder zwaard. Achab was er tevreden mee en ze gaven hem rust. Josafath echter durfde de moed  te hebben om na die vierhonderd de vraag te stellen of er soms nog een profeet des Heeren was? Hij zou in onze tijd wel behoren tot die kerkgangers die nooit tevreden gesteld kunnen worden en die iedereen afkeuren. Toch stelde hij zijn vraag. Hij voelde als vanzelf aan dat Achabs profeten onbetrouwbaar waren. Hoe kon hij dat dan weten? Ik vermoed dat hij hun boodschap niet vertrouwde. Hij wist veel te goed dat een profeet niet altijd over zegen sprak en nooit over de vloek. Zijn eigen geweten heeft hem bovendien gewaarschuwd. Er bleek nog een profeet te zijn, Micha, de zoon van Jimla. Deze Micha zou ook door ons in onze tijd weggezet worden als een oordeelsprofeet, een zwartgallige dominee, die onbarmhartig en hard zijn hoorders negeeerde. Een Johannes de Doper die tegen Herodes durfde te zeggen waarop het staat. Deze Micha zat in de gevangenis. Gods knechten zullen ook nu wel eens beleven dat zij door de vierhonderd worden gemeden. Micha werd geacht niet te behoren tot de goede profeten; hij was geen collega.

U kent de afloop. Micha profeteerde de ondergang. Het is dan wel zaak dat we, als we de zuivere waarheid begeren zoals Josafath, de boodschap ook opvolgen, hetgeen de koning helaas niet deed.

Dit voorbeeld geeft wel aan dat niet iedere profetie van Boven is ingegeven. En dat kunt u horen aan de boodschap, aan het spreken naar de mond van Jeruzalem. Maar wat is dan de zegen van een preek, die ingaat tegen de publieke wensen? Dat Woord breekt ons en onze plannen en werken af om uiteindelijk bewaard te mogen blijven voor de ondergang. Dat heeft Achab niet begrepen.

Zoek de reine leer, zoek de rechte bediening van het Woord. Zoek de gehele waarheid, ken uw belijdenis. Er was in Utrecht indertijd een vrouw die het wel eens had over een eerlijke preek. Daar ligt alles in. Dan hoort u op z’n tijd ook een zodanige ruimte in het Woord, dat ook u kunt behouden worden. En dat is toch het grootste wonder!

 

HHK                                                                                                                                                           2012

 

Ons bestuur nam het besluit om de a.s. Panddag een ander karakter te geven, in die zin dat het een gezamenlijke ontmoetingsdag met de Hersteld Hervormde Kerk zal worden. Dit voornemen steunt op de besluiten die genomen werden door onze GS en die van de HHK. Dat Synodebesluit van de HHK kan belangrijke gevolgen hebben voor ons kerkelijke leven.

 

Ik wil eerst in bescheidenheid vaststellen dat we van dit prille begin geen wonderen mogen en moeten verwachten. Echte eenheid is geen werk van Synodes, maar het is vrucht van Geestesbediening. Binnen  de kerkformaties die hierbij betrokken zijn, bestaan ook nuances, zodat we hier niet direct mogen denken aan kerkelijke eenheid of federatie van gelijkgezinden. Het wil niet meer zijn dan een bescheiden uitnodiging om elkaar te ontmoeten. Wel merk ik op dat de beide verbanden inhoudelijk dicht bij elkaar staan. Dat maakt alles wel makkelijker. Dat feit op zich kan ook een vrucht genoemd worden van het werk van de Heilige Geest. Hoe vele jaren hebben Deputaten Eeenheid niet moeizaam moeten samenspreken met de GKV en de NGK; onze Synode heeft waarschijnlijk aangevoeld dat de weg naar de HHK makkelijker te vinden is zodat jarenlange samensprekingen niet nodig werden geacht.

 

Wat betekent dit voor het eigen kerkverband? Heffen we de band met onze kerken nu op of wordt die band verslapt? Dat zou een verkeerde gedachte zijn. Het is bekend dat we veel bezwaren hebben tegen allerlei ontwikkelingen in onze kerken, maar historische wortels hebben ook nu nog steeds betekenis. Als daar tenminste betekenis aan gehecht wordt. Daar kunnen we absoluut niet zeker van zijn. Historisch besef ontbreekt bij velen in onze kerken. Zou onze kerk willen blijven bij haar wortels dan zou de eerlijkheid gebieden om samen de preken van onze voormannen zoals de Cock ea. eens te bestuderen. Het zou resulteren in de conclusie dat er een diepe kloof gaapt tussen het verleden en het heden. Toch zou het de mooiste oplossing zijn als onze  kerken samen weer terug zouden keren naar hun oorsprong. We horen nu te vaak dat de oude paden plaats moeten maken voor nieuwe inzichten. De prangende vraag blijft leven: zijn vele van onze gemeenten nu opgeschoven in Vrijgemaakte richting of is het juist andersom? We constateren dankbaar dat er ook in de Vrijgemaakte kerken bevindelijke voorgangers zijn, maar deze juichen de vernieuwingen in het Vrijgemaakte denken geenszins toe en het zijn enkelingen. Nu de feiten echter aangeven dat de verregaande toenadering tussen de CGK en de GKV lijkt op een aanzwellende stroom, kan het niet anders dat het overige deel van ons kerkverband zich bezinnen moet op haar toekomst. Ik noemde "het overige deel”. Dat zijn niet alleen de strikt behoudende gemeenten. Er is een brede middenstroom in ons kerkverband, die zich noch bij het ene noch bij het andere deel thuis voelt. Voor hen zijn de komende tijden ook heel moeilijk. De één noemt hen de mensen van het gezonde evenwicht, een ander verdenkt hen meer van de grijze muizengroep. Het geeft niet hoe men daarover denkt, ik bemerk soms zowel het één als het ander. We voelen verbondenheid met gemeenten die niet in alles in de stijl van ons blad denken; we voelen ons ook soms teleurgesteld als deze positie uitloopt op geschipper. In ieder geval moeten we nadrukkelijk beseffen dat zij broeders zijn die met ons in de kerk leven. Hoe zal de toekomst van deze gemeenten zijn? Hopelijk zullen zij hun weg mogen vinden in  de verwarring van de tijden. Ja, het lijkt wel wat op de politiek. Rechts en links en daartussen diegenen die zich bij geen van beide groeperingen thuisvoelen en de centrale middenpositie opeisen. Maar de kerk is geen politiek spel. Het spreken over groepen is te verafschuwen, ware het niet dat verschillen in de kerk van alle tijden zijn.

Nu ik het nog heb over het eigen kerkverband, merk ik graag op dat er over de betekenis van een kerkverband verschillend gedacht wordt. De feitelijke bedoeling is om gezamenlijke zaken en belangen te regelen, zoals opleiding, zending enz. Het mag niet de indruk wekken dat het een knellend juk wordt, als besluiten genomen worden die de zelfstandigheid van de plaatselijke kerken inperken. Dan wordt een kerkverband een drukverband. Alleen een blindganger zou kunnen denken dat we het zo niet te vaak ervaren hebben.

Mijns inziens is er nog heel veel waarover nagedacht moet worden. Nu naar alle kanten samenwerking met anderen er aan gaat komen, is het een open vraag: hoe nu verder? De zaken zijn al zo duidelijk van karakter veranderd, dat de betekenis van het eigen kerkverbvand onder de veranderingen zal krijgen te lijden. Doordat veel onbekende namen worden aangetroffen onder de preekbeurten en leden van andere kerkverbanden bij ons aan de classicale tafels zijn aangeschoven, raak je de weg wel kwijt. Zoals Jozef zijn broeders zocht, vergaat het ook ons. Je merkt bij velen een gevoel van vervreemding. Is het onze kerk nog wel? We hebben als kerken deze ontwikkelingen niet meer in de hand. De contacten met de NGK zijn enkele jaren terug in de ijskast gezet, maar via de GKV komen we ook deze mensen steeds meer tegen in de wandelgangen. Zo gaat het toe in een doolhof. Waar is onze kerk nog? Wat is onze kerk nog? Wie zijn onze broeders? In een dergelijke situatie slaat het individualisme toe. Ieder gaat doen wat goed is in eigen ogen. Als dan deuren opengaan naar verwante kerken, gaan de grenzen zich verleggen. Een goed begin zou kunnen zijn dat kerkenraden zich bezinnen op deze gang van zaken om tot besluitvorming te komen welke kant men uitkijkt. Waar is de tijd gebleven dat predikanten zoals Ds. Smits door de classis streng werden vermaand omdat zij buiten onze kerken ergens gepreekt hadden? Dat zou nu anders zijn. U hebt al vaak horen spreken van independistische invloeden. We verstaan hieronder dat de plaatselijke kerk, die altijd al autonoom was, nu meer vrijheid krijgt om de vleugels uit te slaan. De kern vraag gaat steeds meer worden: wat is de meerwaarde nog van het kerkverband boven allerlei andere min of meer lossere contacten?

Mijn stelling is voorlopig dat we zoveel als mogelijk is de Christelijke Gereformeerde kerken willen vasthouden, dwars door alle nevels heen en: zolang als dat mogelijk is. Wel vrijheid, maar geen wanorde.

 

Wat kan nu deze toenadering betekenen voor kerkelijk Nederland? Ik ga nu alleen maar even hardop denken. We hebben in ons land heel veel kerken en groepen. Allemaal met een eigen uitgangspunt. Er was een tijd dat de verschillende verbanden een duidelijk gezicht hadden. Je wist wat Hervormd was (of je wist het niet), je wist wat Gereformeerd was en ook wat Vrijgemaakt was. Enzovoorts. Men peinsde er niet over om de blik te richten op de overige kerken. Er was een kloof tussen Hervormden en Afgescheidenen. Vrijgemaakten verklaarden in  alle gemoede dat zij ter plaatse de enige ware kerk waren. De Kuyperiaanse leer was lange tijd onder ons verdacht en deze moest van tijd tot tijd onder kritiek gesteld worden. Kersten van der Schuit bestreden elkaar in de kerkelijke pers. Hoe is dit alles veranderd!

Er waren heel, heel veel groepen. De buitenstaander raakte de weg kwijt. Maar dat veranderde. Binnen al die verbanden ontstonden bijvoorbeeld vooruitstrevende en  behoudende visies. Deze onderstromen, hoewel in verschillende kerken thuis horend, voelden verbondenheid met hen die in andere kerkverbanden gelijkgrezind dachten. Op die manier kwamen er dwarsverbindingen door al die verbanden, zodat je nu niet meer zo herkenbaar bent als kerk. Dit wordt mede bevorderd door allerlei interkerkelijke bewegingen, zoals EO en RO, de toogdagen van de GBS en de Mbuma zending. Ook het onderwijs (vaak gezien als zuil-bevorderend) werkte er toch ook aan mee dat kerkmuren doorbroken werden. Verontrusting bestaat in alle kerkverbanden, Evangelische geloofsbeleving dringt door tot in de Gereformeerde Gemeenten toe.

De kerken lijken toe te zijn  aan een herverkaveling. Het is mogelijk dat kerkelijk Nederland in de toekomst een eenvoudiger beeld gaat vertonen. a. Er is een duidelijke bevindelijke stroom, b. er is daarnaast een eigentijds Gereformeerde middenstroom en c. er is ook nog een vrijzinnig denkend deel. Dat zijn er drie. Het zou een vereenvoudiging zijn van de Nederlandse delta als we tot deze hergroepering zouden kunnen komen. Zeg maar: vrijzinnig, vrijgemaakt en vrijgeraakt. De eerste groepering valt buiten onze horizon.

Een federatie van de drie kerken (CGK, GKV en NGK) ligt in het verschiet (b). Geen federatie, maar toenadering zal ter rechterzijde kerken nader tot elkaar brengen (a). Met de hoop dat ook meerdere kerken zoals de Gereformeerde Gemeenten ea. zich hierbij zullen voegen. Het is echter bekend dat het kerkelijke besef in die kringen meer leeft dan elders. Moeilijk voor onze gemeenten om daar per gemeente zicht op te krijgen. Ik had het al over gemeenten die gewoon het liefst Christelijk Gereformeerd zouden willen blijven, zonder allerlei zij-uitgangen. Toch zal het deze kant opgaan. Kerkverbanden raken op de achtergrond. Gemeenten zullen meer een zelfstandige koers ontwikkelen. De details hiervan zijn op dit moment niet duidelijk. Daar had men wel meer over nagedacht mogen hebben. Het heeft momenteel een overhaast karakter. Maar de praktijk zal hier oplossingen moeten aandragen.

Ik heb de Gereformeerde Bond nog niet genoemd. Velen in die kring en ook in de HHK hebben veel te lijden gehad onder de geslagen breuk. De Bond is even breed als ons eigen kerkelijke leven. Er zijn ook allerlei stromingen in vertegenwoordigd. Ik hoop van harte dat ook deze broeders de weg zullen vinden naar hen die niet meegingen met 2004, al bijven zij lid van de PKN; op die manier en via de HHK zouden zij ook in beeld kunnen komen.

 

Wat een gefantaseer! Zegt u dat wel. Zo fantaseerde Paulus ook over de Israelieten, die, hoewel zijn broeders naar het vlees, toch zo ver van hem en zijn Christus verwijderd waren. Dus zijn we hier wel met belangrijke zaken bezig. Hoe verkeerd zou het zijn als we een kerkelijk Babel zouden willen bouwen. De Heere bouwt Jeruzalem; Hij vergadert Israëls verdrevenen. We mogen dat geheel aan Hem overlaten. Hoeden we ons er echter voor dat we ons niet zouden vergaderen laten (Jes.49:5). Laten we bidden om dat Jeruzalem, om de tempel van de levende God. Wat gelooft gij van de heilige, algemene christelijke Kerk? Dat de Zone Gods vergadert (tegenwoordige tijd). In wat mensen hebben gedaan, gaat het ten diepste om Zijn werk. Hijheeft ons gebracht tot de dingen zoals deze nu zijn. Ondanks ons. Hoe zal Hij het verder doen? We hebben alle behoefte aan Zijn belofte dat de poorten der hel Zijn gemeente niet zullen overweldigen.

 

                                                                                                                           

 

 

 

 

 

 

                                                                                                                     

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

?xml:namespace>

?xml:namespace>

 

?xml:namespace>

 

?xml:namespace>

 

?xml:namespace>

 

?xml:namespace>

 

?xml:namespace>

 

 

 

?xml:namespace>

 

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>