ZEKERHEID DES GELOOFS        2007
 
Toen we in het vorige artikel met elkaar nadachten over het geloof, kwam daarbij de zekerheid reeds ter sprake. De zekerheid behoort tot het wezen van het geloof. Deze zekerheid moeten we in dit verband dan opvatten als de persoonlijke verzekerdheid, waardoor men weet dat men zeker zal zalig worden.
Ik wil daar nog nader op ingaan. Er wordt geworsteld met de vraag: Hoe kan ik zeker weten dat het goed met mij staat? Waarop rust het fundament van het geloof? Er bestaat immers een onrechtmatige zekerheid, waarmee men bedrogen uitkomt. Gods Woord laat ons dat duidelijk zien. De profeten hebben moeten waarschuwen tegen een verkeerde en wankele inbeelding. Men sprak van vrede, maar er is geen vrede, zo getuigt de profeet Jeremia (6:14) Er waren de gerusten te Sion en de zekeren op de berg van Samaria (Amos 6:1). Ook de Heere Jezus Zelf heeft vele malen gewaar-schuwd tegen een ingebeeld geloof (Matth.7:22; 25:44). Gods Woord staat vol waarschuwingen tegen een vals vertrouwen.
Hoe weten we nu dat we een gegronde hoop mogen hebben? Moeten we het nu zoeken in de kracht van ons geloof of in het voorwerp van het geloof, namelijk in de Heere Jezus Christus en al Zijn beloften en gaven? Neem het beeld van een ankerketting. Als het stormt, zal de kapitein dan vertrouwen op de ketting of op de ankergrond? Waarom ligt het schip vast? Omdat de ketting sterk is of omdat de eigenlijke bodem voor het anker vastheid biedt? Iedere stuurman zal dan wijzen op de vastheid van de ankergrond; er is alleen vastheid en zekerheid in Christus, in het Woord, in de beloften. Was er geen sterke bodem, dan kon de langste ketting geen uitkomst bieden. Het is ook waar: als er geen ketting zou zijn, of als er een zwakke schakel in een sterke ketting zou zijn, dan zou die ankergrond ook weer geen uitkomst bieden. Desondanks ligt de betrouwbare vastheid niet in de ketting, maar in de ankergrond. Niet in het geloof, maar in het voorwerp van het geloof, Christus.
In verband met deze zekerheid kunnen we verschillende lijnen aangeven. Er zijn in ieder geval vier onderscheidingen te maken.
I. De Heidelbergse Catechismus zegt in zondag 32 (antw. 86) dat elk bij zichzelf van zijn geloof uit de vruchten verzekerd kan zijn. We vinden hier een bepaalde "sluitrede”. Zo wordt het ook genoemd: de praktische sluitrede, omdat deze rust op de praktijk van het leven, op de vruchten van het geloof. Men besluit op grond van duidelijk waarneembare goede werken dat men een kind van God is. Die werken zijn niet de grond, maar ze geven wel aan dat de grond aanwezig is. Maar wie van u denkt: Ik zie goede werken bij mijzelf en dus besluit ik daaruit dat ik zeker zal zalig worden? We zullen dat nooit zo zeggen. De Farizeeër zei dat wel. Gods kinderen kunnen juist vaak geen vruchten vinden in hun leven. Het is wel waar dat een slordig leven en ook een leven zonder vruchten een oorzaak is van onzekerheid. Afwezigheid van vruchten leidt tot twijfel, maar de aanwezigheid van vruchten brengt ons niet tot vastheid. Zondag 32 kan het zo bedoelen: als er vruchten van geloof in uw leven zijn, dan zal u dat bewaren voor een voortdurend twijfelen. En verder kan het ook voorkomen dat u, wanneer u wel vruchten opmerkt in uw leven, kunt zeggen: deze vruchten vloeien slechts voort vanuit de verbondenheid met Christus.
II. We kunnen ook spreken van een andere sluitrede, die te maken heeft met de ìnnerlijke doorleving van het geloof. In de Dordtsche Leerregels (I,12) is sprake van verzekerdheid op grond van de vruchten der verkiezing. Genoemd worden dan: het waar geloof in Christus, kinderlijke vreze Gods, droefheid die naar God is over de zonde, honger en dorst naar de gerechtigheid, enz. Deze vruchten nemen de uitverkorenen in zichzelf (!) met een geestelijke blijdschap waar. Het gaat hier, strikt genomen, niet over de goede werken, maar over de innerlijke beleving, over de bevinding. Iets anders als hetgeen onder I werd besproken.
Onder I ging het over de praktische sluitrede, maar onder dit deel zouden we kunnen spreken van de mystieke of de bevindelijke sluitrede. Maar het genoemde artikel uit de Leerregels zegt het zelf ook al: de uitverkorenen worden bij onderscheiden trappen en met ongelijke mate verzekerd van hun innerlijke beleving. Het Avondmaalsformulier constateert juist dat Gods kinderen nog veel gebreken en ellendigheid in zich bevinden, zoals: geen volkomen geloof en geen genoegzame ijver om God te dienen. Deze beide sluitreden kunnen slechts functioneren in direct verband met het steunen op de gerechtigheid van Christus. Vanuit Hem krijgen zij hun waarde en betekenis.
Ik meen dat bij sommige oude schrijvers, zoals Petrus immens, deze sluitrede in een nog weer iets andere vorm voorkomt (in zijn boek: de godvruchtige Avondmaalganger). Hij spreekt hierover vooral in de derde preek. Hij zegt daar: "en dan volgt ten derde…., dat ik beredeneer (!): Wanneer ik mijn hart bij dit alles (bedoeld zijn de kentekenen, in Gods Woord genoemd) leg, ik zou niet durven of kunnen ontkennen, dat ik niet slechts door bevatting iets ken van die genadegestalten, maar dat ik het ook heb bij bevinding; ik mag dan in nederigheid besluiten, dat ik een kind van God ben”. Wat hier staat, is nauw verwant met wat we lazen in DL I,12. Het is in overeenstemming met onze belijdenis, dat we deze regels onderschrijven. Toch zal lang niet ieder van Gods kinderen hier rust in vinden. Integendeel, men moet toch ook de woorden uit het Avondmaalsformulier toestemmen. Deze zouden weer tot onzekerheid kunnen leiden. Ik herhaal dus nogmaals: dit kan als steun gegeven worden, maar de eigenlijke grond ligt elders, namelijk in het woord der belofte en vooral daarin in Christus.
U zou er goed aan doen de bedoelde preek van Petrus Immens eens aandachtig hierbij te lezen. U komt daar inderdaad iets van een sluitrede, een redenering tegen.
III Ook weer nauw verwant hiermee is de zekerheid des gevoels. Deze term wordt gebruikt in onderscheid met de zekerheid des geloofs. Ooit was er een wijsgeer, die zei: Ik denk, dus ik besta. Tegenwoordig zegt de moderne mens: Ik voel, dus ik besta. Moderne mensen menen dan ook in het gevoel vastheid te kunnen vinden. Ik voel nu blijdschap en ik ervaar mijn geloof, dus ik ben een kind van God. In deze tijd, waarin de mens geneigd is alles te bouwen op gevoel, komt dat heel veel voor. Men zou kunnen denken aan evangelische kringen, waarin het gevoel een belangrijke rol speelt. Maar het kan evengoed voorkomen onder ons. Juist in kringen, waarin de bevinding als noodzakelijk geldt, kan het gevoel ook een heel grote rol spelen. Ten goede en ten kwade. Het gevoel van de nabijheid van de Heere kan een ongekende vastheid geven. Als het Woord inslaat en als de Heere toont van u af te weten, verdrijft dat alle twijfel. Dan zeggen we met de psalmist: Dit weet ik, dat God met mij is. Toch kan het gevoel ook wel heel gevaarlijk zijn. Als iemand zich niet ziek voelt, betekent dat nog niet dat hij gezond is. Als iemand een goed gevoel heeft bij het geloof en bij Gods Woord, betekent dat helemaal niet dat de weg veilig is. Veel mensen dekken hun losse en wereldse levensstijl bijvoorbeeld toe met de opmerking: ik voel me er goed bij; ik zie niet in dat het verkeerd is. Dat komt heel vaak voor, helaas. Of men voelt zich als David, die zich zo goed voelde, dat hij sprak: Ik zal niet wankelen in eeuwigheid. Maar ziedaar, de volgende dag kan datzelfde gevoel zeggen: Ik ben alles kwijt. Toen Gij Uw aangezicht verbergde, werd ik verschrikt Psalm 30:8).
Het gevoel, hoe belangrijk ook, is niet een vaste en bestendige grond voor het vertrouwen. Er is iets nodig, dat in alle omstandigheden steun geeft, en dat is dan tenslotte:
IV de zekerheid des geloofs.
In de Redelijke Godsdienst van Wilhelmus à Brakel vindt u onder het hoofdstuk over het geloof ook aandacht voor de zekerheid. Hij ziet het geloof vooral als vertrouwen. Hoe krijgen we deel aan dat vertrouwen? Hij geeft zeven trappen aan, om daartoe te komen. Deze zijn als volgt: overtuiging van ellende, kennis van Christus en Zijn aanbieding, begeerte, toevluchtnemen, aannemen, toevertrouwen, met als uiteindelijk gevolg de verzekering. Zekerheid is hier niet een redenering, die kort en bondig erop neer komt, dat het in de Bijbel staat en dat we dat dus kunnen en mogen aannemen. Want zo werkt het niet. In Laodicea zal men zeker wel de beloften hebben aangegrepen, maar dat deed men volgens het woord van Christus ten onrechte. Zo kan er, zoals reeds werd gesteld, een valse gerustheid zijn. En deze is vrij algemeen. Dat was in de dagen van Christus reeds zo en dat is ongetwijfeld nog zo. De twee (Formalist en Huichelaar) die over de muur geklommen waren in de Christenreis, zagen daarin geen enkel bezwaar en, zo zeiden ze, dat doet men al sinds mensenheugenis.
Waarop rust onze zekerheid, zo wij daarin mogen delen? Brakel geeft een weg van worsteling daartoe aan; toch is daarvoor geen model te geven. Maar de delen, waarover hij spreekt, zijn herkenbaar voor ieder.
We moeten goed onderscheiden. Zekerheid verkrijgt men niet op grond van de weg die men gaat. Zekerheid ligt alleen in het Woord van God. Geen gevoel, geen kennis zonder meer, maar het gefundeerd staan in de Schrift. Dat is het laatste en enige houvast. Christus en Zijn Woord. Niemand kan een ander fundament leggen. Hij is de kostbare Hoeksteen, waarop het gehele gebouw rust. In de afbraak van verkeerde steunpunten blijft de Heere Jezus alleen over. Het zij verre van mij, aldus Paulus, dat ik zou roemen anders dan in het kruis van Christus. Dat geloof in Christus en de beloften van het evangelie geeft ook kracht in dagen van ongevoeligheid en gemis aan merkbaar innerlijke beleving. Oude vromen van weleer waren boven hun gevoel uitgekomen en mochten ook in dagen van veel bekommering leven uit de vaste grond. Deze zekerheid rustte op het Woord, maar de wortels van dat geloof hadden zich vastgegrepen juist door de stormen en de harde winters heen. Dat kunt u ook aantreffen in de zaken, die Brakel noemde. Het is geoefend geloof. Deze grondslagen vormen de enige echte basis voor zekerheid. De overige genoemde vormen zijn daar alle van afgeleid.
Hopelijk mag u iets van deze dingen in uw leven herkennen? Om nog een ander beeld van Bunyan te gebruiken: in de poel wankelmoedigheid liggen de stenen van de belofte. Daarop kan en mag de aangevochten kerk gaan. Deze beloften mogen we aangrijpen in dagen van duisternis. Het is uw enige hoop. Vertrouw op de Heere met uw gehele hart en steun op uw vermogen niet. In Psalm 130 komt de dichter vanuit grote diepten tot ongekende hoogten van zekerheid. "Hij zal Israel verlossen van al zijn  ongerechtigheden!” Hij komt daartoe via de ladder van het geloof, dat zegt: "Ik hoop op Zijn Woord”. Toen Job sprak: "Ik weet: mijn Verlosser leeft”, voelde hij er niets van. Toch wist hij het zeker. Toen Noach in de ark zat, boven de onstuimig kolkende stromen, bij het hoorbaar kraken en steunen van de ark, heeft hij strijd gekend, maar hij mocht weten dat de Heere getrouw is. In zulke tijden vertoont het geloof zich het sterkst.
           
 
 
DE BEKERING          2007
 
Zondag 33 stelt de bekering aan de orde. Liever en beter gezegd: de waarachtige bekering. De Catechismus heeft telkens de neiging om onderscheid te maken tussen waar en vals, schijn en zijn. Neem er nota van. De Heere Jezus Zelf heeft dat onderscheid in Zijn onderwijs telkens sterk beklemtoond. Vooral in de gelijkenissen. De rechte prediking zal dat ook doen.
We kijken misschien wel wat vreemd op dat nu pas over de bekering wordt gesproken. Men signaleert wel eens het gevaar dat wedergeboorte en bekering te ver vooruit geschoven worden, als we deze bezien vanuit de rechtvaardiging. Hier echter vinden we het ogenschijnlijk vreemde verschijnsel dat de bekering na de rechtvaardiging wordt behandeld.
Nee, dat kan geen volgorde in tijd zijn. In de heilsorde plaatsen we deze begrippen anders. Het opmerkelijke verschijnsel hier hangt samen met het feit, dat de bekering hier niet als een momentopname, als het begin van het geestelijke leven wordt gezien; integendeel, het gaat hier om de bekering als een proces, een levenslange levensgezel. Dat blijkt ook uit de woorden "hoe langer hoe meer” uit antwoord 89.
In het gangbare spraakgebruik gebeurt dat meestal anders. Dat hoort u al in de bekende aanduiding dat iemand een bekeerd mens is. Dat kan zeker leiden tot een misverstand. Petrus was in die zin wel bekeerd, maar hij moest toch ook nog weer bekeerd worden (als ge eens bekeerd zult zijn… (Luk.22:32). Niettemin spreekt ook Gods Woord over mensen die zich wel of niet bekeerd hebben (Luk.10:13; 11:32). Het lijkt me heel goed om  het fundamentele eerste begin te benoemen en daarom kunnen we rustig spreken van bekeerde mensen.
Er is wel iets anders in ons spraakgebruik dat mij persoonlijk wel eens verwondert. Vaak hoort u om u heen zeggen, en misschien zegt u het zelf ook wel, dat een mens bekeerd moet wòrden. We spreken erover in passieve, lijdelijke zin; het moet over ons komen vanuit de hand des Heeren en de werking van Zijn Heilige Geest. Maar u weet wellicht toch ook dat Gods Woord bijna altijd spreekt over het actieve bevel: Bekeert u! Joh. 12:40 is de enige plaats waar gesproken wordt over "bekeerd worden”. Daartegenover staan wel dertig nadrukkelijke bevelen, die de bekering van ons eisen. We hebben er dus eigenlijk iets anders van gemaakt. Het passieve spraakgebruik behoort wel bij de wedergeboorte (Joh.3:3,7), maar niet bij de bekering. Het kan een teken zijn dat we op dit punt niet in balans zijn. De bekering is de actieve zijde van de passieve wedergeboorte. Twee woorden. Houd nu vast dat beide aspecten waar zijn. Streep niet de bekering weg tegen de wedergeboorte; omgekeerd mag dat ook niet. Houd vast dat de Heere bekering van ons eist. Alleen het ernstig nemen van deze eis kan een middel in Gods hand zijn om ons te overtuigen van onze schuld. Spreken we alleen over bekeerd worden, dan verdoezelen we de schuld; ook al kunt u het niet, het is wel zeker en stellig schuld! Een schuld, die uitdrijven mag tot Christus.
Zondag 33 spreekt over de bekering. Deze wordt beschouwd vanuit een tweeërlei gezichtspunt (twee stukken). Nu dus geen drie, maar twee stukken. De drie stukken kennen we ook vanuit ons leerboek. Drie is een belangrijk getal in de Bijbel (Drie-eenheid, drie stukken, drie ambten, drie kruisen, driedeling van het heelal > onder, boven, op de aarde [Ex.20:4; Filip.2:10]).
Het getal twee komt ook veel voor. Daarom zegt men terecht wel eens dat we met twee woorden moeten spreken. Gaat u maar na: Oude en Nieuwe Testament; wet en evangelie; bevel en belofte; roeping en verkiezing; recht en genade; staat van vernedering en verhoging; Goddelijke en menselijke natuur; oude en nieuwe mens; Doop en Avondmaal.
Heel spoedig gaan wij, mensen, één van beiden te zwaar beklemtonen. De genoemde tweedelingen vragen alle om evenwicht. Geen compromis, geen grijze tussenweg, geen gulden middenweg, maar een balans. De slinger van de klok gaat heen en weer, van links naar rechts en omgekeerd. Hij kan niet blijven hangen in het midden, want dan staat de klok stil. Zo is het ook met ons. We zoeken geen middenpositie, maar een zoeken van beide lijnen. Spreken we over de roeping, dan komen we vandaaruit noodzakelijk ook te spreken over de verkiezing, en omgekeerd. Hoe het ook zij, 
Houd de beide lijnen steeds voor ogen.
Zo ook hier met de oude en de nieuwe mens, met afsterving en opstanding, met droefheid en blijdschap. Vooral die laatste woorden worden door menigeen eenzijdig benaderd. De een beklemtoont droefheid als kenmerk, weer een ander spreekt zo over de blijdschap als het een en al. Het is voor ons allen trouwens niet eenvoudig om het evenwicht in deze zaken in het oog te houden. Daar moeten we eerlijk in zijn. Ook voorgangers. U denkt natuurlijk, zoals zovelen, aan de twee of drie punten van een preek. Men luistert in de bank soms met het horloge in de hand. Het derde of het tweede punt komt er slecht af? Ik wil er dan terloops nog eens een keer op wijzen dat schijn bedriegt. De drie punten van de preek lopen niet gelijk met de drie stukken; dat behoeft tenminste niet zo te zijn. Verder is het eerste punt van een preek meestal veel langer, omdat daarbij ook allerlei inleidende vragen rond de tekst worden behandeld. Maar, toegegeven, het is me ook vaak overkomen dat er voor het derde punt te weinig tijd over was……
De uitwerking van de Catechismus is breed: afsterving van de oude mens en opstanding van de nieuwe mens. Sterven en opstaan herinneren ons aan de weg van de Heere Jezus. Zijn vernedering en verhoging. Alleen vanuit Hem kan er gesproken worden over onze afsterving en opstanding. Zonder Hem zou dat nooit kunnen. Zijn weg wil de Heilige Geest uitwerken in het hart. Gods volk kan en wil alleen maar sterven aan zonde en wereld, als ze Zijn dood gedurig voor ogen heeft. Hoe kunnen dode zondaren ooit opstaan? Alleen door Zijn opstanding. Zo staat hier Christus op de voorgrond van deze zondag 33. Ligt hier ook niet de oplossing voor het bekeerd worden? Zoek Hem te kennen en hoe langer hoe meer te kennen als de Bron van alle zaligheid en verlossing. Ook hier gaat het niet om de christen maar om de Christus. Hoe dan? Allereerst door hier te horen dat er in Christus een mogelijkheid is tot bekering; daarna ook dat de enige weg voor Gods kerk een leven uit Hem is.  Zoals Paulus het zei: "opdat ik Hem kenne….”. De Heere heeft Zelf ook gesproken van het ingaan door Hem als de Deur en Hij wil die belofte waarmaken en Hij zal dat doen voor Zijn gehele kerk.
Het sterven en opstaan is een proces zoals we daar in een ander verband over lezen in de dagen van David; in 2 Sam. 3:1 staat: "En er was een lange oorlog tussen het huis van Saul, en tussen het huis van David. Doch David ging en werd sterker; maar die van het huis van Saul gingen en werden zwakker”.
Hoe langer hoe meer. Dit proces wordt ook nader ingevuld met de beide woorden leedwezen en vreugde. Misschien denken we dat deze beide gevoelens niet tegelijk kunnen bestaan. Maar zeker kunnen deze gemengde gevoelens (een uitdrukking midden uit het dagelijkse leven!) wel tegelijk bestaan. Ouders kunnen blij zijn met hun kinderen en tegelijk toch ook met droefheid dat ene kind missen, dat er niet meer is. In deze beide praktische begrippen komt wel uit dat we zo geneigd zijn tot eenzijdigheid. Er zijn mensen die zo blij willen zijn dat ze ervoor pleiten dat we in de kerk in de handen klappen. Dat staat in de Bijbel? Ik stel daar tegenover dat Gods Woord ook spreekt van een scheuren van de klederen en een neerzitten in zak en as. Wie het een wil, moet vanuit de balans bezien, ook het andere willen.
Het is tegelijk ook waar dat we geen versomberd beeld mogen geven van het geloofsleven. Daar kan niemand jaloers op worden. Nee, we moeten zelfs de droefheid in de binnenkamer achterlaten en het aangezicht zalven.
Zeer centrale en schriftuurlijke aanduidingen vinden we tenslotte in het spreken over de oude en de nieuwe mens. De oude mens, jongelui, behoeft niet persé een oud mens te zijn. De oude mens kan ook actief zijn in een jong leven. Er wordt met deze benaming bedoeld dat hij al zo oud is als de val in het paradijs. Hij wordt meestal ook heel oud, want hij sterft pas als de natuurlijke dood komt voor Gods kerk. Zoals een oude jas er vuil en versleten uit kan zien, zo ziet het portret van de oude mens er ook afzichtelijk en gruwelijk uit. Hier kun je nu echt spreken van het oude liedje der zonde, ook al denk je misschien wel dat jouw muziek (?) zo fris en nieuw is als de laatste mode.
Ouderen hebben lichamelijk een zekere weerstand opgebouwd en zo is het ook met de oude mens. Hij is taai en vasthoudend; hij kan bijna wel op sterven liggen, maar hij staat de volgende dag weer kwiek en fit op zijn voeten. Nee, het hoeft ook niet een goddeloos monster te zijn in de uitleving. Hij zingt rustig de psalmen mee en hij gaat netjes mee naar de kerk. Hij zou ook wel voor de oude waarheid kunnen zijn, maar evengoed heeft hij ook veel op met alles wat in de kerk nieuw lijkt. Hij geniet misschien wel van uiterlijke vernieuwing en allerlei moderne en eigentijdse vormen. Hij weet best dat het de kortste weg is naar kerkafbraak.
Heerlijk daartegenover is het dat de Bijbel zo uniek spreekt over de nieuwe mens. Nieuw heeft tegenover het oude een glans van ongereptheid over zich. Zoals het verse sneeuwdek een maagdelijke en zuivere taal spreekt. We kunnen een nieuw heup krijgen of een nieuwe knie; maar een geheel nieuwe mens! Dat moet iets buitengewoons zijn. U zou zich kunnen vergissen door te denken dat nieuwe berijming en nieuwe vertaling en nieuwe liturgische vormen vruchten zijn van innerlijke vernieuwing. Maar dat kunt u zo niet stellen. Deze komen slechts voort (in veel gevallen) uit een gevoel van een geestelijke leegheid; je kunt dan hopen dat nieuwe dingen de oude glans  terug brengen, maar dat werkt zo niet. Wie in Christus is, is een nieuw schepsel; het oude is voorbijgegaan, ziet, het is alles nieuw geworden. En vanuit die vernieuwing kunnen er bij tijd en wijle natuurlijk ook wel eens normale en vernieuwende veranderingen tot stand gebracht worden.
Maar zoals nu een nieuw pak goed zit en prettig aanvoelt, zo zal die nieuwe mens een alleraangenaamst gevoel brengen. Ja, ik weet wel dat u en ik dat zo weinig, veel te weinig beleven en meemaken, maar daarmee is en blijft het wel waar. Nieuwe gedachten, nieuwe wegen, nieuwe vrienden, nieuwe lusten en lasten…. Deze nieuwe mens brengt met zich mee: een ernstige lust en liefde om naar de wil Gods in alle goede werken te leven. Is dat niet buitengewoon aantrekkelijk? Daar zit de wereld, de maatschappij om te springen. De sleutel tot die innerlijke en uiterlijke  vernieuwing ligt nu in Christus, Die dit uitwerkt door Zijn Heilige Geest.
Onze Catechismus vertolkt deze lijnen op een uitnemende wijze. Laten we deze taal blijven spreken. Meer nog: laten we deze geestelijk en innerlijke vernieuwing zoeken met ingespannen krachten. Hoe vaak spreekt Gods Woord niet over iets nieuws? Een nieuw gebod, een nieuw verbond, een nieuw lied, een nieuw hart, een nieuw graf, een nieuw schepsel, een nieuwe hemel, een nieuwe aarde, en ga zo maar door. Het is alles nieuw geworden. Dit nieuwe is tegelijk de oude wijn, waarvan de Heere Jezus sprak: "Niemand begeert terstond nieuwe, want de oude is beter” Luk.5:39).
           
KENNIS DER ELLENDE        2007
 
Diepte
 
De Heidelberger besteedt aan de behandeling van de ellendekennis drie zondagen (2 t/m 4). De manier waarop dit gedaan wordt, is min of meer opvallend. Drie zondagen, dat is op zichzelf genomen niet veel. Geen brede behandeling, wel een diepgaande analyse. Dus geen lange, onafzienbare weg, waar de zondaar in blijft steken. Er zit voortgang in.
Het gaat heel radicaal toe. Er vallen harde uitspraken over de ernst van de doodstaat: geneigd God en de naaste te haten; in zonden ontvangen en geboren; onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad. Deze visie op de mens laat weinig heel van een positief mensbeeld. Deze uitspraken staan ook wel op gespannen voet met allerlei uitdrukkingen, die we om ons heen tegenwoordig wel eens horen. Zoals bijvoorbeeld: je bent een parel in Gods hand. God is blij met u, enz. Voorzover deze uitdrukkingen mensen wil bewaren voor een minderwaardigheidsgevoel, zijn deze woorden verstaanbaar; maar er iklinkt geen Bijbels mensbeeld in door.
De lijn van deze zondagen is als een fuik: de weg wordt steeds enger en nauwer, totdat we geheel vastlopen. Zondag 2 staat ons niet toe te vluchten in een wettische oplossing; de wet vraagt geen gedetailleerde geboden slechts, zoals de Farizeeër dat ziet,maar de wet vraagt liefde. En die liefde missen we, dus er is geen hoop vanuit de wet. De wet maakt de toestand alleen maar erger.
Zondag 3 doet enkele excuses verstommen: Kan God het ook gedaan hebben? Of zijn Adam en Eva de schuld? Nee, mijn natuur is verdorven, dus ik ben het zèlf. Zondag 4 is ook van groot belang. Velen zullen de uitvlucht bedenken, ook in deze tegenwoordige tijd: We behoeven niet zo ontmoedigend ver door te gaan op het pad van de ellendekennis, want God is barmhartig. Men stelt dat dan voorop. Ook weer een uitvlucht, die we graag te baat nemen. Daarmee zouden we de onderwijzer de mond kunnen snoeren. Maar nee, daar wil de Heidelberger nu niet van weten. Dat is veel gezegd. Nù gaat het daar niet om; het gaat er nu om dat we niet te snel over barmhartigheid spreken, ten koste van Gods strenge eisen. Begrijpen we de bedoeling? Niet om ons tot stikkens toe benauwd te maken wordt dit gezegd; nee, wie hier nu al over barmhartigheid spreekt, maakt het kruis van Christus overbodig. Hij doet feitelijk, al lijkt het zo niet, ernstig tekort aan de volle en heerlijke bediening van Christus. 
Overigens houden we vast aan de reeds eerder gemaakte opmerking, dat deze weg van ellendekennis niet eenmalig is, zodat alles in één keer geleerd wordt; het gehele leven door wordt deze stroom uitgediept en komen de zaken steeds weer terug (vraag 115). Wij struikelen allen in vele (Jak.3:2). De zaligsprekingen geven hier ook duidelijke lijnen: hongeren en dorsten alsook het treuren worden genoemd als doorgaande zaken. Denk ook aan de bekende bede, die dagelijks aan de orde komt: Vergeef ons onze schulden…
voorstadium?
Na dit gezegd te hebben, zou ik de volgende vraag onder ogen willen zien: Is men nu al binnen de poort van het nieuwe leven als men bovenstaande wegen vanuit zondag 2-4 bewandelt, of gaat het hier slechts om een toeleidende weg, die voorafgaat aan het zaligmakend geloof? Een bekende vraag.
Spurgeon merkt ergens op, dat Bunyan de pelgrim reeds naar binnen doet gaan, terwijl de weg naar het kruis nog verre is. Meerderen hebben in deze zondagen de invloeden van Luther gezien, die stelde dat de boete voorafgaat aan het geloof. Bij Calvijn zou dat anders zijn, want hij ging er van uit dat de boete juist functioneert binnen het geloof, vanuit de levende bediening van Gods Geest. Ik noemde al eerder de studie van C.G. Graafland, die zich met deze vragen heeft bezig gehouden. Hij komt tot buitengewoon opmerkelijke uitspraken op dit punt; trouwens, zijn gehele studie over Ursinus en Olevianus bevat heel wat schokkende conclusies. Ik noem er enkele in het voorbijgaan, zonder er nader op in te gaan. Ik beperk me gemakshalve tot Olevianus.
Deze blijkt invloeden te zijn ondergaan, niet alleen van Calvijn, maar vooral ook van Melanchton  en Luther. Het genadeverbond is opgericht met Christus en in Hem met de uitverkoren; Prof. Van Genderen heeft deze stelling indertijd afgezwakt. Bij Calvijn vinden we meer de gedachte dat het genadeverbond is opgericht met het gehele volk, dus de gehele verbondsgemeente. De wet komt tot allen, het evangelie tot de gelovigen, aldus Olevianus. Hij beklemtoont dat Woord en prediking slechts zwakke middelen zijn, zonder de bediening van de Geest. Hij leerde ook de bekende onderscheiding tussen wezen en bediening van het verbond, een stelling die ook te vinden is bij dr. Steenblok.  
Zie hiervoor Graafland (Van Calvijn tot Comrie, blz. 42 -107). Voor dit artikel is nu de volgende gedachte van belang, dat Olevianus ook de stelling verdedigt dat de ontdekte zondaar nog niet in het genadeverbond is (blz. 85). Het behoort bij het stadium van de voorbereiding tot het geloof. 
Calvijn daarentegen heeft de wet wel een plaatsgegeven binnen het verbond der genade. Bij hem "blijft de zondekennis toch een gestalte van de door de Geest gewerkte  genade”….
Ik wil hier niet te diep op ingaan maar zoveel is wel duidelijk dat de opstellers van de Catechismus volgens Graafland op de Lutherse lijn zitten (de ellendekennis staat buiten het geloof), terwijl Calvijn de ellendekennis plaatst binnen het zaligmakend geloof. Ik kan de juistheid van deze conclusie niet beoordelen, maar het belang hiervan is groot. Wel merk ik op, dat de Catechismus in z’n geheel niet deze indruk wekt.
Immers, als we de lijn doortrekken, dan begint het zaligmakend werk van de Heilige Geest bij zondag 6. Daar komt ook voor het eerst in deze opvatting Christus in beeld. Alles wat voorafgaat, is slechts werk van de wet, een toeleidende weg. Alleen diegenen worden zalig, die zeker zijn van hun aandeel in Christus. Dat is de praktische gevolgtrekking.
Christus
Deze gedachte kunnen we ook in onze tijd door meerderen horen uitspreken in de prediking. Belangrijker is nog het persoonlijk belang van hen die zekerheid missen aangaande hun deel aan Christus. Hopelijk zijn deze vragen ook voor u als lezer urgent en van persoonlijk gewicht.
U gevoelt wellicht de last van uw schuld en u hoopt op Gods genade in Christus? U mag daar soms iets van ondervinden en het kan u troosten als u hoort van Zijn reddende zondaarsliefde. Evenwel neemt u bij uzelf zoveel duisternis en "ongestalten” waar, dat u elke vastheid mist. Niettemin kent u iets van de droefheid naar God en van het zien op Jezus, maar het is alles vol gebrek en er blijft altijd nog een gemis over. De Heere zal, zo hoopt u, Zijn werk voor u voleinden. Maar hoe nu als mensen sterven in een levende droefheid over de zonde, zonder zeker te zijn van hun aandeel in Christus? Als dat gebeurde met uw vader of moeder, wat moet u daar dan van denken? We zouden de vraag kunnen stellen wat Olevianus of Calvijn daar nu van zouden zeggen, maar belangrijker is wat de Heere daar nu van zegt.
Hoe zou het er nu bij gestaan hebben met de discipelen, als ze bij het kruis waren gestorven, zonder het persoonlijke weten dat Jezus sterven moest voor de verzoening van hun zonden? Waren zij nu wel of niet op de weg der zaligheid?
Praktische vragen!
Het gaat hier nu niet om de vraag of we rusten mogen in de kennis van onze ellende. Dat kan en mag in geen geval. Niettemin komt ook dat wel voor. Men acht zich dan recht bekommerd en dat hebben we toch niet van onszelf en zo gaan we rusten in ons gemis. We zijn rijk in onze armoede, buiten de bewuste kennis van Christus.
Bedenken we nu wel dat de kennis van Christus niet alleen betreft Zijn priesterlijke bediening, waardoor Hij de schuld der zonde verzoent. Reeds in zondag 2 komen we de naam van de Zaligmaker tegen. Er staat dan, als het gaat om de hoofdsom van de wet: dat leert ons Christus in een hoofdsom. Hier komt het profetisch ambt van de Heere Jezus aan de orde. Het onderwijs in de wet en de  vloek der wet kan niet buiten Christus omgaan. Wordt Zijn werk erin gemist, dan worden we met de wet een Farizeeër en zoeken we onze redding in een wettisch leven. Ontdekking aan onze verlorenheid is geen werk van de mens, ook niet van de wet alleen. De Heilige Geest overtuigt van zonde, gerechtigheid en oordeel. Daarom kunnen we niet zo maar de eerste zondagen buiten de leerschool van de Geest stellen. Leert de natuur werkelijk dat we geneigd zijn God en de naaste te haten en zal de van nature zo trotse mens in eigen kracht kunnen belijden dat hij geneigd is tot alle kwaad? Kunnen we vanuit onszelf vragen naar de Middelaar, Die de schuld wegneemt?
Ik meen dat de prediking in onze kerken ook altijd zo geweest is en nog is, dat er pastorale leiding werd gegeven aan hen die bekommerd zijn over hun zonden. We mogen de lammeren van de kudde niet verwaarlozen. De grote Herder der schapen belooft het dat Hij het verlorene zal zoeken, het weggedrevene zal wederbrengen, het gebrokene zal verbinden, het zieke zal sterken (Ezech. 34:16). Saulus at en dronk in geen drie dagen, toen de Heere hem staande had gehouden met de treffende woorden: "Saul, Saul, wat vervolgt gij Mij?” Toen Annanias naar hem gezonden werd, wees hem de Heere op Saulus met de woorden: Zie, hij bidt. De woorden die Annanias tot hem sprak, getuigen ervan dat Hij reeds kennis had mogen maken met Christus: "De Heere heeft mij gezonden, Die u verschenen is op de weg….” (Hand.9:17).
In de prediking kunnen deze mensen niet gebouwd worden met allerlei gemoedelijkheid. Een voorkomende tekst, een psalm die inslaat, het kunnen niet de gronden zijn waarop we rusten. De Heildelberger gaat mensen halverwege hun ellende niet troosten en te vroeg opbeuren. De weg van deze zondagen is duidelijk: de breuk moet gepeild worden tot op de bodem. Laat de prediker geen rust geven buiten Christus, maar juist elke vluchtpoging verijdelen, zodat de volle openbaring van de Heere Jezus steeds weer mag klinken, nadat de Heere daar Zelf plaats voor gemaakt heeft.
Hij heeft de wet volbracht. Hij kan volmaakt onderwijs geven in de eis der wet. In Hem ligt dan ook de enige uitweg vanuit de vloek der wet. Hem zal de Geest verheerlijken.
           
EEN WAAR GELOOF         2007
 
We gaan verder met nog enkele accenten te leggen betreffende de leerdienst, waarin m.n. de Heidelbergse Catechismus wordt behandeld.
Ik wil dan deze keer uw aandacht bepalen bij hetgeen ons leerboek zegt over het geloof. Dat gebeurt in zondag 7. Deze zondag is één van de meest bepalende delen uit de Catechismus.
Wat allereerst opvalt is, dat de Catechismus spreekt over een wáár geloof. Zelfs tot driemaal toe in zondag 7. Daar moet wel een gerichte bedoeling achter liggen. Dat moet dus in de prediking ook steeds weer aan de orde komen! Wat is goud? We onderscheiden meerdere graden in de echtheid ervan. Doublé lijkt er sprekend op, maar is het niet. Lood wordt niet nagemaakt, maar goud wordt nagebootst. Het waardevolle wordt heel dikwijls vergezeld door een namaakproduct. De zalf, die in de tempel werd gebruikt, mocht daarbuiten niet vervaardigd worden door het volk. Het was speciaal bedoeld voor de tempel. Hoogwaardige kwaliteit. Uit de waarschuwing voor namaak blijkt dan dat het verschijnsel van imitatie wel voorkwam. Er is schijnliefde, schijnvroomheid, schijngeloof. Daarom bad de dichter: "Zie, of er een schadelijke weg bij mij is en leid mij op de eeuwige weg” Psalm 139:24).
De douane op Schiphol nam verleden week een apparaat in gebruik, waardoor de passanten zo worden doorgelicht, alsof ze er zonder kleren stonden. Dat is bittere noodzaak. In de kerk is een dergelijk instrument ook nodig, maar mensen beschikken er niet over. Alleen de Heere doorgrondt ons geheel en al.
Dit ware geloof nu lijft in Christus in. Daardoor kan men ook de weldaden van Christus aannemen. Eerst de Persoon, daarna Zijn gaven. Zo behoort het te zijn. Christus ingelijfd; het is een wòrden, passief dus, maar dan wel door het geloof. Denk maar aan een ent, die op een stam geplaatst wordt. Dan valt er een diepe verbondenheid met Christus. Zijn Persoon wordt dan uitermate dierbaar. Tevoren bestond de afstand. Er was geen liefde, slechts natuurlijke onachtzaamheid (Jesaja 53). Bij deze inlijving valt het doek, verdwijnen de schellen van de ogen. En dan is het: "Blijf in Mij en Ik in u” (Joh.15:4). Het geloof verbindt aan Christus; en deze inlijving wordt als een eerste zaak genoemd, waaruit al het andere voortvloeit.
Het geloof zelf valt in twee delen uiteen, namelijk in kennis en vertrouwen. Het is verleidelijk voor velen om het stellig weten op te vatten als een vorm van historisch geloven. Daaronder verstaan we louter intellectuele kennis, zonder de warmte van het hart, zonder de gloed van een levend geloof. Zondag 7 wordt soms zo uitgelegd. Men zou kunnen menen dat de formulering van de Catechismus ook misschien aanleiding gegeven heeft tot deze gedachte.
Is dat zo? Nee, er is alles voor te zeggen om het geloof ook te bestempelen als zaligmakende "kennis”. Zo heeft ook Calvijn het geloof getoonzet. In navolging van het woord van Christus: "Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen en Jezus Christus, Die Gij gezonden hebt” (Joh.17:3). Het is een geestelijke kennis, in liefde en vanuit een warm hart. En dat is van groot belang. Men heeft in het verleden gestreden over de vraag of het geloof zetelt in het verstand, de wil of het gevoel. Het verstand dan niet opgevat als een kille beschouwing, zonder gevoel en besef van de diepe inhoud van de geloofswaarheden. Een verlicht verstand blijkt van het grootste belang.
Ik ben met velen niet zo gerust op dit element in onze tijd. Onze tijd is in geestelijk opzicht uiterst gevoelsmatig ingericht. Begrijpelijk overigens wel. Wie zoekt niet, als het goed is, een gevoelig besef van de nabijheid van de Heere in het eigen hart? Maar juist in dagen waarin emotie en ervaring zulke gewilde artikelen zijn, hebben we de norm van een verlicht verstand nodig. Hoe heilzaam kan dan ook juist nu de correctie van ons leerboek zijn. Maar juist daarom zal de Catechismus heel velen juist wel niet meer aanspreken. Een geloof dat zich uit in handgeklap en in opspringen en in voetgestamp, dat heeft weinig van doen met deze kennis, maar spreekt de massa aan als teken van echtheid. Maar het staat toch ook in de Bijbel, zegt men dan? Ja, maar er staat ook in de Bijbel dat de dichter zijn vlees met een zak had bekleed en dat hij as op zijn hoofd strooide? Dat doen we toch ook niet? Waarom het een wel en het andere niet? Het heeft te maken met de zeef die we in onze tijd gebruiken.
Je merkt het op de catechisatie en op de kansel hoe moeizaam het proces, het leerproces verloopt. Het lijkt er niet in te willen. Het mag niet te veel nadenken van ons vragen. Voor predikanten die werk hebben gemaakt van die preek, die toch helaas voor velen te hoog gegrepen was, een grote teleurstelling. Maar dit gebrek aan kennis, ik bedoel geestelijke kennis, is een open deur voor dwaling en ketterij.
Ook in een ander opzicht kunnen we leren van zondag 7. Want het geloof wordt genoemd een stellig weten. Zeker weten dus! Het klinkt in onze tijd verdacht om te zeggen iets zeker te weten. Men hoort er hoogmoed in. Vaak terecht. Maar lang niet altijd en doorgaans. Je wilt toch zeker weten of je echt geslaagd bent voor dat examen en je rust toch niet voordat je weet dat de uitslag in het ziekenhuis duidelijk is? De Heere maant tot zekerheid. Roeping en verkiezing vastmaken, de vaste ankerbodem zoeken, de rotsgrond vinden als een vast fundament. Weten datr je het goede medicijn hebt en dat het onschadelijk is.
Maar kan dat wel? Kunnen we het wel ooit zeker weten? Kardinaal Simonis, ongetwijfeld een vroom man in menselijk opzicht, verklaard nog onlangs de zekere hoop te missen. Kijk er maar niet op neer, maar zoek wel naar een beter fundament.
Ik kom gelukkig nog mensen tegen, die de vraag stellen wanneer we het nu zeker kunnen weten. En zeg eens wat je daarvan denkt? Dan valt er echt heel veel af, als het gesteld wordt in het licht van Gods Woord. Een stellig weten, waardoor ik àlles voor waarachtig houde dat ons God in Zijn Woord geopenbaard heeft…. Wie kan dat zo maar nazeggen? Als we een fractie van het Woord nog maar goed kennen en verstaan?
Sommigen hebben de gedachte wel verdedigd dat het geloof in haar wezen geen zekerheid kent, maar wel in haar welwezen. Als het geloof op de top staat, is er zekerheid, maar heel vaak ook is die er niet. Onder de oude schrijvers dacht men verschillend over deze vraag. De Catechismus stelt hier dat de zekerheid behoort tot de kern van het geloof. Dus zijn gelovigen ten allen tijde ook verzekerd? Gods Woord leert ons anders. Het geloof is wel zeker, maar de gelovige zelf niet. Het geloof is met veel zwakheid gemengd, maar het wezen van het geloof is wel zekerheid. Maar helpt dat u verder? Ik vraag u dan waarom u zo graag een zeker weten begeert? Het zou kunnen dat u het entreebewijs voor de hemel graag in uw portefeuille hebt…. Waarmee is aangegeven dat we ook kunnen leren van de strijd en van de twijfel, mits deze een goede uitwerking mag hebben. Leid hieruit niet af dat een levend christen voortdurend en continu leeft in grote twijfels…..
De Catechismus wijst ons de weg van het vertrouwen als de weg naar zekerheid. Je moet maar vertrouwen dat het goed zit, zeggen mensen soms tegen u. Dat kan heel oppervlakkig klinken en ook wel zo zijn. Toch is er wel zeker een verband tussen zekerheid en vertrouwen. Niet zo maar vertrouwen, maar op de Heere vertrouwen. Dat is het echte vertrouwen.
Het werk van de Drieënige God is volkomen betrouwbaar. Christus heeft gezegd: Ik zal u rust geven. We worden opgeroepen met de woorden van de psalmist: Vertrouw op Hem te allen tijd, o gij volk (Psalm 62:8). Zo klinken alom in Gods Woord de meest ruime nodigingen om te steunen op de Heere. Mag men altijd vertrouwen en mag iedereen dat doen? In welke gevallen en in welke niet? Er zijn zoveel vragen, die feitelijk het vertrouwen op de Heere ondermijnen. De kern is: is er enig bezwaar of obstakel in u te noemen, dat reden geeft om niet tot Christus te gaan? Integendeel, in de Heere zijn uitkomsten tegen elke nood. Als de nood werkelijk hoog oprijst, wordt u gedwongen de toevlucht te nemen tot de Heere. Dan bent u bevreesd langer te aarzelen, zodat u bij wijze van spreken niet kunt gaan slapen voordat u weet dat het goed is tussen de Heere en uw ziel.
Dat vertrouwen mogen we aanprijzen en we mogen het horen verkondigen. Juist de mens van onze tijd heeft vertrouwen nodig. Niet in de mens, maar in God. Hoor hoe de Catechismus het zegt: "een vast vertrouwen, hetwelk de Heilige Geest door het Evangelie in mijn hart werkt, dat niet alleen anderen, maar ook mij vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is, uit louter genade, alleen om de verdiensten van Christus wil”. Hoe hebben onze vaderen zich uitgeput om het vertrouwen te verankeren in het binnenste heiligdom, in het werk van Christus, in zuivere genade, zonder iets van de mens.
De zekerheid, hier omschreven, is geen dorre redenering; het woord vertrouwen geeft juist aan dat het gaat om een levende relatie. Vertrouwen komt niet tot stand door middel van een optelsom. Het is tegelijk ook een bestreden vertrouwen, dat iedere dag weer opnieuw waar moet worden en zijn. Verder speelt het Evangelie een belangrijke en allesbeslissende rol in dit vertrouwen. De laatste grond ligt in het Woord, want dat ligt buiten uw ziel. Het ligt hoger dan uw gedachten en onbereikbaar voor duivel en wereld.
Dat brengt ook tot mijn laatste overweging: waarop richt zich het geloof? Reeds is gezegd dat het voorwerp van het geloof de Heer Jezus Christus is, geopenbaard in het Woord. Nu lopen er twee lijnen in zondag 7.
Er staat eerst dat een christen alles voor waarachtig houdt wat ons God in Zijn Woord geopenbaard heeft (antw.21). Daarna lezen we in antwoord 22, dat een christen gelooft al wat ons in het Evangelie beloofd wordt. In het eerste geval gaat het om het gehele Woord van God, in het tweede om een selectie, namelijk om de beloften. Hoe is dit bedoeld?
In het tweede antwoord lijkt het er een ogenblik op dat het geloof een Bijbel in de Bijbel kent en aanneemt. Zou dat zo zijn, dan is dat levensgevaarlijk. Moderne theologen gaan inderdaad uit van een bepaalde pit of kern, temidden van de bast en het omhulsel van de Bijbel. Ieder kan dan zelf uitmaken wat voor hem die kern uitmaakt. Behoudende christenen zullen eerlijk moeten erkennen dat ook zij in de praktijk vaak een kleine Bijbel hebben. Daarom is het zo’n rijke belofte dat de Heilige Geest in alle waarheid, in de volle waarheid, zal leiden.
Hoe kan nu gezegd worden, dat het geloof zich vooral richt op de beloften? Omdat het geloof niet van de bedreigingen, maar slechts van de beloften der zaligheid leven kan. Men kan van de dreiging niet leven.
Zeker, er kan een tijd zijn dat u niets anders in Gods Woord leest dan oordelen en gerichten. Alles veroordeelt u en u vindt nergens houvast. Is dat wel eens zo geweest? De vraag is dan met welk recht u wel de beloften gelooft en de bedreigingen niet? Als u alles gelooft, wat God in Zijn Woord geopenbaard heeft, dan is dat inclusief alle oordelen en vloeken. Dan staat de wet beschuldigend tegenover u. U hebt geen enkel recht in uzelf om alleen de beloften te geloven.
Dit dilemma kan maar door Eèn worden opgelost en dat heeft Hij ook gedaan. De Heere Jezus heeft de wet gedragen in Zijn binnenste, met alle oordelen en gerichten, die daarmee verbonden zijn. En daarom blijft nu voor Zijn kerk de belofte over. Maar dan ook alleen in Hem en met toe-eigening van het vonnis der wet op uzelf. Dan zijn alle beloften in Christus ja en amen. Ja in Hem, amen in het hart van Zijn kerk. Ook in uw hart? Hier ligt, ook voor u en mij, het recht om de beloften in Christus te omhelzen.
          
 
 
 
 
 
VERZOENING DOOR VOLDOENING       2007
 
Anselmus
 
Tot de meer opvallende gedeelten uit de Catechismus behoren zeker ook de zondagen 5 en 6.
Het is ook u misschien wel eens opgevallen, dat deze beide zondagen met inhgehouden pas, enigermate vertraagd, de weg tot Christus bewandelen. Men zou immers toch verwachten, nu er zo veelbelovend boven staat: "Van des mensen verlossing”, dat nu direct de volle rijkdom van Christus wordt voorgesteld. Dat mag nu toch wel verwacht worden na de zondagen over de wet, die gezorgd hebben voor veel duisternis en onrust.
Maar het lijkt er zelfs op, dat de weg nog verder naar beneden gaat. Op de vraag naar genade wordt geantwoord dat er betaald moet worden en dat er niemand is die dat kan. Toch zal de mens of de menselijke natuur dat moeten doen. De mens moet betalen terwijl hij dat nooit kan. Daarom kan feitelijk alleen God Zelf het probleem oplossen. Zo wordt bijna op logische wijze beredeneerd dat de Middelaar zowel God als mens moet zijn.
Meerderen hebben dat de opstellers wel kwalijk genomen. Waarom die eisen en claims, terwijl bewust over Christus nog niet wordt gesproken? Men kan toch niet over Christus spreken als over een onbekende, terwijl we weet hebben van Zijn openbaring in het Woord? IK behoef toch niet via zon en sterrenbeelden uit te zoeken waar Amsterdam ligt, terwijl de kaart me kort en goed de weg wijst? Misschien hebt u zelf deze gedachten ook wel eens gehad.
Men noemt de wijze van denken, zoals de Catechismus dat doet,  "Anselmiaans”. Hier wordt, zo denken velen, aan de menselijke redenering teveel waarde gehecht. Om het met een moeilijk, maar toch bekend woord aan te duiden: het is scholastiek, wat we hier vinden.
Anselmus van Canterbury heeft in de Middeleeuwen nieuwe impulsen gegeven aan de verzoeningsleer. Als het over verzoening gaat, denken heel veel theologen dat de mèns het is, die verzoend moet worden. De mens moet in de weg van berouw het eens worden met God. Of de mens gaat gebukt onder een schuldgevoel en nu openbaart Christus hem de liefde Gods. God behoeft niet verzoend te worden, want er is geen toorn in God.
Maar moet God niet verzoend worden? Is dat niet de kern van de zaak? Daar heeft de reeds genoemde Anselmus de nadruk op gelegd. Er moet verzoening naar God toe plaats vinden. Er moet aan God een prijs betaald worden. Deze gedachten liggen helder uitgedrukt in de zondagen 5 en 6. De vraag is: Was de weg van het recht en van de betaling aan dat recht noodzakelijk? God kan toch, zegt men wel, zonder meer vergeven? Is God werkelijk die harde schuldeiser, Die het onmogelijke vraagt, ja, Die zelfs Zijn eigen Zoon laat sterven?
Anselmus wil in zijn bekende boek (Waarom werd God mens?) aantonen dat er absoluut geen andere weg kon bestaan. Zijn tegenpool, Dunscotus, ook levend in dezelfde tijd, was daarentegen van mening dat de kruistheologie niet alleen overbodig was, maar zelfs getuigde van willekeur. Vele bekende theologen waren het met Anselmus eens: er is geen andere weg dan de weg van de menswording van de Zoon van God. We kunnen dan de namen noemen van mensen als Beza, Voetius en John Owen. Anderen gingen niet zover; ze meenden dat er niet van absolute noodzaak kon worden gesproken, maar wel dat het hoogst passend was dat het zo ging zoals het is gegaan (Augustinus en Calvijn).
Kenmerkende gedachten voor Anselmus en eveneens voor ons leerboek zijn de volgende: de zonde is van een buitengewoon ernstig en zwaar gewicht. De zonde "zo maar” vergeven is schending van de Goddelijke rechtsorde. Zou er niet werkelijk een rechtsgang bestaan, dan heerste de wanorde, dan loopt alles uit op de chaos, dan regeert de willekeur. Daarom moet er wel voldaan worden aan het recht van God. God kan dus twee dingen doen: Hij kan òf de zonde straffen òf voldoening aanvaarden uit een andere bron. Omdat nu Christus zorgt voor voldoening, heeft Zijn offer een oneindige waardij. Hij is immers Gods Zoon.
Praktijk
U denkt wellicht dat dit een theologische kwestie is. Toch is dat niet het geval. Het gaat hier om een zaak van groot praktisch gewicht. Niet alleen moderne theologen, maar ook veel christenen uit het heden krijgen hier duidelijk schriftuurlijk onderwijs.
Het is trouwens niet zo, dat hier vanuit de menselijke rede (het denken) wordt gedacht; de gehele opbouw bestaat uit Bijbelse elementen.
Het zou kunnen dat ook in uw leven deze wezenlijke lijnen ontbreken. Althans, in het spreken van veel eigentijdse christenen gaat het om andere dingen. Niet de lijn van deze zondagen, maar die van het gevoel bepaalt het geloof bij velen. Hebben we er een goed gevoel bij, dan dromen we van de hemel. Het geloof steunt voor velen op zaken als stichting en ernst, op wetswerken en menselijke vroomheid. In koor zal vrijwel iedereen spreken over God als over een God van liefde. Tegenstanders van de verzoening door voldoening wijzen op de gelijkenis van de verloren zoon; daarin wordt toch ook geen enkele vorm van betaling gevraagd? Zo kunnen velen niet leven met de gedachte dat de zonde zo loodzwaar en ernstig is. Moeten we er zo zwaar aan tillen? De bekende klacht tegen de prediking! We kunnen het nauwelijke verdragen dat God zou toornen en dat Hij een verterend vuur is.
Deze genoemde Anselmus heeft eens de gevleugelde en bekende woorden gesproken: Gij hebt nog nimmer beseft hoe zwaar de zonde is. De moderne mens zoekt warmte in een kille wereld, hij zoekt veiligheid in onveilige situaties, hij moet juist verlost worden van al zijn schuldgevoelens.
Als u ook zo denkt, moet u wel beseffen dat de Catechismus, een van onze kerkelijke Belijdenisge-schriften, een heel andere toon aanslaat. Is ons leerboek eng en benauwd? O nee, de naam van Christus klinkt heel erg ruim. Dat verwijt mag u onze vaderen nooit maken. Er staat: "Onze Heere Jezus Christus, Die ons van God tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en tot een volkomen verlossing geschonken is".
Goed, een inderdaad ruime verkondiging, maar wel een lange omweg. Geloof toch direct zonder omwegen in Christus. Dat wil de Catechismus ook, maar via een zekere en een gefundeerde weg. Het gevaar van het klimmen over de muur is levensgroot aanwezig, zoals Bunyan aantoont.
Neem nu de eis van betaling: God wil dat aan Zijn gerechtigheid genoeg geschiede…. Daarom moeten wij volkomen betalen. Er zijn er toch ook anderzijds velen (geweest), die hier geen onbekende weg zien. Men kreeg te maken met de rechtvaardige eisen van Gods recht. Zo hebt u het ook gevoeld? Volkomen betalen en zuiver voor God staan, dat mag de Heere van ons eisen. En zodoende gaat de weg onverhoopt de diepte in. Natuurlijk zult u in die omstandigheden geweten hebben dat het in de Bijbel staat: Christus verlost van de vloek der wet. Maar u wist dat net eender, zoals de discipelen bij het kruis konden weten dat alles goed zou komen, terwijl die wetenschap hen niet kon troosten. Weten en weten is twee. Zo komt de Catechismus in uw nood, in uw vragen naast u zitten en wil u leiden tot Christus. En, nu die eis tot betaling klonk, moet u, zo zegt de Catechismus, oppassen voor een groot gevaar, namelijk dat u niet denkt zelf te kunnen voldoen. Daarom worden de eisen zwaar aangedraaid. Zo, dat u niet zult vluchten in uw eigen werkheiligheid, in de werken der wet, zoals Paulus zegt. Wij kunnen zelf in generlei wijze betalen. Maar wat moeten we dàn? Op dit punt gaat het leerboek consequent heenwerken naar de Heere Jezus, Die God en mens is. Maar dat moet verklaard worden. Hij moet mens zijn, om in uw plaats, in uw natuur te kunnen gaan staan. Hij moet God zijn, omdat u het niet kunt en omdat alleen Goddelijke hulp een Goddelijke prijs op tafel kan leggen.
Had nu de Catechismus direct al snel de naam van Christus genoemd, dan zou u de diepte en de hoogte van Zijn heerlijke bediening, van Zijn Persoon en van Zijn werk, niet zien. Juist door deze uitdieping van Gods gerechtigheid wordt de genade veel meer overvloedig. Daar moet het wel om gaan. Op school gaat het ook zo: kinderen krijgen niet het antwoord op de som direct erbij geschreven, maar ze moeten zelf gaan leren hoe ze het antwoord kunnen vinden.
Het zou toch heel nuttig en opbouwend zijn, als we dit onderwijs ter harte zouden mogen nemen. Ten eerste om op die wijze bewaard te worden voor bedrog. Ten tweede omdat daardoor de verlossing en de liefde Gods groter en sterker wordt.
Zonder dit blijven grote delen van Gods Woord voor ons onverstaanbaar. Zonder dat hebben we, als we eerlijk zijn, weinig begrip voor Paulus. Zonder dat hebben we helaas een verkeerd Godsbeeld. Het beeld van God, slechts als de Liefdevolle, heeft de massa juist niet behouden bij de dienst van God. Dat beeld was niet te rijmen met alle noden en rampen, die er in de wereld plaats vinden. Vanuit het recht van God worden juist heel veel zaken doorzichtiger en duidelijker.
Hoe is dat nu met u?
Hebt u het rijke en volle antwoord reeds gehoord: Onze Heere Jezus…..? Of kunt u misschien nog best wel buiten Hem uzelf op de been houden? U hebt "gelukkig”niet al te veel last van zware aanvechtingen, enz. De ene dag gaat het goed, de volgende gaat het minder. Maar die volheid in Christus vindt u niet bij uzelf. Veler geestelijk leven kwakkelt en is tobberig en mistig. Ons leerboek zegt u dan dat er oorzaken zijn. U denkt het zelf in orde te kunnen maken, maar dat kan nooit. Hij kan die prijs der ziele, dat rantsoen aan God in tijd noch eeuwigheid voldoen. Daarom is de prediking van Heidelberg zo nodig. Er moet volkomen betaald worden. Niet alleen u moet met God verzoend worden, maar omgekeerd moet een heilig God ook vrede vinden met u, zoals u als goddeloze in uzelf bent. Volg biddend die weg van de Catechismus. Dan zult u ook dat heldere en zekere antwoord persoonlijk mogen uitspreken, in waarheid: Mijn Heere Jezus Christus! Nog wel van God geschonken!
Laat de prediking niet zwichten voor de wens, die reeds Israel in de dagen van Jesaja uitte: Schouwt ons niet wat recht is; spreek tot ons zachte dingen; schouwt ons bedriegerijen (30:10). Het is waarlijk niet een kwestie van accenten. Het gaat om leven en dood. Zeg ook niet tot onze Heidelbergers dat het ook wel anders kan.
Zeker zal niet ieder op dezelfde manier kunnen spreken over deze lessen, zoals de Catechismus dat doet. Daarin is de Heere geheel vrij. Maar de prediker moet het zo wel brengen.
EN gelukkig, terwijl de Catechismus ons allerlei eisen voorhoudt, zien we toch reeds door de mist de Zon doorbreken. Ook in deze zondagen wordt er toch al gesproken over een Middelaar en Verlosser (vraag 15). Het voornaamste is: Gods kerk wordt uiteindelijk niet gedreven door angst voor deze rechtvaardige God. Nee, als het goed is, heb ik de Heere in al Zijn deugden lief, ook in Zijn  recht en heiligheid. De weg van Christus wordt ook in Gods Woord niet anders getekend: "Daarom, komende in de wereld, zegt Hij: Slachtoffer en offerande hebt Gij niet gewild; brandoffers voor de zonde hebben u niet behaagd. Toen sprak Ik: Zie, Ik kom … om Uw wil te doen, o God” (Hebr.10:5v).

           
 
 

HET GEBED          2007
 
De Heidelberger behandelt ter afsluiting het gebed. Door ons leerboek bijzonder treffend genoemd het voornaamste stuk der dankbaarheid. Dat is heel opvallend. Op een andere plaats staat dat we Gode met ons ganse leven dankbaarheid bewijzen zullen. Dan denken we aan een getuigend leven naar buiten, aan een uitleven van de vreze des Heeren voor de mensen; hier echter worden we gedreven naar de binnenkamer.
Er ligt in zondag 45 een zekere tegenstelling. Aan de ene kant is er sprake van dankbaarheid, aan de andere kant wordt het gebed geplaatst aan het begin van het geestelijke leven. God wil Zijn genade en de Heilige Geest alleen geven aan diegenen, die Hem met hartelijk zuchten daarom bidden en daarvoor danken. Wie de Heilige Geest nog mist en daarbij Gods genade, moet en mag daarom bidden. Dus onbekeerden moeten en mogen bidden om de Heilige Geest. Ook in het eerste begin, in het eerste der drie stukken. Maar in het derde stuk neemt het gebed opnieuw de voornaamste plaats in. En natuurlijk ook in het tweede stuk. Daarom staat erbij: zonder ophouden. Het gebed omspant het gehele leven, van a tot z.
De Heere bindt ons aan het gebed. Hij wil Zijn genade en de Heilige Geest alleen geven aan diegenen…. Hij verbond daaraan tevens Zijn belofte. Gevoelen we niet te kunnen bidden, dan mogen we bidden om een gebed, zoals de discipelen deden. Soms wordt tegenover het gebed het geloof gesteld. Je kunt wel altijd blijven bidden om de Heilige Geest, zo zegt men dan, maar je moet geloven! Dat is echter geen tegenstelling. Het geloof bloeit alleen op de lage gronden van de afhankelijkheid, waar ook het gebed te vinden is. Als men zo nadrukkelijk wijst op het geloofsbevel tegenover het gebed, dan wil men daarmee de genade meer in handen van de mens leggen. Die gedachte wordt door ons leerboek niet gevoed.
Wat is het daarentegen een groot voorrecht, dat het geloof hand in hand met het gebed gaat. Zonder het gebed kon er niets van komen. Zonder het gebed geen geloof en geen genade in Christus.
Hier spreekt de Catechismus dus enerzijds tegen onbekeerden, anderzijds tegen Gods volk. Maar wat leren we juist hier dat we onbekwaam daartoe zijn. Wie nog leeft buiten Christus, zal dit menigmaal onderbouwen met de tegenwerping dat we niet bidden kunnen. Dat argument wordt ons echter ontnomen. Als u in het water geraakt en de verdrinking nabij bent, gaat u geen theoretische afweging maken of u wel roepen kunt en of er wel iemand in de buurt is. Dus smeek de Heere en roep tot Hem om bekering en geloof.
Ook Gods kinderen leren hun diepe afhankelijkheid. Eigenlijk komen zij er pas echt goed achter dat ze niet bidden kunnen. Juist ook in het stuk der dankbaarheid. Naast afhankelijkheid komt hier ook duidelijk ons aller schuld openbaar. Wat komt de Heere dankbaarheid tekort aan ons, zeker aan Zijn volk.
De voortsnellende wijzers van de tijd doen een felle aanval op het gebed. Hebt u er tijd voor om de dag met God te beginnen? Neemt u er de tijd voor? U hèbt er wel tijd voor. Iets eerder opstaan schept ruime mogelijkheden voor velen, al zeg ik niet dat dit voor allen geldt. Sommigen moeten al heel vroeg opstaan. Dan kan misschien de avond uitkomst bieden. Maar als het gejaagde leven bij wijze van spreken in je bloed zit en je zelfs zondags niet meer echt tot rust komt, wat komt er dan van een biddend leven terecht? Dus ligt hier heel veel schuld. Het feit dat velen klagen over verdorring van het innerlijke leven, wijst o.m. op nalatigheid inzake het gebedsleven. Jakobus verwijt het ons: ”… gij hebt niet omdat ge niet bidt; Gij bidt en ontvangt niet, omdat gij kwalijk bidt….” (4:2,3). Het is ook voor onze tijd geschreven. Het is wel ontdekkend: we bidden niet en als we bidden, bidden we verkeerd. Dan blijft er niet veel over. Wat kan dan nog uitkomst bieden? Alleen het …….gebed. Er is geen nood zo diep en geen machteloosheid zo groot of het gebed blijft over; voor de machteloze en voor de meest radeloze of wanhopige, voor de meest goddeloze en voor de verst afgewekene. Dus ook voor u en voor jou, en voor mij. Het gebed zegt dat ik alles verkeerd en krom doe, ook vooral het gebed; tegelijk is voor die verkeerde gebeden maar één medicijn te vinden, namelijk het gebed. Het gebed op grond van de altijd biddende en dankende Hogepriester. Hij wordt nooit met stomheid geslagen in Zijn werk bij het reukofferaltaar. Hij geeft het gebed nooit op, zoals wij dat zo vaak wel doen. Hij heeft nooit gebrek aan gronden en argumenten voor het gebed, want Hij bidt op grond van Zijn volbrachte werk. Hij behoeft nooit beschaamd te staan, vanwege schuld en nalatigheden. Dat is een groot wonder. Na Zijn volbrachte werk in kruis en opstanding gaat Hij niet genieten van de rust, maar blijft Hij onvermoeid bidden en doorbidden voor de Zijnen. En als zij het niet meer kunnen of misschien wel in slaap vallen onder hun gebed, of zo vaak een geschonden en een gehavend gebed met een gebroken geklank opzenden, is Zijn gebed ook ten allen tijde naar God voor de heiligen. En door Zijn Geest, inwonend in het hart der Zijnen, werkt Hij dat gebed en leert Hij hen pas goed en recht smeken om genade. Dat is de enige uitkomst voor onze biddeloosheid. Hij gaat door als wij afbreken. Het moet alles van Hem komen en van Hem alleen. Het voornaamste stuk der dankbaarheid ligt boven het stof. Als Petrus niet bidt maar integendeel vloekt, ligt zijn enige behoud in het gebed van de Heere Jezus. Daarom komt het goed met de kerk.
Vraag en antwoord 117 geeft enkele lijnen aan waaraan het rechte gebed moet voldoen. Wat behoort tot zulk een gebed wat Gode aangenaam is en van Hem verhoord wordt? U denkt misschien dat het nu weer ingewikkeld wordt en dat er weer allerlei plichten en lasten worden opgebonden, als u wilt bidden. Zeker wel als u let op die drie lijnen die er in het antwoord worden getrokken. Maar het wordt nìet ingewikkeld en moeilijk; het eenvoudige gebd van de tollenaar voldeed aan deze richtlijnen. En dat gebed was heel kort een eenvoudig.
Het kan geen kwaad onze gebeden ter toetsing naast dit antwoord te leggen. De drie lijnen hebben te maken met: tot Wie u bidt, wie er bidt en hoe u bidt. Het adres is belangrijk. Denk aan de telefoon. U moet het juiste nummer hebben, anders bent u verkeerd verbonden. Of, met een ander beeld gezegd: u moet de zender goed afstemmen, anders krijgt u stoorzenders. Beide beelden hebben te maken met "contact”. Hebben we contact met de Heere? Oefenen we in het gebed ook gemeenschap met God? Laat het niet alleen opgaan in een uitspreken van uw noden, zonder dat u gevoelt dat er contact is. Dit heeft ook te maken met het ontvangen van een antwoord, dat de Heere geeft. In een telefoongesprek komt het van twee kanten. Gaat dat ook zo als we bidden? En hoe zouden we antwoord kunnen krijgen?
Dat zijn geen makkelijke vragen. De Heere kan antwoord geven in de weg der omstandigheden. Een bepaalde gebeurtenis kan een antwoord zijn op uw gebed. Daarbij is het ook zo, dat hoorbare antwoorden niet gegeven worden. Toch spreekt de Heere wel tot bidders. Hij doet dat met name door Zijn Woord. Een tekst kan haarscherp aansluiten op uw persoonlijke nood. Daarbij kan er kracht in meekomen. U bent, als u dat meemaakt, kennelijk overtuigd dat de Heere gesproken heeft. Merk op mijn ziel, wat antwoord God u geeft. Daarom behoren Woord en gebed ook bij elkaar. In welke volgorde? Voor beide mogelijkheden is iets te zeggen. Eerst Gods Woord lezen en daarna bidden kan ons gebed gericht doen zijn op het spreken van de Heere. Dan bepaalt Gods Woord mede de inhoud van het gebed. Het kan leiden tot een pleiten op het Woord der belofte. Het kan leiden tot schuldbelijdenis, als de Heere ontdekkend spreekt in Zijn Woord. Maar eerst bidden en daarna de Bijbel ter hand nemen, ook dat kan een goede orde zijn. Zo bezien kan het leiden tot het ontvangen van een antwoord, al kunnen we de Heere daartoe nooit dwingen.
We kunnen ook op een andere manier antwoord van de Heere krijgen. Het kan zijn dat we tijdens het gebed een duidelijk en opvallend besef hebben van Gods tegenwoordigheid, van Zijn luisterend oor. Dan hebben we het gevoel dat ons gebed wordt overgenomen, dat we onze noden kwijt kunnen. Dat kan op een onverklaarbare wijze telkens weer gevoeld worden. De bidder krijgt dan een een innerlijke overtuiging dat de Heere er van afweet. Een vrouw uit een van mijn vorige gemeenten zei eens, toen het ging over een bepaalde nood: Ik zal er een gebedszaak van maken. Ze bedoelde ermee de zaak nadrukkelijk bij de Heere aan de orde te stellen. Er was een predikant die tijdens het kanselgebed bad voor een kind, dat op sterven lag. Na het amen zei hij: Gemeente, dit kind sterft niet. Hoe kon hij dat nu weten? Hij had tijdens het gebed werkelijk contact met God gehad.
Toch moeten we ervoor oppassen dat we de verhoring van het gebed niet uitsluitend binden aan buitengewone dingen. Ook als we niets ervaren tijdens het gebed, is daarmee het gebed nog niet afgewezen. Want het reeds genoemde antwoord spreekt ook over een opmerkelijk gegeven, namelijk het geloof. De Heere wil om de Heere Christus wil het gebed zeker verhoren, gelijk Hij in Zijn Woord beloofd heeft. Ik kan er in dit bestek niet op ingaan hoe de Heere verhoort. Maar hier staat dat de bidder geloven mag dat de Heere het gebed verhoort, ook als geen bijzondere zaken worden ervaren. Die verhoring hangt samen met twee zaken: het volbrachte werk van Christus en de belofte in Zijn Woord. En er wordt ten overvloede bij gezegd dat wij het onwaardig zijn. Hoe velen zullen dat geloof beoefenen in hun gebed? Is ons gebed niet beschamend vaak een gebed zonder verwachting? Er ligt in de verdienste van Christus een vaste grond, zo staat hier. Alleen op grond daarvan. Uw onwaardigheid is geen belemmering. Hier vraagt de Catechismus dus reeds geloof van iedere bidder. Is dit niet een vicieuze cirkel? IK moet bidden om geloof en ik moet tegelijk bidden in geloof….. Nu kunnen we dogmatisch de spanning hier geheel uit wegpraten. Naar twee kanten. Maar denk dan nog eens aan die drenkeling. En denk aan Christus, ook aan het Woord, de belofte. Daar ligt de vaste grond.
En het heeft ook alles te maken met de tweede lijn: uw nood en ellendigheid recht en grondig kennen! Het gebed is het krachtigst als er nood is. Die nood moet u recht een grondig kennen en daar moet de prediking toe leiden. Deze moet diep ontdekkend en ontgrondend zijn, opdat u zou roepen tot God.
Tenslotte: ik las dezer dagen het gebed van Amos, toen  Hij de oordelen des Heeren zag. Hij riep alleen maar: Heere, Heere, vergeef toch, wie zou er van Jakob blijven staan, want hij is klein. En in een volgende gedeelte: Heere, Heere, houd toch op… (Amos 7:2,5). Toen berouwde zulks de Heere, zo staat er; het zal niet geschieden.
Gelukkig als er zulke bidders zijn. Voor de nood van land en volk en van de  kerk. De Heere laat Zich verbidden. Het zal niet geschieden. Dat nodigt uit tot het gebed. En hoe zou het dan komen, dat er toch in deze dagen zo weinig opbloei van het leven en zo weinig verhoring, zo weinig contact is? Zou Jakobus de vinger bij de wonde leggen, ook voor ons? Onderzoeken we daarom allen onszelf in het licht van zondag 45.
 
 

ZONDAG 23               2007
 
een moment?
 
Zondag 23 is in de Heidelberger Catechismus ongetwijfeld van centrale betekenis. Vroeger was het wel eens zo, dat predikanten beoordeeld werden op hun preek over deze zondag. Ging het over de rechtvaardiging, dan moest blijken hoe de voorganger stond tegenover de praktijk van het geloofsleven. Was dit zuiver, dan was men gerust. Het had te maken met met een sterk accent op de rechtvaardiging in de vierschaar der consciëntie.
De rechtvaardiging werd gezien als "de grote zaak”, waar de meesten nog voor stonden en waarvoor ze ook vaak wel bleven staan tot aan de dood toe. De rechtvaardiging was een fase die soms heel ver verwijderd was van de wedergeboorte. Allerlei termen en uitdrukkingen, die ik hier niet allemaal zal noemen, gaven aan dat er heel wat kon zijn, terwijl de schuld nog open stond. Ook in onze tijd horen we deze klanken soms nog om ons heen en er heerst veel verschil van mening over deze feiten.
Ik was er, heel veel jaren geleden, eens bij toen ds. R. Kok sr. aan een bekende van hem vroeg hoe het erbij stond. Het antwoord van de vrouw luidde: "Ik sta nog voor de grote zaak”. Zijn wedervraag luidde: "Hebt u het wel eens mogen geloven?” Daarop antwoordde de vrouw bevestigend. Zijn raad aan haar luidde: "Dan moet u het 24 uur per dag geloven”.
Dit voorval geeft dan aan welk gevaar er bestond als men sterk uitging van de eenmalige beleving van de rechtvaardigmaking, zoals men deze dan noemde. Men wist feitelijk precies waar men aangeland was op de weg ter zaligheid. Er was ook wel het besef van een nieuw leven, maar de volle, onaangevochten vastheid en zekerheid werd nog gemist. Anderen hadden daarover verteld. Op die manier kan er een zekere lijdelijke houding ontstaan. Er ontstond soms een bepaalde concurrentie tussen kinderen Gods. En ook een vastgeroest zitten op beleefde beloften en genaden. Terwijl juist Gods Woord aangeeft dat niet een wedergeborene, maar een goddeloze wordt gerechtvaardigd. En er moest dan heel wat gebeuren, om allerlei verkregen gronden kwijt te raken en te leren instemmen met de woorden van zondag 23, die een sterke zelfveroordeling inhouden. De orde des heils is geen ladder, die van sport tot sport hoger voert, integendeel. En bovendien, het is ook opmerkelijk dat men soms al zo lang en zo ver kon gekomen zijn zonder de kern van het geloof in Christus en Zijn vrijspraak beleefd en geloofd te hebben.
In zijn Dogmatiek merkt wijlen Prof. Van Genderen op, dat niet ontkend kan worden dat sommigen de rechtvaardiging heel persoonlijk en diepgaand konden beleven, zoals hierboven geschetst, maar dat het gevaar niet denkbeeldig was dat men in een afwachtende houding terecht kwam. Dat is dan toch een belemmering voor het genadeleven.
Nu is het betreurenswaardig, dat met het afnemende spreken over de vierschaar der consciëntie, ook de geloofskennis van de rechtvaardiging zelf afgenomen lijkt te zijn. Anders gezegd: we horen niet alleen weinig meer over de momentelijke beleving van de rechtvaardiging, maar ook helaas steeds minder over de rechtvaardiging door het geloof zèlf. Men spreekt in deze tijd meer over zingevingsvragen; men heeft andere behoeften dan in de dagen van de Reformatie. De zin van het leven vraagt meer aandacht dan de vergeving der zonden. Toch is dat laatste onopgeefbaar. De vraag wordt ons allen gesteld, nu en eens onontkoombaar: Hoe zijt gij rechtvaardig voor God?
een proces
Gods Woord spreekt immers helder en klaar over de rechtvaardiging, reeds in het OT., en dan met name in de psalmen (Psalm 6, 32, 51, 85, 130, 143 ea) . Maar ook de profeten spraken er vaak over, zoals Jesaja 53 en Zacharia 3 bijvoorbeeld. Het is vooral Paulus die ervan weet in de Romeinenbrief en ook in zijn schrijven aan de Galaten. De Catechismus verbindt de rechtvaardiging meer het geloof, dan met de beleving. Dus, kunnen we stellen, waar waarachtig geloof is, daar is ook het besef van het rechtvaardig zijn voor God? Het omgekeerde is in ieder geval waar. Geloof buiten de rechtvaardiging is geen waar geloof? Zo wordt het wel gesteld. Ds. Paauwe  is bekend geworden vanwege deze stelling. Ik heb nog nooit echt  het verschil kunnen ontdekken dat hem zou onderscheiden van meerdere dienaren, die ook een sterk accent plaatsen op het rechtvaardigend geloof. Iedere rechte prediker trouwens behoort dat zo te doen. Zonde en genade zijn de centrale thema’s van de prediking. Christus is de grond van alle genade. Hij is de Poort ten leven en buiten Hem kan men niet werkelijk rusten. Maar rechte kennis van eigen nood en ellende is een onderdeel van het leven uit Christus (Profeet), evenals de heiliging deel uitmaakt van Zijn Koninklijke bediening. Bloesem behoort bij het vruchtbeginsel en het zou dwaas zijn de bloesem weg te slaan omdat het nog geen volgroeide appel is. Het genadeleven gaat niet op in de zekerheid. Er leidt een weg naartoe. Nu kan men wel op de weg naar de vrijstad zijn en dat is een verblijdende zaak, maar men kan op die weg niet op een rustbank langs de weg gaan zitten. Er was sprake van een voortgedreven worden naar de hoornen van het altaar. Diezelfde houding moge een ieder kenmerken, die waarlijk op weg is naar Christus. Dan is het: Niets is er waar ik in kan rusten. Nu zal de ene prediker een scherpere lijn aangeven dan de ander. Mogen zondaren bemoedigd worden, terwijl ze de bewuste kennis der vrijspraak nog missen? Hoeveel beloften zijn er juist niet voor de door onweders voortgedrevenen, de ongetroosten!
Het is het meest Bijbels als in de eerste beginselen al reeds de grondtrekken ingewikkeld zijn van het volle heil in Christus. Een geloof in beginsel, dat dan meer en meer uitgediept wordt door een toenemen en opwassen in de kennis van Christus Jezus. Maar de dingen liggen voor eigen waarneming lang niet altijd zo helder en duidelijk als wel te wensen zou zijn. Dat geeft dan toch veel strijd en gemis en twijfel. En voor al deze kwalen is toch maar één middel.
de kern
Ik onderstreep dus de noodzaak van het zoeken naar de vrijspraak, en dan is het allermeest nodig dat deze gehoord wordt in de vierschaar Gods. Dat gericht Gods is van oneindig veel meer gewicht dan de vierschaar in het hart!
Waarom? Ieder, die de Heere vreest, zal vastheid zoeken en houvast begeren in Christus, als het goed is. Hoe rechtvaardig voor God? Voor God! Daar gaat het om. Er zijn mensen, die zichzelf rechtvaardigen, zoals de Farizeeër deed. Niet de eigen rechtbank van mijn hart, maar die van de hoogste Rechter maakt alles uit. Bij de rechtvaardiging behoort juist, volgens de bekende woorden van de Heildelberger, dat mijn geweten mij aanklaagt. Het geweten is dus niet de rechter, die het beslist. Een scharnier in dit antwoord is juist, dat het eigen geweten geheel en al aan de kant van de Rechter is komen te staan. Het stemt volkomen in met de beschuldiging van het gericht. Dus de vierschaar van het geweten moet heenwijzen naar de vierschaar Gods.
Niet het geweten, maar: …."nòchtans God, zonder enige verdienste mijnerzijds, uit louter genade mij de volkomen genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus schenkt en toerekent”. God spreekt vrij. Als uw kerkenraad de beste gedachten van u heeft, is dat misschien een steun, maar het zegt lang niet alles. Als de mensen u ervoor houden, hoeft dat niet verkeerd te zijn, maar u kunt er niets mee. Geen goed gerucht kan u redden, geen goede naam, maar alleen de uitspraak van de daartoe bevóegde rechter maakt uit wie u bent. Als u in een bepaalde zaak bericht hebt gekregen van het hof, dat u onschuldig bent, maakt dat bericht een einde aan de onzekerheid. Het stempel van de rechter. Zo ook hier. Niet de buurvrouw, niet de mensen, niet de buurt, maar alleen de officiële uitspraak van de hemel is beslissend. Dat is de kracht van de rechtvaardiging. Dat maakt aan alle twijfels een einde. Het hoogste hof zegt: "Komt dan, laat ons samen richten….” Ik boog me en geloofde en mijn God sprak mij vrij. Dat is de uitnemende rijkdom van het rechtvaardigende spreken Gods. Dan worden we gebouwd op de hoeksteen Christus. Dan wordt Zijn verzoening en Zijn bedekking ontvouwd en meer en meer verklaard. Dan spreekt Hij het uit: Indien gij Mij zoekt, laat dezen heengaan. In de rechtvaardiging worden puntjes werkelijk op hun plaats gezet.
En dat gaat dan ook weer samen met de afsnijding van alles wat van de mens is. Hoe meer men ontdaan is van de eigen stam, des te meer zal men alles in Christus vinden. Ik noemde hierboven ds. Kok. In het jongeste nummer van het blad "Oude Paden” worden enkele zeer sprekende woorden van hem aangehaald over de afsnijding. Lees het maar eens na. Het gaat in alles hierom, hoe we onszelf kwijt kunnen raken, zo radikaal mogelijk, en tegelijk hoe we zo radikaal mogelijk in Christus kunnen roemen. En het eerste hangt met het tweede nauw samen.
De verkregen zekerheid is zo groot, dat de ware christen zich mag tooien met de volkomen gerechtigheid van Christus. Het woordje "evenals” uit het antwoord geeft dat duidelijk aan. Het spreekt van vaste zekerheid: evenals had ik nooit zonde gedaan…. Zo sterk en zeker kan er gesproken worden en dat kan alleen vanuit de rechtvaardiging, door het geloof in het Woord. We moeten vaststellen dat deze gefundeerde zekerheid bij de oude vromen veel meer vertolkers vond dan nu onder ons. Deze mensen leefden vaak uit een sterke blijmoedigheid omdat ze innerlijk houvast kenden. Het lijkt erop, dat het geestelijke leven in deze dagen bij u en bij mij meer een kwijnend bestaan lijdt. Daarom is het zo belangrijk dat alle registers opengaan, als er over de rechtvaardiging radikaal wordt gesproken.Lees daarover psalm 32 en Romeinen 5 maar eens biddend op na.
Hoe kan dat nu zo sterk gezegd worden?
Omdat tenslotte het woord rechtvaardiging niet op te vatten is als een rechtvaardigmaking in die zin dat er iets in of aan de zondaar plotseling verandert. Er verandert in de feiten van zijn leven niets. Hij is nog geheel en al zondaar en goddeloze. Hij is dan, zoals Luther aangaf, tegelijk zondaar en tegelijk rechtvaardig. En die uitspraak geeft al aan dat er twee kanten aan de zaak zijn. Het is maar net aan welke zijde van het schip u de netten uitwerpt.
Het is dan ook geen feitelijke rechtvaardigmaking, maar een rechtvaardigverklaring. Dat ligt mede opgesloten in de woorden van het antwoord dat "ik nog steeds tot alle boosheid geneigd ben”. En het woord "evenals” geeft natuurlijk ook reeds aan dat ik niet zelf alle gerechtighweid volbracht heb, maar dat het is alsòf ik dat gedaan heb, in Christus.
In feite zijn  drie kleine aanduidingen van het grootste belang in dit antwoord: eerst "al is het dat”, daarna "nochtans” en tenslotte "evenals”. Kunnen we deze woorden begrijpen en plaatsen in ons eigen leven? Dan klinkt de roemtaal: Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het Die rechtvaardigt, wie is het Die verdoemt? Christus is het, Die gestorven is…..
            
HEILIGMAKING         2007
 
 
We zijn nog steeds doende enkele opvallende en sprekende lijnen te ontdekken in de Catechismus; dat gebeurt, zoals u zich zult herinneren, in het kader van de leerdienst.
Na stilgestaan te hebben bij de  rechtvaardiging, moet er nu ook zeker gesproken worden over de heiliging. Over het verband daartussen bestaat veel onduidelijkheid. Bij anderen, bij ons, bij mij. Dit verband is namelijk diep geestelijk en het is niet zo maar in volle omvang te bevatten. Maar de Catechismus geeft duidelijke accenten.
Waar liggen de knelpunten?
Ik wil het duidelijk maken vanuit de benamingen, die gebruikt worden. Men gebruikte voorheen altijd de aanduidingen: rechtvaardigmaking en heiligmaking. Deze aanduidingen hebben zich in de loop der tijd gewijzigd. Het is nu: rechtvaardiging en heiliging. 
Geen rechtvaardigmaking, maar rechtvaardiging. Want, zo stelt men terecht, men wordt niet recht-vaardig gemáákt, maar men wordt rechtvaardig verklaard. Als de zondaar wordt gerechtvaardigd, verandert er aan hem als zodanig niets. Hij blijft dezelfde goddeloze. Zo is hij tegelijk rechtvaardig en tegelijk ook zondaar.
Maar natuurlijk wil de Heere ook dat de zondaar vernieuwd wordt en dat gebeurt nu in de heiliging. Deze heiliging echter kan wèl aangeduid worden als heiligmáking. Want er komt een proces van verandering en vernieuwing op gang. De Heere eist dat ook: Zijt heilig, want Ik ben heilig. U hebt het vroeger op catechisatie al geleerd: in de rechtvaardiging verandert de zondaar niet, maar dat gebeurt wel in de heiligmaking. Moet na de rechtvaardiging nu de mens zeld aan de slag? Is het nu zijn beurt om vanuit de dankbaarheid de Heere offers te brengen? Of is heiliging ook geheel het werk van de Heere en hebben we er niets aan toe te voegen? Dat zijn de vragen!
Het verband nu tussen rechtvaardiging en heiligmaking wordt heel verschillend ingevuld. De grootste uitschieters vinden we bij Rome. De Roomse kerk maakt de heiliging (eigen werken) tot basis en voorwaarde voor de rechtvaardiging. Dat gebeurt eigenlijk al bij de genade van de doop (gratia infusa). U kunt  zich voorstellen waar dit toe leidt. Er is pas vastheid aangaande de rechtvaardiging en God wil mij de zonden pas vergeven, als ik een bepaalde mate van heiligheid bezit. Maar het is juist andersom. De rechtvaardiging vormt de grondslag voor de heiligmaking. Bij Rome verdwijnt alles in de mist van de eigen werken; alles is afhankelijk van mezelf. Ik word dan op mijzelf geheeel terug geworpen. Mijn zonden worden me vergeven, als ik er zelf al iets aan gedaan heb.
Is dat Rooms?
Heel zeker weten, maar er lopen wel allerlei vertakkingen van deze gedachte naar reformatorische christenen, naar u en mij. Dat heeft heilloze gevolgen. We komen daardoor weer opnieuw in het werkverbond terecht. Zondaren moeten op die manier eigenlijk alles zelf doen, alsof er nooit een Zaligmaker was verschenen. Zodoende vallen we terug in het wetticisme.
Hoe kan het dat deze Roomse gedachte ook onder ons voorkomt? De naam Kohlbrugge toont dat al duidelijk aan. Hij heeft zich zijn gehele leven bewogen rond het thema van de heiligmaking. Velen hebben hem ervan beschuldigd dat hij de heiligmaking tekort deed. Hij verklaarde, aldus bijvoorbeeld DaCosta, op de een of andere manier de heiliging te veel vanuit de rechtvaardiging. Hij bedoelde te zeggen dat u, als u echt krachtig hebt mogen geloven in de rechtvaardigende vrijspraak in Christus, dat u dan ook een heilige bent. Hij was er verder ook bang voor dat men zou vervallen tot werkheiligheid. Hij signaleerde het Roomse streven bij velen. Rechtvaardig willen zijn op grond van eigen heiligheidsstrevingen. Vergeving en verzoening aten afhangen van eigen vorderingen. Als mensen vastlopen in de heiliging, verliezen ze het zicht op de vergeving en de zekerheid des geloofs.
Wat zegt de Catechismus hierover?
Ik geef weer wat vraag en antwoord 87 hierover zegt: Aangezien wij uit onze ellendigheid, zonder enige verdienste onzerzijds, alleen uit genade door Christus verlost zijn, waarom moeten wij dan nog goede werken doen?
Antw. Daarom, dat Christus, nadat Hij ons met Zijn bloed gekocht en vrijgemaakt heeft, ons ook door Zijn Heiligen Geest tot Zijn evenbeeld vernieuwt, opdat wij ons met ons ganse leven Gode dankbaar voor Zijn weldaden bewijzen a, en Hij door ons geprezen worde.
U hoort in de vraag verlegenheid. Waarom mòeten wij goede werken doen? Dat riekt naar dwang, naar een wet, naar Rome.
In het antwoord vinden we in ieder geval twee duidelijke accenten voor ons onderwerp. Hier geen Roomse smet; dat zien we aan het woordje "nadat”. Eerst heeft Christus Zijn Kerk met Zijn bloed gekocht (1); nadat dat heeft plaats gevonden, heiligt Hij hen (2). Hìj heiligt! Dat geeft duidelijk de volgorde aan; tegelijk ook dat het geen werk van mensen is. Het gaat hier om een logische orde. Christus is ook gegeven tot heiligmaking (1 Kor.1:30). Schriftuurlijk onderwijs in optima forma. Lees het nog eens, als de zin u nog niet duidelijk is!
De praktijk echter is dikwijls heel anders. Wie iets heeft mogen zien en beleven van de vrijspraak in Christus en zodoende de kracht van de rechtvaardiging heeft ondervonden, dreigt telkens weer te vervallen in een vorm van zelfbediening. Het Roomse juk der dienstbaarheid kan menigmaal opnieuw weer knellen. Dat gaat bijna vanzelf; u hoeft er niets voor te doen. U hebt, hoop ik, een tijd gekend dat u mocht leven uit het volbrachte werk van Christus. Er was een drang om de Heere uit liefde en dankbaarheid te dienen. Een vermaak in de dienst van de Heere. Uw hart ging uit tot de Heere Jezus. Zijn dienst vervulde u en de zondag was of is een feestdag.
Dat is misschien al lang geleden. Omdat ik van zondag tot zondag veel mensen mag spreken, neem ik dat waar uit hun mond. Iemand zei pas tegen me: Na mijn bekering doe ik meer zonden dan daarvoor. Oude zonden komen boven, de wereld trekt alsof er nooit een bekering geweest is; u merkt steeds meer dat uw zondige natuur niet bekeerd wordt. Het vlees begeert tegen de Geest, alzo dat u niet doet wat u eigenlijk zou wilen doen (Gal.5:17). Hoe u die tekst ook verklaart (het kan op twee manieren), het is en blijft een treurige constatering. De Heilige Geest ontdekt in de heiliging dieper dan ooit. En als we nu geen verbetering zien in ons leven, kunnen we dan toch telkens weer opnieuw, voor de zoveelste keer, staat maken op het bloed van Christus? De zonden moeten toch nagelaten worden? Dan gaat het niet om allerlei openbare kwaden; maar dan gaat het om de macht van het vlees. Paulus riep uit: "Ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde” (Rom.7:14). De dagelijkse zonden verduisteren het zicht op Christus. U hebt de Heilige Geest voor de zoveelste keer bedroefd. Het wordt  gevaarlijk als we daaraan gaan wennen en het normaal gaan vinden. Dan leidt het tot een slordig leven. Maar velen gevoelen het wel dat de satan hen met vuisten slaat. Dat kan leiden tot allerlei gevoelens. Men kan er moedeloos onder worden. Voor anderen kunt u het best geloven, maar bij u ligt dat anders. Moedeloosheid heeft echter te maken met ongeloof en zodoende kwijnt daardoor alles weg.
Het echte leven heeft nimmer vrede in deze toestand. Eigenlijk komt men steeds dieper in het moeras en dat lijkt me het beeld van onze tijd. Het zwakt af en wat moeten we nu? Hoe krijgen we weer een ander hart en waar ligt de oplossing? Nog steeds werken aan zelfverbetering? Merkt u soms ook niet dat u eigenlijk weer helemaal onder de wet leeft?
Men zegt dan wel eens: God is gelukkig getrouw! Alles lijkt toch goed. Maar zijn we daarmee echt boven de nood uit? Paulus zegt dat niet zonder meer zo tegen de Galaten en de Heere Jezus stelt op die manier ook Laodicea niet gerust. Integendeel, Hij zegt dat Hij hen, zonder bekering, uit Zijn mond zal spuwen. Ik kan persoonlijk niet erg meekomen met zovelen, die te snel de bezwaren wegwuiven en de ernst van de situatie ontkennen. Dit geldt voor het persoonlijke en ook voor het geestelijke leven. Het lek lijkt weer boven de waterlijn; het doet geen kwaad meer. Ik denk dan vaak aan de Joden die allemaal om het hardst riepen tegen Jeremia, dat het niet kon bestaan dat de tempel zou vallen. Maar het gebeurde tòch.
Hoe dan ook, er is stellig geen andere weg dan de weg te gaan tot Christus. Terug naar de rechtvaardigende kracht van Christus’ bloed. Hij vernieuwt naar Zijn evenbeeld, nadat Hij gekocht en vrijgemaakt heeft (antwoord 87). Kohlbrugge zou u daar onmiddellijk op wijzen. Maar hij zei dat wel tot mensen die daar geestelijk mee worstelden. Voor die worstelaars moet benadrukt worden dat Christus heiligt en vernieuwt. Het is Zijn werk. Geef het Hem eens en voor altijd in handen. Hij is toch gegeven tot heiligmaking? Hoor naar Zijn stem, als Hij zegt: Ik heb tegen u dat ge uw eerste liefde hebt verlaten. Maar dan geldt ook Zijn belofte dat niemand hen uit Zijn hand kan rukken. Zondag 11 zegt zo mooi dat Gods kinderen àlles in Hem hebben. Kom vanuit de noden der heiliging tot de vastheid van de rechtvaardiging. Blijf toch niet in uzelf dwalen en wankelen.
Hier zal de rechte prediking uitkomst kunnen bieden.
Door enerzijds telkens weer opnieuw heen te wijzen naar de volkomen offerande van Christus. Hij is heden Dezelfde als gisteren. En dat blijft Hij tot in der eeuwigheid.
Tegelijk zal de prediking ook overtuigend de schuld van Gods levende kerk moeten voorstellen. En dat doen we vaak veel te weinig; zodoende sussen we mensen in slaap.
De vruchten moeten toch openbaren wie we zijn. Als we Christus nodig hebben, moet ook de noodzaak, de diepe noodzaak van Zijn werk gepredikt en beleefd worden. De noodzaak van de heiligmaking! Dan moeten de zonden ook schuld worden, telkens weer. Hoedanig behoorde ge te zijn in heilige wandel. Als de prediking dat niet doet, is de uitwerking noodlottig. Dan ontstaat steeds meer de geest van Laodicea; we zijn dan rijk en verrijkt. Gods levende kerk kan alleen maar wenen en aangedaan zijn over de geestelijke nood van hun hart en over de nood van de kerk.
De Heidelberger zegt ook dat we ons Gode dankbaar zullen bewijzen en Hij door ons geprezen moet worden. Dat gebeurt niet in een werelds leven en het komt tekort als we in slaap gepreekt worden, omdat het toch immers wel goed met ons is. En als die pediking de schuld voorstelt en de mens, kon het zijn, in de nood bengt, dan blijft de volkomenheid van Christus over voor allen die Hem nodig hebben.
Ik ben bang dat we allemaal met elkaar de breuk toch te licht genezen. Op en onder de kansel. Zijn we echt vastgelopen met onszelf? Werd er toen een uitweg in Christus geopend, telkens opnieuw? Die uitweg is er, ook voor onze tijd. Maar er is wel een krachtige geestelijke opwekking nodig, een vernieuwde bediening van de Heilige Geest, Die de hof van de kerk moet doorwaaien. Op die manier worden uw gangen bevestigd en zal er weer eer in ons land, in onze kerk, in ons hart wonen. De getrouwe wachter moet de nood en de schuld van onze geesteloosheid aan de kaak stellen, opdat we het oud vertrouwen mogen voeden en opdat we de onnaspeurlijke rijkdom van Christus temeer mogen zien.
Jaagt de heilgmaking na, zonder welke niemand de Heere zien zal.
 
 
           
Voorwerpelijk – onderwerpelijk       2009

Meermalen heb ik in het verleden het bekende onderscheid voorwerpelijk en onderwerpelijk gebruikt. In de geschiedenis van onze kerken zijn deze woorden bekend geworden. Een jonge lezer van ons blad vroeg me naar de betekenis van deze woorden. Ik heb hem wel een persoonlijk antwoord gegeven, maar het lijkt me goed ook in ons blad aan deze woorden enige aandacht te geven.
Ik heb, net als de vraagsteller, het boekje van Ds. I. Kieviet, getiteld: Voorwerpelijke – onderwerpe-lijke prediking eis der Schrift,  erbij gezocht. Deze Ds. Kieviet stond destijds o.m. in Baarn. Hij heeft zich vooral bezig gehouden met allerlei vragen rondom de bevindelijke prediking. Een markante persoonlijkheid. In Baarn (dit ter inleiding) was als een wonder plaats gekomen voor een predikant van de Gereformeerde Bond. In die vacature werd hij beroepen en hij kwam zodoende in die gemeente. Als er ’s morgens een confessionele predikant had gepreekt, zei Kieviet ’s avonds: Jullie hebben vanmorgen onder een valse leer gezeten. Hij was dus nogal onomwonden in zijn benadering. Toen hij werd bevestigd, wijdde zijn bevestiger uit over het wonder dat er nu een predikant als Kieviet mocht worden bevestigd. In Baarn  kerkten veel mensen die behoorden tot de elite van het dorp. Deze behoorden echter meestal tot de confessionelen; geen vrienden van de prediking van Kieviet. Het moet toen gebeurd zijn dat de bevestiger opgaf psalm 126. Toen hij was toegekomen aan de regels: " toen hieven zelfs de heidenen aan, God heeft bij hen wat groots gedaan”. keek hij bij het woord "heidenen” veelbetekenend en met een hoofdknik naar deze groep mensen, die daarna, zo heet het, nooit meer in de kerk kwam. Wel een heel straffe benadering! Deze Ds. Kieviet gaf in zijn prediking ook ruimte voor de "vierschaarbeleving”, een term, die ik nu niet nader verklaren kan, maar die misschien een nieuwe vraag oproept.
Welnu, Kieviet schreef zijn boekje en gaf daardoor bekendheid aan de hierboven vermelde woorden. Wat betekenen deze woorden precies? We kunnen de beide begrippen ook weergeven met de woorden: objectief en subjectief, echter weer niet met de begrippen: theoretisch en praktisch. Ik kan objectief spreken over een huis, zonder dat ik allerlei gevoelens van waardering of afkeuring ter sprake breng. Ik onthoud me dus van allerlei menselijke subjectieve meningen en oordelen.
Dit voorbeeld kan ons een beetje helpen om de betreffende woorden te verklaren. Voorwerpelijke prediking handelt over het evangelie "op zich”. Zoals het in de Bijbel staat. Meer objectief, zonder dat we spreken over onze persoonlijke verwerking en onze bevindelijke doorleving. Misschien zeg ik nu al iets te veel. Want Gods Woord zelf is reeds bevindelijk van aard en heeft reeds in zich de persoonlijke verwerking van het evangelie. Schriftuurlijk preken in de goede zin is al bevindelijk preken. Ik geef enkele voorbeelden: Nathan gaf aan David het Woord van God door over zijn zonde in de vorm van een verhaal; David dacht helemaal niet aan zichzelf. Het werd echter persoonlijk, dus onderwerpelijk, toen Nathan zei: "Gij zijt die man”. Of deze tekst: "De Heere is waarlijk opgestaan en is van Simon gezien” (Luk.24:34). Het eerste is de meer obtiektieve, voorwerpelijke waarheid (waarlijk opgestaan), het tweede meer de subjectieve, onderwerpelijke beleving van Simon. In 1 Cor.15 meldt Paulus de opstanding: ik maak u bekend het evangelie dat ik u verkondigd heb….enz. In alle verschijningen die hij dan noemt, ligt al een schat aan bevinding. Echt strikt persoonlijk wordt het als hij zegt "ten laatste van allen is hij ook van mij, als van een ontijdig geborene, gezien”. Of: "Gelijk een appelboom onder de bomen des wouds, alzo is mijn Liefste onder de zonen (voorwerpelijk); ik heb grote lust aan Zijn schaduw en zit eronder en Zijn vrucht is mijn gehemelte zoet” (Hoogl.2:3). Deze tweedeling vindt u in ontelbaar veel meer teksten.
Vroeger hadden de meeste preken een bepaalde vorm, een indeling, die duidelijk maakt wat deze woorden betekenen. Voor de tussenzang werd de tekst verklaard. Heel stipt en uitvoerig. Het gebodene werd met heel veel schriftplaatsen onderbouwd. Men noemde in die tijd de preken ook wel leerredenen, en inderdaad kunnen we wel zeggen dat het zeer sterk lerend en onderwijzend was. De gemeente van nu zou er moeite mee hebben. Na de tussenzang kwam dan de toepassing. Er waren onbekeerden, bekommerden en verzekerden in de gemeente. Deze werden dan vaak apart, vanuit die tekst, aangesproken. Wij kennen dat gebruik zo niet meer; de toepassing is hopelijk doorgaans door de hele preek verwerkt.
Het mag dus wel duidelijk zijn dat deze voorwerpelijke prediking van het hoogste belang moet worden geacht. Gods Woord moet tenvolle aan het Woord komen en het vraagt een diepgaande verklaring. In de geschiedenis van onze kerken (ik heb het dan over een vijftig jaar geleden) sprak men over bepaalde predikanten als over voorwerpelijke dominees. Hoorders misten er het strikt persoonlijke element in, naar hun persoonlijke mening althans. Maar als wij nu deze voorwerpelijke preken lezen, moeten we zeggen dat de meeste ervan diepgravend en geestelijk van setting waren. Het waren gedegen vertolkingen van hetgeen de Heere in die tekst wilde bekend maken.
Wat boden dan de onderwerpelijke preken meer, wat was de toegevoegde waarde ervan? Men zei wel: waar de een al "amen” zegt, gaat de ander nog verder. Er werd meer uitwerking gegeven aan de persoonlijke spits, aan zaken als bevinding en beleving (ik vermijd het verwante begrip "ervaring”, want dit is wel een modern woord,, maar het dekt niet de inhoud van de beide andere woorden) en het werk van de Heilige Geest, Die in alle waarheid leidt. In mijn jeugd heb ik nog mensen gekend, die pas echt begonnen te luisteren na de tussenzang, dus bij de toepassing. Het andere lag boven hun bevattingsvermogen of buiten hun eigenlijke interessesfeer, wat natuurlijk onjuist was.
In de onderwerpelijke prediking komen de zaken van de doorleving aan de orde. Hoe ontdekt de Heere mensen aan hun schuld en hoe mogen zij Christus door het geloof leren omhelzen? Wat is het verschil tussen schijn en zijn, tussen ware en valse genade? Hoe komen zij ertoe om hun zaligheid niet te zoeken in het eigen hart, zodat het buiten hen in Christus wordt gevonden? Hoe leren we de drie Personen in ons hart kennen en op welke wijze krijgen we deel aan rechtvaardiging en heiliging? Voor zulke vragen werd een grote plaats ingeruimd in de prediking uit die tijd, zoals deze klonk in onze kerken. Gebeurt dat dan nu niet meer? Zeker nog wel, maar iedere tijd heeft zijn eigen vertolking en het is onmiskenbaar dat deze vertolking toen een heel sterk accent aan de preek gaf.
Ja, het gebeurt zeker ook nu nog en ook door dienaren van nu. We trachten dat te doen zoveel als in ons vermogen ligt. Maar tegelijk moet worden vastgesteld dat de prediking over de volle breedte van de kerk heel veel verloren heeft aan kracht en diepgang.
We konden er al gelukkig mee zijn, als er werkelijk voluit voorwerpelijk zou worden gepreekt op elke kansel. Maar gebeurt dat? In veel moderne preken wordt de tekst niet meer zo sterk uitgewerkt. Er wordt uitgehaald wat voor ons nog relevant en van belang is. Met het grote gevaar dat we er uit halen wat wij mooi vinden en ons aanspreekt. We laten liggen wat we niet begrijpen of wat niet op ons boodschappenlijstje staat. Er is veel wat voor de moderne mens niet meer van het hoogste belang is. Wezenlijk zaken zoals de vergeving der zonden en de heiliging van het leven. Wat de mens van deze tijd raakt, zijn zaken als nabijheid en zingeving. Gods Woord wordt toegesneden op de behoeften van de mens. Ik wil beslist geen afbreuk doen aan ernstige ijver van velen om het Woord van God te vertolken, maar de eerlijkheid gebiedt wel te zeggen dat hier een van de oorzaken ligt van de geestelijke vervreemding. Wij hebben daar als predikanten, misschien goedbedoeld, aan meegewerkt door bijvoorbeeld in te spelen op de zucht naar versimpeling van de preek. Of door die accenten in te slikken, waarvan je bewust weet dat deze niet populair zijn bij de gemeente van nu. Veel preken zijn zo overmatig vriendelijk en zoetelijk, te weinig krachtig en scherp als het bekende tweesnijdend scherpe zwaard. Er wordt ook zo vaak van uitgegaan dat men het wel eens is met de Heere en dat we delen in de werking van Gods Geest. Ik heb een vrouw gekend, die zei: "Ik houd van een eerlijke preek”. Of we er altijd van houden is nog maar de vraag, maar Gods volk heeft daar wel echt behoefte aan en vraagt er ook naar.
 Zijn we er onbewust niet gevoelig voor wat de gemeente van de preek zegt? Hier ligt voor iedere dienaar schuld, voor mij en voor anderen. Maar het gaat er wel om dat we trachten op onze hoede te zijn voor dit gevaar.
Dus hebben we echt behoefte aan de zuivere schriftuurlijke, voorwerpelijke prediking. De preken zouden winnen aan Bijbelse diepgang; de eerlijkheid van mensen als Nathan, Micha, Johannes de Doper, Paulus, Jakobus enz. is ook nu nog heilzaam voor mij en voor u. Bij elk van de genoemde namen kunt u voorbeelden zoeken van uitdrukkingen die zij toen gebruikten en die nu grote opschudding zouden veroorzaken. Er gaapt niet zelden een kloof tussen het Woord en de kansel van u.
Het voorwerpelijke moet eerst en vooral aan de orde gesteld worden. Daarvan afgeleid komt dan de toepassing breder aan de orde. Dat is nog niet zo eenvoudig. Ieder weet dat teksten soms worden gebruikt en misbruikt om de eigen belevingswereld te dienen. Er is in bepaalde kringen zelfs een pseudo- "bevindelijke”  duiding gegeven aan veel teksten. Men legt er dingen in die toch die betekenis totaal niet hebben. In de Oude kerk was het Origines die een diepere, geestelijke zin verbond aan Gods Woord. Ik hoorde onlangs nog enkele uitdrukkingen. Jonathan sprak de woorden: "De pijlen zijn van u af en verder” (1 Sam. 22:22); daarmee geeft men dan aan dat men meer moet leren. Of de vraag van Izak aan Jakob: "Hoe is dit dat gij het zo haast gevonden hebt, mijn zoon?” (Gen.27:20), om aan te duiden dat men niet zuiver aan het heil gekomen is. Dat zijn vormen van oneigenlijk gebruik.
Maar de diepe geestelijke zin voor onze tijd aan te geven, vraagt meer. Wij zijn geneigd te denken vanuit onze situatie naar de tekst, maar het is beter om vanuit de tekst naar onze situatie te gaan. Toch valt het me vaak op hoe verrassend actueel Gods Woord is. Ook in zaken van beleving en verwerking. Het is onmiskenbaar dat de echte bevindelijke prediking juist ook de moderne mens aanspreekt en in het hart aangrijpt. Heel wat zogenaamde praktische preken van onze tijd zouden overbodig zijn, als we de zuivere geestelijke lijnen van Gods Woord zouden zien en doortrekken. Ik vat samen: een schriftuurlijke preek is een schriftuurlijk-- bevindelijke preek. Gods Woord heeft alles te zeggen tegen zowel het hoofd als het hart. En beide zaken zijn van het grootste belang. Voorwerpelijk- onderwerpelijke prediking: eis der Schrift. Het hoort bij elkaar: "Des Heeren wet nochtans, verspreidt volmaakter glans, omdat ze ’t hart bekeert”; en ook: "Des Heeren vrees is rein, zij opent een fontein van heil, dat nooit vergaat”.
 
 
 
CALVIJN           2009
 
Enige weken terug gaf ik mijn vrees te kennen dat het vele spreken over Darwin, inclusief alle argumenten pro en contra de evolutieleer, gevaarlijk is. Zeker als er mensen, die een plaats van betekenis innemen, opschuiven in hun positiekeus.
Hoe is dat met Calvijn? Hoe werkt een Calvijnjaar, zoals we dat nu beleven? U hebt er allemaal wel iets over gehoord of meegemaakt. Ik wil met u hardop nadenken over deze vraag.
Een voordeel van het herdenken van Calvijn is, dat heel veel mensen met hun neus boven op de zaak van de Reformatie gedrukt worden. Balkenende verklaart een Calvinist te zijn. De Institutie, De StatenBijbel en de Heildelbergse Catechismus stonden thuis naast elkaar en er werd bij tijden naar gegrepen. Er zijn er meer geweest die hun verhouding tot Calvijn hebben bepaald. In de debatavonden over Calvijn bleek dat ook duidelijk. Soms verrassend hoe mensen uit een heel andere hoek van kerk en samenleving toch met waardering konden spreken over Calvijn en het in hem ook over het Christendom.
In moderne termen zou je kunnen zeggen dat het Calvijnjaar de (on)bewuste bedoeling heeft om de Reformator te promoten onder ons volk. Een te waarderen streven, dat we zonder meer moeten steunen. Mede ook omdat het niet alleen en vooral om Calvijn gaat; het Woord van God komt zodoende onder de aandacht van de mensen.
Nu het in onze tijd zo moeilijk is om ons volk te bereiken  met het evangelie, kunnen we dankbaar vaststellen dat op deze manier de loopplank naar velen die zich onkerkelijken noemen, is uitgelegd.
Hoogtepunt van dit alles is de herdenkingsbijeenkomst in Dordrecht, waar onze premier, het werd reeds gezegd, zich ontpopte als een Calvinist. De burgemeester van Dordrecht stelde zelfs opnieuw een Nationale Synode voor, zoals in 1618/1619. Bijna net als toen. De Staten zijn er dus ook bij betrokken. Ook onze vorstin was present als bezoekster van de tentoonstelling. En zo is er meer te noemen.
Tegelijk echter is er sprake van een zeker nadeel. Calvijn heeft zich, als ik het zo eens zeggen mag, wat omgekleed en hij heeft zich wat aangepast aan wat mensen in deze tijd van hem verlangen. Er worden allerlei vermommingen zelfs aangebracht om de mensen maar de indruk te geven dat  Calvijn heus wel meevalt. Zo konden we bijvoorbeeld lezen dat genieten van seksualiteit mag van Calvijn. En zo werden er meer ideeën gelanceerd. De moderne Calvijn. Dus: welk kostuum zullen wìj hem aantrekken?
Wat onze premier vooral aansprak, waren zijn morele kracht en zijn intellektuele kennis van de Bijbel.
Daartegenover waren er ook onmiskenbaar die bleven volharden in hun scherpe afwijzing van de Geneefse reformator, zoals de Roomse pater Bodar.
Zo heeft alles zijn schaduwkanten.
Zoals het met Calvijn gaat, gaat het misschien ook wel met de Bijbel. Om deze te introduceren bij de man van de straat, worden soms ook allerlei aanpassingen aangebracht om de invloed zo ruim mogelijk te vergroten. In zekere zin doen we dat allemaal? Het is goed als de dominee op de kansel de dingen zo kan voorstellen dat ook onze jeugd het goede ervan kan inzien. Ook Paulus paste deze tactiek toe, toen hij de Joden en Jood en de Grieken een Griek was; hij trachtte de hoorders met list te vangen. Het is het bekende dilemma tussen de duiven en de slangen, tussen duiven en haviken en tussen list en waarheid. We moeten steeds aan het nadenken blijven waar de grenzen liggen.
Het beeld van de Bijbel kan in onze dagen best wat bijstelling naar de waarheid toe gebruiken. Hoeden we ons toch allen voor een verregaand uitselecteren van zaken die ons niet liggen. De discipelen hadden er ook mee te maken. Wat de Heere Jezus zei over het lijden dat aanstaande was, stond voor hen niet "in de Bijbel”. Hoe vaak betrap je jezelf er ook niet op, dat er teksten in de Bijbel staan die je kritisch bevragen over de eerlijkheidsgraad van je bevattingen. Mij overkomt het tenminste wel en ik denk vast en zeker dat dit een algemene kwaal is, hoewel dit mij  niet verontschuldigt.
Tracht uzelf eens vast te stellen wat voor u de kern van de waarheid der Schrift is? We struikelen ook hier dagelijks in vele.
Toch tegelijk oppassen voor deze trant van redeneren. Ook al komt het veelvuldig voor, we moeten waakzaam blijven tegen deze vormen van aanpassing. Het moet toch onze oprechte bedoeling zijn om pal te staan voor de waarheid Gods.
Ik wil ten aanzien van Calvijn zo maar eens wat zaken naar voren brengen, die in dit Calvijnjaar ook belangrijk zijn. Ik bedoel dit niet puur als antistof tegen wat we nu om ons heen horen. Het gaat me er gewoon om zaken te noemen, die ook voor ons van grote betekenis zijn.
In deze weken na Pinksteren zijn de volgende regelen voor ons heel sprekend: "In de eerste plaats moeten we weten, dat al wat Christus tot zaligheid van het menselijk geslacht geleden en gedaan heeft, voor ons zonder nut en van geen gewicht blijft , zolang Christus buiten ons is en wij van Hem gescheiden zijn (III,I,1). Want zonder resultaat zouden de leraars roepen, indien niet Christus, de inwendige Leermeester, Zelf door Zijn Geest tot Zich trok hen, die Hem van de Vader gegeven zijn”
(III,I,4). In de eerste hoofdstukken van boek III staan veel meer woorden ven gelijke strekking. Hier staat dat we de Heilige Geest zo nodig hebben; en ook waartoe we Hem nodig hebben. Deze Geest nu is gekomen om al uw gemis en onrust weg te nemen door zondaren te leiden tot Christus.
Calvijn heeft hier veel zicht op de noodzaak van de toepassende bediening van de Heilige Geest.
Uit mijn aantekeningen over boek III zou veel meer te noemen zijn, maar ik maak een tamelijk willekeurige keus; in dit Calvijnjaar willen we met elkaar op deze plaats enige bescheiden aandacht geven aan zijn betekenis.
Vanaf III,III gaat het over de boetvaardigheid. Deze, waarmee C de bekering bedoelt, volgt op het geloof. Luther liet de boetvaardigheid, het berouw, voorafgaan aan het geloof. Ik kan me goed vinden in wat Ds. Egas onlangs verklaarde dat Luther hem meer nog aanspreekt als Calvijn (als ik hem tenminste goed begrepen heb), want zo ervaar ik dat ook wel, maar in dit opzicht staat Calvijn dichter bij ons. Er is wel een beginnende vrees en ontdekking, maar die kan overgaan.
Feitelijk plaats Calvijn de weg tot bekering (vrees, angst, verootmoediging, verbrijzeling, III,III,3) binnen het zaligmakend geloof. Dat lost veel problemen, ook van nu, op. Deze regels zijn van belang in de discussie over de toeleidende weg. Het wil zeggen dat ook zaken als gemis en berouw en ontdekking niet buiten het geloof in Christus omgaan. Dan kent hij zowel de boetvaardigheid vanuit de wet( Kain, Judas, enz.) alsook die vanuit het evangelie. Het betekent dat zij die worstelen met
Hun zonden, reeds delen in de bediening van Christus.
In III,III,15 vinden we weer iets anders, namelijk de waarschuwing niet door al te grote droefheid over de zonde overmand te worden. Men moet er zich te zijner tijd ook van afwenden.
Calvijn spreekt dan over het vasten (16). Ons leven moet een voortdurend vasten zijn (pronk en weelde vermijdend). Ons gehele leven moet een voortdurende boete zijn. Let ook op de volgende uitspraak, die in onze situatie van het grootste belang is: "Daarom ben ik van oordeel dat hij het meest gevorderd is, die zichzelf het meest heeft leren mishagen”.
Deze hoofdstukken tonen aan dat Calvijn ook zeer bekend was met de roerselen van het menselijke hart. Zeker kunnen we stellen dat de leer bij hem vooral sterk in het oog springt, maar de aanzet voor de lijnen van de Nadere Reformatie zijn in principe heel duidelijk bij hem aanwezig. De preken van Calvijn zouden ons misschien in onze voorstelling teleurstellen. De uitwerking is niet zo sterk op het hart gericht als we zouden verwachten. Ik herinner me dat ik in mijn Flakkese tijd eens een geoefende christen aantrof, die preken vn Calvijn las. Op de vraag hoe ze daartoe gekomen was, gaf ze ten antwoord, dat hoe meer de mens de onbetrouwbaarheid van zijn eigen hart leert kennen, hij ook des te meer behoefte krijgt aan de grote verken Gods, die geheel buiten het eigen hart liggen. Niettemin spreekt Calvijn ook duidelijke woorden om tot het hart te komen.
Het is ook opvallend dat Calvijn heel vaak Bernardus van Clairveaux citeert. Hij is goed thuis in zijn geschriften. Zoals u wellicht weet, was deze Bernardus een mysticus, die de meditatieve kant van het geloof beklemtoonde en beleefde.
In hoofdstuk XII spreekt Calvijn over Gods rechterstoel. Hij kan ook zeggen dat "de strengheid van ons onderzoek zover moet gaan, totdat het ons tot een volkomen verslagenheid gebracht heeft, en ons op die wijze toebereid heeft tot het ontvangen van Christus genade. Want hij vergist zich die meent dat hij in staat is die te genieten, indien hij niet eerst de hoogheid zijns harten heeft neergeworpen”.
"Door zulk een verbrijzeling moet uw hart gewond zijn, indien ge met de nederigen naar Gods woorden verhoogd wilt worden”.
In XIII,3 vinden we de bekende woorden dat twijfelen, veranderlijk zijn, op en neer gedreven worden, aarzelen, in het onzekere verkeren, wankel staan, en eindelijk wanhopen, geen geloof is.
In XIX,1 deelt hij de mensen in vier groepen in: de heidenen, de naamchristenen, huichelaars en wedergeborenen.
Nu ik dit alles zo lees, komt het uitermate boeiend naar me toe. Wat een nuttig en gezaghebbend onderwijs voor onze tijd. We hebben deze woorden nodig. Het moge ons allen de weg des Heeren te meer doen kennen.
Bovenstaande citaten kunnen ons een welkome aanvulling geven op alles wat er in deze dagen betreffende deze reformator over ons heen komt. Ik kon slechts een kleine greep doen uit overvloedig materiaal. Neemt u het zelf ter hand.
En verder hopen we met elkaar dat de aandacht voor Calvijn ten goede komt aan de vermeerdering en versterking g van het geloof, zowel van ons volk als ook onder ons.
De kansel, de stoel van Calvijn zijn interessante voorwerpen; de graven der profeten ook; maar hun woorden hebben eeuwigheidswaarde en daar gaat het om.
 
 
Doperdom           2011
 
De laatste maanden verschijnen er regelmatig artikelen over de Doopsgezinden of, anders genoemd, de Wederdopers. Menno Simonsz was een Fries geestelijke, die op gematigde wijze ook het doperse gedachtengoed vertolkte. Omdat ook kerkelijke kringen soms dopers worden genoemd of dat ook zijn, is het goed aandacht te geven aan deze stroming.
geschiedenis
Het Anabaptisme (Doperdom) was een nevenstroning van de Reformatie. Luther heeft ondervonden  dat zijn volgelingen verder gingen dan hij zelf. Het waren vooral de Duitse boeren die onder leiding van Thomas Munzer zich van hem afkeerden, omdat hij in hun ogen veel te halfslachtig was. Zo kwamen zij er toe zich te onttrekken aan hun adelijke heren en meesters en deze opstand heeft geleid tot veel bloedvergieten. Luther moest zich wel distancieren van deze groepen, om zodoende zijn vaandels onbezoedeld te bewaren tegenover allerlei laster.
De Wederdopers wilden de kerk zien als een gemeenschap van zuiver geestelijke mensen. De Geest en het geestelijke waren voor hen het een en het al. Dat bracht hen ertoe de wereld te ontvlieden. We komen deze elementen nog tegen tot in onze tijd toe. Denk aan groepen zoals de Amish en de Hutterites in Canada en de VS, die nog steeds leven in aparte, afgescheiden kolonies. Zij zijn daar vanuit Europa terechtgekomen omdat zij lange tijd wreed vervolgd werden. Zij trachten nog steeds de verworvenheden van de moderne techniek buiten de deur te houden.
In Nederland werd dit streven vooral bekend bij iemand als Jean de Labadie, die gewerkt heeft op meerdere plaatsen in ons land. In Middelburg wilde hij een gemeente van volmaakte gelovigen stichten. In Friesland hebben hij en zijn geestverwanten (onder wie de begaafde en bekende Anna Marie van Schuurman) lange tijd in een klooster bij Wiewerd gebivakkeerd. Zo was een algemene trek van deze groepen dat zij wereldmijding voorstonden in plaats van wereldwijding. Zaken als de overheid en het leger waren zo van de wereld, dat geen christen zich daarmee kon en mocht vermoeien. Men stond verder geweldloosheid voor.
Ik gaf al iets aan van hun gedachten. Het zal ons min  of meer bekend voorkomen, als we horen dat zij de Schrift zien als een dode letter. Het Woord was slechts uitwendig, terwijl het inwendige licht, de sprekende stem van God in een mensenhart, het enige is dat geldt voor een christen. Het staat toch in de Bijbel (2 Cor.3) dat de letter doodt en de Geest levend maakt? Men legt deze woorden verkeerd uit als we dat er in zouden lezen. Het gaat hier om de letter van de wet (gegrift in de tafelen van Mozes); de wet, vervat in deze letter doodt. Hier wordt niet de letter van de Schrift bedoeld. Deze heeft wel zeker betekenis voor ons. Dit neemt niet weg dat het spreken van de Heere door Zijn Geest in ons hart meer is dan het lezen van de Bijbel. Maar d Heere spreekt wel door het Woord als middel.
Alles wat uiterlijk is, wordt veracht. Kerkelijke formulieren en ambten worden door hen niet erkend. De doop als een teken en zegel van het verbond van God, heeft als zodanig voor hen geen enkele waarde; de volwassendoop, die door de geestelijke mens werd begeerd en ondergaan, was het enige echte.
Onze Belijdenis noemt hen o.m. in artikel 18 van de NGB. Daar wordt vermeld dat de Wederdopers loochenen dat Christus het vlees van Zijn moeder aangenomen heeft. Naar hun bevatting heeft de Heere Jezus Zijn lichaam uit de hemel meegebracht. Dat was voor hen de enige garantie dat Hij vrij kon blijven van de zonde. De zonde zit immers in de menselijke natuur en het lichaam op zichzelf is zondig. Wij menen daartegenover juist niet dat de zonde alleen maar zit in het vlees en in het lichaam. De zonde heeft zich evenzeer genesteld in onze geest. Het tegendeel van genade is niet de natuur, maar de zonde.
Wie zo denkt (namelijk dat de zonde schuilt in het vlees en het lichaam) komt vanzelf tot verachting van alles wat natuurlijk en lichamelijk is. Het geestelijke leven wordt beperkt tot de ziel en de zaligheid. In de prediking moet het niet gaan om ons leven in de wereld; het gaat uitsluitend om geestelijke en innerlijke zaken. Ons werk en ons huwelijk, de school en het gezin, geldbesteding en vrije tijd zijn in deze visie dingen die niets met het geloof te maken hebben.
invloed
Er zijn er die heel snel concluderen dat deze doperse lijnen aan te wijzen zijn binnen de Reformatorische kerken. Dat is ten dele juist. Als u het bovenstaande hebt overwogen, zult u bepaalde trekken herkennen in kringen van de Evangelische beweging. Ook daar immers de nadruk op het radicale, op het geestelijke en het volmaakte.
In hoeverre vinden  we deze dingen ook in de kerk terug? De reeds genoemde tegenstelling tussen het uitwendige en het innerlijke heeft een doperse achtergrond. Er zijn mensen, ook in onze eigen kringen, die alles wat uiterlijk is, terzijde schuiven als van geen waarde. De uitwendige roeping kan niets uitrichten, de uiterlijke prediking zal geen effect hebben, de uitwendige verbondsgemeente mist alle geestelijke kracht. Daarbij wordt dan het innerlijke overgeaccentueerd. Geloof blijft beperkt tot het innerlijke leven. In de preek mag het alleen gaan om de redding der ziel en de weg naar de hemel. Wordt er gepreekt over een genezing door Christus verricht, dan wordt de kwaal onmiddellijk vergeestelijkt. Ondanks de schriftwoorden dat het natuurlijke eerst is en het geestelijke daarna volgt (1 Cor.15:46). We moeten wel de geestelijke zin verstaan, maar niet met voorbijgaan van de natuurlijke aanleiding.
Op deze manier worden de middelen veracht. Als de Schrift een dode letter is, dan spreekt God minder door Zijn Woord dan door Zijn Geest in het hart. Paulus spreekt echter niet van een dode letter, maar van een dodende letter. De letter der wet doet wel zeker iets. Dat geldt in feite ook van de letter van de Bijbel. De Heere maant ons de Schriften te onderzoeken, want "die zijn het die van Mij getuigen”. Het Woord zal niet ledig wederkeren maar het zal doen wat God behaagt. De Reformatie heeft er de klemtoon op gelegd dat de Heere niet anders spreekt dan alleen door Zijn Woord. Toch kan het gebeuren dat een inwendig hoorbare stem meer waard geacht wordt dan een hele Bijbel. Als ook onder ons soms wordt gesproken van de uiterlijke roeping, ligt het gevaar op de loer dat we die roeping als onvoldoende terzijde leggen. De inwendige roeping is het enige dat kracht doet. Dat is in feit ook waar. Maar daarmee mag de roeping door het Woord niet verworpen worden. De Dordtsche Leerregels hebben het over de ernstige roeping in plaats van de uitwendige roeping. U merkt het verschil. Wat de Heere ernstig meent, is maar niet een uitwendig iets, nee, het wordt ons voorgehouden met Goddelijke ernst.
U begrijpt dat allerlei inwendige stemmen en visioenen ons leiden naar het moeras van inbeelding en misleiding. Daarom is de Schrift de enige norm en regel voor ons leven. Als we niet spreken naar het Woord, is er geen dageraad.
bezinning
Ik herinner mij dat in mijn studentijd de waarschuwing voor doperse invloeden van tijd tot tijd werd aangescherpt. Inmiddels zijn we vijftig jaar verder en is er wel wat veranderd. Zeker kan het zijn nut hebben de gevaren van de doperse mystiek in gedachten te houden. Maar in onze tijd is men ver doorgeslagen en hoeft men waarlijk niet meer alleen dit gevaar te signaleren. Nu komen de gevaren weer uit een andere hoek.
Tegenwoordig wordt juist het uiterlijke en het aardse- lichamelijke leven overbelicht. Maatschappelijke onderwerpen vragen brede aandacht, ook onder ons. Het leven van hier en nu staat op de voorgrond. Zingeving is het artikel waar de moderne christen naar vraagt. Er ontstaat steeds meer een gapoende kloof tussen de zondagse preek, waarin geestelijke dingen terecht aan de orde worden gesteld en de werkweek, waarin het gaat om heel ander dingen. Op het werk en in het gezin kun je niets met bekering en wedergeboorte; dat dreigen abstracte begrippen te worden. Het zijn de eindeloze vragen hoe ik mijn leven beleef, hoe ik omga met mijn lichaam, wat sexualiteit betekent voor een gehandicapte, wat de achtergronden zijn van onze homofiele naaste, hoe we kunnen werken aan ons huwelijk, en ga dan zo maar door.
Gods Woord typert het leven van de natuurlijke mens als een bedenken van aardse dingen (Filip.3:19). Gods volk zal het tot smart zijn dat zij zo vaak bezet zijn met de zorgvuldigheden der wereld. Deze belemmeren de groei van het zaad. Moeten we dan niet nadenken over onze aardse positie en over de enige troost die ook in het leven geldt? Natuurlijk wel, maar dat moet dan wel gebeuren vanuit de kern van het geestelijke leven, vanuit het geloof, vanuit de Geest. De Heere Jezus heeft het zo gezegd: "Zoek eerst het Koninkrijk Gods en al deze dingen zullen u toegeworpen worden”(Matth.6:33). De Heere schenkt met Christus alle dingen.
In onze dagen staan de aardse prioriteiten hoog op de agenda; we zijn er van de vroege morgen tot de late avond mee bezig. Als dit ons leven wordt, zal een prediking van geloof en bekering, van rechtvaardiging en heilging, al spoedig overkomen als wereldvreemd. We zijn in onze tijd niet zozeer doorgeslagen in het doperse denken; veeleer heeft het horizontalistische denken ons in een houdgreep. Voor velen is een praktische preek tegenwoordig een preek die blijft steken in deze aardse vragen. 
Maar is het moderne leven dan niet een moeilijke opgave? Eist het onze aandacht niet volledig op? Zeker, maar deze vragen verbleken toch als we die ene vraag stellen: "Mijn ziele, doorziet gij uw lot, hoe zult gij rechtvaardig verschijnen voor God?” En als deze ene vraag echt wordt beantwoord, kijken we toch heel anders aan tegen de moderne vragen van deze tijd? Dan hebben we zicht op de enige troost, die ook geldt voor ziel en lichaam beide.
De Heere Christus heeft het zo gezegd: "Al deze dingen zoeken de heidenen” (Matth.6:32). Wij moeten door het geloof God en Christus betrekken bij het aardse leven. Kohlbruggehad het over een spijker en een speld, waarover we bij God in het gebed mogen aanhouden. De duivel heeft Christus een aantal aardse vragen voorgehouden en het enige antwoord daarop was: "Er staat geschreven”.
Vanuit de opstanding van Christus klinkt de oproep: "Indien ge dan met Chrisus opgewekt zijt, zoekt de dingen die boven zijn en niet die op de aarde zijn” (Coll.3:1v). Kennen wij deze opwekking uit het zondegraf? Dan worden we niet wereldvreemd en staan we niet buiten de tijd.Nee, dan staan we naast Danile die alle vragen beleefde vanuit het thema van zonde en genade. Alle vragen die ons ooit kunnen bezig houden, worden door de Heere zo belicht: "Eén ding is nodig!” Zo worden de dingen ook nog eens eenvoudig, vanuit de wijsheid Gods. Het enige antwoord daarop is: "Eén ding heb ik van de Heere begeerd; dat zal ik zoeken, dat ik al de dagen  van ijn leven mocht wonen in het huis des Heeren”.
          
 
 
 
   
 
GODSBEELD          2011
 
Prof. H.G. L. Peels sprak verleden week voor de ambtsdragerconferentie van onze Kerken over het Godsbeeld. Zijn inleiding ging nader bepaald over Gods heiligheid en hij ziet daarin de meest wezenlijke grondtrek in de  openbaring Gods. Het onderwerp is onze aandacht meer dan waard.
De Bijbel schrijft aan God allerlei eigenschappen of deugden toe, zoals liefde, rechtvaardigheid, wijsheid; er zijn er meer te noemen. Gods heiligheid neemt temidden van Gods deugden volgens de professor een prominente plaats in.   „Gods heiligheid ontvouwt zich op velerlei wijzen. Hij is de gans Andere, onaantastbaar, majestueus verheven, oneindig gescheiden van deze wereld. Nog meer omdat er een diepe kloof is tussen Hem en de zonde. Maar Hij is ook de zeer Nabije. In het samengaan van deze twee aspecten ligt het wonder van de Bijbelse openbaring van God”,  zo omschrijft hij deze eigenschap van God. Gods heiligheid stempelt Zijn gehele omgang met ons, mensen en ons spreken over God moet omgekeerd ook weer gekenmerkt worden door diezelfde heiligheid. Prof. Peels geeft ook aan dat Gods heiligheid in deze tijd onder druk staat. Mensen bepalen zelf wie God is. Hij noemt dat de humanisering van het Godsbeeld. Vanuit allerlei religies haalt men aansprekende elementen weg en met behulp daarvan ontstaat dan het moderne Godsbeeld, dat echter niet ontleend is aan de Bijbel.
Wie hierover nadenkt, weet dat dit eigenlijk al sinds mensenheugenis bestaat. De Heere verbood Israël in het tweede gebod een beeld van Hem te maken. Heidense afgodsbeelden werden gemaakt van hout en steen. Daarmee wil de Heere op geen enkele wijze iets te maken hebben. Hij is veel te groot voor welk beeld dan ook. Het was de vreselijke zonde van Aäron dat hij als hogepriester eraan meewerkte om de heilige God voor te stellen als een kalf. Kennelijk echter wilde het volk dat. Zo gebeurt dat dan ook in onze tijd. De heilige God wordt neergehaald naar het platvloerse wereldse niveau. We scheppen ons een God, Die voldoet aan onze voorwaarden. In onze tijd is dat een God, Die de hand op je schouder legt en ons troostend nabij wil zijn in onze moeiten.
Die voorstelling komen we inderdaad overal tegen. In de volksmond heet het dat God liefde is. En Zijn liefde wordt bij het horen van allerlei leed en rampspoed dan ook direct sterk betwijfeld. "Als God dan liefde is, dan zou dat niet gebeuren”. Hoe komen de mensen aan deze voorstelling? Het staat in de Bijbel, dus het is niet onwaar; maar het complete Bijbelse spreken over God is veel omvattender. Gods toorn wordt door Zijn liefde niet verzwakt. Gods liefde is ook liefde tot Zijn heilig recht en Zijn wet. Echte liefde voor mens en wereld ligt ook daarin dat wij verlost worden van de zonde en dat we andere mensen zullen worden. Gods liefde is liefde tot het volmaakt goede en daarom strijdt deze liefde met elke vorm van zonde en kwaad. Onze catechismus zegt: God is wel barmhartig, maar Hij is ook rechtvaardig. Ook in die vraag treffen we de menselijke zucht aan om God naar onze hand te zetten.
Heeft de kerk dit beeld van God niet zelf aan de wereld geleerd? In de eerste zondagen van ons leerboek en ook daarna kunnen we het Bijbelse Godsbeeld vinden, al is het tegelijk zo dat elk menselijk spreken over God een spreken "op afstand” is. In het tegenwoordige spreken over God is geen plaats voor Gods oordelen. Toch spreekt Gods Woord daar juist wel over. Denk aan de zondvloed, aan de verwoesting van Sodom en Gomorra, aan de verwoesting van Jeruzalem enz. Zo moeten we persoonlijk de Heere ook leren kennen. Daardoor wordt de zonde werkelijk tot zonde en blijkt de noodzaak van de verzoening. U hebt de dagelijkse omgang met de Bijbel als Gods Woord meer dan nodig, om telkens weer het beeld van God u te kunnen voorstellen. U zult ook steeds weer nieuwe lijnen daarin ontdekken.
Het zal ons ongetwijfeld ook aanspreken dat Prof. Peels  in het spoor van de Catechismus hieruit conclusies trekt voor de eredienst. Maar natuurlijk heeft het ook alles te maken met ons gebedsleven en onze omgang met het Woord en de sacramenten.
Ik wil hierover nog even verder met u denken en dan betrek ik hetgeen werd gezegd ook op het beeld van de Heere Jezus als de Zoon van God. Er is een voorstelling die ervan uitgaat dat God een toornend God is en dat Jezus enkel liefde is. Deze gedachte strijdt met het onderwijs van de Schrift. Ik vrees echter dat het moderne Godsbeeld ook wordt toegepast op de persoon van Christus. Hij is de menselijke openbaring van Gods liefde. En alweer zeg ik dan dat dit waar is. Maar Hij is oneindig veel meer. Hij is de Zoon van God, delend in hetzelfde wezen als de Vader. Hij is even heilig als God dat is. Hij haat de zonde evenzeer als Zijn Vader in de hemel. Het is verbazend hoezeer zich dat aan onze aandacht telkens weer lijkt te onttrekken. Zijn heiligheid blijkt duidelijk in Zijn onderwijs van de wet in Mattheus 5, Hij spreekt eerlijk en onbevangen over de hel, Hij vervloekt de onvruchtbare vijgenboom, Hij spreekt Zijn oordelen uit over de Farizeeën en zo zijn er veel meer voorbeelden te geven. Nemen we deze woorden wel ernstig genoeg? Gebruiken we het Evangelie van Christus niet vaak als een pleister op een wond, die niet uitgedrukt en gereinigd is? Kunt u zich een Jezus voorstellen Die vijfduizend mensen ziet heengaan, bij Hem vandaan, vanwege de ergernis die Zijn woorden hen hadden gegeven? En kunnen we ons voorstellen dat de discipelen allen aan Hem geërgerd werden?
Zo is het waarneembaar dat er ook op dit terrein een scheefgroei optreedt. Verkeerde beeldvorming speelt ons parten. We scheppen ons eigen goden en godsbeelden, die weinig te maken hebben met de schriftuurlijke kaders. Gods heiligheid moet de liturgie bepalen, maar ook de prediking. Hopelijk wordt er recht gedaan aan de waarheid, waarover ook de Heere Jezus Zelf nadrukkelijk sprak.
Betekent dit nu dat de prediking een schrikwekkend karakter krijgt? Leidt dit niet tot een versmalling van het Evangelie? Verliest de gemeente daardoor niet haar houvast? Als dit houvast verkeerd is, dan moeten we het verliezen en prijsgeven. Maar het Evangelie wordt zeker niet geminimaliseerd. Want wat van God geldt, geldt ook van Zijn Zoon. Hij is de Bewogene, die de schare niet zomaar wegstuurt. Hij heeft alom zieken en ellendigen willen genezen en redden. Hij sprak over de vergeving der zonden en over de ware rust, die er bij Hem te vinden is. Zijn toorn en Zijn liefde komen tot een hechte eenheid in Zijn offer aan het kruis. Tegen de donkere achtergrond van Gods oordelen wordt Zijn bloed dierbaar. Zijn lijden als Borg was een lijden onder de heiligheid Gods. Daar kon geen woord van ter aarde vallen, zoals we dat zien in de lijdensweg die Hij moest gaan. Hij heeft de beker geledigd uit liefde tot Zijn Vader en Zijn God. Daardoor blijft er geen zonde van Zijn Kerk onverzoend. Juist Zijn bitter lijden en sterven bepaalt mij bij de ernst en de omvang van mijn zonde en schuld. Door de Geest der genade en der gebeden gaan zondaren zien Wie zij doorstoken hebben. In Zijn Borgwerk ligt de volle rijke liefde van God verklaard. Maar u begrijpt het gevaar: als we ons zelf een God voorstellen naar ons idee, dan maken we het offer van Christus overbodig. Dan weegt de zonde niet en verschrikken de oordelen van God niet en dan trekt het kruis van Christus ons ook niet. Dan wordt Jezus een goede vriend en dan geeft Hij zin aan ons bestaan en voldoet Hij aan al ònze verwachtingen.
Nemen we Gods heiligheid weg dan ontvalt ons het gehele Woord van God. We houden dan geen Evangelie meer over. Het gaat om een eerlijke prediking waarin zondaren ook eerlijk worden behandeld; eerlijk, maar wel gefundeerd en afdoende. Het is waar dat er in de preken zeker ook eenzijdige godsbeelden doorklinken, die naar andere kanten het evenwicht verliezen. Maar dat is niet de eigenlijke kwaal van onze tijd. Als het goed is, zijn die preken het meest gunnend en ruim, die het kruis stellen tegen de achtergrond van de vloek der wet. Vertrouw u toe aan deze Drieënige God, Die genade en waarheid weet samen te smeden tot een heerlijke eenheid.
"De wet is door Mozes gegeven; de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden” (Joh.1:17). Wees bang voor de zonde, maar niet voor God. Heb deze God lief vanuit Zijn zondaarsliefde. Deze liefde moge ons ervoor behoeden dat we  behouden zouden willen worden ten koste van Gods eer.
"Door al Uw deugen aangespoord, hebt Gij Uw Woord, en trouw verheven”.
 
 
 
 
BELIJDENIS           2011
 
Tijdens de laatst gehouden ontmoetingsdag van onze stichting, hebben we stil gestaan bij de betekenis van de Belijdenisgeschriften, speciaal bij de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Wat van een kerkelijke belijdenis geldt, kan ook betrokken worden op onze jongeren, die belijdenis des geloofs hebben afgelegd of die dat nog zullen doen. Op dat laatste wil ik in deze tijd van het jaar nader ingaan.
belijden
Op een Engels kerkhof stonden op een kindergraf eens de volgende woorden: "Johnnie? Yes, Lord” In deze enkele ingrijpende woorden komt heel duidelijk uit, dat de Heere ons roept en dat er een antwoord gevraagd wordt. Voor dit kind werd dit waar toen hij moest sterven. Door Gods genade mocht hij daar een eenvoudig antwoord op geven. Hij kon sterven door het geloof in Christus. Hij kon sterven omdat hij in zijn korte leven de stem van de goede Herder had leren kennen.
Onze belijdenis, zowel de kerkelijke als de persoonlijke, wil ook een antwoord zijn op het Woord van God. Het gaat om Woord en ant-woord.
In Zijn Woord komt de Heere in de vorm van het genadeverbond tot ons. Dat verbond spreekt van "twee delen”. In de Doop wordt het spreken van God gehoord in beloften en bedreigingen, in roeping en in aanbod. "Mijn zoon, geef Mij uw hart”. De Heere vraagt ons dringend: "Wie zegt gíj dat Ik ben?” (Matth.16:15). De Bijbel bevat dus niet zozeer mededelingen die vrijblijvend naar ons toekomen. In het verbond wordt duidelijk dat er ook van onze kant een reactie moet komen. Het gaat niet om een reclamefolder, maar om een offerte, waarop we moeten antwoorden. Welnu, onze belijdenis wil zo’n antwoord zijn. 
Telkens als er gepreekt wordt, vraagt de Heere ons om dat antwoord. We geven ook allemaal telkens weer antwoord. Ook als we denken nog niet toe te zijn aan een antwoord. Van nature wijzen we alle vragen en bevelen van de Heere af. Veelzeggend is de gelijkenis over de twee zonen die in de wijngaard moesten werken (Matth.21:28v). Het antwoord van de één luidde "Ik wil niet”. Zo klonk het reeds in het paradijs. Zo is Israel omgegaan met de wet en zo gaan wij allen van huisuit om met het Evangelie. Gods Woord is een treurig relaas van onze afwijzing.
Maar gelukkig zijn er ook, die een welwillend antwoord geven. Dat antwoord leren zij geven, zoals de reeds genoemde zoon. Hij zei eerst niet te willen, maar daarna kreeg hij berouw en ging hij aan het werk. Neezeggers worden jazeggers. Door het geloof dat de Heilige Geest werkt in het hart. In Jeremia 3: 22 zegt de Heere: "Bekeert u, gij afkerige kinderen…”; het antwoord luidde: "Ziet, hier zijn wij, want Gij zijt de Heere onze God”. In Johannes 1 lezen  we dat de Zijnen Hem (Christus) niet aangenomen hebben. Ook de wereld, de duisternis, heeft het Licht niet aanvaard; integendeel, de duistere machten hebben geprobeerd het Licht tegen te houden. Toch staat er dan ineens, als een onverwachts wonder: "Zovelen Hem aangenomen hebben….” (vers 12). De Heere zorgt ervoor dat er toch zijn die Hem aannemen. Gelukkig als dat antwoord in je hart is gewerkt.
Het is ja of nee. Of is er nog een derde mogelijkheid? Felix zond Paulus "voor ditmaal” weg. Hij stelde het uit. De andere zoon uit de gelijkenis toonde aanvankelijk grote bereidheid. Ik ga, heer, zo sprak hij. Het staat er nog sprekender: Ik, heer! Hij noemde zijn vader zelfs heer. Wat een gehoorzame jongen. Maar hij ging niet. Zo zijn er ook allerlei schijnantwoorden, die goed klinken, maar waarbij het er toch op neerkomt, dat er niets van terecht komt. Dat is een gevaarlijke weg. De Heere vermeldt ook deze zoon om ons te brengen tot een ernstig zelfonderzoek. Ook als we menen dat we slechts antwoorden kunnen door in te stemmen met alleen de waarheid van Gods Woord, is dat een schijnoplossing. Doen we bewust alleen belijdenis van de waarheid, dan is ook dat een afwijzend antwoord. Het trof me dat Ds. Labee in "De Saambinder” het zakelijk niet anders stelde. Hij maakte duidelijk dat de eis en het bevel van de Heere klemmend naar ons toekomen.
beamen
Belijden betekent in het Grieks: hetzelfde zeggen. Als we echt belijdenis mogen doen, spreken we slechts de Heere na. Dan zijn we het met Hem eens geworden en is de discussie geëindigd. We zijn het eens geworden met de weg der verlossing in Jezus Christus, Zijn Zoon. We denken op gelijke wijze over de zonde als de Heere. Maar dat belijden en dat naspreken is een levenslange oefening.
We vinden hiervan een mooi voorbeeld in 2 Corinthe 1:20. Ook daar gaat het om de  tweeslag van Woord en ant-woord.
Paulus stond in de gemeente onder verdenking. Hij hield zich niet aan zijn woord. Hij had beloofd te zullen komen, maar het was er niet van gekomen. Kritiek op zijn handel en wandel kan snel leiden tot kritiek op zijn boodschap. Men zei ten onrechte over hem dat hij een man was van ja en nee. Paulus maakt naar aanleiding daarvan duidelijk dat zijn boodschap niet een schipperen was tussen ja en nee. Dat zou zo kunnen worden opgevat. Natuurlijk, er zijn twee kanten aan een zaak, maar uiteindelijk moet de kern duidelijk en helder zijn. We mogen niet ruim zijn in de beloften (ja) en bijvoorbeeld later in de preek, in de toepassing, de deur weer op slot doen (nee). Zo ligt er een spanning als het Woord gebracht wordt. Wel die twee kanten laten zien, maar niet laveren tussen ja en nee. Geen tussenweg of een compromis, geen wazige vertolking van het Evangelie. Als u vraagt aan uw arts of uw kwaal ernstig is, verwacht u een eerlijk antwoord.
Paulus: "Want de Zoon van God, Jezus Christus, Die onder u door ons is gepredikt, namelijk door mij, en Silvánus, en Timotheüs, was niet ja en neen, maar is geweest ja in Hem. Want zovele beloften Gods als er zijn, die zijn in Hem ja, en zijn in Hem amen, Gode tot heerlijkheid door ons”. Gods Woord is een jawoord. De Heere zegt in Christus: ja. Het is ja "in Hem”. Geen ja en nee. Maar wel: ja óf nee! Buiten Hem zegt de Heere: nee. Alle beloften, heel het Woord is vast in Christus. Op een tollenaarsvraag antwoordt de Heere met een helder "ja”. Het komt er op aan of we in Christus zijn. In Hem is het gehele Woord van God één lange toezegging, die de Heere waar zal maken. Maar wie buiten Christus leeft en Hem miskent, krijgt eenmaal een duidelijk "nee” te horen: Gaat weg van Mij, Ik heb u nooit gekend. Het is ja of nee.
Wat opent zich hier het Evangelie. Elke bladzijde van Gods Woord bevat beloften. Die vele beloften zijn betrouwbaar, omdat ze vast liggen in het bloed van Christus. Het is trouw al wat Hij ooit beval. Uw smeking, uw gebed, uw vraag wil de Heere beantwoorden met een jawoord. De melaatse vroeg het: "Indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen” (Matth.8:2,3). Wat een heerlijk antwoord gaf de Heere: "Ik wil, word gereinigd”.
Paulus voegt er daarna nog iets aan toe. De beloften zijn in Hem ja en…… in Hem amen. Het woord "amen” ziet nu op ons antwoord. Gods Kerk leert dit genadige Woord van God be-amen. Het geloof zegt amen zowel op de vloek als op de zegen. Het gaat om Gods ja en ons amen. Hier hebt u weer die twee delen van het verbond: Woord en ant-woord. We weten dat er mensen zijn die zeggen: als de Heere ja zegt, moet ik amen zeggen; ik moet daar op ingaan. God doet iets en ik moet ook iets doen. Maar let dan op de tekst want er staat: in Hem ja en ook in Hem Amen. Het amen ligt ook vast in Christus, evenals het Evangelie slechts kan rusten in Hem. De Heere werkt door Zijn Geest ook ons amen. Onze belijdenis wordt ook door Hem gewerkt. De Heere werkt dat door de middelen. Hij maakt ons bekend onze diepe ellende en Hij werkt onrust in het hart door Zijn oordelen en gerichten. Hij toont op Zijn tijd ook de vastheid in Christus. Bij alle twijfelingen en schommelingen moet het geloof steeds weer opnieuw leren leven uit het ja van de Heere. Het kan vrezen eeuwig te zullen omkomen als Gods Woord ons laat zien dat de Heere de zonde afwijst. We kunnen nimmer het leven vinden in ons beamen van de waarheid of in de gestalten van ons eigen hart. Amen kan nooit gezegd worden zonder het ja van de Heere. Het is een amen in Hém, Gode tot heerlijkheid, door ons. We zijn  er wel bij betrokken, maar het is enkel en alleen Zijn werk. En het gaat dan ten diepste om Gods eer en heerlijkheid.
De Heere Jezus verklaarde Zich aan Martha als de Opstanding en het Leven. Hij stelde de vraag daarna: Gelooft gij dat? Die vraag komt tot ons allen. Martha kon daarop ja zeggen.
Zoals Petrus en de kamerling en vele anderen. Wat is uw en mijn antwoord op die levensvraag? De Kerk heeft deze vraag in haar Belijdenis mogen beantwoorden. In haar Belijdenis zegt ze alleen maar amen, dat wil zeggen: het is precies zoals Gods Woord het zegt. Daarom hoeft er geen enkel bezwaar te bestaan tegen de Belijdenisschriften. Het is juist een zegen dat we zo’n duidelijke Belijdenis hebben. Maar bent u een levend lid van die belijdende Kerk?
Martha was in zichzelf ook maar iemand die nog lang niet de volle rijkdom van Christus zag. Toch mocht ze dat zeggen. Denk niet dat er een volkomen geloof gevraagd wordt. Het kleinste is bij de Heere niet veracht. De grootste zondaar wordt er niet van uitgesloten. Die bekende vader kon het ondanks alles toch zeggen: "Ik geloof, Heere, kom mijn ongelovigheid te hulp”. En de Heere heeft zijn zwak belijden aanvaard. Het amen van het geloof ligt niet vast in een mensenhart, maar het rust in het ja van de kant van de Heere. Er is voor u en voor mij geen andere weg. En zoek dan al die beloften maar die vast liggen in Christus. En laat u waarschuwen door al de bedreigingen vermaningen. Maar het draait alles om Hem en het ligt vast in Hem.
Aan de kamerling werd ook de vraag gesteld naar zijn geloof. Hij begeerde gedoopt te worden en Filippus wilde dat doen op voorwaarde van zijn geloof. Hij maakte het de kamerling niet makkelijk. Indien gij van gánser harte gelooft….. (Hand.8:37). Wie durft te zeggen dat hij met heel zijn hart gelooft? Toch was die vraag wel terecht. Ook de Kerk kan geen andere of minder gewichtige vraag stellen. Het geloof moet per definitie heel ons hart omvatten. Welk antwoord gaf de moorman? Hij sprak: "Ik geloof dat Jezus Christus de Zoon van God is”. Hij zei niet dat heel zijn hart erbij was. Hij kon niet steunen op de kracht van zijn geloof. Maar hij sprak zijn geloof in Christus uit. En daarin lag ook zijn persoonlijke geloof vast.
Pas op voor het ja en nee. Hoor de keus u voorgesteld: ja óf nee. Zie de kracht en de vastheid van die enkele woorden: in Hem ja en in Hem amen.
           
GODSBEELD          2011
 
Prof. H.G. L. Peels sprak verleden week voor de ambtsdragerconferentie van onze Kerken over het Godsbeeld. Zijn inleiding ging nader bepaald over Gods heiligheid en hij ziet daarin de meest wezenlijke grondtrek in de  openbaring Gods. Het onderwerp is onze aandacht meer dan waard.
De Bijbel schrijft aan God allerlei eigenschappen of deugden toe, zoals liefde, rechtvaardigheid, wijsheid; er zijn er meer te noemen. Gods heiligheid neemt temidden van Gods deugden volgens de professor een prominente plaats in.   „Gods heiligheid ontvouwt zich op velerlei wijzen. Hij is de gans Andere, onaantastbaar, majestueus verheven, oneindig gescheiden van deze wereld. Nog meer omdat er een diepe kloof is tussen Hem en de zonde. Maar Hij is ook de zeer Nabije. In het samengaan van deze twee aspecten ligt het wonder van de Bijbelse openbaring van God”,  zo omschrijft hij deze eigenschap van God. Gods heiligheid stempelt Zijn gehele omgang met ons, mensen en ons spreken over God moet omgekeerd ook weer gekenmerkt worden door diezelfde heiligheid. Prof. Peels geeft ook aan dat Gods heiligheid in deze tijd onder druk staat. Mensen bepalen zelf wie God is. Hij noemt dat de humanisering van het Godsbeeld. Vanuit allerlei religies haalt men aansprekende elementen weg en met behulp daarvan ontstaat dan het moderne Godsbeeld, dat echter niet ontleend is aan de Bijbel.
Wie hierover nadenkt, weet dat dit eigenlijk al sinds mensenheugenis bestaat. De Heere verbood Israël in het tweede gebod een beeld van Hem te maken. Heidense afgodsbeelden werden gemaakt van hout en steen. Daarmee wil de Heere op geen enkele wijze iets te maken hebben. Hij is veel te groot voor welk beeld dan ook. Het was de vreselijke zonde van Aäron dat hij als hogepriester eraan meewerkte om de heilige God voor te stellen als een kalf. Kennelijk echter wilde het volk dat. Zo gebeurt dat dan ook in onze tijd. De heilige God wordt neergehaald naar het platvloerse wereldse niveau. We scheppen ons een God, Die voldoet aan onze voorwaarden. In onze tijd is dat een God, Die de hand op je schouder legt en ons troostend nabij wil zijn in onze moeiten.
Die voorstelling komen we inderdaad overal tegen. In de volksmond heet het dat God liefde is. En Zijn liefde wordt bij het horen van allerlei leed en rampspoed dan ook direct sterk betwijfeld. "Als God dan liefde is, dan zou dat niet gebeuren”. Hoe komen de mensen aan deze voorstelling? Het staat in de Bijbel, dus het is niet onwaar; maar het complete Bijbelse spreken over God is veel omvattender. Gods toorn wordt door Zijn liefde niet verzwakt. Gods liefde is ook liefde tot Zijn heilig recht en Zijn wet. Echte liefde voor mens en wereld ligt ook daarin dat wij verlost worden van de zonde en dat we andere mensen zullen worden. Gods liefde is liefde tot het volmaakt goede en daarom strijdt deze liefde met elke vorm van zonde en kwaad. Onze catechismus zegt: God is wel barmhartig, maar Hij is ook rechtvaardig. Ook in die vraag treffen we de menselijke zucht aan om God naar onze hand te zetten.
Heeft de kerk dit beeld van God niet zelf aan de wereld geleerd? In de eerste zondagen van ons leerboek en ook daarna kunnen we het Bijbelse Godsbeeld vinden, al is het tegelijk zo dat elk menselijk spreken over God een spreken "op afstand” is. In het tegenwoordige spreken over God is geen plaats voor Gods oordelen. Toch spreekt Gods Woord daar juist wel over. Denk aan de zondvloed, aan de verwoesting van Sodom en Gomorra, aan de verwoesting van Jeruzalem enz. Zo moeten we persoonlijk de Heere ook leren kennen. Daardoor wordt de zonde werkelijk tot zonde en blijkt de noodzaak van de verzoening. U hebt de dagelijkse omgang met de Bijbel als Gods Woord meer dan nodig, om telkens weer het beeld van God u te kunnen voorstellen. U zult ook steeds weer nieuwe lijnen daarin ontdekken.
Het zal ons ongetwijfeld ook aanspreken dat Prof. Peels  in het spoor van de Catechismus hieruit conclusies trekt voor de eredienst. Maar natuurlijk heeft het ook alles te maken met ons gebedsleven en onze omgang met het Woord en de sacramenten.
Ik wil hierover nog even verder met u denken en dan betrek ik hetgeen werd gezegd ook op het beeld van de Heere Jezus als de Zoon van God. Er is een voorstelling die ervan uitgaat dat God een toornend God is en dat Jezus enkel liefde is. Deze gedachte strijdt met het onderwijs van de Schrift. Ik vrees echter dat het moderne Godsbeeld ook wordt toegepast op de persoon van Christus. Hij is de menselijke openbaring van Gods liefde. En alweer zeg ik dan dat dit waar is. Maar Hij is oneindig veel meer. Hij is de Zoon van God, delend in hetzelfde wezen als de Vader. Hij is even heilig als God dat is. Hij haat de zonde evenzeer als Zijn Vader in de hemel. Het is verbazend hoezeer zich dat aan onze aandacht telkens weer lijkt te onttrekken. Zijn heiligheid blijkt duidelijk in Zijn onderwijs van de wet in Mattheus 5, Hij spreekt eerlijk en onbevangen over de hel, Hij vervloekt de onvruchtbare vijgenboom, Hij spreekt Zijn oordelen uit over de Farizeeën en zo zijn er veel meer voorbeelden te geven. Nemen we deze woorden wel ernstig genoeg? Gebruiken we het Evangelie van Christus niet vaak als een pleister op een wond, die niet uitgedrukt en gereinigd is? Kunt u zich een Jezus voorstellen Die vijfduizend mensen ziet heengaan, bij Hem vandaan, vanwege de ergernis die Zijn woorden hen hadden gegeven? En kunnen we ons voorstellen dat de discipelen allen aan Hem geërgerd werden?
Zo is het waarneembaar dat er ook op dit terrein een scheefgroei optreedt. Verkeerde beeldvorming speelt ons parten. We scheppen ons eigen goden en godsbeelden, die weinig te maken hebben met de schriftuurlijke kaders. Gods heiligheid moet de liturgie bepalen, maar ook de prediking. Hopelijk wordt er recht gedaan aan de waarheid, waarover ook de Heere Jezus Zelf nadrukkelijk sprak.
Betekent dit nu dat de prediking een schrikwekkend karakter krijgt? Leidt dit niet tot een versmalling van het Evangelie? Verliest de gemeente daardoor niet haar houvast? Als dit houvast verkeerd is, dan moeten we het verliezen en prijsgeven. Maar het Evangelie wordt zeker niet geminimaliseerd. Want wat van God geldt, geldt ook van Zijn Zoon. Hij is de Bewogene, die de schare niet zomaar wegstuurt. Hij heeft alom zieken en ellendigen willen genezen en redden. Hij sprak over de vergeving der zonden en over de ware rust, die er bij Hem te vinden is. Zijn toorn en Zijn liefde komen tot een hechte eenheid in Zijn offer aan het kruis. Tegen de donkere achtergrond van Gods oordelen wordt Zijn bloed dierbaar. Zijn lijden als Borg was een lijden onder de heiligheid Gods. Daar kon geen woord van ter aarde vallen, zoals we dat zien in de lijdensweg die Hij moest gaan. Hij heeft de beker geledigd uit liefde tot Zijn Vader en Zijn God. Daardoor blijft er geen zonde van Zijn Kerk onverzoend. Juist Zijn bitter lijden en sterven bepaalt mij bij de ernst en de omvang van mijn zonde en schuld. Door de Geest der genade en der gebeden gaan zondaren zien Wie zij doorstoken hebben. In Zijn Borgwerk ligt de volle rijke liefde van God verklaard. Maar u begrijpt het gevaar: als we ons zelf een God voorstellen naar ons idee, dan maken we het offer van Christus overbodig. Dan weegt de zonde niet en verschrikken de oordelen van God niet en dan trekt het kruis van Christus ons ook niet. Dan wordt Jezus een goede vriend en dan geeft Hij zin aan ons bestaan en voldoet Hij aan al ònze verwachtingen.
Nemen we Gods heiligheid weg dan ontvalt ons het gehele Woord van God. We houden dan geen Evangelie meer over. Het gaat om een eerlijke prediking waarin zondaren ook eerlijk worden behandeld; eerlijk, maar wel gefundeerd en afdoende. Het is waar dat er in de preken zeker ook eenzijdige godsbeelden doorklinken, die naar andere kanten het evenwicht verliezen. Maar dat is niet de eigenlijke kwaal van onze tijd. Als het goed is, zijn die preken het meest gunnend en ruim, die het kruis stellen tegen de achtergrond van de vloek der wet. Vertrouw u toe aan deze Drieënige God, Die genade en waarheid weet samen te smeden tot een heerlijke eenheid.
"De wet is door Mozes gegeven; de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden” (Joh.1:17). Wees bang voor de zonde, maar niet voor God. Heb deze God lief vanuit Zijn zondaarsliefde. Deze liefde moge ons ervoor behoeden dat we  behouden zouden willen worden ten koste van Gods eer.
"Door al Uw deugen aangespoord, hebt Gij Uw Woord, en trouw verheven”.
 
VERGEVING          2011
 
De actualiteit is op den duur een telkens zich herhalende cyclus, waarin steeds weer dezelfde zaken voorkomen. Ik heb in de afgelopen jaren de meeste onderwerpen wel eens besproken. Dus moet ik oppassen niet in herhaling te vallen. Daarom zo af en toe ook eens een onderwerp uit een andere sector.
Tegelijk kan ik zeggen dat het voorgenomen onderwerp, vergeving der zonden, de hoogste actualiteit in zich heeft. Wat is er belangrijker dan dat? Het onderwerp plaatst ons  midden in de verschillende opvattingen over de weg der zaligheid.
Ik zou in een gemeente preken en men vroeg me over zondag 51 te willen spreken. Je moet dan eigenlijk, net als in de eigen gemeente vroeger, een nieuwe preek maken. Dat is nuttig en goed, maar het vraagt wel aandacht. Rondtrekkende voorgangers wordt vaak gevraagd een zondag uit de Catechismus te behandelen en het is fijn dat de kerkenraden dat vragen. We hebben ons hele leven uit dit leerboek gepreekt en het zou een groot gemis zijn als dat nu niet meer kon. Mijn eerste reactie was nu voor een moment die van enig opzien. Wat moest ik nu over die kleine zondag zeggen en denken? Ik heb de preek echter kunnen houden. Daarna, dus achteraf, viel de stof meer dan anders open en zag ik daarin nog veel onderwijs, voor mijn eigen ziel en ook voor de gemeente. Ik geef daar iets van door.
ernstige schuld
In het volmaakte gebed krijgen we onderwijs van de hoogste Profeet en Leraar, Jezus Christus. In Hem ligt de vergeving der zonden. In Hem is alles volbracht. In Hem is de schuld en zonde weggedaan uit Gods boek. En juist Hij gaat desondanks nu spreken over de zonde. Hij maant ons dat we dat dagelijks moeten bidden: Vergeef ons onze zonden.   
Dus de Zaligmaker wist van de voortdurende last der zonde op het geweten van Zijn Kerk. Zoals bekend zijn er twee versies van het volmaakte gebed. In Luk.11:4 lezen we: vergeef ons onze zonden, terwijl Matth.6:12 heeft: vergeef ons onze schulden. Zonden  (meervoud) spreken al van een gevallen wereld en een verloren zondaar, maar als de zonden ook nog schulden worden genoemd, wordt het alles nog ernstiger en belastender. Juist vanmorgen las ik enkele klemmende uitspraken van Spurgeon: "Ik ben bang dat velen van ons moeten toegeven dat we ons eigen geweten niet beschuldigen van het zondige hiervan. Dat we dit soort verdorvenheden hebben is onze misdaad die we als een enorm  kwaad zouden moeten belijden. En als ik, dienaar van het Evangelie, u het zondige hiervan niet op het hart bind, heb ik de zaak gemist die er het virus van is”. Zonde is schuld. Dat betekent: wij hebben geen enkel excuus, wij verdienen de hel. Let wel: dat zegt de Heere Jezus! Ook hier is Hij de Prediker der wet, die ons bepaalt bij de grote breuken van ons bestaan. Bij de scherven van een gevallen theekopje, roepen we: wat zonde; maar als een mens in het ravijn der zonde stort, is die uitroep pas echt op zijn plaats. Een stukgevallen schepping, dat is pas zonde. En de Heere legt deze onnoemelijke ramp voor mijn verantwoording. En dat alles wordt niet door Mozes gedaan, maar door de Heiland der wereld. Maar wie zou het ook ernstiger kunnen doen? Hij heeft de last van de zonde moeten wegdragen, Hij werd schuldig gesteld voor de misdaad die Hij niet gepleegd had. Wie dus dicht bij deze Zaligmaker leeft, zal de diepste indrukken van zonde en schuld steeds weer in zich gevoelen.

dagelijkse schuld
Verder denkend zouden we ons de vraag kunnen stellen waarom we nog steeds weer over de zonde moeten spreken in ons gebed. Moet dat dagelijks? Ja, dit gebed wordt van dag tot dag gebeden. Dat kunt u zien aan de vorige bede: Geef ons heden ons dagelijks brood. Hier leest u dat dit gebed een dagelijks weerkerende bede is. Dat verbaast opnieuw. Want, zo kunt u denken, de zonden zijn toch vergeven? Dat gebeurde door Zijn eigen bloedstorting aan het kruis. Moet bijvoorbeeld ook die verlamde, tot wie de Heere sprak: "Uw zonden zijn u vergeven”, dagelijks deze bede blijven bidden?
Luther heeft de uitspraak gedaan, die later ook in de Formula Concordiae werd herhaald, dat God vergeeft met uitsluiting van alle verleden, tegenwoordige en toekomende werken. Hieruit mogen we opmaken dat God bij de rechtvaardiging alle zonden vergeeft, zonden uit het verleden, die in het heden en die van de toekomst. Vergeving is een radikale zaak. We kunnen  zeggen dat in de kruisdood van Christus de zondelast van Zijn gehele kerk eens en voorgoed weggedaan is.
Maar bevreemdt het dan niet dat we toch nog moeten blijven bidden, dagelijks, om die vergeving? Is die dan niet al reeds vergeven? Er zijn heel wat mensen die zo denken. Christenen zijn vrijgemaakte mensen voor wie het hoofdstuk over de zonde nu door het geloof in Christus voorbij is. En daarom verzet men zich tegen de uitdrukking in zondag 51 dat we nog steeds arme zondaren blijven. Deze gedachte is algemeen; velen leven hierbij. Ik hoef dat niet nader te benoemen. Ook binnen onze kerken en in ons eigen hart leeft die gedachte.
Maar bedenk dan dat het onderwijs van Christus geheel andere taal laat horen. Vergeving is niet een pinpasje, waarmee we zo maar bijna automatisch alle schulden kunnen betalen. Het is geen vrijbrief, die we als polis in de kast hebben. We moeten, naar het woord van Christus, die schuld nog dagelijks beleven, overdenken en belijden. Feitelijk beschouwd wordt de last van die schuld voor uw beleving nog dagelijks zwaarder. Ik zou dagelijks moeten vorderen, maar deze bede leert me en de praktijk onderstreept dat, dat we dagelijks volharden in de zonde. Dit kan zeker samengaan met de uitroep: Wij zijn meer dan overwinnaars! Gelukkig blijft dat staan voor Gods Kerk. Ook dagelijks. Maar wij moeten in balans blijven. We moeten in het dal van verootmoediging onze tenten opslaan. Hier wordt elke vorm van antinomiaans denken de kop in gedrukt. Dit verschijnsel komt voor bij hen die voor hun bewustzijn in sterke mate hebben mogen beleven dat zij gerechtvaardigd werden door God. Men gevoelde zo krachtig de vergeving in het eigen hart, dat het daarna niet meer mogelijk werd geacht nog te bidden om de vergeving der zonden. Dat werd gevoeld als een twijfel aan de genade van Christus. Een echte antinomiaan gaat nog verder: de Heere Jezus heeft in mijn plaats berouw getoond, dan hoef ik dat nu niet meer te doen. Hij heeft geweend over de zonde en daarom doe ik dat niet meer. Ik hoef ook geen ernst meer te maken met de wet want die heeft afgedaan.
Maar dat denken wordt hier volkomen van de hand gewezen. U moet dagelijks bedenken uw zonde en vervloeking, aangezien…..Christus zo zwaar moest lijden daaronder. Er is ook een modern antinomianisme: leef vrij uit de vergeving, die Jezus voor ons verworven heeft en zeg ons nu hoe we uit die verlossing kunnen leven tot Gods eer. En zodoende verzet men zich tegen de prediking van onze zonde en ellende, want dat is nu een gewonnen zaak. Kerken zitten vol met rijke christenen die het lek voorgoed boven water hebben. Een arme ontdekte zondaar voelt zich hoe langer hoe meer een vreemde in zo’n gemeente. Maar hier staat dat Christus door Zijn borgtocht blijft overtuigen van de schuld. Wie dagelijks dit gebed levend kan bidden, verkeert in de dichtste nabijheid van het kruis en wandelt met zijn God.
vergeven schuld
Er is nog meer te zeggen over het verband tussen Christus als de Onderwijzer en dit gebed. Verslagen bidders krijgen hier ook uit de mond van de Zaligmaker een helder zicht op de vergeving. De Heere Zelf geeft hier vrijmoedigheid om te smeken om vergeving. Hij zou ons allen de les zwaar en oordelend kunnen lezen, maar Hij raadt aan te blijven bidden om vergeving. Dat gebed deelt in een Goddelijk recht daartoe. De Heere wil zeggen: U mag dagelijks aan de hemelpoort kloppen met de bede om de vergeving der zonden. Ook als er toch nog weer tijden komen, dat de zonde in eigen oog zwaar en boos is. Tijden waarin gewanhoopt wordt aan vergeving en waarin alle vensters gesloten zijn waardoor licht zou kunnen binnenstromen. Dat gebed leert de Heere en Hij heeft graag dat we zo tot Hem komen. Dat geeft ongekende vrijmoedigheid. Hij is een Toevlucht te allen tijde. Hij is de Hoorder der gebeden. Hij vergeeft menigvuldig. Juist de Heere Jezus kan dat zeggen omdat Hij weet dat de schuld van de Kerk uit Gods boek is weggedaan. In Hosea 14: 2 lezen we: "Neem deze woorden met u, en bekeer u tot den HEERE; zeg tot Hem: Neem weg alle ongerechtigheid, en geef het goede, zo zullen wij betalen de varren onzer lippen”. U vindt daar hetzelfde. De Heere Zelf zegt aan het volk hoe ze tot Hem bidden mogen en moeten. Zeg tot Hem! De Heere zegt hen het gebed voor. Dat is dan de meest duidelijke garantie voor de vergeving ervan. Dat kan u tot aansporing zijn om de Heere met Zijn eigen woord te zoeken.
Deze bede leert ook de noodzaak van de toepassing. Want in Christus ligt alle heil opgehoopt en bewaard. In Hem is een volheid. Maar hoe krijg ik deel aan die volheid? In de weg van de doorleving van mijn schuld en in de toepassende werking van Gods Geest en dat wordt geleerd in de binnenkamer van het gebed. Het is niet genoeg te zeggen: Christus heeft de schuld weggenomen; deze voorwerpelijke waarheid vraagt om een onderwerpelijke toepassing.
Zondag 51 spreekt tenslotte over de bevinding der genade. Deze bevinding leidt tot de naaste om ook hem mild te doen delen in de vergeving. Hier komt de praktijk aan de orde. In die praktijk moet dan blijken hoezeer we zelf die vergeving hebben ontvangen. Daardoor gaat de Kerk meer en meer bestaan uit mensen die elkaar van harte de schuld belijden en die ook elkaar van harte mogen en willen vergeven. Het is, zo zegt de Heidelberger, hun voornemen om dat te doen. Let ook op die uitdrukking. U, die deze Goddelijke vergeving hebt leren bevinden in uw hart, u zult dat toch ook wel doen? Voor de ander belijden en de ander eveneens vergeven. Dat is de vrucht van deze vergevende liefde Gods. En zodoende is deze bede een krachtig gebed dat ons voert aan de stranden van de zee van eeuwige vergetelheid.
           

VERWERELDLIJKING         2011
 
Prof. Dr. A. van de Beek is bekend geworden door zijn scherpe analyses over de positie van de Kerk. Scherp omdat hij de eigenlijke nood van de Kerk diep peilt. Velen, zo zegt hij, passen slechts op de winkel; dat wil zeggen, ze modderen voort zonder werkelijke hoop. U kent dat wel: bijzondere diensten, versimpeling van de prediking, aanpassingen aan de wensen van de moderne mens. Van de Beek meent echter dat er een oordeel over de Kerk ligt. Dat is niet weg te nemen door menselijke, halve maatregelen.
Ook anderen hebben dergelijke geluiden laten horen. Ds. Dekker, studiesecretaris van de Bond voor inwendige zending, zoekt het in een soortgelijke richting. De Kerk bevindt zich in een diepe geloofscrisis. Ik kan mij vinden in veel wat door hen gezegd wordt. Van de Beek gebruikte het woord "secularisatie”, wat betekent dat de Kerk verwereldlijkt is. Haar burgerschap ligt in de hemel, maar ze heeft zich helaas verloren in de wereld. Over dat laatste gegeven wil ik enkele gedachten op papier zetten.
In welke zin is de Kerk verwereldlijkt? We hebben het hierbij om een breed en veelomvattend begrip. Laat ik trachten enkele facetten nader te bezien.
Wereldgelijkvormigheid wordt nader aangeduid als een zaak van de levensstijl. We kunnen denken aan uiterlijk waarneembare zaken zoals kleding. Daarmee hangt meer samen, zoals u begrijpt. Wie zich kleedt naar de code van de wereld, vergeet dat Gods Woord ook voorschriften geeft voor de buitenkant. Het getuigt van werelds denken als christenen zich modern-alternatief kleden in de stijl van nonchalance; het is ook werelds als zij uitsluitend dure en exclusieve kleren aan hebben in een klassieke stijl. In beide voorbeelden gebruiken we de term "werelds” dan wel in een andere betekenis. Ik wil het hier nu niet over hebben, al is de zaak van belang.
Verwereldlijking heeft ook alles te maken met de theologie en de prediking. Het is aangrijpend hoe de kerk, die stuiptrekkend ten onder lijkt te gaan, zich ten doel stelt de wereld te bereiken. De kern van de boodschap dreigt in verregaande mate aangepast te worden aan de wensen van de moderne wereldling, die zich ook als lid van de gemeente vertoont. Is het te moeilijk, dan  selecteren we op simpelheid. Stoot het af dan nemen we de aanstoot weg. We hebben er alles voor over om de wereld te bereiken. Dat is een goed streven, maar alleen binnen de kaders van de Schrift. Als we echter de eisen wegnemen ten gunste van de beloften, dan gaat het kind met het badwater overboord. Als we de Wet inslikken ter wille van het Evangelie, dan doen we afbreuk aan dat Evangelie zelf. Ik las pas nog die veelzeggende woorden van Christus in Johannes 7: "De wereld kan u niet haten, maar Mij haat zij, omdat ik van haar getuig dat haar werken boos zijn” (vers 7). Zo stond de hoogste Profeet tegenover de wereld. Dat kan nu niet anders zijn. Hebben we deze stellingen nog wel in beeld of haat de wereld ons niet meer?
Er is nog meer. Verwereldlijking in de levensstijl, in de prediking en ook in het hart.
De feitelijke kenmerken van een christen moeten we immers niet allereerst zoeken in de buitenkant, al heeft deze wel alles met geloven te maken. Calvijn geeft drie zaken aan: zelfverloochening, kruisdragen en de overdenking van het toekomende leven. We kunnen dit vanuit Gods Woord uitbreiden met: reinheid in de wandel, eerlijkheid in het beroep, barmhartigheid jegens de ellendigen, trouw aan de belijdenis. Deze typeringen gaan een spa dieper dan de dingen van de uiterlijke waarneming.
We moeten derhalve de wereldgelijkvormigheid ook en vooral zoeken in een geestelijke grondhouding, waarin men innerlijk leeft volgens wereldse beginselen. Gods Woord spreekt hier bijvoorbeeld over in Romeinen 12: 1 en 2. Het gaat daar om de vernieuwing van ons gemoed en het offer van ons leven. Duidelijke kenmerken van de postmoderne mens anno 2011 kunnen we zoeken in zaken als materialisme, hedonisme (genieting van de opbrengsten van het moderne leven), egocentrisme. Er is natuurlijk meer. Het is een uiterst ernstige zaak als christenen deze moderne kenmerken overnemen. Alles is dan gericht op het hiernumaals. We moeten opkomen voor onszelf en onze eigen rechten en belangen. We laten ons leiden en beïnvloeden door de waan van de dag, zoals we deze via de media tot ons kunnen nemen. We verliezen ons in de grote sportmanifestaties, zoals deze zich altijd wel op de een of andere manier aan ons voordoen. Pauw en Witteman, Andries en Thijs boeien ons meer dan Wisse of van der Schuit. Geestelijke zaken raken op de achtergrond. De uitvaartverzekering hebben we beter voor elkaar dan het antwoord op de vraag hoe we rechtvaardig voor God zullen verschijnen. We hebben niet meer zo heel veel belang bij de eigenlijke inhoud van de preek; we kunnen hooguit nog enige passie opbrengen voor de persoon van de voorganger. Er zijn zwaarwegende argumenten om de richting van de tweeverdieners op te gaan, waardoor de jacht van het moderne leven toeneemt. Onze enige vrije dag is dan eigenlijk nog de zondag en dus komt de kerkgang onder druk. Het gezin staat ook onder ons ruim bloot aan invloeden van de wereld; je kunt het merken aan de vele scheidingen en de alternatieve samenlevingsvormen, die ook onder ons voorkomen. Schipperen met compromissen noemen we anders; we spreken liever van evenwicht. Zo hebben we trouwens allerlei verzachtende omschrijvingen voor dingen, die eigenlijk ondermijnend zijn.
Ziedaar enkele trekken van de moderne kerkganger. Ik bedoel dan vooral diegenen in wier leven de secularisatie al ver is binnengedrongen. Er zijn er gelukkig ook, eveneens in verblijdende aantallen, die zo niet willen denken; zij trachten juist bewust en gemotiveerd en met overtuiging de dienst van de Heere voor te staan. Maar ook zij voelen wel de zuigkracht van deze tijd. Onze tijden gelijken op een stroomversnelling, een waterval, waarin alles in beweging is. Een halve eeuw geleden leefden de mensen in een rustig, dorps tempo. Nu is alles vluchtig en gespannen, inspanning leidt tot overspanning. In die maalstroom leeft de Kerk. Leven wij. Wij allen voelen ons soms verscheurd en innerlijk verdeeld. We vinden allerlei dingen "dubbel”, zoals we dat noemen.
De toch al dunne wand tussen de binnenkamer en de woonkamer als beeld van het dagelijkse leven hebben we er soms tussenuit gehaald. Wat betekent dat de ware vroomheid ons door de vingers heen glipt.
Hoe kunnen we ons wapenen tegen deze machtige aardschokken, die ons bestaan ontwrichten? Is er wel een krachtige afweer, een deugdelijk "filter” denkbaar tegen internet en blackberry? Welke Kerk of welke Synode weet duidelijk richting te geven aan deze machtige vensters naar wereld en hel? Er zijn er vrijwel niet die echt weten hoe hiermee om te gaan en die verweer weten te bieden tegen de verzoekingen. Dat alles maakt onze eeuw ingewikkeld. De woorden van de apostel over de geestelijke boosheden in de lucht zijn reëler dan ooit. Als het ’s zondags in de kerk nog gaat over wedergeboorte en rechtvaardiging, zijn dat vreemd klinkende woorden temidden van de slogans van deze tijd. En wie denkt dat één kerkdienst per zondag de oplossing is, denkt naïef en ondiep en miskent de ernst van de gevaren.
Is er nog een rustig eilandje in de bulderende bergstromen om ons heen? Dat vragen opvoeders zich af. Ouders spannen zich consciëntieus in om hun kinderen te behoeden voor de verzoekingen. Temidden van deze verwarring spreekt van de Beek dan over de feitelijke oorzaak van alle moeiten en dat zoekt hij in de verwereldlijking (secularisatie). Dat is de diagnose.
Wat is de therapie? Is er nog bekering mogelijk nu wij allen min of meer vergiftigd zijn door het moderne bestaan?  Bij de Heere zijn alle dingen mogelijk. Hier ligt dan ook de enige uitweg. Deze wordt eerst actueel als we zien dat ons werkelijk geen enkel ander middel rest. Vanuit een levend geloof alleen zullen we de consequenties van het leven met God kunnen aanvaarden. Gods Woord wijst ons de woestijn als de enige verblijfplaats van de Kerk. De weg daarheen is een vluchten uit het Sodom van deze tijd. De vrouw, die het Kind baarde, moet vluchten voor de draak en dus lijken haar kansen minimaal. Maar de Heere heeft haar daar een plaats bereid. Zij kan op de markt van het leven wel niet meer echt kopen en verkopen, maar toch houdt de Heere haar gedurende die lange tijd in leven. Met dit geloof gaat de bekering gepaard waardoor men de wereld verlaat, de oude natuur doodt en in een nieuw godzalig leven wil wandelen. Maar is dat nog wel mogelijk? Kunnen we werkelijk deze wereld ontvluchten? Hadden we indertijd de TV buiten ons bereik kunnen houden en kunnen we nog een dam opwerpen tegen de media van dit moment? Kunnen we zonder internet en mobieltje? Of zouden we zodanig met Gods Geest vervuld kunnen worden dat we met Jakob en zijn gezin de afgoden uitleveren, omdat we onze vreugde daarin niet meer kunnen vinden? Dat kan, niet vanuit eigen kracht, wel vanuit de kracht van het Evangelie van Jezus Christus.
Het is eigenlijk heel eenvoudig. In Jesaja 30 horen we ook van een diepe crisis. Het volk stopt de profeet de mond. Israel zoekt hulp bij Egypte, bij de mens. Terwijl de Heere wacht om genadig te zijn. De Heere zegt dan tot het volk: "Door wederkering en rust zoudt ge behouden worden, in stilheid en in vertrouwen zou uw sterkte zijn; doch gij hebt niet gewild” vers 15). Dat lijkt een rust die voor onze drukke tijden nauwelijks nog betekenis kan hebben. Toch zal dit woord haar geldigheid bewijzen, ook voor onze dagen. De tijden zijn moeilijker en ingewikkelder dan ooit en de verzoekingen loeren op elke hoek van de straat, maar de moeiten van Daniël in de kuil der leeuwen was niet geringer en toch werd hij daaruit verlost. Laat dat u en mij hoop geven omdat hier de enige mogelijkheid ligt voor de Kerk. Waar dit vertrouwen ontstaat en gewerkt wordt, daar verbleken alle andere schuilkelders die een sterveling zich denken kan. Hoe heeft de Heere deze wereld in Zijn algemene genade telkens weer nieuwe deuren willen openen. En hoe ook heeft Hij door de eeuwen heen Zijn Kerk staan de gehouden. Het lied klinkt daarom nog voor hen die vragen naar de Heere en Zijn sterkte: "Bezwijkt dan ooit in bitt’re smart, of bange nood mijn vlees en hart, zo zult Gij zijn voor mijn gemoed, mijn Rots, mijn Deel, mijn eeuwig Goed”.

           

HEILSZEKERHEID                                                                                                                                                                              2012

 

?xml:namespace>

In een vorig artikel schreef ik iets over zekerheid. Bedoeld werd de zekerheid betreffende de waarheid van Gods Woord en het bestaan van God. Zeker weten dat God bestaat en dat Hij de Schepper van de wereld is; dat Christus ten hemel gevaren is en eenmaal zal wederkomen; zo leren we leven bij het licht en de leiding van Gods Heilige Geest en de waarheid van Gods Woord. We kunnen ook spreken over de subjectieve zekerheid des geloofs. Daarover nu iets.

 

Ik werd hierbij bepaald toen ik enkele treffende zinnen las in het bekende werk van Thomas Brooks: Heaven on earth (Hemel op aarde). De schrijver handelt hierin over de genoemde zekerheid. Brooks was een bekend Puritein; hij heeft heel veel geschreven en zijn werken worden nog steeds veel gelezen. Ik verwonder me steeds weer over de grote mate van theologische, Bijbelse en geestelijke kennis, die hij uitstraalt. Hij vooral!

Erg aansprekend en trefzeker vond ik de volgende zin uit zijn betoog: "Iedere onbevestigde christen is een Magor Missabib, een schrik voor zichzelf, ja zijn leven is een hel; vrees en twijfel zijn zijn voornaamste begeleiders en daardoor oordeelt hij zichzelf onwaardig om te leven en toch is hij bevreesd om te sterven; en werkelijk, dit is de droevige situatie van de meeste christenen”. U moet deze zin zien tegen de achtergrond van dit boek: Wie zeker mag zijn van zijn zaligheid, krijgt twee hemelen: één na dit leven en de ander reeds tijdens dit leven.

Niettemin stelt Brooks dat de zekerheid geen noodzakelijke vereiste is. "Zekerheid behoort niet tot het wezen van een christen. Het is een vereiste voor het welwezen van een christen, maar het is geen vereiste voor het wezen van een christen”. Hij omschrijft verder: "Het is één ding voor mij dat ik genade heb, het is een andere zaak voor mij om mijn genade te zien; het is één ding voor mij om te geloven, het is een andere zaak voor mij om te geloven dat ik geloof; het is één ding voor mij om geloof te hebben, het is een andere zaak voor mij om te weten dat ik geloof”.

Onder het welwezen van het geloof verstaan we het geloof in zijn volkomen gestalte, in zijn zuivere toestand; onder het wezen van het geloof verstaan we het geloof in haar normale bestaan. Het wezen heeft ieder die gelooft, ook al is het gemengd met vrees en twijfel; het welwezen hebben Gods kinderen alleen als zij ongehinderd en onbelemmerd geloof mogen beoefenen. Dat is dan het geloof in haar ideale verschijning.

Paulus was een bevestigd christen; hij beleefde het welwezen van het geloof. Heman in psalm 88 miste vrijwel elke vertroosting, er waren slechts klachten, maar hij zocht daarmee de Heere. Hij oefende een zwak en bestreden geloof, maar het wezen kende hij wel.

Onze catechismus leert ons in zondag 7 dat de zekerheid behoort tot het wezen van het geloof. "Een waar geloof is niet alleen een stellig weten of kennis, dat ik alles voor waarachtig houd dat ons God in Zijn Woord geopenbaard heeft, maar ook een vast vertrouwen….” Dit geloof leeft uit in zekerheid.

Maar als een christen deze vastheid nu mist? Is hij dan geen christen? Dat is niet gezegd. Het vaste geloof is er wel, maar het is met duizend zorgen en doden gemengd. Het geloof in de gelovige is wel zeker, maar de gelovige zelf is dat niet. Ook iemand als Theodorus van der Groe heeft helder gesteld dat de zekerheid behoort tot het wezen van het geloof. Brooks staat hier dus anders in. Naar ik meen wordt zijn visie ook vertolkt in de bekende Geloofsbelijdenis van Westminster.

Nu spreekt Brooks niet over het wezen van het geloof, maar over dat van een christen. Dat maakt wel enig verschil, al zal hij hetzelfde bedoeld hebben.

Is deze onderscheiding belangrijk voor de geloofszekerheid?

Men is door alle tijden bevreesd geweest voor het gevaar dat het geloof door de voorstelling van bijvoorbeeld Brooks op een lager plan gezet wordt. Als zekerheid gemist kan worden, dan kunnen bekommering en twijfel beschouwd worden als  behorend tot het geloof. Aarzeling en onvrijmoedigheid zijn dan niet langer te verwerpen zaken. Het wordt dan heel normaal dat een christen de zaken meestal mist voor zijn eigen waarneming. Het zijn maar uurtjes van korte duurtjes (rara hora, brevis mora), of zoals Latimer zei: De Heilige Geest komt en gaat (coming and going).

Er zijn meer onderscheidingen die gebruikt worden om dezelfde accenten aan te brengen. Bijvoorbeeld: de uitgaande en de wederkerende daad van het geloof. Het eerste bestaat  in veel onzekerheid, het tweede heeft de zekerheid in zich. Verder maakt men ook gebruik van het verschil tussen de zekerheid van het geloof en die van het gevoel. Deze onderscheidingen zijn ontstaan in een tijd toen er weinig verzekerde christenen werden gevonden. Nog gebeurt het dat mensen over het geloof spreken als over een zaak die enkel en alleen stoelt op gemis. Een  christen is dan iemand die in ieder geval weet waarin de grond niet ligt, terwijl hij misschien iets weet waar de grond dan wel in te vinden is. Men noemt een kind van God dan meer onbekeerd dan bekeerd, meer ongelovig dan gelovig, maar arm dan rijk……. Het past in deze beschouwing dat een kind van God de langste tijd van zijn leven buiten Christus leeft. Hij is wel op weg naar Hem, maar Hij is nog steeds de grote Onbekende. Men kan zich voor het grootste deel op de been houden met allerlei kenmerken, terwijl we het ene grote kenmerk, Jezus Christus, nog missen.

Begrijpelijk dat tegen deze achtergrond van der Groe zich sterk maakte met de stelling dat de zekerheid behoort tot het wezen van het geloof. Waar dus geloof is, daar is zekerheid. Hiermee is niet gezegd dat een christen niet kan twijfelen, maar deze twijfel behoort niet tot het geloof, maar tot de gelovige.

De prediking krijgt in deze context dan een meer ontdekkend en afsnijdend karakter. U zult dan horen dat allerlei gaven op zichzelf geen rustgrond bieden als we de Gever nog missen. Dit ligt in de lijn van wat Paulus stelt in Filip. 3: hij somt alle voorrechten op die hij had, maar het moest alles schade en drek worden vanwege de uitnemendheid van Christus. Vergeleken bij de Heere Jezus is er geen enkele parel zo schoon en heerlijk als Hij. Er kan zeker een tijd zijn dat men van de ene parel naar de andere loopt. Totdat de grote parel van absolute waarde verschijnt. Dan pas worden alle andere ingeruild. Welke parels zijn er zoal, waarin de mens meent rust te kunnen vinden? Ernst en gevoel onder de prediking zijn  parels van waarde. Het is op zich een zegen, vooral als u de diensten vaak hebt meegemaakt waarin u koud en gevoelloos de preek hoorde. Berouw over de zonde en een begeerte om de Heere te dienen zijn zegeningen uit Gods hand. Als we een Godsontmoeting mogen beleven en de Heere met Zijn beloften spreekt tot het hart kunnen dat eveneens parels genoemd worden. Haat tegen de zonde en een liefde tot Gods volk kunnen we hierbij voegen. Het is echter de neiging van het hart om hierop te rusten. En zodoende worden het gronden buiten de bewuste vereniging met Christus; ze houden ons zelfs bij Hem vandaan. Israël mocht natuurlijk niet in Elim blijven, maar dat wilde het volk wel, want het was daar goed. Kanaän was echter het doel. De prediking moet aantonen dat daarin de rust niet gevonden kan worden.

Dus afbrekend, maar met de bedoeling om dan ook de rijkdom van Christus te prediken. Een arme zondaar en een rijke Christus, het is snel gezegd, maar het houdt alles in; het is een levenslange les. En vanuit Christus krijgen alle kenmerken hun betekenis weer terug, maar dan als vruchten van Zijn bediening. In Hem is alles te vinden wat nodig is. Hij is gegeven tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligheid en een volkomen verlossing. Het zijn alleen goddelozen die door Hem gerechtvaardigd worden; geen vrome en gelovige mensen, die alles al bijna bezitten. In Christus ligt de zekerheid, door het geloof in Hem. Als we zo het wezen van het geloof bepalen, dan voorkomen we een rusten in allerlei standen en ongestalten. In gemoedelijkheden en valse gronden. Als het levenshuis gebouwd wordt, moet het fundament in de diepten gezocht worden. Rond het fundament wordt er gegraven, wordt er heel wat afgegraven, om tot de rots te komen. Geen troost dan alleen in Christus. Buiten hem moet de spade er diep in.

Dat is de weg naar de zekerheid. Buiten Christus leeft Gods volk als een Magor Missabib (Brooks). Vaak is dat toch niet het geval. Men kan zo makkelijk leven buiten de Borgtocht van Gods Zoon.

Dus geen genade buiten de bewuste kennis van Christus? Dat wil Brooks niet leren en ik zou het ook zeker niet stellen. Het kleinste, de eerste seconde, de eerste ware klacht, de eerste bekommeringen, dat alles zijn blijken van genade, die reeds voortkomen uit de kruisverdienste van Christus en uit Zijn Profetische bediening. Maar dat alles wordt niet verzelfstandigd. Dat alles laat ook, als het goed is, steeds weer een gemis achter. Als zekerheid alleen tot het welwezen of het welbevinden behoort, dan dreigen we dus te denken dat er zonder zekerheid ook wel rustbanken zijn. Zekerheid, gesteld in het wezen van het geloof, ook in haar zwakste vorm, laat de volle waarde van het geloof blinken en verheerlijkt bovenal Christus als een volkomen Zaligmaker. Zo zien we dat oude onderscheidingen hun betekenis voor vandaag nog steeds hebben. Misschien kom ik een volgende keer toe aan de vraag of er een weg is om tot de voorgestelde zekerheid te komen.

 

                                                                                                                                 

ZEKERHEID                                                                                                                                             2012

 

?xml:namespace>

Het zogeheten Postmodernisme heeft velen in zijn greep. De tijd van de "grote verhalen” is voorgoed voorbij, zo zegt men. De Bijbel heeft als geen ander boek grote en indrukwekkende weergaven van de grote werken Gods. U begrijpt dan dat het Woord Gods voor de mens van nu geheel uit de gratie is. Ds. J. van Amstel gaf in dit verband een kernachtige weergave in "De Saamwerker”van de geest van deze tijd.

 

?xml:namespace>

"De twijfel te boven?

Nog niet zo lang geleden is een geruchtmakend boek verschenen onder de titel: Het algemeen betwijfeld christelijk geloof. Waarop gereageerd werd met een boek dat de titel meekreeg: De twijfel te boven. Het eerstgenoemde boek heeft vele herdrukken beleefd, het laatstgenoemde heeft daarin niet gedeeld. De vraag kan meteen gesteld worden; wat zit daar achter? Het is toch niet zo dat een schrijver die een vlotte babbel heeft meer te zeggen heeft dan iemand die volstrekt buigt voor wat God ons in Zijn Woord zegt. Zit het, zoals vaak gebeurt, op de presentatie vast of op de algemene bekendheid van de schrijver? Of voelen velen zich in een tijd van twijfel helemaal thuis bij iemand die overal een vraagteken achter zet en meent dat elke uitspraak over Boven van beneden komt?

Om ons heen is het duidelijk dat menigeen zich afvraagt: wat is geloof?

We worden geconfronteerd met zovele geloven en een menigte gelovigen, door sommigen anders gelovigen genoemd in plaats van óngelovigen, want dit laatste kan vandaag echt niet meer, zegt men. Ieder gelooft wel wat. Elk mens heeft z’n eigen geloof en wie zal zeggen wie het bij het juiste eind heeft? In deze gedachtegang kun je moeilijk spreken over de uniciteit van het christelijk geloof. Dat kon vroeger nog wel, zegt men. Maar wij leven in deze tijd van wat men noemt tolerantie of zelfs van het naast elkaar bestaan van diverse geloven en daarmee het ruimte bieden aan allerlei gelovigen, die ieder voor zich mogen geloven wat zij willen. Daar moet je niet moeilijk over doen, want dan krijg je problemen en in het slechtste geval ligt het gevaar op de loer van godsdienstoorlogen, zoals er in het verleden al te veel zijn geweest. De gevolgen ervan zijn wereldwijd merkbaar.

Niemand kan zeker weten of hij het rechte en echte geloof heeft. Daarmee hoef je je ook niet druk te maken over zekerheid van het geloof. Want alles is even onzeker. In een tijd van twijfel ontbreekt niet alleen de zekerheid van het geloof. Men vindt het ook niet meer belangrijk.

Het is zelfs verdacht wanneer je aan komt zetten met: ik weet het zeker. Je vormt dan een probleem in de samenleving. Want je wordt al snel aangezien voor een intolerant mens, die zijn mening oplegt aan een ander. Men verslijt je dan voor een arrogant, eigenwijs en hoogmoedig mens. Je vertoont dan meer het beeld van de farizeeër, waar men niets van moet hebben. Je mag in deze tijd niet uitgaan van je eigen gelijk, want daarmee veroordeel je een ander, die het even goed meent als jij.

Als we nu met elkaar afspreken dat ieder zijn mening (want meer is het niet) voor zichzelf houdt, dat christenen hoogstens in hun kerken hun geloof verwoorden, dat moslims in hun moskeeën hun gedachten uiten en dat joden in hun synagogen hun overtuiging uitspreken, dan hebben we geen problemen op straat. Dan houden we elkaar op een afstand in het openbare leven en genieten we van een samenleving waar het humanisme de toon aangeeft, want voor dát geloof moet iedereen toch buigen, wil het wel zijn en wel gaan. Uiteindelijk kan zo een meerderheid een minderheid uit de samenleving bannen en hebben we een oplossing gevonden voor allerlei problemen die ontstaan uit zendingsijver. Er is op deze manier ruimte voor elke godsdienst, zelfs voor het satanisme en het occultisme. Het ideaal van het samen onder één paraplu verkeren van welk geloof dan ook, onder de bekende spreuk: Er is hoop!

Als je maar gelooft, wat het dan ook inhoudt. Want zonder geloof vaart niemand wel, zo wordt het aangegeven”.

 

?xml:namespace>

Br. Van Amstel zal zeker in een volgend artikel nader ingaan op deze zaken. Het leefklimaat zoals hij dat indringend schetst, houdt ons allen bezig. Hoe kunnen we onze jongeren en ouderen bewaren bij het geloof in God en de kracht van het Woord? Ik las in Trouw een bespreking van een boek, met als titel: De vergissing van Jezus; het uitblijven van Zijn koninkrijk; geschreven door Piet Leupen. Hij heeft het gemunt op teksten zoals Mattheus 24: 34, waar staat: "Voorwaar, Ik zeg u dat dit geslacht geenszins zal voorbijgaan totdat al deze dingen zullen geschied zijn”. Omdat Jezus gewoon mens was, kon Hij Zich toch vergissen? We voelen met elkaar onmiddellijk aan dat deze redenering de waarheid over Jezus fundamenteel aantast. Veel reacties in Trouw  geven uiting aan de gedachte dat de schrijver te vrijpostig en te makkelijk over de Persoon van Christus spreekt. Maar dit boek met deze titel past precies in deze tijd. Het heilige en het Goddelijke, het is geheel verdwenen. Dat noemt men de grote verhalen uit het verleden. In de omgeving van Trouw past dat heel goed en men is al heel veel jaren gewend aan deze naïeve denkschema’s. Toch zijn er gelukkig ook daar mensen die ervan opkijken en beseffen dat hier van echt geloven niets meer heel blijft. 

Ik noem de verschijning van dit boek met deze titel om aan te geven dat de dingen aangaande God verlaagd worden tot het niveau van het menselijke. De Bijbel wordt een menselijk boek en Christus wordt alleen nog gezien als een feilbaar mens, die zich gemakkelijk kon vergissen. Op zichzelf zijn dat geen nieuwe geluiden, maar het is wel nieuw dat dit gezegd wordt door mensen die  gereformeerd heten. Daar wordt het openlijk en onomwonden gezegd, maar de kring van christenen die zo denken zonder het te zeggen en uit te spreken, is vele malen groter. Als de Heere Jezus Zich kon vergissen, is er feitelijk geen woord meer uit Zijn mond, dat nog enig houvast biedt. Hemel en hel kunnen zo maar berusten op een vergissing. Paulus kan zich natuurlijk ook vergist hebben toen hij zei dat het heil in Christus de hoogste zekerheid verschaft.

Als we dicht bij huis blijven, moeten we constateren dat jong en oud worstelen  met de vragen die onze tijd voorlegt. Het is met de tijdgeest namelijk zo dat er geen ontkomen aan is. Het zit in de lucht en we krijgen er allen mee te maken. Zelfs Gods levende volk kan godslasterlijk aangevallen worden met allerlei inwerpselen van de dwaas die zegt dat er geen God is. En wie geeft dan op al die vragen een helder antwoord? Wie niet worstelt met deze vragen, zal zich uiteindelijk uitleveren aan de grote onzekerheid en de allesoverstemmende twijfel. Hij zal tenslotte terecht komen bij de waarheid dat er geen waarheid is. Dat is de doodssteek voor het leven, voor het geluk, voor de mens, voor het geloof. En daar wil de duivel ons brengen. Tot de leugen van de wanhoop. Om eenmaal te ontdekken dat het verwerpen van de waarheid aangaan de God en Zijn Woord dé grote fatale vergissing is.

 

?xml:namespace>

Hoe kunnen we tot een vaste overtuiging komen aangaande de waarheid van Gods Woord? Waar vindt je de bewijzen voor het geloof in God? Laat de Heere ZichZelf bewijzen! Hij doet dat op de meest overtuigende manier. Dat raakt dan niet alleen ons verstand, maar het gaat om een diepere overreding, namelijk die van ons hart. Jeremia heeft eens gezegd: Gij hebt mij overreed en ik ben overreed geworden. Dat is de beste overtuiging. Zo is Job tot zekerheid gekomen, zo kreeg Elia weer vast grond onder de voeten, zo heeft Petrus weer mogen leren dat Jezus Christus de Weg, de Waarheid en het Leven is en blijft. Hij vergist Zich niet. Wij vergissen ons telkens weer. Hoe gelukkig als we de vaste grond ondanks alles gevonden hebben. Dan kunnen we spreken met al Gods kinderen over de onwrikbre vastigheden, Die God Zelf gelegd heeft. Kennen wij persoonlijk deze zekerheden? Bunyan vertelt ons dat christen in het moeras Vertwijfeling terecht kwam. Men was al zestienhonderd jaar bezig om het moeras te dempen. Twintigduizend karrevrachten, ja miljoenen exemplaren "gezonde raad” brachten geen uitkomst.  Christen dreigde alle grond te verliezen. Gelukkig vertelde Evangelist hem dat hij op de stenen had moeten lopen. Zet daar uw voet. Op de stenen van de beloften.  Dit doende zult ge nimmermeer struikelen. Het zijn oude lessen, die vroeger en nu uitkomst bieden.

                                                                                                                     

 

?xml:namespace>

 

?xml:namespace>

 

?xml:namespace>

 

?xml:namespace>

 

?xml:namespace>

 

?xml:namespace>

 

?xml:namespace>

 

?xml:namespace>

 

?xml:namespace>

 

?xml:namespace>

 

?xml:namespace>

 

?xml:namespace>

 

?xml:namespace>

 

?xml:namespace>

 

?xml:namespace>

 

?xml:namespace>

 

?xml:namespace>

 

?xml:namespace>

 

?xml:namespace>

 

?xml:namespace>

 

?xml:namespace>

 

?xml:namespace>

 

?xml:namespace>

 

?xml:namespace>

 

?xml:namespace>

 

?xml:namespace>

 

?xml:namespace>

 

?xml:namespace>

 

?xml:namespace>

 

?xml:namespace>

 

?xml:namespace>

 

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>