RAADSELEN VAN HET HART  (Gewetensvoorvallen)

 

Gods volk is een bestreden volk. Van Luther is bekend dat hij veel aanvechtingen kende. Johannes de Doper heeft deze aan het eind van zijn leven ook krachtig beleefd. Zelfs de apostel Paulus kreeg ermee te maken, zoals we kunnen opmaken uit 2 Corinthe 12, waar hij spreekt over een engel des satans die hem kwelde.

Bestrijding kan zich voordoen door oorzaken die van buitenaf komen. Maar het kan ook van binnenuit komen (2 Cor.7:5). In de psalmen vinden we veel voorbeelden van die innerlijke strijd. Denk aan psalmen zoals 22, 42, 43, 77, 88 en 130. Gods Woord spreekt over hen die met vreze des doods bevangen zijn (Hebr.2:15). Gods Woord weet ook van een geest der dienstbaarheid die leidt tot veel vrees (Rom.8:15). Het ongeloof vergezelt en bedreigt Gods kinderen hun leven lang. Daarbij zijn er plaatsen in Gods Woord, die aanleiding geven tot zelfonderzoek, waarbij indringende vragen moeten gesteld worden.

Ik wil enkele momenten voorstellen uit het leven van Gods kinderen, waarin zij te maken krijgen met de strijd des geloofs. De Puriteinen hebben in hun preken soms een speciale plaats ingeruimd voor allerlei vormen van gewetensonderzoek (casus consciëntiae). Deze kunnen ter sprake komen als tegenwerpingen, maar het kan ook breder aan de orde gesteld worden. Welke overwegingen kunnen aanleiding geven tot ongeloof en moedeloosheid? Welke tegenwerpingen kunnen er onder de preek leven in het hart van hen die bestreden worden door de duivel en het vlees?

We moeten opmerken dat vaak dezelfde argumenten worden gehoord. De bekendste zal wel zijn: Ik ben een groot zondaar. U hoort zelden een klacht van iemand die vreest dat hij een groot Farizeeër is. Er zijn dus veel meer vormen van aanvechting. Dat geeft al aan dat we ons vaak niet eens duidelijk rekenschap geven waar de bezwaren in ons leven nu precies op vastzitten. Dat is tekenend en het vraagt om aandacht. Hieronder ga ik in op veel meer blokkades die zich kunnen voordoen.
 

 

Leidt God alle dingen?

 

Een veel voorkomend bezwaar van ons mensen tegen de uitverkiezing ligt in het feit dat we zelf geen invloed kunnen uitoefenen op ons lot. Als we de uitverkiezing vergelijken met de voorzienigheid zien we dat nog duidelijker.

De voorzienigheid immers houdt in dat God de gang en de toekomst van ons leven leidt en vastgelegd heeft. Catechisanten zeggen eerlijk bij navraag dat het hen beklemt dat we zelf geen inbreng of invloed op onze levensweg kunnen uitoefenen. Deze gedachte leeft bij ons allen in verschillende mate.

Hier blijkt dat wij self-supporting willen zijn. We willen niet afhankelijk zijn van anderen en we hebben graag zelf de touwtjes in handen. We willen kapitein op de brug blijven. Autarkie noemen we dat. Een klein kind wil het al zelf doen; moeder moet het aan haar overlaten.

 

De Bijbel spreekt anders. Eer iets van mij begon te leven, was alles in Uw boek geschreven. Door bezorgd te zijn kunnen we geen el tot onze lengte toedoen (Matth. 6:27).

Maar is het wel een goed idee om op eigen benen te willen staan en jezelf te willen helpen? Ook al zouden we niet in God geloven, dan nog blijft het probleem bestaan. Je kunt in een bus zitten en geheel buiten je eigen invloed kan er een ongeluk gebeuren. Ook de wereldling heeft zijn lot absoluut niet in eigen handen. Het meeste wat gebeurt, wordt bepaald door oorzaken buiten je eigen macht. Gelooft men niet in een God, dan noemt men dat toeval of het is een soort noodlot.

Ik kan dit nog verder onderbouwen als ik de erfelijkheidsleer erbij haal. Tegenwoordig hoort u spreken over uw genen. Er zijn bijvoorbeeld genen die uw gezondheid goed of slecht bepalen; als u beslissen moet over iets, ligt het besluit dat u neemt, eigenlijk in handen van uw genen. Uw erfelijke aanleg is, zo zegt men, van het grootste belang. Swaab heeft in zijn boek "Wij zijn ons brein” willen aantonen dat een mens geen vrije wil heeft. De processor in ons hoofd regelt en stuurt alles!

In ieder geval is het aannemelijk dat aanleg en ontwikkeling en allerlei andere factoren meer de keus bepalen.

 

Hoevele kinderen van God hebben niet vol vertrouwen zich mogen overgeven aan de leiding van God? Dat is de grote meerwaarde van het Christelijk geloof. Er is één absolute voorwaarde, namelijk dat je weet dat God te Vader geworden is. Als u dat mag weten, hebt u houvast. Dat geeft vertrouwen. Alles buiten God geeft geen vertrouwen en houvast. Ook al zou alles in uw eigen handen liggen, dan nog hebt u geen enkele basis. Daarvoor zijn wij, mensen, veel te klein en te zwak.

Buiten God is alles toevallig, gebeuren er heel veel noodlottige dingen. Maar zult u zeggen, ook als ik geloof in God, gebeuren al die ongelukken en rampen. Het is ook heel moeilijk te geloven dat een almachtige God alles zo stuurt en regelt.

Maar dan mogen we daar iets tegenover stellen. Het blijkt in vele mensenlevens, dat de Heere kracht geeft in de moeilijkste momenten. Dat geeft de wereld niet. Het is ook verder niet onaannemelijk dat een Vader Zijn kinderen opvoedt. Tucht is een Bijbels begrip. We moeten de zonde afleren en het geloof aanleren, met de hulp van Gods Geest. Tucht heeft de beste bedoelingen in zich. Zo mogen heel veel mensen dat beleven. Denk aan de miljoenen die vanwege hun geloof in gevangenissen zich bevinden. Zij krijgen ongekend veel kracht en volharding om staande te blijven in hun geloof.

Zonder het geloof in een genadige God, heeft de mens geen enkele troost; hij heeft ook geen enkele grond om te vertrouwen. Er is geen overheid, geen arts, geen therapeut, geen relatie die u kan helpen. Maar vooral: u kunt uzelf niet helpen. Zonder Hem kunnen we niets doen.

 

Dus raad ik u de Heere te zoeken, als u nog vreemd tegenover Hem staat. Een scherp opmerker zal zeggen: U hebt zojuist gezegd dat wij zelf niets kunnen. Dat kunnen we dus ook niet? Zou dat waar zijn, dan zou nog alles in de lucht hangen en dan was het aangeprezen vertrouwen nog onbereikbaar.

Dat is voor ons mensen een moeilijke vraag.

We kunnen niets en we moeten zo veel. Gaat dat samen? En bovendien, er is toch een uitverkiezing, zodat mijn zoeken geen echte rol speelt op weg naar de eeuwigheid?

Ik kan nooit uit mezelf goed bidden en echt geloven. Goed, dat is de volle waarheid. Ik vul uw gedachten nog even verder aan. U kunt ook niet werken, u kunt niet uit uw stoel opstaan, u kunt uw bed ’s morgens niet uitkomen. Dat alles kunt u ook niet zonder God. Als Hij u geen kracht geeft, bent u tot niets in staat. Zonder Hem kunt u geen veer van u afblazen.

Toch, u doet al die handelingen wel. U zet de wekker en u staat op, u stapt op de fiets en u gaat. Dat geeft al aan dat de Heere werkt door ons in te schakelen. Hij doet het, maar Hij doet het door middel van uw krachten. We kunnen ook zeggen: uw acties zijn in Gods plannen opgenomen. Dat beklemtoont onze verantwoordelijkheid. We zijn echt verantwoordelijk, het is geen loze kreet. Anders zou de Heere ons geen eisen en plichten opleggen en dan waren er ook geen beloften. We kunnen niet anders doen dan ons houden aan Gods Woord en de Heere voor waarachtig houden. En ondersteunende gedachte is dat Hij álles doet en helpt in alle nood. Daar kunt u juist door gesterkt worden, als u er achter komt dat u ook metterdaad niets kunt.

Door uw knieën te buigen en de Heere dagelijks te zoeken, kunt u  te weten komen dat u echt niets kunt en op die manier wordt dan uw gebed steeds klemmender en dringender.

Er staat een heel veelzeggende tekst in de Bijbel: "…werkt uws zelfs zaligheid met vreze en beven:

Want het is God, Die in u werkt beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen” (Filip. 2:12,13).

Hoe u de tekst ook leest, wat er staat lijkt een volkomen tegenstrijdige gedachte. Ik moet werken en God werkt ook mijn werken, zelfs mijn willen. Het zijn twee lijnen die elkaar schijnbaar niet verdragen.

Er zijn er wel, die hierin lezen dat God wat doet en dat wij wat doen moeten. Zo komen we dan samen wel waar we komen moeten. Het gaat dan om coöperatie, om samenwerking, zoals twee paarden samen de kar trekken.

Anderen lossen het zo op: we moeten ons maar houden aan één van beide gedachten. Er leven dan mensen die alles maar laten gaan zoals het komt. God werkt immers zelfs mijn willen, want ook dat heb ik nog niet vanuit mijzelf. Of we menen alles zelf te moeten en te kunnen doen, want dat staat hier toch: "Werkt uw zaligheid”.

In beide gevallen halen we de ene lijn naar voren en laten we de andere liggen. Veel kerkgangers leven zodoende in een eenzijdigheid. Feitelijk neemt u datgene wat niet strookt met uw gedachte, niet serieus. U schrapt dat uit uw Bijbel. Dat is een ernstige zaak. Het strijdt met uw belijdenis. 

Maar hoe dan?

We moeten deze hele waarheid  laten staan zoals deze er staat. De ingang tot deze tekst ligt in de aanspraak: Werk uw zaligheid! Dat wordt rechtstreeks tegen u en jou gezegd. Wat God doet, kunt u niet bepalen. Het staat er wel en het blijft staan, maar dat ligt voor Gods rekening. Voor uw rekening komt de raad en de eis van de Heere: Werkt! Let op: het gaat om úw eigen zaligheid; dat wordt benadrukt. Deze zult u toch niet willen verwaarlozen? Doen we dat dan bewerken we onze rampzaligheid; en daarin kunnen we heel actief en werkzaam zijn, helaas.

Het Griekse woord voor "werken” betekent eigenlijk: uitwerken. Niet voor niets spreken we van "werkzaamheden”. Het grondwoord voor Gods werken heeft alles te maken met ons woord: energie. Er is in God een volheid van energie, geestelijke energie. Dat missen wij nu juist. Daarom leert de praktijk ten eerste dat de mens in zijn werken vooral aangewezen is op de energie(centrale) van deze Goddelijke krachten. Vanuit die Goddelijke energie kunnen al uw lampen gaan branden, kunt u voortgaan op de reis door dit leven; al uw kracht komt alleen daar vandaan. Zo mogen we deze tekst lezen.

Velen werken wel, zij bidden en gaan naar de kerk, lezen de Bijbel een leiden een godsdienstig leven. Maar er is geen zicht op de hemelse energie. Wat is een huis onder licht en warmte, zonder aansluiting op het stroomnet? Het komt ook voor dat we geen goed gebruik maken van de voorzieningen. De muren van uw woning zijn ruim voorzien van leidingen en de bekabeling is goed; alleen ontbreekt het nu juist aan instrumenten, die contact maken met de stroom om u heen. Ook dat is er duisternis.

Als u mag zien dat de Heere werkt, niet alleen voor u, maar ook in u, dan krijgt u moed om op te staan uit uw passiviteit. De stekker die past in het contact, is het geloof. Rust niet voordat u de Goddelijke krachtbron zuiver en helder in beeld hebt.

 

 

Is er voor elke situatie een Goddelijk gebod?

Is het dragen van luxe kleding een zaak van zonde? Mogen vrouwen oorbellen dragen? Breng deze vraag eens over op de inrichting van uw huis, uw auto, uw vacantiebesteding, uw zondagsbesteding. We hebben het hier over allerlei zaken, die niet vallen onder duidelijke voorschriften.

Zonden hebben te maken met uitdrukkelijke geboden uit Gods wet. Daarover bestaat geen misverstand. Maar er zijn ook zaken die we zouden kunnen typeren als geestelijke hinderpalen en belemmeringen. Ze zijn absoluut niet verboden in de Bijbel, maar je kunt er wel allerlei gewetensvragen over hebben.
De Roomse kerk kent dit onderscheid als er sprake is van praecepta (voorschriften uit de wet) en consilia (evangelische raden of raadgevingen). Deze laatsten waren bijvoorbeeld: de kloostergelofte, vrijwillige onthouding van huwelijk en bezit. De laatsten waren niet verplicht, maar kwamen je wel ten goede als je jezelf er aan hield.
Dit onderscheid leeft onder ons niet sterk. Persoonlijk heb ik vaak meer moeiten met dit soort vragen dan met de feitelijke geboden van de wet. Die laatste weten we, maar er zijn zoveel dingen die we eigenlijk niet zo duidelijk weten. Paulus heeft het er ook over om te beproeven wat de Heere welbehaaglijk is (Ef.5:10). Misschien bedoelt hij dan zulke dingen, waarover we niet direct en rechtstreeks geboden kunnen noemen.
Hebt u er ook moeite mee? Doe ik er wel goed aan dit soort kleding aan te trekken? Mag ik in deze auto rijden? Mogen we die voorbehoedsmiddelen gebruiken, zo kunnen ouders van een groot gezin zich afvragen. Mag ik zo hard rijden? Het zijn allemaal gewetensvragen. Ik vind het vreemd dat dit soort vragen in het pastoraat zo weinig gesteld worden. Deze vragen hebben te maken met luxe, met twijfelgevallen, grensgevallen enz. Er zijn er legio: Mag ik roken? Is deze lengte van mijn rok verantwoord, of denk ik dat een broek verkeerd is, maar een rok altijd goed is? Mag ik postduiven houden? (Een hobby kan zoveel tijd vragen, dat andere zaken in het gedrang komen; er kan sprake zijn van afgoderij, alhoewel het op zich niet verkeerd is). Hoe neemt een dominee een beroep aan en hoe gaat hij ermee om? Mag ik naar deze baan solliciteren? Mag ik dit medicijn innemen?
We spreken hier over de christelijke vrijheid, of de middelmatige zingen. Calvijn spreekt erover in III, XX.

Er lijken me verschillende methoden te zijn en gebruikt te worden om zulke vragen op te lossen.
1. Men kan strikt redeneren en zeggen: de tien geboden geven ons exacte voorlichting hierin. Dat zijn dan de bekende en gemarkeerde zonden, zoals diefstal, doodsslag, overspel, begeerlijkheid enz. Denkelijk zijn er veel mensen die zo handelen. Geloof heeft niets te maken met mijn uitgavenpatroon; als het maar niet valt onder een bekend gebod. Denk aan de plaats die luxe in de Geref. Gezindte inneemt. Betrek de vragen ook op de media. Er zijn mensen die geen moeite hebben met een TV-toestel. Er zijn er die een mobiele telefoom met alles erop en eraan rustig gebruiken; anderen doen dat in zulke gevallen niet. We zeggen meestal: ieder zij in zijn gemoed tenvolle verzekerd? Maar is dat een goede oplossing? Denk hier ook eens aan allerlei geboden van de burgerlijke wetten onder Israel. We hebben die niet meer; toch geven ze wel nuttige raad.
Mensen die echter uitsluitend redeneren vanuit de letterlijke tien geboden, lopen het gevaar zich te makkelijk van dit soort vragen af te maken. We moeten leren beproeven wat de wel behaaglijke wil van God is.
2. Er zijn anderen, misschien niet zo veel, die meer de Roomse lijn (consilia) volgen. Alles wat mijn geweten mij verbiedt, laat ik na. Hun geweten is zeer nauwgezet. Bepaalde zaken zijn hen tot zonde geworden. Er zijn er die niet op zondag zullen wandelen. Er zijn er die geen AOW aannemen. Bekend is het verschijnsel dat men zich niet wil verzekeren. Er zijn er genoeg die de mode niet slaafs volgen, maar juist deze ontlopen. Je ziet het aan hen. De Amish kleden zich standaard in alle eenvoud. Er zijn groepen, waar men allemaal hetzelfde merk auto heeft. Geen techniek, geen elektriciteit, geen telefoon etc. Geen praecepta, wel consilia. Vroeger waren er veel mensen die met deze dingen echt worstelden. Heeft het te maken met een nauwe levenswandel?

Er bestaan dus talloos veel vragen over heel veel waarover de wet in letterlijke zin geen uitspraken heeft. Hierboven heb ik veel voorbeelden daarvan gegeven. Er zijn wel enkele vuistregels die soms worden gehanteerd. Bijvoorbeeld: a. Doe nooit iets tegen je geweten in; volg je geweten. Dit is geen volkomen goede aanpak, want het geweten is niet zonder meer gelijk aan de wet Gods. Het kan veel te nauw zijn, het kan ook veel te ruim zijn. Zeker bij mensen die psychisch belemmerd zijn in hun denken en handelen, levert het moeilijkheden op.
b. Paulus geeft een voorbeeld van een dergelijk conflict in 1 Cor.8:1v en 10:23v. Mocht men offervlees eten? Een denkbeeldig probleem, zeiden sommigen, want er bestaan toch geen afgoden? Eet het rustig, ook al is het aan de afgoden gewijd. Als je het niet weet, kun je het gebruiken, zegt de apostel. Maar als je weet dat het aan de afgoden gewijd is, doe het dan niet. Je kunt er anderen mee kwetsen. En dat laatste is zonde. Het kan verder ook zijn, zegt hij, dat u moet denken aan hen die zwak zijn. Iets kan op zich geen zonde zijn, maar als anderen aanstoot nemen, wordt het dat wel. 1 Cor.10:23 is cruciaal. Wel alles geoorloofd, maar alle dingen stichten niet. Dezelfde gedachten vinden we in Rom. 14. Het dilemma had toen vooral te maken met de OT-ische tegenstelling van rein en onrein.
Samenvattend kunnen we zeggen dat we nooit iets tegen ons geweten in moeten doen (Luther). Verder moeten we de Heere vragen over allerlei dingen die voor ons gevoel onzeker zijn. Tegenwoordig worden heel veel zaken in code’s vastgelegd. Dat lijkt me niet altijd een goede weg. We moeten met elkaar eerlijk bekennen dat we het juist zicht op deze vragen missen. Het vraagt om meer en dieper doordenken. Dit stukje wil er alleen maar aan bijdragen dat we hier een probleem gaan zien om er meer over na te denken. We moeten ons bij alles wat we doen, steeds weer de vraag stellen: Wat wil de Heere in deze dingen van mij? Hoe dien ik mijn naaste? Kan ik hiermee ook te veel aanstoot geven? Deze dingen behoren niet tot de wettische sfeer, maar hebben te maken met wezenlijke vragen. In een tijd van armoede spelen deze vragen minder dan in onze tijd van weelde en rijkdom.


Kun je het op krijgen?

Een vraag die ons doet denken aan een kind dat zijn bord niet leeg kan eten. Het is te veel voor zijn maag. Ik hoorde deze vraag echter ook in een ander verband. Een predikant stelde deze vraag midden in zijn betoog. Hij sprak over het wonder van Gods genade. Genade overtreft elke menselijke voorstelling. Genade is "te veel” voor ons begrip. We krijgen het niet klein, we krijgen het niet "op”.
Zoals een portie eten te groot is voor een kindermaag, zo is genade te groot voor een mensenhart. Er van uitgaande dat de prediking heel goed vergeleken kan worden met een maaltijd (Jes.55:1), krijgt deze vraag een meer begrijpelijke setting.
Deze dominee sloeg de plank niet mis. Hij sprak terecht over een onbegrijpelijk wonder. Deze vraag is voor u en mij een test: ervaren wij het werk van de Heere ook als een onbegrijpelijk wonder? Of menen we het te kunnen beredeneren en te verklaren? Kunnen we er zakelijk over spreken zodat er geen enkele warmte van uitstraalt?
Raken we in onze tijd deze dimensie niet kwijt? Waarom spreken we soms kil en zakelijk over de rijkdom in Christus? Dat kan veroorzaakt worden door het feit dat we geen besef hebben van onze strafwaardigheid en verdoemelijkheid. Of als we menen genade te kunnen kopen, zoals Simon de Tovenaar, dan is het geen wonder want we hebben er door die betaling recht op. Dan krijgen we het makkelijk op, als een lichtverteerbare hap.
Waarom is genade een wonder? Allereerst vanwege ons zelf. De verloren zoon kon bij zijn terugkeer  op niets meer rekenen. Hij had al zijn bezittingen en zijn rechten al ontvangen toen hij wegging. De rest was niet voor hem, maar voor zijn vader of zijn broer. Mefiboseth had natuurlijk nooit kunnen denken dat hij nog eens aan de tafel van koning David terecht zou komen. Hij was immers een nazaat van iemand, die de grootste vijand van David was geweest; het huis van Saul stond onder de zwaarste verdenking. En natuurlijk gold dat ook van hem. Bovendien woonde hij in Lodebar (nietsheid, ijdelheid) en was hij nog kreupel ook. Hij voelde zich een veracht schepsel. En het onvoorstelbare wonder gebeurde toen toch dat hij door David werd verkoren tot een zo hoge positie. U vindt een dergelijk besef bij veel Bijbelheiligen, zoals Petrus, die uitriep dat hij een zondig mens was, en Paulus, die zich had leren kennen als de grootste der zondaren en als een misgeboorte; Ruth was diep verwonderd over de gunsten van Boaz, want ze wist zich een vreemde, die nergens bij hoorde.
Het is verder ook een groot wonder als u bedenkt wat Christus heeft moeten doen om een zondaar te redden. Hij daalde vanuit de hemel neer naar deze aarde onder de vloek. Hij wist dat Hij, hoewel Hij als Redder kwam, toch door de mensen als de grootste indringer zou worden geoordeeld; Hij zou door allen gehaat worden. Hij kwam over die lange weg van vernedering  naar de Zijnen, maar ze hebben Hem niet aangenomen. Terwijl mensen een dak boven hun hoofd hebben, was Hij dakloos. De vossen hebben holen en de vogels hebben nesten, maar de Zoon des mensen heeft geen plaats om het hoofd neer te leggen. Dat zijn toch onuitsprekelijke wonderen?
Hij liet Zich aan het kruis nagelen terwijl Hij de hele wereld in één keer had kunnen verdelgen. Elia deed vuur van de hemel neerdalen; dat had Hij toch ook kunnen doen? Over goddeloze kerkelijke leiders die het huis van Zijn Vader tot een moordenaarsspelonk hadden gemaakt. Zo zou de Heere toch juist onze kerken en onze gemeente kunnen verteren, als we zien hoezeer onze onheiligheid hoogtij viert? Waarom kwam er nog geen zondvloed over onze wereld en over ons leven?
Was het niet een wonder toen  de Heere Jezus Zijn discipelen toch nog weer opzocht na Zijn opstanding? Daar hadden zij het echt niet naar gemaakt. Ze waren openbaar gekomen als onbetrouwbare vrienden, die sliepen terwijl Hij bloed zweette en die vluchtten toen Hij gevangen werd genomen. Hoe kon het gebeuren dat Petrus Zijn Meester verloochende en toch nog weer met de Pinksterdag als apostel gehandhaafd bleef in Zijn dienst? Het hele leven van de Kerk is vol wonderen. Ds. Kok sr. drukte het eens zo uit: elke morgen als ik wakker word, mag ik wel zeggen: o God, ik lig nog niet in de hel.
Dan zijn er ook nog de bijzonderheden van de Bijbelse leer. Paulus kwam tot de uitroep: "O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods, hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen!
Want wie heeft den zin des Heeren gekend? Of wie is Zijn raadsman geweest?
Of wie heeft Hem eerst gegeven, en het zal hem wedervergolden worden?
Want uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen” (Rom.11:33-36).
Het ging toen over de uitverkiezing. Niet iedereen zal hem daarin volgen. Voor velen lijkt het een struikelblok. Maar wie er echt zicht op mag krijgen, stemt met de apostel in. En zo is er veel meer. Let er eens op dat de schare op de Pinksterdag verschillende vragen stelt, waarin verwondering doorklinkt.  Ze raakten geheel buiten zichzelf. Het was voor hen echt "ontzéttend” (Hand.2:7,12).

Maar er zijn er velen die niet komen tot die diepe verwondering over de weg der zaligheid in Christus. Hoe kan dat? Wel, als u leeft in grote onzekerheid, durft u er niet van uit te gaan dat het ook voor u is. Dat kan ook een kind van God overkomen. Of als u een rechthebbend mens bent, mist u eveneens deze diepe verbazing. Of als u harde gedachten van God hebt bijvoorbeeld…..
Daarom is het een goede vraag: Kunt u het op krijgen? Is het voor u een wonder geworden? Hoe zullen we ontvlieden indien we op zo grote zaligheid geen acht slaan? Rust niet voordat u al uw redeneringen kwijt bent geraakt om als een arme onwaardige terecht te komen aan de voeten van deze Zaligmaker.

 


Ik ben een te groot zondaar……

Dit is wel de meest gehoorde tegenwerping als er wordt aangedrongen op geloof. Ik vind dit een opmerkelijke zaak. Om verschillende redenen.
Laat ik eerst uitgaan van het goede dat in deze gedachten gehoord wordt. De overtuiging van zonden is een goede zaak; het is een werk van Gods Geest. Hij zal overtuigen van zonde. Hij kan daartoe de wet gebruiken. Ook het Evangelie. Maar de zaak van de ontdekking aan de schuld is onmisbaar om de diepte van Gods genade in Christus te verstaan. De psalmen leggen getuigenis af van de klacht over de zonde. De dichters komen vanuit het algemene ellende dieper te peilen wat hun nood is, namelijk hun schuld voor God. Daardoor hebben zij geen rechten. De Heere is er op uit om ons te doen verstaan hoe groot onze zonde en ellende is. De profeten hebben steeds op die kennis der zonden aangedrongen (Jer.3:13). De Heere Jezus heeft de Joden doen zien hoezeer de wet geestelijk is; denkt u aan de uitleg van de wet in de Bergrede (Matth.5:17v).
Nu zouden  we kunnen menen dat de kennis der zonden ons inderdaad huiverig maakt om de genade aan te nemen. Wil de Heere iemand als ik ben met zoveel zonden vergeven? Petrus zag het ongetwijfeld ook zo, toen hij bij de volle netten uitriep: "Heere, ga uit van mij want ik ben een zondig mens”. Hoe meer zonden, hoe groter de toorn van God daarover, dus is het verstaanbaar dat we zo denken, als de Heere ons de grootheid van onze zonden toont. Het zou juist vreemd zijn als we bij de grootte van onze schuld bepaald zijnde, er direct maar achteraan zouden zeggen dat we delen in de vergeving der zonden. Het lijkt een menselijke reactie als we dus door de zonden groter afstand ervaren.
Het strafrecht van de overheden werkt deze veronderstelling in de hand. Daar geldt de wet onvoorwaardelijk: hoe groter de schuld, hoe zwaarder de straf. Het is verder voorstelbaar dat we moeite hebben te geloven in de vergeving van zoveel zonden, ook vanwege de toorn van God daarover. Mozes riep dat al uit (Ps.90:11). Gods Woord geeft veel voorbeelden waaruit dat blijkt. Israël moest veertig jaar dwalen door de woestijn als straf op de zonde van ongeloof. Mozes mocht het beloofde land niet in vanwege de zonde. De oude wereld werd door de zondvloed verzwolgen vanwege de uitbraak van vele en zware zonden van de mensheid van toen. Stelt u zich de onmetelijke gevolgen van de zondvloed eens voor. Gods toorn overtreft elke voorstelling die we daarover hebben. Velen hebben niet kunnen geloven dat God de eeuwige helse straf uitstort over hen die zich tegen Hem verharden. Zoveel voorbeelden. De biede zonen van Aäron vallen door neer als zij vreemd vuur in het heiligdom brengen. Uzza trof hetzelfde lot toen hij met de beste bedoelingen de ark wilde bewaren voor een smadelijk lot. De vele gruwelen van het Oude Testament hebben toch ook te maken met de ernst van de zonde.
Om al deze redenen is het te begrijpen dat mensen beven vanwege de ernst van hun zonden. Toch is er ook een andere kant. De Heere vergeeft menigvuldig en dat lezen we heel vaak ook in de Schrift. Van die vergeving kunnen we ons ook nooit een te grote voorstelling vormen. Het heerlijkste voorbeeld zien we in de vele zondaars die verslagen tot Christus kwamen. Denk aan de vrouw, in overspel gegrepen (Joh.81v) of aan de verloren zoon uit Lukas (15:11v). Er zijn heel veel heerlijke voorbeelden. Een treffende illustratie vinden we in de bekering van de moordenaar aan het kruis. Dat staat allemaal in het Nieuwe Testament, maar ook het Oude spreekt dezelfde taal. De Heere vergaf David de veelheid van zijn zonden na de moord op Uria en de zonde van overspel. Het Troostboek van jesaja staat vol van de rijkste beloften die de vergeving der zonden betreffen. Hoezeer mag de dichter van psalm 130 uitbreken in gejuich als hij weet dat er "bij U” vergeving is.

Nu zou het kunnen zijn dat juist deze twee lijnen toch een vorm van onzekerheid achterlaten. De catechismus schijnt daar ook op te doelen als er gesproken wordt over Gods rechtvaardigheid tegelijk met Zijn barmhartigheid. Samen met andere overwegingen kan dat twijfels oproepen in een verslagen zondaarshart. Blijft er zodoende niet altijd een reden tot vrees en schrik? De Roomse theologie leert dat een mens nooit zeker kan zijn van zijn zaligheid. Heeft ook de Reformatorische beschouwing een dergelijke belemmering op de weg van de zekerheid? God is toch ook rechtvaardig? Hoe weet ik dat ík dan ontwijfelbaar zou kunnen delen in die vergeving? Ik hoop het wel, maar hoe weet ik het zeker?
Hoezeer roept deze tweestrijd om de Persoon en het werk van Christus. Buiten Hem kan men die zekerheid in de vergeving nimmer verkrijgen. In Hem is de God bevredigd met de zondaar en Zijn bloed reinigt van alle zonden. Recht en genade komen hier volkomen samen. Psalm 85 zingt ervan dat genade en waarheid elkaar blij ontmoeten. Christus stilt alle aanklachten van wet en geweten. Geheel Zijn bediening is erop toegelegd dat kwaad en zonden worden weggedaan uit de boeken van Gods recht. Hij leed op Golgotha de straf op de zonde en Hij bidt altijd voor de Zijnen in het hemels heiligdom. In Christus geen zondvloed meer maar een rivier van het water des levens, geen enkele straf maar kastijding in liefde, geen verwijdering maar toenadering, geen duisternissen des doods maar lichtstralen van het leven.
Zo bezien is er voor elk die in het duister van de zonden  dwaalt, reden om te hopen op en te geloven in de vergeving der zonden. Dat strekt zover dat de dichter van psam 25 een geheel andere weg bewandelt dan de hierboven aangegevene, als hij zegt: Vergeef mijn ongerechtigheid, want die is groot! (vers 11). Ziet u het opmerkelijke? Juist omdat zijn zonde groot is, weet hij van vergeving. Dus niet: er is vergeing, omdat mijn zonde gelukkig meevalt, maar ze is zo groot en toch is er vergeving.
Dus geen twijfel meer?
Wat er nu nog mis kan zijn is dat ik dat geloof in Christus mis. Of dat ik meen het te bezitten, terwijl ik mijzelf bedrieg. We mogen wel stellen dat Gods volk bang is voor zelfbedrog. En terecht. Maar dat is dan weer een andere zaak. Dan hebbenw e het niet meer over de veelheid van de zonden, maar over de vraag of mijn geloof wel voor God bestaan kan. Waar de Heere jezus ons Zelf voor die inbeelding waarschuwt, moeten we deze overweging wel ernstig nemen. Maar dat is dan weer een andere zaak en dat vraagt weer een nadere behandeling van deze vraag op zich.
Voor dit moment kunnen en mogen we vaststellen dat geen zonden te veel zijn en geen schuld te zwaar is. Integendeel, waar de misdaad te meerder geworden is, daar is de genade veel meer overvloedig geworden (zie Romeinen 5).

 

Ik mis de kentekenen die Gods Woord aangeeft…….

Gods volk is een bestreden volk. Van Luther is bekend dat hij veel aanvechtingen kende. Johannes de Doper heeft deze aan het eind van zijn leven ook krachtig beleefd. Zelfs de apostel Paulus kreeg ermee te maken, zoals we kunnen opmaken uit 2 Corinthe 12, waar hij spreekt over een engel des satans die hem kwelde.
Bestrijding kan zich voordoen door oorzaken die van buitenaf komen. Maar het kan ook van binnenuit komen (2 Cor.7:5). In de psalmen vinden we veel voorbeelden van die innerlijke strijd. Denk aan psalmen zoals 22, 42, 43, 77, 88 en 130. Gods Woord spreekt over hen die met vreze des doods bevangen zijn (Hebr.2:15). Gods Woord weet ook van een geest der dienstbaarheid die leidt tot veel vrees (Rom.8:15). Het ongeloof vergezelt en bedreigt Gods kinderen hun leven lang. Daarbij zijn er plaatsen in Gods Woord, die aanleiding geven tot zelfonderzoek, waarbij indringende vragen moeten gesteld worden.
Ik wil enkele momenten voorstellen uit het leven van Gods kinderen, waarin zij te maken krijgen met de strijd des geloofs. De Puriteinen hebben in hun preken soms een speciale plaats ingeruimd voor allerlei vormen van gewetensonderzoek (casus consciëntiae). Deze kunnen ter sprake komen als tegenwerpingen, maar het kan ook breder aan de orde gesteld worden. Welke overwegingen kunnen aanleiding geven tot ongeloof en moedeloosheid? Welke tegenwerpingen kunnen er onder de preek leven in het hart van hen die bestreden worden door de duivel en het vlees?
We moeten opmerken dat vaak dezelfde argumenten worden gehoord. De bekendste zal wel zijn: Ik ben een groot zondaar. U hoort zelden een klacht van iemand die vreest dat hij een groot Farizeeër is. Er zijn dus veel meer vormen van aanvechting. Dat geeft al aan dat we ons vaak niet eens duidelijk rekenschap geven waar de bezwaren in ons leven nu precies op vastzitten. Dat is tekenend en het vraagt om aandacht. Hieronder ga ik in op veel meer blokkades die zich kunnen voordoen.

Gods Woord staat vol van deze kentekenen. Denk aan de vruchten waarover de Heere Jezus spreekt (Mark.4:20; Joh.15:8). Of aan de vruchten van de Geest, die Paulus noemt in Gal.5:22. Zonder een kenmerkenprediker te zijn, heeft elke dienaar des Woords de roeping deze vruchten ter onderzoeking aan de orde te stellen. In 2 Petr.1:6 geeft de schrijver een reeks van vruchten die voortvloeien uit het leven met de Heere. Gods Woord noemt deze niet zozeer kenmerken, maar vruchten. Dat heeft wellicht een bepaalde betekenis. De aanduiding "vrucht” benadert de zaken meer vanuit een positieve insteek.
Wat te denken van hen die deze vruchten bij zichzelf duidelijk waarnemen? Dat kan ook. Zij die dat doen, staan al spoedig onder verdenking. Toch erkent onze Catechismus deze mogelijkheid: "daarna ook dat elk bij zichzelf uit de vruchten van zijn geloof verzekerd zij….” (antw. 86). Desondanks is het niet de normale gang van zaken, dat iemand zich bewust is van zijn vruchtbare leven (Matth.25:37).
Ook al horen we deze tegenwerping veel minder dan bijvoorbeeld die waarin men spreekt over de zonden die er in ons leven zijn, toch moeten veler klachten wel te maken hebben met het (vermeende) gemis aan vruchten. Ook al zijn we ons dat niet altijd bewust. Het moet wel een zware crisis opleveren als we een tekort aan vruchten waarnemen.
We moeten de reeksen die Gods Woord ons biedt, werkelijk zien als redenen tot zelfonderzoek. Zijn we werkelijk matig? Kennen we iets van lijdzaamheid? Blijkt ons geloof in geduld en onderworpenheid? Kennen  we werkelijk de droefheid naar God of gaat het feitelijk om een wereldse vorm van droefheid? Kennen we iets van de blijdschap des geloofs? Verstaan we de stem van de goede Herder in ons leven (Joh.10:3)? Is er in ons leven sprake van veel vrucht? Of roepen we "Heere, Heere”, terwijl de Heere ons niet kent? Is onze lamp brandende, of is deze langzaam aan het uitdoven? Genoeg, er zijn heel veel dergelijke vragen te stellen, die in de preken elke zondag wel gehoord moeten worden.
Het gevaar is namelijk aanwezig, dat we deze vruchten écht missen, ook al denken we dat dan heimelijk niet. Als we ervan uitgaan dat er bekommerde mensen zijn, die reeds wandelen op de weg en we richten ons tot hen, dan moeten we oppassen dat we er va tevoren al niet van uitgaan dat de mensen die tekenen wel hebben. Dat is een zekere tweeslachtigheid bij sommige kenmerkenpredikers: richten we ons tot de schijngelovigen, dan nemen we natuurlijk aan dat zij de echte kenmerken juist niet hebben; maar richten we ons tot de bekommerden dan gaan we er van uit dat zij deze wel hebben. We hanteren dan soms kenmerken, die in beide gevallen elkaar overlappen. Maar de vrúchten moeten juist aantonen wie ze zijn en of zij geestelijk leven kennen. Daarom moeten we oppassen met het veronderstellen van groepen onder de hoorders. Behandelen we zodoende de mensen wel eerlijk? Ik bedoel: als u van iemand aanneemt dat hij echt bekommerd is, kan het toch niet meer stuk. Maar iemand die in uw oog een rijke jongeling is, staat er bij voorbaat al buiten. Men is er wel of niet, niet op grond van onze veronderstellingen, maar op grond van de wezenlijke vruchten van het geloof. Hier kan een vorm van oppervlakkigheid schuilen in de prediking van hen die sterk classificeren. Het gevaar bestaat hierin dat de hoorders zelf al snel bepalen wie zij zijn; er zijn mensen die zelf menen bekommerd te zijn en er zijn er die niet anders kunnen denken dan dat zij slechts gelovigen in schijn zijn.
We zullen eerlijker met de mensen om moeten gaan, zonder hen de handen op te leggen en zalig te spreken op grond van sommige eigenschappen, die wij hoger achten dan veel anderen welke Gods Woord ons geeft. Begrijpt u mij?

Feit is in de tweede plaats dan ook, dat echte gelovigen toch ook door de kenmerken teruggeslagen worden en menen deze te missen. Wat dan? Nu zal dat vooreerst moeten worden erkend. U mist ook veel van dat alles. U en ik hebben, in het beste geval, maar een klein beginsel. Begrijpelijk dat u bij uw gemis bepaald wordt. Daarom geeft de Heere deze vruchten ook aan. Denk aan de onvruchtbare vijgeboom. Zeg niet direct: ik weet het niet, maar ik heb ze wel. Waarop gronden we deze bejegening? Er is grote noodzaak om de vruchten des Geestes steeds weer de gemeente voor te houden. Ook Gods volk. Dat doet immers de schrijver van de Hebreenbrief ook heel dringend. Ook Gods volk moet zichzelf onderzoeken.

Maar wat te zeggen, als men deze vruchten in beginsel wel heeft, maar men ziet ze werkelijk niet? Ook dat is weer in de lijn van Gods Woord, als u denkt aan de bekende gelijkenis van het laatste oordeel in Mattheus 25: 37v. Zij die worden vrijgesproken, weten er niet van dat zij zoveel goeds gedaan hebben. Ze waren zich dat niet bewust, ze hebben het ook nimmer zo gezien en beoordeeld. Is het de goede weg om dan toch, over de stem van het eigen hart heen, de mensen te vertellen dat zij deze vruchten wel hebben? Hoe zou dat kunnen, want wij kennen de mensen zo goed toch niet? We mogen echter wel zeggen dat we niet altijd het juiste zicht hebben op onszelf. Men zou de weg kunnen volgen die stelt dat juist de klacht over het gemis een teken is van het bezit van deze zaken. We vinden deze weg bij meerdere oudvaders. "Als u niet een levend mens was, zou u dat gemis niet gevoelen”. Daar kan waarheid in liggen, maar dat zegt nog niet zoveel over het echte motief en de eigenlijke oorzaak, waarom we dat gemis ervaren. Zijn dit niet allemaal overwegingen vanuit de mens en gebaseerd op menselijke of psychologische overwegingen? Dezelfde oudvaders, die ik zoeven bedoelde, ontstijgen uiteindelijk aan hun eigen troostwoorden, als zij zeggen: Als u dan helemaal niets goeds bij uzelf vindt, zoek het dan onvoorwaardelijk in Christus.

Dat moet wel de beste weg zijn. We moeten het ene kenmerk tenslotte zien liggen in hetgeen we in Christus hebben. Maar heeft die kenmerkenprediking dan wel zin, als je er toch tenslotte niets wijzer van wordt? Zo is het niet. Deze prediking heeft wel degelijk betekenis voor het zelfonderzoek en juist ook voor de vaststelling en de conclusie, dat we altijd toch weer des te meer Christus nodig hebben. Kenmerken worden soms gezocht omdat men wil weten of men op de weg is, op de weg naar Christus toe. Beter is het de vruchten te zien als voortkomend uit Christus. Voelt u het verschil?
Gods Woord trekt die lijn heel duidelijk. De Kerk is vervuld met vruchten der gerechtigheid door Christus Jezus (Filip.1:11). Johannes 15 getuigt er ook van: "Blijft in Mij, en Ik in u. Gelijkerwijs de rank geen vrucht kan dragen van zichzelve, zo zij niet in den wijnstok blijft; alzo ook gij niet, zo gij in Mij niet blijft. Ik ben de Wijnstok, en gij de ranken; die in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht; want zonder Mij kunt gij niets doen” (vers 4,5). De vruchten liggen in Hem. Wat is er dan niet vanzelfsprekender dan dat we eerst Hem zoeken en daarna de vruchten in Hem. Zo worden zoekende mensen afgewezen van zichzelf en heengewezen naar Christus. Vergeet niet dat Hij alle kenmerken in Zich als vruchten verenigt. We komen dan te spreken ook over Zijn dadelijke gehoorzaamheid. Deze wordt nog wel eens over het hoofd gezien. Maar wie dit mag ontdekken, ziet een schat van nieuwe en ongedachte vertroostingen in Zijn werk. In Zijn dadelijke gehoorzaamheid heeft Christus de gehele wet volmaakt gehouden. Alles beantwoordde aan de eisen van God. Hij vertoonde in alles álle kenmerken die we maar noemen kunnen. Wie Hem heeft, is volmaakt voor God. Hij heeft zelf ook alle gehoorzaamheid volbracht die Christus voor hem volbracht heeft. Wat groot als we het zo mogen zien. Uit ons geen vrucht, geen kenmerk in der eeuwigheid. Maar uw vrucht, zo getuigt Christus, is in Mij gevonden. Op die manier is de rechte kenmerkenprediking een rijkdom. Ze ontdekt aan al onze wangestalten; ze leert roepen met de bruid: "Al wat aan Hem is, is gans begeerlijk” (Hgl.5:16).

Na deze meer geestelijke overwegingen zijn er ook meer menselijk bepaalde oorzaken. Ik denk bijvoorbeeld aan hen die te worstelen hebben met een negatief zelfbeeld, zoals we dat tegenwoordig noemen. Het lijkt me goed om daar nog eens apart over te schrijven. Maar ik zeg er nu dit van:
Meen niet zonder meer dat uw gemis en gebrek altijd voortkomt uit geestelijke motieven. Psychologische redenen zijn er vele, die niets te maken hebben met de waarachtige ontdekking van een zondaar.
Het is ook waar dat er geen beter middel is om uw geringe zelfbeeld op te trekken, dan te zien op God. Godsvertrouwen leidt ook tot een gerechtvaardigd zelfvertrouwen.

 


In welke mate staat geestelijk leven (bevinding) onder de invloed van onze psyche?

1. Men denkt som dat het geestelijk leven zo verheven en uniek is, dat het alle psychische zwakheden terstond repareert en doet verdwijnen. Geloof heeft dan niets te maken met menselijke gebreken en beperkingen. Als iemand bekeert wordt, heeft hij geen last meer van angsten, depressies en afwijkingen.

Gods Woord laat ons echter zien dat geestelijke mensen juist nog wel te kampen hebben met hun gebreken en hun karakters.  Heman (psalm 88) vreest de Heere, maar hij geeft een lange opsomming van al zijn kwellende angsten en zijn innerlijke smarten. Timotheus treedt in Gods Woord naar voren als een aangevochten mens.  Hij blijkt kennelijk niet uit te kunnen komen boven zijn gevoelens van vrees. Thomas en Petrus, beide, hoe verschillend ook, worden in hun uitingen door hun karakters, met alles wat daarmee verbonden is. 

Het is van belang dit vast te stellen. Velen denken ten onrechte: Als ik een kind van God was, zou ik niet zoveel last hebben van mijn stress. Dat werkt de stress dan juist ook weer in de hand.

Bekering maakt geen einde aan een maagkwaal. Ook niet aan een psychische zwakheid. Als mensen denken dat dit wel zo is, speelt bij hen de gedachte mee dat psychische storingen iets te maken hebben met de duivel. Het zou kunnen wijzen op een vorm van belastzijn of op een schaduw van een bezetenheid. Zet die gedachte in ieder geval uit uw hoofd. De Heere Jezus zweette zelfs bloed vanwege angst en ontzetting. Psychische kwalen kunnen wel een invalspoort zijn voor de duivel om in te spelen op uw zwakheden, maar het zijn geen bewijzen dat de satan u in zijn macht heeft.

Er is dus een beïnvloeding  van onze psyche op onze geestelijke beleving. Als angst ons innerlijke leven bepaalt, heeft die angst ook een ongunstige werking op onze beleving en op ons geloof. Het is heel goed hiervoor oog te hebben. We hebben anders zo snel de neiging om in onze zwakheden iets te zien van Gods toorn of van het feit, dat Hij afwezig is in ons leven. 

Ik wil een voorbeeld geven van beïnvloeding, die we misschien niet signaleren. Er zijn mensen met faalangst. Zij hebben er last van: dagelijks denken ze iets niet aan te kunnen. Wat ze doen, doen ze in eigen oog verkeerd; anderen doen het veel beter. Iemand die stottert, doet dat omdat hij bij voorbaat al benauwd is dat hij er niet uit komt. 

Als u dit nu projecteert op een kind van God, dan kan het zijn dat hij of zij ook in geestelijke dingen denkt te zullen falen. Het gebed voldoet niet aan de verwachtingen, niet alleen mensen maar ook de Heere keurt alles van ons af, we gaan twijfelen aan alles. Onze oprechtheid is verkapt bedrog, we zakken door al onze geestelijke bodems heen. Ik zeg "bodems” en niet gronden. We moeten door elke grond heen zakken, maar als mens hebben we wel grond onder de voeten nodig. Maar we denken: ons berouw is niet echt, onze bevinding is inbeelding, ons zoeken van de Heere is maar schijn. Zo denken veel ontdekte zielen. Hun moeiten vloeien echter niet altijd voort uit invloeden van Gods Geest, maar deze hebben veeleer te maken met hun gevoel van eigenwaarde. Dat is een plus en een min tegelijk.

Een min, omdat we allerlei gevoelens van vernedering niet altijd geestelijk moeten duiden. Het kunnen gewoon menselijke gevoelens zijn. Bouw er niet op.

Een plus: uw zwarigheden komen niet voort uit Goddelijke toorn of afzijdigheid, maar uit uw eigen zwakheden. Ze spreken niet van Goddelijke toorn.

 

Ik heb te weinig last van mijn zonden….. (1)

 

Het is goed als we ons dit gebrek aan zondekennis realiseren. Gods Woord toont ons dat de Heere wil dat we ons de zonden bewust zijn (Jer. 3:13; Ez. 22:2; Matth. 9:12; Joh. 16:8; Hand. 2:36; Rom. 3:20, eap). Zo ook de Heid. Catechismus in vraag en antwoord 2.

De profeten, maar ook de Heere Jezus zijn er steeds weer ook op uit om de mens zijn schuld te doen zien. Denk aan de woorden die de Heere sprak tot de Farizeeën, tot het volk en ook tot Zijn discipelen.

Als u de psalmen leest, kunt u zien hoe zwaar de dichters hebben moeten worstelen tegen de zonde en hoezeer de zonde hen verdriet deed.

 

Wij, mensen, zijn geheel verdorven. Dat zegt Gods Woord (Jes. 1:5,6). Hoe komt het dat we er zo weinig last van hebben? Weinig last? Als u denkt aan de criminaliteit en de bestrijding daarvan, weet u wel dat het een machtig probleem is. De overheid heeft er last genoeg van. Mensen uit de misdaadbestrijding, maar ook wijsgeren van alle tijden, hebben gesproken over de ingekankerde kwaal van het kwaad in de mens. Of men het kwaad nu verklaart vanuit de evolutie of vanuit Gods Woord. En u en verder ook ontelbaar veel mensen hebben er weinig last van? Hoe zou dat komen, dat we daarin zo vergeetachtig zijn?

1. Dat komt allereerst, omdat er desondanks nog veel goede dingen in mensen gevonden worden. Dat vloeit voort uit de bronnen van beschaving en opvoeding, en verder houden vrees voor straf en begeerte naar beloning ons af van veel kwaad. Het is heel mooi dat er zo veel goeds na de zondeval is overgebleven. We noemen dat algemene genade. Bloemen uit het Paradijs. We zijn geneigd God en de naaste te haten, maar gelukkig komt dat er niet altijd naar buiten. Veracht dus het goede, ook in uzelf, niet. U hebt vanuit uw karakter en vanuit uw levensomstandigheden goede dingen overgehouden die u niet over het hoofd mag zien.

Maar dat zijn dan in menselijk opzicht, goede dingen. Het is een zeker burgerlijk goed. Voor God is dat niet echt goed. Niemand is goed, zo sprak Christus tot de rijke jongeling.

2. Ten tweede hebben we weinig last van de zonde, omdat we hoogmoedig zijn. Gods Woord laat ons ook zien dat wij de zonde zo lang mogelijk ontkennen. Denk aan Adam en Eva, aan Gehazi en aan David, om er maar enkele te noemen. Vanuit die hoogmoed willen we de zonde het liefst ontkennen of ook goed praten. En er is altijd wel een ander die we kunnen beschuldigen van òns eigen kwaad.

Om echt de zonde te leren kennen, is er een geestelijke ommekeer nodig. We moeten anders over onszelf leren denken. Dat kan alleen als de Heere ons hart wederbaart en vernieuwt. Dat is de allereerste voorwaarde. Maar de Heere werkt dat uit door de middelen. Hij ontdekte Israel door de woorden der profeten, Hij overtuigde de drieduizend door de preek van Petrus.

 

Om tot de echte zondekennis te komen, moeten we altijd maar weer op de knieën terecht komen. Toch kan het daarnaast ook zo zijn, dat Gods volk, ondanks het werk van God in hun leven, te weinig leven bij de kwalen van hun hart. Nu zullen er velen zijn die denken dat dit juist ook niet moet. We moeten daar niet aan denken; de zonden liggen achter ons.

Ook en juist als u anders denkt en weet dat zondekennis leidt tot Chistuskennis, kunt u er te weinig op bedacht zijn dat er gevaren ìn u schuilen. U kunt dan zo makkelijk verder verstrikt raken. U hebt door weinig zelfkennis ook minder behoefte aan genade. Het geestelijke leven verschraalt. Juist dan is de prediking van zonde en genade zo nodig. De prediking van wet en Evangelie.

 

Naast het gebed is ook de meditatie erg nodig. We zouden aan het einde van de dag eens rustig moeten nadenken over het verloop van de dag. Waar ging het fout?

Het Avondmaalsformulier spreekt daar ook over. Ten eerste bedenke een ieder bij zichzelf zijn zonden en vervloeking opdat hij zichzelf mishage…..!

Heel opvallend dat er staat dat u er over moet gaan denken. Dat geldt voor ieder van ons, voor u en mij. Ieder moet gaan bedenken hoe slecht hij is. Hij moet concreet over de zonden van zijn leven gaan nadenken. Het gaat om heel ernstige zaken, anders zou er niet vervolgens gesproken worden over onze vervloeking. Dat is niet mis te verstaan. En niemand is daarvan uitgesloten, ook Abraham of Paulus niet.

Hoe gaat dat denken in zijn werk?

Ik benadruk nog eens: Maak het concreet! U gelooft in God? U kent Zijn wet, die gaat over een blik in uw oog of een halve waarheid die u beleed? U kent wel die drie kleuters: de een met de hand voor de ogen, de ander met de hand op zijn oren en de derde met de hand op zijn mond. Pas op, kleine oogjes wat je ziet, wat je zegt en wat je hoort. Het geloof in God houdt heel wat in. Hem altijd liefhebben boven alles. Ook meer liefhebben dan uzelf. Spreekt u daar makkelijk over met anderen? Bent u uit op Zijn eer? Is de vrucht daarvan zelfverloochening en overgave?

Hoe staat u tegenover Christus? U moet Hem in alles liefhebben. Is ongeloof ook voor u zonde en verdenking van Zijn leiding? U kunt heel makkelijk aan Hem voorbijleven. U kunt makkelijk Hem verzwijgen op cruciale momenten. Ik tenminste wel; ik moet aannemen dat het bij u ook wel zo is.

Is uw lichaam verder een tempel van de Heilige Geest? Of moet u belijden dat uw hart een vuile bron is van wanbedrijven? Schrikt u niet vaak van de gedachten die in uw hoofd rondspoken? Is reinheid een kenmerk van mijn innerlijke leven? Deze vragen te stellen betekent al dat we beschaamd zwijgen moeten. Zeker, voor de politie hebt u geen kwaad geweten, maar tegenover de Heere staan de zaken wel heel anders.

Gaat u eens de verschillende sectoren van uw leven na. Bent u getrouwd? Hoe gaat u met uw vrouw om? Vindt u het makkelijk om te geven en niet te nemen? Acht u haar uitnemender dan u zelf? Hebt u aandacht voor haar tijdelijke en eeuwige belangen? Kunt u echt zeggen dat u haar met zuivere liefde omringt?

Hebt u kinderen? Hoe voedt u hen op? Opvoeden is een moeilijk werk. Maar we houden allemaal veel van onze kinderen, als we die van de Heere ontvangen hebben tenminste. Denkend aan uw kinderen zou het wel kunnen zijn, dat u ze vaak meer lief hebt dan de Heere. Ja, want u kunt misschien al snel toegeven. Welke indruk hebben uw kinderen van hun moeder of van hun vader, van u? Hoe zien ze mij? Misschien als een aardig mens, maar ook als een ernstig christen? U en ik, we hebben hen heel wat bloot gesteld aan gevaren; als we te hard rijden of als we allerlei verkeerde dingen accepteren in huis, als we misschien in conflicten met hen leven of als we te streng zijn en soms tyrannieke momenten niet schuwen. Ja, maar niemand is toch volmaakt? Dat is waar, maar u had toch zo weinig last van uw zonden? Hebt u hier dan geen last van? Of herkent u al deze dingen niet bij uzelf?

Dat laatste kan dan wel zijn omdat u vooral ook verkeerd met uzelf omgaat. U bent tegenover uzelf veel te toegeeflijk. Weinig zelfkritiek. Eigenlijk denkt u aardig goed van uzelf. U zoekt, natuurlijk gepast, invloed en erkenning, u zoekt roem en succes. O nee, zegt u, zo denk ik heel niet over mijzelf. Ik denk juist dat ik helemaal niets ben en niets beteken. Maar beseft u dat u ook dan juist een te hoog zelfbeeld hebt? U voelt u klein en nietig en hoe komt dat eigenlijk? U wilt eigenlijk te hoog grijpen en daarom valt u elke dag weer terug. Hoogmoed heeft ieder mens, in de wereld en in de kerk, in de bank en op de kansel.

U leeft dikwijls in een schijnwereld. Dat geldt, om eens een ander aspect aan te snijden, als je via facebook of twitter een profiel opbouwt. Ja hoe doe je dat? Je wilt in ieder geval meedoen, je wilt erbij zijn en erbij horen. Natuurlijk wil je niet lijzig en sloom voor de dag komen. Dat willen we allemaal.

Hoe ga ik met mijzelf om? Dat is een vraag van het grooste belang. Maar er is veel meer. U hebt misschien werk en u hebt collega’s. Het zal werkelijk niet eenvoudig zijn op kantoor of op de zaak of in de winkel. Ik weet daar niet zoveel van, maar ik weet hoe het in de kerk gaat. Dan zal het  in het zakenleven wel niet beter zijn. Is er eerlijke concurrentie? Geeft u volledige informatie over uw product? Is die moeilijke collega op uw werk ook voorwerp van uw gebed en zorg?

 

U kunt mij verwijten dat ik nogal veel vraag. Dan zeg ik twee dingen: 1. Ik vraag u niets, maar de Heere vraagt u dit. Dat maakt de zaken actueler en dringender. 2. Omdat ik besef dat ìk faal in al die situaties, sta ik naast u en zeg ik niet alleen "u” maar ook "wij”. Wat boven die Griekse tempel stond, is zo belangrijk: Gnoti seauton, ken uzelf. Dat staat ook op elke bladzijde van de Bjbel.

Ik zou nog gemakkelijk door kunnen gaan op dit onderwerp. Als u zo nadenkt over uzelf, zult u toegeven dat u het er vaak bij laat zitten. Tegen mensen zeggen we dan "sorry”, maar tegen de Heere kan dat niet. Dan zeggen we met David: Ik heb gezondigd tegen de Heere.

 

Een ieder bedenke…..

Gaat u er zo maar eens over nadenken. De Heere wil ook die gedachten gebruiken om door zelfkennis te geraken tot Christuskennis. Maar doe het niet in eigen kracht en niet vanuit menselijke wijsheid. Doe het eerlijk, zoals de Heere het wil.

 

Leidt dat niet tot zelfverachting; krijg ik dan niet een negatief zelfbeeld?

Schuldgevoel bengt u nergens, schuldbesef wil u leiden tot het kruis van Christus. Gevoelens over uw eifgen minderwaardigheid wil de Heere niet aankweken, u hebt zelfvertrouwen nodig. Maar dat kan alleen ontstaan vanuit Godsvertrouwen. En dat ontstaat weer door een verootmoedigde innerlijke gestalte. Dat is geen gevoel, maar dat is een besef en dat gaat dieper.

En tenslotte: als u al die vragen overziet (en er zijn er duizenden meer te stellen), moet in ieder geval dit vast staan: wat heeft het Lam Gods zwaar moeten bukken onder die overvloed van zonde en vervloeking. Wat is de liefde van Christus groot. Wat hebben we Hem elke dag nodig.

Daar gaat het vooral om. Geen zelfkennis zonder kennis van Gods Zoon. Kent u Hem als uw Verlosser? In de politiek gaat het vaak om missers, die gemaakt worden en waar dan eigenlijk geen barmhartigheid voor is. Het kost ministers en veel anderen de kop. De Heere is anders. Het bloed van Jezus Christus ereinigt van alle zonden. Dat geeft vreugde en rust. Ook u?

 

 

 

 

Beesten uit de zee

Velen herkennen de klacht: ik heb zoveel last van godslasterlijke gedachten.

Het verschijnsel is bekend, al spreken we er niet zo vaak openlijk over. Er is al eeuwenlang mee geworsteld. Simon Oomius schreef er een boekje over (Satans vuistslagen).

Er kunnen gedachten in iemand opkomen, waar hij van schrikt. Bijvoorbeeld: je hoopt dat iemand door zware onheilen getroffen wordt. Gods kinderen vooral hebben hiermee soms te maken. Er is geen enkel inzicht mogelijk van de frequentie of de algemeenheid van dit verschijnsel. Veel blijft onbekend en anoniem.

Wat zijn dat voor gedachten? Het gaat om gedachten die ontstellen, die je niet wilt, waartegen je jezelf heftig verzet. Soms heeft het te maken met seksueel onzuivere en onreine ideeën, maar dat is lang niet altijd het geval. Men kan ook te maken krijgen met gedachten van atheïstische inhouden. Is er wel een God? Het kan ook gebeuren dat de zwaarste vloeken in iemands binnenste oprijzen. Het is niet nuttig hiervan veel voorbeelden te geven. De bedoeling is duidelijk.

Johannes zag op Patmos het beest uit de zee opkomen. Satan vertoonde hem al zijn macht. Het werd hem getoond om te laten zien dat de strijd met de Boze een realiteit is. Johannes zag geen mens, maar een beest; geen dier, maar een beest, dat is een dier in onmenselijke en gruwelijke gestalte. Een beestachtige verschijning. Angstaanjagend is het zeker geweest en schrikwekkend. Gods volk kan uit de zee van het eigen hart of uit die van de hem omringende werkelijkheid beesten als deze zien opkomen. Beesten in meervoud, alle verwant met deze demonische openbaring.

verkenning

Het verschijnsel wordt dikwijls vastgeknoopt aan 2 Korinthe 12:7-9, waar Paulus spreekt over een doorn in het vlees en een engel des satans. De verklaringen hiervoor zijn menigerlei. Is het een lichamelijke kwelling door een ziekte, die veel pijn veroorzaakt, of betreft het een geestelijke kwelling binnen in zijn gedachtewereld, zoals gedachten van demonische aard?

Brakel denkt heel sterk aan gedachten die zuiver demonisch in hun oorsprong zijn. Zoals iemand die langs een open raam loopt en allerlei vloeken uit, zo is het de duivel die allerlei gedachten inwerpt. Schortinghuis volgt hem hier ook wel in en de meesten die erover geschreven hebben. Zie de uitleggers die Oomius aanhaalt.

H. Bavinck volgt een eigen lijn. Hij zegt dat geen enkele gedachte buiten het menselijke voluntarium omgaat. Hij bedoelt dus aan te geven dat we die gedachten moeten zien als vallend onder onze eigen verantwoordelijkheid. Voor de pastorale begeleiding van hen die ermee te maken hebben, is het van groot belang wie van deze beiden de juiste lijn aangeeft.

Bekend is het onderscheid dat gold binnen de Roomse kloosters en de Scolastiek. Men spreekt van drie lijnen (ik volg hier de weergave van H. Bavinck, deel 3, blz. 123):

Motus primo-primi:

er zijn zonden die voor elke toestemming van de wil in ons opstijgen, geheel onwillekeurig; deze zijn in het geheel geen zonde;

motus secundo-primi:

zonden waartegen de wil zich wel verzet maar waardoor wij overmand worden; dit zijn vergeeflijke zonden);

motus plane deliberati:

zonden waarin de wil berust en waarmee deze instemt; deze zijn doodzonden.

Welke bron?

Het is onmiskenbaar dat er inwerpselen kunnen zijn; als dat gebeurt kan men zich afvragen waar zulke zaken vandaan komen. Het komt als een donderslag bij heldere hemel. Maar vaak is het toch ook wel zo, dat er een lijn loopt naar het eigen werkzame innerlijk. Schrikken we ervan, dan is het cruciaal wie de oorzaak is. Het ligt ons dan wel om de duivel aan te wijzen als de oorzaak. Maar ervan uitgaande dat alle zonden leven in een mensenhart, moeten we niet te snel denken aan de duivel alleen. Ons eigen verdorven hart grijpt de zonde aan, ook als de duivel deze voorhoudt.

Luther wist echt bij ondervinding (!) dat alle zonden leefden in zijn hart, behalve de hebzucht. Alleen komen deze zonden bij de één sneller en makkelijker aan het licht of voor het bewustzijn dan bij de ander. In een woning kan het riool open liggen en dat geeft dan onreinheid en stank. Maar meestal is alles heel netjes weggewerkt, zodat we er niets van merken. Als iemand eenmaal door een bepaalde schrik of angst gekweld wordt, is het moeilijk zich daaraan te onttrekken. Zijn deze angsten niet actief bij een ander, dan heeft deze daar ook minder last van. De factor van de duivel wordt door Paulus duidelijk genoemd. In zijn geval was dat op zich al een onverwachte zaak. De vuisten van de satan, dat moet wel vreselijk zijn voor de beleving, juist van een vroom en godvrezend gemoed. Dat alles was hem gegeven. God stond boven de werksfeer van satan.

Let ook op het gevolg: opdat hij zich niet zou verheffen. Kan een lichamelijke kwaal dat ten gevolge hebben? Dat kan. We krijgen niet de indruk dat Paulus een zwak lichaam had (2 Cor.6:4-6; 11:24-33). Hij heeft heel veel moeten doorstaan. We krijgen echter ook niet de indruk dat hij een sukkelende innerlijke gesteldheid had. Nee, het moeten wel vlagen en aanvallen geweest zijn die hem bij tijden troffen.

Psychologische factoren kunnen hierin ook betrokken worden. Een wereldling zal zulke verschijnselen, als die hem al bekend zijn, niet als een zware kwelling beleven. Hij zal er geen probleem van maken, zeker ook al omdat het gedachten zijn. Juist een teer gemoed is hiervoor ontvankelijk. Het zal zich voordoen juist niet bij mensen die een innerlijke grove instelling hebben en die geen probleem maken van de zonde, maar het zal juist zijn bij hen die begeren de zonde buiten de deur te houden. Gods volk zal een allergie ontwikkelen voor de zonde. Je zou dan denken dat de zonde zich steeds minder zal voordoen. Maar niets is minder waar. De zonde zal zich juist daartegen verheffen en de duivel zal juist de Naam van Christus willen aantasten. Denk aan Rom. 7:1-12, waar Paulus stelt dat juist het gebod de zonde prikkelt, tevoorschijn roept. Maar daar spreekt hij over de wet. Doet het Evangelie dat ook? Of zal een christen juist door de kracht van de Heere Jezus boven de zonden uit kunnen komen? Of in ieder geval: de zonde kunnen beteugelen. Er is geen beter wapen tegen de zonde dan het bloed en de bijstand van Christus. Voert dat tot een overwinningsleven? Er zijn er die het zo beleven. Maar Gods Woord geeft geen aanleiding tot die gedachten, toch niet.

In ieder geval kunnen we stellen dat juist het licht de duisternis haat en openbaart. Meer genadelicht, meer zondekennis. Hoe dichter levend bij de Heere, hoe smartelijker de zonde wordt. Gods kind heeft toch altijd een weerstand en een afkeer tegen zulke gedachten die hem treffen. Hij heeft er niet een plan van gemaakt. Het rijst zo maar plotseling, ongewild en onbedoeld, op. Dat geeft toch aanleiding om reëel te denken aan de duivel; vervolgens ook om te denken aan de factor van het vlees (Rom.7:14). Denk hier dan ook aan de strijd tegen vlees en Geest (Gal. 5:16v). Dit overwegend, moet er bijna wel gesteld worden dat een waar christen een bestreden en een aangevochten mens is. Het vlees begeert tegen de Geest en de Geest begeert tegen het vlees en deze staan tegen elkaar over alzo dat gij niet doet hetgeen gij wilt!

Hier komen veel vragen om de hoek. Als een mens zo gerust is en vrij van dit alles, waar blijft dan bij hem het karakter van deze geestelijke strijd?

En als de duivel de hand heeft in deze grove inwerpselen, zal hij ook de hand hebben in allerlei pseudo-vrome gedachten, die weinig argwaan oproepen? Heeft hij ook de hand in ketterijen? Deze tekst leert wel, dat de factor van de demonische strijd te weinig onder ons belicht wordt.

Welke therapie volgen we hier nu?

Hoe moeten bestreden zielen hier nu mee omgaan? Hoe kan men vorm geven aan het verzet tegen deze gedachten?

Dat kan op verschillende manieren. Er wordt door meerderen gewaarschuwd tegen het aangaan van een discussie met de duivel. Als de zondige gedachte ingeworpen wordt, schenk daar dan geen aandacht aan en ga vooral niet in discussie met de satan. Is het een gedachte die u wil meeslepen tot de verzoeking der zonde, kap het begin daarvan dan al direct af. Wedersta de duivel en hij zal van u vlieden. Of als hetgeen u voorgesteld en ingeworpen wordt het geloof in het Godsbestaan betreft, wedersta dan de duivel met het zwaard des Geestes, dus met het Woord. Dat deed ook de Heere Jezus tijdens Zijn verzoeking in de woestijn. Oefen uzelf in het gebruik van dat zwaard. Tracht kennis te verzamelen aangaande de inhoud van de H. Schrift. Inzicht in Gods Woord kan ons doen staan in de wapenrusting.

Veelszins zal het zo zijn dat iemand door deze donkere gedachten ten prooi valt aan grote geestelijke verwarring en aan een bijna wanhopige gesteldheid. Bedenk wel dat u door deze reactie van wanhoop juist te meer machteloos staat en dat de duivel of de zonde zodoende nog meer grip op u krijgt. Dat rijmt ook niet met de oproep om de duivel te wederstaan.

Het wanhopige gevoel heeft vat op u omdat u meent dat deze gedachten zonder meer uit uw eigen wezen opkomen. En dan bedenkt u verder dat zulke gedachten niet kunnen verenigd worden met de vreze des Heeren. Die conclusie is niet terecht. Paulus zegt in Romeinen 7:17 dat de zonde, die in hem woont, al deze gruwelen voortbrengt. Het is niet met uw wil dat dit gebeurt. De apostel zegt dat hij doet hetgeen hij haat. Er is in uw hart een actie tegen die zonde gaande. Stel u voor dat twee jongens op straat liggen te vechten. De een ligt bovenop de ander en het lijkt er op dat hij gewonnen heeft. Maar de knaap daaronder geeft zich niet over; hij tracht zich te bevrijden.

Heel sprekend is hier ook het voorbeeld van Bunyan. Hij beschrijft dat hij gedurende zeven jaar in diepe geestelijke duisternis leefde. Hij werd dagelijks bezet met de gedachte dat hij Christus had verkocht. Let wel, dat duurde zeven lange jaren. Wat een strijd en benauwdheid heeft hem dit gegeven. Tenslotte geloofde hij zelf ook dat hij die zonde had begaan. Toch heeft de Heere hem hier kennelijk uit verlost. Onderken hier de listen van de satan. Dit zijn de geestelijke boosheden in de lucht.

U moet en mag het hoofd opheffen uit de gebreken. Heilig onverschillig zijn te midden van dit alles. Uitgaan en beseffen de diepe realiteit van de zonde en leven bij de gedachte dat er in u, dat is in uw vlees, geen goed woont. Lees maar veel Romeinen 7 en Galaten 5. U behoeft u dan niet af te vragen waar zulke gedachten vandaan komen.

Als de angst en de spanning zouden afnemen, krijgt u meer rust. Om met Petrus te zeggen: Heere, gij weet alle dingen. Eigen uzelf alle gebreken en zonden toe, maar zie op het bloed van Christus. Hij kwam voor goddelozen, voor zondaren, voor Manasses en verloren zonen, voor hoeren en tollenaars. Zijn bloed reinigt van alle zonden. Als zo de gedachten binnen in u zich vermenigvuldigen, zullen Gods vertroostingen in Christus uw ziel verkwikken!

Het beest uit de zee werd overwonnen door het Lam Gods. De draak werd geworpen in de poel des afgronds. De belofte geldt al Gods kinderen dat eenmaal vervuld zal worden: en de zee was niet meer!