LEESDIENSTEN                                                           2006

 

?xml:namespace>

preekvoorziening

 

?xml:namespace>

In vacante gemeenten wordt tijdens de kerkvisitatie de vraag gesteld naar de herkomst van de preken, die gelezen worden in de zogenaamde leesdiensten. 

"Worden, indien geen predikant voorgaat, uitsluitend preken gelezen van predikanten die tot de dienst des Woords in de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland wettig geroepen zijn, respectievelijk van predikanten die gediend hebben in de kerken, welker wettige voortzetting zij zijn…..?”

Het gaat om zondagen of diensten, waarin geen predikant voorgaat. Die zondagen zijn er niet zoveel meer. Het is bijna de hartstocht van preekvoorzieners om altijd voorziening te hebben en leesdiensten te vermijden. Alle lof voor broeders die hun taak zo nauwgezet opvatten en de gemeente willen dienen. Predikanten echter zullen soms dagen beleven dat zij er anders over denken. Want als je maar zes zondagen te verdelen hebt, moet je vaak gemeenten teleurstellen. Wat dat betreft is het emeritaat een weelde, want je kunt (bijna) naar hartelust uitdelen. Zeker, elke zondag reizen en trekken is wel eens moeilijk, maar het contact met de kerken in het land is toch ook weer verkwikkend.

Zelfs geëmeriteerde dienaren bemerken overigens, dat een jaar "maar”  52 zondagen heeft. En als dan het jaar 2006 al bezet is, dan maar vast, zo de Heere wil en wij leven, want dat moet er wel bij gezegd worden, naar 2007 zien. Voor preekvoorzieners is het een belangrijke vraag wanneer de voorgangers hun zondagen beginnen te verdelen. Er zijn er, naar men vertelt, die daarvoor één bepaalde dag bestemmen. Men wil niet steeds geconfronteerd worden met telkens terugkerende verzoeken.

Het laat zich verstaan dat hier menselijke dingen meespelen. Hoor je soms iets van voldoening of zelfs enige trots doorklinken, als een dominee zeggen kan dat hij al "helemaal vol zit”? Dat kan de status en de graad van een gewenst man immers behoorlijk gewicht geven. Net zo goed als die preekvoorziener, die met trots verklaard dat er in een heel jaar geen leesdiensten zijn voorgekomen. Ik kan deze zaak van twee kanten belichten, omdat ik zelf meestal ook zorgde voor de preekvoorziening in de gemeenten, die ik diende. Ik wil wel graag voor enige nuchterheid pleiten op deze markt van vraag en aanbod. Toen onlangs in een kerkelijk blad werd gemeld door een predikant dat men al begon te bellen soms om zeven uur in de morgen, werd daar terecht door een ander met enige spot op gereageerd. Kom, kom….! Laten we als dienaren des Woords ook bescheiden blijven!

 

?xml:namespace>

 eigen preken?

 

?xml:namespace>

Het is hoog tijd om te stellen dat een leesdienst óók heel zegenrijk kan werken. Na een leesdienst kan men dat in de gemeente ook horen opmerken. Er zijn rijk begaafde broeders die met stichting een leesdienst kunnen leiden. Het is verder van belang dat de ouderlingen ook niet te zeer ontwennen aan deze taak, die toch veel van hen vraagt. We hebben helaas de voorlezer in de meeste gemeenten afgeschaft, zodat zij ook daardoor bijna niet meer in het openbaar behoeven "op te treden”. Naar mijn gedachten geeft een voorlezer mede stijl aan de dienst en bewijst hij de predikant een dienst zodat de voorganger en niet alleen voor staat. Opmerkelijk dat de voorlezer van toen soms in onze dagen weer terugkeert in een moderne jas, soms in een jurk…..

Het is zaak voor de kerkenraad om te beschikken over een ruim arsenaal van preken, die men kan lezen. De meeste kerkenraden hebben daarvan wel een voorraad. Even terzijde opgemerkt: denken de aspirant lezers er altijd aan, dat ze op ieder moment een preek bij de hand hebben, die gelezen kan worden? Er kan toch verhindering optreden bij de te verwachten dominee? Zo’n reservepreek moet passen in het  kerkelijk jaar; dat maakt de inspanning wel groter.

Gelukkig hebben we onvervalste christelijke gereformeerde preken in de Levensbron. Dat is me dan wel een hele constatering! Niet ieder zal het beamen. Want terecht zullen velen oordelen dat deze preken toch wat te kort zijn voor een kerkdienst. Wie snel leest, kan de mensen weer heel vroeg op straat zetten. Het zit natuurlijk niet in de lengte, maar een kerkdienst is en blijve een kerkdienst, waar de mensen soms van ver voor komen en waarvan de goede gemeente iets verwacht, iets grondigs en  doorwrochts. Jammer dus dat de preken toch wat te kort zijn. Ik spreek verder niet over de inhoud, die ook heel verschillend beoordeeld zal worden.

Toch biedt de Levensbron wel uitkomst, want ook de oude jaargangen doen nog fris en goed mee. Je merkt dan ook dat er heel veel rechte en getrouwe predikers in onze kerken geweest zijn, die we naar het Bijbels vermaan, maar niet te snel vergeten moeten. Er waren er die beter konden schrijven, dan preken; ook het omgekeerde komt voor, nog steeds.

Ik ben het van harte eens met de vraag uit de visitatie, waarin naar voren komt een zekere voorkeur voor preken uit de eigen bronnen. Een goede christelijke gereformeerde preek uit heden of verleden kan een rijke zegen zijn. Geen kwaad, nee zeker niet, over preken uit andere verbanden. Wie kennis neemt van meditaties in het RD of in bladen zoals de Saambinder en allerlei andere kerkbladen, zal vaak getroffen worden door de schriftuurlijke inhoud. Toch moet het beginsel van onze kerken ons lief zijn. Er klinkt toch Bijbels evenwicht in door; dit mag natuurlijk weer niet uitlopen op een stuk middelmatigheid, maar wel op een juist evenwicht, op een spreken met twee woorden. Explicatie en applicatie, uitleg en "toeleg”.

Ik merk op dat er toch door vacante gemeenten nog wel eens gevraagd wordt naar preken, die gelezen kunnen worden tijdens de dienst. Ter voldoening aan deze vraag zouden we kunnen overwegen om dit verzoek te honoreren. Een dergelijke vraag is ook wel eens bij het Bestuur van "Bewaar het Pand” beland en we moeten altijd overwegen of we  de gemeenten hiermee een dienst zouden kunnen bewijzen. Trouwens, ook thuis kan het een zegen zijn als we een preek lezen, die grondig ingaat op het Woord van God.

 

?xml:namespace>

en verder?

 

?xml:namespace>

Nu biedt vraag 24 ook mogelijkheden, die verder rijken dan onze eigen kerkelijke voorraden. Als ik het goed lees, mogen oude schrijvers ook gelezen worden. Dat verruimt de horizon in niet geringe mate. Preken uit de vorige eeuwen mogen ook nu nog dienen tot opbouw van het geestelijke leven, zo lees ik in deze vraag. Het zal niet zo vaak gebeuren, maar ik wil deze overweging wat nader toelichten, hoe men daarover dan ook denkt.

Bij velen zal als bezwaar gelden dat preken uit lang vervlogen tijden geen correlatie hebben met de tijd waarin wij leven. Onze tijden zijn zo anders en bijzonder, dat we moeten staan voor een eigentijdse aanpak.

Dit bezwaar kan enig recht van spreken hebben. Het kan dienstig zijn als in de preek de lijn naar onze dagen wordt doorgetrokken. Daartegenover kan ook weer gesteld worden, dat de voornaamste zaken toen en nu gelijk zijn. Geestelijke werkelijkheden zijn voor alle tijden actueel en deze zijn aan geen verandering onderhevig. In de brieven van Paulus bijvoorbeeld vindt u ook niet zoveel directe zinspelingen op de tijd van toen. Dat geldt weer wel in sterke mate van de Openbaring aan Johannes, maar dat behoort bij het profetische karakter van dit boek. En de uitwerking van de actualiteit bij Johannes tòen is toch ook weer geldend voor òns nù.

Wie de Bijbel leest, zal altijd weer ontdekken dat het in oude tijden feitelijk om dezelfde dingen ging als nu. Gods Woord is ten allen tijde actueel. Preken uit de Nadere Reformatie kunnen dan lang geleden geschreven zijn, maar de geestelijke kracht ervan is ook voor de mens van de 21e eeuw nodig en gewenst. Daarom zou het best kunnen voorkomen dat zulke preken ook gelezen worden in de dienst. Want deze predikers hadden toch iets, wat wìj in deze tijd zo niet meer hebben. Dat treft mij persoonlijk altijd weer bij het lezen van de oude schrijvers. Het waren kenners van het Woord èn ook kenners van het hart. De grondigheid waardoor deze "leerredenen” uitmunten, vragen veel van de hoorders. Men kan er in horen hoezeer men vroeger op de kansel stond voor goed onderwijs, voor een vermeerdering van schriftuurlijke kennis. Tekstmateriaal is overvloedig voorhanden in hun preken. We moeten eerlijk zijn en constateren dat veel preken van nu meer thematisch en summier zijn zodat de details ons vaak zouden kunnen ontgaan. Dat is ook absoluut en bezwaar van de preken, die onder ons worden uitgegeven. De vorm en de lengte maken een grondige benadering van de zaken bijna onmogelijk.

Daarnaast de praktische inslag. Je belangstelling wordt gewekt en je hart kan geraakt worden vanwege de bijna psychologische aanpak van deze predikers. De duidelijkheid van van der Groe, de warme toon  van Smijtegeld, de denkkracht van Comrie of de mildheid van à Brakel wil de Heere gebruiken ook nu nog. Het is nauwelijks onder woorden te brengen waarin hun kracht ligt. Het kan dus heel goed in bijzondere gevallen voorkomen, dat dit genre preken gelezen wordt. Zeker, nu desgewenst het Smijtegeldfonds de preken omzet in leesbaar Hollands. En dat vooral te meer, omdat deze preken de gemeente eerlijk behandelen!

Wat lezen we en wat mogen we lezen? Volgens de geciteerde vraag mogen de Puriteinen niet gelezen worden? Toch hebben deze minstens zoveel kracht en licht, als het gaat over de kennis der waarheid. Dus? Bij het waarnemen van allerlei tegenwoordige voorgangers op de kansels, bekende en onbekende, van binnen en van ver buiten het kerkverband, kan het ook vast geen kwaad als we de krachtige geestelijke leiding van mensen als Gray, Brooks en Spurgeon mede betrekken in de stof voor de leesdiensten.

Ik noem nog een opvallende naam, namelijk die van Wulfert Floor, bekend als de landbouwer van Driebergen. Hij leefde in de negentiende eeuw en "oefende” voor allerlei groepen. Zijn preken worden onder ons hier en daar gelezen. Ze munten uit door eenvoud en waarheid en ze kunnen zeker velen bereiken met de kracht van het Woord.

Preken uit de eigen groep en de eigen kerk. Klinkt het eigenlijk toch niet wat hoogmoedig? We zullen toch niet alle andere dienaren uit andere kerken minder achten dan onszelf? Ik kan met deze vraag alleen leven, als ik besef dat er kerkelijke orde moet zijn. Maar de geestelijke orde gaat ook in dit opzicht niet voorbij aan de woorden van de dichter: Ik ben een vriend, ik ben een metgezel, van allen die Uw naam ootmoedig vrezen…. Het kan zelfs in de kerkelijke wereld goed zijn de ander uitnemender te achten dan onszelf. Binnen de grenzen van de zuiverheid der leer. Iemand heeft van zijn kerk eens gezegd, en ik sluit me daar dan maar bij aan; Mijn kerk is de slechtste die ik ken, maar ik weet geen betere.

Conclusie: we houden ons aan de lijnen van de Kerkorde, maar: nood breekt wet. En: er is een liefhebber, die meer aankleeft dan een broeder (Spr. 18:24b). De Spreukendichter zei ook: Beter is een gebuur die nabij is, dan een broeder die verre is. Laten we daar maar eens over nadenken.

     

                                                                           

 

?xml:namespace>

STICHTING                                                        2006

 

?xml:namespace>

" Leidt de predikant met stichting de kerkdiensten….?”

Ditmaal wil ik met u nadenken over deze vraag. We begrijpen allemaal wel ongeveer wat het woord stichting inhoudt. Anderzijds is het ook een enigszins vage uitdrukking, die vraagt om nadere uitwerking en toelichting. Wat verwacht u van de prediking en waarin bestaat de zegen van de preek? Naar mijn mening zijn er misverstanden te signaleren rond deze vraag.

Allereerst betreft deze vraag de wijze waarop de predikant zich kwijt van zijn zondagse taken. Hij moet zich hoeden voor alles wat afbreuk doet aan de inhoud van de prediking. Te denken is aan de heiligheid van de verkondiging. De prediking moet ernstig, eerlijk en welmenend zijn. Het heil van de hoorders moet ons ter harte gaan. Eigen gedachten en niet terzake doende opmerkingen verdragen zich niet met Gods Woord. Een preekstoel mag geen steekstoel worden. En zo is er meer te noemen. Er mogen geen stenen voor brood gegeven worden. De mensen mogen ook niet bedrogen worden voor de eeuwigheid. Het Woord van God vraagt om diepgaande bezinning en eerlijke exegese, ook om een praktische toepassing. Deze zaken staan ter beoordeling van hen, die geestelijk kunnen onderscheiden. Het is goed dat deze vraag zó gesteld wordt.

De gevraagde stichting heeft ook te maken met de gemeente, die luistert. Er zijn tijden geweest dat mensen konden genieten van een dogmatisch opgebouwde, onderwijzende preek. De diepten van de Schrift gaven deze hoorders vreugde en het eigen geestelijke leven mocht welvaren onder zo’n prediking. In de psalmen komen we de blijdschap tegen, die gesmaakt wordt in de voorhoven des Heeren. U hebt toch ook wel mensen gekend, voor wie de kerkdienst " recreatie”, werkeljke ontspanning was. De kerk was voor hen de beste plaats in hun leven. Kwamen ze in het ziekenhuis terecht, dan was het hun grootste gemis dat ze niet naar de kerk konden. Er was verschil. De een zocht het meer in de geestelijke ontvouwing van de leer en de schatten die daarin verborgen liggen; de ander kende verrukking als het Woord de diepten Gods mocht verklaren en voorstellen; er waren er ook die hieraan enigszins voorbijgingen en die pas begonnen te luisteren als de toepassing aan bod kwam. Het waren de eenvoudigen die alles niet konden volgen, maar die zochten naar een woord voor het hart. Als men dan zijn of haar naam hoorde noemen, was er sprake van een persoonlijke zegen. Ik heb in alle gemeenten deze mensen aangetroffen en het deed je als predikant goed als men aansluiting vond bij de preek. Vergeten wij niet dat een preek van twee kanten komt. Niet allen van de kansel, ook van de kant van hen, die afnemers zijn in de goede zin van het Woord. Handel bestaat nu eenmaal in kopen en verkopen; preken bestaat in een spreekwonder en een hoorwonder (denk aan het Pinksterfeest) en de voorgangers merken het als er geestelijk geluisterd wordt. We weten echter ook dat niet iedere kerkbank vol zit met echte luisteraars. Dat mag ook niet verondersteld worden, want er moet ook plaats zijn voor de oproep tot geloof en bekering.

Ik geloof dat er sedert lang een verschuiving heeft plaats gevonden bij de luisterende gemeente. Er is verval ingetreden. Ik hoorde vanmorgen bij het nieuws dat er vijhhonderd tot duizend kerken gesloten gaan worden, na de grote aantallen monumentale kerken die al lang geen functie meer hebben. De journalist stelde wat uit de hoogte vast dat de kerk niet meer van deze tijd is. En moet je dat dan helaas niet bijna toestemmen? Toch is de kerk wèl van deze tijd en de kerk heeft wereldwijd nog grote betekenis.

Welnu, het teloorgaan van kerkgebouwen heeft natuurljk te maken met de tanende belangstelling voor de dienst des Heeren. Hoe is dat toch allemaal zover gekomen? Zeker, we kunnen spreken van en complex aantal factoren. Bij de voorgangers en bij de gemeenten. Ten diepste heeft het te maken met het fundamentele gemis aan duidelijke bediening van Gods Geest tijdens de diensten. En vandaaruit gaan natuurlijk allerlei menselijke oorzaken spelen. Op de kansel en in de bank. De prediker staat voor de zware opgave om desondanks de hoorders nog te boeien; maar als de Geest des Heeren Zich terughoudt, houdt hij niets anders over dan zichzelf en zijn gereedschap. Denk er maar eens ernstig over na. De gemeente van haar kant kan worstelen, ook in oprechtheid, met een zekere luistermoeheid, omdat men geen genoegen vindt in de dienst van de Heere. Overdrijf ik? In dit opzicht kunnen we de dingen beter heel ernstig of te gewichtig opnemen dan dat we over de eigenlijke nood heenleven.

Dat het ons ook niet voorbijgaat, blijkt uit het feit, dat veel gemeenten klagen over belangstelling tijdens de tweede dienst.

 

?xml:namespace>

Wat zoekt de moderne luisteraar? Wat verstaat men onder "stichting”? In de huidige nood der tijden is die vraag van grote betekenis.

Er zijn er, die het nut van de preek zoeken in bemoediging. Dat woord kunt u heel veel tegenkomen, als men spreekt over de kerk. Met name in de EO-gids kwam ik dat woord ooit vaak tegen. Het leven is zo moeilijk en gecompliceerd dat je in de kerk echt wel wat moed mag zoeken. Je moet er weer een week tegen kunnen. Hier vloeit bijna vanzelf uit voort dat men liever niet, soms bijna absoluut niet, bepaald wil worden bij zonde en ellende. Men ervaart dat als eng en men wordt er niet vrolijk van. En dat lijkt toch het doel te zijn. Ik wil graag als dominee en voorganger meevoelen met hen, die het leven als zwaar ervaren en die daarom een preek zoeken met enige verstrooiïng en hoop. Het voornaamste doel van de verkondiging ligt ook zonder enige twijfel in verlossing en daardoor ook in goede moed. Toch kan men te vroeg zoeken naar bemoediging. Dan is de verkregen moed niet gefundeerd en dan bent u het ook weer spoedig kwijt. Dan hangt het teveel af van een moment, van een gevoel dat over u komt, terwijl dat gevoel ook snel weer kan verdwijnen door nieuwe tegenslagen. Het lijkt dan teveel op een patiënt die veel pijn lijdt vanwege een ernstige aandoening, terwijl hij de pijn telkens weer opnieuw bestrijden wil door pijnstillers te slikken. De oorzaak verdwijnt daardoor niet. De operatie wordt almaar uitgesteld met al de kwalijke gevolgen van dien.

Een preek geeft niet een vleugje moed en een goed moment, maar de preek spreekt van een volkomen verlossing. Sieraad voor as, vreugdeolie voor treurigheid en het gewaad van lof voor een benauwde geest. Dat moet wel telkens weer opnieuw ingeleefd worden maar het zoeken naar bemoediging op zich verraadt een fundamenteel gebrek. Men stelt eigen eisen aan het woord, de eigen behoeften werken doorslaggevend. Hier ligt een wezenlijk manco bij velen. Het Woord kan nauwelijks eerlijk aan het woord komen en wee de prediker, die daaraan gaat toegeven. Hij wil het wel, maar hij weet dat het zo niet werkt.

De kerk deelt geen menukaarten uit, waaruit u precies kunt kiezen wat van uw gading is of wat u goed smaakt.  Lijkt toch de situatie daar soms niet veel op?

De hoorder zal ook ontmoedigd moeten worden. Als men in Laodicea alleen maar luisteren wil naar bemoedigende woorden, dan heef de brief van Christus uit de hemel hen teleurgesteld. Het gaat uiteindelijk wel om bemoediging, zeker wel, maar in de rechte weg. Vluchtige moed staat de verlossing juist tegen. Daarom is ontdekking en grondige ontmoediging nodig. Op die manier gaat het feitelijke verlossingswerk van Christus echt leven. Dan wordt door Hem ook de oorzaak van onze eeuwige honger en kommer weggenomen. Daar krijgt ook de volle Christus Zijn grootste waarde voor het hart en verkrijgt u werkelijk nieuwe moed die meer bestand is tegen de noden van het leven. Je moet er niet even tegen kunnen, maar je moet er eeuwig tegen kunnen en dat is een groot verschil. Voor de vluchtige hoorder is zo’n preeek wel teleurstellend, maar de prediker bedoelt juist wel uw behoud en hij heeft uw innerlijke rust op het oog. Petrus bedoelde de blijdschap door de Geest, maar hij preekte de mensen eerst echt verslagen. Er zijn predikers die met de beste bedoelingen wellicht geneigd zijn toe te geven aan de wensen van het volk. Ezechiël was voor het volk van zijn dagen als een lied der minnen, als een, die schoon van stem is, of die wel speelt. Maar er staat bijgevoegd: daarom horen zij uw woorden, maar zij doen ze niet (33:32).

In nauwe aansluiting met het bovenstaande leven zij die de kerkdienst zien als slechts een moment van rust en vrede. Men spreekt graag van de viering, waarin uitgedrukt wordt een ogenblik van verheffing en zegen. Het woord geeft ook aan dat een kerkdienst vooral een blijde gebeurtenis moet zijn. Het kan bij hen vaak gezocht worden in de liturgie of in een koor, dat het gesproken Woord omgeeft. Men heeft voor een kort moment genoten, maar het blijft dan ook bij dat moment.

Kortom, de vraag van hierboven betekent niet dat iedereen het ermee eens is wat gezegd wordt, of dat er algemene instemming bestaat na de dienst.

 

?xml:namespace>

Wat is stichting?

Het woord " stichting” kan niet ingekleurd worden vanuit de mens, maar vanuit God. Het krijgt mede inhoud vanuit het tweede deel van de vraag waar gevraagd wordt naar de bediening van de sleutelen des hemelsrijks. Ik laat dat nu rusten, omdat daar in een apart artikel ooit wel iets over gezegd kan worden.

Van God uit denken. Zo komt het woord " stichten of stichting”  ook voor in het Nieuwe testament. Het betekent letterlijk: een huis bouwen. Het woord komt veel voor in 1 Cor. 14, waar het te maken heeft met het spreken in vreemde talen, dat niet de gemeente, maar de persoon zelf sticht. Paulus hecht erg aan het doen wat tot stichting der gemeente is. In 1 Cor.14:13 wordt het woord nader uitgelegd met de beide woorden: vermaning en vertroosting. Door middel van de prediking bouwt de Heere Zijn huis en Zijn rijk. Daar wordt het enige fundament gelegd, Jezus Christus. Daar worden levende stenen toegevoegd. Maar het bouwen van een huis is een gewichtig werk. Dat leert de Heere ons ook in Zijn Woord. Denk maar aan de twee bouwers, die beide dit werk ter hand namen. Maar het resultaat was tegengesteld. De prediker moet voorzichtig te werk gaan. Er is maar één fundament dat de stormen verduren kan. Maar men kan hout of hooi of stoppelen daarop bouwen. Dat moet ons voorzichtig maken. De stenen moeten bebikt  worden, om ingepast te kunnen worden. Op die manier wordt de gemeente gebouwd. Gods volk ontvangt meer vastheid en kennis en anderen worden als nieuwe stenen ingevoegd.

Leidt de predikant met stichting de gemeente? Ik wijs ook nog op het eerste woord, namelijk het leiden van de dienst. Als de predikant getrouw te werk gaat, moet hij ook leiden en voorgaan. Hij heeft de leiding. Laat hij de leiding niet uit handen even. Durf te staan voor de zaak, zodat we niet spreken naar de mond, maar naar het hart van Jeruzalem.

De onderhavige vraag kan heel wat tongen in beweging bengen. Maar zie tenslotte af van de prediker en zie op de Heere. Hij bouwt Jeruzalem. De Heere is machtig op te bouwen en een erfdeel te geven onder al de heiligen. Laat na de dienst niet de dominee centraal staan, maar stel u de indringende vraag wat de Heere u te zeggen had. Hìj heeft tot u gesproken. Hij was het die ongetwijfeld ook onwelgevallige dingen gesproken heeft. Het evangelie is niet naar de mens. Daar mag u dan de voorganger de schuld niet van geven. Het was Gods Woord. In het verwerpen en onder kritiek stellen van de preek wijst u de stem van de Heere af.

Als we dat bedenken, mogen we hoger zien. Dan gaan we zeggen: Spreek Heere, want Uw knecht hoort.

Natuurlijk is de keerzijde an deze vraag dat de predikanten ernst maken met hun roeping. Want de Heere maakt er ernst mee. We moeten eens verantwoording afleggen van het gesproken woord. Het mag verder moed geven dat het huis dat de Heere bouwt, af komt. Zullen wij daar ook een plaats in hebben?

 

?xml:namespace>

                                                                

 

?xml:namespace>

 

?xml:namespace>

STUDIE                                                           2006

 

?xml:namespace>

Nu de reeks over de leerdienst afgerond is, kom ik weer toe aan enkele onderwerpen van een wat andere aard.  Ter afwisseling lijkt het me goed nu eens iets te zeggen over de studie van een predikant bij de voorbereiding van een dienst. De visitatie-vraag, die daarop betrekking heeft, luidt: "Studeert de predikant – mede met het oog op de prediking- ijverig? Komt hij voldoende aan studeren toe?”

Een heel belangrijke en interessante vraag. Ik wil me ervoor hoeden om dit artikel alleen te schrijven voor predikanten en kerkenraden.

Trouwens, ik heb tijdens mijn diensttijd vaak gemerkt, dat de gemeente heel belangstellend is naar de voorbereiding voor de preek. Hoe maakt de voorganger zijn preek? Daar is natuurlijk geen pasklaar recept voor te geven. Ik wil trachten, vanuit mijn eigen ervaring, enkele dingen daarover te zeggen.

Ik begin met het tweede deel van de vraag: Komt hij voldoende aan studeren toe? Gunt men de leraar de tijd om aan de preek te werken, of ziet men hem toch maar liever als herder? De herder, die gaat van deur tot deur, om dan tegen het naderen van de zondag te merken dat er preken gemaakt moeten worden. Stelt u de eis dat de dominee vaak moet langs komen, dan kan dat ten koste gaan van de preekvoorbereiding. Het is waar dat het pastoraat (het bezoekwerk) heel belangrijk is voor de preekstudie, want we moeten weten waar de noden van de gemeente liggen, maar u begrijpt ook, dat de studeerkamer van het grootste belang is. Men heeft wel gezegd: wie niet studeert, is niet bekeerd. We moeten met eerbied en diep respect omgaan met het Woord van God. We dienen het Woord zo goed mogelijk aan het woord te laten komen. Overvraag dus uw predikant niet zodat hij in tijdnood komt. Velen in de gemeenten hebben terecht al vaak opgemerkt, dat de ene voorganger meer herder in de gemeente en de andere meer leraar op de kansel is. Als beide facetten evenwichtig naast elkaar bestaan, komt alles het best tot zijn recht.

 

?xml:namespace>

Denkt u dat studie, gedegen studie, belangrijk is? Zeg niet te snel ja. Een bestudeerde preek, die goed voorbereid is, kan lang niet altijd rekenen op de instemming van de hoorders. Dat heb ik voor mezelf vaak opgemerkt. Had je extra veel werk van een preek gemaakt, dan hoorde je daar de gemeente maar weinig over. Een bestudeerde preek vraagt van de gemeente enig niveau. Zeker, moeilijke zaken kunnen eenvoudig voorgesteld worden, maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan. We zullen zeker als predikanten in de fout vervallen, dat we teveel kennis veronderstellen bij de gemeente. We moeten bedenken dat wij al dagenlang met de tekst rondlopen en de tekst met ons, terwijl de gemeente kersvers in de bank tegen de tekst aankijkt. Dat geldt nog temeer van kinderen en jonge mensen. In dit verband is het heel stimulerend voor de spreker op de kansel, als er mensen zijn die in de bank aantekeningen maken van de preek, om zodoende het verband en de samenhang duidelijker in beeld te krijgen.

Het kan echter ook zo zijn, dat de gemeente het bekende gedachtegoed wil horen, zij het dan met enige variatie, terwijl men niet mee op weg gaat om zich te verdiepen in de tekst. Terecht wordt er door velen op gewezen, dat een preek niet voorspelbaar mag zijn. Iedere tekst is anders. Een preek moet nieuw zijn. Oude en nieuwe dingen worden, als het goed is, naar voren gebracht. Ik wil zeker niet de hoorders in de kerk blameren, maar men zoekt wel te vaak toch naar het lichtverteerbare. We kunnen niet zoveel meer aan. Dat werkt oppervlakkigheid in de hand. Al heel snel wordt het niet meer begrepen. Het is voor een voorganger een weldaad, als hij (enkele) mensen in de kerk heeft die met onderscheidingsvermogen naar de preek kunnen luisteren. En wat zei Paulus daar ook weer van? De natuurlijke mens verstaat niet de dingen die des Geestes Gods zijn, want ze zijn hem dwaasheid… (1 Kor.2:14). Daarmee wil ik me niet te makkelijk van de zaak afmaken. Ik ben wel bang dat heel wat geestelijke zaken voor natuurlijke dwaasheid gehouden worden, ook in de kerk.

Er is misschien wel iets te doen tegen preken die moeilijk overkomen naar u toe. Het kan heel veel verduidelijken, als u in de week na de zondag nog eens naar een opname van de dienst luistert. Herhaling is de moeder van de wetenschap. U zult bemerken dat u dan veel meer hoort. U zou er verder goed aan doet, uzelf naderhand nog eens in de tekst wat te verdiepen, door bijvoorbeeld de Kanttekeningen van de Statenbijbel erop na te zien. Denk mee en bid mee, natuurlijk ook al in de voorafgaande weekse dagen. U krijgt dan uiteindelijk de preek waar u om gebeden hebt, ook als deze u niet zou bevallen. Denk over die zin maar even goed na.

 

?xml:namespace>

Ik wil in dit verband ook wijzen op allerlei goede mogelijkheden die de moderne techniek ons te bieden heeft op het terrein van de Bijbeluitleg. Geen moderne theologie, maar moderne techniek. Sommige gemeenteleden beschikken over de online Bible cd, waarop een schat van informatie te vinden is over de Bijbel en haar uitleg. Steeds meer hoorders leren omgaan met de computer; ook zelfs veel ouderen. Natuurlijk zullen ook de meeste predikanten ermee hebben leren omgaan. Zelf heb ik jarenlang allerlei digitale informatie links laten liggen, totdat ik me er toch eens wat meer in verdiepte. En dat niet zonder vrucht. Niet alleen zijn de grondtalen op de cd beschikbaar, u kunt ook een grootschalig aanbod van vertalingen vinden, zoals de King James en de Luthervertaling, naast allerlei moderne weergaven. Verder nemen de commentaren op de Bijbel een belangrijke plaats in en kunnen we zelfs een kleine bibliotheek aantreffen. Meestal gaat het dan om werken uit de Puriteinse traditie, zoals Spurgeon, Bunyan en noem maar op. Wie bekend is met Internet, weet dat bijna alle oude schrijvers en Puriteinen op Internet te vinden zijn.

Op deze manier komt de studie voor de preken binnen handbereik van predikanten, maar ook van de gemeenteleden. Eerstgenoemden doen er goed aan te bedenken dat gemeenteleden op die manier heel ver kunnen komen in het meedenken over een tekst. U schrikt toch niet als u af en toe eens merkt dat deze of gene in de gemeente ook de tekst bestudeerd heeft? Het kan gebeuren en het kan ook stimuleren.

Hoe gaan we nu met deze schat aan gegevens om? Elke predikant zal zijn eigen methodiek hebben ontwikkeld. Het vinden van de tekst gaat aan alles vooraf. Komt een tekst naar ons toe, dan kunnen we eerst persoonlijke inzichten en lijnen op papier zetten. Op die manier kunnen we er achter komen of we geestelijke lijnen opmerken in de tekst.

Daarna zal men kennis nemen van de exegetische werken, zodat we weten wat bekwame uitleggers van de tekst hebben gedacht. Maar die bekwame uitleggers liggen niet voor het oprapen. Toen ik pas begon, lagen alle mogelijke commentaren om m’n bureau heen, zodat ik van de bomen het bos niet meer zag. Feitelijk krijgen we van de meeste geen echte antwoorden op de vragen waar we dan mee zitten. Maar gelukkig als we mogen ervaren dat de Heere het Woord opent, ook door middel van anderen. We behoeven er verder ook weer niet teveel bij aan te slepen; dat werkt de verwarring alleen maar in de hand. Op de genoemde cd staan er heel veel, maar in ieder geval ook Dächsel, Matthew Henry, Matthew Poole en dan de Kanttekenaren. Dat zijn goede bekenden, zowel van de voorgangers alsook van veel gemeenteleden. De genoemde Poole is misschien niet bij de massa bekend. Zijn uitleg van de Bijbel is ook in boekvorm bekend; drie helaas wat te fijn beletterde delen bevatten zijn inzichten. Deze naam mogen we wel met ere noemen. Ieder, die zich bezig houdt met de uitleg van Gods Woord, weet dat er enerzijds veel "dorre” letterkundige uitleg bestaat met daarnaast veel stichtelijke lectuur. Poole geeft een duidelijke combinatie van beide aspecten. Er ligt aan zijn uitgaven een buitengewone schat van Bijbelkennis ten grondslag. Men kan zich verwonderen hoeveel deze theologen uit vroeger dagen wisten en hoezeer zij bekend waren met de kennis van de Heilige Schrift. Dat vindt u ook bij veel Hollandse oude schrijvers. Men zal zich daarbij klein en onbeduidend voelen. Naast deze bekendheid met talen en uitlegging, komen dan bij hem ook vooral de geestelijke, bevindelijke trekken naar voren. En dat maakt zijn gedachten bijzonder waardevol.

Juist deze geestelijke inzichten zijn van het allergrootste belang, ook voor onze tijd. In zijn werken klopt dus de polsslag van de Puriteinen.

Hoe dan verder? Ik ben nu wel op een teer punt aangekomen. De preek helemaal uitschrijven of niet? Tot voor kort was een goede preek een uitgeschreven preek. En dat is een goede gedachte. Maar we gaan ook steeds meer geluiden horen, die gaan pleiten voor een preek, die niet letterlijk van een uitgeschreven tekst wordt voorgedragen. Preken uit het hoofd. En dat lijkt me een héél goede ontwikkeling. Ik ga op de voordelen daarvan nu niet ander in. Het maken van de preek bestaat uit het vastleggen van de exegetische hoofdlijnen, al of niet letterlijk uitgeschreven. Dat hangt af van ieders persoonlijke mogelijkheden. Als al dit werk dan op donderdag gedaan is, heeft de voorganger nog tot zaterdag(avond) de tijd om te denken over de beste en uiteindelijke conceptie, waarbij dan sterk de vraag hem zal bezig houden hoe hij vanuit de vele gevonden inzichten een zo eenvoudig mogelijke schets kan maken.  

In Canada heb ik hier en daar de gewoonte aangetroffen om een heel beknopte schets van de te houden preek voor de dienst beschikbaar te stellen voor de gemeente, zodat deze beter kunnen meedenken. De laatste jaren heb ik zelf dit in Damwoude gedaan en ik hoor nu dan af en toe de mensen zeggen dat het wel goed werkte. Misschien ter navolging.

 

?xml:namespace>

Na al deze verrichte arbeid komt dan de kansel in zicht. Vaak tòch met het gevoel het niet te kunnen zoals het moet. Laat de gemeente maar bedenken hoe arm en behoeftig Gods dienaren zich kunnen gevoelen voordat zij de kansel opgaan. Wat is het dan een voorrecht als de Heere in de dienst overkomt, of als het Woord mag openvallen. Dan wordt het waar dat we op Gods inspraak wachten mogen. Die afhankelijkheid op de kansel doet omhoog zien. Het komt vaak voor dat de tekst zich op de kansel opent op een manier, die de urenlange sessie in de studeerkamer het niet kon geven. In dat geval is het ook weer waar dat de prediker erom bidt dat de Heere een wacht voor zijn lippen zet. Onze woorden moeten gewogen worden en moeten lijken op gouden appelen in zilveren schalen. En laat de preek dan maar onder de zegen des Heeren zo zijn, wat ik las als een uitdrukking van Bach over een orgel van Silbermann: "een zilveren  toon en donderende bassen”. Dat moet dan een rechte prediking zijn. Geen mooie preek, zoals de mensen vaak zeggen. Maar een rechte verkondiging. En dan wacht alles op de zegen van de Heere. In die preek komt ook de studie tot de juiste hoogte. En feitelijk is dat niet maar gewoon studie, maar een zalving met de Heilige Geest, Die leidt in al de waarheid.

 

?xml:namespace>

                                                          

 

?xml:namespace>

 

?xml:namespace>

 

KERKBEZOEK                                                       2006

 

?xml:namespace>

Bij de behandeling van allerlei vragen die tijdens de visitatie gesteld worden, wil ik mij niet binden aan de volgorde zoals het regelement deze aangeeft. Ik houd me niet aan een bepaalde opzet als het gaat om de verschillende vragen.

Vandaag iets over de opkomst van de gemeente onder de diensten des Woords. De vraag naar het kerkbezoek wordt duidelijk aan de orde gesteld. Vanzelfsprekend. Het is een wezenlijk element in het gemeentelijke leven. Hoe leeft de gemeente mee met de wekelijkse verkondiging?

Rond dit thema bestaat een zekere verlegenheid. Veel kerkenraden zitten ermee dat de diensten steeds minder belangstelling trekken. Het kerkbezoek taant en neemt af. Meestal wordt dit als een negatief verschijnsel aangemerkt, maar dat is niet altijd zo. Er zijn ook wel ambtsdragers, die de zondagse trouw in de diensten minder negatief beoordelen.

Hoe zou het komen, dat de kerkdienst met de preek niet meer zo hoog wordt aangeslagen? Er zijn meerdere oorzaken te noemen.

 

?xml:namespace>

Modern bezwaar

 

?xml:namespace>

In de eerste plaats leven we in een visueel ingesteld tijdperk. Het is nu eenmaal zo dat velen, ook binnen onze kerken, opgegroeid zijn met de Televisie. Showmasters beschikken over allerlei middelen om de aandacht van het publiek te trekken. Uitgedost en opgedirkt, met een handig gebruik van camera en microfoon, weten zij de aandacht te boeien. Het gesproken woord wordt verlucht met allerlei flitsende beelden. Het luistert makkelijk. Je hoeft niet diep na te denken, zo lijkt me. De media hebben macht. Ze beïnvloeden de massa en ze maken in zekere zin uit hoe we moeten denken over de actualiteit. Sympathie en verguizing worden grif de huiskamer ingedragen en overgedragen op de kijkers.

De dominee op de kansel staat in een heel andere omgeving. Hij beschikt niet over al die middelen, die de media ten dienste staan. Hij brengt het Woord in onopgesmukte vorm, en dan nog wel het Wòòrd. Dat betekent ook inhoudelijk een groot onderscheid. Onderwerpen van de ombudsman of die uit de actualiteit, lenen er zich voor om erover door te praten. Maar het Woord van God lijkt veelal die macht niet in die mate te bezitten. Een mooie preek, zo zei laatst een ambtsdrager, maar wat kun je ermee in de wereld van alledag? De kansel staat te ver weg van het maatschappelijk gebeuren, zo vinden velen. Zowel  vorm als inhoud stellen de moderne mens teleur. Veel christenen, ook onder ons, gaan ervan uit dat de traditionele kerkdienst zijn tijd gehad heeft. Er gaapt een kloof tussen de kansel en de kerkbank. Je loopt regelmatig aan tegen mensen die Ds. "Arie van der Veer” verkiezen boven de gewone dienst op zondag. Het wordt immers op dezelfde tijd uitgezonden als waarop de kerk haar deuren ontsluit.

Paulus heeft in zijn dagen reeds geworsteld met wat hij noemt, de dwaasheid der prediking (1 Cor.1:21). Dat had dan vooral met de inhoud te maken, al waren er toen ook mensen die vonden dat zijn presentatie te weinig indruk maakte (2 Cor.10:10). Joden ergerden zich aan zijn preken en Grieken haalden verachtelijk de schouders op. Het kruis van Christus kon hen niet boeien. Het stond haaks op het levensgevoel van de Griek, die juist de voorkeur gaf aan welsprekendheid en allerei meeslepende onderwerpen. Zij zochten wijsheid en geen dwaasheid.

Deze gedachten keren in onze tijd versterkt terug. Als anderen enthousiast praten op maandag over de sport van gisteren, dan wordt het moeiijk om te spreken over een onderwerp uit de preek. Feitelijk is het toch ten diepste zo, dat het kruis van Christus niet boeit en echt overkomt bij de mens van nu. Een stadion vol juichende mensen is intens betrokken bij het spel van een bal van dertig centimeter doorsnee, maar de kerk met een boodschap op leven en dood kan zonder meer niet rekenen op de werkelijke landing van het Woord.

Sluiten we onze ogen niet voor de werkelijkheid. De tijd lijkt voorbij dat mensen met heilbegeerte uitzagen naar de preek in de hoop dat de Heere wilde spreken tot het hart. Natuurlijk zijn er ook nu nog mensen die met vreugde in de kerk komen, maar hun aantal is wel sterk teruggelopen.

 

?xml:namespace>

Bijbelstudie en cursus

 

?xml:namespace>

Een andere oorzaak van de afnemende intersse bij de kerkdiensten is te zoeken in allerlei andere kerkelijke activiteiten, die er zijn. Om die reden vinden sommigen het ook niet eens zo erg dat de kerk mminder gevuld is ’s zondags. Er zijn immers wel bijbelstudie-avonden en er zijn ook cursussen die verrassend veel mensen trekken. De preek wordt als moeilijk ervaren, maar een cursus mag daarentegen weer best tot doordenken stemmen. Tijdens al zulke bijeenkomsten kunnen we meespreken en kunnen we iets terug zeggen; op die manier kunnen we echt communiceren. Wat hiervan te zeggen?

Het is heel goed dat mensen willen deelnemen aan het proces van Bijbelonderzoek. De zondagse dienst voorziet niet in al onze behoeften. We hebben ook conacten nodig met anderen en we zitten met vragen, die we graag stellen in de kring van geinteresseerden. De werkweek vraagt ook om invulling.

Toch zou het beter zijn zuke activiteiten te zoeken in het gemeentelijke verenigingsleven. Daar wordt de mogelijkheid geboden om in gesprek te gaan over het Woord van God. Bijbelstudie, hoe goed ook op zichzelf, staat te los van het gemeentelijke leven en mist een officiële lijn met kerkenraad en gemeente. De gesprekken zijn vrijblijvender en er is geen ambtelijke leiding. Laten we trachten in de gemeente opbouwend bezig te zijn. Het zal op den duur blijken dat we met deze ontwikkelingen achter op geraakt zijn en de schade is dan onherstelbaar. Deze zaken bieden in ieder geval geen alternatief voor de prediking.

Ik merk dat de opkomst in de kring van gemeenten rond ons blad aanzienlijk beter is dan in meer modern getinte gemeenten. Dat is natuurlijk geen verdienste, maar we mogen wel dankbaar zijn, dat de middelen er nog zijn en dat de kanalen voor het werk van de Heilige Geest nog bestaan. 

 

?xml:namespace>

Geestelijk verval

 

?xml:namespace>

Een derde oorzaak ligt naar mijn gedachte in het dalende peil van het geestelijk leven. Ik kan mij goed voorstellen dat de preek zijn kracht verliest, als we daarin niet echt de stem van de Heere beluisteren. Zonder Hem wordt het allemaal een menselijk gebeuren. Het werd reeds aangetoond dat we als kerk niet kunnen concurreren met de flitsende stijlen van de wereld.

We moeten gaan inzien dat de Geest van Pinksteren het alleen kan doen. Er was aan Petrus niets bijzonders en hij had zelfs allerlei dingen tegen, zo kort na de verloochening. Het deed er ook geen goed aan dat het Galileërs waren die getuigden van de opstanding. Bovendien waren de hoorders zeker niet in de dispositie om welwillend te luisteren. De spits van de preek was vlijmscherp en diep ontluisterend voor de menigte. Zelden bestond er zo’n grote afstand tussen de hoorders en de prediker. Maar de preek werd door de werking van de Heilige Geest een onwederstandelijk wapen om de mensen te raken. De boodschap van de Pinksterpreek ging over een onderwerp, dat in de publieke opinie van die dagen alleen maar smaad en verachting opriep. Maar de mensen raakten in de diepste crisis en zij werden in enkele ogenblikken andere mensen. Zou de Heere nu niet machtig zijn om dezelfde wonderen te doen? Snijden onze contra-argumenten rond de preek werkelijk hout als we denken aan de preek van Petrus? Zegt Pinksteren ons niet dat wij iets wezenlijks missen, dat er toen wèl was? Maar worden we ook niet duidelijk bepaald bij het feit, dat de Heere door die dwaasheid der prediking wil werken, ook nu nog? Zou voor de Heere iets te wonderlijk zijn? Hij kan ook nu nog Zijn Woord gebruiken. Maar dat vraagt van ons dat we de crisis onder ogen zien en vanuit de nood tot de Heere gaan roepen.

Er is ook voor het heden nog alle hoop. Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en tot in  der eeuwigheid. Daar ligt ook de verwachting voor de prediking. Dus niet alleen rustig doorgaan met preken en luisteren zonder meer, maar in het geloof gaan smeken om gescheurde hemelen. Dan zal Gods Woord niet ledig wederkeren maar het zal doen hetgeen Hem behaagt.

Jonathan Edwards hield ooit een preek, waarin hij zijn hoorders op een bijzonder ernstige wijze beschuldigde van hun zonden en tekorten. We zouden een totaal afwijzing hebben verwacht. Het werd echter het startschot tot een grote opleving.

Als de Heere werkt, kan niemand dat tegenhouden. Daarom moeten we ons niet laten ontmoedigen door de vele argumenten die in onze tijd gebruikt worden tegen de prediking van het Evangelie. Onze Catechismus geeft een duidelijk antwoord op de vraag vanwaar het geloof komt. "” Van de Heilige Geest, Die het geloof in onze harten werkt  door de verkondiging van het Heilig Evangelie en het sterkt door het gebruik der sacramenten” (zondag 25). Het woord "prediken” met afleidingen komt ongeveer 125 keer voor in de Bijbel. Het is een centraal woord. Het deed voorheen krachtige daden, dat zal en kan het ook nu nog doen. Als we dan van mening zijn dat er geen nut uit voortkomt, dan is het dringend nodig dat we onderzoeken wat daarvan de oorzaken zijn.

Ik denk aan Jona. Zijn prediking in Ninevé is wel heel opmerkelijk. Men zou kunnen verwachten dat er geen enkel nut van verwacht kon worden. Om drie redenen. Om de prediker, om de hoorders en om de preek. De prediker immers was vaak niet op zijn plaats. Hij zou in onze tijd misschien ook wel van zijn taak ontheven zijn geworden. Hij deserteerde en hij had maar moeite genoeg met zijn opdracht. De hoorders waren eveneens ver beneden peil. Het waren heidenen die het oordeel over zich hadden ingeroepen. Een definitief oordeel. En dan de preek. Zou deze gehouden worden in de meeste kerken in Nederland, dan zou deze volkomen afgeleurd zijn geworden vanwege een gemis aan evangelische inhoud. "Nog veertig dagen, dan zal Ninevé worden omgekeerd, Amen”.

Ondanks deze drie ernstige belemmeringen sloeg de boodschap in.

Laten wij ons onderzoeken hoe het komt, dat zovelen klagen over een tekort aan communicatie rond de prediking. Er is moed voor de prediking, ook nu en de vrucht zal groter zijn dan die van de TV, omdat de Heere op Zijn tijd Zijn Woord zal stellen tot een lof op aarde. Missen we dit nog, vragen we dan met Jesaja: "Hoe lang, Heere?” De Heere Zelf zal eens op Zijn tijd de vrucht op Zijn Woord openbaren.

 

?xml:namespace>

 

?xml:namespace>

 

?xml:namespace>

 

?xml:namespace>

Ambtsdragers                                                           2008

 

?xml:namespace>

We kunnen niet voorzien in bestaande vacatures binnen de kerkenraad. Ik heb deze of en soortgelijke uitspraken de laatste tijd in diverse gemeenten gehoord. In een vorig artikel constateerde ik al dat betrekkelijk veel jongeren de ambtelijke kar trekken. Wat te zeggen van deze situatie, die zich steeds meer gaat voordoen?

 

?xml:namespace>

 

?xml:namespace>

Misschien vergis ik mij, maar ik vermoed dat in diverse gemeenten de ouderen gaan ontbreken in de kerkenraadsbank. Je ziet meer jongeren dan ouderen onder de leden van de kerkenraad. Zestigers en zeventigers kwamen vroeger voor mijn gevoel meer voor dan nu. Dat had mede wel te maken met het feit, dat men soms bijna een mensenleven in de raad zat. Dat bleef maar doorgaan en men kon er blijkbaar niet genoeg van krijgen. Het stelsel van verplicht aftreden moest daar verandering in brengen, want het werd gaandeweg niet meer zo gewaardeerd dat dezelfde mensen tot in lengte van jaren de gemeente leidden.

Ik heb al opgemerkt dat het een zegen is dat jonge mensen bereid zijn om de openvallende plaatsen te bezetten. Als de Heere werkt in de levens van jongeren, dan leidt jeugdig idealisme er toe om zich in te zetten voor de dienst van de Heere. Dat is een zaak om dankbaar voor te zijn.

 

?xml:namespace>

ouderen

 

?xml:namespace>

Maar hoe zit dat dan met de ouderen? Het lijkt er soms op dat het pensioen of de Vut niet alleen geldt voor het maatschappelijke, maar ook voor het kerkelijke leven. Dat zou een merkwaardig verschijnsel zijn! Alleen al vanwege het gegeven dat het woord " ouderling” oudste betekent. Het ouderlingenambt is tot ontwikkeling gekomen vanuit de kring der senioren binnen de gemeente. In de eerste christelijke tijd vormden de presbyters (oudsten) een aanzienlijke groep in de gemeente, die weliswaar geen ambtsdragers waren, maar die wel stuur gaven aan het schip van de kerk. Hun inbreng was van groot belang. Uit de kring der presbyters heeft zich het ouderlingenambt ontwikkeld; uit hun kring kwamen de episkopoi (opzieners) voort, die ambtelijk leiding gingen geven.

Het latente idee van een kerkelijk pensioen heeft geen goede gronden in de historie. Ook niet in de praktische situatie. Want zaken als ervaring en kennis moeten we toch juist zoeken bij de ouderen. Zij zijn van groot belang in het onderrichten van jongere kerkenraadsleden. Er moet continuïteit met het verleden zijn.

De geschetste gang van zaken blijft een opmerkelijk verschijnsel. Natuurlijk kan het zijn dat ik me vergis, maar ik ken diverse situaties waarin de vorige generatie ontbreekt. In mijn vorig artikel wees ik er op dat mijn generatie op de een of andere wijze mede debet is aan de terloorgang van de kerk. Dat is niet vreemd. Wij kennen uit onze jeugd het beeld van een sterk geestelijk isolement. Heel veel zaken lagen onder een verbod. Wij hebben in onze levensgang gezien dat de deuren en de ramen openvlogen. TV en media dienden zich aan. We zijn uit de sfeer van de mannenbroeders van voorheen in sneltreinvaart beland in een "alles mag” cultuur. Dat heeft de kerk niet onberoerd gelaten. Velen zijn daarin helemaal meegegaan en verlieten de kerk en de opvoeding. Anderen bleven, maar ze hebben de invloed van deze dingen wel ondergaan. Ook zij die de Heere persoonlijk mochten kennen, ontkwamen niet aan de greep van de tijdgeest. Ik denk dat zij, of moet ik zeggen wij, de vaart der dingen niet hebben kunnen bijbenen en mede onbewust verlokt werden door de zegeningen van de nieuwe tijd. Dat ging dan gepaard met de kreten zoals: daar zit het niet in, en we moeten met de tijd meegaan. Meijering wees daar recent op. Jongeren hebben daar misschien minder last van. Zij zijn groot geworden met de moderne media; in een zekere zin zou het kunnen zijn dat zij er minder door meegesleurd worden dan de ouderen. Ouderen lijken er niet aan te ontkomen om de schade van de jeugd met al die geboden en regels nu in te willen halen.

Wat heeft dat nu allemaal met de consistorie te maken? Wel, ik denk dat de smaak van de wereld het vuur van de geestelijke kracht heeft getemperd. Je ziet juist bij veel vergrijsde mensen dat ze denken met hun tijd mee te moeten gaan. Dat werkt lauwheid in de hand. U ziet het op straat: het zijn soms de ouderen die in de modernste tinten gekleed gaan. Zo gaat dat in de wereld, in stad en dorp.

Werkt die mentaliteit niet overal door, ook in andere zaken als kleding?

Ik spreek nog steeds over ond, ouderen en ik tracht de oorzaken aan te geven van het ontbreken van veel ouderen in het gemeentelijke en kerkelijke leven. Er is natuurlijk een tijd van terugtreden, maar dat moet niet samenvallen met de Vutleeftijd.

Andere ambtsdragers hebben meermalen mijn eigen indruk bevestigd dat de grijze generatie van de gemeenten in geestelijk opzicht niet de rijkste groep is. Zo wordt het hier en daar tenminste door meerderen opgemerkt. Maar ik wil niet generaliseren.

Het is niet zo dat ik naar anderen kijk en mijzelf over het hoofd zie. Bij de vele klachten over de jeugd moeten we ook zèlf klagen over onze eigen groep. Dat geldt ook mij persoonlijk en dan natuurlijk ook mijn leeftijdgenoten. Ik weet ook uit mijn kinderjaren van die oude grijsaards en die gemoedelijke grootmoeders, die op allerlei terreinen toch veel wijsheid uitstraalden, ook geestelijk. En dan is een ouder mens een bijzonder voorrecht. In het bedrijfsleven klinkt nu de roep om ervaren krachten; men wil de AOW leeftijd hoger gaan stellen. Een goede ontwikkeling. Laat de kerk hiervan leren!

IK wil de ouderen oproepen zich op dit terrein te onderzoeken en te bidden om een vernieuwing van de jeugd, als van een arend. Iemand als Ds. J.H. Velema is daarvan een goed voorbeeld geweest. Hij bleef uiterst actief tot in de laatste fase toe. Mevrouw Vlietstra zei verleden week tegen me, over haar man: hij kan twee dingen nog goed, namelijk autorijden en preken. Dat is dan naast een goede combinatie toch ook tot grote zegen voor de kerk. Zo zijn er meerderen. Laten we bidden om dat besef van verantwoordelijkheid voor de kerk van nu.

 

?xml:namespace>

jongeren

 

?xml:namespace>

Maar gelukkig, er zijn toch ook de jongeren, die soms in sterke mate vooropgaan? Daar wil ik ook nog iets over opmerken. Fijn dus dat ze de leidsels willen overnemen. Dat heeft Bijbelse wortels. In de plaats van de vaderen zullen de zonen zijn. Dat betekent: als ouderen wegvallen,  zorgt de Heere voor nieuwe aanplant.

Zij, de jongeren, hebben krachten en idealen, die weldadig aandoen. Ouderen kunnen met jaloerse blikken daarnaar kijken. We moeten echter wel bedenken dat onze jongere broeders kwetsbaarder en meer vatbaar voor allerlei bedreigingen zijn. Vaak hebben ze een drukke werkkring, hun gezin is in de opbouwfase van het leven, allerlei (bij)scholingscursussen vragen hun aandacht. Meer dan voorheen legt de werkkring een sterke claim op hun tijd en wordt hun agenda daardoor mede ook ingevuld. Daarbij zien we nogal eens gebeuren dat jonge mensen, ook jonge predikanten, overspannen kunnen raken doordat hun ijver en hun mogelijkheden niet hand in hand gelijk kunnen opgaan. Het verschijnsel van het opgebrand zijn slaat onverwachts toe. In een college van verschillende leeftijdsgroepen denken ouderen te vaak dat jongelui allerlei taken en klussen wel even zullen opknappen. Dat werkt mee aan een sluipende oververhitting.

Maar er is nog meer. De weerbarstige praktijk van het kerkelijke leven kan ook innerlijk zo op hen aankomen, dat zij gevoelens van teleurstelling en desillusie voelen opkomen, die zich nauwelijks laten onderdrukken. Bij allerlei conflicten of verdeeldheid, bij twisten en ongeestelijke praktijken doven de idealen en verslapt ook bij hen de toewijding. En dat is heel begrijpelijk. Wij moeten als kerken en gemeenten denken om onze jeugd. Bedenk welke indruk het op hen maakt, als de werking van Gods Geest zo taant en afneemt. Als er getwist wordt over kleine bijzaken, terwijl de hoofdzaak uit het oog verloren wordt. Als geconstateerd moet worden dat genade toch soms zo weinig lijkt te veranderen in een mensenleven. Dat alles werkt sterk demotiverend.

Dit onderstreept mijn betoog over de noodzakelijke inbreng van de ouderen in het gemeentelijke leven. De jongeren hebben u nodig.

In de gemeente ontmoeten de generaties elkaar. Als van beide kanten stimulansen mogen uitgaan, zal de eenheid tussen de geslachten daardoor bevorderd worden.

In Gods Woord liggen de dingen ook gevarieerd. Het is niet zo, dat de ene generatie persé boven de andere wordt gesteld. Het is Bijbels om te stellen dat bij de ouden de wijsheid is. Maar tegelijk kan ook gehoord worden dat de jeugd vermaand wordt om niet te zijn als hun vaders. Wij hebben God op ’t hoogst misdaan, wij en onze vaderen tevens. Er zijn in Gods Woord ook jonge mensen die ruim begiftigd waren met geestelijke kennis. Denk maar aan Elihu, aan Obadja, aan Jeremia, Timotheus en vele met hen.

Maar om met die laatste naam even verder te gaan: wat had Timotheus de leiding en de steun van Paulus nodig. Wat is het goed als hij uit Paulus mond de aanspraak mag horen: mijn zoon. En wat kan Paulus vanuit zijn ervaring deze jonge broeder veel leren. Daar hebben we in allerlei artikelen in ons blad de laatste tijd ook veel van mogen horen. Hij had van kindsbeen af de schriften geweten, die hem wijs konden maken tot zaligheid. Hoe hebben ook zijn moeder en grootmoeder hem mogen steunen in vragen van geestelijke en praktische aard, terwijl hij van zijn vader, die een Griek was, weinig kon meenemen. Hij werd vermaand om  vanuit de profetieën, die hem waren voortgegaan, de goede strijd te strijden en het pand te bewaren.

In de boeken Spreuken en Prediker treffen we ook een oudere en met wijsheid begiftigde opvoeder aan die telkens spreekt tot zijn zoon. Ook de psalmen spreken ervan.

 

?xml:namespace>

Mijn eerste vraag was: waarom bestaat er in een gemeente een gebrek aan ambtsdragers? Een praktische vraag. Misschien kunnen mijn woorden ons allen aan het denken zetten. Er spelen meerdere factoren een rol; daaraan ben ik ditmaal voorbijgegaan. Misschien nog eens een zaak voor later.

In de predikantenwereld doen dezelfde lijnen zich voor. Velen gingen met emeritaat. Daardoor komen vacante gemeenten soms in de problemen. Moge de Heere ook jonge broeders roepen en "uitstoten” in Zijn dienst. En wees gerust: de geëmeriteerde broeders willen u, voorzover mogelijk, nog graag bijstaan en zij doen dat ook. Want het vuur moet blijven.

Van geslachte tot geslacht, wordt naar onze dure plicht,

bij Uw volk Uw gunst herdacht, wijl Gij Zelf, o Heer’’hen richt,

en aan hen, schoon diep in schuld, met berouw gedenken zult.

 

?xml:namespace>

 

?xml:namespace>

 

?xml:namespace>

 

?xml:namespace>

 

?xml:namespace>

 

?xml:namespace>

 

?xml:namespace>

 

?xml:namespace>