BEGELEIDE CONFRONTATIE       2004

Deze term bent u misschien de laatste weken wel eens tegengekomen in de programma’s van Reformatorische scholen. In Kampen en Amersfoort vormde deze uitdrukking een belangrijk thema ter gelegenheid van de opening van een nieuw schooljaar. Ik heb de indruk dat hetgeen hiermee aangeduid wordt, onze kritische aandacht verdient.
Laat ik trachten weer te geven wat ermee bedoeld wordt. Het Van Lodensteincollege noemt zich in dit verband een school in beweging. Dat lijkt mij tenminste wel waar. Het Reformatorisch onderwijs is in beweging. Afgestudeerde studenten gaven na hun vertrek aan dat zij bij het onderwijs aan de scholen te weinig in contact zijn gekomen met de cultuur van deze tijd, met de wereld dus. Men voelde zich te veel beschermd binnen de zuil van de Reformatorische school. Dat leidt tot het gevaar dat men later, als de plaats in de maatschappij gevonden is, niet voldoende opgewassen is en ook niet voldoende voorbereid is op de dreigende verzoekingen van deze tijd.
De school wil de leerlingen nu indringender confronteren met de wereld. Een gelijknamige brochure over dit onderwerp, uitgegeven door het Van Lodensteincollege bevat zodoende allerlei wat zwoel aandoende illustraties "uit de stad en uit het volle leven”. Wie had dat twintig jaar geleden kunnen denken?
In de openingstoespraak van "Kampen” (ik duid de scholen nu zo maar even aan voor het gemak), wordt uitgelegd dat er eerst een tijd is geweest van het isolement, daarna kwam een periode waarin de kritische distantie centraal stond en nu zijn we dan toe aan confrontatie. Deze trits is heel opmerkelijk. Het een wordt steeds voor iets anders ingeruild. Ik hoop dat ik zo recht doe aan de bedoelingen van de opstellers van deze woorden. Zo was het isolement bijvoorbeeld toch niet de goede houding tegenover de wereld. Er is confrontatie geboden.
De achterban van de scholen hanteert, zo wordt gesteld, grotendeels het distantiemodel. We houden onze kinderen op afstand van de wereld. TV wordt bijvoorbeeld gemeden; en terecht. Begeleide confrontatie echter wil de jeugd nader doen kennis maken met de wereld; dit vindt dan plaats onder begeleiding van de school.
U kunt deze methodiek zelf op allerlei tereinen nader invullen. Onderwijs in muziek zal bijvoorbeeld concreet allerlei moderne muziek zoals pop en house-muziek ten tonele voeren, om de leerlingen te attenderen op het wezen van die uitingen. Bij onderwijs in moderne literatuur zal het dan nodig zijn dat boeken worden gelezen, die haaks staan op onze levensbeschouwing. Ik geef een citaat: " Daarbij kan het voorkomen dat een videofragment beelden bevat die op zichzelf afwijsbaar zijn, maar gebruikt kunnen worden als begeleide confrontatie”. U begrijpt dus dat men dieper wil binnendringen in de wereld van onze tijd. Op sommige onderdelen doet deze methodiek denken aan Abraham Kuyper, die eveneens meende dat christenen de wereld in moeten trekken om deze te veroveren voor Christus.

Wat moeten we hiervan zeggen? Het laat zich denken dat een Reformatorische school staat voor de niet geringe opgave om de jeugd op verantwoorde wijze in te lichten over de tijd waarin we leven. Het onderwijs mag niet verzuilen of verkokeren. De school bereidt voor op het volle leven. We kunnen waardering hebben voor de worsteling die men kent om alles te houden binnen de Bijbelse maat. Men wil verantwoord werken. Gelukkig koos men het woord "confrontatie”, want dit woord spreekt van strijd en duidt een tegenstelling aan.
Toch moeten we de bewegingen van de school onzerzijds kritische blijven volgen. Het Reformatorisch onderwijs is inderdaad in beweging. Natuurlijk zal het onderwijs tot op zekere hoogte confronterend moeten zijn. Maar wat mij verontrust is dat het erop lijkt, dat men het isolement achter zich heeft gelaten. Want het isolement gaat de zaken uit de weg. " Het is "het uit de weg gaan van het gevecht achter de muren van een zuil, waarbij het steeds twijfelachtiger wordt of we dat kunnen gezien het open karakter van onze samenleving” (Kampen). We merken op dat de "zuil” een steeds twijfelachtiger zaak wordt. Daar kan enige grond voor zijn om dat zo te stellen; maar de zuil kan toch ook iets hebben van een schuilkelder in oorlogstijd? De hier voorgestelde tactiek moet duidelijker uitgaan van de Bijbelse gedachte dat de mens de verzoeking niet moet zoeken en dat hij  in zijn hart reeds aan de kant van de wereld staat. In EO-kringen erkent men dat de meeste christenen zich te zeer bloot stellen aan de verwoestende krachten die rondgaan in de media-wereld. De mens heeft in zichzelf geen wapen. Zeker niet de jeugdige leerling, die nog moet worden begeleid op zijn weg naar de volwassenheid.
Er dreigt zich binnen onze kringen een verschuiving voor te doen. De TV werd afgewezen en gemeden; maar het lijkt erop, dat er geen duidelijk antwoord wordt gegeven t.a.v. internet; ik bedoel dan open internet. Een provider als kliksafe kan maar nauwelijks van de grond komen, terwijl onze gezindte toch best tot behoorlijke inspanningen in staat is; denk maar aan het RD. In genoemde schoolliteratuur wordt steeds benadrukt dat onze maatschappij te open is om haar te ontlopen. Komt dit niet mede daardoor omdat we stilzwijgend en te vrijblijvend ons storten op het world web?

Dus moet er een andere invalshoek gevonden worden. Er is meer nodig dan alleen deze confrontatie, want als er niets bij komt, loopt de zaak straks dood.
Wat dieper ligt en belangrijker is, is de noodzaak van geloof en bekering, ook voor de schooljeugd. Daar kan alleen maar het middel gevonden worden dat de jeugd effectief bescherming biedt. Gods Woord spreekt uit bij monde van Paulus: " Wij hebben niet ontvangen de geest der wereld, maar de Geest Die uit God is” (1 Cor.2:12). Ik heb, als vader van kinderen, die deze scholen bezochten, indertijd wel eens het gevoel gehad dat men hieraan te veel voorbij ging vanuit de gedachte dat persoonlijke bekering voor onze jeugd te hoog gegrepen is. Soms liet men het liggen. Men durfde wellicht niet onbevangen de jeugd te wijzen op de bereidwilligheid van Christus om ook voor jonge mensen een Zaligmaker te zijn. Vergeet men dat dan blijft alles steken in een werk der wet. Dan gaan we voorbij aan de enige mogelijkheid die uitkomst biedt, namelijk het geloof in Christus. De Geest Die uit God is kan alleen een uitsluitend jongeren en ouderen beveiligen in deze wereld. Mist men de Geest van Christus, dan mist men in wezen alles. Dan heeft men integendeel slechts de geest der wereld. Dan zou zelfs ons reformatorische streven  doorademt zijn van die wereldse geest. Nu komen we deze gedachten ook wel tegen in de genoemde lezingen en brochures, maar het zouden meer feitelijke uitgangspunten moeten zijn.
Kuyper ging vanuit een heel andere achtergrond ook voorbij aan de persoonlijke bekering, want hij meende dat de meesten deze wel kenden. Daarom ging het mis. Laten wij niet vanuit een andere optiek voorbijgaan aan de noodzaak en de mogelijkheid van de wedergeboorte.
We moeten met onze scholen, die de Heere ons nog als een groot goed gelaten heeft, waken tegen de geest der wereld. Confronteer de jeugd daar op gepaste afstand en vanuit het isolement mee. Maar spreek hen vooral van de Geest Die uit God is. Hèbben wij die? Heeft onze jeugd die Geest? Ik weet het, dat is hoog gegrepen, maar met minder kan het niet. Ale methoden van onderwijs kunnen geen garantie bieden. Wat niet uit het geloof is, is zonde.

Deze bijdrage is door mij bedoeld om de ouders van schoolgaande kinderen een handreiking te bieden in hun zorgen rond het onderwijs. Tegelijk willen we meedenken met het onderwijs dat ons lief is. Deze zaak verdient echter wel stellig onze aandacht. De manoevres van de scholen zijn niet zonder ernstige risico’s en gevaren. Waar kwam Kuyper terecht? Zal het met ons anders gaan? Is de vreze des Heeren niet het grote gemis van onze tijd? Het onderwijs kan met niets minder toe dan met de welmenende vraag van een drieënig God: "Mijn zoon, geef Mij uw hàrt”!
           

 


DE KONING en de keizer       2006

De kribbe in de schaduw van de troon van Augustus. Daar ga ik het nu niet over hebben; wel wil ik enkele gedachten onder uw aandacht brengen, die de heerschappij van de kribbe bewijzen.

Enkele recente feiten en ontwikkelingen vormen de aanleiding tot het schrijven van dit artikel. Ditmaal dus niet over kerkelijke zaken, maar iets over de wereld om ons heen.
De directe aanleiding is het feit, dat de Christenunie in beeld is voor fomatiebesprekingen voor een nieuwe regering.
Dat lijkt me een opmerkelijk feit. U behoort misschien ook niet tot de kiezers van Rouvoet c.s., maar met behoud van onze bezwaren tegen sommige uitingen van politici in die partij, ben ik toch blij met de mogelijkheden die zich hier ongedacht voordoen. Het kabinet is er nog niet, maar als het er mocht komen, dan is er iets veranderd in ons land. We zouden kunnen zeggen dat de CU dan de plaats heeft ingenomen van D66 in het vorige kabinet. En als de CU dan evenveel  aandacht en ruimte claimt als D66, dan zal dan tot zegen voor ons volk zijn. D66 deed niet anders dan alles wat herinnerde aan de Bijbel en de Kerk, met de waarden en de Bijbelse normen erbij, aan te tasten en te bestrijden, terwijl de omvang van die partij eigenlijk niets voorstelde.
In ieder geval is het van belang en heel opmerkelijk, dat er misschien een christelijk geluid in onze politiek gaat gehoord worden. Staat onze maatschappij toch nog open voor fundamentele zaken? Wordt aangevoeld dat er buiten God geen normen en waarden overblijven? Deze vraag kan mede ingegeven worden door het feit, dat SGP voorman B. van der Vlies ook in kamerkringen geldt als een integer en oprecht man, die staat voor de zaak van Gods Koninkrijk. Dat wordt toch opgemerkt en dat stemt tot ootmoedige vreugde.
We hadden daar met elkaar misschien niet meer op gerekend. Als we ons oor te luisteren leggen bij de media, dan wordt het christelijk geloof zo goed als doodgezwegen. Men zegt dan wel dat religie weer mag, maar de vraag is dan wel van wie het mag en wat er mag. Ons volk heeft een grote aversie ontwikkeld tegen alles wat herinnert aan een christelijk verleden. Openlijke godslastering kan allemaal en het moet zelfs kunnen. Er is dan wel vrijheid van godsdienst, maar de vrijheid van meningsuiting, waarin men dus zonder schroom God en de Bijbel kan smaden, lijkt meer en meer aanhangers te winnen, ten koste van de geloofsvrijheid.
Het is zelfs zo dat Moslims en hun Koran op heel wat meer sympathie kunnen rekenen dan de orthodoxe protestant, die het meent met zijn kerk. En dan toch plotseling nog weer een voorzichtige en soms aarzelende opening naar het christendom, zoals dat nu het geval is met de kabinetsformatie? We zien hierin dat God regeert en dat er soms toch dingen gebeuren, die duidelijk in hoger licht moeten gezien worden. We hebben het dan wel over de algemene genade. De Heere leidt ook de geschiedenis, niet alleen de heilsgeschiedenis, maar ook de algemene. Het zijn kleine wonderen, die we niet verwacht hadden. Telkens gebeuren er zulke zaken. Eén van de meest opmerkelijk feiten uit de laatste decennia is voor mij bijvoorbeeld nog altijd de val van het Communisme. De vaart der volken nam daardoor een geheel andere wending. God bleek nog steeds duidelijk te werken in de loop der dingen. We moeten daar oog voor hebben. U weet toch hoe de profeten van Israel bijzonder veel aandacht hebben voor de politieke zaken uit die tijd? Hoe profeteerde Jeremia over de grote rijken uit zijn dagen. Dat leert ons de krant open te houden. Het laatste Bijbelboek spreekt op eenzelfde  wijze over Gods hand in de geschiedenis.
Welnu, de val van het Communisme was iets machtigs. In mijn jeugd ben ik met de gedachte opgegroeid dat het Communisme op termijn de wereldheerschappij zou krijgen. Namen als Molotow, Malenkow en Beria enz. deden als kind de rillingen over je rug gaan, omdat deze mensen antichristelijke gedachten koesterden en de gemeente des Heeren vervolgden. En zie, de Heere heeft dat rijk ontmanteld. De Russische beer bleek krachteloos te zijn geworden. Door Gods hand. Zo ging het toch ook met het rijk van Augustus uit Lukas 2.
Zo zijn er meer feiten geweest in de geschiedenis. Denk aan de Constantijnse omwenteling, waarbij het Christendom staatsgodsdienst werd in Rome. En dat gebeurde in een rijk, dat op ongekende wijze de kerk jarenlang bloedig vervolgde.
We denken soms dat de wederkomst aanstaande is omdat het zo niet meer verder kan gaan. Toch zien we juist wel in zulke tijden, dat de Heere regeert en nieuwe mogelijkheden voor het aardse leven schept. Iets dergelijks beleefde ik ook in de dagen waarin den Uyl de leidsels in handen had. Het zag er toen, ongeveer dertig jaar geleden, in ons land donker uit. Hij was iemand, die brede aandacht opeiste voor een levensstijl zonder God. In die tijd was ik enkele maanden in Canada en ik herinner me dat ik dat land misschien wel als een toekomstig werkgebied begeerde vanwege de moeiten in Nederland. Het is er niet van gekomen, mede ook omdat na den Uyl toch ook ongedacht nog weer heel andere mensen uit de richting van het CDA aan het roer kwamen te staan. Wees niet bang, ik zie het CDA niet als een partij voor christenen. Er is daar zoveel water bij de wijn gedaan dat er geen smaak meer over is. Natuurlijk, dat weet ik. Maar als Marijnissen en Bos het samen hadden moeten gaan doen, zag de toekomst er heel wat minder rooskleurig uit. Ook de persoon van Balkenende kan nog een teken zijn, waarin Gods algemene goedheid blijkt. In Gods Woord staan namen van mensen die niet de Heere dienden zoals Israël, maar die toch straalden als lichten in het leven der volkeren. Denk aan Abrahams ontmoeting met Abimelech in Gerar; de Heere sprak in een droom tot hem. Opmerkelijk hoe nauw hij handelt met de geboden van de Heere. Denkt u verder aan vorsten zoals Kores, Nebukadnezar, Darius enz., die soms tot buitengewone inzichten kwamen betreffende de leidingen des Heeren. Van Kores sprak de Heere zelfs: "Ik zal u gorden, hoewel gij Mij niet kent” (Jes. 45:5b).
We moeten de grote politieke lijnen in het oog hebben; de Heere gebruikt politici om Zijn raad te doen bestaan. Zo letten we op de ontwikkelingen in Den Haag.

Er waren nog enkele dingen die mij grond gaven om te attenderen op de ontwikkelingen in ons land. Ik denk dan ook aan enkele zaken, die verleden week in de krant stonden.
De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid gaf een verkenning uit over "Geloven in het publieke domein”. Grote kop in de krant: Opmerkelijk positief over christendom. Men onderkent de factor van de kerk; als deze gaat verdwijnen, verliezen land en volk meer dan alleen kerkgebouwen. Daar komt het op neer. We verliezen dan ook betrokkenheid en onderling meeleven, sociale aspecten dus van het kerkelijke leven. Dat hadden we toch ook niet gedacht, dat er nog zo over de kerk werd geoordeeld. We zijn ons als kerk in zekere mate bewust van onze eigen gebrekkigheden en zonden en zwakheden; er gaat weinig van ons uit. Je denkt niets te betekenen voor anderen en je worstelt met de wereld om je kinderen in het gezin binnen de banen van de Schrift te houden. Je roept als ouder soms vertwijfeld uit hoe het allemaal moet. Dan mogen deze geluiden toch ook een ander licht werpen op de kerk en op uw positie. Op mensen die op het werk nog bidden voor het eten, op hen die ’s zondags de enigen in de straat zijn die nog naar de kerk gaan, op u die hopelijk worstelt met uw verhouding tot de Heere. U vat terecht de maatschappij op als een bedreiging en u voelt u misschien zwak. Maar hoor dan ook dat zij die in de wereld groot zijn, tòch iets opmerken in hen die gewoon christen willen zijn.
Waar moet men het anders van hebben? Occultisme en afgoderij, zaken die het doen in deze wereld, kunnen de mens niet echt redden. De satan heeft eerst ons volk bijgebracht dat geloven in God een achterhaalde zaak is. De leegte die daarna bij de massa overbleef, heeft hij gevuld met bijgeloof en ongeloof, met dingen die veel meer "geloof” vragen dan het Woord van God.
De volgende dag schreef de krant weer iets dat ook mijn aandacht trok. Onderzoekers van de Radboud Universiteit hebben vastgesteld dat het christelijk geloof veel meer claims kan leggen bij rechters en staatslieden, als dat geloof wordt gesmaad en gelasterd. Dit heeft weer te maken met de manier waarop we als kerk vaak door media en columnschrijvers over de hekel worden gehaald. Moslims nemen in zulke zaken harde maatregelen en laten goed merken dat ze er zijn en dat zij smaad over Allah niet nemen. De kerk handelt gelukkig zo niet. Maar moet de kerk maar lijdelijk toezien? Vele jaren geleden merkte van Agt al op dat de kerk veel meer de barricaden op zou moeten om op te komen voor haar rechten. Voor haar plaats in het maatschappelijk bestel. De Heere zegt in Zijn Woord dat de vreze des Heeren alle mensen betaamt. Laat de kerk opkomen voor haar plaats en laat ze die plaats met ere innemen. En dat geldt dan toch ook voor u en jou, als je op je werk of in je straat of in je klas opvalt vanwege je Bijbelse uitgangspunten. Hoeveel ellende heeft koning voetbal al niet opgeleverd aan extra inzet politie, aan vernielingen en geweld; er lijken geen wegen te zijn om het geweld binnen de perken te leiden. Nee, dan is de dienst van de Heere toch een weldaad, als we die vergelijken met de Islam of met de andere goden van deze tijd. Laat dan de subsidie voor de SGP ingetrokken worden vanwege het vrouwenstandpunt, waarover men verschillend denken kan, maar diezelfde staat  met verwante organisaties doet de vrouw door het toelaten van porno en seksuele losbandigheid heel wat meer smaad aan Gods Woord dat ooit zou doen. Het is opperste schijnheiligheid als een buurt overlast van een kerkklok zegt te hebben, terwijl uit bijna iedere tuin of vanaf elke steiger non-stop dreunende muziek het oor kwelt. Zo zou ik kunnen doorgaan.
De christenheid wordt dus door de maatschappij feitelijk aangespoord om haar licht te laten stralen. Bovengenoemde rapporten tonen dat aan. Of er dus een verandering ten goede ontstaat in Nederland en of de kerk ooit weer zou kunnen terugkeren? Dat weten we niet. Dat geloven we zelfs niet, als er niet ooit een werk van Boven openbaar zal komen. Maar de Heere kan nog wonderen doen en Hij kan dit alles nog gebruiken. Siebelink schreef zijn boek over een Paauwiaan en in ieder geval moeten we zeggen dat hij de zaken vertekend heeft weergegeven. Maar toch verbazingwekkend dat honderdduizenden van ons volk, die niets hebben met de kerk, werden geconfronteerd met geloofszaken, hoe dan ook èn dat er blijkbaar behoefte is aan enige geestelijke "zingeving”. Wat zal de Heere met dit alles doen?
Mijn bedoeling met deze lijnen is om u en ons te doen zien dat de Koning heerst over de keizer. Het klinkt van de hemel: "ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, de berg Mijner heiligheid”. En welzalig zij die naar Zijn reine leer, in Hem hun heil, hun hoogst geluk beschouwen.


VACANTIETIJD          2006

Ook over de vacantie wordt gesproken tijdens de kerkvisitatie. Nu de vacantie voor de meesten reeds aangebroken is, kan het nuttig zijn hierover enkele woorden te zeggen. De betreffende vraag luidt: "Welke aandacht besteedt u aan gemeenteleden die regelmatig voor recreatie elders verblijven?”
Het gaat hier dan om leden die elders een tweede woning of een caravan hebben en daar ook regelmatig te vinden zijn. Daardoor kan de band met de eigen gemeente verslappen. Maar het gevaar bestaat ook, dat men tussen de wal en het schip terecht komt, omdat men in de gastgemeente ook niet helemaal erbij hoort. Nauw hiermee verbonden is dan de jaarlijks terugkerende vacantie, die we doorgaans elders doorbrengen.
Ik heb juist kort geleden nog gehoord, toen ik in een bekende badplaats preekte, dat de tijd van de vele vacantiegangers in de diensten daar voorbij is. Die geluiden worden in meedere plaatsen gehoord. Er waren voorheen vacantieplaatsen, waar tijdens de zomer veel vreemdelingen, recreanten, de diensten bezochten. Dat zal hier en daar nog wel zo zijn, maar ik weet anderzijds dat het verschijnsel op retour is. Belangrijk om er aandacht aan te geven. Wat is hiervan de oorzaak?

moderne onrust
Het zal te maken hebben met het feit, dat we tegenwoordig niet meer zo exclusief gebonden zijn aan diensten van het eigen kerkverband. Het lijkt juist ook wel eens aardig om naar een Hervormde dorpskerk te gaan of een predikant van de Gereformeerde Gemeente te bezoeken. Ik geef maar voorbeelden. Campingdiensten trekken wellicht ook meer gewone kerkgangers, waardoor zij gemist worden in de gemeentelijke diensten. Het komt verder voor dat gemeenteleden thuis zijn en gedurende de vacantieweken er toch niet zijn, omdat de mensen wel zullen denken "dat we vacantie hebben”. Mooi om ook thuis eens ergens anders heen te gaan of gewoon thuis te blijven…..
Ik heb indertijd ds. W. L. Tukker eens horen zeggen in een preek dat God nooit vacantie geeft (van kerkelijke en geestelijke plichten) en (gelukkig) dat Hij ook nooit vacantie neemt. Niettemin denken mensen daar soms anders over.
Voor iedere gemeente is de vacantietijd tegenwoordig dus wel een komkommertijd. In sommige gemeenten blijft de vacantie niet beperkt tot enkele weken in de zomer. In een stadsgemeente als Utrecht was vacantie een frequent verschijnsel, begrijpelijk. Men was soms wel drie of vier maal in een jaar elders. In het Friese land neemt het wegtrekken een veel bescheidener plaats in. Maar overal ligt het kerkelijke leven vrijwel stil en vallen allerlei activiteiten weg. Dat is jammer en het kan leiden tot een stuk onvruchtbaarheid. Ook tot vervreemding. Overzie je de kudde na de vacantiedrukte, dan blijft dat er soms heel wat gebeurd is in dagen van afwezigheid. Na die tijd van betrekkelijke rust moeten we ons dan weer storten in de maalstroom van vergaderingen, verenigingen en ga zo maar door. In de winter wordt er soms wel teveel van de gemeente gevraagd en in de zomer is alles wel eens te vrijblijvend. We zouden thuis meer moeten kunnen rusten en we zouden in de vacantietijd niet moeten vergeten om zinvol bezig te blijven. De contrasten zijn te groot. Opjagers als de TV, de mobiele telefoon, de auto zorgen er helaas voor dat je nergens meer tot jezelf kunt komen. Onthaasting is nodig, maar hoe? En toch zou juist de kerk daar wel weg mee moeten weten. Het grote gevaar is dat we over de belangen van onze onsterfelijke ziel heenstormen. Hebben we een geschikte plaats en een bestemde dagelijkse periode om de Heere te zoeken?

beloofde rust
De hierboven aangehaalde woorden van Ds. Tukker zijn treffend en ieders overweging meer dan waard. De Heere geeft nooit vacantie van Zijn dienst, in de kerk en in de binnenkamer. Nee, deze dingen zijn juist de èchte vacantie. Recreatie betekent herschepping. Het heeft te maken met de rust van de sabbath en de latere zondag. Hier wordt de rust geschonken. De Heere geeft nooit vacantie, maar wel altijd rust! De dienst van de Heere is niet gejaagd en mat de ziel juist niet af. O zeker, er kan ook een tijd zijn in het leven van harde dienstbaarheid. Christus riep de vermoeiden en de beladenen, die zuchten onder het juk der wet. In de dagen van Jesaja was het volk vermoeid van hun grote reis, zonder te zeggen: Het is buiten hoop (Jesaja 57:10). Vermoeid van de werken der wet, vermoeid van een strenge godsdienstige werkheiligheid buiten Christus, vermoeid van preken en bidden en werken. Maar juist daartegenover licht het beloftewoord van de Heere Jezus des te rijker op. Ik zal u rust geven. Hoe rijk en heerlijk is zulk een woord.
Maar de Heere neemt ook nooit vacantie, was het tweede element uit de woorden van Ds. Tukker. Hij is er altijd. Hij is een Toevlucht te allen tijde. De dokterswacht is in onze dagen een treurig verschijnsel voor mensen, die heel plotseling en acuut geholpen moeten worden. Te vaak krijg je een antwoordapparaat of een keuzemenu. Nee, bij de Heere gaat het zo niet. Juist in dagen van nood is Hij er voor verlorenen en vermoeiden. Hoe rijk als dat ervaren mag worden. En de ware rust blijft nog over en wenkt nog allen die hier hun hoop op de Heere hebben leren vestigen.
Deze geestelijke overwegingen kunt u niet alleen extra elke zondag het hele jaar door ontvangen, maar u kunt zelfs in de grootste drukte en spanningen deze rust vinden in Hem.
Recreatie is een positief verschijnsel; we kunnen en mogen het positief duiden, maar er zijn ook wel negatieve kanten aan. Sociaal, medisch en kerkelijk gesproken. Denk aan ouderen, die zich alleen voelen in die tijd. Hun kinderen zijn ver weg en dat geeft een gevoel van onrust. Als er eens wat gebeurd of als ze eens niet allemaal meer terugkomen? Er zijn er ook, die tijdens de vacantie uit hun ritme raken en zodoende in de moeilijkheden komen. Een hartinfarct kan een gevolg daarvan zijn. Daarom is het wel nodig om de geestelijke kanten te belichten. Christus heeft gezegd: "Ik zal u rust geven”. Ik las juist deze week een meditatie over de woorden van de Zaligmaker: "Komt gijlieden hier in een woeste plaats alleen en rust een weinig” (Mark.6:31). Dat is de beste rust die gevonden kan worden. Vestig de aandacht van de gemeente op deze geestelijke lijnen, juist ook in deze jachtige tijd. Vacantie heeft te maken met rust en Gods Woord spreekt daar op veel plaatsen heel treffend over.

vreemdelingschap
Er waren eens twee schilders die beide de opdracht kregen om een schilderstuk te maken over "rust”. De ene schilder schetste het idyllische beeld van rimpelloos water op het meer en een windstille dag in de polder, terwijl de vogels floten en de zon straalde. De ander beeldde daarentegen een woeste stormdag uit, waarin bladeren en takken van de bomen afgerukt werden, met een vogel in de boom, die zich vastklampte aan een stevige tak. Het dier had een rustpunt, een vast punt. Zo kan rust verschillend belicht en beleefd worden.
Vacantie heeft ook andere elementen in zich. We zwerven uit over de aarde en komen in aanraking met vreemde culturen en landen. Taal en gewoonten zijn anders. Ik denk aan een kerkdienst nu ongeveer 35 jaar geleden in een zaaltje van de kerk in Hamilton in Canada. Daar zaten toen enkele voortrekkers, de meesten waren al op leeftijd, in een klein groepje bij elkaar. Ik preekte toen over de tekst: "Ik ben een vreemdeling op de aarde, verberg Uw geboden voor mij niet”. Deze mensen wisten beter wat dat inhield dan ik. Ze hadden de moeilijke tijden van de trek naar het verre land meegemaakt. Denk aan de dagen van ds. Tamminga e.a. U moet het boek van Risseeuw, getiteld: " Landverhuizers” maar eens lezen; hij schrijft over de barre omstandigheden van mensen als Ds. van Raalte en Ds. Scholte, die ruim een eeuw terug naar Canada trokken. Een emigrant blijft in een zeker opzicht altijd een vreemdeling. Maar het moest van ons allen gelden.
Een vreemd land en een vreemde taal! Daar worden vacantiegangers mee geconfronteerd. Vandaar dan de lijst Hollandse kerkdiensten, die in de vacantiemaanden gehouden worden in andere landen en streken. Deze hebben een positief effect. Kerkvolk komt wat meer bij elkaar over de vloer en ze merken tot hun verrassing ook nog dat die dominees uit de eigen kerk of uit andere kerkverbanden het zuivere Woord brengen. Het kan meewerken aan een stukje oecumene binnen de kring van de Gereformeerde Gezindte. Ik herinner me dat zo ongeveer veertig jaar geleden Ds. Baan en Ds. K.J. Velema broederlijk de Zwitserse dienst in Interlaken bezochten. Samen met ons en vele anderen. In een meer ontspannen sfeer kon er gesproken worden over natuurlijke en geestelijke zaken. Nu zijn er alom de Nederlandstalige diensten. Het geestelijke en het kerkelijke leven kan er in ruime mate door gediend worden. Zulke diensten en zulke preken kunnen je soms meer nog bijblijven dan de "gewone” diensten. De Heere wil het Woord ook daar soms rijk zegenen.

gevaren
Nog even terug naar ons eigen land.Vanwaar de lege plaatsen in de kerk? Zeker, mensen zijn weg en dat is hen gegund. Maar ik wijs nog op een andere oorzaak. Er zijn ook op veel plaatsen de zogenaamde campingdiensten. Een zondagse dienst op de camping. Zo blijven de vacantiegasten beter in de stemming. De opstart van dit verschijnsel is ongetwijfeld goed bedoeld geweest. Feitelijk zijn deze bijeenkomsten bedoeld voor de onkerkelijke mens, die het en passant tijdens de vacantie wel mooi vindt dat de kinderen worden bezig gehouden. Als evangelisatie kunnen dergelijke bijeenkomsten een goed doel dienen. Hulde aan allen die zich in deze weken daarvoor inzetten en een deel van hun vacantietijd afstaan voor de medemens.
Maar de zaken kunnen wel ernstig uit de hand lopen. Zo’n dienst kan de gemakzucht in de hand werken. Het kan de mensen uit de gewone diensten houden. En dat is koren op de molen van de duivel. Met daarbij de aardigheid dat het er in zulke diensten heel anders aan toe gaat. De voorganger is meer betrokken op de buitenkerkelijke, dus hij moet simpel en eenvoudig spreken. Geen vaste spijs kan er geboden worden en men spreekt er niet voor een gehoor dat bestaat uit "leraars vanwege de tijd”. Alles lichtverteerbaar en vooral dan ook wat luchtig en vrolijk. Het is immers vacantie en je staat op de camping. Dat kunnen we dan trouwens wel duidelijk waarnemen. De kleding van de kerkgangers nadert soms het minimale en er ligt zeker geen waas van eerbied over de kerkdienst. Zo zal het lang niet overal zijn, maar zo gebeurt het wel. Nog te begrijpen als we staan voor buitenkerkelijken, maar volkomen buiten de orde voor kerkleden, die het allemaal toch eigenlijk wel "leuk” vinden. En zo kan het toch ook wel?
We moeten oog hebben voor de schadelijke werking van dit alles. Ook in de vacantietijd gewoon naar de kerk, naar de gewone dienst en de onaangepaste preek. De kerk moet vooral geen ambtelijke diensten beleggen op een camping. Evangelisatie voor de buitenkerkelijken is goed, maar het mag geen loopplank worden naar een wereldse in- en uitkleding van de diensten.
Geef de Heere de hand en kom in Zijn heiligdom. De kerk is een heiligdom en de Heere is daar. Geef Hem de hand, in liefde, maak kennis, telkens opnieuw, en hoor naar Zijn woorden. Hij zal tot Zijn volk en gunstgenoten van vrede spreken.
Dat is vacantie, recreatie. het kan ’s zomers gebeuren, maar net zo goed in december. Het kan plaats vinden in Duitsland, maar ook in Nederland.
Kennen we tenslotte het uitzicht van die dichter, die sprak:
"O vaderland der ruste, daar zwijgen alle lusten, daar rusten moeden uit. Daar is geen drijvers roede, maar rust in overvloede, voor Jezus’ ware bruid”?

 

      

EEN KRANTENVERSLAG         2006

De voorgenomen bespreking van het reglement voor de kerkvisitatie onderbreek ik voor een actualiteit, die deze week mijn aandacht trok. Zijdelings heeft het natuurlijk wel te maken met een onderdeel van de kerkvisitatie, namelijk het toezicht op de leer.
Ik las in het RD een verslag van een "gemeenteconferentie van de Nederlandse tak van de charismati-sche New Winebeweging”. Heel knap van het RD dat men deze beweging op het spoor gekomen is, want het was voor mij en anderen een onbekend verschijnsel. 
Ds. J.G. Brienen sprak daar over profetie. Enkele regels uit de krant van maandag j.l.: "In de gave van de profetie haalt God geen enge dingen met ons uit. We raken de controle niet kwijt. Ook is het niet zo dat wij Hem kunnen uitknijpen” (wat een woord!). "We hebben af te wachten wat God geeft”. Daarnaast werd gezegd: "We gaan het gewoon doen. Ook al kun je het mis hebben”.
Deze zinnen riepen brachten mij in verlegenheid. Erover nadenkend, kwam ik tot enkele afwegingen die ik hierna weergeef.

Mijn eerste gedachte betrof hetgeen gezegd werd, op zichzelf beschouwd. Er ligt een zekere tegenstelling in. Eerst hoor ik van afwachten, later gaat het over gewoon doen, zonder afwachten, want er wordt reeds mee gerekend dat het fout kan gaan. Ik ga er voorlopig vanuit dat het verslag juist is.
Over profetie wordt de laatste tijd meermalen gesproken. Het heeft te maken met een toenemende aandacht voor de gaven van de Geest. Er is een opvatting die we aantreffen bij meerdere oude theologen die stellen dat de profetie na het afsluiten van de Bijbelse canon niet meer voorkomt. In dezelfde krant heeft onlangs drs. Blenk de gedachte geopperd dat profetie in de kringen van Gods kinderen toch meermalen wel voorkwam. Hij betrok het op zaken, die kunnen worden gezien als profetische voorzeggingen betreffende bepaalde gebeurtenissen in de toekomst. Zo kwam het voor dat ouders reeds bij de wieg van hun kind mochten geloven dat het kind behouden zou worden, of de Heere zou mogen dienen in het ambt. Er zijn veel voorbeelden van zulke uitingen te geven. Het kwam ook wel voor dat mensen inzichten kregen in politieke ontwikkelingen in de toekomst, waarbij dan het lot van de Kerk betrokken was. Dit alles stond weliswaar niet los van het Woord; het had alles te maken met een bepaalde toepassing van een Bijbeltekst.
Hierover heeft dan ook ds. Brienen gesproken; in woorden die bevreemding oproepen. Het lijken onbijbelse uitingen en meningen. De discipelen hebben dit zo niet gedaan, toen zij in verwachting heenleefden naar Pinksteren. Zij kenden een diepe afhankelijheid. Er was een verlangen: "totdat over ons uitgegoten wordt de Geest uit de hoogte”. De woorden van Brienen lijken op een avontuur waarop men op goed geluk begint.
Maar Abraham wist toch ook niet waar hij zou uitkomen? Ja, maar Abraham kreeg een bevel, terwijl er  geen direct bevel is tot profeteren. Men zou het gebed om profetisch inzicht biddend in afhankelijkheid ter hand kunnen nemen, maar profetie zonder meer kan men niet zo maar gaan doen. Deze gedachten geven een zeker klimaat aan, namelijk een zuiver Arminiaans getinte boodschap. Alles is maakbaar, zelfs profetie. Je moet wel afwachten wàt God geeft, maar je hoeft niet te wachten totdat God het geeft. David kon zelf de moerbeziënbomen niet doen ruisen; hij moest wachten op Gods moment (2 Sam.5:24).
Ermag zeker verwachting zijn, in biddend opzien, maar de Heere behoudt Zelf souverein de leiding. In de lijn van Brienen doemt het gevaar van de valse profetie op. Let wel: het gevaar. Er zouden profeten kunnen optreden, profeten die brood eten.
Het is goed dat over deze onderwerpen wordt nagedacht. Maar het is te betreuren dat het Bijbelse kader wordt verlaten. In de lijn van Brienen c.s. komen er wèl enge dingen voorbij.

Nu moet ik me de vraag stellen of ik de spreker recht gedaan heb. Wat heeft hij nog meer gezegd. Ik kom nu in de tweede plaats tot de overweging dat misschien het verslag onbedoeld niet helemaal correct de bedoelingen heeft weergegeven. Misschien heeft Brienen wel willen zeggen dat we de zaak van de profetie niet langer mogen terzijde leggen, maar dat er aandacht aan geschonken moet worden. Dat zou kunnen. Misschien zijn er veel andere opmerkingen gemaakt, die de bedoeling verduidelijkt hebben.
Daarom nu ook iets over verslaglegging. Het gebeurt bijna wekelijks dat er berichten in de krant staan, die met pakkende koppen of sprekende slogans de aandacht trekken. Ik begrijp dat het voor een journalist mooi is om opzienbarende zaken te melden. Maar het komt veel voor dat een verslag niet voldoende aansluit bij de waarheid van hetgeen gezegd is.
Mijn artikel zou een ander doel kunnen dienen, namelijk dat u bij het doorbladeren van allerlei kranten er mee te rekenen hebt dat de bedoelingen er niet altijd helder en adequaat uit komen. Zelfs het RD ontkomt bij tijden niet aan het gevaar van en vertekend beeld.

Ga ik nog een stap verder dan kom ik tot de gedachte dat een journalist soms gebrand is op pikante opmerkingen en die doorgeeft als de hoofdzaak, terwijl dat vaak anders ligt. Het vage gevoel heeft mij en anderen om mij heen wel eens bekropen dat het RD bestaande meningen over onze kerken soms heeft versterkt door het verbreiden van geruchten en vertekende beelden. U merkt wel dat ik mij voorzichtig uitdruk. Maar ik hoor zulke vermoedens ook wel eens uit andere hoeken en richtingen. Er bestaat een zeker beeld over een groep of en kerk en deze beeldvorming wordt versterkt door wat de krant dan te vermelden heeft. Het lijkt me voor een christen-journalist een hele opgave om de christen te doen prevaleren boven de journalist. Het Reformatorisch gehalte moet ook blijken in de manier waarop we de feiten weer geven. Vat u dit niet op als een beschuldiging maar zie het liever als een knipperlicht om u te waarschuwen voor dreigende onjuistheden bij het lezen van een krantenverslag.

Dan nog een vierde opmerking die weer iets verder reikt dan de vorige. Ik gaf in het begin van dit artikel al aan dat ik mij erover verbaasde dat het RD de weg naar deze bijeenkomst gevonden had. Men zal zeker een uitnodiging hebben ontvangen. De afweging is er dan of men er heen moet gaan of niet. Dat brengt mij tot de gedachte dat ons gewaardeerde dagblad een steeds breder wordende belangstelling toont voor allerlei kerkelijke en evangelische zaken. Niemand zal daar iets van mogen zeggen. Het is echter wel zo dat de wijze waarop men dan aandacht heeft voor allerlei verschijnselen en uitingen, getuigt van grenzen die verlegd worden.
Ik moet vaak denken aan de ontwikkelingen die zich in de loop der jaren voorgedaan hebben bij de EO. Toen de omroep werd opgestart, waren er duidelijk principiële uitgangspunten. De mannen van het eerste uur stonden voor hen principes. Ok toen waren deze wel eens anders dan de mijne, maar in de hooflijnen was er behoorlijke overeenstemming. Maar hoe anders is alles geworden door de tand des tijds. Ik behoef dat niet aan te geven, want velen wijzen regelmatig op deze veranderingen. Nu is het zo dat er een àndere omroep bestaat dan dertig jaar geleden. Ik neem aan dat de uitwerking van de beginselen in de dagelijkse praktijk niet eenvoudig is en dat men in oprechtheid van mening is dat de eerste lijnen te idealistisch waren. Het zal stellig moeilijk zijn om in omroepland evangelisch of reformatorisch te zijn. Maar wìj, lans de lijn, hebben deze ontwikkeling beslist niet mee kunnen maken en we zijn met velen van mening dat de koers duidelijk afwijkt van Gods Woord.
Bij het lezen van de krant heb ik toch vaak moeten denken aan eenzelfde beweging, die zich ook manifesteert bij het RD. De grenzen worden soms zodanig verlegd dat je soms de indruk krijgt dat men bezig is op te schuiven. Panta rei, alles beweegt. De EO, het RD, de Kerken, ook ìk. Wij allen. Maar we moeten elkaar wel afremmen, als het mgelijk is en de een tegen de ander vermanen om het pand te bewaren. Blijf reformatorisch en geef deze zaken niet op; ruil de dingen niet in voor allerlei schijn, die ons omgeeft. Ik kan op deze plaats geen voorbeelden geven, maar ik heb wel meermalen de redactie gebeld om op sommige zaken te wijzen. Iedere dag ben ik weer verbaasd als ik erom denk, dat er weer een krant vol berichten op de mat valt. Steeds weer wil ik bedenken dat het een bijna onmogelijke opgave is om vanuit Gods Woord over de zaken te schrijven. De achterban is verder ook heel erg breed en men moet ook in commerciëel opzicht de zaken op orde houden. Het zal heel moeilijk zijn om steeds weer de juiste mensen te vinden die het Reformatorsch erfgoed in zich hebben. Ik leef mee met ieder die zijn best doet om er iets van te maken.
Daarom klemt de vraag: Waarmede zal de jongeling zijn pad zuiver houden en dat geldt ook van de mens in het algemeen en van een krant in het bijzonder. Alleen de Heere en Zijn Woord kunnen hier uitkomst bieden.
Zo heb ik enkele bij mij levende overwegingen weergegeven. Het begon met de New Winebeweging en het kwam uit bij het RD. Beide hadden iets met elkaar te maken. Het mes sneed naar twee kanten. Ook naar mijn kant. De vraag van psalm 119 geldt ieder!

           

ISOLEMENT OF ENGAGEMENT?       2007

Jaren geleden was er een corrector, die werkte bij een drukkerij. Hij moest boeken corrigeren op zetfouten. Als hij dan een passage vond met een verwerpelijke inhoud, zette hij in de kantlijn de opmerking: hier ben ik het niet mee eens. De man zou het in onze tijd heel erg druk gehad hebben.

Hieraan moest ik denken, toen ik verleden week de krant las.
Het betrof het interview met Prof. Dr. Johan Polder (we moeten de brug naar de samenleving niet te snel ophalen) en dat met de burgemeester van Barendrecht, de heer van Belzen (Ik ben geen verlengstuk van de partij).
In beide artikelen was er een breed venster naar de samenleving, terwijl er enige distantie werd gevoeld met gedachten die onder ons als reformatorisch volksdeel, leven. Soortgelijke gedachten worden door steeds meerderen geuit.
Beide genoemde personen staan midden in de maatschappij. We beseffen allen dat het zwaar en moeilijk kan zijn om op die post te functioneren. Natuurlijk is het voor ieder die een oprecht christen wil zijn, een zware taak om waar dan ook een ambt of een beroep te bekleden in het publieke domein. De fabrieksarbeider kan ervan meepraten, als hij te maken krijgt met spottende blikken rond het gebed voor het eten. De verpleegster zal ertegen op kunnen zien, als ze handelend moet optreden in een situatie, waarin gevraagd wordt om euthanasie. Winkelpersoneel krijgt het moeilijk, als de claim van de zondagsarbeid onontkoombaar gehoord wordt. Deze voorbeelden zijn met talloos vele te vermeerderen. De scholier, die gewapend met goede voornemens, zijn moed in de schoenen voelt zinken, als klasgenoten het over heel andere dingen hebben dan hij thuis hoort. Zelfs een predikant, die een beschermd beroep uitoefent, staat voor de zware opgave het evangelie op de ziekenzaal of in het verpleeghuis te vertolken, met vrijmoedigheid en liefde.
Dus: een burgemeester, een hoogleraar, zij krijgen weliswaar veel meer op hun bord, maar wat is het verschil tussen hen en de verpleegster, die weigert mee te doen aan een abortusingreep?

Wat me het mest trof was de kritische houding en het bijna afwerend gebaar naar diegenen die teveel verwachten van de christelijke belijder of zelfs van de SGP ambtenaar. Vooral de burgemeester liet soms onverholen merken dat hij juist niet dacht te moeten doen, wat allerlei mensen van hem verwachten. Nu was de interviewer ook niet bang voor vragen op de man af; hij legde de heer van Belzen het vuur behoorlijk na aan de schenen. Prima journalistiek!
Prof. Polder haakte in op het regeeraccoord en hij stond daar uiterst positief tegenover. Zoals zo velen dat reeds kenbaar gemaakt hebben in de laatste weken.
Er zou over deze pagina’s best nog eens stevig doorgesproken kunnen worden. Ik beperkt mij nu vooral tot de weging van het Bijbels gehalte in allerlei opmerkingen. Het viel me op dat er sterk vanuit de praktijk werd gesproken. Het Woord van God kwam niet sterk aan de orde als de instantie, waarop we ons moeten beroepen. Nu is een krantenartikel geen stukje dogmatiek, maar je zoekt als lezer toch wel naar de basis en het fundament onder allerlei beschouwingen.

Laat ik dan iets uit de Bijbel mogen aanhalen en ter toetsing voorleggen aan ons allemaal. Is het trendmatig, dat we bezig zijn afstand te nemen van hetgeen begrepen kan worden met de term "isolement” ? Van Belzen vreesde dat de SGP in een isolement gaat terechtkomen. IK heb altijd gemeend dat de gehele christelijke kerk in een zeker isolement verkeert en dat ook bijvoorbeeld de positie van Israel in Kanaän te typeren was als een geïsoleerd bestaan. Lees er de Richteren maar eens op na.
Het boek Daniël vertoont heel veel lijnen, die van betekenis zijn voor onze tijd. Daniël heeft kunnen functioneren in een regering, die vreemd was aan het Koninkrijk Gods. Bij Daniël was het niet zo, dat er een sterke scheiding liep tussen ambt en privé. Zeker heeft hij aan heel veel zaken deelgenomen en heeft hij zijn invloed kunnen uitoefenen op allerlei terreinen, zodat het volk een stil en gerust leven heeft kunnen leiden.
Maar toch…, als we denken aan het eerste hoofdstuk, waarin de weigering vervat is van jonge mensen, die niet willen eten van de spijs van Babel en die de boeken van Babel naast zich neerleggen, dan is dat ook wel iets voor onze tijd. En wanneer gaan we staan voor de regeerders en zeggen we met Daniël: Breek uw zonden af door gerechtigheid? En wanneer blijven we staan als de muziek van ons vraagt te buigen voor het beeld van de eigentijdse cultuur? En hoe zouden we het schrift aan de wand nog kunnen uitleggen in onze dagen waarin we de gordijnen van onze privé overtuiging dichttrekken, anders dan Daniël?
Deze houding moet óók aan de orde komen en ik heb in de bovenbedoelde krantenartikelen
gezocht naar het rekenschap geven van de hoop die in ons is.
We hebben dit probleem allemaal gemeenschappelijk. Weer noem ik de verpleegster en de soldaat, de arbeider en de klerk, de dominee en de huismoeder. Wij allen laten het er zo vaak bij zitten. We moeten daarin zelf voorop gaan. Maar er zijn ook heel wat mensen, op misschien veel lagere plaatsen, die bladeren in het boek Daniël en in het gehele Woord van God, op zoek naar kracht om nee te kunnen zeggen. Zij hebben onze steun nodig.
Ik hoop niet dat het gewoonte gaat worden dat we al maar over de samenleving praten en al maar minder over de innerlijke overtuiging. Bezin u op uw roeping van Godswege. Ik kom daar alles aan tekort, en velen erkennen het met mij. Maar we moeten onze tekorten niet voorzien va een toch al te pragmatisch motief.
Ik ben heel blij dat er mensen zijn, zoals de geïnterviewden, die verantwoordelijkheden nemen. Tegelijk hoop ik dat zij met mij biddend willen blijven nadenken over het woord van Christus: Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld.

 

 


EVOLUTIE        2007

Andries Knevel heeft van zich laten horen in zijn boek "Avonduren”. Hij sprak woorden van zelfreflectie over de door hem beleefde ontwikkeling in zijn leven; we kunnen spreken van een koerswijziging.  Het had verder te maken met opmerkingen over de ChristenUnie. Hij constateert dat de CU zich in sterke mate aangepast heeft, nu de partij regeringsverantwoordelijkheid draagt (paradigmashift). Opvallende opmerking: de CU zou kunnen opgaan in of samenwerken met het CDA. Knevel zelf heeft geen bezwaar tegen die gang van zaken, maar hij vraagt de CU wel hierin eerlijk te zijn.

de stroom

Voor ons is op deze plaats de conclusie belangrijk dat zowel de CU alsook Knevel beide een ontwikkeling hebben meegemaakt. Deze ontwikkeling: de CU nadert tot het CDA, de EO tot de NCRV. Dat laatste zal niet te veel gezegd zijn. Zulke ontwikkelingen lopen op veel meer gebieden door onze maatschappij en door onze kerken. Men zou misschien kunnen stellen dat onze kerken door de loop der tijden zijn opgeschoven in de richting van de Hervormde Kerk, zoals deze tot voor kort bestond. Kerken van de scheiding soms beduidend veel verder afgedreven dan een deel van de vaderlandse kerk, waaruit zij uit onvrede over de verwereldlijkte koers destijds vertrokken zijn. Er zijn veel plaatsen waar de Geref. Bondsgemeente een meer Bijbelse prediking verwoordt dan de CGK of de GKV.
In dit opzicht is het schokkend om bijvoorbeeld een kerkelijk jubileum mee te maken. Een gemeente die een honderdjarig jubileum beleeft, moet zich gaan verdiepen in de motieven van de stichters van destijds en zal vervolgens bemerken dat men van de motieven van het voorgeslacht ver verwijderd is. Ik hoorde van een niet CG gemeente, die een eeuw bestond. Hoe aandacht te geven aan de mannen van het eerste uur? Dat waren mensen die een zeer rechte en zuivere Bijbelse prediking voorstonden, die wisten van het bevindelijke leven tussen God en de zondaar. Hoe ging men dat onbekende van vroeger gedenken? De gemeente werd opgewekt zich allemaal te steken in de kledij van de vorige eeuw; de oude stijl kwam een ogenblik weerom. Ja, men schrok er zelfs niet voor terug een heel onderscheidenlijke en reformatorische preek te lezen van een dominee van een eeuw geleden. Bezinning op eigen veranderde koers ontbrak; zelfs de preek werd gezien als een stukje folklore. Men heeft ongetwijfeld gedacht dat men er nu gelukkig anders over dacht. Maar best eens aardig om zoiets mee te maken (….). Vroeger woonden de mensen in vaak bekrompen huizen, kleedde men zich omslachtig en pompeus, hield men er bekrompen opvattingen op na, en, welja, vatte men het Woord van God en allerlei geestelijke zaken veel te eng en benauwd op. Wij zijn heel andere mensen geworden. De Kronieken van Juda tonen ons verschillende koningen die goed begonnen zijn en daarvan uiteindelijk weinig van overhielden.
Panta rei, alles stroomt. Alles is in beweging, wij ook allen. En dat gaat geleidelijk. Neem de loop van een rivier als de Rijn. Het water stroomt vanuit Zwitserland naar onze lage landen. Het stroomt al maar. Het komt uiteindelijk terecht in een totaal veranderde omgeving, waar het heel anders is als in brongebied. Zo gaat het water. Maar hoe gaan de vissen? Het is voorstelbaar dat deze in een omgekeerde richting zwemmen, omdat de rivier onderweg vervuilt; de vis zwemt omhoog omdat de bronnen zuurstofrijk water bevatten. Maar niet alle vissen doen dat.
Vanuit menselijk oogpunt bezien kan ik me indenken dat Knevel deze weg opgegaan is. Hij is via zijn functie in aanraking gekomen met de brede lagen van onze maatschappij. Dat zal ook het geval zijn met andere leden van onze kerken, zoals ds. Van der Veer en Rouvoet. We hebben zelfs waardering voor hun inzet op de posten waar zij gesteld zijn. Maar ook zij ontwikkelden zich. En zij gingen op een gegeven moment over een grens, die anderen niet meemaken, zoals de Rijn een grens passeert, als zij stroomt vanuit Duitsland naar Nederland. Maar eerlijkheidshalve zijn wij allen ook in ontwikkeling. De CGK is in beweging, het RD is in beweging, het Reformatorisch onderwijs is in beweging…. Wij hebben op allerlei andere terreinen ook een ontwikkeling meegemaakt, waarop we kritisch moeten toezien. En het water stroomt langzaam, je merkt het nauwelijks; je merkt het pas op een moment, waarop het allemaal al gebeurd is….. Panta (àlles) stroomt. Behalve sommige vissen, die in het oog van anderen wel erg eigenwijs zijn en die onderweg heel veel andere en grotere vissen tegenkomen, die in tegenovergestelde richting zwemmen. Zìj kregen het in de benedenloop steeds meer benauwd. Daarom luidt een bekend woord: ecclesia reformata reformanda est. De kerk der Reformatie moet telkens weer gereformeerd worden. In het schoolplan van een Reformatorische school lees ik de  opmerking over de achterban: "Er is weinig TV-bezit, maar de computerdichtheid is daarentegen groot”. Een zin met consequenties, die ook daar niet doorzien wordt. Ook u en ik doorzien dat niet. U kunt zelf nauwelijks beseffen welke consequenties wij dagelijks nemen. Ik zelf sta dus ook niet vanaf de oever naar de stroming te kijken, de stroming van anderen….. 
De oprichters van de EO zoals ds.Glashouwer sr. en de zijnen hebben echter deze ontwikkeling nooit zo bedoeld. De motieven die leidden tot oprichting van het Refo-onderwijs kunnen verleden tijd zijn. Is het denkbaar dat het RD langzaam maar zeker opschuift naar een blad als Visie? Het zal bij hoog en laag ontkend worden, maar dat is geen garantie. Wij zwemmen allen. U en ik ook. Van Luther is opgemerkt dat hij zich tijdens zijn leven ook aan veranderende visies heeft gewaagd, bijvoorbeeld over de uitverkiezing. Men onderscheidt dan tussen de jonge en de latere Luther. Dat wordt dan weer ingewikkeld. De jongere en de oudere Knevel. En hier kunnen we allen onze eigen naam invullen. Oudere predikanten, bekend met veertig  of vijftig jaar ontwikkeling, nemen in elke gemeente bijna waar dat alles stroomt. Ook in die gemeenten die zich verbonden weten met ons blad. Zij kunnen soms geducht last hebben van hun herinneringen, toen het in die gemeente nog zo heel anders was.

de vissen

Vele zullen opmerken dat het niet anders kán. De tijd gaat verder. We stromen mee….. Op theologisch terrein zijn er (geweest), die hebben gemeend dat ook God Zich aansluit bij de ontwikkelingen van de tijd. Het Pantheïsme als wijsgerige stroming stelt: God is het zijn der dingen zelf. Conclusie: tob niet over alle verandering; het moet zo gaan.
Maar zo denken niet alle vissen. De apostel Johannes ook niet: "Geliefden, gelooft niet een iegelijken geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn uitgegaan in de wereld” (1 Joh.4:1).
Het is niet moeilijk om zulke dringende waarschuwingen met vele andere plaatsen uit Gods Woord aan te vullen. Paulus: "Ik verwonder mij, dat gij zo haast wijkende van degene, die u in de genade van Christus geroepen heeft, overgebracht wordt tot een ander Evangelie; daar er geen ander is; maar er zijn sommigen, die u ontroeren, en het Evangelie van Christus willen verkeren. Doch al ware het ook, dat wij, of een engel uit den hemel u een Evangelie verkondigde, buiten hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt” Gal.1:6-8). Een ander evangelie, een ander Godsbeeld, een andere Jezus! Let op het woord van de Heere Jezus Zelf: "Want er zullen valse christussen, en valse profeten opstaan, en zullen tekenen en wonderen doen, om te verleiden, indien het mogelijk ware, ook de uitverkorenen” (Mark.13:22).
C.S.L. Janse schrijft over dit onderwerp in de Saambinder: "Opvallend is wel dat thans in de brede Gereformeerde gezindte geluiden te horen zijn die doen denken aan de naoorlogse doorbraakpleidooien. (….) Ook op dit punt moeten we constateren dat met een zekere tijdsvertraging gedachtegangen binnensluipen, die nog door een vorige generatie op principiële gronden zijn afgewezen”. Nog enkele zinnen: "Mensen zoeken het graag zelf uit en willen hun eigen keuzes maken. Juist buiten de traditionele kaders ziet men allerlei taken liggen”. Beseft men dat? "Dat zou toch moeten betekenen dat men niet zo makkelijk kan samenwerken met mensen die afwijzend staan ten opzichte van de Gereformeerde leer. Of is het zout al lang smakeloos geworden?” Het speelt ook binnen de Gereformeerde zuil dus. In hoeveel tijden en plaatsen en gemeenten is deze strijd tegen de tijdgeest niet al eeuwenlang gestreden, terwijl de slijtageslag gewoon doorging? Bedenk dan dat mensen als Calvijn en de Cock en Kuyper juist niet meegingen en een tegengestelde beweging hebben gemaakt. Weer het verhaal van die vissen. De overtuigingskracht van hen werd juist gestaald door de tegenstroom. Luther zei over de kern van de zaak: "Hier sta ik, ik kan niet anders” Ik merk om me heen best heel veel aardige en kerkelijke mensen, maar ik mis soms pijnlijk overtuigde karakters, die weten dat het niet anders kan. Onze tijd en onze gemeenten missen pijnlijk de geest van Paulus en Johannes. Tracht in uw leven met de hulp van de Geest des Heeren te zoeken naar een duidelijke overtuiging, want daaraan is de grootst mogelijke behoefte. Te veel mensen menen dat het ook wel anders kan.

Tenslotte iets over de eigenlijke oorzaak van alle verschuivingen: er was een stad waar het volgende gesprek plaats vond en een zekere Godsvreze o.m. opmerkte: "Het is waar, stad Mensziel was sterk en onder zekere voorwaarde, onneembaar, maar gij en de lieden dezer stad hebben haar verzwakt, en zij ligt nu open voor hare vijanden; ook is het nu geen tijd om te vleien of te zwijgen. Gij zijt het, mijnheer Vleselijke-gerustheid, die opzettelijk Mensziel beroofd hebt en hare heerlijkheid van haar hebt verdreven; gij hebt hare torens omvergeworpen; gij hebt hare poorten afgebroken; gij hebt hare sloten en grendels bedorven. En nu om mijzelven nader te verklaren: Van dien tijd af, dat gij, mijne heren van Mensziel en gij, mijnheer zo groot werden, van dien tijd af, is de Sterkte van Mensziel beledigd geworden, en nu is Hij opgestaan en weggegaan. Zo iemand de waarheid mijner woorden mocht in twijfel trekken, dan wil ik hem antwoorden door deze en dergelijke vragen: Waar is Vorst Immanuël? Wanneer heeft een man of vrouw Hem gezien? Wanneer hebt gij van Hem gehoord of enige van Zijne lekkernijen geproefd? Gij houdt nu feestmaal met dit diabolistische monster, maar hij is uw vorst niet. Ik zeg daarom, schoon de vijanden van buiten u niet tot hunnen prooi hadden kunnen maken, zo gij hadt acht gegeven, dat sedert gij tegen uwen Vorst gezondigd hebt, uwe vijanden daar binnen toch te sterk voor u zijn geweest.
Toen zei mijnheer Vleselijke-gerustheid. Foei, foei, mijnheer Godsvreze, foei; zult gij dan nooit uwe vreesachtigheid afwerpen? Zijt gij bang, dat gij van een mus zult schrikken. Wie heeft u kwaad gedaan? Zie toch, ik ben op uwe zijde, slechts zijt gij geneigd om te twijfelen en ik om te vertrouwen. Bovendien, is dan deze tijd zo slecht. Een feestmaal is aangericht om vrolijk te zijn, waarom toch breekt gij, tot uwe schande en onze hindernis, zo uit in zulk ene hartstochtelijke naargeestige taal, terwijl gij zoudt eten en drinken en vrolijk zijn?
Daarop zei heer Godsvreze weer: Ik mag wel treurig gestemd zijn, want Immanuël is van Mensziel weggegaan. Ik zeg wederom, Hij is weggegaan, en gij, mijnheer, zijt de man, die Hem weggedreven hebt. Ja Hij is heengegaan, zonder dat Hij ook de edelen van Mensziel van zijn weggaan heeft gesproken, en zo dat geen teken is van Zijnen toorn dan ben ik niet bekend met de manieren der godzaligheid.
En nu, mijne heren en edelen-want mijne taal is nog tot u- uwe toenemende afwijking van Hem, zette Hem gaandeweg aan om van u te vertrekken, hetgeen Hij eerst deed voor enen tijd, of gij daardoor niet misschien gevoelig zoudt gemaakt worden, en de band zou worden vernieuwd, door uzelven te vernederen, maar toen Hij zag dat niemand opmerkte, noch deze vreselijke beginselen zijner wrake en zijns oordeels ter harte nam, ging Hij weg uit zijne plaats; en dit zag ik met mijn eigen ogen. Daarom is, nu gij zo roemt, uwe sterkte weg; gij zijt gelijk de man, die zijne lokken verloren heeft, welke te voren om zijne schouderen golfden. Gij moogt met dezen heer uws feestmaals u diets maken, en besluiten te doen als op andere tijden; maar daar gij zonder den Vorst niets doen kunt, en Hij van u weggegaan is, verander daarom uw feestmaal in zuchten en uwe vrolijkheid in geklag.
Toen de ondergeschikte Prediker, de oude heer Geweten genaamd, en die oud-Verslaggever van Mensziel was, ontstelde over hetgene gezegd werd, begon hij het aldus te ondersteunen.
Waarlijk, mijne broeders, zei hij, ik vrees dat mijnheer Godsvreze ons de waarheid zegt. Ik, wat mij aangaat, heb mijnen Vorst gedurende enen langen tijd niet gezien. Ik voor mij kan mij den dag niet herinneren. Ook kan ik mijnheer Godsvreze’s vragen niet beantwoorden. Ik vrees en ben bang, dat alles slecht met Mensziel staat.
Is dit gesprek niet bekend aan allen die de Heere vrezen? Ligt hier niet de breuk van al ons veranderen en aanpassen? Moet het niet in mijn hart zo klinken, en in het uwe en onze? Zou het zo erg zijn? Maar, zo vraag ik, als dit nu eens een weergave is van onze dagen? Dan is de zaak hoogst ernstig!
"De ware vreemdelingschap wordt alleen gevonden in de weg van de waarachtige bekering. Dat onze bede zou zijn: Zend Uw licht en Uw waarheid, dat die mij leiden” (C.S.L. Janse).

            

 

HET MUSEUM          2008

De gedachte, die kortgeleden werd gelanceerd over het refomuseum, laat me nog niet los. Ik eindigde er mijn vorige artikel mee. Als ik me in gedachten verplaats naar jaren later, zeg maar het jaar 2040, dan kan ik me voorstellen dat men met verwondering terugblikt op het verleden van de kerk. Ik waag een poging om u daarin mee te nemen.

goud

Ik eindigde met de gedachte dat de Bijbel en zeker ook de Gereformeerde Belijdenis ooit in de vitrine terechtkomen. Dat behoeft niet eens letterlijk te gebeuren, het kan ook op figuurlijke wijze.
Neem de Statenbijbel. Zo’n mooie Bijbel met koperen sloten in een stevige leren band. Hij zal erkend worden als religieus erfgoed. Na vele jaren zal er misschien in een bepaald opzicht nog meer van uitgaan dan nu. Hij hoort thuis op de kansel. Een rijk en mooi gezicht. Maar stel u voor dat ons voorgeslacht er ook thuis uit las. Zoals de moeder (?) van Rembrandt. Een Bijbel, zwaar van gewicht, maar evenzeer zwaar van belang en waarheid. Hoe konden de mensen thuis uit zo’n machtig werk lezen? Ons nageslacht zal bedenken dat deze Bijbel onze taal gestempeld heeft, zoals deze nu doorspekt gaat worden met termen uit de sport en de popstijl.  Men zal verbaasd staan dat er uitgevers waren, zo lang gelden, die zonder de moderne middelen zo’n magistrale uitvoering konden geven aan Gods Woord. Want daar ging het hen om. Het kan goed zijn dat de taal van de Bijbel verstaanbaar gemaakt wordt, maar is juist die specifieke taal niet een gewijd gewaad voor het eeuwige Woord? En wat zal men zeggen van de Kanttekenaren? Waarin de godgeleerdheid van ons voorgeslacht zo rijk uit mocht komen? Stoer en verheven, eerlijk en majestueus, zo klinkt nu nòg steeds de taal van de Statenbijbel. Zo vinden we de koninklijke stijl van Jesaja zelfs terug in de vertaling. Hoe hebben de Kanttekenaren Christus gezien in het Oude Testament? Hoe ver strekte hun kennis van de grondtalen, waarvan ze telkens weer blijk gaven? Men zal in 2040 toch niet moeten zeggen dat dèze Bijbel niet meer functioneert en geen plaats meer heeft? Bedolven onder allerlei andere weergaven, die wezenlijke aspecten missen? De tijd zal ooit komen dat men zal zeggen: Ooit geloofde men in deze waarheid. Wat geloven we nu? Wat is nu voor ons nog waarheid?
Ook de Gereformeerde Belijdenis zal tentoongesteld worden. Ik stel me eens voor dat er iemand uit de Evangelische kringen bij staat. Hij zal misschien zich herinneren dat hem geleerd is dat alleen de Bijbel onze achting waardig is. Die Belijdenis was voor hen een papieren paus. Tegelijk zal hij bedenken dat daarna in zijn kring steeds meer het besef doordrong dat die Belijdenis toch een grote betekenis had, als een woordenboek op de Bijbel. Reeds nu horen we regelmatig in die kringen, dat er toch behoefte is aan de Bijbelse leer en de samenvatting van het Woord, omdat we anders gaan leven bij losse teksten en minder bij de hoofdstroom van de Schrift. Het kan best zijn dat daar straks meer behoefte wordt gevoeld aan de aangenomen leer dan in menig kerkelijke kring, waar de band aan de Belijdenis al losser werd. Men zal zich dan ook zeker afvragen waarom dit alles toch langzaam maar zeker werd achtergesteld bij allerlei moderne uitingen. Misschien zal er een hunkering zijn naar de tijd waarin deze Belijdenis echt een plaats had in hart en leven. Het kan gebeuren dat men dàn scherper het proces van toegeeflijkheid en laksheid inziet dan wij in dèze tijd. Juist als we spreken over Schrift en Belijdenis zal de uitholling en de geest van diepe slaap gezien worden van òns geslacht die dit alles zich liet ontnemen. Hoe kon het zijn, zo zal men zeggen, dat de Catechismus, ooit leerstof voor kinderen op de basisschool, niet meer werd begeerd en langzaamaan steeds minder plaats kreeg, totdat niemand er meer naar vroeg. Toen leerstof voor kinderen, nù de klacht van volwassen mensen die zeggen dat we het niet meer begrijpen….. Heeft de kerk destijds onder dit alles geslapen? Zij, die er in opgevoed zijn, hoe konden zij toch in de loop van een mensenleven alle gouden en zilveren vaten in volle zee overboord gezet hebben, terwijl er geen sprake was van noodweer; het gebeurde alleen maar vanuit de behoefte om zo weinig mogelijk balast te hebben en zo hoog mogelijk op de golven van de tijdgeest voort te gaan over de wereldzee.
En neem dan ook eens het kerkboek, met daarin de psalmen; ik denk aan de psalmbundel van 1773. Men zal het zich herinneren: het begon in de Christelijke gereformeerde kerken met een nieuwe berijming. Want de oude psalmen spraken steeds minder aan en leken hun kracht te verliezen. Er stonden inderdaad verouderde woorden in en er was ook wel iets van de mens in verwerkt aan gegevens die niet in de tekst stonden. Maar was de nieuwe berijming dan echt veel beter? Speelse rijen in plaats van statelijke rijen? Dochteren van koningen werden nu genoemd hoogweldelgeboren vrouwen. Dat neemt niet weg dat de dichterlijke talenten in de nieuwe berijming een zekere schoonheid uitstralen. Maar men vergat toen dat de oude berijmingen, zowel Datheen als die van 1773, een sterke gevoelswaarde hebben voor het hart van de christen. Beter één berijming die centraal wordt gezongen dan drie verschillende boekjes, die allemaal op afstand blijven en nooit een vertrouwde plaats in zullen nemen. En lang na de genoemde kerken, begon zelfs ook de Gereformeerde Gezindte (in engere zin) te spreken over de onverstaanbaarheid van de psalmen van 1773. Ze kwamen niet te dichtbij, maar wel op afstand achteraan. Dat was in het jaar 2008; toen verschenen er telkens artikelen in de krant die feitelijk suggereerden dat deze berijming niet meer goed kon worden gezongen. En men is ervoor bezweken; gaandeweg ging iedereen het geloven, maar nu zijn we eigenlijk de psalmen kwijt, omdat zo veel verschillende berijmingen wel in de breedte, maar niet in de diepte wortelen. En natuurlijk ook omdat de mensen toen het vrije lied van de opwekking binnengehaald hebben. De psalmbundel in het museum?

en zilver

Mocht men ooit toch besluiten tot oprichting van zo’n museum met religieus erfgoed, dan heb ik nog enkele attributen in gedachten, die men zeker niet mag vergeten. Ik noem dan eerst het groene lampje. Nu reeds weten de meeste niet meer dat het ooit in veel kerken een plaats had, boven de kansel. Dat was van een heel andere tijd. Toen waren de plaatsen verhuurd, zodat de kerkgangers een eigen plaats hadden. Terecht plaatste men daarbij een vraagteken. Het was eigenlijk niet goed te keuren. Maar, vanwege die eigen plaatsen werd het de gasten en vreemdelingen niet makkelijk gemaakt de diensten bij te wonen. Voor hen was het groene licht. Wat een opluchting als eindelijk om drie minuten voor de aanvang het lampje ging branden. Soms stonden de paden vol met mensen, die erop wachtten. Zo kort voor de dienst zocht men dan snel een goede plaats uit. Toen echter de eigen plaatsen, de betaalde plaatsen zelfs, waren afgeschaft, was er niet veel veranderd. Vreemden, die rechtmatig mochten plaatsnemen, overal en waar dan ook, werden niet zelden van hun plaats gejaagd met hier en daar een grauw en een snauw. Men betaalde dan wel niet meer voor de plaats, maar men betaalde vrijwillige bijdragen. Was er eigenlijk wel zo veel verbeterd? We zijn het lampje kwijt. Maar….., ook die volle gangpaden van mensen die wisten dat daar de waarheid werd gepreekt. Het hongergevoel is sindsdien sterk afgenomen. Waarom trekt de prediking de mensen niet meer? Er was een tijd dat de rechte prediking, zeker ook binnen onze kerken, mensen van buiten de gemeente trok, omdat die prediking nog vertrouwen wekte. Maar wat zegt nu het naamplaatje aan de gevel van de kerk?
Zeker zullen ook de collectezakken aan de lange stok niet ontbreken. Ze zijn nu vrijwel overal verdwenen, al zijn er nog enkele gemeenten onder ons die deze praktijk nog kennen. Je kon er met genoegen naar kijken. De broeders diakenen, voorzien van zwarte handschoenen, trokken met een zekere stemmigheid, door de paden, van plaats tot plaats en van mens tot mens. Dat gebeurde dan onder plechtig gezang. Toen heel gewoon, zal men zeggen, maar er ging wel echt wat van uit. Misschien had die manier van offeren toch wat meer een persoonlijke kleur, al is er geen kwaad woord te zeggen van de tegenwoordige manier van inzamelen. Ja, het gebeurde onder het zingen. Maar men ontdekte in onze kerken, want daar leefden dit soort ideeën wel vaak, dat collecte en zingen niet konden samengaan. Men vond het oneerbiedig. Nu hebben we een andere dreigende combinatie: offeren en door elkaar heen praten en soms bijna luidkeels gelach, zodat het orgelspel nauwelijks nog doordringt. En, als de lange stokken konden spreken, zouden ze kunnen vertellen van een volk, dat soms de gouden spelden van de klederdracht in de zak liet belanden. Ze zouden kunnen vertellen van grote mensen met kleine gaven en ook omgekeerd. Maar die mooie combinatie van zingen en offeren had toch een grote meerwaarde boven de praktijk van onze moderne tijden. Ja, al die herinneringen zullen eenmaal boven komen. Lag er niet iets van wijding in? Ik geloof het als men zegt dat men dat zo niet voelt. Ik zou dan antwoorden: je moet de sfeer geproefd hebben….. En dat is het heus niet alleen nostalgie.
Wat hebben we nog meer? Misschien ligt er ook wel een rol King, vlakbij de collectezakken. Bij uitstek een heel trouwe kerkganger. Die naam geeft echter aan dat lang niet alles altijd maar even stemmig en goed was. Want die rollen kunnen vertellen van veel oneerbiedigheid. Een vreemde gewoonte, dat snoepen in de kerk. Er waren zelfs voorgangers, die maar even wachtten met het begin van de preek, om geen valse start te maken. Het gebeurt buiten de kerk eigenlijk nooit in een samenkomst van veel mensen. Ik durf niet hardop te bedenken waartoe de snoeprol toch dienen moet tijdens de kerkdienst. Vooral ook de moderne snoeprol, met de krakende omhulsels. Het gebeurt ook niet meer bij het begin van de preek en na de tussenzang (die was daar misschien toch ook nog wel goed voor). Nee, men ontrolt nu soms continue, het een na het andere. Wie zal er nu steekhoudend kwaad van zeggen? Het museum laat ook zien dat er kwalen van alle tijden zijn, die niet altijd te rijmen zijn met de verschuldigde eerbied en aandacht. Het wordt nog erger als men preken en dominees als een vorm van snoepgoed aanmerkt, omdat juist die man of die preek net iets beter smaakt dan de rest.
Wat een museum dan allemaal al niet kan vertellen. En dat ligt daar ook het bordje over de kledij van de dames. Vrouwen en meisjes worden verzocht met gedekte hoofde en eerbaar gekleed de kerkdiensten bij te wonen. Zo ongeveer. Wat zal de rondleider daarvan zeggen? Natuurlijk zal hij nog wel weten te zeggen dat er nadelen waren verbonden aan zo’n verzoek in het portaal. Men knoopte er soms de vreemdste conclusies aan vast, die ik niet ga opsommen. Maar hoe zal de schare er uitzien in 2040? Hoe ziet de gemeente er nu uit op een mooie zomerdag? Zal de hoed misschien niet in het museum terechtkomen, of zal straks de wereld deze alleen nog maar hebben overgehouden voor hoogtij en plechtstatigheid? Eigenlijk was dat verzoek helemaal niet zo misplaatst als men wel wilde doen geloven. Vrijheid en blijheid is ook niet alles. Het zondagse pak en de eenvoudige (dat moet ook gezegd worden!)  stemmige kledij is een kerkdienst waardig. Natuurlijk waren en zijn er ook gemeenten waar zo’n bord aan de wand in het portaal niet nodig is. Gelukkig maar.
De oude klederdrachten hadden veel voor misschien? Deze muntten vaak uit in stemmige kleuren, zoals wit en zwart. Als ik van Harderwijk uit over de Zuiderzeestraatweg reed in de richting Zwolle, zag ik rond de aanvangstijd van de kerkdiensten overal in de dorpen de schilderachtige dracht van mannen en vrouwen langs de weg, op de fiets.
Ik moet het museum uit. Ik zie in de verte nog meer liggen: een tekstbriefje, met allemaal psalmen…. Een preekboekje van 16 of 20 pagina’s. Zal dan de preek ook al in het museum terechtkomen? Zeker wel, díe preken in ieder geval wel. Om van de inhoud nog niet te spreken. Preken met een toepassing, waar de mensen voor gingen zitten, preken die echt wegwijzers waren naar Christus. Natuurlijk kan dat ook veel korter. Het zou wel met een zin kunnen, zoals in Johannes 3:16. Maar die preken geven aan dat men er de tijd voor nam. En dan kom je vanzelf wel terecht bij de zandloper van heel vroeger, op de preekstoel. De overheid telde soms het aantal zandkorrels uit. 

Als ik het verhaal nog eens overzie, kan ik er best wel van schrikken dat men het heeft over een refomuseum. Misschien moet die gedachte ons wel wakker schudden, want het is (gelukkig) nog geen 2040. Het is nu nog 2008. We hebben nog allerlei dingen over, die nog niet echt hun plaats achter het glas gekregen hebben. En de Heere zegt: Houd wat gij hebt, opdat niemand uw kroon neme. Dat is de les van het museum.

 

 

HET VERLEDEN         2008

Drs. Bart Wallet schreef in het RD op uitnodiging over een onderwerp dat de laatste tijd in zijn ogen onderbelicht is geworden. Wallet levert zijn bijdrage onder het thema: Geschiedenis heeft geen gezag.
We kennen Wallet ook als scribent in ons kerkelijk orgaan "De Wekker”. Daarom trok zijn betoog mijn aandacht. Ook omdat het onderwerp uitnodigt om erover mee te denken.

heiligenverering

De kern van zijn betoog heeft een Bijbelse achtergrond. Ook Gods Woord waarschuwt tegen het bouwen van de graven der profeten en het vermaant ons: "Weest niet gelijk uw vaders” (Zach.1:4).
De zaligheid is in geen andere naam. Geen Mozes of Abraham, zoals de Joden daarin roemden tegenover de Heere Jezus. Een beschuldiging tegen Stefanus luidde dat hij lasterlijke woorden had gesproken tegen Mozes en tegen God (Hand.6:11).  Deze volgorde is een verkeerde. De Heere staat boven alles en allen. De RK kerk kent haar heiligen, maar hebben wij deze ook? Onlangs beantwoordde iemand deze vraag bevestigend.
Er is een tijd geweest dat Calvijn het absolute einde was van alle tegenspraak. Dat geldt feitelijk ook van heel veel oude schrijvers, al maakt de verscheidenheid onder hen het niet altijd gemakkelijk om een centrale mening te distilleren uit hun geschriften. De opmerkingen van Wallet dienen een goed doel. Hij voert daarbij weer een andere reden aan dan wij misschien zouden doen. Het verleden kan ons gijzelen, zo merkt hij op en hij acht de toekomst daarbij zeker net zo belangrijk. Persoonlijk zou ik liever denken aan de grove zonde der Joden die Abraham en Mozes plaatsten tegenover en vooral ook boven de Heere Jezus. In dát geval gaat het helemaal verkeerd. Daar waarschuwt Gods Woord ook voor. Niet "Mozes en God”, maar "de Heere en Mozes Zijn knecht” (Ex.14:31). Dat is de goede volgorde.
Mensen uit het verleden gaan te veel gezag krijgen, als het gezag van de Heere afneemt. Het verleden is niet heilig, maar God is heilig. Zouden in een preek met afwijkende gedachten maar enkele namen vallen zoals van Brakel en van der Groe, dan zou dat velen geruststellen.
Mogelijk denkt ook u met mij met een zeker heimwee terug aan de tijden die gingen. Niet zo jachtig als nu, meer authentieke personen onder Gods volk dan tegenwoordig, meer glans aan het geestelijke en kerkelijke leven, een meer kinderlijk geloof in de waarheid en de betrouwbaarheid van Gods Woord, dit alles hoort bij de verleden dagen. Toch zouden wij met elkaar niet zonder meer kunnen leven in die tijd. En evenzeer zouden onze ouders of grootouders, die misschien al lang heengingen, nog terug kunnen met deze tijd. Trouwens, een enkel mensenleven kan dodelijk vermoeid raken van alles wat gebeurt en verandert. Dat ligt ook opgesloten in de bekende uitdrukkingen dat de vromen uit het Oude Testament stierven "oud en der dagen zat”. Is de vloek op de zonde, namelijk het sterven, ook niet in zekere zin een weldaad? Niemand, zeker niet Gods kinderen, zouden hier altijd willen blijven. De mens leeft graag, maar dan betreft het niet de verwording van het menselijk leven door de zonde, maar dan gaat het om het ware leven, namelijk het kennen van de Heere.

de weg terug

Dat neemt niet weg, dat het verleden ook een bron van gewenst onderwijs genoemd kan worden, mits goed opgevat. "Gedenkt de vorige dagen”, zo lezen we in Hebr. 10:32. Ook Wallet sprak over de goede kanten van het verleden. Voor de Hebreen was dat van groot belang. Er waren wissels omgegaan in hun geestelijk verstaan van de dingen, er was een breuk ontstaan met de dagen van weleer. De belijdenis der hoop had zijn betekenis en glans verloren, de gebrachte offers voor de Heere en Zijn dienst bleven thans achterwege, er waren slappe handen en struikelende knieën die schade aanbrachten aan de zaak van het Evangelie. Op die soortgelijke manier worden in de Schrift meerdere gemeenten herinnerd aan een tijd die helaas passé was. De zeven gemeenten moesten in veel opzichten weer terug naar vroeger: Uw eerste liefde werd verlaten, doe de eerste werken, houd wat gij hebt, gedenk hoe gij het ontvangen en gehoord hebt….
De dichter wil gedenken hoe voor dezen ons de Heere heeft gunst bewezen. De wonderen vanouds zijn van het grootste belang. De uiteindelijke spits van het artikel van Wallet lijkt me dan toch af te wijken van deze toch wel doorslaggevende lijn in Gods Woord. We behoeven het verleden niet over te doen en we behoeven ook niet het geloofswiel uit te vinden of de leer vast te stellen.
Concreet toegepast op onze situatie: het geloof van uw grootmoeder kan zeer wel voor u mede ook een oproep zijn om terug te keren naar de bronnen der zaligheid, die in uw opvoeding tot u gekomen zijn. Het is waar dat de toepassing daarvan voor u en uw kinderen u stelt voor nieuwe problemen en die zijn niet gering. U mag ook gerust onderzoeken of alles altijd wel Bijbels was en wat dat niet was, kunt u bijstellen, maar onderzoek wel eerlijk en laat u niet meeslepen door allerlei stemmen die zeggen dat het nu anders moet en dat het niet meer kan zoals vroeger met "de oude antwoorden”. Dat is gevaarlijke taal.
Het moet eerlijk worden opgemerkt dat de massa in Nederland ook binnen de kerken allerlei verbindingen met voorheen doorgeknipt hebben. Oude ballast. Oud brood en oude schoenen, zeker, daar leef je niet graag mee, maar oude wijn en oude wijsheid heeft en houdt betekenis. Er is een internetsite die heet: "Oma weet raad”; was het maar waar dat ons volk weer wilde beseffen dat oma die nog naar de kerk ging en opa die dagelijks zijn knieën boog raad zouden weten op allerlei moderne vragen. Veel moderne vragen waren er vroeger ook al, maar die werden opgelost vanuit de vreze des Heeren. En daarmee hebben u en ik het moeilijker dan vroeger, maar dat is eerder een teken van geestelijke armoede dan van nieuwe inzichten.
In geestelijk opzicht betekent dit dat we toch nog maar eens moeten kijken naar die namen van vroeger. Bekering betekent wederkeren, niet zonder meer naar vroeger, maar naar de Heere; maar toch ook weer naar het oude leven met God. Wij kunnen dat met elkaar zo maar niet en we willen het misschien ook niet, maar zou het niet goed zijn? Hebt u misschien in uw eigen korte leven niet oorzaak om eens om te kijken? Heb ik in mijn leven iets mogen ondervinden van een nieuw begin dat de Heere heeft gemaakt, dan moet ik in ieder geval aan dat uitgangspunt vasthouden. Ik ontmoet meermalen mensen die dat graag zouden willen en die zelfs wel verlangen naar de dagen van eertijds, maar zij verkeren in een zekere onmacht om daar te komen. Ik voel met hen mee. En dat geeft smart. En tegelijkertijd kunnen zij het er nog redelijk mee uithouden en zijn ze niet vastgelopen met deze dingen. De gemeente van Efeze had de eerste liefde verlaten. Velen hebben dat ook zo gevoeld in hun beleving, maar ze zagen het teveel als een lot of een noodwenig en onontkoombaar  gegeven; dat zien we dan verkeerd want de Heere stelde hen aansprakelijk: "doe de eerste werken”.
De nieuwe tijden van heden maken ons wel onrustig want het gaat niet goed, zoals velen zeggen, maar de moderne tijd is toch ook eigenlijk wel mooi en veel ontwikkelingen komen ons eigenlijk ook wel weer goed uit. Zo drijven we alle langzaam maar zeker af. Wallet pleit voor een inspiratie vanuit de toekomst. Dat zou zeker wel een goede impuls kunnen geven. Denk maar aan het laatste oordeel op de wolken des hemels, of aan het nieuwe Jeruzalem, dat neerdaalt uit de hemel. Hoedanig behoorden wij dan te zijn in heilige wandel en godzaligheid. Maar er is dan toch ook continuïteit met het verleden. Laat ons onze wegen onderzoeken en doorzoeken en laat ons wederkeren tot de Heere. De verloren zoon moest de weg terug gaan; daar had hij jarenlang geen zin in gehad want dat was toch wel benauwend en eng, maar er kwam toch een tijd dat hij het graag deed. Hebt u iets tegen op die wachtende Vader Die uitziet naar Zijn afgedwaalde kinderen? Helaas hebben we dat vaak wel. Ook de oudste zoon had daar moeite mee. Hij zat dagelijks met zijn vader aan tafel en toch koesterde hij diep in zijn hart de begeerte om met zijn eigen vrienden, zonder zijn vader, feest te vieren. O, wat zit de breuk diep in ons hart en wat kunnen de varkens ons nog onderwijzen betreffende het grote verleden van ons leven. Wij dwaalden ieder als schapen en wij keerden ons een iegelijk naar zijn weg; maar de Heere heeft ons aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen. Daar ligt de enige hoop. In Hem, Die nooit veranderd is en Die de Zijnen liefgehad heeft tot het einde. Dus zegt de Heere tot ons: "Indien gij zult wederkeren, zo zal Ik tot u wederkeren”.

oude bronnen

Wat betekent dat nu voor het kerkelijke leven? Noem ze op in een willekeurige rij: Luther, Calvijn, de Cock, enz. Laat ik vooraan de rij mogen plaatsen: Jezus Christus. Alleen vanuit Hem en Zijn naam krijgen zij betekenis, ook inzover zij Hem hebben mogen dienen.
De oude Hervormde kerk was weliswaar een belijdeniskerk (met een vastomlijnde belijdenis), gevormd in het verleden, maar later wilde men ook een belijdende kerk worden. Op eigentijdse wijze verwoorden wat in het verleden was vastgesteld. Men hielde de belijdenis quia (omdat) en quatenus (voorzover) deze overeenstemde met Gods Woord. Daar hoort u de wissel en het landschap verandert. Dat leek toen typische Hervormd en we werden daar destijds tijdens de opleiding duidelijk  voor gewaarschuwd. Maar mijn broeders uit die tijd zullen het me toestemmen dat veel waar we toen in negatieve zin over hoorden spreken, nu gemeengoed lijken in sommige kringen van onze eigen kerken. Dat doet dan wel pijn. Dat voelt aan als een verloochening. Van mensen, maar bovenal van de Heere en Zijn dienst. Kunnen we onder de indruk zijn van onze antwoorden in de 21e eeuw, waarvoor Wallet pleit? Thorbecke zei: Wacht op onze daden. De daden van de moderne belijders moeten nog wel komen. Er is nog niet zo heel veel van gezien.
De historie van onze kerken zal ons niet willen gijzelen. Hooguit wil de geschiedenis ons raad geven. Het verleden is als een wijze leraar, die ons waarschuwt voor gevaren en die ons wil doen wandelen op de weg van het verstand. Toch maar blijven waarschuwen voor Arminius en ons leiden naar het monument in Geneve. Ik voel me persoonlijk ook absoluut nog geen gijzelaar.
IK heb in een stad gestaan met twee gemeenten die beiden behoorden tot ons kerkverband. Een eigentijdse gemeente en ook een meer consistente (gelijkmatig) gemeente, die zichzelf wilde gelijk blijven. Ik heb meermalen gedacht: als predikanten van honderd jaar geleden nog zouden kunnen preken, dan zou dat in de laatste gemeente nog enigszins kunnen; de andere gemeente leek me daar toen de grootste moeite mee te hebben. De een is vast niet beter dan de andere, maar laten we liever verkeren met de wolk der getuigen dan met hen die "naar verandering staan”. Hiermee is over niemand een oordeel uitgesproken. We lopen allen het gesignaleerde gevaar.
En verder is het voor alle gemeenten maar moeilijk om een jubileum mee te maken. Een dergelijk gedenkwaardig feit ontdekt ons aan ons verlies. Er is in een eeuw zo heel veel veranderd. De weg der bekering ligt open en nodigt ons uit. Het is een goede combinatie: oude sporen, nieuwe wegen. Heilzaam voor ons, ook voor de jeugd. Zij zullen de eerste zijn om dat te erkennen. Johannes zei het zo: Broeders! Ik schrijf u geen nieuw gebod, maar een oud gebod, dat gij van den beginne gehad hebt; dit oud gebod is het woord, dat gij van den beginne gehoord hebt.
Het is goed om hierover na te denken.  Het een vult het andere aan. Laten we de bronnen van Abraham opgraven, dan zal de Heere ons ruimte maken, in het beloofde land.

 

 

IN DE BRESSEN         2008

Opnieuw deed een theoloog van zich spreken. Ditmaal dr. F. Harinck, die onrust veroorzaakt binnen de Vrijgemaakte kerken. Hij brengt hulde aan de moderne afgoden (homoseksualiteit, positie van de vrouw, Roomse mis (dat is nieuw). Er zijn er de laatste tijd meer voorbijgekomen in deze rubriek. Wat zal ik er nu van zeggen?

Het kan gaan vermoeien. Weer iemand die "omvalt” en de moderne tijd omarmt. We hebben het zien gebeuren binnen de EO en de CU, het komt telkens weer voor in kerken, we nemen het ook waar binnen de Evangelische beweging zelfs (Ouweneel), en zo kan ik nog even doorgaan. Achter deze lange rij lopen u en ik misschien ook, min of meer in de verte, maar we zijn er wel bij. Het is op de lange duur een proces, dat ons allen bereikt. Zoals een kwaal langzaam maar zeker het gehele lichaam aantast.
Gelukkig zien we ook steeds weer dat er protesten ontstaan. Binnen de GKV zien sommigen Kuitert aankomen…. En daar niet alleen! Men is daar verontrust over. Maar het woord "verontrusting” zelfs is ook aan slijtage onderhevig. Het woord valt gedurig, maar het brengt geen keer in de situatie. De stroom gaat verder.
Daarom heb ik hierboven gesproken over de bressen. Daaronder verstaan we allerlei gaten en doorgangen in de muur van de stad Jeruzalem, die in tijden van oorlog openvallen. Gevaarlijke breuken in de verdediging, waar de vijand doorheen kan komen. De muur die moest verdedigen, heeft het begeven. Juist op die plaatsen moesten soldaten zich opstellen.Maar juist daar zijn ze erg kwetsbaar. Ze kunnen zo maar sneuvelen of gewond raken. In het boek Nehemia leest u over het werk aan de muur. De muur vraagt telkens weer aandacht en de vijanden spotten juist met de muur van Jeruzalem, die zelfs door een vos kon instorten.
Van de valse profeten wordt gezegd dat ze de bressen niet hebben toegemuurd. Lees maar Ezech. 13:5  "Gij zijt in de bressen niet opgetreden, noch hebt den muur toegemuurd voor het huis Israels, om in den strijd te staan, ten dage des HEEREN”.
Ze lieten de vijanden binnenkomen. Voor dat gevaar moeten we oppassen. Wij ook. Daarom verbind ik enkele algemene conclusies aan het verschijnsel van ontbinding en verval, dat zich telkens weer aandient.

Het Reveil

Het steeds weer wijzen op allerlei bressen brengt misschien ook een negatief effect, namelijk gewenning. Het moet nu eenmaal zo gaan. Verder ziet ook niet iedereen die speciale gevaren. Ook daarover bestaat verschil. Ik merk echter toch dat er meerderen zijn, die duidelijk waarnemen dat er een sluipend verval aanwezig is. Een kever die knaagt aan de gebinten van de kerk. Ik noemde de Wekker, ik las recent nog van dr. Visser uit den Haag dat hij aangaf hoeveel kerken er in de grote stad verdwenen zijn, een verschijnsel dat zich nu over het gehele land verspreidt. Ik heb dat zelf schrijnend in Utrecht ervaren toen ik daar predikant was. Er zijn er velen dat nadenken over het geestelijke ontbindingsproces. Men onderneemt pogingen om zich teweer te stellen, om in de bressen op te treden. Ik heb daartoe de vorige keer ook een aanzet gegeven, speciaal voor onze kerken. Terug naar de roots.
Ik wil hier nu de naam van het Reveil noemen en ik wil daaraan enkele gedachten ontlenen. Ik lees in Wikipedia hierover een korte samenvatting: "Het Réveil (1815-1865) is een internationale opleving van het christelijke denken in het negentiende-eeuwse Europa. In Nederland is Willem Bilderdijk de vader van Het Réveil. Onder andere Isaäc da Costa, Samuel Wiselius, Willem de Clercq en Groen van Prinsterer waren zijn leerlingen. Ook in andere landen van Europa is van een opleving sprake, met name in het oosten van Frankrijk, Zwitserland, waar de beweging ontstond en het zuiden van het huidige Duitsland. Het Réveil heeft invloed gehad op staatkundig terrein. Mede door haar toedoen zijn aan het einde van de 19e eeuw de anti-revolutionaire en christelijke historische partijen ontstaan. Ook voor allerlei concreet maatschappelijk werk is Het Réveil van belang geweest. Ten slotte kreeg de christelijke zending vanuit Het Réveil belangrijke impulsen. In Engeland waren William Wilberforce, John Wesley (oprichter van het Methodisme) en Thomas Chalmers belangrijke vertegenwoordigers van deze opleving”. Dat laatste is voor mij nieuw.
Dit reveil stond geen afscheiding voor. Bestaande verhoudingen bleven ongemoeid. Het richtte zich ook niet alleen op de kerken, maar ook op de maatschappij. Twee trekken die van groot belang kunnen zijn. Een nieuwe kerkelijke afscheiding zou weinig soelaas bieden. Daar kunnen we geen heil van verwachten. Maar er zou wel een brede beweging kunnen ontstaan, die in de bressen kracht zou kunnen ontwikkelen door vooral geestelijke vernieuwing. Kerkelijk, maar ook maatschappelijk. Men kan in de preek allerlei zaken aan de orde stellen, maar als de maatschappelijke gevolgen niet worden gezien, loopt het allemaal vast. Er is maatschappelijk ook veel aan de hand.
Neem de eigen Reformatorische "zuil”. Laatst konden we een artikel lezen over de evangelische "zapcultuur”. De mooie en aardige dingen uit de Bijbel oppakken en de rest laten liggen. Een opmerkelijk verschijnsel, waar we nog eens op terug kunnen komen. Maar deze cultuur doet zich in even sterke mate voor onder ons, dus ook binnen d e Reformatorische gezindte.Soms denk ik dat dit woord ook uitgehold is. Wat is nu Reformatorisch? We hebben allerlei Reformatorische organisaties. De bekendste is misschien het RD; maar ik denk ook aan bijvoorbeeld het Reformatorisch onderwijs. Op die terreinen hebben we veel bereikt. We kunnen er niet genoeg dankbaar voor zijn. Toch zullen velen met zorg kennis nemen van alles wat zich in deze sectoren voordoet. Er worden bressen geslagen. Het RD krijgt steeds meer en bredere aandacht voor de wereld om ons heen. Paginagrote aandacht voor mensen die er andere ideeën op na houden. Eigentijdse theologie scoort kennelijk. Dat zou nut kunnen hebben, mits vergezeld van pincipiële commentaren. Wie in de afgelopen veertig jaar de EO heeft zien veranderen, neemt soms dezelfde verschijnselen waar, nu dan in het RD. Er werd al op gewezen dat het jongste onderzoek over gospelmuziek toch tekenend was voor zowel ons overigens gewaardeerde dagblad alsook voor ons eigen onderwijs. We schuiven te veel op en we passen aan. Een naïeve belangstelling en soms verwondering voor de wereld. Zoals ook de kerk nog maar één roeping lijkt te hebben, namelijk de wereld in te trekken, met de opdracht van het Evangelie.

de geschiedenis

Rond de reeds genoemde persoon van Harinck klinkt in de GKV de waarschuwing dat men achter de Synodaal Gereformeerde kerken aanloopt. Die vrees leeft ook binnen onze eigen kerken. Maar ik denk dat die ontwikkeling van toen ook typerend is voor heel de Gereformeerde, Reformatorische wereld. Er lijkt een trendbreuk op te treden. De Gereformeerde kerken waren eens een indrukwekkende vesting. Alles bloeide. Kerken liepen over. Kuyper had een scherpe blik op de wereld. Hij wilde de wereld onderwerpen aan het Koninkrijk Gods. En wat kwam er van terecht? Ondanks alle goede bedoelingen zakten na korte tijd de Gereformeerden als een kaartenhuis ineen. Een snel om zich heengrijpend proces. Geen kerk heeft zulk een ernstig proces van ontbinding meegemaakt als deze kerken, ondanks de grote bloei.
Welnu, ook de Reformatorische wereld vertoont bloei; we hebben prachtige organisaties op bijna elk gebied. Er is een behoorlijk zuiltje ontstaan. Prachtig dat we zoveel mogen doen aan reformatorisch onderwijs. Mooi dat we elke dag nieuws krijgen dat enigermate Bijbels gekleurd wil zijn. Maar de les van Abraham (de Geweldige, zo werd hij zelfs genoemd) mogen we niet vergeten. Het kan ons Reformatorisch volksdeel gaan overkomen, wat we lezen van Nebukadnezar: "Maar toen zich zijn hart verhief, en zijn geest verstijfd werd ter hovaardij, werd hij van den troon zijns koninkrijks afgestoten, en men nam de eer van hem weg” (Dan.5:20).
Onze uiterlijke bloei gaat niet samen met geestelijke opleving. Daarom is er een reveil nodig, als weleer, dat zegen heeft verspreid in ons land. Het bewoog zich dwars door alle kerken, het zocht de kracht in de levende omgang met de Heere. Ook nu zijn er in alle kerken nog mensen, die de actuele ontwikkelingen met zorg waarnemen. Maar wordt het geen tijd dat zij samen de handen ineenslaan en terwijl zij kerkelijk gewoon blijven wat ze zijn, dwarsverbindingen, zowel landelijk als vooral ook plaatselijk aanbrengen, om elkaar en de dienst des Heeren vast te houden? We zouden allen biddend moeten gaan nadenken over een Reveil anno 2008.
Enkele opmerkingen: Ik heb niet het oog op allerlei uitwendige en wettische vernieuwingen, die een valkuil zouden kunnen vormen. Het zou voor de hand kunnen liggen dat we het nog eens sterker gaan zoeken in het uitwendige. Maar de kostuums behoeven niet zwarter te worden en allerlei hernieuwde aanscherping van de regelgeving heb ik niet in gedachten. Op die terreinen moeten we misschien ooit ook alerter zijn. Maar daar ligt het uitgangspunt niet. Ik denk aan geestelijke herleving, aan wat we lezen in Rom.12: 1 en 2: "Ik bid u dan, broeders, door de ontfermingen Gods, dat u uw lichamen stelt tot een levende, heilige en Gode welbehaaglijke offerande, welke is uw redelijke godsdienst. En wordt dezer wereld niet gelijkvormig; maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds, opdat gij moogt beproeven, welke de goede, en welbehaaglijke en volmaakte wil van God zij”.
Hier gaat het om de vernieuwing van uw gemoed. Het behoort dan van binnenuit te komen. De kerk kan lijken op die persoon die me gisteren met tranen aangaf dat ze bekeerd moest en wilde worden, maar die vroeg naar het hoe. Hoe kan dat ooit. Zulke mensen komen we gelukkig ook nog tegen. Als dat eens het beeld van de kerk mocht zijn! Hopelijk zijn ze er velen in de kerken en de gemeenten, die dit beseffen. Die haken naar de vernieuwing uws gemoeds… En: de ontfermingen Gods. Dat zijn de bronnen. Daar moet het vandaan komen. Het is dan ook een Gode welbehaaglijke offerande, die naar God toe plaats vindt. Niet meer vanuit enige menselijke afweging.
De vrucht zal dan zijn dat we deze wereld niet gelijkvormig worden. Laten we allen daar biddend over nadenken. Laten we hopen dat zulk een reveil, als toen, zou mogen ontstaan. Geen revolutionaire aanpak, maar een werk op geboden knieën. Denkt u en jij daar persoonlijk ook over na. Laat dat in alle kerken verstaan mogen worden; in de Vrijgemaakte kerken en in de Gereformeerde Gemeenten en overal, want het is ook over nodig. Dan gaat in vervulling wat we lezen in Jes. 58:12: "En die uit u voortkomen, zullen bouwen de oude verwoeste plaatsen; de fondamenten, van geslacht tot geslacht verwoest, zult gij oprichten; en gij zult genaamd worden: Die de bressen toemuurt, die de paden weder opmaakt, om te bewonen”. Bij de Heere zijn alle dingen mogelijk. Niet dus een nog kleiner Reformatorisch zuiltje, maar een stad op een berg en een licht op de kandelaar. Christus stond in de bressen en daar roept Hij Zijn volk. Om des huizes des Heeren onzes Gods wil!

           

 

IN GESPREK          2008

Tweemaal werd in de pers binnen een korte periode gesproken over de antithese. De heren Hagoort en Knevel gebruikten de term in artikelen, die verschenen in het RD. Ze namen afstand van de antithese, zoals deze voorheen gestalte kreeg en voerden een pleidooi voor de houding van de huidige generatie, namelijk die van dialoog en authenticiteit. Met name de EO maakte de omslag van de antithese (tegenstelling) naar de dialoog (gesprek).

We hebben het dan over de verhouding tussen kerk en wereld; is er een absolute tegenstelling tussen beide, of zijn we als kerk met de wereld in gesprek (en omgekeerd: is de wereld met de kerk in gesprek)? Men sprak ook in termen van een gesloten houding naar de wereld en een open houding naar wereld en cultuur. De omslag wordt manifest in de EO. Maar daar niet alleen. Ook het volksdeel, waartoe wij  ons rekenen, lijkt bezig te zijn met diezelfde overgang.
Men duidt het verleden aan als de tijd van de antithese; we zouden beter kunnen spreken van het isolement. Als de huidige trend "gesprek” genoemd wordt, is die term te verhullend. Er is veel meer aan de hand dan het voeren van een gesprek. Hagoort gebruikt de term "dialoog” en deze term lijkt dicht aan te liggen tegen het compromis. Ik herinner me uit mijn studententijd dat men over ’t algemeen niet veel goede woorden over had voor het woord "dialoog”. Het is opmerkelijk dat de tegenwoordige moderne mens de opvattingen uit die tijd zo snel vergeten is, ook binnen onze eigen kerken. Er is in ieder geval voor het woord "dialoog” geen enkele Bijbelse onderbouwing. Dat moeten wij ons allemaal aantrekken. Ik heb het echt niet alleen over de evangelische kringen, het speelt levensgroot ook binnen onze eigen muren. We zijn hiermee op de verkeerde weg.
Beide scribenten, behorend tot de meer evangelische zuil, lijken daarbij uit te gaan van de situatie van nu. De tijdgeest, de waan van de dag, bepaalt op die manier de verhoudingen; zo ligt het nu eenmaal, onontkoombaar, zegt men. We horen zo vaak, ook in reformatorische kringen, dat we met de rug tegen de muur staan. Dat blijkt bijvoorbeeld inzake Internet. Dit lijkt de brug te gaan worden tussen ons en de wereld. Daar moeten we op inspelen. Er lijkt geen verzet mogelijk te zijn. Men heeft het nu eenmaal nodig voor het werk. Te weinig duidelijk wordt dan door ons opgeroepen tot een Bijbelse bezinning. Het is misschien al het gevolg van die omslag, dat we minder rekenen met de normen van Gods Woord en meer met mode en trends, die mensen zelf bepalen.
Mij houdt de vraag bezig in hoeverre men zich voor deze omslag kan beroepen op de Schrift. Spreekt ook Gods Woord op die manier over onze houding tot de wereld? Vinden we in de Bijbel meer sporen van het gesprek dan van de antithese?

Ik zet enkele Schriftgegevens op een rij. De dagen, voorafgaande aan de zondvloed, laten aanvankelijk een sterke antithese zien tussen de twee linies, namelijk die van de zonen van God (Seth) en de zonen van de wereld (Kaïn). Genesis 4 toont een absolute scheiding, beter te benoemen als isolement  dan als antithese. Het gaat verkeerd als de beide lijnen door elkaar gaan lopen, als het gesprek, de dialoog ontstaat. Dan verschijnen bijvoorbeeld de gemengde huwelijken ten tonele. Het wordt dan: geen vlees en geen vis. Daarom was Abraham er ook zo beducht voor dat zijn zoon zou trouwen met een Kanaänitische. Ook voor terugkeer van Izak naar Ur. "Wacht u dat ge mijn zoon niet weer daarheen brengt”.  Die neiging tot terugkeer vinden we ook bij Israel in de woestijn. Terug naar de vleespotten. De scheiding ongedaan maken.
Zowel Mozes als Jozua waarschuwen het volk voor omgang met de omringende volkeren: Weet voorzeker, dat de HEERE, uw God, niet voortvaren zal deze volken van voor uw aangezicht te verdrijven; maar zij zullen ulieden zijn tot een strik, en tot een net, en tot een gesel aan uw zijden, en tot doornen in uw ogen, totdat gij omkomt van dit goede land, hetwelk u de HEERE, uw God, gegeven heeft (Joz.23:13). Reeds Bileam had ervan gesproken dat het volk alleen moest wonen. De ballingschap is het oordeel van God over de verbreking van Gods verbond en het dienen van de afgoden der volken.
Ezra en Nehemia zijn diep ontsteld als ook na de ballingschap weer hetzelfde verschijnsel zich voordoet: vreemde vrouwen en een gemengde spraak. Juist in die dagen is er in sterke mate behoefte uitgesproken voor de antithese. Dat was trouwens ook in Babel al zo. De bekende Daniël en zijn vrienden hielden zich verre van de spijzen en de cultuur van Babel. Daniël werkt weliswaar aan het hof van Babel, maar hij handhaaft in zijn optreden duidelijk de eigen geestelijke identiteit. Denk verder ook aan de drie jongelingen die weigerden te buigen voor het beeld in het dal Dura.
Op grond van deze feiten kunnen we niet anders concluderen dan dat het de grote verzoeking is voor het volk om versmelting te zoeken met de vreemde volkeren en de vreemde goden. Gods verbond biedt voldoende leefruimte en draagt vele beloften in zich. Daaraan moet het volk zich positief binden. Des Heeren deel is Zijn volk. Daar komt het voor ons en onze generatie op aan. Leven uit het verbond. Veelzeggend is de belofte in Zacharia 8:23 Het zal in die dagen geschieden, dat tien mannen, uit allerlei tongen der heidenen, grijpen zullen, ja, de slip grijpen zullen van een Joods man, zeggende: Wij zullen met ulieden gaan, want wij hebben gehoord, dat God met ulieden is . Dan grijpt de kerk niet de slip van de wereld, maar dan ziet de wereld geluk en zegen in de kerk. Ds. Heerma placht te zeggen: toen de wereld kerks werd, werd de kerk werelds. Men kan het eerste willen bereiken, maar terechtkomen in het laatste. Deze lijnen uit Gods Woord spreken alle dezelfde taal. We moeten daarom ons wachten voor de doorbraak, het verbreken van het isolement.
Maar hoe staat het dan in het Nieuwe Testament?
Hoe sprak de Heere Jezus? Sprekend over de heidenen, zei Hij: Word dan hun niet gelijk Matth.6:8)! De schatten van het Koninkrijk Gods overtreffen verre de rijkdommen van de wereld. Als Christus het gesprek voerde met mensen, leidde dat tot bekering (Samaritaanse vrouw). In Zijn gesprekken met het Joodse volk ging Hij doorgaans anders met zijn hoorders om dan wij dat in onze dagen doen (Johannes 5 t/m 9). Geen sprake van een dialoog, waarbij bepaalde zaken tegen elkaar worden uitgewisseld. Van toen af gingen vele van Zijn discipelen terug en wandelden niet meer met Hem (6:66). Zijn spreken was uitermate confronterend. Maar was Hij niet bewogen met zondaars? Zeker, en daarin behoren wij Hem na te volgen; het belette Hem echter niet te zeggen: Ga heen en zondig niet meer. Deze duidelijke taal wordt onder ons zo menigmaal gemist.
Een sprekend voorbeeld vinden we ook in Handelingen 17, als Paulus verblijft op de Areopagus in Athene. Paulus zoekt ook het gesprek met de Grieken, maar hij doet dat op een duidelijke manier. Opmerkelijk is hier dat de problemen aan beide kanten van de tafel liggen. Paulus wordt verontwaardigd als hij de menigte afgoden ziet in de stad (Hand.17:16). De Griekse wijsgeren van hun kant strijden met hem. Het gesprek blijkt een twistgesprek te zijn. Deze realistische setting missen wij in onze situatie te vaak. We accepteren te makkelijk de van God vervreemde wereld. We roepen ook veel te weinig het ongenoegen van de wereld op. Er bestaat een vriendelijke, maar niet een eerlijke verhouding. De apostel heeft zeker zich ingespannen de mensen tegemoet te komen. Niet door alleen te zeggen dat God liefde is, maar door uit te komen bij het eindgericht. Inmiddels heeft hij al gezegd dat de afgoden der Grieken geen goden zijn. Zijn preek roept ook niet veel meer dan spot op. En dan staat er: "en alzo is Paulus uit het midden van hen weggegaan” (vers 33). Zo is met name dit gedeelte absoluut geen voedingsbodem voor de optimistische kijk, die velen hebben op de verhouding kerk en wereld.
Het woord " wereld” heeft in Bijbels spreken een negatieve klank, terwijl het Griekse woord (kosmos) van huisuit juist wel een goede klank heeft. Wereld staat gelijk aan het gevallen menselijke geslacht. Paulus spreekt erover dat de wereld hem gekruisigd is en hij voor de wereld; hij spreekt over de droefheid der wereld, die de dood werkt. Duidelijk blijkt dit ook uit meerdere plaatsen uit de brieven. Ik denk aan de Efezebrief: In welke gij eertijds gewandeld hebt, naar de eeuw dezer wereld, naar den overste van de macht der lucht, van den geest, die nu werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid (2:2);  en in 2:12: Dat gij in dien tijd waart zonder Christus, vervreemd van het burgerschap Israels, en vreemdelingen van de verbonden der belofte, geen hoop hebbende, en zonder God in de wereld.
In hoofdstuk 6 bepaalt de apostel onze positie tegenover de geestelijke boosheden van die en onze tijd. Hier horen we toch een heel andere visie dan de meer positieve invulling van de term in onze tijd.
Paulus vermaant verder de gelovigen niet gelijkvormig te worden, maar juist van binnenuit vernieuwd te worden (Rom.12:1,2).
Wat zou de apostel Johannes bedoelen als hij zegt: Haat ook de rok, die met het vlees besmet is? Ook hij trekt duidelijk de breuklijn met de wereld.
Als we verder zoeken naar gegevens uit het Nieuwe Testament, zouden we ook kunnen denken aan het laatste Bijbelboek. Door heel Openbaringen loopt de strakke scheidslijn tussen licht en duisternis. Vergeten we immers de factor van de duivel en de hel niet. Hoe duidelijk is hij aanwezig in onze tijd. Hij kan en zal in de tempel als een god zitten. Hij strijdt tegen het levende Kind. En hoe staat de kerk erbij in die laatste dagen?
De kerk wordt gereduceerd en de kerkverlating neemt hand over hand toe. Of is het juist geen kerkverlating, maar speelt er nog iets anders? Als namelijk de tempel moet worden gemeten, blijft de voorhof buiten beschouwing want het is de heidenen overgegeven en zij zullen de heilige stad vertreden twee en veertig maanden (11:1). Niet alleen en allereerst kerkverlating, maar een overval vanuit de hel op de voorhof van de kerk; en alles wat de voorhof bevolkt, valt buiten het heiligdom en zal de kerk verlaten.
Willen wij dus in onze tijd naar het Woord luisteren? Ik vrees dat in de Schrift een oordeel wordt geveld over de kerk van Nederland, ook over ons allen persoonlijk. Maar in de dialoog ligt zeker geen oplossing. Een dialoog is meer dan een gesprek. Houd wat gij hebt. Leer weer leven uit Schrift en Belijdenis, waarin rijkdommen te vinden zijn. Geef die belijdenis niet op. Het is geen wisselgeld. Er is alleen hoop in de doorwerking van de Heilige Geest, Die dorre beenderen levend kan maken. Zo kan de kerk weer een zoutend zout worden. Dan ontstaat een eerlijk gesprek, zoals in Athene.
Men heeft in kringen van bijvoorbeeld de EO grote bewogenheid met de wereld getoond en vandaaruit is het gesprek opgebloeid. Dat gebeurde uit oprechte motieven, die we allen moeten zoeken. Maar er is nu te veel optimisme. De kerk, wij allen, zijn wereld geworden. Hoe wordt dat anders? Alleen door weder te keren tot de Heere. Dan ontstaat de droefheid naar God, die een onberouwelijke bekering werkt tot zaligheid.

 


INTERNET        2008

In het RD hebben mensen uit verschillende kerken met elkaar gesproken over het internetgebruik. Vanuit onze kring was br. A.J. van der Wekken uit Leerdam erbij betrokken. Uit dit gesprek kwamen enkele opmerkelijke conclusies naar voren. Eén daarvan is dat mensen verwachten dat de kerk tracht aan te geven waar de grenzen liggen. Wat kan wel en wat kan niet?

Het is een zorgelijke ontwikkeling dat in de rechterflank van de Gereformeerde Gezindte een tweeslachtige houding bestaat inzake internet. Het werd in het gesprek van hierboven gezegd door dhr. Kroon (GG) dat het onderscheid tussen privé- en zakelijk gebruik moeilijk aan te geven is. Als ik  van der Wekken goed begrijp, zou hij de bestaande regels daarentegen willen versterken of zo nodig aanscherpen, terwijl Kroon pleit voor gewetensvorming. Dat laatste wordt dan niet strak bepaald door voorschriften en regels, maar we moeten in dat geval van binnenuit, vanuit de innerlijke bekering omgaan met de media en zodoende ontdekken wat kan en niet kan. Ik hoop dat ik de bedoeling goed weergeef.
In de Gereformeerde Gemeenten werd ten aanzien van de TV een ander standpunt ingenomen. TV-bezit was meermalen een zaak van kerkelijke censuur. Onthouding leek altijd de veiligste weg. Dat standpunt kwam ook voor in een bepaalde kring in onze kerken. In andere delen van onze kerken voelde men meer voor een geestelijk en onderscheidenlijk gebruik (gewetensvorming dus). In de GG werd het standpunt gehuldigd: geen TV, terwijl in onze kerken een schuchter en aarzelend gebruik van dit medium hier en daar werd aanvaard.
Dhr. N. Verdouw, die ook aan het gesprek deelnam, merkte op: "„Stringente regels geven ouders die voor 100 procent willen volhouden om zo lang mogelijk internet buiten de deur te houden een steun in de rug”, stelt Verdouw. „ Als kerk moeten we ons vierkant achter zulke ouders scharen. Daarom zijn er duidelijke regels nodig. Daar horen sancties bij. Tegelijkertijd moeten we onze ogen niet sluiten voor de werkelijkheid. Daarom kiezen we als projectgroep voor een tweesporenbeleid: we adviseren geen internet te nemen. Maar als een gezin toch een aansluiting moet hebben, laat het dan een zo goed mogelijk filter kiezen. Daarin zijn we inderdaad opgeschoven. We mogen blij zijn dat er goede filters beschikbaar zijn als mensen niet langer om internet heen kunnen.”
Hij geeft aan dat men feitelijk wat is opgeschoven. Van onthouding en uitsluiting naar een goed filter. Het is goed naar zijn woorden te luisteren.
Een volgende stap is echter: van een goed filter naar persoonlijke gewetensvorming, zoals Kroon aangaf. Dat gaat weer verder en lijkt meer vrij te laten. Wat Kroon zegt, verdient op zichzelf waardering. Gewetensvorming, een denken vanuit het geloof en met het filter van de bekering, dat is idealiter gezien, een goede weg. Inzake de TV ging men er echter van uit, dat de mens van nature altijd de verkeerde keus doet en dat we niet te veel moeten vertrouwen op de mens, die zelfstandig geen goed onderscheid kan maken. Niet alleen bij Kroon zijn de bakens dus wel wat verzet, ik merk om me heen dat men in bedoelde kringen nu niet altijd meer spreekt van onthouding en afstand, zelfs niet expliciet van het kliksafe-filter; men gaat meer uit van de gedachte dat Internet nu eenmaal niet meer in te dammen is. Naar mijn mening moetenw e ook wat bescheidener omgaan met de zucht naar informatie? Moeten we alles weten wat er te koop is? Nemen we zo niet de hele wereld op de nek, een veel te zware last voor ons en onze kinderen? Terughoudendheid op dit punt lost heel wat vragen op.
Velen, die gekant waren tegen de TV, omarmen nu de technische hoogstandjes van Internet. Het ontbreekt aan echte duidelijkheid, mede ook vanwege allerlei zakelijke behoeften. Dat lijkt me een levensgevaarlijke ontwikkeling. Want we moeten eerlijk zijn: velen hebben zich nooit geoefend in het omgaan met wereldse invloeden. Wie zich tot nu toe onthielden van de TV, worden nu extra bedreigd. Niet zelden gebeurt het dat zij die de TV buiten de deur hielden (overigens een goed besluit!), extra blootgesteld zijn aan de verzoeking, als zij hoe dan ook nu in aanraking komen met de wereld der media. De geest heeft geen antivirus ontwikkeld.
We moeten beducht zijn voor een vertrouwen dat de mens de dingen kan onderscheiden. In het bewuste gesprek stond ook de opmerking dat bekering het beste filter is. Dat is waar, absoluut, maar waarom zouden we ook vanuit de bekering niet gebruik maken van filters, die voorhanden zijn?
Ditzelfde argument speelde indertijd in de discussie rond begeleide confrontatie op Reformatorische scholen. Kan de jeugd het aan als er confrontaties geboden worden met de wereld der verzoekingen?
Ik vermoed dat van der Wekken zijn vrees heeft willen verwoorden voor al te veel ruimte. Hij vroeg zich af of we de regels moeten gaan aanpassen nu immers Internet zo ingebed is in de maatschappij? Hij heeft naar mijn mening terecht gepleit voor een handhaven van bepaalde regels. Misschien zegt hij dat omdat wij in de CGK leergeld gegeven hebben met de TV.
Ik meen dat dr. Stolk in "De Wekker” ook duidelijk gepleit heeft voor regels ten aanzien van het gebruik van DVD’s.
Nu de behoefte duidelijk werd uitgesproken dat de kerk op dit terrein haar stem laat horen, doen we er goed aan ook hier in te haken op de gehouden discussie. Ik mocht onlangs preken in een gemeente over zondag 31 (Sleutelen des hemelrijks). Eén van die sleutels is de kerkelijke tucht. Op een oude plaat over de brede en de smalle weg kon de tekenaar nog precies aangeven wat verkeerd was. Wat zouden wij nu als gevaren langs de brede weg aangeven? IK denk dat er heel wat dreigingen niet meer als zodanig onderkend worden. Wat zijn nu concreet de dingen die niet aanvaard kunnen worden? De moeilijkheid is daarbij ook, dat er overal ook nog wel iets goeds zit. Het (weinige) goede trekt velen over de streep, maar het kwade wordt daarmee ook binnengehaald.
Maakt TV gebruik consurabel, of het gebruik van Internet? Heeft het te maken met kerkelijk opzicht? Niet als een zaak van de kerkelijke ban, maar wel als noodzaak van vermaan. Hoe gaan we met deze dingen om? Ik heb in de pastorale praktijk waargenomen dat de TV gretig werd ingehaald en gebruikt. Tot schade van het geestelijke leven. Als uitzonderingen heb ik ook mensen gekend die TV hadden en die daar, naar ik mocht vertrouwen, zorgvuldig mee omgingen.
De kerk heeft de roeping om in prediking en pastoraat te waarschuwen tegen misbruik maken van de media. Internet behoeft niet buiten de deur gehouden te worden, maar waarom voeren we niet klip en klaar en zonder restricties en slagen om de arm het pleit voor een deugdelijk filter? Ik heb huwelijken in de gemeente stuk zien vallen door Internet. En wat te denken van een site als Hyves, waar iedereen maar allerlei flodderige ideeën kan plaatsen? Soms etaleert men echtscheiding en andere intieme zaken open en bloot voor Jan en alleman. Een mentaliteit als van bladen zoals Storey en Privé gaan op deze manier ook een deur vinden in ons leven? Het is onbegrijpelijk dat zelfs refomensen providers gebruiken, die geen enkele sluis aanbrengen tegen de zonde en de wetteloosheid of die een net gebruiken met veel te ruime mazen.
Daarom ben ik bang dat op dit punt de fundamenten van het geestelijke leven ondergraven worden. Feitelijk ligt er iets anders, een diepere oorzaak, aan ten grondslag. Bekering is inderdaad het goede filter. Dus alleen zij die een tere omgang hebben met de Heere en Zijn Woord, beschikken over een filter. Maar juist zij zullen zich temeer wachten voor de gevaren en verzoekingen. Leid ons niet in verzoeking. En als men dát filter nu nog mist?
Gewetensvorming kan alleen plaatsvinden vanuit het werk van Gods Geest. Dat mogen we als hoopvol signaal meegeven. We moeten hier niet denken vanuit de wet. Een wettisch mens kan allerlei zaken doen en laten, die toch voortkomen vanuit een geheel verkeerd beginsel. Dat gevaar hoort u misschien in het gebruik van regels. Een wettische houding komt feitelijk alleen maar voort uit zelfliefde. Als de goede werken door God niet zijn voorbereid, zijn het geen goede werken. Als de Refowereld een indentiteit opbouwt buiten het geloof in Christus om, dan verzwakt het gebinte van de kerk en wordt het huis doorlekkende, zo zegt de Prediker.
Alleen een levend geloof kan bewaren voor de verzoeking. Het zou mogen zijn dat de verleiding van deze tijd ons te meer doet vluchten tot Hem Die een verberging is tegen de vloed en de schaduw van een rotssteen in een dorstig land. Waarmede zal de jongeling zijn pad zuiver houden? Hoe droevig als jonge mensen wordt voorgehouden dat geloof en bekering toch onbereikbare zaken zijn. Waar moeten zij het dan van verwachten? Laten we hen de weg wijzen en vrijmoedig spreken over het vluchten tot de Heere Jezus. De apostel vermaant de Romeinen dat ze niet gelijkvormig worden aan de wereld, maar hij spreekt dan zo helder vanuit de bron van de ontfermingen Gods. Dat is de enige mogelijkheid. Maar dan is er ook een positieve vervanging: dat ge uw leden stelt tot een Gode welbehaaglijke offerande, welke is uw redelijke godsdienst.  Er zal niets bestand zijn tegen de vloedgolf van deze moderne wereld dan alleen het gaan van de Weg. Als we dat geloof in Christus nog missen, lopen we acuut gevaar.

Tenslotte nog een laatste opmerking: Als u op internet in de zoekregel intikt: Bewaar het Pand, dan treft u temidden van veel gegevens ook een site aan waar jongeren discussieren over kerk en….. dominees. Je kijkt dan wel even op wat daar te lezen staat. Loop je als predikant wat buiten je schoenen, dan moet je daar maar eens zien hoe je misschien wel onderuit gehaald wordt. Vrijmoedig wordt gesproken over kerken en dienaren. Het doet mij denken aan mijn kinderjaren. Ik was nog maar heel jong toen ik al schriften had met foto’s van kerken en vooral ook van predikanten. Dat zal bij meerderen het geval geweest zijn. We spraken soms over dominees zoals nu de wereld eindeloos door kan praten over de voetbalhelden. We wisten ook op de naam af wie wel en wie niet meetelde. Die vaardigheid ben ik lang geleden kwijt geraakt, gelukkig. Weten we het van onszelf weel echt?
Ik verbaas me dan dat er ook nu nog een jeugd is die vrijmoedig spreekt over kerkelijke zaken, zelfs over voorgangers. Aan de ene kant ben ik daar blij mee. Maar als ik een goede raad mag geven: toch maar niet discussieren over de gaven van de dominee. Vast en zeker: de een zou er hoogmoedig van worden en een ander zou alle moed verliezen, als ze lezen hoe mensen over hen denken. Dat zou niet zo moeten zijn. Paulus ging door goed en kwaad gerucht. Hij hechtte niet aan het oordeel van mensen. Dat moeten wij ook maar niet doen. En we willen ook maar zo veel mogelijk terughoudend zijn als we spreken over anderen, wie het ook zijn. Er blijft nog zo heel veel over, waar we het wel over kunnen hebben.
          

 

 

 

 

 

ERFGOED         2008    
Het haar 2008 is gewijd aan het religieus erfgoed. Op 1 april werd het (ludieke) idee gelanceerd een Refomuseum te stichten, waarin voor de eigen mensen alsook voor de buitenwacht informatie zou worden verstrekt over ons volksdeel. Het plan was echter niet serieus bedoeld, zo bleek later. Beide berichten echter brengen ons terug naar de geschiedenis van de kerk in Nederland.

uiterlijk

De duizenden kerken in Nederland vertellen alle een verhaal, dat waard is gelezen te worden. Hun geschiedenis voert ons terug naar een tijd, geheel anders dan de onze. De bouwkunst en de architectuur waren totaal verschillend van de huidige stijl van bouwen; vooral ook de geestelijke drijfveren van de mensen uit het grijs verleden tonen beschamend aan hoeveel wij inmiddels al verloren hebben.
Het is op zichzelf een goede gedachte dat ook de overheid aandacht en geld besteedt aan restauratie van oude kerken. Wie echter een kleine rekensom maakt, kan wel becijferen dat de lasten hiervan in de toekomst wellicht te zwaar worden voor de staatskas en natuurlijk ook voor de kerkelijke gemeenten. Toen de restauratie van de Grote Kerk in Harderwijk jaren geleden gereed kwam, moest men onmiddellijk al weer gaan sparen voor de volgende onderhoudsbeurt.
Oude kerken, klein of groot, spreken in de eerste plaats van de ongekende inspanningen van ons voorgeslacht. Hoe groot moet de betrokkenheid bij de geestelijke en eeuwige dingen geweest zijn in oude tijden. Het maakt duidelijk dat onze voorouders de dienst van God zeer hoog achtten. Het leven met God beheerste het gehele publieke leven. Men had er in veel gevallen alles voor over. We kunnen ons in onze tijden nauwelijks meer voorstellen welke inspanningen men zich troostte voor het Koninkrijk Gods. Voor onze overheid en voor ons volk hebben deze gebouwen een culturele waarde. Voor ons geldt nog een andere dimensie, namelijk de geestelijke diepte van dit alles. Natuurlijk boeit de uiterlijke vorm ons ook ongekend. Wie de bouwstijl van destijds vergelijkt met de moderne gebouwen van onze tijd, beseft dat hij wordt teruggeplaatst in een andere wereld. Ik zou niet weten hoe ik de stijl van nu zou moeten typeren. Mij dunkt dat we qua bouwstijl beland zijn in een volkomen karakterloze tijd. Dat verraadt ook iets over de innerlijke motieven van het mensdom nù.
De geestelijke achtergronden echter verdienen te meer onze aandacht en opmerkzaamheid. De stenen spreken.
In Amsterdam is de Oude Kerk de bekendste kerk. Deze kerk wordt omgeven door een wijk, waarin criminaliteit en prostitutie hoogtij vieren. Zo is het anno 2008. Stellen we ons echter voor dat de gehele stad ooit werd beheerst door de Gereformeerde prediking. Kort na 1600 werd de bouw van de grote kerken ( Nieuwe Kerk, Westerkerk, Zuiderkerk, Noorderkerk, Lutherse kerk) in de stad begonnen; deze kerken en vele andere werden gebouwd voor de Gereformeerde eredienst. Het zijn stuk voor stuk monumentale gebouwen. Veel bekende oudvaders hebben deze stad gediend als predikant.
De Oude Kerk is ook het oudste gebouw van de stad. Evenals in de dagen van Izak werd eerst het altaar ( de kerk) gebouwd en daarna kregen de put en de tent aandacht. Dit gebouw werd gebouwd rond 1300, opgetrokken in de eerste kleinschalige vorm; ver voor de Reformatie dus. Verdiep u even in de geschiedenis van zo’n kerk en u zult verwonderd zijn over de geestelijke spankracht van de inwoners van de stad. Deze gebouwen zijn echter niet alleen gebouwd met bijna bovenmenselijke inspanning, maar ze werden door de eeuwen heen ook onderhouden. En de stad wemelt van de kerken. Dat is niet alleen in Nederland zo, u treft de majestueuze bouwwerken evenzeer aan in de ons omringende landen, zoals Engeland en Duitsland. De kerken in het buitenland zijn vaak nog groter en machtiger in aanzien.
Hoe heeft Gods Woord het leven van ons volk en van Europa gestempeld. En dat gold van alle steden en dorpen van Nederland. Het geestelijk verval heeft zich vooral de laatste eeuw voltrokken. Wat kan het hard gaan. Tel nog eens een eeuw verder en hoe zal het er dan uitzien? Zijn de godshuizen dan vervangen door moskeeën?

geestelijk

Ik heb het nu al niet meer over kerken en gebouwen. Ons voorgeslacht heeft geleefd onder de beademing van het Woord. Loop nu eens rond in een stad als Amsterdam en de herinneringen worden alleen nog gevormd door de stenen; deze spreken een geestelijke taal, terwijl de mensen het hebben over de afgoden. Zo is er een enorme tegenstelling gegroeid tussen de mens en zijn oude omgeving,tussen verleden en heden. Onder de kansels van veel kerken worden tentoonstellingen gehouden, die pijnlijk laten zien dat we leven bij gebroken bakken.
Het is echter zo, dat de moderne mens van nu toch nog beseft dat er grote schatten schuil gaan in het religieus erfgoed. Religieus erfgoed echter behelst meer dan alleen een gebouw van hout en steen, hoe sprekend ook. Het echte erfgoed bestaat in de schat van de kerk van alle tijden, namelijk het Woord van God. Wij zijn in zekere zin de erfgenamen van deze schatten. Ons voorgeslacht heeft het ons nagelaten. We hebben ons dan af te vragen wat wij ermee doen. De verloren zoon bracht zijn goed door en kwam uiteindelijk bij de varkens terecht. Waar brengen de rijkdommen van Gods Woord ons? Als nu de wereld nog spreekt van een religieus erfgoed, bestaande in de kerkelijke cultuur van vroeger, hoe gaan wìj als kerkvolk dan om met het geestelijke erfgoed, dat ons werd toevertrouwd? Er is een latijns werkwoord, waar twee woorden van zijn afgeleid: cultuur en cultus. Het eerste woord heeft te maken met wat mensen op het gebied van kunst hebben opgeleverd, terwijl het tweede woord spreekt van de verering van God. Deze beide begrippen behoren een eenheid te vormen, maar helaas is de band daartussen geheel verbroken in onze dagen. Als de kerk zou zwijgen, gaan de dode stenen spreken. Misschien zijn wij bijna tot die werkelijkheid genaderd. De stenen spreken metterdaad, ook tot ons.
Ze spreken van de grote wolk van getuigen, waarover Hebreen 12 spreekt. Het waren mensen, die niet op een voetstuk geplaatst behoeven te worden. Het waren zondige mensen, evenals wij allen. Ook daar spreekt de geschiedenis van. Denk maar aan de schepen, die de wereldzeeën bevoeren, op zoek naar koloniale schatten en rijkdommen. Die kant was er in Amsterdam evenzeer. Maar wie de graven zou bestuderen van de tienduizend mensen die bijvoorbeeld in de Oude kerk begraven zijn, die zou er heel veel bekenden  tegenkomen. Dat is de taal van de gebouwen. Ziet gij deze schone gebouwen, zo vroeg de Heere Jezus. Ook Hij had oog voor kerk en godshuis. Hij verkeerde er reeds als 12-jarige, Hij moest zijn in de dingen Zijns Vaders en Hij kon spreken over de ijver voor Gods huis. Dat betekende voor Hem meer dan het uiterlijke. Hij heeft een tempel van levende stenen gebouwd en dat gebouw is oneindig veel schoner dan alle aardse bouwwerken.
Er zijn in de geschiedenis schilders geweest, die vanuit innerlijke motieven kerken vastlegden op het doek die hun tijd hadden gehad. De kerk was in hun werken vervallen tot een ruïne. Temidden van allerlei modern leven wilden ze uitspreken dat de kerk verworden was tot een bouwval. Daarbij lieten ze de kerk niet weg, maar maakten ze er een puinhoop van. Zo ver is het met de uiterlijke gebouwen nog niet gekomen. Maar de geestelijke kerk des Heeren is in Nederland en in vele landen rondom ons wel tot een bouwval geworden. Dat is niet nieuw. Meerdere psalmen spreken van het gruis van de kerk.
Het is het schrikbeeld van de toekomst. Wat zal er van de kerk overblijven? Zo bezien zullen we de kerk niet meet moeten zoeken in uiterlijk vertoon; al is die kerk als tot niets geworden, er zal zijn een blijven een kerk van zevenduizend zitplaatsen. Voorheen waren er in de steden de schuilkerken, die vanwege vervolging en geweld zich terugtrokken uit de samenleving. Oostbloklanden hebben die schuilkerken in grote getale geherbergd. Ook nu bestaat de kerk nog, ook in de grote steden zelfs, maar de verhoudingen zijn drastische gewijzigd. Maar het mocht zijn dat de kleine kracht van de kerk
gezien wordt door ons volk. Dat kan ons bewaren voor wanhoop en het geve moed aan onze jeugd.
Wat er ook met de uiterlijke kerk gebeurt, de Heere blijft Dezelfde. Hij spreekt dat de poorten der hel Zijn gemeente niet zullen overweldigen. Maar we hebben daarbij een dure roeping. Zoals de kerken gerestaureerd moeten worden, zo hebben we steeds weer reformatie nodig. Reformatie van de levende stenen, die samen het geestelijk huis vormen. Wat zal er met de kerk gebeuren?
Ik preekte onlangs in een gemeente, waar jaren geleden misschien achthonderd mensen kerkten, terwijl het er nu ongeveer honderd zijn. Iemand zei me toen dat de mensen vroeger allemaal uit gewoonte gingen, terwijl dat nu beter was, men ging uit overtuiging. Maar de opkomst in de middagdienst riep twijfels daaraan bij mij wakker. Zal het overblijfsel van nu ook langzaam de weg van de ontkerkelijking volgen, of is er werkelijk sprake van een levende rest? God alleen weet het antwoord op die vraag.
In de dagen van Haggaï stonden er mensen rondom de fundamenten van de kerk. De oude mensen weenden, de jeugd juichte. De ouderen hadden de tempel van Salomo gekend, luisterrijk en schoon om te zien. Daarbij vergeleken was het nieuwe fundament klein en onaanzienlijk. Toch zou die tempel heerlijker zijn vanwege de komst van Christus. Uiterlijke vormen geven de doorslag niet. Alleen de aanwezigheid van de Heere, daar gaat het om. Maar droefheid en blijdschap zijn zeer vermengd. We kunnen er niet gerust op zijn, dat onze generatie vanuit een levende overtuiging leeft en handelt. Ga dus goed en geestelijk om met het religieus erfgoed. Herstel de breuken, hoed u voor instortingsgevaar. Dat is Gods werk, maar de profeet riep de mensen ertoe op. Brengt hout aan uit het gebergte en bouwt dit huis. De meeste liepen echter voor hun eigen huis, zo lezen we. Bouw dit huis in Zijn geestelijke kracht. Heb die kerk lief. Laten Gods knechten een welgevallen hebben aan haar gruis. Geef de Heere de hand en komt in Zijn heiligdom.
De wereld bekommert zich om een stenen gebouw en wil het behoeden. Hoeveel te meer hebben wij niet ontvangen aan heil en zaligheid, om de kerk te stutten en te schragen. Echte reformatie zal altijd weer leiden tot liefde voor de kerk.
En wat dat museum betreft: men sprak van allerlei voorwerpen uit het verleden. Maar hoevelen hebben de Gereformeerde belijdenis ook niet weggelegd in het museum en bij hoevelen ligt de Bijbel er ook al? En het psalmboek? Je bent bang dat er veel ruimte nodig is om de oude schatten ten toon te stellen, die evenwel hun tijd gehad hebben. Moge God dat verhoeden!

 


BESLISTHEID          2009

Tegenwoordig treffen we in elke kerk dezelfde bonte variëteit van mensen en richtingen aan. Daardoor lopen er dwarsverbindigen tussen die kerken, die onderling verbinden.
In elke kerk zijn grote groepen vooruitstrevende en modern denkende christenen te vinden. Hoe is dat zo gekomen? Wellicht hierdoor omdat ze vanwege de moderne tijden allemaal dezelfde krant lezen of kijken naar dezelfde TV-programma’s. Internet zal deze massale beïnvloeding nog versterken. In alle kerken dezelfde invloeden van de moderne tijd, zoals EO of ND. Er gaat dan echter ook in diezelfde kerken een tegenstroom ontstaan; er komen ook mensen die zeggen: dit hebben we niet bedoeld en zo willen we het niet; dit gaat verkeerd. Er zijn mensen in dezelfde auto die tegengestelde handelingen uitvoeren: de een trapt op het gaspedaal, de ander op de rem; hier zet iemand de knop op power en een ander draait hem uit.  Dat kost veel geld en het is niet efficiënt, het roept irritatie op en de auto is op weg naar een ernstig ongeluk. Zo bezien is het niet verwonderlijk dat er in elke kerk hardlopers zijn, terwijl er ook zijn die op een bank langs de weg uitrusten van de jachtige tijden. De invloed van de wereld scheert alle kerken over één kam. De een vindt dat heel gewoon (je moet met je tijd meegaan), de ander is verontrust ( de wereld niet gelijkvormig worden). Ieder heeft voor zijn houding soms ernstige en zwaarwegende argumenten. Ik heb nu maar twee stromen genoemd, maar u kunt er met gemak wel meer vinden. Er zijn in elke kerk verstandschristenen en ook gevoelsmensen. Er zijn bijna ook wel in elke kerk verbondsdrijvers, er zijn daartegenover ook mensen die slechts denken vanuit de verkiezing. Nu is dat altijd wel ten dele zo geweest, maar de breuklijntjes zijn door de moderne openheid wel verscherpt. Natuurlijk heeft elke kerk nog wel een eigen geschiedenis en een eigen gezicht, maar er is veel genivelleerd.
Het Ligt zelfs nog gecompliceerder. G. Roos (hij is een achterneef van mij, vandaar misschien…) spreekt de vrees uit in het RD van 21 maart j.l., dat bijvoorbeeld een reformatorisch orgaan zich in de tweede en volgende generaties zelfs bewust kan gaan keren en afzetten tegen de uitgangspuntern van de stichters van het eerste uur. Hij heeft het dan over de EO. Maar hij waarschuwt ook het Reformatorisch Onderwijs en het RD voor hetzelfde verschijnsel. Citaat:
Dat is wel schokkend. Zo grilllig kan het toegaan als de hitte des daags en de koude des nachts erover heen komt. Het volk diende de Heere zolang Jozua en de oudsten leefden. De geschiedenis bestaat uit golfbewergingen, die met de waan van de dag omhoog en omlaag gaan. Dat zit dan in de lucht en je doet er weinig tegen. U hebt vast wel gemerkt dat er t.a.v. het Reform. Onderwijs de laatste tijd een discussie op gang gekomen is, waarin de vrees wordt gehoord dat we een ernstige vervlakking beleven en bewerken. En dit is niet alleen mensenwerk, maar het is werk van geestelijke machten. Paulus onderkende dat en bewaakte de grens (Gal.1). Luther stond onvervaard zijn man. Kohlbrugge hield vol, ook toen de kansels dicht gingen. Al deze mensen kenden het onderscheid en stonden in de bressen. Maar in onze tijd hebben we te maken met de zuigkracht van nuanceren en relativeren. Waar loopt de grens? Voor de jeugd, voor de kerk, voor de prediking?
Beslistheid heeft te maken met overtuiging. Jeremia kende dat: Heere, Gij hebt mij overreed en ik ben overreed geworden. Hoe kon Paulus zoveel ophef maken over een luttel feit als de besnijdenis? Omdat hij wist dat daardoor het kruis van Christus werd bedreigd. Dat kwam voort uit geestelijk onderscheiden. Die gave wordt bij velen, bij ons grotendeels gemist. De kerk zou eens opnieuw gereset moeten worden. Prachtig, zo’n resetknop aan je telefoon. Loopt de zaak in het honderd, dan kun je terug naar de oorspronkelijke instellingen. Dat zou de een prachtig vinden, terwijl zijn buurman liever zou doorgaan met avonturieren. Gedenkt echter waarvan gij uitgevallen zijt en bekeert u, zo spreekt de Heere Zelf.

Wat nu te doen? We zien gebeuren dat geestverwanten in verschillende kerken elkaar zoeken. De een zoekt het bij de Vrijgemaakten, de ander bij de Hersteld Hervormden. Iemand stelde het zo: we kunnen allemaal maar het beste als CGK met de Vrijgemaakten in zee gaan, want ook daar heb je bevlogen hardlopers, maar er staan er ook bij de noodrem. Dat is waar en we willen zeker wel die onderlinge verbindigen respecteren, maar getalsmatig zijn er in de GKV niet zoveel mensen die iets hebben met bevinding. Ze zijn er zeker wel, maar het lijkt een kleine minderheid te zijn. Maar op zichzelf kan het steeds meer gaan voorkomen dat we buiten de eigen kerk veel meer geestverwanten aantreffen dan binnen de eigen kerk. Dat geeft spanningen en ontsporingen. Het kan leiden tot ontbinding van een kerk, zoals ik vrees dat het met ons kan gaan gebeuren. De kerk wordt zodoende een eilandenrijk. Of ieder gaat doen wat goed is in zijn ogen, want er iss geen koning in Israel, er is geen leiding meer, de Kerkorde heeft zijn tijd gehad. Men heeft meermalen gedacht aan het Independentisme. Dat lijkt een goede oplossing? Iedere plaatselijke gemeente open en vrij naar elke richting die aanspreekt, met zo weinig mogelijk binding aan het eigen kerkverband.
Ja, wat nu te doen? We zitten met die veelheid aan kerken en dat is al erg. Het is erger dat die kerk helemaal niet meer zo is, zoals de naam op de geval aangeeft. Het zou kunnen zijn dat de Heere de kerkelijke verdeeldheid wil oplossen doordat er nieuwe dwarsverbindingen ontstaan. Dan mogen we zingen een vriend en metgezel te zijn van allen die Zijn Naam ootmoedig vrezen. Maar ik zeg erbij: dat moet de Heere Zèlf doen. Waar geestelijke eenheid beleefd wordt, vallen de muren weg. Als er binnen de kerk een reformatie zoiu mogen komen, dan zouden allerlei wrijfvlakken zo maar verdwijnen. Maar ook dan gaat dat niet zonder beleid.
Zolang dit niet zo is, hebben we als eerste een roeping voor de kerk, waarin we geplaatst zijn. Een van mijn correspondenten vroeg me ook of we als BhP vijvoorbeeld ook de gehele kerk dienen en zoeken. Dat is een goede vraag. Moeten we ons centraler in de kerk opstellen en zodoende het vertrouwen van meerderen winnen? Dat zou een menselijke en pragmatische uitweg zijn. Het fundament ligt vast. Hoe kunnen we vanuit dat vaste fundament de kerk en de gezindte dienen? Ik ga er dus vanuit, dat wij ten eerste een roeping hebben voor onze naaste omgeving, onze eigen kerken. Ook hier kan gelden: Een ieder blijve in zijn beroeping, daar hij in geroepen is (1Cor.7:20). Die positie is niet makkelijk. Hoe kan iemand aan de noodrem trekken, terwijl de chauffeur gas geeft? Of hoe lastig is het als je rijdt met de handrem aan? Ik signaleerde de moeilijkheden reeds. We stappen niet uit de auto om de ander verder te laten rijden. Het beginsel van onze kerken heeft waarde en kracht. Dat bewees de preek van Prof. Kremer in het vorige nummer. Dat beginsel hebben we ook lief. Het lijkt ons de meest Bijbelse vertolking van de weg der zailgheid. Vandaaruit moet het dan toch ook mogelijk zijn de ander te overtuigen dat zijn navigatie gevaar oplevert. Dan spreken we niet mee met hen die menen dat verscheidenheid een goede deugd is. Het geeft niet dat we anders denken; in de hoofdzaak zijn we het eens. In wezen is dat niet waar. Het Christendom moet niet te kennen zijn aan een woud van meningen en ideeën. Het moet te kennen zijn aan dat éne fundament en die éne Zaligmaker. Gods Woord zegt zelfs: Bedenkt hetzelfde (1 Cor.13:13). Dat is de roeping van ons allen. Sluit de gelederen.
Maar wie zo leeft, krijgt al spoedig de vraag: Denkt u dat u het alleen weet? Dwalen dan al die anderen? Nee, dat kan ik me nauwelijks voorstellen. Dat is een probleem voor een lid van een grotendeels anders denkende gemeente. Nee, we zouden direct willen antwoorden dat we die indruk niet willen wekken. Het is dan toch wel weer de vraag wat Paulus of Luther op die vraag zouden antwoorden. Ze zouden stellig zeggen: Ik zeg niet het alleen te weten, maar ik weet het wel. U moet dan zelf maar concluderen waar u staat en wat u weet, maar ik voor mij, ik sta hiervoor. Wie zo beslist spreekt, kan het alleen maar van God Zelf geleerd hebben. Hij heeft ook een brief uit de hemel gekregen met de woorden van de verhoogde Christus Zelf, Die zeven brieven schreef aan de gemeenten. De brief van het Woord. Ik zei al: we moeten het kunnen uitleggen. Dus rem en gaspedaal niet tegelijk gebruiken, maar als eerlijke mensen met elkaar gaan spreken. Ik heb heel veel kerkelijke gesprekken zien verzanden, maar hier ligt toch wel een roeping. We hebben toch het profetische Woord. Zijn we daarin onderlegd? Kunnen we het aantonen waarom we zijn zoals we zijn?
Vanuit de kern van het kruisevangelie. Vanuit Hem Die Zichzelf de Waarheid noemt. In Hebreen 10:24 wordt gezegd: Laat ons op elkander acht nemen tot opscherping der liefde en der goede werken. Het woord "opscherping” wordt in het Engels weergegeven met "provoke”, provoceren. Dat woord heeft een slechte klank. Maar het gaat om provoceren in liefde. Houd het woord "scherp” maar aan. Dat moeten wij doen. Zo dat men de liefde voelt. Er staat rond deze tekst viermaal de aansporing: laat ons. Eerst gaat het om het bewandelen van de verse en levende weg, daarna over het vasthouden van de belijdenis der hoop, dan over het opzien op elkander en tenslotte over de onderlinge samenkomsten. De Hebreen leefden op een glijdende schaal.
Men zou mij kunnen vragen: U hebt lange tijd de kerk gediend; hebt u het zo gedaan? Ik zou antwoorden dat er bij mij veel vreemd vuur is geweest en dat ik ook vaak de plank heb misgeslagen. In zoverre voel ik me ook verantwoordelijk voor de kerk. Alle mensenwerk, zeker ook het mijne, is vol gebrek. Nu zegt Paulus niet dat hij de strijd goed gestreden heeft, maar dat hij de goede strijd heeft gestreden. U moet er niet bang voor zijn dat u de sympathie van mensen verliest. Mooi als het erbij komt, maar dat is niet het oogmerk. Luther en Calvijn waren ook geen Reformatioren vanwege hun uitstraling, maar vanwege hun duidelijkheid. Dat hebben wij in onze dagen nodig. Wees positief kritisch, want de duivel gaat rond, ook als een engel des lichts.


VRIJE MENING         2008

Wilders is in het nieuws. Ons land is in de ban van hem. Ook het kabinet zit met de film "Fitna” behoorlijk in de maag. Elk beroep op Wilders lijkt volkomen vruchteloos. Dus kan het zijn dat er een spannende tijd aanbreekt voor ons land. Zelfs zendingskerken in Islamitische landen vrezen voor de gevolgen. Het lijkt me goed enkele gedachten te verwoorden over deze kwestie.

Geert Wilders voert een ideologische strijd. Hij neemt hiermee een stukje gedachtegoed van Fortuin over. Beide hebben zich opgeworpen als verdedigers van onze Nederlandse cultuur, zoals deze mede beïnvloed is door het christendom. Het streven is ons niet onsympathiek; de manier waarop het gebeurt, is dat wel. Respect en voorzichtigheid zijn bij Wilders niet in goede handen. Zijn woordgebruik is stuitend. Dus kunnen we ons niet achter zijn banieren scharen.
Waar gaat het eìgenlijk over? Twee dingen vallen op. Het gaat, zoals reeds gezegd, om de islamisering van ons land, waarvoor Wilders en zijn aanhang erg beducht is. Daarnaast gaat het om een grondwettelijke discussie, namelijk over het goede recht van de vrije meningsuiting.

twee maten

Wij constateren met Wilders en veel anderen de dreiging inzake de overheersing door Moslims. Deze dreiging heeft reeds Luther bezig gehouden. Hoezeer ik de manier waarop Wilders zijn zegje doet, onder kritiek stel, we hebben wel iemand in zijn geest nodig als klokkenluider. We moeten namelijk wel goed onderscheiden wat er momenteel gaande is. Ik denk aan wat van der Staaij onlangs opmerkte over Wilders’ optreden. Het volgende bericht stond kortgeleden in de krant:
"Het kabinet maakt zich nu wel druk om de Koranfilm van Wilders, maar het zou er goed aan doen islamitische regimes ook te wijzen op haatzaaiende en antisemitische beelden die dagelijks via Arabische zenders worden vertoond.
Verhagen moet op een „assertieve manier” reageren op de heftige kritiek vanuit Arabische landen op de film van Wilders. „Wat er dagelijks via verschillende Arabische zenders in de wereld wordt vertoond aan Jodenhaat, demonisering van Israël, het Westen en de VS, doet zeker niet onder voor een kort filmpje van een Kamerlid”, aldus Van der Staaij. „Wijst de minister deze regimes op het hypocriete van hun reactie? Nodigt hij hen uit –nu zij zelf de effecten van kwetsende uitzendingen ervaren– om ook zelf te stoppen met haat zaaien en opruiing via de media? ” De SGP’er meent dat de ontstane commotie een „goede basis biedt voor een inhoudelijk gesprek over de manier waarop bevolkingsgroepen over elkaar spreken.”
Van der Staaij plaatste een kanttekening bij de maatregelen die het kabinet heeft getroffen om moslims te bewegen niet tot gewelddadige reacties te komen na de Koranfilm. „Diverse kabinetsleden hebben de islam meermalen een vreedzame, tolerante godsdienst genoemd. Is alle zorg dan niet overtrokken?” In het verleden zijn dikwijls zeer stuitende films verschenen over het christendom, voegde de SGP’er daar fijntjes aan toe. „Waarom is het kabinet toen niet in actie gekomen? Waarom wél nu het over de islam gaat?” Tot zover het RD.
Hier wordt in ronde woorden gezegd waar het eigenlijk op staat. Vele anderen hebben er ook op gewezen dat onze overheid bezig is een knieval te doen voor het beeld van de Islam. Schoenen uit in de moskee, kledingvoorschriften van de Koran, angst voor de terreur van het Oosten en onbedoeld zelfs een sterk in de kaart spelen ervan, het lijken allemaal normale zaken te zijn. Het gaat tegelijk gepaard met allerlei reclame-uitingen waarbij het christendom op de korrel wordt genomen. Dan geen protesten. Dan kan er plotseling veel meer. Dat is mede eigen schuld. We laten alles gelaten over ons heengaan. We hebben ons in de verste uithoek van de samenleving laten opsluiten. Het hangt ook samen met het feit, dat het christendom nimmer zal grijpen naar geweld. Niettemin wordt de vergelijking met de Taliban toch nogal eens gehoord als men spreekt over refo-christenen.
Dus wordt er met twee maten gemeten. De media besteden overvloedig aandacht aan de Islam. Het christendom wordt door velen feitelijk doodgezwegen of schimpscheuterig ter sprake gebracht. Zelfs kan het voorkomen onder ons eigen volk dat het een kerkenraad kwalijk wordt genomen als men iets denkt te moeten zeggen over kleding tijdens de kerkdiensten. Zijn we in al deze zaken niet te veel aangepast aan de moderne maatschappij? Zouden we juist niet onze eigen identiteit moeten hooghouden? Heeft het kruis van Christus werkelijk onze diepste achting en liefde? Paulus schaamde zich er niet voor. Helaas trachten wij vaak de aanstootgevende lijntjes bij te werken tot een aanvaardbaar beeld. We kunnen van de Moslims leren dat laagdrempeligheid en andere vormen van een geestelijke uitverkoop ongewenst zijn. Het zijn tekenen van een voortschrijdend proces van ontbinding en verwatering. Moslims laten ons beschamend zien dat handhaving van de identiteit zowel qua vorm als inhoud, niet nadelig uitpakt.

één mening

Dan is er nog de tweede lijn, namelijk die van de vrije meningsuiting. Veel commentaren van hen die inhoudelijk niet aan de kant van Wilders staan, geven hem toch de ruimte omdat iedereen moet kunnen zeggen wat hij denkt. De vrije mening is heilig. Tot nu toe lag de prioriteit bij een ander grondwettelijk beginsel, namelijk bij dat van de vrijheid van godsdienst. Nu wringt daar de schoen. De geëmancipeerde moderne mens lijkt het beginsel van de vrije godsdienst in te ruilen voor dat van de eigen mening. Begrijpelijk. Godsdienstvrijheid perkt de rechten van de autonome mens in, de vrije mening maakt van de mens een ongekroonde koning, die doen mag wat hij wil. De drang van Wilders om de Islam uit te kleden, zal vroeg of laat overgenomen worden door hen die het christendom wensen te ontmantelen. In die zin is deze discussie ook voor de kerken van groot belang. Daar wees van der Staaij reeds terecht op.
Godsdienstvrijheid heeft voor ons als kerken grote betekenis. De kerk heeft ongehinderd zich kunnen en mogen ontplooien; we mochten onze eigen invulling geven aan zaken als kerk en Bijbel. Zelfs genoot de kerk bescherming en beheerste Gods Woord zelfs onze maatschappij. De Statenvertaling is een monument waaruit blijkt dat de Gereformeerde religie het in veel opzichten voor het zeggen had in ons land. We mochten ons onderwijs inkleden naar de eisen van Gods Woord. Alles zelfs gesubsidieerd. Terwijl er heel veel gezegd werd vanaf de kansels, werden de preken nooit echt voorwerp van kritiek en censuur. Het is heel opvallend, dat men wel de handen gretig uitstrekt naar de Koran, terwijl de Bijbel nog in de luwte wordt gehouden. Eerlijk is eerlijk, de Bijbel bestrijdt (vanuit een ander beginsel) de heerschappij van de mens en druist in tegen allerlei moderne opvattingen. Maar desondanks is er nog steeds het beginsel van de godsdienstvrijheid.
Maar wat gebeurt er als de vrijheid van meningsuiting de kerk zal gaan overvleugelen? Dan is er in ieder geval niets meer heilig. Dan zal uiteindelijk het beest macht ontvangen om godslasteringen te spreken tegen de hemel (Openb.13:5). Dat zal samengaan met een nieuwe religie, waarvoor de tempels in onze tijd al gebouwd worden; men zal namelijk het beest massaal aanbidden. De mensheid, alle godsdienst afzwerend, heeft niet door dat er een nieuw soort "atheïstische” godsdienst opkomt, namelijk de aanbidding van het beest. Dat heeft alles te maken met de wens van heden om te kunnen zeggen wat je wilt. Zeggen wat je wilt, ook doen wat je wilt! 
Men zou kunnen menen dat dus ook de kerk daaraan rechten zou kunnen ontlenen. Ook de Bijbel en het volk van de Bijbel mogen zeggen wat waarheid is. Ook de kerk mag spreken en zij zou vrijmoedig mogen spreken van haar geloof en overtuiging. Wat iedereen mag, mag de kerk dan toch ook?
Dat denkt u wel, maar dat gaat tegenvallen. We gaan nu al duidelijk beleven dat de kerk nu juist niet mag wat iedereen mag. Daarin is onze maatschappij absoluut heel inconsequent. Het oude verhaal van de intolerantie van de toleranten.
Het spitst zich momenteel toe op de discussie over homofilie. Onze overheid is bezig grenzen te overschrijden. Er zal geëist gaan worden van de christen dat hij homofilie gewoon zal accepteren. Gewoon homo zijn, zo luidt de leus. Ook het Reformatorisch onderwijs zal plaats moeten inruimen voor zaken als homofilie. Minister Plasterk vaart mee met de Gay Pride in Amsterdam, het ministerie van onderwijs incluis. Ik citeer opnieuw uit een krantenartikel, ditmaal van de hand van ir. B.J. van der Vlies:
"Homoseksualiteit zou voor iedereen volstrekt vanzelfsprekend moeten zijn. Dat stelt het kabinet. In de praktijk blijkt dat fors tegen te vallen. Niet alle Nederlanders vinden dat, vooral ”orthodoxen” niet.
Voor orthodoxe christenen kan een homoseksuele relatie nooit vanzelfsprekend zijn. Allereerst omdat dat in de Bijbel ook niet zo is. De Bijbel prijst ons het huwelijk aan als een unieke gemeenschap van een man en een vrouw. Jezus Zelf is heilig overtuigd van de heiligheid van die relatie. In de Bijbel is geen enkele grond voor acceptatie van homoseksualiteit te vinden.
Ook de natuur verzet zich tegen homoseksualiteit. Feit is dat alleen man en vrouw lichamelijk voor elkaar bestemd zijn. Alleen uit deze relatie kunnen ook kinderen voortkomen. Veel Nederlanders ervaren daarom nog steeds een gevoel van bevreemding bij homoseksualiteit, zoals ook wordt geconstateerd in de kabinetsnota. De natuur staat ons niet toe idylles te koesteren bij zaken die tegennatuurlijk zijn. Het blijft een buitengewoon verschijnsel.
Het kabinet daarentegen wil het buitengewone gewoon maken. Bevreemding mag niet meer ervaren worden. Daarmee levert dit kabinet geen constructieve bijdrage aan de omgang met homoseksualiteit. Het beschouwt een zaak als afgedaan die nooit afgedaan kán zijn. Er is namelijk een voortdurend streven nodig naar respect en liefde voor homoseksuelen, terwijl tegelijkertijd de homoseksuele praktijk niet gerechtvaardigd kan worden. Die situatie is nooit vanzelfsprekend, laat staan ideaal”.
En bedenk dan dat juist dit kabinet tweemaal een C in de aanbieding heeft. Ons blad neemt momenteel artikelen over die handelen over dit onderwerp (Ds. Van Aalst). Daarin komt de pastorale kant van de zaak ook duidelijk aan de orde. De ijver van de overheid gaat echter bruggen te ver. We hadden het toch over vrijheid van meningsuiting?
Ons volk is de waarheid kwijt. De geest van Pilatus herleeft. De waarheid ligt ten diepste in Christus, Die op dat moment voor hem stond. Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven. Gelukkig wie deze Waarheid in Hem heeft leren kennen. Maar deze waarheid bestrijdt de vader der leugenen. De nieuwe grondwet van de mensenrechten, van Nederland, van Europa zal uitvallen in het voordeel van de vrije mens. En daarin ligt nu zijn diepste gebondenheid. Het teken van het beest getuigt ervan. Welke vrijheid zoekt u? Beproef wel de geesten of zij uit God zijn. Versta uw tijd. Ik meen dat Nietsche gezegd heeft: Ik neem christenen niet kwalijk dat ze dat zijn, maar dat ze dat nìet zijn. Ze zeggen het wel, maar zijn het niet. Indien de Zoon u zal hebben vrijgemaakt, zo zult ge waarlijk vrij zijn.

 

Kerk en wereld        2008

Willow Creek Community Church in Carthago is de laatste decennia een belangrijke en toonaangevende trendsetter voor veel geestelijke leidslieden, die alles verwachten van nieuwe vormen en een nieuwe aanpak in de kerk. Dat geldt ook voor hen die de aandacht vooral willen verleggen van de bestaande kerk naar de ongelovige buitenwereld. Alternatieve gemeentevormen van ICF tot kerkplanting toe trekken steeds meer onze aandacht. Wat hiervan te zeggen?

correctie (1)

Ik wil beginnen te stellen dat aandacht voor de wereld een must is voor de kerkelijke gemeente. Gods Woord gaat ons daarin voor. Ik erken ook tenvolle dat wij met elkaar te weinig wervende bewogenheid hebben voor de mens zonder God. De kerk moet zich hoeden voor een slechts naar binnen gerichte houding. Maar met die laatste zin ontstaat er al een zekere spanning. Is de kerk introvert (naar binnen gericht) of extravert (naar buiten gericht)? Hoe is dat met u en met mij? Het mag geen tegenstelling zijn. Niet het een of het ander. Beide lijnen zijn nodig. De trein rijdt over twee sporen.
Voorzover ik het kan overzien, heeft Willow Creek model gestaan voor een open benadering van de wereldling.Gemeenteopbouw en andere managementachtige begrippen hadden er ook mee te maken. In diverse gemeenten ontstonden groeigroepen die òf uitwendige òf inwendige (geestelijke) groei beoogden. Ik denk dat veel soortgelijke acties getuigen van en stuk onvrede met de bestaande orde in de kerk. Het gewone lijkt niet meer zo aan te spreken. Zo wil men de bakens verzetten. Het artikel van Paas, door mij kritisch beoordeeld in het vorige nummer van ons blad, is daarvan een duidelijk bewijs. Het bleek me dat zijn gedachten de aandacht van velen trekken, in en buiten onze kerken. Zelfs de Reformatorische Pers gaf zijn opmerkingen door, zonder commentaar.
Ik vind dat gevaarlijk. Het is kerkbedreigend. Veel mensen "tuinen” er argeloos in. Ik ben me bewust hier een naar woord te gebruiken, maar ik doe het toch wel. Dan weet u wat ik bedoel. Ik zeg hiermee niet dat zij die deze ballonnen oplaten, bewust de kerk ondermijnen; ik neem natuurlijk aan dat men het met de beste bedoelingen doet. Maar het riskante van zulke ideeën is dat men dingen gaat veranderen en omzetten en daardoor vormen en hun inhoud gaat prijsgeven, die dan ook voorgoed verleden tijd zijn. Ik bedoel: een tweede dienst afschaffen of geheel omzetten, is ingrijpend. Doet men dat, dan bent u die tweede dienst absoluut radicaal kwijt, voor altijd! Dat wordt te weinig beseft, of men acht dit geen zwaar verlies.
Of kan dat toch wel? In Amerika misschien? Want Willow Creek komt van de ommezwaai van destijds duidelijk terug. Men is er daar achter gekomen dat gerichtheid op zoekers ten koste gaat van trouwe kerkgangers. Zoals ik laatst las in een kerkblad dat ouderen erover klaagden dat veel diensten zoveel lawaai en drukte voor de jongeren opleverden, terwijl zij zelf de gewone Woordverkondiging moesten missen. Heel erg. Men gaat in Willow weer bijeenkomsten houden waarin "zware Bijbelse en theologische kost” terugkeren op het gemeentelijke menu. Het klinkt bijna Hollands. Ik hoop nu maar dat zij, die gericht zijn op Amerika, deze ombuiging nauwlettend volgen. Dat kan hoop geven voor onze kerken, van Zwolle tot Groningen enz.

correctie (2)

Ook op een andere lijn werden deze problemen duidelijk gesignaleerd. Ik doel op een artikel van dr. W. Dekker in de Waarheidsvriend. Hij is studiesecretaris van de IZB, woorden die staan voor Inwendige Zending, uitgaande van de Gereformeerde Bond. Ik geef ditmaal veel tekst door.
Hij vraagt zich af: "? Moet de kerk veel meer aansluiten bij het hedendaagse spirituele verlangen, het ietsisme en allerlei vormen van nieuwe spiritualiteit?”
Zijn antwoord: "Aanpassing is een heel riskante onderneming. De kans dat de christelijke gemeente hierbij van binnenuit wordt uitgehold is groter dan dat de buitenstaanders andere mensen worden. De afgelopen tientallen jaren zijn daar in ieder geval in ons land een voorbeeld van geweest. Alle pogingen naar buiten te treden en de wereld te ontmoeten hebben geleid tot een steeds verdere aanpassing van de kerk aan de wereld en nauwelijks tot nieuwe bekeerlingen. Dat is in ieder geval de constatering van prof.dr. G. Dekker, bijvoorbeeld in zijn boek Van het centrum naar de marge (2006). En we kunnen het allen met eigen ogen zien.
Daarom is het voor zending in onze westerse context beter opnieuw heel duidelijk het vreemde en het tegendraadse van het christelijke verhaal onder woorden te brengen, de breuk te benadrukken, de doop als een overgang uit de oude wereld van alle eigen godsdienst en beleving naar de wereld van Christus. Het christelijk geloof niet uit de doeken doen waar het gelijkenis vertoont, maar juist waar het anders is. Dan snijdt het mes aan twee kan ten. Dan wordt ook de bestaande gemeente opgescherpt in waar het eigenlijk om gaat, in plaats van dat ze meegenomen wordt op een weg van uitholling en aanpassing”. (….)
"Ik zie onder ons het gevaar dat wij alsnog de hoofdstroom van de kerk vijftig jaar later volgen, dat wij te optimistisch kijken naar de kansen en mogelijkheden om vandaag met het Evangelie in de wereld te staan en eventueel ook nog de kerk weer te doen groeien. Nu niet aangewakkerd door apostolaattheologie met vooruitgangsgeloof gemengd, maar door Amerikaans evangelicalisme, vermengd met ideeën over maakbaarheid en opnieuw vooruitgangsgeloof. We zetten de deuren en ramen wijd open om de grote slag naar buiten te maken, terwijl de vraag zou kunnen zijn hoe wij zullen overwinteren op Nova Zembla. Ik besef dat ik het heel zwart-wit zeg en dat ik zo een soort behoudzucht in de kaart kan spelen die ik allerminst bedoel. Want met behoudzucht komen we niets verder en angst mag nooit onze raadgever zijn. Het Evangelie is de vreugdevolle boodschap voor alle Nederlanders, ook al zouden er maar tien gelovigen meer zijn. Altijd is het dus tijd voor zending, altijd is er reden het Evangelie aan ieder in verstaanbare taal bekend te maken.
Alleen verstaan wij de tijden en gelegenheden? Wanneer wij de grote teruggang van het christelijk geloof in Europa en het groeiende nieuwe heidendom werkelijk serieus nemen, is het dan niet de hoogste tijd ‘het overige te versterken wat sterven zou’, in plaats van te dromen van de grote slag naar buiten en opnieuw in te zetten op groei? Met alle waardering voor het gelovige elan dat de visienota "Leren leven van de verwondering” van de Protestantse Kerk ademt, kan ik toch niet meegaan met de inzet op groei, die daarin naar voren komt. Als er groei zal zijn, zal ik me zeer verblijden, maar het zal ons als een toegift geschonken worden op het meest onverwacht en alleen in de weg waarin we in de gemeente zelf tot een nieuwe navolging en een nieuwe volharding komen”.
Dekker ziet wel een ander gevaar, namelijk dat we ons opsluiten in onszelf en zodoende "zure Farizeeërs” zouden kunnen worden.
Dat gevaar sluimert inderdaad op de bodem van ons hart, juist bij hen die de nieuwe orde van deze tijd denken te moeten afwijzen. Dus het sluimert concreet op de bodem van mijn hart, want ik ben er hartgrondig van overtuigd dat we deze eigentijdse aanpak moeten afwijzen. U hebt in mijn artikelen vast wel eens gemerkt dat ik het lang niet altijd fijn vind om allerlei nieuwe ideeën maar weer eens te moeten afwijzen. Ik zie dan ook wel dat gevaar, namelijk dat wij in onze kring van Bewaar het Pand zouden kunnen verworden tot het gesignaleerde gevaar van Farizeïsme.
Over de hele linie van ons blad is dat wellicht en hopelijk niet zo, maar mijn taak in ons blad is wel gericht op het signaleren van verontrustende verschijnselen. En gelooft u mij, ik behoef echt niet te zoeken naar zulke verschijnselen, want ik zie ze overal om me heen.
Laten we ons dus bewust zijn, dat wij evenzeer onderworpen zijn aan de geest van deze tijd, misschien weer op een heel andere manier, maar we zijn het wel. En daarom heb ik ook al zo vaak gepleit voor een algehele reformatie van ons allen en van de gehele kerk. Wij allen hebben God op het hoogst misdaan, wij zijn van ‘t heilspoor afgegaan. We zijn niet uitnemender, ganselijk niet, om het met de woorden van Paulus te zeggen. In dat bewustzijn durf ik alleen maar te spreken over de breuken van de kerk.
Maar dan móet het toch ook wel echt. Zoals alle profeten het hebben moeten doen en ook zoals de Heere Jezus het Zelf heeft gedaan.
Dr. Dekker geeft tenslotte ook, evenals de vorige keer dr. Paas, drie adviezen, die hij opdrachten noemt. "De kerk te midden van het nieuwe heidendom heeft drie opdrachten. De eerste is dichter dan ooit zelf bij Gods Woord leven in een sterke discipline: zondagviering, vaste gebedstijden, onderzoek van de Bijbel, gemeenschapsbeoefening met medegelovigen over alle kerkmuren heen, intellectuele bezinning op het christelijk geloof, vooral met het oog op de eigen leden, die hun geloof een plaats moeten kunnen geven binnen een heidense cultuur.
De tweede opdracht is de liefde van God in Christus uitstralen naar allen om ons heen, ongeacht ras, godsdienst of sociale status. Bidden voor alle mensen, het goede doen voor alle mensen, georganiseerd of niet georganiseerd. Het gaat er ten derde om te proberen het Evangelie door te geven aan mensen die daar open voor staan. Dat betekent niet de boodschap toesnijden op de dominante tendensen in de cultuur. Het Evangelie doorgeven betekent mensen uitnodigen de schitterende kathe- draal van de Joodse en christelijke traditie binnen te gaan, zoals vervat in het Oude en Nieuwe Testa- ment en in de grote christelijke traditie daarna. Dat laatste lukt alleen wanneer we zelf verrukt zijn van de schoonheid en de waarheid van deze traditie.
Er is geen tegenstelling tussen diep in de eigen traditie spitten en missionair zijn. Integendeel. Mis sionair zijn we wanneer we dag na dag verbazing uitstralen over de geheimen die ons zijn geopen- baard en wanneer we ons daar dagelijks in oefenen. Wanneer de IZB zich daarom in de komende jaren nog meer dan tot nu gaat richten op toerusting rond de kerkelijke verkondiging (!), dan is dat geen terugtocht, omdat het echte zendingswerk te moeilijk is. Maar dan gebeurt dat vanuit de overtuiging dat onze zorg nu is dat voor de gemeente die er nog is de woorden Gods weer schitterende parels worden, waar ze zo verrukt over zijn dat anderen vanzelf gelokt worden: wat heb je daar toch voor moois?
Onze eerste zorg is niet hoe het met alle heidenen verder moet, maar om Jezus Christus te dienen en Hem na te volgen”.
Kerkelijke verkondiging, zondagsviering, dat zijn inderdaad wezenlijke kernen van ons kerk-zijn. De wereld bereiken door juist te beklemtonen dat we putten uit andere bronnen. Niet aanpassen aan de grillen van deze tijd, zoals haast en drukke agenda’s, maar gewoon leven bij de eenvoud van de Schrift: "Zoek eerst het Koninkrijk der hemelen en al deze dingen zullen u toegeworpen worden”, en: "Eén ding is nodig”. Hoe eenvoudig. Hopelijk zijn we het daarover in onzde erken eens.

 

 

 

 

 

ONTWAAKT                                                                        2009

"Binnen de Verenigde Naties en de Europese Unie doen progressieve krachten er alles aan om abortus en homohuwelijk in alle landen geaccepteerd te krijgen, stelde Austin Ruse gisteren in een lezing op het World Congress of Families in Amsterdam”.
Het is de moeite waard om nader kennis te nemen van wat door deze inleider werd gezegd op het Wereldcongres over het gezin in Amsterdam. Zijn woorden, op te vatten als een appel, moeten opwekken uit de slaap der gerustheid.

De reeds genoemde Ruse sprak dus op het gezinscongres in Amsterdam. Trouwens, ook minister Rouvoet was daar aanwezig. Toch mooi dat zoiets nog kan. Plasterk op de homoparade, Rouvoet op het congres in Amsterdam. Er kwamen er al snel die riepen dat dat laatste niet kon. De overheid mag zich niet inlaten met allerlei levensbeschouwelijke uitingen en manifestaties. Als een overheidspersoon zich uitdagend gedraagt en onbeschaamd de homo-ideologie wil opdringen aan ons volk, is dat een verschrikkelijke zaak. Vice-premier Rouvoet kwam op voor een basisbeginsel, het gezin, reeds zo oud als de wereld is. Dat is toch wel een groot verschil. Daarom was het verblijdend, dat ook hij er bij was.
De toespraak van Ruse was principieel van toon, maar een tikkeltje Amerikaans. In Amerika verschijnen boeken van diverse schrijvers, die zich sterk bezig houden met de komst van de antichrist.
Ik heb enige jaren geleden het boek van Tim Lahaye, getiteld "Tegenstand” gelezen; deze schrijver is bekend om zijn realistische en dramatische schrijftrant. Zoals dat met meer Amerikanen het geval is. De opname van de gemeente is prominent in dit boek aanwezig. Maar afgezien daarvan, het is te waarderen dat deze schrijvers zich intensief bezig houden met de tekenen der tijden.
Spreker Ruse deed me denken aan Lahaye. Hij sprak over een wereldregering, over de wereldwijde bundeling van allerlei ondermijnende krachten en over ongeschreven wetten die officieus voor alle volkeren en regeringen lijken te gelden. Hij bedoelde te zeggen dat in de hele wereld en binnen allerlei regeringen en organisaties demonische krachten aan het werk zijn om de ene wereldorde te stichten, de regering van de antichrist. Er ligt een duivels plan ten grondslag aan allerlei bewegingen, die zich fel keren tegen het Woord van God. Dan zien we niet meer alleen mensen en politici, maar dan zien we daarachter de geopende poorten van de hel, die topdrukte beleven. Lees het in Efeze 6:12; daar staat: "Want wij hebben den strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers der wereld, der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht”.
Die gedachten mogen ons wel wakker schudden en doen beseffen dat de wereldklok verder loopt naar het onherroepelijke einde. Het thema van de eindtijd leeft over de Oceaan meer dan onder ons.

In Nederland zijn we veel minder met deze thema’s bezig. Dat is vreemd. Het kan te maken hebben met het feit, dat we ons toch redelijk thuis voelen in onze maatschappij, dankbaar genietend van de vele voordelen van onze welvaartsstaat. En waarom dan in Amerika wel sterker aanwezig? Dat is bittere noodzaak, omdat, en dat bleek ook op het gemelde congres, in Amerika een brede beweging van de grond komt, die de nieuwe moraal (abortus, homohuwelijk, enz) met hand en tand wil verwezenlijkt zien.
Daar schrikken we dan wel van. We hadden nog een vaag idee dat de normen en waarden in Amerika redelijk veilig waren. President Bush was voor ons de verdediger van de Bijbelse standaard. Obama is dat waarschijnlijk in het geheel niet. Het bewind van Obama laat niet na duidelijke tegenstand onder de Amerikanen op te roepen. Ook Amerika wankelt op de rand van een morele crisis. Daar evenveel echtscheidingen als in Nederland bijvoorbeeld. Dat is zeer verontrustend.
Losbandige ideeën over de wetteloze menselijke ontplooiing zijn er altijd geweest. Denk maar aan de Franse Revolutie. Maar er was nog geen Internet. Elk volk leefde nog voor zichzelf, los van anderen. Wij beleven de dagen van schaalvergroting en technische ontwikkelingen, waardoor demonische boodschappen met één muisklik ieder mens en ieder volk bereiken kunnen. Nieuwe machtsconcentraties ontstaan, oude idealen uit Babel krijgen vorm, in De VN, maar ook in de EU, in Europa. Nu er al maar landen toetreden tot de EU, zal het steeds meer gebeuren dat we onze nationale en kerkelijke identiteit moeten prijsgeven.
Het is onvoorstelbaar als we zien hoe Nelie Kroes allerlei multinationals en reuzen in het land van de economie tot de orde roept; het is moeilijk te verteren als de EU bepaald hoeveel paling er gevangen mag worden. Je vraagt je dan af: wie regeert er eigenlijk? Den Haag of Brussel?
Maar het wordt nog weer erger als de Unie zich ook gaat bemoeien met het vrouwenstandpunt van de SGP in Nederland en met de homowetgeving. De woorden van onze Amerikaanse spreker krijgen dan een angstaanjagend effect.
Dan zijn we inmiddels toch aangeland midden in de situatie van Openbaringen 13: "En ik zag een van zijn hoofden als tot den dood gewond, en zijn dodelijke wonde werd genezen; en de gehele aarde verwonderde zich achter het beest. En zij aanbaden den draak, die het beest macht gegeven had; en zij aanbaden het beest, zeggende: Wie is dit beest gelijk? wie kan krijg voeren tegen hetzelve? En hetzelve werd een mond gegeven, om grote dingen en gods lasteringen te spreken; en hetzelve werd macht gegeven, om zulks te doen, twee en veertig maanden.
En het opende zijn mond tot lastering tegen God, om Zijn Naam te lasteren, en Zijn tabernakel, en die in den hemel wonen. En hetzelve werd macht gegeven, om den heiligen krijg aan te doen, en om die te overwinnen; en hetzelve werd macht gegeven over alle geslacht, en taal, en volk.
En allen, die op de aarde wonen, zullen hetzelve aanbidden, welker namen niet zijn geschreven in het boek des levens, des Lams, Dat geslacht is, van de grondlegging der wereld.
Indien iemand oren heeft, die hore”.
Heel deze beschrijving van de antichrist maakt duidelijk dat het hier gaat om een religieuze wereldmacht. Dat blijkt uit de woorden: aanbidden, het spreken van godslastering en de oorlog die het beest de heiligen zal aandoen. Het beest zal zelfs de heiligen overwinnen. Benauwend zal het zijn als deze goddeloze macht heerschappij zal hebben over alle geslacht, en taal en volk. In Israel en in Iran, in Rusland en in Amerika, in Nederland en in Cuba. Maar ook in Amsterdam en in Staphorst, in de kerken en in de wereld.
Zien wij in onze dagen iets van deze antichristelijke machten opkomen? Kunnen wij in allerlei beschaafde staatshoofden, die pleiten voor de rechten van de mens, iets van het beest herkennen? Vergis u niet. De profeet van het beest, namelijk het beest uit de aarde, had hoornen als het Lam, maar het sprak als de draak. De antichrist zal wellicht ook gesierd zijn met humaniteit en hij zal de mond vol hebben over de gelijke rechten voor alle mensen. Hij zal de mensheid aan zich binden door uitgebreide hulpprogramma’s voor de armen, door een wereldcampagne tegen Aids te leiden, door de oorlogen zo mogelijk uit te bannen uit de wereld. Behalve dan die ene oorlog, waarover we al gelezen hebben.
Hij lijkt messiaanse trekken te vertonen. Het woord anti in de naam antichrist betekent niet alleen tegen, maar ook: in plaats van. De antichrist zal in de plaats van Christus willen optreden. In het trio (de drie beesten: de draak [12:3], het beest uit de zee [13:1] en het beest uit de aarde [13:11]) zien we een duivelse nabootsing van de drie-eenheid. Ook daarin dus is het godsdienstig karakter van de antichrist te zien.
In de dagen van Johannes had deze profetie vooral betrekking op de keizers van Rome. In hen werd reeds veel zichtbaar van de antichristelijke macht. En wat heeft Rome een geweld gebruikt tegen de christenen. Later heeft men er een andere invulling aan gegeven, toen men meende in de paus van Rome de antichrist te zien. Al deze machten hadden ook metterdaad gelijkenis met het beest. Zo zal het mogelijk zijn in elk tijdsbestel bepaalde lijnen te zien lopen naar Openbaringen 13: Hitler, Mao, Lenin, Stalin, Mugabe, enz. Johannes spreekt over allerlei antichristussen, die er zijn. Maar dè antichrist zal nog geopenbaard moeten worden.
In Amerika tracht men een eigentijdse invulling te geven, zoals ook Ruse dat deed op het gezinscongres. Het is goed dat we daarnaar luisteren. Als we zien waar de kerk in Nederland druk mee is, dan valt hier best wat te leren. Het stelt ons schuldig dat we zo weinig bezig zijn met de grote toekomst van de Zoon des mensen en daarbij weinig aandacht hebben voor de tekenen der tijden. De kerk van Nederland houdt zich niet zelden op met onbenulligheden en binnenbrandjes, die de aandacht van de wereldbrand afleiden.
En toch zien we hoe ook in Nederland de antichristelijke machten zich sterk maken. Welke plaats de Islam daarbij zal innemen, is nu nog een verborgen zaak, maar we zien wel dat de Moslimbeweging wereldwijd sterk is en aan invloed wint. We zien het in Nederland op kleine schaal. De tegenstand tegen de kerk groeit. De onverdraagzaamheid neemt toe. Terwijl ons volk Allah lijkt te omhelzen, ondanks de wrede uitstraling van de Islamieten, wordt de vrouw die het Kind gebaard heeft steeds heviger vervolgd, wereldwijd; het heeft er alles mee te maken dat Israel het mikpunt wordt, straks ook van Amerika.
En we zien met verbijstering dat allerlei christelijke organisaties daaraan meewerken. Men wil het beest aanbidden. Slechts één categorie is daarvan uitgesloten, namelijk zij die geschreven zijn in het boek des levens des Lams. Dan zal de verkiezing blijken te zijn de enige en laatste hoop van Gods kerk.
Ik ben uitvoerig ingegaan op de verschijning van de antichrist om de actualiteit daarvan voor onze tijd toe te lichten. Onze ogen moeten geopend worden voor de geestelijke achtergronden van krantenberichten en politieke conferenties. Niet alleen vanwege de ernst, ook vanwege de hoop, die er uitgaat van het Woord.
Hoe gruwelijk immers die tijden ook zullen zijn, we lezen herhaaldelijk dat aan de antichrist macht gegeven is, van God. Hij staat erboven. En na het dramatische gebeuren in Openbaringen 13 volgt er iets heel anders in het volgende hoofdstuk; daar ziet Johannes het Lam staande op de berg Sion met de verzegelden die de naam Zijns Vaders geschreven hebben op hun voorhoofden. Wat een groot onderscheid. De helse bestialiteit zal niet overwinnen. Het Lam (welk een andere aanduiding dan die van het beest en de draak) toont de serene rust die er eens heersen zal in het Rijk van Christus.

Het zal voor u en mij nodig zijn dat we ons alleen bezig houden met die toekomst. Dat zegt niet alleen de Bijbel, dat zegt ook de krant. De media, de TV, Internet, zíj zeggen het niet. Zij lijken middelen te worden, in de hand van de valse profeet, die maken dat men het beest, de antichrist aanbidt. Zo lijkt het. Zo is het ook. Er is een ongelofelijke propaganda in onze tijd. Prins Willem Alexander klaagt over de hinder van de paparazzi. Maar zijn klacht is kinderspel vergeleken met de antibeweging tegen de kerk en tegen Christus, in het nieuws en op het journaal, bij de omroep en in de kerk. De valse profetie zal er in mee doen. En dat is nog het moeilijkste om te onderscheiden. Hoe kunnen we het echte spreken van het Lam onderscheiden van het beest, dat hoornen heeft "als het lam”  maar dat echter spreekt als de draak. De profeet van het beest zal ook op de kansels staan en hij zal de openbaring van het Lam vertonen in zijn verschijning.
Op dat onderscheiden komt het aan. Ook de Heere Jezus heeft voor die valse profetie gewaarschuwd. Hoe spreken wij, hoe preek ik? Die vraag komt naar ons toe. De Heere opene onze ogen voor de ernst van deze dingen. Indien iemand oren heeft, die hore. In dat korte zinnetje, ook uit Openbaringen 13, ligt alles opgesloten. Om te horen, moet iemand oren hebben. Dat is één waarheid. De andere is: als we die hebben, hoor dan ook! In dat horen, ligt de zaligheid.

 

 


Obama           2009

Nee, niet Darwin. Daar had ik misschien wel aandacht aan moeten geven. Er kan best nog meer bij. De kranten hebben tot nu toe een indrukwekkend aantal pagina’s geproduceerd over de Darwinologie; een eindeloze reeks artikelen, die ons al maandenlang bezig houdt. De kerkelijke pers blijft hierbij niet achter, dus ieder is overtuigd van de actualiteit van Darwin. Een stroom artikelen over de evolutie. Hoe lang gaat dit nog door? Kunt u het allemaal volhouden en bijhouden? Zo’n Darwinjaar is dus ook niet alles. Darwin wint het misschien nog van Calvijn, zelfs bij ons. Maar er kleven nadelen aan zo’n bovenmatige aandacht.

Ik wil mijn gevoelens nader toelichten. Ik heb me afgevraagd wie er het meest gebaat zou zijn met al die aandacht voor schepping en/of evolutie. Ik las laatst dat Wilders profijt heeft van alle negatieve belangstelling in de pers. Dat blijkt ook in de opiniepeilingen. Verdonk had nog niet zo lang geleden ook een massa sympathisanten, maar haar gebrek lijkt me te zijn dat ze de laatste tijden zich op de achtergrond houdt. Dat kost stemmen.
Als dit voor Darwin ook geldt, dan heeft de evolutie niet te klagen. Natuurlijk kunnen we ons afvragen of het dan niet goed is, dat ook de schepping tegelijk zo veel aandacht krijgt? Dat is dan waar, maar dan geldt dit voor hen die onbekend zijn met de Bijbelse scheppingsleer.
Wij hebben, als we het tenminste gevolgd hebben, alle argumenten nu al (het is nog maar net April) meermalen gehoord. En het jaar is nog lang niet om. Arme journalisten, die steeds opnieuw moeten zoeken naar nieuwe ideeën hierover. Al dis discussies maken dat sommige dingen blijven hangen. Zoals bijvoorbeeld de oude aarde. En nog veel meer. Er zijn daarbij al heel wat bekende christenen, die meegedeeld hebben dat zij van standpunt veranderd zijn, ten nadele van de Bijbelse boodschap. Dat blijft niet zonder gevolgen! Daar zijn dan ook nog de creationisten, maar die doen het in het oog van de meesten helemaal verkeerd. Juist zij roepen de verontwaardiging van dominees en theologen wakker. Zij willen de schepping bewíjzen. Ik kan daar niet zo verontwaardigd over zijn. Ik waardeer het als er zijn, die het geloof willen steunen met argumenten. Geen bewijzen, maar argumenten. Ik ben blij dat er mensen zijn als dr. Paul en anderen, die staan voor datgene wat zij geloven. Hellenbroek sprak op deze wijze ook van de Godsbewijzen.
Ik vrees dus dat deze publiciteit heel schadelijk is. Er wordt gerommeld aan de fundamenten. Het doet me een beetje denken aan de campagne van iemand als Kuitert, die destijds de Gereformeerde kerken doortrok met zijn ideeën. Door al die aandacht is het proces van het verval versneld. Zo zal het ook ons vergaan?
Er zijn mensen die ervan in de war raken. Mogelijk zijn er massa’s die ook persoonlijk een omslag maken. De Gereformeerde Gezindte is al bezig met de objectieve (!) zaken van het geloof. Het gaat nu niet over toe-eigening of over de verbonden, maar het gaat over de fundamenten. Zekerlijk, de fundamenten worden omgestoten (Ps. 11:3a).
Maar er zijn toch scholieren en studenten die ermee te maken krijgen? Jawel, en een zeker meeleven met hen is op zijn plaats. Maar zoals het er nu aan toe gaat, worden we helemaal overspoeld. Laten zij die het aangaat, alles bundelen in een boek, dan kan ieder die het wenst, het lezen. Maar de pers zou over deze dingen niet in deze mate de trompet moeten blazen.

Niet Darwin dus, maar Obama. De kersverse president van het machtigste land ter wereld trekt allerwegen de aandacht. Ook voor ons is het goed zijn gangen enigermate te volgen. Dat lijkt me een Bijbelse roeping. Het Kerstevangelie begint met Augustus; de keizer van Rome en de Koning van Bethlehem worden als in een adem genoemd. Paulus kreeg met Nero te maken, met de stadhouders en dus is het voor ons ook nodig dat we de politiek bijhouden, vanuit het evangelie van Jezus Christus. In de dagen van het Oude Testament valt het op, dat de profeten, zoals Jesaja en Jeremia, zo vaak ook het woord richten tot de omringende volken en machten. Kores wordt genoemd "Mijn knecht”. De Heere zegt zelfs de aangrijpende woorden over hem: "Ik zal u gorden, hoewel gij Mij niet kent”. En lees zo de Bijbel maar door.
Amerika is niet alleen het machtigste land van de wereld, maar het is ook tot nu toe het land, dat in sterke mate onder de kracht van het Evangelie heeft mogen leven. Ik schrijf het in de verleden tijd, want er waren berichten dat het Christendom in Amerika afneemt in invloed. Het was toch een geruststellende gedachte, dat er daar over de Oceaan in de grote politiek zoveel aandacht mocht bestaan voor het geloof in de enige God. President Bush heeft daar, bij alle verkeerd ingeschatte beslissingen, het zijne aan bijgedragen.
Het is misschien al een teken van teruggang geweest, dat Obama verkozen kon worden. Het volk wist natuurlijk al voor de uiteindelijke stemming dat Obama feitelijk een heel ander mens was dan zijn voorganger. Dat is ook gebleken. Nog maar nauwelijks binnen de muren van het Witte Huis, werden allerlei regels ten aanzien van de grote ethische vraagstukken (abortus, homoseksualiteit) versoepeld. Verleden week heeft de president de grote ommekeer nog opnieuw eens onderstreept door in Turkije te verklaren dat de gevoelens van de Moslims diep verankerd liggen binnen het Amerikaanse volk. Bovendien heeft hij als zijn mening gegeven dat Turkije lid zou moeten worden van de Europese Unie. Hij schaarde zichzelf min of meer ook onder de grote sympathisanten van Mohammed. Hier gaan dus grote wissels om, die de trein een andere richting insturen. Deze ommekeer zal niet zonder gevolgen blijven.
Daarbij komt dat Obama gezegend is met grote gaven en veel charmes. Meestal komt hij heel sterk over en wint hij ook daarom al de sympathie van de massa. Zijn  optreden is in ieder geval koren op de molen van de linkse pers, die in Nederland al zo sterk vertegenwoordigd is. Daarbij is Obama een neger. Dat is op zich geen negatieve factor. Zo dikwijls als ik met negers in aanraking kom, valt het me op dat er heel veel Christenen onder hen zijn. Bovendien hebben zij onze sympathie vanwege de jaren, waarin slavernij en uitbuiting aan de orde van de dag waren. Obama is een neger die begiftigd is met veel gaven. In een land als Amerika, waar zoveel negers wonen, is het niet verkeerd dat de president nu uit hun kring voortkomt.
Zijn persoon echter zal voor de gehele wereldpolitiek een belangrijke factor zijn. Zeker ook nu de wereld met name door de Moslimbevolking in een soort houdgreep wordt gevat. Is het tactiek van Obama, dat hij de retoriek van de agressie inwisselt voor het zoeken naar een andere toon, die meer op verzoening gericht is? Dat zou kunnen en het zou dan geen wezenlijke verandering behoeven te zijn. Maar zo ziet het er niet naar uit.

Als we de dingen geestelijk willen benaderen, moeten we vooral bedenken dat we leven in de eindtijd. Zeker in onze tijd zullen er allerlei antichristelijke machten opstaan, die het wereldtoneel gaan beheersen. In mijn jeugd stond het voor ieder vast, dat de Antichrist zou voortkomen uit de kring van het Communisme (Rusland en Stalin). Toen deze macht min of meer van het toneel verdween, kwam de Islam sterk op. Nog steeds vormt deze macht de belangrijkste bedreiging voor het Westen. Dat komt vooral, omdat deze religie geen verzoening, maar haat lijkt te prediken. Haat tegen het Christelijke Westen. Wij in Nederland hebben daar tot nog toe niet veel last van, maar vergeten we niet dat miljoenen Christenen hun geloof met de dood hebben moeten bekopen. Eerst door Rusland, later ook door totalitaire Islamitische regimes. Ik noem hierbij ook het Joodse volk. De atoomraketten van Teheran vormen een groot gevaar voor de Joodse staat.
Amerika heeft tot nu toe gezorgd voor stabilisatie van de grootmachten. Het land kwam op voor de vrijheid van Joden en Christenen. Lijkt nu het evenwicht verstoord te gaan worden? Ik sprak over antichristelijke machten. Dè antichrist als persoon, zoals Gods Woord ons hem tekent, is nog niet zichtbaar geworden. Maar Gods Woord spreekt ook over anti-Christussen, antichristelijke machten dus die zekere trekken vertonen van de antichrist. Het is nog veel te vroeg om hier de naam van de nieuwe president van Amerika te noemen, maar we moeten wel alert zijn en letten op de tekenen der tijden.
Er staan grote belangen op het spel. Allereerst voor de Verenigde Staten zelf. Het lijkt onontkoombaar dat in de boezem van dit volk de verdeeldheid over het beleid zal groeien. Ook de vorige president  nam voor ons gevoel beslissingen die te denken hebben gegeven en waardoor het Amerikaanse volk zware offers moest brengen. Onze verbondenheid met de VS komt natuurlijk ook voort uit het feit, dat velen van onze volksgenoten zich daar in het verleden hebben gevestigd. Hoe zal de toekomst zich voor hen ontwikkelen? Kerkelijke leiders in de VS hebben de wending in de politiek reeds eerder opgemerkt en opgeroepen tot veel gebed, ook voor de president. Dat lijkt me een goed voornemen. Ook voor ons is dat een zaak van het grootste belang. We moeten bidden voor allen die in hoogheid zijn gezeten. Want de wereld gaat er heel anders uitzien. We zien immers ook binnen de EU een snel proces van ontkerstening om zich heen grijpen. Ook de EU gaat een macht vormen, meer gericht tegen God en Zijn geboden dan voorheen. Binnen ons eigen volk zien we de aversie van de massa losbranden tegen de Heere en Zijn dienst. Als ook Amerika ons daarbij als steun ontvalt, wordt het donker in de wereld.
Maar deze ontwikkelingen gaan niet buiten het voorzienig bestel van God om. Aan Christus is gegeven alle macht in de hemel en op de aarde. Zoals in oude tijden, zo zal de Heere ook nu spreken van Obama, "Mijn knecht”. Hij moet meewerken aan de plannen van de hemel. En wij zullen ermee moeten gaan rekenen dat er tijden komen, waarin nieuwe Nero’s en Hithler's opstaan, die de vrouw die het Kind gebaard heeft, zullen doen vluchten in de woestijn. Als dat echt werkelijkheid gaat worden, zal er veel veranderen. Maar vergeet niet dat er nu reeds miljoenen christenen in verdrukking leven. En zij zijn gelukkiger dan wij.
Met dit alles voor ogen, volgen we de gangen van Barack Obama en zijn regering. De vaart der volken mag ons niet ontgaan, omdat juist zaken als Internet en technische vooruitgang een steeds groter beslag gaan leggen op de mensheid. Ooit zal geen enkel mens meer het recht hebben om God te dienen naar Zijn Woord en het eigen geweten. Dan zal men niet meer kunnen kopen en verkopen. Dan komt de vrouw in de woestijn terecht. En daar zal ze gevoed worden door de trouw Gods. We hopen en bidden dat Amerika met zijn nieuwe president een overtuigde koers zal zoeken tot behoud van de vele christelijke waarden, die het land en de wereld nog bezit. Gebeurt dit niet, dan krijgt het rijk van het beest uit de aarde een steeds duidelijker gezicht. Het stelt ons allen voor de vraag of we bereid zijn om de Heere radicaal en absoluut te dienen. De Koning van Pasen heeft de dood en dus alle machten overwonnen en Hij heeft Zijn discipelen de opdracht gegeven de wereld te doorkruisen met Zijn evangelie. Dat biedt een heerlijk perspectief voor de toekomst.

          

DOORGAANDE ONTWIKKELINGEN       2009

De laatste weken zijn er opvallende uitspraken gedaan over dr. S. Paas en zeer recent ook over Andries Knevel. Het viel mij op, omdat deze namen voor de lezers van ons blad niet onbekend zijn. Ik heb eerder vraagtekens geplaatst bij hun opvattingen; let wel, bij hun opvattingen, niet bij hun persoon. De zaak is van  belang. Nu dus even geen huisbezoek, maar aandacht voor deze ontwikkelingen.

Rond de persoon van Andries Knevel is inmiddels heel wat stof opgewaaid. Hij erkende nu anders tegen het Bijbels getuigenis over de schepping aan te kijken dan in het verleden. Geen piramide, maar een mozaïek. Hij bedoelde de gedachte van het hellend vlak te weerspreken. Drs. A.J.van Delden en J.J. Frinsel, later ook dhr. Mateboer, oudgedienden van de EO, trokken hierover aan de alarmbel. Deze koerswijziging betreft volgens hen ook de EO als omroep. In december 2007 schreef ik een artikel over Knevel onder de titel: Evolutie. Het ging toen niet over de evolutieleer, maar over ontwikkelingen bij Knevel. Dr. W.J. Ouweneel werd in de pers mede in verband gebracht met de uitlatingen van Knevel. Beide zijn zij invloedrijke trendsetters in het geestelijke en kerkelijke landschap van Nederland.  Een andere persoon, ook meermalen door mij genoemd, is dr. S. Paas, eveneens lid en tevens ook kerkelijk werker van onze kerken en een vruchtbaar publicist, die allerwegen de aandacht trekt. Ik heb vraagtekens geplaatst rond een artikel van Paas in ons Jaarboek. Maar ook eerdere uitingen van Paas werden indertijd voor het voetlicht gehaald.
Wat blijkt nu? Diverse Vrijgemaakte predikanten hebben openlijk bezwaar aangetekend tegen de benoeming van Paas aan de opleiding van de GKV.
Opvallend. Mensen uit meer progressieve groeperingen zijn verontrust. Mensen uit onze eigen kringen delen deze verontrusting niet of nauwelijks blijven afzijdig.
De lezers van ons blad moeten weten dat ons bestuur en de redactie van ons blad de laatste tijd allerlei kritische geluiden bereikten. Niet verkeerd bedoeld en in een goede setting geplaatst. En als broeders van dezelfde kerk is het ook heel goed om met elkaar eerlijke en open te spreken over bestaande verschillen. Ik wil dus op geen enkele manier verwijten maken aan diegenen die richting BhP bezwaren inbrachten. De broederlijke verhoudingen hebben er mijnerzijds absoluut niet onder geleden. De duidelijkste aanleiding tot de genoemde afkeuring lag rond de publicatie van een ander, namelijk dr. W.A. den Boer. Maar de afwijzende stellingname van meerderen betrof toch een algemene onrust ook over andere zaken en personen.
Wat daarbij echter wel tot nadenken stemt, is het feit, dat we onder elkaar de grootse moeite gevoelen om elkaar te overtuigen van de noodzaak tot kritisch nadenken over verschuivingen binnen de kerk. Het stelt teleur dat we binnen onze eigen kringen gevoelens van vervreemding opmerken, over en weer, terwijl er dan bijvoorbeeld binnen de GKV mensen zijn die herkenning oproepen. 
Verontrusting in kringen van de Vrijgemaakten, bij dhr. Frinsel, bij dr. Meijering (Remonstrants theoloog), soms bij mensen uit de Gereformeerde kerken, en waar blijft dan de "Refozuil?” Het is als in een hele lange trein: mensen voorin zien de opdoemende gevaren  terwijl reizigers achterin er geen weet van hebben; ze zien het (nog) niet.
De voorzitter van de Gereformeerde Bond, Ds. H.J. Lam, noem ik ook in dit verband. Hij besprak het inmiddels bekende boek van Dr. Meijering: Het roer moet om! Ds. Lam stelt de klemmende vraag: Moet ook onder ons het roer niet om? Die vraag speelt door zijn hele artikel heen.
IK benadruk de paar woorden " onder òns”. In dat besef hebben we steeds willen schrijven. Die twee woorden slaan op onze kerken (in ons geval), maar ook op onze gemeenten rond ons blad en ook op onze en mijn positie binnen de kerk. Wij, u en ik, wij moeten tot bezinning komen, in onze kerken, in onze gemeenten, ieder in zijn of haar eigen leven. Ik geef een lange zin van Ds. Lam door: "Laten we in  elk geval zo eerlijk zijn onszelf af te vragen of we niet in het emancipatieproces zitten dat twee generaties geleden de Gereformeerde kerken kenmerkte en nu bezig is bij de gereformeerd Vrijgemaakten. En dat onderhuids ook in de afgescheiden kerken ter rechterzijde gaande is”.
Ook onder ons zijn deze waarschuwende geluiden hier en daar wel gehoord, maar de karavaan trekt redelijk gerust verder. Het is in onze kerken, breeduit genomen, geen nijpend en dreigend probleem, er is geen eenparig besef van de crisis. Het signaleren van deze symptomen vraagt wijsheid en die wijsheid hebben ook wij lang niet altijd; ik erken dat opnieuw. Maar waar blijft de stem van zovelen, die beter zouden moeten weten? Onder ons leeft teveel het aarzelend gedogen. Maar misschien kunnen de genoemde stemmen ons de ernst van de situatie doen inzien. Er is over de breedte van onze kerken een sluipende, maar tegelijk ook een snel om zich heengrijpend verwoestend vuur bezig, dat weinig meer overlaat van onze Bijbelse beginselen. Wie zo eens enkele kerkdiensten beluistert op Internet, beseft met mij wat er aan de hand is. U kunt ook terecht op de site "Een in waarheid” (GKV), waar schokkende video’s te zien zijn. De idee van de glijdende schaal of het hellende vlak krijgt dan grote actualiteit. Trouwens, ook in een mozaïek kan er zoveel veranderd worden dat een lam een wolf wordt (Joh.10:12). Het verraderlijke ligt in de omslag die velen maakten. Men begon in Bijbelse verbondenheid, gaandeweg echter veranderde men van standpunten en stelde men de opvattingen bij. De EO is een grote zegen (geweest); er werd naar geluisterd, van dag tot dag; langzaamaan zijn de posities verschoven met het gevaar dat u en ik argeloos meegaan.

Wat mij ook opviel in de verontrusting van van Delden is de waarschuwing die hij speciaal richt aan het Reformatorisch Dagblad. Waarom doet hij dat? Het onderstreept mijn betoog van hierboven.
Drs. van Delden noemt het RD wellicht in dit verband vanuit een gevoel van onrust. Nu moet ik zeggen dat de zaak van de evolutie in grote lijnen in de krant goed gebracht wordt. Er zijn duidelijke signalen die spreken van verbondenheid met het Bijbels getuigenis. En natuurlijk geldt dat ook van heel veel andere artikelen die dagelijks onze aandacht vragen. Maar er zijn bij de rol van de pers toch wel heel wat vragen te stellen. In een vrijgemaakt bericht trof me een ongezouten opmerking over het aandeel van het Ned. Dagblad (ook binnen onze kerken veel gelezen) in het kerkelijke afdrijven binnen de GKV. De pers kan daarin heel veel betekenen, ten goede en ten kwade.
Het RD steekt ongetwijfeld gunstig af bij allerlei ander krantengerommel. Toch lijkt het me goed dat van Delden het RD noemt. Ze moeten achterin de trein ook weten wat er voorin aan de hand is. Helemaal gerustgesteld kunnen we absoluut niet zijn over ons dagblad. Hier moeten we net zo goed de vinger aan de pols houden. Er gaat best heel wat mis, ook in de kolommen van het RD. Gaat de openheid zo ver, zoals onlangs, toen een schrijveres op de opiniepagina het idee verdedigde dat de mens toch gerust van de aap af kan stammen? Ik denk dat de krant trouwens de opiniepagina heel goed in beeld moet houden. Hoe vaak hebben ook mensen als Knevel e.a. niet de gelegenheid gehad op veel te grote schaal om hun gedachten onder ons te verbreiden? En vaak zonder commentaar. Er is over het algemeen een brede openheid naar bijvoorbeeld de evangelische beweging. Natuurlijk, het hoort tot het takenpakket van een dagblad om aandacht te hebben voor alles wat er gebeurt. Ik wil ook niet ontkennen dat er veel is in evangelische gemeenten, waarmee wij ons verbonden kunnen voelen. Maar beseft de journalistiek wel altijd de grote waarde van de Gereformeerde belijdenis; staat deze niet alom en blijvend op de tocht in genoemde kringen?  Waarom niet eens geput uit de artikelen van ds. De Heer in de Saambinder, waarin goede voorlichting wordt geboden over de evangelische richting?
Ook bij het RD merk ik een zekere naïviteit op. Ik proef een benadering van allerlei verschijnselen in de geest van: er zijn daar toch ook wel goede dingen; en bij ons is het toch ook allemaal niet volmaakt? Dat is een goede insteek en niemand kan de waarheid ervan ontkennen. Maar ik ben heel niet gerust over het bewaken van het geestelijk erfgoed, dat er nog is. Wijlen br. Jan de Vries, destijds lid van de gemeente in Damwoude, merkte eens op dat de krant veel te groot werd. Het gevaar wordt dan dat de organisatie draaiend moet gehouden worden. Dan hebben we het Darwinjaar en het Calvijnjaar nodig, om daarmee alle ruimte buitenproportieëel op te vullen. En noch het een, noch het ander brengt soms veel goeds.
Hoe werd geschreven over de gospelmuziek? Welke kerkelijke lectuur komt op tafel, als u de rubriek "Kerkelijke Pers”  bekijkt? Hoe taxeert men de situatie binnen onze kerken en hoe kritisch of niet-kritisch is men naar allerlei eigentijdse verschijnselen? Als u Visie veertig jaar leest, zoals ik, ben je  bang voor parallelle ontwikkelingen rond het RD. Zeker, op grote afstand, maar toch in dezelfde trein. Zoals wij allen.
Hopelijk brengen al deze verschijnselen ons aan de troon der genade. De worteloorzaak van alle verval ligt in het persoonlijke leven. De Heere kan ook tegen u en mij zeggen dat we ons om veel dingen bekommeren, maar dat slechts één ding nodig is. Maar, zult u zeggen, de problemen liegen er niet om en ze doen zich aan ons voor. Ik bedoel echter dat we alle dingen vanuit dat ene nodige moeten beoordelen. Zoek eerst het Koninkrijk van God en al deze dingen zullen u toegeworpen worden. De vreze des Heeren laat licht vallen over het gehele leven. De godzaligheid is tot alle dingen nut. Daar ligt bij ons allen de uiteindelijke oorzaak. Daar sta ik dan niet buiten en u ook niet. Dr. Meijering heeft gesteld dat zijn generatie, mijn generatie blijkbaar er niet in geslaagd is om de geestelijke kracht der dingen door te geven. De kern der zaak, het geloof in Christus, beleefd in een arm zondaarsleven tot rijkdom en grote blijdschap, ligt onder het stof. Die leegte gaan we dan opvullen met allerlei kerkelijke zaken. Daar gaan we het dan over hebben en de vele kerkelijke hete hangijzers worden gretig op onze tafel gelegd. We moeten er toch wat mee? Zeker wel, maar vanuit de bediening van Gods Geest, niet vanuit kerkelijke rapporten en krantenartikelen. Niet vanuit de tijdgeest maar vanuit de Geest der aanneming. Feitelijk zou de tijdgeest ons daarheen moeten drijven. Dan zijn plotseling allerlei moeiten opgelost. ’t Rechtvaardig volk zal welig groeien, daar twist en wrok verdwijnt. Het is het probleem van de gebroken bakken, van de koperen schilden, van de nieuwe lap op een oud kleed.
Laten we biddend meeleven met allerlei mensen die op gladde plaatsen staan. De Conservatieven in Amerika spraken al heel snel (het was ook al heel snel zichtbaar) hun teleurstelling uit over maatregelen die Obama trof, kort na zijn installatie. Maar men riep op tot gebed. En dat gebed vermag veel. Ook nu nog, ook onder ons. Maar om te gaan bidden, moeten we eerst de problemen en de schuld zien. Zo wast de ene hand de andere.
Laten we in onze kerken tot een breed gesprek mogen komen over deze dingen. Nog eens Ds. Lam: "Onze gemeenten ontwikkelen zich namelijk volop. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de bezinning op de liturgie, die in veel plaatsen gaande is. En uit het uiterlijk van de gemeente, met name ’s zondags. En misschien wel met name uit de prediking”. En dus: het roer moet om. Het gebeurt als de Heere gaat spreken. Laten we daarom bidden en smeken. Dan alleen is er hoop.
Ons gebed zij: " Wek Uw macht op voor het aangezicht van Efraim en Manasse en kom tot onze verlossing; o God, verschijn blinkende”. Smeek om die verschijning, om die blinkende, overtuigende verschijning van de Drieënige God. O, daalde ’t heil uit Sion spoedig neer!

  

TRADITIONALISME         2009

U schrijft op uw weblog dat u het „ al decennialang ervaart als een bijzondere opdracht van de Here God te werken onder bevindelijk gereformeerden om hen te bevrijden van het verschrikkelijke juk dat een extreem doorgetrokken predestinatieleer op hen legt.”
„ Amen.”
In Dr. W.J. Ouweneel hebben we te maken met iemand die een zekere roeping gevoelt om te werken onder de groep, waartoe u en ik ons rekenen. Het is derhalve goed nader kennis te maken met de man, die in een interview in het RD van 6 juni jl. opmerkelijke uitspraken doet, zoals de hierboven vermelde. 

In De Wekker van enkele maanden terug wijdde Prof. Maris reeds een drietal artikelen aan de man, die bovenstaande zinnen heeft geschreven. Uit deze artikelen bleek, dat Ouweneel in de loop van zijn leven een proces van grote veranderingen heeft meegemaakt. Veranderingen, die hem vervreemd hebben van de oorspronkelijke uitgangspunten, die hij jaren geleden verkoos.
Het artikel in het RD kan opmerkelijk genoemd worden. Hij zegt daarin o.m. dat God mensen helpt hun eigen timiditeit (verlegenheid) te overwinnen. Ouweneel heeft dat doel voor zichzelf ook ongetwijfeld bereikt. Hij maakt de stralende indruk van iemand die vast overtuigd is van het gelijk van zijn visie.
Geen vraagtekens, maar zeker weten!
Ik plaats enkele kanttekeningen. Niet zozeer om een twistgesprek met hem aan te gaan; wel om onszelf kritisch te toetsen aan wat hij  over ons zegt.
Opmerkelijk dat een evangelisch leider een roeping heeft voor bevindelijk gereformeerden. Voor de gehele Gereformeerde Gezindte. Die roeping vervult hij met succes, want hij heeft velen uit die kring bereikt met zijn boodschap, volgens zijn zeggen. Het gaat vooral om het verschrikkelijke juk van een extreem doorgetrokken predestinatieleer. Hij ziet dit juk heel breed onder ons aanwezig. Ik vermoed dat Ouweneel de Gereformeerde en Bijbelse leer van de uitverkiezing als een extreme opvatting beschouwt. Ook ik weet natuurlijk dat er wel eens extreem gedacht wordt over de verkiezing. Hoewel, wanneer weet je nu genoeg over de kansels van Nederland om zo’n algemeen oordeel te kunnen vellen? Wat weet Ouweneel daar nu feitelijk van? Daarom is zijn oordeel op zijn minst toch wel onvoorzichtig en onzorgvuldig. Ook in strijd met de regels hoe christenen met elkaar omgaan. Hij betrekt de informatie kennelijk van mensen die het zo ervaren. Maar dat vraagt dan eerst zorgvuldig onderzoek. Ik ben ervan overtuigd dat in onze kerken geen extreme standpunten verhandeld worden op de kansels. Een andere zaak is het om te spreken over het werkelijk vrije genadekarakter van het evangelie. Het eenzijdige werk Gods, dat indirect voortvloeit uit de leer der uitverkiezing. Dat wordt soms verkeerd opgevat. Men zou juist hieruit moeten opmaken dat het dient tot verruiming van het heil, als het eenzijdige werk van de Drieënige God verklaard wordt. Ik merk ook helaas dat sommigen dit juist zien als een inperking van de mogelijkheden om te delen in de zaligheid. Maar dat is dan een verkeerd gebruik en ik vrees dat ook Ouweneel hieraan teveel geloof hecht.
Ik blijf het opmerkelijk vinden dat Ouweneel spreekt over een roeping die hij gevoelt voor de bevindelijk Gereformeerden. Ik zou denken dat de Heere ieder geplaatst heeft in zijn eigen roeping. Ieder heeft een roeping op zijn eigen terrein, daar waar God een mens geplaatst heeft. Moeten we hier niet spreken van een verkeerde vorm van inmenging in andermans zaken? Momenteel lijkt de evangelische wereld de handen vol te hebben aan de eigen interne problemen. In Darbistische kringen bestaan grote spanningen tussen vooruitstrevende en de meer behoudende groepen. Daar zal toch ook best wel behoefte bestaan aan wijze leiding en stuurmanskunst?
Een volgende zin als deze roept vragen op: "  Ik merk dat voorgangers in de gereformeerde gezindte moeilijk raad weten met wat jongeren in de evangelische kringen opdoen.”  Kan men anders verwachten? Zouden we zo maar voetstoots de eigen belijdenis moeten opgeven voor de zaken die op de evangelische markt aan de man gebracht worden? De roes en de waan die aanvankelijk bij velen leefde over de ruimte in de evangelische  groepen wordt de laatste tijd wel getemperd door trauma’s die mensen in die kringen oplopen? We hopen dus als voorgangers echt te blijven staan voor de Gereformeerde leer. Lezer, staat u daar ook voor? Hebt u een vaste overtuiging van wat God van ons vraagt? Hebben we zicht op de gezonde woorden van de Schrift? We hebben als voorgangers èn als gemeenten die overtuiging hard nodig.
Ja, die Gereformeerde belijdenis………
Als ik het daarover heb, kom ik op een ander punt wat me opviel in het betoog van Ouweneel. Hij werd door de interviewer bevraagd op de grote ommekeer die er in zijn denken heeft plaats gevonden. Dat ging als volgt:”  Uw denken vertoont opmerkelijke verschuivingen.
Twintig jaar geleden was u vurig creationist, tegenwoordig noemt u zichzelf scheppingsagnost. Van uw huiver voor gebedsgenezing is niets meer over. Denkt u nooit: Wanneer neem ik de laatste bocht?
„Waarom zou ik? Dan zou ik bang moeten zijn voor mijn eigen ontwikkeling. Dat ben ik niet. De veranderingen in mijn denken en de gevolgen ervan voor mijn handelen zie ik als een verrijking voor mijn leven. Er was eens een hoogleraar die bij zijn afscheid zei dat hij slechts op twee onderdelen van de theologie zijn standpunt had herzien. Dat vind ik onbestaanbaar.
Mensen hebben mij wel voor de voeten geworpen dat ik bij Kuitert uitkom. Dan denk ik: Kom op, zeg, de essenties van het geloof zijn bij mij nooit in het geding geweest. Over de exegese van het Woord kunnen we verschillend denken, maar dat betekent niet dat ik vraagtekens plaats bij het feit dat het Woord openbaring van God is. Traditionalisme heeft als belangrijke pijler: waar blijven we? Die ”waar-blijven-we”-angst leidt ertoe dat mensen zeggen: Laten we nergens aan tornen, want als je aan één dingetje morrelt, gaat alles omver. Zo’n gedachtegang slaat nergens op.”
Hij lijkt vrij gemakkelijk de ene gedachte in te ruilen voor een andere. En natuurlijk ervaart hij dat als een verrijking; dat zal altijd zo zijn met ieder die iets nieuws denkt gevonden te hebben. Het probleem houdt mij en anderen natuurlijk ook op zijn tijd bezig. Is het onder ons slechts kramp of behoudzucht, traditionalisme zoals hij dat noemt? Dat er en kramp kan ontstaan, moeten we allen erkennen. Dat gevaar zal ons ook zeker bedreigen. Maar ik kan daar ook weer niet al te bang voor zijn. Als ik moeiteloos zou meelopen in de massale wensen van deze tijd om de zaken eens helemaal ondersteboven te werpen, zou ik meer reden hebben om mezelf eens onder handen te nemen. De geschiedenis leert dat juist de mensen die op zijn tijd onverzettelijk waren, de kerk bewaard en gediend hebben. Ik behoef geen voorbeelden te noemen. En als ik aan de Schrift vraag of ik er goed aan doe als ik vasthoud aan wat we geleerd hebben, dan denk ik toch dat de Heere ons maant tot het vasthouden aan de gezonde leer en aan de belijdenis (1 Tim.1:3; 1 Tim.6:20; 2 Tim.1:14; Tit.1:9; Hebr.4:14; Openb.3:3). Er staan heel veel meer teksten in de Bijbel om te bewaren hetgeen ons is toevertrouwd. Ik meen te mogen stellen dat traditie (in de goede zin) in Gods Woord betere papieren heeft dan vernieuwing, of het moest zijn de vernieuwing van het hart. Velen die naar verandering staan, zullen direct reageren door te zeggen dat ze de leer willen bewaren, maar dat zij tegelijk flexibel willen zijn in allerlei vormen. Dat zegt ook Ouweneel.
We moeten zeker onderscheiden tussen  onopgeefbare zaken en randverschijnselen. Maar laten we wel bedenken dat ook onder bevindelijk gereformeerden allerlei minder belangrijke zaken in de loop der jaren gewijzigd zijn. Je kunt het geen starheid noemen als nu het snelverkeer de zondagse diensten dienen moet; kleding kan zeker een zaak van wetticisme zijn, maar ook de kleding is gemoderniseerd en aangepast; de pers, radio en Tv hebben duidelijk bezit genomen van de onze mensen. Ik zou veel meer kunnen noemen van allerlei zaken, die inmiddels een aanpassing hebben ondergaan. Waarin zijn we eigenlijk nog wèl star?
Is het starheid dat we niet meedoen met de aanpassingen van allerlei liturgische gebruiken in de dienst? Waarom doen we dat niet? Is er nu zoveel op tegen? Nee, dat niet altijd, maar we hebben waargenomen dat juist daardoor de inhoud op den duur werd aangetast en dat de grip op de mensen en op de waarheid daardoor juist, als een tegengestelde reactie, verslapte. Het heeft nergens en nooit gediend tot het beoogde doel, integendeel, het heeft de kerk afgebroken. Dat maakt mij en anderen heel voorzichtig en behoedzaam, zo hoop ik, om deze stappen te zetten. 
Ik las laatste een opmerking van iemand die zei dat christelijk gereformeerd niet iets was van kerkorgels en zwarte pakken. Daar moet ieder het mee eens zijn, net zoals we het eens kunnen zijn met het gezegde dat een goede maaltijd niet bestaat in de aanwezigheid van een zilveren bestek. Toch ruil ik dat bestek dan nog niet om voor een chinees stokje. Vormen hebben een belangrijke functie. Een gouden ring kan heel veel echt goud bevatten, maar als de vorm niet stijlvol en karakteristiek is, doet het afbreuk aan de ring.
Het kameolongedrag heeft veel meer om het lijf dan alleen een wat andere presentatie. Velen, die jaren geleden door Ouweneel opgevoed zijn in goede lijnen, zien hem nu in die dingen omvallen.
Als ik het interview goed lees, klopt de titel helemaal met de inhoud. Ouweneel wil mensen verlossen van hun timiditeit, hun verlegenheid. Hij zelf heeft dat proces met succes doorstaan. Hij maakt de indruk van een self made man. Geen spoortje twijfel of de verandering in zijn leven wel van God is. Het lijkt meer op een onbekommerd freewheelen in het veld van de onbegrensde mogelijkheden.
Ik lees van Gods volk dat zij juist door de arglistigheid van hun hart bang zijn voor een schadelijke weg. Ze hebben daardoor juist in sterke mate behoefte aan ontdekkend licht. Veranderingen kunnen wijzen op innerlijk verval (denk aan de gemeenten der Galaten en Hebreeën). Onder de zeven gemeenten in Openbaringen waren er verschillende die een verkeerd proces van veranderingen doormaakten. Hier ligt een ernstig verschil met de evangelische richting. Daar kan men spreken van de mondige christen, terwijl onder ons de tollenaargestalte meer leeft en ook blijft leven tot op het sterfbed.
Tenslotte: ik heb deze regels geschreven om onszelf af te vragen of het allemaal waar is wat  Ouweneel ons heft voorgehouden. We moeten onszelf op deze zaken onderzoeken. Ik concludeer dat we moeten openstaan voor correctie, ook van Ouweneel. Maar we moeten dan wel op goede gronden van de noodzaak ervan overtuigd worden. Het geldt ook voor ons allen: ga niet te makkelijk in op eenzijdige kritiek. Zoek niet de fouten en tekorten alleen bij anderen. Ga ernstig om met de dreigende gevaren van deze tijd en houd u bij het Woord. Wees vooral overtuigd van wat waarheid voor God is!
Sprekend over Ouweneel, kunnen we de vraag stellen: welke Ouweneel bedoelt u? Die vraag hoef ik bij Mozes of Paulus niet te stellen.
Zeker is ieder in ontwikkeling, maar we  moeten wel het pand bewaren, want het is ons toevertrouwd. Zalig zijn zij die het Woord Gods horen en bewaren.

 

ONDERWIJS          2009

De laatste tijd is het Onderwijs, met name het Reformatorisch Onderwijs, nogal eens in het nieuws. Ik wil er enige aandacht aan geven omdat ook onze lezers ermee te zaken zullen hebben, hetzij als leerkracht, hetzij als ouders die hun kinderen dagelijks naar school sturen. Omdat hier door meerdere politieke partijen zelfs een verkeerde inmenging van overheidswege wordt gevreesd, moeten we met elkaar op dit terrein ook waakzaamheid tonen.

Recent ontstonden er spanningen rond een voorgenomen ontslag van een leraar aan een school in Emst; de problemen hadden te maken met het voornemen van de leerkracht om zijn homoseksuele geaardheid enige ruimte geven in de praktijk. Er werd van beide zijden, naar ik begrepen heb met beider instemming, gezocht naar een passende afvloeiing.
Binnen de muren van de Reformatorische school bestaat hier en daar al langer een zekere onrust, en dan wel op een ander terrein; ik doel op de wettelijke verplichting om een Medezeggenschapsraad (MR) op de school in te stellen. In het bedrijfsleven kent men dit verschijnsel al veel langer. Het gaat om een vorm van inspraak en beleid door de verschillende geledingen die de school bevolken. 
Toch niet onbelangrijk. De MR stond reeds op stapel in 1982 in een eerste aanzet; in 1991 kwam er nieuwe aandacht voor de zaak. Maar er was altijd nog een ontheffing mogelijk voor individuele scholen. Nog geen stringente eis dus. Het Reformatorisch Onderwijs heeft vrijwel unaniem gebruik gemaakt van de regeling tot ontheffing. Dat is nu echter veranderd. Dit jaar wordt de MR onontkoombaar verplicht gesteld voor alle scholen. In deze MR nemen ouders en leerkrachten zitting en zij hebbend e taak de handelingen van het bestuur te toetsen en zonodig om te buigen.
Toen de mogelijkheid van ontheffing er nog was, werd er gebruik van gemaakt omdat men hierin een afwijking zag van het Bijbels gezagsprincipe. De wetgeving gaat uit van de autonomie van de moderne mens: hij beslist zelf over zijn leven. Men zag praktische gevaren: ouders van kinderen die een wat andere visie hebben op bijvoorbeeld de grondslag van de school, krijgen zodoende een handvat om de grondslag te veranderen. Die mogelijkheid is reëel te noemen. De MR kan zich bij een conflict wenden tot een onafhankelijke (grondslagneutrale) geschillencommissie en wat gebeurt er dan? Weliswaar bestaat er een afgezwakte vorm van medezeggenschap, want men kan in plaats van instemmingsrecht de MR ook een adviesrecht toekennen. U voelt het verschil in de beide aanduidingen. Een advies gaat niet zover als een verplicht instemmingsrecht. In het laatste geval is er geen sprake van ontsnapping.  
Maar de kern van het bezwaar destijds lag vooral in de gedachte dat het gezag volgens Gods Woord berust bij de wettelijke gezagsdragers, in dit geval het bevoegd gezag (schoolbestuur). Het absolute gezag berust bij God en onder Hem en in gehoorzaamheid aan Hem bij de officiële gezagsinstanties. Destijds dus steeds van de hand gewezen op principiële gronden. De scholen werden daardoor geadviseerd en begeleid door het VGS (Vereniging voor Gereformeerd Schoolonderwijs).
Het is opmerkelijk dat er niet zoveel openbare aandacht aan deze zaak wordt gegeven. Maar voor de scholen  geeft het hier en daar wel de nodige spanning. Ouders zal dit ook niet ontgaan zijn. Waarom spanning?
Men voelt het als een loslating van principes als nu toch een MR wordt ingesteld, terwijl dat enkele jaren terug op principiële gronden werd afgewezen. Het moet gezegd worden dat de VGS deze wissel vrij moeiteloos heeft genomen. Maar ook het KOC (Kersten Onderwijs Centrum, een schoolbegeleidingsdienst voor scholen van de GG Uitgetreden en verwante groeperingen) ziet in deze koerswijziging (waarin bepaalde wijzigingen worden aangebracht) geen onoverkomelijke bezwaren.
Degenen die ook nu nog bezwaar hebben tegen een MR, hebben er moeite mee dat we nu vanwege wettelijke verplichting de uitgangspunten die toen golden, loslaten. Passen we ons niet te makkelijk aan bij de ontwikkelingen van de tijdgeest? Op andere terreinen is al zoveel bijgesteld maar moet dat nu ook in het Onderwijs? Dreigt hier de vrijheid van onderwijs niet in gevaar te komen?
Hoewel ik zelf niet een absoluut tegenstander ben van invoering van een MR, kan ik me de bezwaren van anderen tegen deze zaak heel goed indenken. Het moet ons wel te denken geven dat we de (principiële) bezwaren van toen nu vergeten lijken te zijn. Gelden ze niet meer of ligt de zaak anders? Men ziet hierin het zoveelste bewijs dat we over de volle breedte van de Gereformeerde Gezindte bezig zijn ons geruisloos aan te passen aan de maatschappij waarin wij leven. Dat bezwaar van ouders en besturen moeten we wel heel ernstig nemen.
Waarom dan toch bij mij geen doorslaggevend bezwaar? Om de volgende redenen: 1. De afwijzing van de jaren 1982 en ’91 kwam voort uit het feit dat de mogelijkheid van ontheffing bestond; om alle problemen intern te vermijden lag gemakshalve afwijzing dus voor de hand. Men heeft zich destijds niet diepgaand op de zaken gericht. 2. Wijziging in de statutaire beginselen van de school liggen buiten de bevoegdheid van de MR; de MR bemoeit  zich vooral met zaken van leermethoden, personeelsaangelegenheden en benoemingen. 3. KOC en VGS hebben samen bij de minister weten te bereiken dat het reformatorisch Onderwijs zelf een beroepscommissie mag instellen, tot wie men zich bij verschil van inzicht kan wenden. 4. Besturen zullen bij aanname van personeel per ondertekening van de sollicitanten moeten vragen om zich uitsluitend te wenden tot de eigen commissie. 5. Ook nu bestaat er een mogelijkheid van beroep op een onafhankelijke rechter; dus wat verandert er precies? 6. Besturen zullen nu hun toelatingsbeleid duidelijker vorm moeten geven en waar nodig moeten aanscherpen.
Niettemin blijft er een latent gevaar in deze wetgeving. Afdichting daarvan is in feite niet mogelijk. Maar gehoorzaamheid aan de overheid is ook een eis der Schrift en deze moet opgebracht worden zolang we niet in conflict komen met Gods Woord.

Nu is er sindsdien een communicatie ontstaan tussen de minister van Onderwijs en het Reform. Onderwijs inzake eventuele discriminatie van bijvoorbeeld homofiele leerkrachten. Er is ongetwijfeld verband tussen de wet MR en de huidige commotie rond homofiele leerkrachten. Als zaken uit de hand lopen, kan het gaan gebeuren dat een MR in allerlei gevallen toch problemen kan verroorzaken. Dat blijkt n u in de problemen waarmee het bestuur van Emst te maken heeft. Deze zaak is een uitvloeisel van de houding van de minister van Onderwijs, Plasterk. We moeten helaas zeggen dat deze minister de schutspatroon is van de gehele homoseksuele beweging. Zo duid ik gemakshalve maar helaas ook noodgedwongen de doordrammerige houding van allerlei homo-organisaties maar aan. De minister neemt in het geheel geen enkele afstand daarvan. Een voorbeeld: in Moskou werd verleden week een songfestival gehouden, waaraan Nederlanders ook meededen. Onze landgenoten waren er als de kippen bij om de homorechten ook in Moskou uit te dragen. Er zou gelijktijdig met het festival een demonstratie gehouden worden t.g.v. de homobeweging. De zaken werden werkelijk op de spits gedreven. Wie de ronduit lasterlijke woorden van deze deelnemers uit Holland hebben gehoord, zullen zich met mij erover verbaasd hebben dat dan Plasterk, de minister, tegen hen zei: Heel Nederland staat achter jullie! Dat is toch wel zeer provocerende taal. Bewust en schijnbaar bijna opzettelijk strijkt hij hiermee in tegen de haren van ons volksdeel. Gelukkig horen we van de drie christelijke partijen een protest richting de minister over zijn beleid inzake de homorechten aan de scholen.
Ook nu wil ik me nadruk zeggen dat ik op geen enkele wijze gemakkelijk wil denken over de strijd die mensen persoonlijk moeten voeren als zij worstelen met homoseksuele gevoelens. Maar hier is heel wat anders aan de hand. Hier wordt bijna gedaan (en dat is mode in Nederland) alsof homoseksualiteit de gewoonste zaak van de wereld is. Je zou bijna gaan denken in Holland dat zaken als de seksualiteit binnen het huwelijk een  afwijking is. Het is goed te bedenken dat het stadsbestuur van Moskou de homodemonstratie heeft verboden omdat dit beginsel de zeden ondermijnt. Wat moeten de Moscovieten wel niet denken van het vrije westen!
Men zou van oordeel kunnen zijn dat onze schoolorganisaties In eerdere gesprekken met de minister te diep hebben willen buigen voor hem. Die gedachte is door meerderen destijds ook uitgesproken. Het gaat er nu om dat de rug recht blijft. Gelukkig heeft dhr. Vos van de VGS zijn ongenoegen kenbaar gemaakt over de activiteiten die nu reeds na de bekendwording van de zaak Emst door diverse organisaties werden ondernomen contra het Reform. Onderwijs.
Er mag toch op dit gebied geen onduidelijkheid bestaan. Wat Gods Woord zegt over homoseksualiteit blijft toch kracht van wet houden. Zeker, in barmhartigheid toegepast, zoals dat ook in Emst is gebeurd. We weten hoezeer de EO slagzij heeft gemaakt inzake de acceptatie van homoseksualiteit (denk aan de handelingen rond Boomsma). Het RD wees erop, dat het wel heel vreemd moet worden geacht, dat de schorsing van deze medewerker van de EO reeds vroegtijdig werd opgeheven. Een uiterst bedenkelijk signaal. De schoolbesturen die een brief van Plasterk hebben ontvangen, zouden kunnen overwegen een antwoord op te stellen waarin onze uitgangspunten nader toegelicht worden vanuit Gods Woord en waarin de Bijbelse lijn wordt gehandhaafd.
Ik zie in aanvaarding van de wet MR nog geen noodwendig teken van een buigen voor de tijdgeest; tenminste, op dit moment niet. Het lijkt me wel een aanliggend gevaar. Maar acceptatie van het homobeleid van de overheid lijkt me zeker en stellig een zaak die te ver gaat.

Misschien vind u het vreemd dat in ons blad over deze zaken wordt geschreven. We moeten echter wel bedenken dat wij allen hiermee te maken hebben. Ontwikkelingen in de kerk krijgen de nodige aandacht, maar vergeten we niet de gevaren die ook van buiten ons bedreigen. Ik acht het dus wel echt nodig dat u als ouders, bestuursleden en leerkrachten gesteund wordt door het meedenken in de dagelijks problemen waarmee u te maken krijgt. Een zaak als deze zou er ook aan kunnen meewerken dat ons volksdeel wakker wordt, in de volle, diepe en geestelijke zin van het woord. Dat is toch immers hard nodig. Moge de Heere ons allen daartoe kracht en wijsheid, moed en standvastigheid geven.

PS.
Het is al weer geruime tijd geleden dat de ambtsdragerconferentie werd gehouden over het huisbezoek. Er is geen vervolg gekomen. Het bestuur heeft mij enige tijd geleden gewezen op de mogelijkheid om mijn gedachten gebundeld uit te geven. Ik heb dat tot nu toe niet gedaan. Nu echter heb ik een voorzichtig voornemen ontwikkeld om zo mogelijk hierover iets te publiceren. Er bestaat op dit gebied niet zo heel veel. Er lijkt me behoefte aan te zijn. Mijn vraag is: willen onze ambtsdragers, die vragen hebben over de praktijk van het huisbezoek deze aan mij kenbaar maken, zodat ik deze zou kunnen verwerken in de uitgave? Op die manier kunnen we met elkaar meedenken.


 

 

 

 

Nihilisme           2009

Er was dezer dagen veel nieuwsaanbod. Moeilijk om daaruit een keus te maken. Ik noem het bericht over de teloorgang van de jeugdkerken, de uitspraak van de Raad van State over het recht van scholen om homo’s te weren, het artikel over het Nihilisme (Nietzsche) en op de opiniepagina de mening van dr. van de Belt over de verhouding Reformatorisch en Evangelisch. Sprekende onderwerpen.

Over het Nihilisme sprak men met dr. A.A.A. Prosman uit Hoogeveen, die enige jaren geleden promoveerde op de gedachten van Nietzsche (Geloven na Nietzsche). Laatstgenoemde filosoof wilde een antichristelijke tijdrekening laten ingaan op 30 september 1888. Bijkomende tragiek was echter dat Nietzsche enkele dagen daarna ernstige tekenen van krankzinnigheid vertoonde.
Dr. Prosman meent dat we de tijd waarin we leven onvoldoende peilen. Als het goed is, moeten we onze tijd verstaan. Er zijn  de tekenen der tijden en die moeten we trachten waar te nemen. Maar in verband daarmee is het ook van belang onze eeuw te doorgronden. Welke machten spelen er in deze tijd? Hoe ontwikkelt zich het Godsgeloof? Wat zal ervan overblijven in de loop der tijden? In welke richting gaat de koers van Nederland, Europa en de wereld? Belangrijke vragen. Hoe komen we daarachter? Gods Woord is de voornaamste bron. Maar daarbij moeten we ook weet hebben van wat er in onze maatschappij aan de hand is. De krant komt dan ook in beeld.
Prof. Wisse was, zoals bekend, goed ingevoerd in de wereld van de wijsbegeerte, de filosofie. Hij begon eens een tijdrede met de uitroep: God is dood, leve dan nu de mens! En na die woorden was het even stil. Een veelzeggende uitspraak, die de hoorders direct de oren deed spitsen. Daarna verklaarde hij dat deze kreet een gedachte was van de filosoof Nietzsche. Deze had de gedachte van "God is dood” heel stellig geponeerd. De korte uitroep van Prof. Wisse geeft de bedoelingen van Nietzsche kort en beknopt weer. Deze sprak over de Übermensch, die zichzelf moest ontplooien, nu het geloof in God was weggevallen. Wie zich in zijn gedachten verdiept, krijgt het beklemmende gevoel dat zijn huiveringwekkende uitspraken in onze tijd tot leven zijn gekomen. Zijn uitspraak over de dood van God is voor hem de constatering dat het bestaan en het spreken Gods niet meer merkbaar is, zoals dat voorheen wel het geval was. Natuurlijk kunnen we zijn gedachten over God niet overnemen, maar we voelen er ook wel iets van aan dat God in onze wereld afwezig lijkt te zijn. Misschien zelfs mede ook in de kerk, omdat de kerk toch ook de invloed van de tijdgeest ondergaat. Ik weet niet meer waar het verhaal vandaan komt, maar u kent het misschien ook wel: een gids leidde een groep mensen door een oude kerk, met grafstenen op de vloer. Een kind was er bij die vroeg: Meneer, waar hebben jullie God begraven? In die kinderlijke misplaatste gedachte lag evenwel en stukje bezinning opgesloten. Is God levend aanwezig in de kerk? De vorige keer heb ik geschreven over de nood van onze kerken en heeft ook daarmee niet te maken dat we zo weinig meer van de levende bediening van Gods Geest opmerken? Deze Nietzsche heeft dat volkomen verkeerd uitgewerkt, maar hij sprak ook de merkwaardige beschuldiging uit dat wij, alle mensen, meegewerkt hebben aan de dood van God. Dat nadert de kruisiging, waarin de mensheid zich heeft willen ontdoen van de Zoon van God. Psalm 2 krijgt daarin een diepe betekenis: Laat ons Zijn banden verscheuren en Zijn touwen van ons werpen! Zo komt de beschuldiging tot ons, ook in onze dagen, dat wij telkens weer opnieuw de Zoon van God kruisigen. Dat is een vreselijke zonde. Maar het onthult op de meest diepgaande manier dat wij van nature allen dezelfde kant uit kijken.

De genoemde Dr. Prosman gaf enige gedachten over Nietzsche en het Nihilisme. Hij stelt dat we maar nauwelijks door hebben wat dat Nihilisme inhoudt: „Wat je vandaag ziet, is dat veel mensen het gevoel hebben dat er iets gaande is. Maar wat? We zien de symptomen: individualisering, het wegvallen van veilige verbanden als huwelijk en gezin, normvervaging, verseksualisering, verslaving, zelfverrijking. Maar het zijn symptomen; het is niet de ziekte zelf. Het is als met het topje van de ijsberg: wat je ziet, is niet het belangrijkste. Het is zelfs gevaarlijk als je je alleen daarop richt. Wat zit er onder het oppervlak? En daarop antwoordde Nietzsche, als ”arts van de cultuur”: Daaronder bevindt zich het nihilisme.”
De aanduiding Nihilisme heeft het bekende woord "nihil” in zich. Dat woord betekent: niets. Deze stroming gaat er feitelijk van uit dat er niets is, d.w.z. er zijn geen normen en waarden, er is geen God, er is geen hogere werkelijkheid. Dit Nihilisme neemt ook politieke vormen aan. Het gehele leven wordt er door bepaald en gestempeld. Het leven is nog niet geheel door dit Nihilisme veroverd, maar het is er wel door aangetast. Dit Nihilisme is op weg om de hand te leggen op de gehele wereld. Het zal nauw verbonden zijn met het antichristelijke denken, waaraan de ideeën van Nietzsche ook ontsproten. En dat is ernstig. We zien dat in politieke partijen, maar we mogen er niet blind voor zijn dat flarden van deze gedachten de kerk binenenwaaien. De tijdgeest heeft ons ook min of meer in haar ban.
Wij nemen deze zaken dan vooral waar als een verminderd spreken van God in ons leven. Ook in de kerk. God komt op afstand te staan. Prof. Graafland sprak van Godsverduistering. Hij wilde daarmee ook iets aangeven van het gevoel dat God afwezig is, maar hij gebruikte een ander kader. God is er wel, zoals de zon er ook altijd is, maar er kunnen zoveel wolken voorbij komen, dat we de zon niet meer voelen.

Kunt u iets van zijn gedachten begrijpen? Misschien bent u van mening dat er gepreekt wordt, we zingen onze psalmen, we gaan naar de kerk, we zijn niet zonder geloof. U noemt nu echter alleen uiterlijke dingen. Het ware geloof zit dieper. Probeer eens door de gevels van kerken heen te kijken. We zien dan dat in veel levens van christenen toch eigenlijk het Woord van God weinig meer te zeggen heeft, dat veel preken zonder kracht zijn, dat velen afvallen van het geloof, dat de weg naar de binnenkamer bij de meesten ontoegankelijk is, dat bijvoorbeeld ook in het maatschappelijke bestel God vrijwel geheel afwezig is. Het volk van Israel heeft dat ook in haar tijd gevoeld (Jesaja 63:15v): "Zie van den hemel af, en aanschouw van Uw heilige en Uw heerlijke woning; waar zijn Uw ijver en Uw mogendheden, het gerommel Uws ingewands en Uwer barmhartigheden? Zij houden zich tegen mij in.
Gij zijt toch onze Vader, want Abraham weet van ons niet, en Israel kent ons niet; Gij, o HEERE! zijt onze Vader, onze Verlosser van ouds af is Uw Naam. HEERE! waarom doet Gij ons van Uw wegen dwalen, waarom verstokt Gij ons hart, dat wij U niet vrezen? Keer weder om Uwer knechten wil, de stammen Uws erfdeels. Uw heilig volk heeft het maar een weinig tijds bezeten; onze wederpartijders hebben Uw heiligdom vertreden. Wij zijn geworden als die, over welke Gij van ouds niet hebt geheerst, en die naar Uw Naam niet zijn genoemd. Och, dat Gij de hemelen scheurde, dat Gij nederkwaamt, dat de bergen van Uw aangezicht vervloten”.
De genoemde Dr. Prosman sprak zijn verontrusting erover uit dat we de crisis van de huidige tijd niet voldoende peilen. Wel symptoombestrijding, maar geen grondige analyse.
We moeten beseffen dat de eigenlijke wortels van de problemen dieper liggen. En zo kom ik weer terug bij wat ik de vorige keer schreef over de situatie binnen de kerken.
Waar loopt het met de kerk op uit, waar komt ze terecht? Zal ze geheel verdwijnen? Nee. Tot de laatste dag zal het geloof op aarde gevonden worden. Dat neemt dan echter niet weg, dat bezorgdheid kan leven over de toekomst. Wie die zorg nu echt gevoelt, mag zich getroost weten door het woord van Christus: Ik ben met u, àl de dagen tot de voleinding der wereld. Deze belofte van Christus is geen dood kapitaal om daar maar gerust op voort te leven. Dit woord zal juist in de verhevigde aanvallen van de satan en in de verschijning van de mens der zonde te meer kracht uitstralen. De wereld met dit dreigende Nihilisme komt uit op het nulpunt, op niets. Nu zijn er nog de Ietsisten, die nog in iets geloven; dit zal echter zeker gaan uitlopen op nihil, op niets. Daarom houden we vast aan de belofte van de Zaligmaker, die geldt voor allen die levend aan Hem verbonden zijn en ook voor hen die een vaste grond onder de voeten zoeken. Tegenover dat "niets” staan "alle dingen”, die God in Christus aan Zijn kerk schenken zal.

Het zou verder mogelijk zijn dat de kerk grotendeels opgeslokt wordt door de evangelische groepen. Dan kom ik nog even op het onderwerp van dr. Van de Belt. Zijn bedoelingen zijn me niet helemaal duidelijk geworden. Hij schrijft: "Het zoeken naar herkenning en wederzijdse verrijking blijkt veel moeilijker te zijn bij evangelische christenen in Nederland. Er hangt een prijskaartje aan de acceptatie van evangelische christenen. Reformatorische christenen moeten hun exclusiviteit opgeven. Niet de exclusiviteit van de waarheid, maar wel de exclusiviteit van de eigen veilige kring.
Reformatorische christenen moeten de rijke schatten van de gereformeerde traditie inbrengen in die evangelische beweging, omdat evangelische christenen kinderen van de Reformatie zijn. Sterker nog omdat het christenen zijn. De echte vernieuwing is niet de evangelische aanpassing van de reformatorische kerken, maar de reformatorische verdieping van de evangelische beweging”. Hij wil en brug slaan tussen de beide genoemde stromingen. Geen evangelische kerk, maar een Gereformeerde evangelische beweging. De vraag is hoe dat ooit kan gebeuren. Moet de kerk uittreden naar buiten, zelfs naar de vrije groepen, uit haar veilige kring? Ik vraag me af of die kring nog zo veilig is? Onze kerkelijke kring toch bepaald niet. Die van de Gereformeerde gezindte? Ook die niet. Gelukkig wil hij niet breken met de exclusiviteit van de waarheid. Dus dan moeten we toch houden wat we hebben? Is het niet naïef om te denken dat de Evangelische beweging de Gereformeerde belijdenis zal aannemen? Juist daartegen leven de grootst mogelijke bezwaren bij hen. Ik zou absoluut liever gewoon Gereformeerd blijvende, trachten te leven zo dicht mogelijk bij de Schrift. Zeker hebben we dan een roeping naar andere christenen en naar heel ons volk zelfs. De beste lijn ligt daar waar we door een geestelijke opleving weer zelf mogen leren leven uit de schatten van de Reformatie. Dan zal het gebeuren dat de evangelischen de weg terug vinden naar de kerk van de Heere Jezus Christus. Dat lijkt me de veiligste weg. Het andere heeft het gevaar in zich dat dat er een vermenging ontstaat, waarbij we veel verliezen. Die vrees is niet zozeer ingegeven door allerlei kritiek op de evangelische beweging, maar hopelijk wel door verbondenheid met de belijdenis van de kerk der eeuwen. Daartoe is het gebed van Israel uit Jesaja’s dagen meer dan ooit nodig. Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en tot in der eeuwigheid.

          


TECHNIEK          2009

Hoort dit onderwerp thuis in ons blad? We houden ons toch niet bezig met machines en technische snufjes? Techniek heeft toch niets te maken met geestelijke vragen?
Toch waag ik het ditmaal te schrijven over dit onderwerp. Ik werd daar heengeleid door een artikel van Jan van Klinken in het RD. Het ging daarin o.m. over dr. F. de Graaff, destijds predikant in Rotterdam en Hattem. De Graaff hield zich bezig met onze cultuur. Mensen die daar inzicht in hebben, zijn zeldzaam. Daarom graag uw aandacht voor de volgende overwegingen.

Dr. De Graaff schreef in 1969 een boek, getiteld: Als Goden sterven. Een vreemde titel. Toch geput uit de Bijbel. In Psalm 82 gaat het over goden: "Ik heb wel gezegd: Gij zijt goden; en gij zijt allen kinderen des Allerhoogsten; Nochtans zult gij sterven als een mens; en als een van de vorsten zult gij vallen. Sta op, o God! oordeel het aardrijk, want Gij bezit alle natien”.
Van Klinken is van oordeel dat dr. Graaff iemand was met een buitengewone visie. Daarin val ik hem helemaal bij. Hij betreurt het dat er nu nooit meer over hem gesproken wordt. Zo gaat dat: de wereld draait rustig door, de kerk ook, ondanks allerlei profetische roepstemmen.
De exegese van dr. Graaff over Psalm 82 is aanvechtbaar. Onder de "goden”, hier genoemd wil hij tussenwezens verstaan en geen rechters, zoals anderen dat verklaren. Daarin is hij niet te volgen. Maar hij brengt onthullende bedenkingen tegen de geest van onze tijd in stelling. De geïnteresseerde lezer moet zelf het boek, als het nog te krijgen is, maar lezen. Ik heb hier de ruimte natuurlijk niet om er diepgaand op in te gaan. Van Klinken bracht de techniek ter sprake in zijn artikel in het RD (24/10).
Wij zijn geneigd de techniek te zien als een dood instrument, slechts een hulpmiddel waardoor het leven makkelijker te hanteren is. De Graaff zag echter in de techniek een demonische macht; in de techniek op zichzelf beschouwd. Wij zien wel demonische machten in de inhoud van de techniek, maar niet in de techniek zelf. Het is de vraag of dat juist is. Ik laat van Kinken even aan het woord:
" De rode lijn in zijn denken is dat de mensheid pijlsnel op de afgrond afkoerst doordat ze de toevlucht heeft genomen tot de techniek. Daarmee hebben wij mensen de maat die ons door God is opgelegd, overschreden. We denken dat de techniek een zegen is maar in werkelijkheid is ze een vloek die ons uiteindelijk in het verderf zal storten. De techniek zal volgens De Graaff onbeheersbaar blijken. De oude Grieken hadden dat al vroeg door. Er zijn sterke aanwijzingen dat zij wisten hoe je stoom kon omzetten in kracht, maar intuïtief moeten ze hebben aangevoeld dat de consequentie van deze ontwikkeling bedreigend voor de mensheid zou kunnen zijn. Daarom lieten ze de toepassing rusten.
  De moderne mens lacht om de benepen reserves van de oude Grieken en denkt het leven in al zijn facetten te kunnen (gaan) beheersen. De uitloper van deze ontwikkeling is volgens De Graaff de computer. Toen hij daarover schreef was dat nog een uit zijn voegen gebarsten rekenmachine, maar hij voorspelde dat het apparaat steeds intelligenter zou worden en om die reden ons leven en ons bestel zou gaan domineren. De Graaff zag de perfectionering van de techniek als de laatste zet van de hinderaar ( satan) in een ultieme poging God schaakmat te zetten.
Zijn critici hebben hem verweten dat hij de techniek lijkt te beschouwen als een autonoom monster dat buiten toedoen van de mens een eigen weg gaat. De Graaff ontkende dat overigens. Het is volgens hem inderdaad de mens die aan de knoppen draait, maar de techniek heeft zo’n verleidelijk gezicht dat de demonische kant daardoor gemakkelijk over het hoofd wordt gezien of op de koop toe wordt genomen. Moeten christenen zich dan maar terugtrekken in een reservaat en een gemeenschap vormen zoals de amish in Amerika hebben gedaan? Nee, daar zag hij helemaal niets in. Het zich krampachtig afsluiten van de buitenwereld kon volgens hem niet de bedoeling zijn. Wel bepleitte hij een leven zoals Daniël in Babylon: meedoen maar wel afstand nemen”.
Een duidelijke weergave van de gedachten van de Graaff. Misschien op de laatste conclusie na, want daarin wordt wel heel makkelijk geconcludeerd dat we moeten meedoen. Vooral die afstand lijkt me een onwerkbaar begrip. De een neemt een meter afstand en de ander tien kilometer. Dat maakt dan wel verschil. Over die conclusie gaan de meeste discussies.
Toen ik dit stuk las, dacht ik aan mijn eigen ervaringen met het betreffende boek van de Graaff. Ik heb dat lang geleden ook in handen gekregen en het heeft me toen heel veel gezegd. Mijn artikel over het Nihilisme kwam ook voort uit gedachten die de Graaff had aangedragen in dat boek. Daarom ga ik er nog even op door.

Is de techniek een dood ding? Of is het een machtig middel in de hand van de duivel? Is techniek demonisch geladen? Dat te stellen zou ons leven op haar fundamenten doen schudden. Het zou een aardschok van de grootst mogelijke omvang betekenen.
Ik heb altijd horen zeggen dat de TV een dood ding is. Het is maar hoe je dit medium gebruikt. Dat geldt van meerdere fenomenen in het moderne mediapark. Dat gaf een alibi: er zit op zichzelf bezien geen kwaad in. Zo konden we allemaal gretig de zegeningen van de techniek in gebruik nemen: de auto, de TV, de muziek, de computer, internet, de telefoon, enz. Al deze middelen zijn inmiddels in onze kringen geïnstalleerd.
Maar als het nu eens waar is, wat de Graaff daarover heeft gezegd? Ik schrijf enkele regels uit zijn boek over, waarin het gaat om de computer: "Nog altijd wordt het misverstand verspreid, dat de computer niet meer is dan een menselijk hulpmiddel, dat geheel door de mens beheerst wordt. Men beweert, dat uit de computer nooit meer kan komen dan wat de mens erin heeft gelegd, dat de computer nooit origineel kan zijn. Deze beweringen gaan geenszins meer op. De computer kan op omstandigheden reageren, die de mens niet voorzien heeft. Hij kan ook ervaring verzamelen. De door een ervaring rijker geworden computer lost een probleem beter op dan daarvoor. De computer heeft reeds het vermogen om in een bepaalde situatie een keus te doen. Dat betekent dat de beslissing hoe langer hoe meer in de macht van hem wordt gelegd”. In 1969 geloofde n iemand dit. Nu echter weten we dat deze zinnen profetische woorden bevatten. De Graaff constateert dat de mens een slaaf is geworden van de computer, van de techniek dus.
Deze gedachte is aantoonbaar. Allerlei denkklussen laten we tegenwoordig uitvoren door rekenmachine en computer. De tijd komt steeds dichterbij dat we het zelf niet meer kunnen. Zo neemt de PC steeds meer taken en handelingen van de mens over. De machine, zoals bijvoorbeeld de dragline deed dat ook en daardoor verslappen de spieren van het menselijk lichaam en ontstaan er allerlei lichamelijke klachten (hartinfarcten). De PC neemt nu het denken van ons over en dus gaan onze hersenen een soortgelijk proces meemaken. Ze roesten vast en gaan allerlei problemen veroorzaken (geestelijke kwalen). Computers worden robots en deze zullen eenmaal kunnen opstaan tegen de mensheid en deze vernietigen. Dat zou, afgedacht van wat Gods Woord zegt, zo kunnen gebeuren. Laatst meldde de krant dat een mobiele telefoon, gericht op een gebouw of een mens, onmiddellijk informatie geeft over dat gebouw of die mens. Niets en niemand is dan nog veilig voor de terreur van de techniek.
Als de Graaff geweten zou hebben van de macht van een "mobieltje”, zoals wij dat heel onschuldig benoemen, had hij daar zeker een nieuw boek over kunnen schrijven. Ik geef u nog iets door over het onderwerp "gesprekstechniek”. Natuurlijk een zaak, waar ieder het nut van inziet. Luistert u eens naar wat de Graaff daarover geschreven heeft (ongeveer veertig jaar geleden!):
"Eén van de gevaarlijkste uitingen van de sociologie, waarin het demonische karakter van de techniek duidelijk uitkomt, is de zogenaamde gesprekstechniek, die de ware dialoog in wezen vernietigt. De moderne techniek vervreemdt de mens niet alleen van zijn goddelijke oorsprong, maar ook van zijn medemens. De gesprekstechniek leert mensen vrijblijvend met elkaar omgaan. Men leert voor iedere waarachtige ontmoeting uit de weg te gaan. Op die wijze worden botsingen voorkomen. Men leert dat niermand iets pertinent mag beweren. Dat zou tot een echt gesprek kunnen leiden. Men moet iets voorzichtig "stellen” en liefst in de vragende vorm met veel excuses en verzekeringen, dat men slechts een uiterst persoonlijke visie heeft. Om alle schijn van pertinentie te vermijden, moet men steeds het voorzichtig in de mist hullende woord "ergens” gebruiken. Wanneer iemand de euvele moed heeft of beter uitgedrukt de gesprekstechniek niet voldoende blijkt te beheersen, zodat hij toch een weinig pertinentie toont, moet men hem streng op de vingers tikken en zeggen:”…Is de zaak niet veel gecompliceerder dan u stelt?”
Profeten als Elia en Johannes de Doper, en trouwens alle profeten, ook de Heere Jezus Zelf, hebben altijd zonder omhaal de dingen gewoon eerlijk gezegd. En daarom werden ook zij op de vingers getikt en eindigde dit proces tenslotte aan het kruis. Toen ik dit nog eens overlas op blz. 351 schrok ik er zelf van. Ik zag in dat we inmiddels al deze dingen hebben aanvaard en er geen kwaad van denken. Maar we kunnen ons ook in 2009 wel voorstellen waar de techniek ons gaat brengen. De Graaff stelde reeds toen de mogelijkheid dat de computer de mens eenmaal de onvermijdelijke raad zal geven dat de wereld vernietigd moet worden.
Ik hoop van harte dat u zich nu niet meer afvraagt waarom ik over een onderwerp als de techniek wilde schrijven. Hier ligt een terrein waar we ook als Reformatorische gezindte volkomen bedrijfsblind zijn. Hier speelt de duivel met ons en we hebben het zelf niet in de gaten. Dat is de ernst van de zaak. En bepaalde leuzen, waarmee we meelopen in de stroom van de massa, wiegen ons in slaap. De gevaarlijkste daarvan is wel dat de techniek een dood ding is. Ook wij vergapen ons aan de nieuwste snufjes van de technische vooruitgang. We beseffen niet dat we een spelletje spelen met vergif.
Ik laat u nog iets horen over de Televisie.
Het is te vinden in een ander boek van de schrijver: Anno domini 1000, anno domini 2000, blz. 426.
" De televisie is een van de meest geraffineerde massavormers. De televisie is de moderne slavendrijver bij uitnemendheid. Bij de televisie behoeft men alleen nog maar te reflecteren. Iedere dialoog, iedere persoonlijke verwerking wordt onmogelijk gemaakt. Alleen wie zijn ziel verdrongen heeft of reeds heeft verloren, kan een televisieprogramma met genoegen volgen. De huiskamer, die oorspronkelijk een tehuis was, is veranderd in een exercitieterrein van de massamens. Zonder enige tolerantie wordt iedere avond de mens opgeroepen. Slaafs is hij present en laat zich manipuleren. Alle onmiddellijke ontmoeting wordt hem ontnomen”.
Ik zou zo door kunnen gaan. Let wel: hij wist nog niet van Internet, een middel dat veel verder gaat dan de TV. Hij wist niet van het speelgoed van onze kinderen, de GPS. Eigenlijk zijn we allemaal weg van het speelgoed van de duivel. Dat is een harde conclusie, maar deze is wel waar.
Want de mens van Babel waant zich steeds machtiger en sterker tegenover Zijn Schepper. Hij denkt dat hij God kan wegdenken en overbodig kan maken. Hij meent dat hij zelf God is in het diepst van zijn gedachten, zoals Willem Kloos dichtte. De dwaas zegt in zijn hart: Daar is geen God. Daar draait deze maatschappij op uit. Maar duidelijk zal worden dat de mens zijn ziel en zaligheid aan de duivel verkocht heeft. En dan zijn we precies uitgekomen op de waarheid van Gods Woord over de val van de mens en de gevolgen daarvan.
Hoe komen we daar ooit uit? Alleen door genade en dat weten we allemaal. Genade herstelt alles. Maar de techniek dan? Daar blijft toch ook de kerk mee zitten? Die klok kan zeker niet meer terug. Maar genade leert de mens er op een verantwoorde manier mee om te gaan. Daarin ligt de enige garantie. We zien er echter niet bijster veel van dat de kerk dat ook metterdaad doet.
Door die genade zullen we des te meer Gods grootheid in de schepping inzien. Het is genade als we de Heere zien in de dingen die ons omgeven. Ik stond eens voor een verkeerslicht en toen zag ik een eend komen aanvliegen en in een sloot terechtkomen. Dat ging heel soepel en zonder moeite. Ik dacht toen ook een vliegtuig, een jumbo 747. Als u die van nabij ziet dalen of stijgen, vergaat horen en zien u. We vinden dat allemaal een staaltje van groot technisch vernuft. Maar die eend was er zesduizend haar geleden al. Die toont hetzelfde principe. We vinden dat gewoon. Maar het is een even groot wonder, nog groter, dan dat vliegtuig. Alleen moeten we dat weer gaan zien. En de conclusie is dan: "O Heere, onze Heere, hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde”.

 


VERSMALLING         2009

Prof. Antoon Vos wijt de kerkverlating vooral aan de verdeeldheid der kerken. Zo las ik het gisteren in de krant. Eén deel uit zijn betoog trof me vooral: "De grote klap voor Vos persoonlijk was dat hij in vijf jaar tijd de kerken in Utrecht leeg zag stromen. „Op een zondagavond in maart 1964 ging de bekende dr. Koolhaas, de voormalige synodepreses, voor in een kerk in Utrecht. Ik ging er op tijd heen om een goed plekje te krijgen. Twintig minuten voor aanvangstijd stonden er lange rijen te wachten. Maar wat gebeurde later? Na vijf jaar waren er in de meeste hervormde en gereformeerde kerken nog maar een vijftigtal kerkgangers. Hoogleraren als Van Ruler, Van Niftrik en Lekkerkerker hebben die vreselijke leegloop niet kunnen verwerken en zijn van ellende aan hartkwalen doodgegaan.”

De laatste komt hard over. Als de genoemde hoogleraren inderdaad mede tengevolge van de teruggang der kerken hun einde gevonden hebben, pleit dat niet voor de kerk maar wel voor hen. Ze hebben dan tenminste leed gevoeld vanwege de nood van de kerk. Niemand kan natuurlijk nagaan of zijn constatering waar is, maar Vos heeft ongetwijfeld (hij was ook hoogleraar in Utrecht, waar van Ruler c.s. woonden en werkten) enige grond om te stellen dat zij zich het lot van de kerk hebben aangetrokken. En hoevelen zullen zich met hen niet ontzet hebben over die leegloop en afbraak van kerken. Als jongen liep ik ook door de straten van Utrecht met mijn ouders naar de kerk aan de Wittevrouwensingel, waar destijds ds. P. de Smit predikant was. Ik weet dus van die drukke straten en de volle kerken. Toen ik vele jaren later in diezelfde stad zelf predikant was, heb ik ook de moderne leegheid moeten aanzien. In mijn jeugd zat ik eens in de Oranjekerk waar ds E. van Meer preekte; hij werd de kansel opgedragen vanwege een verlammende ziekte. Hij was eerst ethisch predikant maar later werd hij na een doorleefde bekering een getrouw prediker. De kerk zat helemaal vol. Toen ik in Utrecht werkte heb ik het moeten beleven dat ik op mijn fiets door de stad rijdend zowel de Oranjekerk alsook de kerk waar dr. Bout regelmatig preekte (Julianakerk), op een en dezelfde dag gesloopt zag worden.
Het proces heel snel gegaan. Zo ging het in alle grote steden. Zo ging het daarna in middelgrote plaatsen zoals Hilversum; nu zijn we tenslotte bezig met de dorpskerken. Daar zou de kerk wel een hartkwaal aan moeten overhouden, een hartkwaal in een misschien wat andere betekenis. Dat geeft heel veel hartzeer. Of wennen we eraan? We zijn er al lang aan gewend. Of we zijn zelfs blind voor deze ernstige teruggang van het huis des Heeren. Ik merk weinig leed daarover. De sluiting van de Coloniastaat, voor velen zo bekend, heeft ons (gelukkig) sterk doen beseffen hoe treurig de kerk er bij staat. Ook onze kerken.
Deze trend zet zich voort. Er lijkt geen houden aan. daarbij wil ik niet voorbijgaan aan de ijver en de inzet van jonge mensen, die ook in stadsgemeenten nog de moed hebben om door te gaan. Zulke jongeren waren er ook ten tijde van Ezra en Nehemia, terwijl de ouderen met droefheid en weemoed dachten aan de eerste tempel, de dagen van weleer.
Niet alleen kerken worden gesloopt. Ook gemeenten delen in hetzelfde lot. Soms raken ze diep verdeeld over buitenissige zaken. Zo gaat het met kerkenraden en predikanten. Welk proces is er toch gaande in de kerk van Nederland? Ik zeg met nadruk dat ik mij niet meng in plaatselijke gebeurtenissen; wel is me duidelijk dat wij zonder uitzondering allen tot bekering worden geroepen. Ik heb altijd geweten dat we allen schuldenaar zijn aan het verval. Toen ik laatste echter opnieuw weer een moeilijk bericht hoorde, werd het waar voor mijzelf. Ik kwam bij mijn eigen kerkelijke en geestelijke schuld uit. Toen werd het toch anders. Ik ben gebroken vanwege de breuk der dochteren mijns volks, zo sprak Jeremia. En ik zou daar ook best willen blijven, want het is de enige mogelijkheid om de dingen te verwerken.

Die hartkwaal van de genoemde professoren laat zich dus wel verstaan. Vos wijt deze aan de vereeldheid. Dat zal ten dele zeker zo zijn. Nu schreef ik de vorige maal over verbondenheid, als een heel voorzichtige poging om biddend na te denken over de noodzakelijke eenheid. In Schiedam voelde men dat ook. Onze kleine gemeente aan de Warande en een evenzeer kleine kern binnen de HHK. Beide gemeenten in een ontkerktelijke stad.
Het heeft geresulteerd in een gemeenschappelijke verklaring, waarin men sterke verbondenheid heeft uitgesproken. Ik ga niet passen en meten met de kerkordelijke bepalingen, die hier nog niet in voorzien. Die meetlat zijn we trouwens in onze gemeenten en classiciale vergaderingen her en der al lang kwijt geraakt. Ieder lijkt te doen wat goed is in eigen ogen. Wie zou e r dus kwaad van zeggen als twee kleine gemeenten elkaar ontdekt hebben. Nee, het had heel makkelijker slechter kunnen uitvallen! Ik wil dus van harte mijn meeleven uitspeken met de gemeente van Schiedam; hopelijk gaan volgende deuren voor deze gemeente ook open.
Wat in Schiedam gebeurde, spreekt van verbondenheid. Geen grote woorden van eenheid en samengaan, maar een voorzichtig begin. Afgedacht van Schiedam had ik mij al voorgenomen nog wat nader in te gaan op de onderlinge kerkelijke verhoudingen. Het boven aangehaalde woord van Prof. Vos heeft dat voornemen nog weer versterkt.
Daarover nadenkend moeten we ook nuchter vaststellen dat er heel veel scheidsmuren bestaan. Formeel kerkordelijke en praktische bezwaren zijn er in alle maten.
U zou kunnen denken aan een fuik of een trechter; een breed en ruim begin, maar uitlopend in een steeds smaller wordende beklemmende verenging. In de eeuwen die achter ons liggen, is er wel sprake geweest van een zodanige verenging. De verdeeldheid werd erdoor versterkt.
Er zijn tijden geweest dat de kerk als enige sluis het protestantse karakter had. Men was Rooms of men was Protestants. Dat zal niet zo lang geduurd hebben. Luther en Calvijn stonden heel dicht bij elkaar en ze hadden elkaar nodig; maar er waren ook verschillen.
Al snel ging een klein verschil de boventoon voeren. Er kon gesproken worden van een verengende visie bij Luther. Het kwam zo ver dat hij snijdend scherp sprak over de Sacramentariërs, waartoe hij ook de Gereformeerde stroming rekende. Hij ging heel ver in het uitsluiten van zijn Geneefse collega; dat ging over het Avondmaal. Voor hem zo belangrijk dat het tot een halsvoorwaarde werd. Calvijn evenwel kon de zaak relativeren. Aanvankelijk beiden geheel verenigd, later kwam er verwijdering. Dat werd dus die ene zaak van het Avondmaal. Daar ziet u de fuik.
We zien daarin dat betrekkelijk kleine verschillen grote gevolgen en verstrekkende consequenties krijgen.
Zo ging het ook met de drie formulieren van enigheid, de Heidelberger, de Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Dordtsche Leerregels. Deze mochten, dunkt me, toch wel genoeg zijn om ruimte en grenzen van de kerk aan te geven. Formulieren van énigheid! Dat duurde echter maar even. Er kwamen al snel andere en fijnere onderscheidingen en mazen. Woorden als "evangelisch” en "Reformatorisch” moesten binnen de Protestantse kerken duidelijker aangeven waar we staan. Tegenwoordig zeggen we, als we aangeven welke grens we hanteren, erbij "bevindelijk Gereformeerd”. Dat is het dan helemaal. Ik moet eerlijk zeggen dat ik zelf die onderscheiding ook wel gebruik. Maar moet dit eigenlijk wel en gaan we er zodoende niet aan meewerken dat de fuik al nauwer en enger wordt? Waarom doen we dat eigenlijk?
Helaas ligt een oorzaak daarin dat velen nog wel spreken van hun Gereformeerde belijdenis, maar dat ze inhoudelijk heel veel van de inhoud hebben prijsgegeven. Vandaar dat er dan behoefte bestaat aan kenmerkende aanduidingen om het viswater helder te houden. Er zijn voorbeelden te over van ambtsdragers in andere kerken die ten onrechte hun handtekening zetten onder de drie formulieren. Op die manier ontstaat begripsverwarring en zegt het niets meer of we ons nu Gereformeerd noemen of niet. Allerlei onderscheidingen blijken op den duur kameleongedrag te vertonen. Wat zegt het woord  "Evangelisch” en wat zegt het woord "Reformatorisch” nog ècht? Nu hebben we dan als aanduiding van betrouwbaarheid het woord "bevindelijk”. Maar dekt dat woord de zaak? Is de aanduiding Christelijk Gereformeerd toereikend om klare wijn te schenken? Herinnert het woord "afgescheidenen" nog werkelijk aan Ulrum?

Zou het dan niet beter zijn om terug te keren naar de echte sluis, namelijk die van de Gereformeerde belijdenis? Daar zit toch alles in? Daarin wordt toch ook klaar gesproken over de rechte bevinding? En als u dan bang bent dat zo heel veel mensen zich daarmee tooien zonder dat ze Gereformeerd zijn, dan moet u uiteindelijk dat oordeel maar aan God overlaten. Want Hij alleen weet wie we zijn, als persoon en als kerk. En Paulus zei het ook zo: "Want die is niet een Jood die het in het openbaar is, maar die is een Jood die het in het verborgen is, wiens lof niet is uit de mensen maar uit God” (Rom.2:28,29). Moet het niet uw en mijn zorg zijn dat ik het ben, in waarheid voor God? Ben ik zelf Gereformeerd, ben ik zelf werkelijk bevindelijk gelegerd?
Met dit alles wil ik zeggen dat al onze sluizen toch geen enkele garantie kunnen bieden. En natuurlijk zijn er wel sluizen nodig, maar we hebben toch genoeg aan die ene van de belijdenis? Verbondenheid nu zal ontstaan rond die belijdenis en rond dat Woord van God, rond de banier van het evangelie.
Zo zijn er genoeg kerkelijke namen en criteria op papier. Nu de kerkelijke kaart door al deze zaken versnipperd is tot een legpuzzel, spreekt de verklaring van Schiedam aan. Men kijkt een goede kant uit. Het moge doorwerken in alle kerken, die waarlijk verbonden zijn met het Koninkrijk Gods. De heersende kerkelijke indelingen kunnen niet gehandhaafd worden, omdat de begrippen de feiten niet meer dekken.
U vraagt zich dan misschien bezorgd af wat er van onze kerken worden zal? Zullen ze niet langzaam maar zeker opgaan in allerlei samenwerkingsverbanden, zodat er van onze kerken binnenkort weinig meer terug te vinden is? Als meerdere gemeenten zouden uitspreken wat in Schiedam gebeurd is, waar blijft dan de prediking, zoals we die onder ons kennen? Hoe moet het met de kerkelijke organisatie?
We zijn echter onze kerken al lang kwijt. Kijk maar naar de preekbeurten in vele gemeenten. Er zijn legio gemeenten waar zondag geen predikant van onze kerken voorgaat. En we weten toch dat de Kerkorde daarin geen enkele rol meer speelt.
Onze kerken hoeven we niet te beschermen. Maar die prediking willen we toch hartelijk voorstaan, niet als iets bijzonders, maar wel als een groot goed, als het erfdeel, dat ons lief is. Als dan anderen in andere kerken daarmee verbonden zijn en als wij ons verbonden weten met de prediking in de Geref. Gemeenten en in Bondsgemeenten en zeker ook in de HHK, dan moeten en mogen geen muren ons uiteindelijk tegenhouden. Dan graast de kudde waar het gras groen is. Ik had aanvankelijk iets willen schrijven over enkele artikelen in de Saambinder (GG); het goede gehalte daarvan trof me. Als we zulke dingen ervaren in deze tijd, mogen we daar dan toch nog dankbaar voor zijn? Daarom zijn initiatieven zoals in Schiedam welkom. Het is een voorzichtige stap en zo moeten wij ook in andere gevallen de voorzichtigheid in acht nemen. Met beleid biddend te werk gaan. Vragend: Wat wil de Heere?
Is het tegen Gods Woord? Ik meen zeker van niet. Is het tegen de Kerkorde? Als Deventer niet tegen
de KO is, dan is dit het ook niet.
De tijd zal komen dat de belofte uit Gods mond in vervulling gaat: Zij zullen een worden "in Mijn hand” (Ezech.37:19b). Ezechiël moet twee stukken hout nemen en ze tot elkaar brengen. Zo heeft de mens een roeping, als de Heere spreken gaat. En dat gebeurt in de weg van waarheid en eenheid.
Twee stukken hout, dat gaat nog, maar twee kerken, twee christenen, twee kinderen van God? Als de Heere het doet, kom t het goed!
           

 

TEKENEN          2009

De onrust rond de minarettenmotie is al weer voorbij. Toch is het de moeite waard er nog eens over na te denken. De "spitse pilaren” hebben ongetwijfeld een diepere achtergrond. Hun aanwezigheid is helaas niet voorbij. Verder bracht de zaak ook aan het licht dat het belangrijk is hoe de dingen in de Pers worden voorgesteld.

voorlichting

Deze overwegingen kwamen bij mij boven toen ik de verslaggeving volgde over de motie van het tweede kamerlid van der Staay inzake de minaretten. Het Reformatorisch Dagblad liet wat mij betreft wel enige steken vallen. Een grote kop in de krant van 2 december: "SGP motie keert als boemerang terug”. In deze zin wordt geconstateerd dat de motie niet doordacht of consequent is. Het stond in een artikel waarin twee  mensen werden gevraagd naar hun mening; er waren schijnbaar geen mensen te vinden die meer invoelvermogen toonden voor de motie.
Mijn eerste bezwaar is dan: Waarom die mening als vette kop in de krant gelanceerd? Waarom niet een opschrift, dat de zaak in ieder geval neutraal voorstelt (als we dat zouden willen) of dat tegenover de gegeven meningen een eigen geluid stelt (als we dat eigen geluid hebben)? Vooral in de tijd  toen ik nog een drukke agenda had, nam ik ’s avonds laat even snel de krant door en dan bleef het bij "koppensnellen”. Je kwam aan het artikel niet toe. Nu zou dit artikel ook niets toegevoegd hebben, want het ademde alleen maar de gedachte van het opschrift. Het is niet te ontkennen dat zo’n krantenkop suggestief werkt. En het kan toch niet de bedoeling zijn van de journalist om zonder meer het standpunt van van der Staay te ontkrachten. Enige objectiviteit is dan toch wel gewenst.
Op de voorpagina werden verder de standpunten van voor en tegen afgewogen. Er werd geen partij gekozen. De CU krijgt wat meer ruimte om haar standpunt toe te lichten. Het leek overtuigend en meerderen zullen daar er voor voelen, als het zo verwoord wordt, maar wàs het echt overtuigend?
Op het eerste gezicht maakt het standpunt van "gelijke monniken, gelijke kappen” indruk. Maar zijn de monniken wel gelijk?
De motie bepleitte enige terughoudendheid in de bouw van moskeeën en minaretten. Heel voorzichtig en zeker niet vanuit de harde lijn opgesteld. Geen Wilderskreet. Gematigd democratisch, zouden we bijna kunnen zeggen. Het is een miskenning van de eigen cultuur en de eigen cultus in Nederland om te zeggen dat de overheid dan ook kerktorens kan verbieden. Helaas worden er niet zoveel kerktorens meer gebouwd, dus daarvoor hoef je niet zo bang te zijn. Maar afgedacht daarvan, Nederland heeft vanuit haar geschiedenis een Goddelijke plicht om de Kerk te bouwen. Dat is een verplichting die vanzelfsprekend onze overheid niet aanvoelt, maar wij wel, als het goed is. Het is een plicht van God uit en door Hem ons opgelegd. Dit Goddelijk recht moeten we vasthouden en daar moet zich een Reformatorisch denkend mens aan houden. Dat kun je dan toch ook in de krant zetten. Een krantenartikel is geen preek, maar de denklijnen van de Schrift moeten toch zichtbaar worden. Laat het bloed dan kruipen waar het niet gaan kan.
En bovendien gaat het hier niet om gelijke monniken. Het argument van Ortega-Martijn kunnen we  van enkele kanttekeningen voorzien. Het wekt de indruk dat de motie vergeet dat christenen in Moslimlanden ook godsdienstvrijheid moeten genieten. Dat zijn dan die gelijke monniken. Maar daar klopt niets van. In Moslimlanden wordt de vrijheid voor de christenen in bloed gesmoord, terwijl in Nederland Islamieten volkomen vrij zijn om hun godsdienst te beleven. Van der Staay pleitte niet voor vervolging, maar voor matiging in uiterlijk vertoon. Christenen in Iran zouden al dolblij zijn als ze op gematigde wijze vrij zouden zijn in de uitoefening van hun godsdienst. Ze zitten daar niet te springen om kerktorens, die het stadsbeeld overheersen.

De kern

De kernvraag is natuurlijk of we hier theocratisch moeten denken en moeten uitgaan van de gedachte dat de Islam werkelijk vrijheid moet hebben in Nederland? Een christen zal toch kunnen meevoelen met de gedachte dat de vele moskees in ons land er niet horen. Het moet pijn doen aan je hart. Kerken een ruïne of afgebroken of een conferentieoord met Bos op de preekstoel, en moskeeën in volle glorie gebouwd. Ook een reformatorische democraat zal die pijn voelen. In ieder geval zouden Calvijn en Luther hier een gigantische bedreiging zien voor de kerk des Heeren. Over Calvijn gesproken: Prof. Selderhuis heeft veel goeds gedaan door Calvijn zo duidelijk onder de aandacht te brengen van ons volk. Prachtig. Maar voordat hij zijn mening had gegeven aan de journalist over deze zaak, had hij zich eerst beter even kunnen afvragen wat Calvijn in Geneve zou hebben gewild en of daar nog iets van te leren was. Hij zei: "Nederland kenmerkt zich juist door haar multiculturaliteit en -religiositeit, dus dat mag je best in het straatbeeld terugzien. Anders krijg je een soort Ikealand; dat lijkt me oersaai. Zoals een kerktoren een vingerwijzing naar God is, kan een minaret een christen toch bepalen bij de vraag: hoe sta ik in de wereld?” Hoe kon dit nu gezegd worden?
Als Zwitserland zich uitspreekt zoals gebeurde, is het toch op z’n minst ver beneden de maat als wij daar geen begrip voor hebben. We laten dan ook meewegen dat ons land een totaal andere achtergrond heeft dan Turkije.
U moet zich voorstellen wat Paulus zou zeggen als hij Amsterdam zou doorwandelen. Zoveel lege monumentale kerken en zoveel volstromende moskeeën, waarvoor Balkenende de schoenen uittrekt. Hoe zouden Jeremia en Elia reageren als ze de geestelijke verwording zouden aanschouwen van ons volk en zelfs van onze Reformatorische kerk!
Iemand sprak in een ingezonden stuk in De Volkskrant (nb) over "de gehele linkse elite die de gelijkheidsideologie tot in het absurde zowel boven de westerse opvattingen van beschaving, als boven de Christelijke leer stelt. Wat heeft in vredesnaam een minaret met de vrijheid van godsdienst te maken. Zou één zinnig Christen het als een aantasting van de vrijheid van godsdienst beschouwen als in een Islamitisch land als enige beperking zou gelden dat kerken niet van een toren zouden mogen worden voorzien. Ik denk dat elke echte Christen daar best begrip voor op zou kunnen brengen. Was het maar zo”. Er wordt daarom "terecht onderscheid gemaakt tussen een gebouw waar de liefde tot de naaste wordt gepredikt en een gebouw waar op grond van een ander geloof de haat tegenover andersdenkenden onderwerp is van de prediking. Ook het antwoord van Bas van der Vlies aan Bos, dat in 2008 binnen en buiten de SGP bekritiseerd werd, geeft hoop voor een krachtig cultuurchristendom in de Nederlandse houding ten opzichte van de zich snel verspreidende islam: ‘Tenslotte je vraag hoe ik het zou vinden als een dergelijke film (Fitna) over het christendom en de bijbel zou gaan. Met die vraag kan ik niets beginnen. Om de eenvoudige reden dat zo’n film niet te maken is,’ schreef Van der Vlies”. Tot zover het citaat.

Het Woord

Het gaat me niet om de politiek, maar het gaat me om het geestelijke principe van de zaak. We  kunnen het afdoen met de gedachte dat het uiterlijke dingen betreft. Ik moest echter denken aan de wijze waarop in psalm 74 gesproken wordt over "tekenen”.
Deze psalm gaat over de teloorgang van het huis des Heeren, de tempel. Er zijn duidelijke lijnen te gtrekken naar de verwoesting van de tempel door de legers van Babel. Anderen denken aan de dagen van de Maccabeën, toen dezelfde klachten werden gehoord.
Het is een lied over de tempel. Deze is grotendeels verwoest. Alles wat herinnert aan de dienst van de Heere, is verdwenen of met de grond gelijk gemaakt. En hier is het dat de dichter spreekt over de tekenen.
Hij zegt eerst: "wij zien onze tekenen niet” (vers 9). Daaronder moeten we voor die tijd verstaan de bijzondere voorwerpen in de tempel, die spraken van Gods tegenwoordigheid, zoals de ark, het altaar, de feesten en de offeranden. De diepste bedoeling van deze tekenen is om heen te wijzen naar de tegenwoordigheid van God. Het zijn tekenen van Zijn aanwezigheid. Dat komt ook in de psalm tot uiting als er staat dat de Heere Zijn volk verstoot (vers 1); daarvan getuigen de verdwenen tekenen.
Het zal niet moeilijk zijn om in onze maatschappij de klacht van deze psalm over te nemen. Heel ons land is (nog) bezaaid met de tekenen van de dienst van de Heere. Kerken herinneren aan Zijn Woord en maken ons duidelijk dat de dienst van God diepe sporen getrokken heeft in ons volksleven. Deze zijn nog niet verwoest zoals in de dagen na de ballingschap. Maar zijn het tekenen? Spreken ze ons van de tegenwoordigheid van God? Woont Hij daar Zelf en wordt daar Zijn heil verkregen? Als we daaraan denken, kunnen ook wij zeggen dat onze tekenen geen tekenen meer zijn. We zien deze niet meer als tekenen. Het wezen van de zaak ontbreekt op de meeste plaatsen. De bediening der verzoening is in de grote kerkelijke gemeenschappen van onze tijd een zeldzaamheid. Het valt me op, dat steeds meerderen gaan inzien dat Nederland een land is geworden zonder God.
In dat licht is het aangrijpend wat de psalm zegt over de vijand: "Zij hebben hun tekenen tot tekenen gesteld” (vers 4). Het is dan niet moeilijk om te denken aan de vele tekenen van de vijand, waaronder we de satan moeten verstaan. Deze tekenen staan bijna op elke hoek van de straat. Stadions zijn de plaatsen en de tekenen waar de mens zich overgeeft aan afgoderij. Sexshops en roulette’s zijn heel gewoon. Grote winkelcentra prediken het materialisme als de god dezer eeuw. Tekenen genoeg die getuigen van "de vijand”, de duivel. Het is dan ook niet vergezocht om te denken aan moskeeën en minaretten. Dat zijn tekenen van afgoderij en dwaling. In dat licht bezien is het geen kleinigheid. Wij worden vreemden in ons eigen land. En het vreemde is dan juist weer dat de tekenen van de dienst van God overal moeten verdwijnen. Spreekt men over allah, dan luistert ieder. Laat men de Naam van God horen, dan valt er een beklemmende stilte.
We moeten op de tekenen letten. Zo gaan de woorden van de apostel in vervulling: "Hem, zeg ik, wiens toekomst is naar de werking des satans, in alle kracht, en tekenen, en wonderen der leugen;
En in alle verleiding der onrechtvaardigheid in degenen, die verloren gaan; daarvoor dat zij de liefde der waarheid niet aangenomen hebben, om zalig te worden. En daarom zal God hun zenden een kracht der dwaling, dat zij de leugen zouden geloven” (2 Thess.2:9-11).
Was Christus nog op aarde, dan zou Hij letten op moskeeën en minaretten; ook op de kerktorens en de monumentale kerken in ons land. "Ziet gij deze grote gebouwen?” (Marc.13:2). Geen steen op de ander, zo was Zijn oordeel over de kerk.
Dat moet ons altijd weer voorzichtig maken. Toch heeft Hij ook gezegd: "De zaligheid is uit de Joden”. Hij gaf aan waar de ware Kerk zich bevond. Het komt aan op het aanbidden in Geest en in waarheid.

Terugkomend op de rol van de Pers nog het volgende: Ik heb de betreffende journalist benaderd met dit artikel en het hem eerst laten lezen voordat ik het zou publiceren. Ik ben blij dat hij geprobeerd heeft alles te doen om de verkeerde indruk weg te nemen. Zo wil ik dit bijgeschaafde artikel zien als een uitgestoken hand naar de Pers om eerlijk van gedachten te wisselen over de manier waarop we de dingen weergeven. Ik ben ervan overtuigd dat we daar in de toekomst nog dieper over moeten nadenken.

          

 

 

 

BEGRAVEN          2009

In het "Kerkblad”, het orgaan van de Hersteld Hervormde Kerk, las ik een kort artikel over enkele aspecten van de begrafenis. Dr. P. Buitelaar pleitte hierin voor het herstel van de huisdienst. Dat was vroeger een korte dienst in besloten familiekring, voorafgaande aan de eigenlijke rouwdienst. Verder wordt in korte woorden iets gezegd over het verdere verloop van de begrafenis. Ik vond er aanleiding in om enkele overwegingen hieraan toe te voegen.

Er zijn redenen genoeg om aan dit onderwerp enige aandacht te schenken. Er zijn ook redenen voor u en mij om ons te bezinnen op de dag van onze begrafenis. Natuurlijk allereerst in geestelijk opzicht. Over de vraag of we bereid zijn te sterven. Bij het ouder worden gaan mensen er vanuit de natuur al meer aan denken, maar het moet ons gehele leven doortrekken. Calvijn meet de vorderingen van iemand in het geestelijke leven af aan de mate waarin hij verlangt naar de dag des doods.
Deze geestelijke toonzetting moet zodanig zijn, dat daardoor alles bepaald wordt. Wie kan sterven, kan ook leven. Dat laatste is evenzeer een kunst en een gave als het eerste.
Dr. Buitelaar noemde een "In Memoriam”, dat in de rouwplechtigheid een plaats mag hebben. Dat is ongetwijfeld zo. Niet in die zin, zoals u het tegenwoordig nogal eens kunt meemaken, dat de gehele meditatie opgaat in het persoonlijke. Maar op gepaste wijze is er zeker plaats om de overledene in zijn persoon te belichten vanuit het Woord van God. We moeten er begrip voor hebben dat de familie existentieel en emotioneel sterk betrokken is op het sterven van een geliefde vader of moeder, een kind of een familielid. Gods Woord spreekt ook over het verdriet van de nabestaanden. Denkt u eens aan de zware rouwklage, die in de dagen van het Oude testament gehouden werd rond het sterven van bijvoorbeeld Jakob, Jozef en Mozes. Hoe sterk zijn de gevoelens geweest rond het kruis van de Heere Jezus. Er mag uiting gegeven worden aan het verdriet. Daartoe behoort ook dat er aandacht is voor de overledene. De familie waardeert het, als kerk en predikant zich willen verdiepen in de persoon van de overledene, aan wie men zozeer verbonden is geweest.
Het gebeurt tegenwoordig meermalen dat een familielid een levensschets geeft van een overleden vader of moeder. Dat gebeurt soms niet zonder problemen. Een dergelijke schets kan heel ver buiten de toonzetting van de meditatie staan. Soms op het platvloerse af. In de familiekring kunnen zulke woorden een plaats hebben, ze strijden echter met de ernst van een begrafenis. Het is goed om daarover vantevoren na te denken en enkele wensen voor de begrafenis op papier te zetten. Het kan later veel voorkomen.
Dat komt omdat we in deze tijd veelvuldig tot begraven geroepen worden van leden van de gemeente, wier kinderen of familieleden niet meer tot de kerk of de gemeente behoren. U begrijpt dat  kinderen, die het geloof vaarwel gezegd hebben, een vertekend beeld zouden kunnen geven in een dergelijke schets. In ieder geval kunnen er dan wezenlijke aspecten vergeten en verzwegen worden. Er komen dan zaken naar voren die hooguit voor de eigen kinderen belangrijk kunnen geweest zijn, over de gewone alledaagse dingen van het leven, terwijl de aanwezigen in een rouwdienst dat beeld van de overledene zo niet voor zich hebben en feitelijk ook liever bepaald worden bij de meer wezenlijke dingen uit iemands leven. Het gaat bij zo’n gelegenheid toch om het wezenlijke, en vooral op een christelijke begrafenis gaat het er toch om hoe iemand leefde onder het Woord van God. Op die manier ontstaat er dan een kloof tussen de meditatie en de bijdrage van de familie. Ik tast in het duister over het antwoord op de vraag waarom in een dergelijke dienst zou moeten worden verteld welke vakantiegewoonten iemand had, terwijl de diepste roerselen van het hart buiten beeld blijven. Zou het niet nuttig zijn dat ieder die de dag van zijn dood overdenkt, bepaalde lijnen uitzet om dat te voorkomen?
Nu ik het er toch over heb, dat de achtergebleven familieleden in een heel ander geestelijk klimaat zijn terechtgekomen als de overledene, zijn er nog een aantal zaken, die hier genoemd kunnen worden.
Het zal u niet onbekend zijn, dat de wijze van begraven in deze tijd grote veranderingen heeft ondergaan. In het algemeen, dus ook buiten onze kringen bezien. Dat kan ook gezegd worden over de aanwezigheid van bloemen. Het komt steeds meer voor dat deze prominent aanwezig zijn. Wat doet de predikant, die er plotseling mee geconfronteerd wordt? Ik heb wel een tijd beleefd dat ik daar misschien tè rigoureus mee omging. Later bedacht ik dat die bloemen, hoezeer ik bloemen rond de dood verwerp, door bijvoorbeeld de kinderen uit liefde werden gegeven. Ook daar moeten we  weer met begrip mee omgaan. Maar geen acceptatie. Ik heb het wel eens zo opgelost dat ik bij kennisname van aanwezige bloemstukken de tekst veranderde en sprak over de bekende woorden over de afvallende bloem. Dan kan op gepaste wijze gezegd worden dat een bloem geen verband houdt met de dood. We verbloemen de dood niet. Heeft de overledene vooraf vastgelegd hoe hij of zij daarover denkt, dan werkt dat de goede gang van zaken in de hand.
 IK denk dan aan de liturgie. Kinderen zouden graag hebben dat dit of dat lied zou worden gezongen. Een lied uit opwekking of uit een andere vrije bundel. Een onaangename bijkomstigheid daarbij is dat kinderen die hun vader of moeder begraven hun eigen stempel willen zetten op de begrafenis. U zult dat logisch vinden, misschien? Is het dat ook? Ik meen dat kinderen juist respect zouden moeten tonen voor de stijl en de opvoeding van hun geliefde ouder; de begrafenis dient te verlopen in de stijl van de overledene, niet in die van de kinderen, die later een heel andere levensstijl aangenomen hebben.

In het contact met de nabestaanden is het voor een kerkenraad nog moeilijker als het gaat over de verwachting die er al of niet duidelijk leeft voor de overledene. Vanwege diepe verbondenheid met de overledene kan het zijn dat kinderen het beste hopen en geloven voor hun ouders en geliefden. Ook dit is weer heel goed verstaanbaar. We ervaren het zelf of hebben het ervaren als in eigen kring iemand wordt weggenomen. Ook hier moet de ambtsdrager weer met veel voorzichtigheid en respect optreden. Toch kan het zijn dat die verwachting, die leeft bij de familie, niet overeenkomt met de voorstelling, die de gemeente heeft. Ik doel nu niet zo maar op deze of gene, maar ik heb  het bijvoorbeeld over de kerkenraad. Tijdens het huisbezoek is er misschien nooit echt iets duidelijk geworden. Daarbij kan het dan ook nog gebeuren dat er een levenswandel was, die gekenmerkt werd door vrijheid en een losse stijl. Wat dan? De familie leeft met hoop, maar u, als predikant of ouderling?
In een dergelijke situatie staan we voor een moeilijke afweging. Moeten we dan naar het oordeel der liefde van ieder belijdend lid het goede hopen? Ja, dat wel, maar moeten we dat ook geloven en zeggen als een vaststaand feit? 
Dat zouden we toch niet moeten doen, alleen op grond van het gegeven dat de familie spreekt over hoop. Het leven heeft ook gesproken. We zeggen dan wel in zo’n situatie dat we de overledene laten liggen; maar de familie zal daar spoedig een uitleg aan geven. Het beste is het als we met de familie overeen kunnen stemmen in de gedachte dat de overledene onvoorwaardelijk in de handen van de Heere wordt overgegeven. Daar is ieder mens altijd veilig en wij zijn er allen mee gebaat, als het gaat om onze geliefden. Wie de Heere vreest, zal daar rust in vinden. God is Rechter Die het beslist, hoe het ook gaat.
Zo zien we dat er heel wat moeilijke vragen naar boven komen rond een begrafenis. Gelukkig lang niet altijd, maar dit soort zaken komen wel steeds meer voor.
Er zijn meer overwegingen. Moet de kist neergelaten worden voordat de predikant het woord krijgt? De voorganger zal er de voorkeur aan geven om dat wel te doen. Dat komt ook overeen met de betekenis van het begraven in Bijbelse zin. Het kan echter zo maar gebeuren dat de familie beslist om dat niet te doen. Formeel heeft de predikant de leiding, maar zal hij in een dergelijk geval de zaak forceren? Nee, dat kan op die manier niet. In veel gevallen zal het zo gaan dat in een voorbereidend gesprek er wel een oplossing gevonden kan worden. Er zijn veel families die heel correct begrijpen dat de kerkenraad de leiding heeft en dat daartegen geen bezwaar behoeft te worden gemaakt. Echter niet in alle gevallen is dat zo.
Ik noem dan ook nog de toespraak aan de groeve. Voor zover mij bekend heerst onder ons de gewoonte dat ook aan het graf een toespraak wordt gehouden. Niet dus alleen een schriftlezing, het onze Vader of de Geloofsbelijdenis. Ook hier kan weer gezegd worden dat een familie daar soms geen prijs op stelt. Of men vindt het niet nodig dat de ouderling afsluit aan het einde met schriftlezing en gebed. Alles kan wel in één keer. Maar dit gaat moeilijk worden. Voor mijn gevoel is het graf bij uitstek de plaats waar het Woord moet klinken en waar het ook geadresseerd wordt uitgesproken. Aan het graf hebt u de omstandigheden mee. Daar móet u spreken over dood en leven, over zonde en genade. U hebt daar ook meer dan elders de gewetens van de hoorders mee. Juist daar mag en moet gesproken worden over het offer van Christus, waaruit leven en vrede voortvloeit voor de Zijnen. Dat is de ware troost. Daarin mag men zichzelf en anderen toch niet tekort doen. Vergeten we ook niet dat begrafenissen de mooiste gelegenheden zijn voor evangelisatie. En hoe vaak blijkt toch ook weer niet dat het Woord iets doet, ook bij buitenkerkelijken.
Hoe dit alles te voorkomen? De eerste taak ligt hier bij ons allen, persoonlijk. We moeten voor onszelf iets duidelijk gemaakt hebben over deze dingen. Dat zou het beste zijn. De kinderen of de nabestaanden vinden uw beschikking na uw sterven en weten hoe het behoort te gaan. U kunt uw predikant ook een kopie hiervan geven. De kerkenraad heeft hierin ook een taak. De gemeente heeft vast en zeker wel een besluitenlijst. Over deze zaken vooral kan het goed zijn een besluit te nemen en dat vast te leggen. Dan behoef een familie in een voorkomend geval niet te denken dat het hier speciaal om hen gaat. In en rond het sterven liggen de dingen te gevoelig om dan nog allerlei verschillen op te moeten lossen.
En natuurlijk zijn er buitendien wel meer zaken, die belangrijk zijn. Het kan ook heel goed zijn dat u zich bezig houdt met zaken die onbeduidender zijn. Zo hechten mensen aan de kleur van de kaart of de rouwauto. En alles wat daarmee samen hangt. Het veelvoorkomende grijs is in wezen weinigzeggend. Waarom niet zwart? Dat is in ieder geval de Bijbelse voorstelling van zaken. Het heeft voor mijn gevoel ook niet te maken met somberheid, wel met rouw en verdriet. Daar is altijd een gevoel van weemoed bij. Maar dat mag ook zo zijn. Ook Israel kende allerlei rouwgebruiken.
En wat dan te denken van de kleding tijdens de begrafenis? We weten allen dat er soms weinig respect spreekt uit de kleding voor de dood en voor het Woord des levens. Dit zijn zaken die de overweging verdienen. U hebt ook ten aanzien van uw begrafenis een roeping. Uw kinderen zuilen dat eerbiedigen. Ook de gemeente neme die stijl over. Trouwens, de gemeente? Waar is die? Soms laat men de familie vrijwel alleen, vooral als het ouderen betreft. Dat mag toch niet. Evenmin als we een bruidspaar alleen moeten laten met hun familie in de trouwdienst. De gemeente zelf is eigenlijk een grote familie.
Hopelijk zet dit artikel u aan het nadenken. Bereid uw huis want gij zult sterven en niet leven. Dat is ten eerste een zaak van geloof, geloof in Christus en vandaaruit ook een zaak van beleid. Moge òns klaaghuis beter zijn dan het huis der maaltijden. Dan kan er juist van een begrafenis een heerlijke sprake uitgaan!

 


SCHAALVERGROTING        2010

De vorige keer schreef ik over de ramp in Mexico. Zo’n gebeuren roept de vraag op hoe we met de natuur als Gods schepping omgaan. Een lezer verbond hieraan de gedachte van de bio-industrie, de intensieve veehouderij. Ik wil hier beperkt op ingaan, vooral in het licht van Gods Woord.

Ik heb het dus over de moderne veehouderij, die groots en massaal te werk gaat. Varkens, kalveren, kippen en geiten leven in aantallen van duizenden op een klein gebied. Kistkalveren en legbatterijen passen in deze bedrijfsvoering. Meestal zien de dieren het daglicht nauwelijks en worden zij in een snel tempo slachtrijp gemaakt. Organisaties zoals "Wakker dier” e.a. protesteren hiertegen, weliswaar  op een onaanvaardbare manier.
De eigenlijke oorzaak van deze moderne bedrijfsvoering moeten we zoeken bij de overheid. Daar vatte het idee van schaalvergroting destijds post. Het opzetten van grote bedrijven werd gesubsidieerd. Zodoende kwamen er viskotters van grote omvang met een brullend mototrisch vermogen, waar niets tegen bestand was. Er werden in de landbouw bedrijven opgezet, die mikten op een omvang van 200 koeien.
Vijftig jaar geleden kon een landbouwer met twintig koeien en een paar hokken varkens met nog daarbij enkele kippen een vermogen opbouwen. De dichter Poot kon toen nog dichten over het genoeglijke leven van de geruste landman: "Die zijn gladde mellekkoeien, even lustig, even blij, onder ‘t grazen van terzij, in een bochtig dal hoort loeien…”
Er is veel veranderd. We kregen de loopstallen en het leek de boeren efficiënter om het vee binnen te houden, ook ’s zomers; er werd natuurlijk machinaal gemolken en nu is het soms zo dat een melkrobot het vee afhandelt.  De boer van vroeger is geworden tot de ingenieur van nu. Zijn tijd wordt meer gevuld met technische vraagstukken dan met diervriendelijke omgang met het vee. De beesten zijn geoormerkt en staan vooral als nummer bekend. Men droomt ervan dat er straks hoeven komen met 1250 stuks vee.
Deze moderne aanpak heeft economische voordelen, wat dan blijkt in inkoop en productiemiddelen. Nog veel langer geleden dan een halve eeuw was het op dorpen zo, dat in het buitengebied ieder gezin een paar koeien had. Zo was het in Bijbelse tijden ook.
De huidige ontwikkeling werd gestimuleerd door de overheid en dat werd weer opgepakt door de veehouderij als sector. Dit werd het moderne streven.
Naar Bijbelse maatstaven gemeten kwamen daarbij enkele zaken onder drukt te staan. Ons omgaan met dieren moet gekenmerkt worden door het Bijbelwoord dat de rechtvaardige het leven van zijn beest kent; daarbij dreigt het gevaar gelijk te worden aan de rijke dwaas die al maar grotere schuren bouwde om hier en nu een rijk zonder God op te bouwen.
Denk nu niet dat het alleen in deze sectoren zo gegaan is. Ik noem een ander verschijnsel zoals de super, de grotgrutter, die de plaats van de groentewinkel en de bakkerij en de gehele detailhandel verdrongen heeft. Dat raakt ons allemaal. Hier werkt hetzelfde principe. Er zijn economisch grote voordelen verbonden aan de immense koophallen en de mall’s bij de grote steden. Alles moet groots aangepakt worden. Het brengt gnoeg op. In Friesland is een super, die zich beperkt tot deze provincie alleen, waarvan de eigenaren de rijkste bewoners van deze streek zijn. Maar de super, inmiddels volkomen ingeburgerd en geaccepteerd, heeft ook grote nadelen.
Dat blijkt vooral op afdelingen als zuivel, vlees en brood. Niemand weet nog waar de producten vandaan komen. Misschien, het komt meermalen voor, is er gretig omgegaan met bestrijdingsmiddelen. En de bonen uit Marokko kunnen ons niet meer vertellen hoe het daar gegaan is. Dat was vroeger wel zo, toen de producten uit het dorp of uit de streek afkomstig waren.
We zijn er zo aan gewend, dat niemand nog bekend is met de grote nadelen, met de gevaren van de grootschaligheid. Voor het gezin met kinderen is er vrijwel geen andere keus. Maar voor hen niet alleen.
Zo werkt het leven op grote schaal tot in de kieren van ons leven door. Onze scholen voor voortgezet onderwijs worden bevolkt door meerdere duizenden van jongelui. De kleine ziekenhuizen van voorheen, waar men elkaar kende en waar de persoonlijke sfeer gevoeld werd, zijn vervangen door de medische centra, waar alles gespecialiseerd is en waar de patiënten dwalen van hier naar daar. Men voelt er zich dubbel verloren.
Het geldt ook op politiek niveau. Nederland is een radertje geworden in de EU en het lijkt normaal dat vanuit Brussel het land wordt geregeerd. De G20 delen de lakens uit en bepalen de gang van zaken op de wereld. Deze globalisering wordt onomkeerbaar in de hand gewerkt door internet en schotels.
Banken fuseren en we weten er inmiddels alles van welke gevolgen dit alles heeft. Zal er ooit één wereldbank groeien? Zo zien we het rijk van de antichrist gestalte aannemen.

Gods Woord geeft ook raad als het over deze zaken gaat. Door allereerst de gevaren te tonen van de ongebreidelde groei. Gods Woord noemt dat akkers aan akkers trekken. Dat gaat ten koste van de modale burger. Verder zegt de Heere ons dat we de schepping en het milieu niet mogen misbruiken (1 Cor.7:31) ; denk aan de instelling van het sabbathsjaar, waarin de natuur moest rusten. Het kan nog steeds van belang zijn na te denken over de zin van het sabbathsjaar voor deze tijd. 
Als we lezen dat het ganse schepsel zucht, dan heeft dat direkt met dit onderwerp te maken (Rom.8:19-22). Gods Woord ziet de gevaren van de grootschaligheid, terwijl het het zwakke en nietige met beloften omgeeft (Gideon, Richt. 6:13,14). Wie veracht de dag der kleine dingen? Zo vraagt de profeet Zacharia (4:10). Zelfs waar twee of drie in de Naam des Heeren vergaderd zijn, daar wil Hij in hun midden zijn. De hemel heeft het kleen verkoren, zo dichtte Vondel. 
De sprekende ezel van Bileam laat ons de belangen van het dier zien. In Ninevé woonden veel mensen en "daartoe veel vee” (Jona 4:10). Dat telt bij de Heere. Hij hoort de raven als zij tot Hem roepen (Ps.147:9). Hij behoudt mens en beest en doet Zijn hulp nooit vruchteloos vergen (Ps. 36:7).
Zelfs geeft Gods Woord praktische raad als er in Prediker 11 staat dat we een deel moeten geven aan zeven, ja ook aan acht (vers 2); dat betekent dat we in de bedrijfsvoering juist moeten spreiden en niet specialiseren. Er staat immers acher: want gij weet niet wat kwaad op de aarde zijn zal……, of dit of dat en dat die beide tesamen goed zijn zullen.

Wordt hierdoor de bio-industrie veroordeeld en vissen onze Urker broeders verkeerd? Ook in Urk bezint men zich op de gevaren van de te grootse aanpak. Wonderlijkerwijze bestaat de kleinschaligheid  nog steeds in deze sector; ik denk dan aan de Harderwijker palingvissers (!).
Maar ik heb al aan willen geven dat we het niet alleen bij de vissers en de boeren zoeken moeten. De hele maatschappij zit verkeerd! Wij ook. Denk nog eens aan de supers en de banken. We zitten allemaal ingekapseld. Om econmische redenen doen we er allen aan mee. We hebben nu eenmaal een andere keus gemaakt dan de Amish in Amerika, die de wereld, ook de technische wereld, buiten de deur hebben gehouden. Nu de techniek ons steeds meer in een houdgreep lijkt te nemen, vraag ik me wel eens af of die keus een terechte is geweest.
Misschien kopen we kleding die goedkoop is, maar waarvan de herkomst dubieus is. Dat geldt van de koffie en de thee eveneens. Fair trade producten moeten een goed signaal afgeven. Wat wordt zodoende het leven voor de gewone huismoeder moeilijk en ingewikkeld!
En als straks de winkels verder opengaan op zondag, zullen we dan samen als Gereformeerde Gezindte deze zaken mijden? In hoeverre is het in deze maatschappij mogelijk zich op deze terreinen te laten leiden door Gods geboden? Zo zal het toch moeten zijn. Gebruiken wij de middelen op de goede manier?
Het zal weinig helpen als we de oren laten hangen naar de richtlijnen van Groen Links. Mensen zijn nooit consequent. Een WK mag best miljarden kosten en geen mens spreekt er kwaad van. Om in Nederland het WK 2018 binnen te halen, worden nu al grote bedragen geofferd. Wij maken allen een tweeslachtig gebruik van de schepping.
Alleen diegene, die vanuit de wedergeboorte deze dingen gaat zien, krijgt oog voor de schepping. Die hoort de schepping zuchten. Die heeft er weet van dat het aardrijk om onzentwil vervloekt is. Maar één ding is dan wel zeker: hij zal bewust omgaan met de schepping, omdat deze van de Heere is. Ik weet van een boer die eens met tranen in de
ogen stond bij het lijden van één van zijn koeien. Hij voelde dat het te maken had met onze zonden, met onze val. Dat getuigt van genade over de volle breedte van het leven.
Dan voelen we bewogenheid met de vele aidspatiënten die er alom zijn. Maar dan beseffen we ook dat er een oorzaak is, die ligt bij de zondige mens. Dan zullen we ook niet met de hele linkse politiek selectief bevoordelen èn te keer gaan, maar dan zal Gods Geest ons wijsheid geven. Want de Geest is bij de schepping eveneens betrokken, evenals Christus, Die ook Middelaar van de schepping is.
Wij kunnen de wereld niet veranderen. We kunnen wel vanuit het geloof gestalte geven aan de wet van God. Dat moeten we ons bewust worden. Een christen zal alles willen  doen tot de eer van God. En hij blijft persoonlijk verantwoordelijk voor alles wat in het lichaam geschied is.
           

SGP            2010

Nadat ik mijn vorige aflevering had verzonden, werd kort daarop de uitspraak van de Hoge Raad openbaar. Eigenlijk had mijn artikel geschreven kunnen zijn na die uitspraak. Ik schreef namelijk over onze positie in het maatschappelijke leven van ons volk. Het belang van de zaak rond de SGP is groot. Dus wil ik er graag nader op ingaan.

Ernst van de zaak

Het is begrijpelijk dat er reacties komen, die het betreuren dat het Reformatorisch volksdeel en de SGP om deze zaak in het nieuws komt. Op de keper beschouwd vind ik dat ook. Er zijn zaken die oneindig belangrijker zijn. Het gebeurt helaas meer dat onder ons zaken van minder belang het beeld bepalen. We moesten dat niet willen en we mogen dat niet nastreven. Er zijn er in onze flank die dat juist wel met verve verdedigen: strijden voor splinterzaken.
Maar de werkelijkheid is, dat een belangrijk deel van de achterban desondanks zo denkt. Zou het verstandig zijn als het hoofdbestuur van de SGP toch haar standpunt zou wijzigen? Met het gevolg dat de partij uiteen valt? Sterker nog, moeten wij ons op commando aansluiten bij het vrouwenstandpunt van ons volk en onze eigen mensen tegen de haren instrijken? Het standpunt van de vrouwenemancipatie, zoals dat leeft in Nederland, lijkt me beduidend meer aan herziening toe dat het SGP-gevoelen. Stel u voor: de regering wil eigenlijk vrouwen weghalen uit het gezin, liefst door 4 á 5 dagen te werken; het is een zaak van opgelegde dwang; meisjes moeten gestimuleerd worden in de richting van specifieke mannenberoepen; ze moeten meer studeren in de exacte vakken; wie weigert wordt zwaar gepakt door de Belastingdienst; enz. enz. Het betekent ondermijning van het gezin en een onbijbelse ontwikkeling. Voeg daarbij dat het ook consequenties kan krijgen voor kerkelijke ambten. Wat me het meest stoort is dat de overheid deze zaken (emancipatie van vrouwen en daaraan gekoppeld van homo’s) afdwingt als een opgelegde dwang. Over discriminatie gesproken…. Als ik dit alle overweeg, zeg ik: we moeten hieraan niet toegeven. Het is pure afgoderij, het zijn de heilige huisjes van de moderne mens. Een nieuw soort religie, de religie van de mens. Hiermee toon ik begrip voor hen die willen vasthouden aan de huidige lijn binnen de SGP.
Laat het zo zijn dat de SGP hierin volgens sommigen wat te ver gaat, de uitspraak van de hoge raad en het vrouwbeeld dat daaruit voortvloeit, gaat oneindig veel verder. Laten we daar goed van doordrongen zijn.
Het bewuste vrouwbeeld onder ons en zeker in SGP-kringen is een andere dan dat van de wereld. In de wereld moet een vrouw er zo uitzien: een spijkerbroek, een mannenkapsel, klikkende laarzen, provocerende taal en vooral ook afstand nemen van en neerkijken op de gezinstaak. Ik overdrijf opzettelijk iets, maar niet zo heel veel. Zo zijn, of moet ik zeggen, zo waren vrouwen in onze kring niet. Ik weet dat ook in onze regio’s vrouwen best een viooltje meespelen. Herinner ik me niet een kerkenraad, waar ik voelde dat vrouwen op de achtergrond, hoewel afwezig, toch meebeslisten over kerkelijke zaken? Er zijn gemeenten geweest waar allerlei twisten vooral leefden in de kring van de vrouwen. Dus daarmee ben ook ik bekend.
Maar als ik nu denk aan mijn eigen moeder, dan zou ik omreden van de gesignaleerde maatschappelijke ontwikkeling dankbaar kunnen zijn dat ze dit alles niet heeft meegemaakt. Ze zou zich absoluut vreemd gevoeld hebben. En wat zou de reactie zijn van de Tweede Kamer, als er een John Knox zou zijn die deze woorden voorlas: "Desgelijks gij vrouwen, zijt uw eigenen mannen onderdanig; opdat ook, zo enigen den Woorde ongehoorzaam zijn, zij door den wandel der vrouwen zonder Woord mogen gewonnen worden; Als zij zullen ingezien hebben uw kuise wandel in vreze. Welker versiersel zij, niet hetgeen uiterlijk is, bestaande in het vlechten des haars, en omhangen van goud, of van klederen aan te trekken; Maar de verborgen mens des harten, in het onverderfelijk versiersel van een zachtmoedige en stillen geest, die kostelijk is voor God (vers 4). Want alzo versierden zichzelven eertijds ook de heilige vrouwen, die op God hoopten, en waren haar eigen mannen onderdanig” (1Petr.3:1-5). Trouwens, ook onder ons zou er nog heel wat bijgeschaafd moeten worden als Petrus zou opstaan.
Toch hebben deze woorden en andere de positie van de vrouw mede bepaald in vroegere tijden. Ik denk weer aan mijn moeder: levend voor het gezin, altijd thuis als je uit school kwam, voortdurend bezig, niet op de eerste rang zittend, op een vanzelfsprekende manier de positie van "je vader” erkennend. Toch noemde mijn vader haar zijn beste ouderling; en ik weet hoe ze hem ook op een kordate manier wel kon wijzen op zijn ambtelijke zwakheden. En wie kon dat nu beter dan zij? Hij was daar ook op geen enkele manier door gefrustreerd; integendeel, hij behandelde haar met veel respect en liefde. Hoe kwam dat? Omdat de vreze des Heeren die verhouding bepaalde. Is dat nu onder ons niet meer zo? Er zullen zeker kringen zijn waar dat nog zo is. Maar de tijd is nu eenmaal een andere en die tijdgeest vreet wel aan dit alles. Natuurlijk zijn er gelukkig nog kringen waar de verhoudingen zo zijn; ik kan me dan voorstellen dat de Hoge Raad voor zulke mensen niets anders betekent dat de "raad der jongelingen”. Ik doel, zoals u begrijpt op de verkeerde raadgevers van Rehabeam. Als ik soms foto’s zie van vrouwen uit Reformatorische kring die leiding geven aan maatschappelijke organisaties, dan zijn dat heel andere vrouwen dan Agnes Kant en Femke Halsema. Dat heeft te maken met hun werkelijke "sieraad”.

Voortgang van de zaak

Ik zou hier nog graag op doorgaan, maar ik moet concreet naar de SGP. Wat moet men nu? Ik hoor zeggen dat de overheid aan zet is. Dat lijkt me de vraag. Van der Vlies heeft uitgeroepen, als ik mij goed herinner: Verbied ons dan maar! Dat kan gebeuren. Zal dat ook zo gaan? Natuurlijk niet; er zal vriendelijk overlegd worden. Maar juist dan moet je nog meer oppassen.
Naar mijn oordeel is evengoed de partij aan zet. Het werd al duidelijk; mij staat geen aanpassing voor ogen. In de onderwijswereld hebben we een voorbeeld. De Refoscholen wezen voor enkele jaren een medezeggenschapsraad af, op principiële gronden. Maar deze werd enkele jaren geleden verplicht gesteld. Dus…… kwam er toen wel een MR. Ik heb er zelf ook aan meegewerkt. De VGS ook. Hoewel ik goed begreep dat de mensen gelijk hadden die zeiden: laat het er maar op aankomen. Dat zien we nu al. Er wordt al   gepleit voor verplichte toelating van kinderen uit onkerkelijke kring. Als dat gebeurt, is  het hek van de dam.
Ik weet, er zijn oplossingen zoals: wel het verbod opheffen, maar vervolgens afspreken dat er geen vrouwen zich beschikbaar stellen. Of: bij wijze van uitzondering wel een vrouw op de lijst, maar dan als uitzondering. Er zijn in het verleden, ook in Bijbelse tijden,  uitzonderingen geweest. Als er werkelijk een  Deborah of een "Anna Maria van Schuurman” onder ons is.
Wat zijn dan de gevolgen? Wel, dan kunnen we zeggen: verbied ons dan maar! Daar zullen kerk en partij niet minder van worden. Nu al zijn er geluiden, die heel positief zijn, ook zelfs buiten de partij. De SGP kan naar mijn idee rekenen op meer stemmen dan kortgeleden. In ieder geval: Laat het erop aankomen! Maar zonder meer doen wat Nebukadnezar zegt, was voor het drietal onmogelijk. Zo liggen de zaken ten diepste nu ook.
U begrijpt dat ik ook vooral bedoel dat we de geestelijke achtergrond van dat drietal nodig hebben. Ze wisten zich aan God verbonden en steunden op Zijn Woord. Hun houding zou  mij en ons moeilijk vallen. Maar die kant zal het toch op moeten. We zullen toch, hoe dan ook,  vastlopen in deze maatschappij. Waarom dan nu toegegeven? Dat zou zwakheid zijn. Bedenk echter wel: het kan alleen vanuit een persoonlijk geloof, vanuit de vreze des Heeren.
Het blijft dan echter wel een spijtige zaak, dat een zodanige confrontatie om dèze zaak gaat, zeker.  Daarom zou ik persoonlijk meer denken aan een open brief aan ons volk waarin de SGP klip en klaar aangeeft dat dit punt niet het een en het al is, maar dat we niet buigen kunnen voor de goden van deze eeuw. Deze zaak vraagt om een brede toelichting waarin de volle betekenis van Gods Wet en Woord op alle terreinen in het licht gesteld wordt. De SGP verkeert in de geweldige gelegenheid om, nu ze aller aandacht heeft, voor het forum van ons volk en haar overheden, zich openbaar uit te spreken over haar wezenlijke partijprogram. Die zaak is toch al aan de orde vanwege de a.s. verkiezingen. Maar alleen dat program is nu niet genoeg. Verklaar u nader en stuur dat beginselprogram als een ingezonden brief naar alle kranten en laat daarin gehoord worden de gestalte van het geloof en de gehoorzaamheid aan de Heere; ook het waarschuwen tegen de ontwikkelingen in ons volksleven. En dan zijn er vele volkszonden die de aandacht vragen.
We kunnen dan en passant ook wijzen op de goden van deze tijd, zoals de sport: er zijn bijna geen agenten meer voorradig om het voetballend publiek in toom te houden. Soms vielen er doden. Wat wil een volk dat dictatoriale verplichtingen oplegt waar niet om gevraagd wordt en dat alle begrip heeft voor deze sportverdwazing? Trouwens, waarom spelen er geen vrouwen mee in de elftallen? Moet de hoge Raad hier ook niet eens over nadenken? Het is discriminatie ten top! U begrijpt mij hoop ik. Soms moet ik mijn  tong afbijten en mijn pen bijsnijden. Maar denkend aan mensen als Luther en Calvijn, aan Kohlbrugge en de Cock moeten we de kern van deze taal wel spreken. Moge de Heere wijsheid geven aan het Hoofdbestuur en moge Hij ons volk gedenken in Zijn rijke gunst.
U begrijpt, hoop ik, dat ik dit artikel niet heb geschreven als partijpropaganda. Ik heb ook meermalen geschreven over de positie va de CU. IK heb deze regels geschreven omdat ik er van overtuigd ben dat de zaak rond de SGP ons allen bezig houdt.
 

 

MANIFEST          2010

Enkele weken geleden trof me een bericht waarin enkele personen, o.w. een predikant, de overheid opriepen om ook een onderzoek in te stellen naar de standpunten van de Protestantse kerken ten opzichte van homoseksualiteit. De achterliggende gedachte was dat kerken die niet loyaal zijn met het beleid van de overheid, ook onder een zekere vorm van tucht geplaatst moeten worden. Aanleiding was de kwestie rond de RK kerk in den Bosch, waar aanvankelijk homoseksuelen de communie geweigerd werd.

Zo’n oproep zet aan tot denken. We beseffen met elkaar wel, dat het vroeg of laat zo zal worden: de kerk mag geen afwijkende standpunten meer leren. De kerk mag slechts prediken wat de overheid wil. De consequentie hiervan is dat kerkenraden die homoseksuelen van het Avondmaal weren, voor de rechter zullen worden gedaagd. Het kwam er in den Bosch feitelijk op neer dat de top van de PvdA (Ploumen) wilde bepalen wat de bisschop van Rome mag doen en laten.
Nog een andere zaak die t.z.t. ook aan de orde kan komen is de positie van de vrouw. Een vrouw moet tot de ambten toegelaten worden, niet op vermeende Bijbelse gronden, maar vanwege maatschappelijke druk. Vrouwen moeten ook kunnen meestemmen in allerlei kerkelijke zaken. Denk aan de SGP. Kerkelijke tuchtzaken moeten open en bloot voor de overheid verantwoord worden. Dit in verband met de misbruikaffaires die zich momenteel in de Roomse kerk voordoen.
Ik merk zijdelings op, dat het een blamage, een beschamende zaak is dat de kerk op deze terreinen zo ernstig gefaald heeft. Daar moet inderdaad naar afdoende maatregelen gezocht worden. Daar heeft de overheid zeker een taak. Maar of de overheid en meer nog de Pers nu de instanties zijn, die deze zaken recht moeten zetten om dus regelend op te treden in de kerken, is nog maar de vraag. De vraag is niet makkelijk op te lossen. De overheid heeft zeker een taak inzake alle vormen van onrecht die in de maatschappij en dus ook in de kerk plaats vinden. Maar een overheid die terecht ach en wee roept als de kerk haar boekje te buiten gaat, is niet geloofwaardig als ze van uur tot uur porno en grove zedeloosheid tolereert en stimuleert op de buis en op internet. Dan worden volk en overheden hypocriet. De R kerk moet zich zuiveren van alle vormen van misbruik, maar een eerlijk overheidsbeleid zal dan ook de kraan van alle stromen van wetteloosheid en zedeloosheid willen dichtdraaien, waardoor het klimaat in Nederland vergiftigd wordt. In dat laatste geval mag dan ook de kerk de overheid ter verantwoording roepen over het landsbelang. IK denk hierbij ook aan allerlei vormen van bloedig geweld waarmee onze kinderen zich kunnen vermaken en allerlei vormen van godslastering die frank en vrij patent hebben in Nederland.
Er zullen nog meer onderwerpen te bedenken zijn, die door de overheid zullen gaan bijgesteld worden in geestelijke zaken van prediking en pastoraat. Ik wijs er ook op dat het verkiezingsprogram van D’66 pleit voor afschaffing van artikel 23 (vrijheid van onderwijs) en gedwongen acceptatie van homobeleid, vrije abortus en verruiming van  euthanasie. Dit zijn wensen op de verlanglijst van alles wat links is. Het is dan ook onbegrijpelijk dat reformatorische christenen eerder Cohen omhelzen dan Wilders. Voor ons staat vast dat beide niet te verenigen zijn met het Woord en de wil van God, maar als men hier deze keus maakt, getuigt dat van grote naïviteit.

Terug naar de kernvraag: Mag de overheid zich mengen in een kerkelijk standpunt inzake de homoseksualiteit? Dat zou betekenen dat de overheid gaat heersen over het Woord van God. Of dat de overheid een bepaalde exegese van het Woord van God ijkt en stempelt als het enige dat gelden mag. Dan zou de regering hetzelfde doen als Wilders, die de Koran afschildert als een bedreiging van de democratie. Op termijn zou dat de absolute doodsteek worden voor de gehele prediking van het Woord Gods op alle terreinen van het  leven. Hier speelt het verband tussen de artikelen 1 en 23 van de grondwet. Zou de CGB of de zouden rechters uitspraken doen in deze geest, dan is de kerk vogelvrij verklaard.
Er zijn gelukkig de laatste tijd ook rechterlijke uitspraken geweest waarin men zich niet wilde mengen in zaken van religie en kerk.
Maar er is nog iets.
Ik heb het tot nu gehad over inmenging van overheden in kerkelijke zaken. Er is echter ook een pad van de kerk naar de overheid. Met recht zou gesteld kunnen worden dat de kerk een roeping heeft om de overheid te wijzen op verkeerde ontwikkelingen in ethische zaken. Wat betreft het thema van de homoseksualiteit is er iets heel bijzonders aan de hand. Het wordt vereist dat ieder, ook de kerk, moet instemmen met de visie van de overheid inzake het homobeleid. Op andere terreinen geldt dat (nog) niet, maar inzake homofilie scheert de wetgeving ieder over één kam. We moeten bij wet denken dat homoseksualiteit gepraktiseerd mag en moet worden. Daarover anders denken betekent discriminerend optreden en dat straft de overheid.
De wetgeving en helaas ook de publieke opinie zijn hierin volkomen doorgeschoten en dus de weg kwijt geraakt. Homo’s krijgen soms voorrang als het gaat over sollicitaties. Scholen mogen de Bijbelse lijn niet aanhouden als er homoseksuele sollicitanten zich melden. Kerken mogen hier niet spreken van zonde. Het is voor u en mij duidelijk dat het hier gaat om een heilige koe, een heilig huisje van Nederland. Er zijn er meer te noemen. Het is de oude vorm van afgoderij; christenen moesten in het Romeinse rijk wierook offeren op het altaar van de keizer. Dit blijkt ook als we erop letten dat het COC ten allen tijde naar de ogen wordt gezien, terwijl Refoanders als een onbegaanbare weg wordt afgewezen. Plasterk is hiervan het boegbeeld. Het is niet te begrijpen hoe CDA en CU hem hierin niet ter verantwoording hebben geroepen.
Zou de overheid zich neutraal opstellen in deze zaken, dan was dat haar goed recht. Maar de regering dwingt acceptatie van een leefwijze die afwijkt van het "natuurlijk gebruik” (Rom.1:26) af en wil wierook doen plengen op het altaar van de tijdgeest en de afgoden dezer eeuw. En hier doet zich de vraag voor of de kerk zwijgen mag……

Hoe zullen de zaken zich ontwikkelen? We wachten af hoe het gaan zal. Is dat afwachten een goede zaak? Vroeg of laat zal het gebeuren dat een kerkenraad voor de rechter komt te staan en laten we de broeders dan alleen staan, zonder als kerk een massale bijval te betuigen? We moeten ons op deze processen voorbereiden. Er is ook een ander scenario mogelijk. Het is ook mogelijk dat de kerken samen een manifest opstellen richting de overheid inzake haar eerlijke en Bijbelse denken over het onderhavige onderwerp. Er is sprake van een platform dat opgericht gaat worden; dit onderwerp zou op de agenda daarvan kunnen gezet worden.
We dienen op die manier twee doelstellingen. In de eerste plaats kunnen we als kerken gezamenlijk elkaar helpen om allerlei maatschappelijke ontwikkelingen Bijbels te belichten. Het heeft dan een binnenwaartsgerichte functie. Scholen en kerken en maatschappelijke instellingen zullen er dankbaar voor zijn. Momenteel is de VGS bezig om deze zaken te belichten voor het onderwijs.
In de tweede plaats geeft de kerk gevolg aan haar roeping om roepende zonden in het maatschappelijke leven tegen te gaan. Velen, vaak buiten de kerk, hebben aangegeven dat de kerk uit haar beslotenheid moet treden. Ze moet opkomen voor de rechten van Gods wet in het publieke domein. Hier is een goede aanleiding daartoe.
In een dergelijk manifest moet duidelijk gemaakt worden dat we de homoseksuele mens volledig accepteren en hem op geen enkele manier willen discrimineren of manipuleren. We kunnen dat doen in de geest waarin Refoanders opereert. Aanvaarding van de homoseksuele mens, maar afwijzing van de praxis. Gods Woord eerlijk naspreken, ook op dit onderdeel. En dat moet dan ook geheel en al op grond van Gods Woord gesteld worden. Dat is de enige onderbouwing. Het is de vraag of overheidsinstanties het goed recht daarvan zullen blijven erkennen (men heeft dat tot nu toe altijd wel gedaan). Zou men dat loslaten dan zou de kerk op alle terreinen het ergste te vrezen hebben. Maar dat is uiteindelijk een zaak van gebed. Dat maakt ons minder afhankelijk van de overheden dan van God, de hoogste Rechter. Het gaat om Zijn eer en Zijn wet, waarvan we toch geloven dat het doen daarvan alle mensen betaamt. We zullen ook helder en krachtig over de dingen moeten spreken, onbevreesd, recht en slecht.
Of wachten we af tot er weer mensen uit onze kringen in moeilijkheden komen die het dan maar weer alleen moeten zien te klaren?
Nadat ik dit artikel had geschreven, las ik een bericht in het RD: "Britse kerkleiders hebben met het oog op de verkiezingen op 6 mei politici opgeroepen het recht van christenen te respecteren om christelijke opvattingen uit te dragen en te handelen overeenkomstig hun geweten. De staat moet afblijven van de godsdienstvrijheid en vrijheid van geweten, aldus de verklaring, niet alleen ten opzichte van individuen, maar ook ten opzichte van christelijke organisaties”.
Men wil bijvoorbeeld opkomen voor het huwelijk als de enige vorm van seksueel samenleven. 
Kan dat ook in Nederland? Of springt het af op splinters in de verschillende zienswijzen? Dat zou toch niet mogen? Kerkelijk zal het niet georganiseerd kunnen worden, maar een particulier initiatief of een actie van een maatschappelijke organisatie is mogelijk. Of misschien een idee voor een Nationale Synode? De kerk moet ontwaken en niet alle initiatieven laten aan de overheid, totdat…..
Wat sprak Luther toen hij in Worms voor de leiders van de wereld stond? Waarom beriep Paulus zich op de keizer? Gij, zo sprak Christus, zijt het zout der aarde!

 

MEXICO          2010

In de golf van Mexico voltrekt zich een ramp van ongekende omvang. Is er een lijn te trekken naar wat we lezen in Openbaringen 16 over het water van de zee dat in bloed veranderde, zodat alle levende wezens werden gedood (vers 2), als een gevolg van de  engel, die zijn fiool uitgoot over de zee? 

Een gigantisch groot gebied met olie besmeurd, met de gruwelijkste gevolgen voor vissen en vogels. In het laatste Bijbelboek, maar bijvoorbeeld ook in Jezus’ rede over de laatste dingen, wordt gemeld dat de omvang en de ernst van allerlei rampen zal toenemen in de eindtijd. We zien daar in deze dagen talloos veel voorbeelden van. We kunnen menen dat er altijd rampen geweest zijn en dat is waar. Maar er is sprake van een ontwikkeling en  een toespitsing van de oordelen Gods tegelijk met de voortschrijding van de tijden.
Wij hebben in onze eeuwen te maken met rampspoed die onze voorouders nooit gekend hebben. Een vliegtuigcrash als in Tripoli leidt tot een enorme zee van ellende en tragiek. Daar wist men tweehonderd jaar geleden niet van. Het gebeurde niet want er waren geen vliegtuigen. Er zijn rampen die bij het gewone natuurlijke leven van alle tijden behoren. Wij hebben echter te maken met allerlei verhevigde catastrofen, die door de mens zelf en zijn machtsstreven zijn veroorzaakt.
Als de mens hoger klimt op de ladder van de techniek, heeft dat tot gevolg dat hij dieper kan vallen. Deze olieramp is daarvan een goed voorbeeld. Een olieveld, aangeboord op anderhalve kilometer diepte, stort zich nu uit in de zee. Olie is een product dat we allemaal gebruiken. Het moderne verkeer zuigt de schatten van de bodem uit. Waren er nooit auto’s  gekomen, dan was dit nooit gebeurd. Het is daarom wel naïef van Obama om BP te verwijten, dat zij de oorzaak zijn. De oorzaak is hij zelf ook en wij allen met hem. We moeten eens doordenken op die lijn over het verband dat er bestaat tussen onze uitbaterij en manipulatie van de schepping en de gevolgen daarvan.

Uitvinders

Tubal-Kaïn was de eerste smid en uit die smederij is daarna de hele stroom  van techniek voortgekomen, die zich verder blijft ontwikkelen, totdat het eindpunt, dat gegelijk de totale ondergang van de wereld betekent, wordt bereikt. Vroeger werden de oorlogen gevoerd met pijl en boog. De ene ridder bestreed een nabijgelegen kasteel van een vijand. Door de techniek is de oorlog in deze tijd computergestuurd. Dat heeft ongekende gevolgen. Een tank is een computer. Dat is pas dodelijke precisie. Wie er wel eens iets van leest, begrijpt dat we hier kunnen spreken van demonische moordzucht. Raketten ter land en ter zee zoeken met microscopische nauwkeurigheid het doel dat vernietigd met worden. Vroeger wierpen de soldaten een tonnetje brandende pek over een stadsmuur. Nu gebruiken we atoombommen. Wie iets ziet van wat gebeurde in Hiroshima, begrijpt dat de toren van Babel hier toch weer een stuk hoger lijkt gekomen te zijn. Technische "vooruitgang”?
Tubal-Kaïn had echter nog een broer, namelijk Jubal. Deze werd de uitvinder van harpen en orgels. Een heel mooie, maar ook een sterk verhullende aanduiding. Maar deze nog primitieve muziek is aangezwollen tot de vele decibels, die nu bereikt worden op een modern rockfestival, waar drank en drugs, zelfmoord en waanzin, seks en uitspattingen zich voordoen. Er vloeit bloed, er gaan huwelijken stuk, wetteloosheid breekt zich baan, verkeersongelukken zijn het gevolg, de hele maatschappij wordt ontwricht. U begrijpt waar ik terecht kom. Heel veel moderne ellende is door ons zelf veroorzaakt. De Heere slaat ons met onze eigen hoogmoed. We willen nog steeds de toren van Babel bouwen.
Ik heb er in mijn loopbaan veel over nagedacht dat er zoveel leed is, dat boven het natuurlijke leven uitstijgt. Als een vrouw weduwe wordt, is dat een natuurlijke zaak. Dat is er altijd geweest. Als een vrouw in een scheiding terecht komt, doordat haar man met een ander thuiskomt, is dat een gevolg van onze cultuur, van onze zelfverheffing om het leven uit te buiten en eruit te halen wat erin zit. Dat gaat een spa dieper en slaat harder toe. En dat soort voorbeelden zijn er zoveel. In de techniek en in de samenleving. Als ouders een kind door de dood verliezen, is dat een vreselijk gebeuren. Maar als ouders hun kinderen verliezen omdat zij zich radicaal afkeren van hun opvoeding en van hun ouders zelf, is dat weer een vorm van ellende van een geheel andere orde; en soms kan dat nog erger zijn.
Als het manipuleren met de verborgenheden van de schepping doorgaat (en natuurlijk gaat dat door), dan krijgen we weer te maken met nieuwe en nog veel zwaardere vormen van moeiten. Denk aan de plannen die in de laboratoria van allerlei onderzoekcentra klaar liggen. De mens moet als God worden en hij moet zelf God worden!
Dat is de vloek van de zelfverheffing. Is uitvinden verkeerd en mag de mens geen muziek maken? Waren de zonen van Lamech verkeerd bezig? In zekere zin niet, want de Heere gaf het bevel de aarde te onderwerpen. Maar een mens zonder God en zonder genade bedoelt altijd zichzelf daarmee. Het is en blijft een toren van Babel. Er zijn ook veel kerktorens gebouwd en die hadden de bedoeling om naar boven, naar de hemel te wijzen. Maar de toren van Babel wijst naar beneden, naar de dwaas die in zijn hart zegt dat er geen God is.
Elke vooruitgang die een mens zonder God boekt, is alleen maar achteruitgang. Pas dat nu eens toe op enkele dierbaarheden van ons, mensen. Neem eens de auto. Een geweldige uitvinding. Geen wonder dat met name soms jongeren probleemrijders zijn en ongelukken veroorzaken, want hun auto is een pracht stuk speelgoed. Maar wij hebben ook een auto. Wij doen er dus ook aan mee. Ja, wij zitten zo ingekapseld in onze tijd, dat we ons er  feitelijk niet aan kunnen onttrekken.

Uitbuiters

Het is zeker mogelijk dat we er een redelijk gebruik van maken, maar doen we dat echt? Mexico presenteert ons de rekening. God komt met die rekening. Het hele verkeer is volkomen uit de hand gelopen. Waarom moet een aannemer uit Noord Holland met zijn vele werknemers gaan werken in Maastricht? Dat is nergens voor nodig. Het verkeerd zou tot een zeer aanvaardbaar minimum teruggebracht kunnen worden, als we redelijke gebruikers zouden zijn. Waarom trekt een voorganger van Noord naar Zuid en omgekeerd? Dat zou ook niet nodig moeten zijn. We zien het ‘s zondags ook rondom de kerken. Zelfverheffing, misbruik van Gods gaven zit ons allen in het bloed. De zonde zit tot in onze kleinen tenen toe. Het hele moderne leven is er vol van. De meeste vliegtuigen konden aan de grond blijven, als we een redelijk gebruik van de luchtvaart zouden maken. Is reizen dus verkeerd? Nee, want Spurgeon reisde ook al naar Italië en Luther ging ook naar Rome en Abraham trok zelfs op Gods bevel naar Kanaän. Maar de moderne techniek, de expansiedrift van ons, mensen, kent geen grenzen.
De auto, de wasmachine, de radio, de TV, Internet, het zijn allemaal vervuilers, die zowel de natuur als de mensheid zelf aantasten. We vormen één geheel met dat streven. Ons eigen hart is de grootste vervuiler. Ook al trachten we alles te doen uit het geloof. Het gehele leven is vervlochten met de aders der zonde, die overal aanwezig zijn. Het geldt van de bonen in de supermarkt, die uit Egypte moeten komen, want we willen altijd bonen eten en niet alleen op die tijden waarop de natuur ons deze aanbiedt. Het geldt van de technische producten uit China die met mammoetschepen tegelijk worden ingevoerd om de technische honger van de moderne mens te verzadigen en we begrijpen niet dat technisch, economisch en maatschappelijk het gehele leven ontwricht wordt.
Jorkwerd is een dorp, dat deze dingen onderstreept. Maar dat doet elk dorp. In de eeuw van mijn vader waren de mensen niet gejaagd bezig; zeker, ze moesten hard werken, harder dan wij, maar ze werden minder overspannen. Dat ging gebeuren toen we het makkelijker kregen. Meer gejaagd ondanks meer vrije tijd, om het vlees te kunnen strelen. Begrijpt u mij wel, dat ik allerlei dingen hiermee niet wil en kan veroordelen. Maar ik spreekt over de uiteindelijke resultaten van ons menselijke streven. En dat blijft Babel, en niet Jeruzalem!
De zonde heeft zich als een kanker in ons leven, in ons moderne leven ingevreten. Meer dan ooit zien wij dat de duivel de overste dezer wereld is, die ook in de tempel als een god zit en die wordt aangebeden. We zijn in dat proces van opstand tegen God allen betrokken. Op wegen die we nauwelijks zelf doorzien. Alleen die mens, die als een mens Gods de dingen gebruikt, met dankzegging deze nemend en alles heiligend door het Woord en door het gebed (1 Tim.4:4,5). Maar dat vraagt onderscheid der geesten. Dat heeft dan ook alles te maken met autorijden en computergebruik. Ook deze zaken, het gebruiken van media en techniek, moeten we gebruiken en niet misbruiken (1 Cor.7:31). Vanuit het besef dat de tijd voorts kort is.
Zo is Mexico ook òns probleem. Horen we daarin het zuchten van de schepping (Rom.8:19-22), die we zelf hebben meegesleept in onze diepe val? Gelukkig de mens, die leert meezuchten omdat hij de eerstelingen des Geestes heeft mogen ontvangen en nog rijker dat de Geest Zelf bidt voor Zijn kerk en Gods wereld, want zonder dat alles zou deze vervuiling de grote ondergang van alles betekenen.

           

VERKIEZINGEN         2010

De uitslag van de Tweede Kamerverkiezingen hebben ons allen diep teleurgesteld. Daarover is genoeg geschreven. Welke lering trekken wij hieruit? Dat is een belangrijkere vraag. Is het verval te stuiten? Wat is de torkomst van ons land en van de kerk des Heeren? Dat zijn heel wezenlijke vragen. Ik trek enkele lijnen.

afval

Allereerst was er het vertrek van Balkenende. Hij heeft in deze dagen, maar niet minder gedurende zijn hele ambtsperiode, ongekend veel kritiek, laster en smaad over zich heen gekregen. Al heb ik hem nooit gestemd, we kunnen er wat betreft een premier alleen maar op achteruit gaan. Balkenende was geen pricipiële christen, zoals wij dat voorstaan. 
Hij had echter wel een zeker invoelvermogen voor geestelijke zaken. Had hij beter gedaan om eerder af te treden? Moet een integer en goedbedoelend mens wijken voor lage en lafhartige kritiek? Dat is maar zeer de vraag. Was het beter geweest als het CDA met een ander als partijleider zich had kunnen handhaven? Op de keper beschouwd eigenlijk niet. De huidige afloop kan veel goeds betekenen, namelijk als we zouden ontwaken, als we de les zouden mogen leren. Ik kan dus niet nalaten respect te vragen en uit te spreken voor zijn optreden, ook al verschil ik in veel opzichten met zijn opvattingen.
Wat ernstiger is, is het feit, dat deze uitslag duidelijk gemaakt heeft dat het christelijke beginsel sneller krimpt dat we hadden gedacht. Velen hebben de uitslag gevoeld als een overrompelende zaak, die onverwachts en hard aangekwam.
Het heeft ons zeker allenmaal verrast. Je hoopt altijd nog op een wonder (?), of in ieder geval op een meevaller. Dat laatste is een naar woord voor deze zaak, maar het vertolkt misschien wel de situatie.
Hadden we het niet kunnen weten? Heeft de kerk een verkiezingsuitslag nodig om de stand van zaken te beseffen? Hebben we zelf als kerk niet onze eigen thermometers, die ons al lang tevoren vertelden dat het niet koud en niet heet is? Daaruit blijkt eigenlijk al onze eigen grote nood, zowel van de staat alsook vooral van de kerk en het Christelijke deel der natie. Ik merk om me heen, dat steeds meer mensen zien dat het niet goed gaat met land en kerk. Maar er zijn er nog teveel die zeggen dat het nog meevalt. Want je zegt toch niet graag dat het niet goed gaat met de kerk? Daar hebben de profeten nooit enige sympathie mee behaald. Men vond dat Jeremia in zijn dagen het algemeen belang tegenwerkte. En Micha profeteert altijd kwaad over mij, zo zei Achab; en dat lag natuurlijk aan Micha en niet aan hem. Een zaak van groot gewicht, toen en nu.
Ik kan me heel goed indenken dat Jeremia het maar moeilijk had met zijn onheilsprofetie. Heeft het enige zin om een naderend onweer aan te kondigen? Zouden onze jonge mensen daar niet moedeloos van worden? Ontneemt het ons niet alle verwachting? Worden we niet nodeloos ongerust? Het komt over als een ongeloofsprofetie en niet als een onheilsprofetie. Je hebt geen geloof, zo meent men, als je spreekt over de donkere wolken.
Ik volg op afstand, als tijdelijke lezer van het Fries Dagblad, de afstoting van die vier kerken in Leeuwarden. Een kleine groep verzet zich daartegen. Men heeft emotionele banden met dat gebouw. Men vecht met leeuwenmoed tegen de stroom in. Maar het is een onmogelijkheid; een mens kan wel vechten tegen de wind, maar het haalt natuurlijk niets uit. De wind des Geestes blaast waarheen Hij wil en de wind van allerlei dwaalleer laat zich niet evenmin makkelijk tegenhouden.

hoop

Zo lijkt het. Maar zo’n redenering is doemdenken van de bovenste plank. God leeft nog en er is nog hoop, zo kunnen we zeggen tegen hen die met Ezra verbaasd en bedroefd neerzitten vanwege de stroom van ontrouw en verlating. Christus heeft Zijn belofte niet tevergeefs gegeven en de Heilige Geest wijkt nimmermeer. De vraag of er nog hoop voor de kerk is, moeten we positief beantwoorden. We mogen en willen niet zonder meer bij de pakken neerzitten. We mogen niet met Jona onder een afdak zitten om gerust het oordeel over Nineve af te wachten, evenmin als we in de zware stormen gerust mogen slapen in het zinkende schip.
Nee, we moeten als de meerdere Jona wenen over de nood en het ongeloof van de kerk. En dat is het nu juist, dat echte wenen zoals Hij weende, mis ik en missen wij. Hij heeft met tranen moeten zeggen: "Nu is het verborgen voor uw ogen”.
Er is wel hoop, maar alleen als we dat gaan bekennen ("Och, of ge nog bekende…..!”). Als we met Hem gaan meewenen. Maar ik vrees dat velen hopen zonder tranen. Zonder bekering. Wij met elkaar hebben de Heere verlaten. Hoe is het allemaal zover gekomen? We zoeken overal naar de oorzaak, maar het meest heilzame middel is het zelfonderzoek. Als u, als ik zelf tot werkelijke verbreking zou komen, dan zou er een begin zijn van opleving voor de kerk. Het moet bij mij en bij u beginnen.
We verschillen dus niet over de vraag of er nog wel hoop is en of de Heere wel leeft, maar we verschillen over de weg waarin die hoop werkelijkheid wordt. En als ik denk over bekering in Nederland, lijkt dat menselijk een volkomen onmogelijke zaak. Dan is er weer een Luther of een Johannes de Doper nodig. Liever nog: dan hebben we de Heilige Geest nodig.
En als dat niet gebeurt, dan zijn de tranen van de Heere Jezus de voortekenen van onze tranen, die we schreien zullen als het water stijgt tot de lippen. Dit kan alleen van Boven komen. De kuikens lopen allemaal naar de uitgebreide vleugels toe, maar doen wij dat? De Joden deden het in ieder geval niet.
Zeker, er zijn mensen die dat wel mogen doen en er zijn ook jongeren die worstelen met deze zaak en er zullen kinderen Gods zijn die de nood voelen. Maar we moeten wel eerlijk zeggen dat er een deksel over ligt.
Moeten we allen niet eerlijk erkennen dat we deze zaken wel uitspreken, maar dat we er zo weinig van voelen? Dat maakt de zaak nog ernstiger
Dus denk ik, dat het hoogtijd wordt voor Nederland dat we wakker worden. Dat zegt ons de politieke afkalving van het Christendom en de vele kerkelijke en geestelijke alarmbellen hebben het ons al veel eerder verteld. Als de sirene’s de eerste maandag van de maand hun naargeestig gehuil laten horen, weten we toch al dat het allemaal schijn is. Het is geen echt alarm.
Ieder mens wil hopen, maar hij wil te snel en te vlot hopen. Er is wel hoop, meer dan we denken, maar in de weg van Gods Geest. Ds. van der Vlies heeft eens gezegd dat we een bidder te vroeg van zijn knieën laten opstaan. Dat betekent: we zeggen te vroeg dat er vrede is en geen gevaar.
Dat wordt ook nog duidelijk als we naar de uitslagen van de verkiezingen kijken. De beide partijen met de C zijn voor mij niet gelijk, hoewel beide verloren hebben. Ik heb in deze rubriek meermalen gesproken over de regeringsdeelname van de CU. Er zijn tijden geweest dat ik enige verwachting koesterde. Maar de laatste tijden namen algemeen de vruchten daarvan af. Men moest te veel water bij de wijn doen om te kunnen doorgaan. Voor het CDA was die vraag eigenlijk al een achterhaalde zaak, al waren en zijn daar ook echte christenen die wisten dat het niet goed ging.
Alleen de SGP ging redelijk vooruit. De derde man op de lijst was voor 2/3 al gekozen, maar dat was helaas te weinig. Ik zeg dit niet omdat bij de SGP de Bijbelse waarden nog veilig zijn. Dat zou hoogmoed zijn. Maar men zoekt nietvoor alles de deelname, maar men zoekt ook kracht in het getuigenis. Dan houden we de handen tenminste vrij. En verder heeft de SGP en hebben alle Reformatorische christene evenzeer behoefte aan de waarachtige bekering. Maar het besef van die bekering leeft onder hen meer dan onder andere christenen, zo hoop ik.
De gang van zaken zegt ons, dat de twee getuigen uit Openbaringen 11 een Goddelijke roeping hebben. Ze waren met zakken bekleed.
Deze twee zullen profeteren (vers 3). Leest u maar eens welk een macht het echte getuigen van deze twee heeft. Alhoewel hun dode lichamen echter, als het einde nadert, op de straten liggen van de grote stad. Maar hun lichamen zullen levend worden (vers 11). Dit is de weg van het Christelijk en profetisch getuigen. Is dit de situatie van ons als kerken in deze tijd? Het hoofdstuk begint met de uitsluiting van de voorhof van tempel en kerk. Alleen het binnenste heiligdom houdt stand.
Deze getuigen stonden niet alleen op de preekstoel, maar ze profeteerden ook op de straten der stad, die geestelijk genoemd wordt Sodom, "alwaar ook onze Heere gekruisigd is”. Dat is de echte roeping van de kerk.
In de weg van dat kruis en van die getuigende profetie alleen ligt de enige hoop!

           

 


ZELFKRITIEK?          2010

Kerkverlating en geloofsafval horen bij onze tijd. De litteratuur van onze dagen vertoont daarvan de sporen. In dagbladen komen we er regelmatig mee in aanraking. Enkele weken geleden was dat het geval in een boekbespreking over Franca Treur, die beschrijft hoe ze als klein meisje al vervreemding voelde ten opzichte van haar opvoeding. Een dag daarvoor was er een verslag van een gesprek met de CDA-er Schinkelshoek, die vertelt hoe hij weggroeide van het milieu van de Gereformeerde Gezindte.

In Nederland

"Franca Treur is geen nieuwe Maarten ’t Hart, zeker niet”, aldus Enny de Bruijn in het RD van 4 november 2009. „Ze hoort bij een volgende generatie auteurs die met mildheid naar de eigen bevindelijke achtergrond kijken wil. Maar daar hoort wél de nodige vervreemding bij, een vervreemding die heel subtiel in de formuleringen sluipt.”
Maarten ’t Hart s bekend geworden door zijn uiterst kritische weergave van het Gereformeerde leven in zijn geboorteplaats Maassluis. Zijn denktrant en zijn manier van schrijven willen een fel protest zijn tegen de sfeer van zijn opvoeding. Hij doet het schokkend en ontmaskerend, verbeten en verbind door een bijna hartstochtelijke en haatuitstralende afkeer. Misschien hebben zijn boeken onbewust sterk bijgedragen aan het verval van de Gereformeerde kerken, waaruit hij voortkwam.
In de beide artikelen die ik zoëven noemde, komen deels dezelfde motieven aan de orde die ook bij ’t Hart te vinden zijn. Ik noem er twee: hoe kan een God van liefde mensen laten sterven, terwijl deze niet gemist kunnen worden? Wat is de zin van allerlei uiterlijke plichtplegingen die wij er op nahouden? Uiterlijkheden, waarin naar de mening van de schrijvers de kern der dingen ontbreekt.
Het is allereerst opmerkelijk dat kerkverlaters blijkbaar niet klaar zijn  met hun achtergronden en daarbij is het eveneens bijzonder dat er velen zijn binnen de kerken die daarvoor een zekere interesse tonen. Kan dit te maken hebben met onzekerheden die ook in hun en in ons leven spelen, vraagtekens achter leer en leven zoals deze binnen onze gezindte gevonden worden? Voelen we een zekere verbondenheid met het gedachtegoed van hen die braken met de Heere en Zijn dienst?
Natuurlijk worstelen wij allen, de een meer dan de ander, met de vele moderne vragen die gesteld worden aan de Bijbel en het geloof. Dat kan, in omgekeerde richting, ook voortkomen uit het feit, dat zovelen om ons heen omvallen. Waarom blijven wij nog staan? Wat zegt de kerk mij (nog)? Er klinken zoveel kritische geluiden naar de kerk toe, dat ook wij op de tocht lijken te staan.

Dit beeld van de wegstervende kerk van Nederland is wereldwijd gesproken, niet algemeen voor alle landen en volkeren. Het behoort vooral bij de West-Europese wereld en dan nog met name in versterkte mate bij de Nederlandse bevolking. Waarom juist in Nederland zoveel verzet tegen de kerk, zo kunnen we ons afvragen. Misschien komt dat omdat juist in Nederland de kerk zo’n grote plaats heeft ingenomen. Alsook omdat in Nederland het Gereformeerde leven nog op kleine schaal sprekend aanwezig is. Iedere Nederlander weet wat Staphorst betekent en iedereen weet van de twee grote nieuwe kerken in Barneveld. Beide genoemde plaatsen staan in ons land model voor een beschimmeld kerkelijke sfeertje, waar men geen weet heeft van de moderne tijden. Wat natuurlijk helemaal niet zo is. Staphorst is een dorp waar mensen nadenken over de economie en waar men werk maakt van maatschappelijke processen en waar gewoon geleefd wordt; waar men daarbij ook nog in kerkelijk opzicht  een grote plaats geeft aan kerk en godsdienst. Het is natuurlijk ondenkbaar, maar de vacantiefolders konden beter reclame maken met Staphorst en Opheusden, dan met Amsterdam.
De aanwezigheid van groepen mensen en kerken, die het in onze tijd nog wagen te leven uit een ander beginsel dan de kerkafbrekende en nihilistische zienswijzen van de massa, roept op tot fel verzet. Er wordt in onze tijd nogal eens gezegd dat de kerk getuigend in de maatschappij moet staan, maar ik denk dat de kerk dat al doet door haar aanwezigheid en door haar niet leven naar de geest der eeuw. Ik zeg niet dat dat genoeg is, maar het is in ieder geval een feit. Een kerkmens is op zich is in deze tijd al een getuigenis. Als de kerk in de Zuilense wijk van Utrecht aanging, stonden de buurtbewoners op een mooie zomerdag over de leuningen van de gaanderijen gebogen om te kijken naar dat vreemde volkje, dat naar de kerk ging. Dat zagen ze in de stad nergens meer. De gemeente was ook in uiterlijke zin gekleed in een eigen stijl.
De kerkganger van vandaag roept stilzwijgend de mens van nu ter verantwoording en herinnert die mens aan zijn eigen verleden, waarvan hij zelf inmiddels afstand genomen heeft. Het is dus zo, dat onze maatschappij in sterke mate geconfronteerd wordt met de aanwezigheid van de kerk, ook bijvoorbeeld door deelname van de CU aan de regering, en door het kerkvolk, dat zich in kleding en gebruiken manifesteert op de straten van stad en dorp, op de markt en in het publieke domein. Dat roept vragen op, het roept ook irritatie op. Dat moet ook zo zijn, want Petrus zegt niet voor niets dat we altijd bereid moeten zijn tot verantwoording aan een ieder die ons rekenschap afeist van de hoop die in ons is. We moeten door onze houding, door onze aanwezigheid, door onze afzijdigheid van bepaalde volksvermaken en afgoderijen getuigenis afleggen van de christelijke hoop. Onze houding moet de wereldling zo intrigeren, dat hij ons de vraag stelt wat er nu eigenlijk met ons aan de hand is, want hij begrijpt die houding niet.
Voorzover dat geldt van de wereld buiten ons, is dat een normaal verschijnsel. Men houdt zich vreemd als we niet meelopen "tot dezelfde uitgieting der overdadigheid” (1 Petr.4:4).
Zo wordt de kerk van buitenaf onder vuur genomen in De Telegraaf, in Elsevier, in de Tweede Kamer, in de wetgeving.
Het felle en groeiende verzet tegen de christelijke gemeente in ons land heeft dus zeker wel een oorzaak.
Onze eigen gezindte wordt daardoor aan het denken gezet. Een gevolg daarvan is het initiatief om te werken aan de verdediging van het Christelijke geloof. We noemen dit apologetiek. Een bezigheid, die de kerk tijdens de vervolging in het Romeinse rijk ook ijverig ter hand nam. Ik las laatste nog eens over die periode en het viel me op dat er parallellen lopen met onze dagen. De christenen moesten offeren voor het beeld van de Romeinse keizer; ze moesten meedoen en hun anders zijn afleggen. Er werden allerlei misstanden binnen de kerk aan de kaak gesteld en zodoende groeide de weerstand tegen de kerk. Zulke ontwikkelingen kunnen zo maar overslaan naar onze tijd. We zien er al de tekenen van.

In de wereld

Zo is de situatie in Nederland. Zo is het echter lang niet overal. In Amerika zien we een tegenovergestelde trend zichtbaar worden. Er verschenen daar de laatste tijd meerdere boeken die vertellen hoe jongeren, na een aanvankelijk negatieve kijk op hun verleden, toch later weer met des te meer overtuiging terugkeerden naar de strakke kerkelijke vormen van  hun kinderjaren. Het gaat dan over de Amish-cultuur. Daar mogen jongelui gedurende de groei naar volwassenheid de wereld intrekken om zelf te beslissen of ze Amish willen blijven of niet. Het is dan opvallend, dat meerderen vrijwillig terugkeren naar hun oude wortels. Ik weet niet of we hier te maken hebben met een breed gedragen verschijnsel, maar ik heb toch kort na elkaar twee boeken hierover onder de aandacht gekregen. Een weldaad als jongeren zo spreken over hun afkomst!
Nu moet u weten dat de Amish een massief stelsel van regels en wetten hebben. Geloofsbevinding, zoals wij daarover spreken, komen we in hun levensstijl nauwelijks tegen. Wel strenge en strakke geestelijke regels. Er zijn echter ook sterke sociale bindingen onderling te vinden. Ondanks die regels zoeken jonge mensen het bij hun opvoeding en niet in de wereld.
Het zou belangrijk zijn een studie op te zetten naar de verschillen tussen deze Amish-kolonies in Amerika en onze bevindelijke kringen, die toch ook in een zeker isolement leven. Belangrijke vraag: Hoe komt het dan dat onder ons zoveel mensen zich afkeren van de kerk, juist vanwege al die regels en wetten?
Heeft het ermee te maken dat Amish-groepen de techniek weren? Geen telefoon, geen auto, geen tractor, geen TV? Men leeft bij wijze van spreken als Abraham in zijn tijd. De jacht van het moderne leven is afwezig. Dat trekt misschien jongeren toch aan. Hebben wij op de bodem van ons hart er soms ook geen heimwee naar?
Ondanks de wet en de geboden zijn we volkomen aangepast aan de techniek van deze tijd. Er ontstaat een kloof tussen onze wortels in het Woord en die in de moderne tijd. Ik heb  er al eens op gewezen dat we door de techniek op zich (!) en door de "vruchten” van het moderne leven (media, muziek, TV, Internet) innerlijk vervreemd zijn van het leven naar Gods Woord.
Aan de ene kant zijn we volop verweven met onze moderne tijd en we plukken gretig en soms gulzig de vruchten van dat moderne leven. We vinden de techniek prachtig en we doen in heel veel dingen net zo hard mee als mensen die buiten de kerk leven. En tegelijkertijd kennen we door bepaalde vormen en regels een sterke scheidslijn met onze moderne tijd. Dat maakt de zaak er niet makkelijker op. We vallen ten prooi aan tweeslachtigheid. Ons ene been staat in 2010 en het andere staat nog in een geïsoleerde kerk.
Om dit alles niet te laten uitgroeien tot een hypocriete levensstijl, moeten we in ieder geval in beide zaken niet te ver doorschieten. Onze afhankelijkheid van de technische wereld zou minder moeten worden en onze strakke regels moeten bevraagd worden op hun Bijbelse gronden. Misschien zouden we toch iets van de Amish kunnen leren; maar daarvoor is het nu waarschijnlijk te laat.
We kunnen misschien nòg iets van hen leren. Ze staan en ze gaan voor hun eigen wereld. Wij doen veel te veel aan zelfkritiek; de Gereformeerde Gezindte wordt gekweld door faalangst. We zetten steeds maar weer vraagtekens achter onze identiteit. Daarmee staat ongetwijfeld ook de aandacht voor hen die gingen, in verband. We kunnen precies onze eigen kwalen aanwijzen. Toch konden we dat maar beter aan onze tegenstanders overlaten. Moeten we ons ons feilen dan niet bewust zijn? Natuurlijk, maar er is een groot verschil tussen schuldbesef en nutteloze zelfkritiek. Geloven we zelf nog in de kracht van Gods Woord, in de kracht van de Gereformeerde religie? Over die vraag moeten we maar eens ernstig nadenken. En ons ook niet eindeloos bezig houden met de vijanden in de poort. Het gaat er niet om wat de wereld van ons denkt, maar wat God van ons denkt. Geen schrijvers als Treur en ’t Hart, maar levende kinderen Gods konden maar beter onze raadslieden zijn.
Hier liggen heel veel overwegingen te wachten op aandacht. Misschien komt dat een volgende keer aan de orde.

           

 

DE VAL          2010  

Het moet deze keer maar over het kabinet gaan. Niet vanuit politiek oogpunt, maar  vanuit een meer geestelijke invalshoek ga ik trachten mijn gedachten te ordenen. Voor christelijk Nederland is het geen goede zaak dat het zo gelopen is. Met alle verval, dat ook dit kabinet niet vreemd was, konden sommige ontwikkelingen nog gestuit worden, terwijl op andere gebieden (homo-emancipatie, belastingdruk eenverdieners, onderwijs) de zaken ongestoord voortgingen. De val van een kabinet bepaalt ons pijnlijk bij de val in het Paradijs.

In twee debatten in de Tweede Kamer is er vorige week gesproken over Irak en over Uruzgan. Er is reeds op gewezen, dat de stijl ver te zoeken was. Ir. Van der Vlies heeft daar openlijk getuigenis van afgelegd. We zien dat een getuigend woord van grote betekenis kan zijn.
Hij doelde vooral op het taalgebruik en de openlijke diskwalificaties van diverse ministers door parlementsleden. Hiermee verbonden is een dieper verval, dat zich afspeelt in de boezem van onze overheid. In de beide debatten werd sterk op de man gespeeld. Inzake Irak gold dat Balkenende, in het volgende debat betrof dat vooral Wouter Bos.
De zaken zijn politiek te ingewikkeld dan dat ik daarover een woord zou kunnen zeggen, al moeten we als burgers wel een mening trachten te vormen over deze onderwerpen. Van een parlement mogen we als volk beschaving en matigheid verwachten. Deze zaken zijn  echter helemaal ondergesneeuwd in de meest harde persoonlijke aantijgingen. Het is duidelijk: als een partij de ander maar onderuit kan halen, rijst de eigen ster. Met name de aanvoerders van D66, Groen Links, de SP en overigens ook de PvdA muntten daarin uit, samen met Wilders. Zelfkritiek en ootmoed zijn in deze kringen onbekende begrippen. Achter de regeringstafel is, het moet gezegd worden, zelfverloochening getoond. Misschien zijn sommige politici in de goede lijn ook nog een voorbeeld voor ons als kerk; men moet kunnen zwijgen op zijn tijd. Zelfbeheersing is nodig, in de politiek en in den Haag. Enkele conclusies:
- Het is te vrezen dat vooral de genoemde partijen een steeds machtiger opstelling krijgen. Wee ons land, als deze machten toenemen. De sloophamers staan al klaar voor de kerk en het christendom. We moeten als kerken ons daarop voorbereiden. Rond het onderwijs zullen we van deze mentaliteit meer gaan horen. Het is niet ondenkbaar dat links de macht zal grijpen in een nieuw kabinet. Dan wordt het pas echt moeilijk en tegelijk zal de kerk zich gedrongen voelen om zich te verenigen rond de banieren van het Woord.
- We hebben verder onze christelijke politici hard nodig. De stem van Gods Woord moet broodnodig vertolkers vinden in regering en volksvertegenwoordiging. Zoals van der Vlies dat nu heeft gedaan, zo doen anderen dat in andere gevallen. De CU heeft zelfs deelgenomen aan een kabinet en het is moeilijk te zeggen, ook nu nog, of dat een goede greep geweest is, maar, bij alle verval dat zich ook daar openbaart, hebben we toch gevoelens van respect gevoeld op bepaalde momenten. Ons volksdeel moet dus getrouw zijn, ook in het uitbrengen van de stem, waar en hoe dat ook maar mogelijk is. Samen hebben SGP en CU toch nog bijna tien zetels. We spreken vaak over een minderheid, maar het betreft toch een niet onaanzienlijke minderheid.
- Een analyse van volk en overheid is moeilijk te geven. Maar dit kunnen we wel zeggen: wat wordt de invloed van Gods Woord pijnlijk gemist. Natuurlijk inzake allerlei wetgeving. Waar geen wet is, breken de riolen open. Waar teveel wetten zijn (dat is merkwaardig in Nederland ook weer het geval), wordt het leven een doolhof.
Ik bedoel nog iets anders. We kunnen in de staat de wet niet missen, maar nog minder het Evangelie. Er worden in allerlei situaties steeds weer zondebokken gezocht en aangewezen, maar het Lam Gods ontbreekt in onze tijd. We horen spreken over politieke doodzonden. Ministers mogen geen fouten maken. Ze moeten  voldoen aan de keiharde eisen van het volk. Mensen als Kant, van Halsema, Pechtold munten uit in het demoniseren van hun tegenstanders. Doodzonden noemt men het, en dat is dan nogal wat. Dat klinkt bijna kerkelijk. Maar het is een praten over zonden buiten God om. Er is ook geen uitweg meer voor de zonden. Heel onze maatschappij leeft uit de wet dat er op bepaalde plaatsen geen fouten mogen gemaakt worden, terwijl anderzijds alles mag en alles kan. Geen fouten maken. In de kerk mag dat onderhand ook niet meer. Het mag ook nooit, maar fouten, erger nog, zonden zijn er en zullen er blijven en daar is gelukkig ook een uitweg voor, namelijk de vergeving der zonden. Maar de moderne Nederlandse heiden weet niet meer van vergeving. De heidenen meenden dat er telkens weer als de goden boos waren, offers gebracht moesten worden, mensenoffers in veel gevallen. De Tweede Kamer wijst deze offers aan: Balkenende en nog eens Balkenende, hij vooral, maar ook iemand als Rouvoet ligt onder vuur. Alles hangt in de politiek van verdenking en wantrouwen aan elkaar. Altijd weer hetzelfde: Naakt tot mij niet want ik ben heiliger en beter dan gij.
Velen zuchten hier wel onder. Ook mensen als Wilders voelen dit wel aan, maar verwoorden het op dezelfde onmenselijke manier. Wat is het vreselijk dat zij, die wijsheid zouden moeten hebben, deze volkomen missen en gespeend zijn aan de diepe waarden van het Evangelie. Wee het land welks koning een kind is. Die tijd beleven wij in de politiek.
- Wat moeten we in de kerk daar nu ook lering uit trekken. Deze harde wereldse mentaliteit dringt ook in de kerk door. Ook in de kerk zijn er de lieden die een kerkelijk proces tot op de bodem doorvoeren en onverbiddelijk de "ander” aan de schandpaal nagelen. En dat kan in de kerk ook zo hard en meedogenloos gevoerd worden omdat men het doet onder de dekmantel van Gods Woord. Als dat idee postvat, overtreft de kerk de wereld nog. Daardoor werd de Heere Jezus aan het kruis genageld. Door de vroomheid.
In kerk en politiek wordt zelden nog gehoord: ik heb gezondigd, ik was fout. En daardoor is het uitzicht op het bloed van Christus ook zo minimaal.
We leven in de lijdensweken. Laten we ons eens afvragen of er plaats is voor het bloed der verzoening onder ons. Leven we van de vergeving der zonden, niet alleen voor onszelf, maar geloven we dat ook voor de ander? Er is daarvoor slechts plaats als we niet de ander, maar onszelf hebben leren veroordelen. In Den Haag weten velen daar niet van, maar wij dragen er wel kennis van? Ik moest met betrekking tot de politiek denken aan het woord: "Wij keerden ons een ieder naar zijn eigen weg”. Ieder leeft voor zichzelf.
Ik kan begrijpen dat mensen die onder verdenking staan in de politiek, hun rug recht willen houden, omdat ze anders helemaal afgeslacht worden. Maar voor God kan dat toch niet. In de kerk zou dat dan toch ook niet moeten gebeuren. Schuldbelijdenis behoort bij ons zelf te beginnen. Dat geldt onze schuld als leden van de kerk en als burgers van Nederland. Maar ik besef dat deze woorden wel meermalen worden gezegd, terwijl er zo weinig naar en uit geleefd wordt. Laat de kerk geen Tweede Kamer zijn. Dan gaan moralisme en wetticisme overheersen.
Wij prediken toch Jezus Christus, de Gekruisigde. Hij is een verzoening voor uw zonden. U en ik, wij hebben God op het hoogst misdaan. Maar zoek uw gerechtigheid in het Lam Gods. Leef dat uit en leef dat in. Hij is een verzoening voor de zonden. Kennen wij de eenvoudige klacht, de ootmoedige bede van de tollenaar? Weet uw gezin er ook van dat u daar kennis aan hebt? Weet uw gemeente het ook? Gelukkig als we zo leren belijden de veelheid van onze zonden en de kracht van het bloed van Christus.
Schuldbelijdenis en schuldvergeving zijn strikt persoonlijke zaken. Alle lijnen komen in uw hart uiteindelijk terecht. Daar leeft Achan. Wie dat ziet, krijgt in het dal van Achor die enige deur der hoop nodig. En nog staat die deur open. Hoe lang nog? Dat weten we niet. Maar de tijd is voorts kort. Dat leert ons ook de politiek, bij het licht van Gods Woord.

 

DE ZUIL          2010

Er zijn minstens drie beelden die aangeven hoe de kerk in de wereld staat: het klooster (volkomen afzondering), de zuil (gedeeltelijke afzondering) en de spons (genietend van wereld en zonde). We kunnen het ook zo noemen: separatie (afgescheiden), reformatie (zoutend zout) en integratie (samensmelting. Waar lijkt het in onze tijd het meest op?
Ik schrijf dit artikel naar aanleiding van een debatavond van de Kom Ook- groep over de Refozuil.

Kloosterleven?

Met het eerste model ben ik snel klaar. Kloosters hebben we als Reformatorische groepering nooit gekend. In kloosters leeft men veilig achter dikke kloostermuren. Toch zijn er mensen die aan een klooster denken, als men zich de huidige situatie voorstelt. Refo’s zouden zich opsluiten binnen het behaaglijke en knusse leven van de zuil, ver van de wereld. Het lijkt me duidelijk dat onze gezindte daarmee onvoldoende is getypeerd. Onze gezindte leeft niet in een klooster, zeker niet!
De zuil is de meest gangbare aanduiding van de Reformatorische wereld. 
Een zuil is een pilaar of pijler. Zuilen dragen het dak, het gebouw. Er zijn veel meer zuilen. Een liberale, een socialistische, een algemeen christelijke zuil. In al die gevallen echter spreken we niet van zuilen. De Refozuil stut het dak, in dit geval de maatschappij. Laten we het zo opvatten.
Je zou ook kunnen spreken van een schaapskooi of een open hof. De schapen dwalen op de heide, maar keren dagelijks terug naar hun veilige basis.
Onder de Refozuil verstaan we het geheel van Reformatorische organisaties; we hebben het dan over het Reformatorisch onderwijs, over Ref. zorginstellingen, misschien ook over Ref. politiek, over Ref. vakantieorganisaties. Ook de krant en de omroep zetten zoden aan de Reformatorische dijk. Reken er ook de goede doelen toe, die specifiek vanuit onze gezindte zijn opgezet.
Vrij algemeen komen we de mening tegen dat de Refozuil niet veel goeds heeft gebracht. 
Zijn er redenen om het zo te stellen? Het bezwaar leeft dat we ons door de eigen subcultuur afkeren van de maatschappij. We zijn in onszelf gekeerd. We sluiten ons op en voelen ons veilig. We worden te weinig weerbaar in de strijd tegen de machten. Bekende geluiden, die niet van alle grond ontbloot zijn. In deze visie is de zuil geworden tot een klooster. In die zin voelen we met dit standpunt mee. Het kloosterleven laat de wereld de wereld en keert zich naar binnen om slechts zichzelf te stichten. De zuil is geen klooster.
Onze zuil heeft als kenmerk dat we volop in de wereld staan met behoud van eigen organisaties, zoals dat ook met andere groepen in de maatschappij zo is. De vorige keer heb ik al gesteld dat we ons enerzijds houden aan Gods geboden en anderzijds dat we helemaal meedoen met allerlei moderne (technische en sociologische) uitingen. Het gevaar van tweeslachtigheid, eten van twee walletjes.
Moet de zuil verdwijnen? We vergissen ons als we zo denken. Ik wil dat met enkele praktische voorbeelden aan tonen.
Stel dat er geen Reformatorische verzorgingshuizen zouden zijn? Dan moet uw oude moeder onderkomen vinden in een neutrale instelling, waar de hele dag popmuziek gedraaid wordt of waar een algemeen christelijke sfeer hangt, met Sinterklaas en de kerstboom er bij.
Als er geen reformatorisch onderwijs zou zijn? Dan wordt de jeugd in de periode waarin ze daarvoor erg vatbaar is, opgevoed en beïnvloed vanuit het ongeloofsdenken. Dan komt de oudere schoolgaande jeugd sterk onder de invloed van drugs en internet, nog sterker, veel sterker dan dat nu het geval is.
Geen vakantie in eigen sfeer? Met deze slogan worden goede zaken gedaan door allerlei reisorganisaties. Maar denkt u zich in dat u in uw vakantie, die bedoeld is voor uw rust, omringd wordt door de muziek van deze tijd en door de geest van deze tijd. Vakantie betekent voor al te veel mensen de bloemetjes buiten zetten.
Dan missen we het grote genoegen om geestverwanten te ontmoeten, met wie we zingen en kerken kunnen; wat zou een vakantie in groepsverband zijn zonder dat?
Een krant zonder principe, met seksadvertenties etc. incluis? Op die manier zou de kerk aan grote gevaren blootgesteld zijn. Geen Woord en Daad meer of andere instellingen, waarin we de lijdende mensheid en de vervolgde christenen  steunen? Waar zouden uw giften heengaan? Hoe worden de gelden besteed?
Men zegt dan wel dat je dan tenminste weet dat je met het ongeloof en de wereld te maken hebt. Je kunt je daartegen wapenen? Zo rechtvaardigen we soms het lezen van een blad als "De Telegraaf”. Zouden ouders hun kinderen kunnen bewaren, als de stroom van verzoekingen nog sterker zou worden en dan in je eigen huis?
U denkt dat het in het Reformatorische denken ook niet alles is? Dat is absoluut en zeker waar. Alleen dit verschil is er: in de kringen der wereld worden allerlei verschijnselen aanvaard en goedgekeurd, terwijl onze instellingen zich ertegen keren.
U werpt mij misschien tegen dat ik over de wereld oordeel? Ik oordeel niet zozeer over de wereldling, maar wel over zijn ideologie.
Ik ben er nog niet aan toe om hetgeen moeizaam is verworven, op te heffen. Ik vrees dat de overheid dat te zijner tijd wel doen zal.

Het zou kunnen zijn dat men de zuil wil ontvluchten omdat er sympathie is met de wereld. We zijn verlegen met ons eigen standpunt. We staan er eigenlijk niet meer achter. Er is innerlijke vervreemding opgetreden en dat is merkbaar. De zuil brokkelt af; het sponsmodel dient zich aan. We sommen dan de nadelen en de gevaren van de zuilvorming op. Het vuur is gedoofd.
Toen het Reformatorisch onderwijs opkwam, had men strakke lijnen. Jongelui uit mijn gemeente in Utrecht konden destijds maar nauwelijks worden aangenomen vanwege verdenking van wereldgelijkvormigheid. Ik ben op vergaderingen van het bestuur geweest om een plaats voor hen te verwerven. Dat is nu heel anders. Nu zijn er blijkens een onlangs gepubliceerd rapport zelfs wel leraren die nauwelijks overtuigd zijn van de uitgangspunten en de identiteit van de school. De EO maakte ruim veertig jaar geleden een heel goede start. Het vuur van toen is niet alleen gedoofd, maar er gelden nu heel andere uitgangspunten. Is er wezenlijk verschil tussen de NCRV en de EO?.
Er is van binnenuit een uithollingproces ontstaan. De generatie die Jozua niet meer gekend heeft, dreigt zich meer en meer aan te passen. Dit zijn geen algemene waardeoordelen, maar de tendens is er.
Een voorbeeld: Op de reeds genoemde jongerenavond was ook de door mij reeds eerder genoemde Franca Treur aanwezig; ze beschrijft in een boek, dat reeds meerdere drukken beleefde, de negatieve ervaringen van een jong meisje dat opgroeit in een gezin dat behoort tot de Geref. Gemeenten. Het lijkt me een vergissing om iemand met die achtergrond uit te nodigen om mee te denken over de positie van de Geref. Gezindte. Zij heeft het geloof de rug toegekeerd. Een kwetsbare opstelling is goed. Maar wat kunnen we van haar leren? Het kan een keer goed zijn om de argumenten van de wereld te onderzoeken. Maar moeten we nu aan de voeten gaan zitten van iemand, die God en Zijn dienst zo beoordeelt? Ligt hier niet onze zwakte? Voelen we ergens toch wat verwantschap met haar en zijn we het eens met sommige van haar uitgangspunten? Had het niet omgekeerd moeten zijn? Kerkelijke jongeren hebben haar en vele anderen toch zeker iets te zeggen? Hopelijk is dat die avond door sommigen ook gedaan, maar dat doet van de zaak niets af.
Deze schrijfster heeft haar zegje toen ook gedaan. Uit en krantenartikel van even geleden
leek het te gaan over regels en gebruiken, de Reformatorische folklore, zoals ds. Dekker dat noemt. Maar deze avond zei ze duidelijk dat het daar niet vooral om ging. Het grote verhaal bereikte haar niet. De kerk moet bescheidener zijn. Zuiver postmodern denken. De Bijbel moet dan bescheidener zijn of bescheidener verklaard worden. De tijdgeest ten top.
Ook in andere bladen is gretig aandacht besteed aan deze schrijfster. De belijdenis werd ook gehoord dat we haar en haar generatie niet hebben kunnen overtuigen. Dat is erg genoeg. Er bestaat onder ons veel zelfkritiek: we zijn te wettisch, we hechten teveel aan uiterlijkheden, we dragen het geloof niet uit, onze levensstijl is er niet naar, enz. Met volledige erkenning van al deze uitspraken, meen ik toch dat we ons eens moeten afvragen of we er goed aan doen zo te spreken. Ik vrees dat zulke opmerkingen voortkomen uit innerlijke twijfel en onzekerheid. Daar heb ik wel alle begrip voor, maar we mogen daar niet mee voortleven. Integendeel, we hebben de sterke overtuiging nodig dat God onze liefde en ons leven waard is en dat Christus een volkomen Zaligmaker is en dat het geloof en bron van kracht is. Dat is de kracht toch van het geloof? In mijn hart ben ik bang voor de gevolgen, die al deze negatieve opmerkingen losmaken. Staan wij voor de zaak van het Koninkrijk Gods?
Zelfkritiek is heel wat anders dan schuldbesef. Dat laatste is broodnodig. Door de gesignaleerde zelfkritiek verandert er niet zo veel. Maar schuldbesef, die waarachtig beleefd wordt, kan onze ogen openen voor de machtige kerkelijke en persoonlijke schuld van deze tijd. Dan moet ìk voorop gaan. Ik heb het meer opgemerkt dat ook ik moet erkennen dat wij mede schuld dragen aan het verval van de kerk. Dat thema moeten we oppakken. Want ik merk bij mijzelf dat het nog veel te weinig in mijn leven doorwerkt. Ik hoorde laatst een predikant opmerken dat hij niet in de schuld kon komen voor het verval in Nederland. Hij had dat bij meer kinderen Gods opgemerkt. Ik vrees dat het ten dele waar is, voor velen van ons. Maar is dat niet een verschrikkelijke uitspraak? Heeft de Heere Zijn kerk dan overgegeven? Dat zou toch kunnen? Hebben wij de kerk overgegeven? Israel in de dagen van Simson nam het hun richter kwalijk dat hij zich verzette tegen de Filistijnen? Ze heersen toch over ons? Ze hadden zich daar bij neergelegd. Ze hadden vrede met de status quo. Ze wilden hun redder uitleveren. Zo’n instelling zou vreselijk zijn. Dan wordt de zuil tot een spons……..

Ik stel hier iets tegenover. Een verslaggeefster van de NOS gaf aan dat 75% van de huizen op Haïti verwoest is en dat 175.000 mensen het leven verloren hebben. Ook was te zien dat de imposante kerk van Port au Prince was getroffen door de aardbeving. Maar merkte deze verslaggeefster op: Het geloof in God staat als een huis. We hebben kunnen zien en horen dat het geloof in dat getroffen gebied de dragende kracht van de mensen is. Ook werd uitgesproken wat ook gehoord werd na de tsunami in Indonesië, dat deze aardbeving een oordeel op de zonde was. Dat zou ik nooit durven zeggen, maar de diep getroffen bevolking sprak het uit.
En stel daar nu de Nederlandse situatie eens tegenover. Had ze zoiets ook van Nederland kunnen zeggen, in een tijd waarin ons geen zodanige rampen hebben getroffen? Of ligt
Nederland ook in puin? Is de kerk van ons land ook een ruïne? Laten deze vragen ons brengen op de knieën voor het aangezicht van de Heere. Dan zal er ook een ommekeer komen. "Zo zullen wij, de schapen Uwer weide, in eeuwigheid Uw lof, Uw eer verbreiden”.
Haïti spreekt vaste hoop op God uit en wat doen wij nu? Terug naar de eerste liefde, het oude spoor en het ongeveinsde geloof!
Moge de zuil echt een zuil, een pilaar der waarheid zijn.
           

 

EUROPA          2011

We worden dagelijks overspoeld door berichten die melden dat de crisis zich verdiept. Voor deze signalen mogen we niet doof zijn. Het zijn tekenen der tijden, waardoor de Heere spreekt. Het bepaalt ons ook bij ons aandeel, dat we hebben opgebouwd in de economische ontwikkeling van de moderne maatschappij.

Het is niet nodig dat ik u de zwakke plekken toon van de wereldeconomie. Ik zou dat niet goed kunnen ook, maar u weet zelf wel ongeveer dat het in landen als Griekenland niet goed gaat en dat ons lot nauw verbonden is met meerdere landen binnen de EU. We horen  niet zo vaak dat ook Nederland zelf een enorme staatsschuld heeft, die zo maar, door allerlei omstandigheden, ons boven het hoofd kan groeien. Wij allen, hoofd voor hoofd, dragen ons deel van die schuld mee. Ligt het ook geestelijk niet zo?
Er is in deze dagen een breed gedragen verzet tegen het systeem van banken en beurzen. Als ik het goed zie, hangt ons lot niet zozeer of alleen af van feiten en cijfers, maar meer van stemmingen en menselijke nerveusitieit. Als Obama verkouden is, zou dat al een reactie op de beurs kunnen veroorzaken. Devaluatie vindt niet plaats op grond van slechte opbrengsten, maar de oorzaak ligt in menselijke taxaties. Simpel gezegd, ik denk dat de (denkbeeldige) crisis begint in het hoofd van beurshandelaren en niet op de veilingen en de markten.
De banken spelen in deze wereld een overheersende rol. Het blijkt nu dat het bankwezen zware schaduwen werpt over onze maatschappij. Niet alleen door bonussen, maar eenvoudigweg omdat de bank een opslorpend monster is, dat uiteindelijk wil heersen over uw bezit. Veertig jaar geleden was de bank in uw dorp uiterst mensvriendelijk. Vrijwel alles werd gratis gedaan. Langzaamaan veranderde die welwillendheid. Banken verdienen miljarden aan het geld van de cliënt. We zijn met elkaar zonder argwaan de fuik ingezwommen. We zijn nu, net als bij alle afgoden het geval is, volkomen onderworpen gemaakt aan de Mammonwereld van het grootkapitaal. Zij maken uit wat u met uw geld mag doen. Jaren geleden hoorden we van al maar fusies en ik heb daar persoonlijk iets in gezien van het doel van één wereldbank, een wereldheerschappij van bankiers en politici, waar antichristelijke machten zich vrij kunnen ontwikkelen.
Het geheel van onze economie is een toren van Babel. Wie aan de rand van de grote steden de reuzenflats ziet met daarop de grote en grootse namen van allerlei multinationals, voelt zich bijna doodgedrukt door de goden van deze tijd. Grote delen van de wereld lijden honger, onder ons zijn er gezinnen waar men met moeite rondkomt, terwijl een bank meldt dat er weer een winst van vele tientallen miljarden gemaakt is. Wat heeft een gewoon mens nog met die grote wereld van doen? De arbeider weet best dat het kan gebeuren dat hij en met hem nog tienduizenden anderen er zo maar uitgegooid kunnen worden. En dan staat hij op straat. Afgedankt als een slaaf die overbodig is en wiens lot bepaald wordt door de grote concerns. Ik heb juist rond de beruchte datum van 9/11 nog eens wat opnamen gezien van de ineenstorting van de twin towers in New York. De mensen moeten wel gedacht hebben dat de wereld verging; het was dramatisch en apocalyptisch wat zich daar afspeelde. De Heere heeft toen gesproken door onze afgoderij in het hart te raken. Het is een roepstem geweest die niet verstaan werd. U weet toch dat Gods oordelen in de Schrift te maken hebben met akkers en plagen, met rampen in de natuur en met ziekten en oorlogen? De Heere spreekt daarin. Hij sprak in de sprinkhanen in de dagen van Joël en Hij spreekt nu in die éne bacterie die een heel ziekenhuis plat legt. Is er een kwaad in de stad dat de Heere niet doet? Deze dingen tonen aan dat de gehele mensheid door het virus van de zonde is aangetast.

Adam kreeg de taak de aarde te onderwerpen. Stel het u voor: hij stond daar met slechts de kluiten en de distels. Kijk nu eens om u heen wat die kleine mens bereikt heeft. Wat een uitvindingen en ontdekkingen zijn er geweest. Er is vooral in de tent van Lamech hard gewerkt. De mens heeft uit de aarde en uit de aardse wetmatigheden grote geheimen aan het licht gebracht. Hij heeft de maan schijnbaar onder zijn voeten en hij beheerst het aardrijk. Hij vond het wapentuig uit, dat steeds geraffineerder en venijniger dood en verderf kan zaaien. Maar zeker, hij heeft ook schone tekenen van het Koninkrijk Gods gesteld. Althans, de kerk heeft deze middelen ook kunnen gebruiken, zodat kathedralen en domkerken de grootheid van het Godsrijk uitroepen. Ware er geen zonde, dan was de mens bijna Goddelijk. Dat kan alleen in verbinding met dat andere woord uit psalm 8: "Heere, onze Heere, hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde”.
Maar de paradijsopdracht heeft het doel niet gehaald. God was er niet in. Integendeel,  techniek en vooruitgang hebben ons willen doen denken dat het geloof een achterhaalde zaak is. Kerken kwamen leeg te staan en werden overbodig. Ik was gisteren in een oude dorpskerk in het Noorden: een beroemd orgel en het kerkgebouw getuigde van eeuwenoude vroomheid en godsvrucht, maar overal in die kerk zag je een dikke laag stof; ook op de kansel. Geen geld en geen liefde meer om er nog wat aan te doen. Franca treur zit bij Kuitert op schoot en ze zijn het samen goed eens, niet alleen over Zeeland, maar ook over de grote vragen van het leven. Ze hebben samen afgesproken dat er niets is en dat moeten we nu allemaal geloven. En wat dan het ergste is: de refogemeenschap heeft interesse bij hun ervaringen.
Dus blijkt tegelijk dat het een rijk van ijzer en leem is. Het beest dat Johannes zag, had een dodelijke wond aan zijn hoofd, wat wijst op de innerlijke gebrokenheid van al die eigenwaan. Zijn hoornen zijn aan de hoornen van het Lam gelijk, maar het spreekt als de draak, als de duivel. De afgoden hebben altijd weer dit kenmerk: ze verteren hun onderdanen, zoals Moloch de vuurgod, die de kinderen verslond. En al die macht, waarover zij beschikken, is hen gegéven. We zien in onze tijd hoe meedogenloos deze goden zijn voor de volkeren en de mensen. De mens is diep ontredderd, juist door die dingen, die hij inhaalde als de wonderen van de vooruitgang. De medicijnen hebben ons eigenlijk alleen maar verzwakt; resistentie heeft hun invloed gebroken. Insecten en virussen vrezen onze macht geenszins. Het paard loopt achter de wagen van de moderne vooruitgang. Het geheel is innerlijk vermolmd en verzwakt. Dezer dagen hebt u kunnen horen dat er medicijnen zijn die zullen bewerken dat de mensen 150 jaar kunnen worden. En dan? Weer een droom van de zich machtig wanende wetenschapper die nog steeds alleen maar geloof heeft in eigen kennen en kunnen.

Europa wordt een nachtmerrie voor velen. De Slowaken moeten helpen Griekenland te redden. Een Slowaak verdient gemiddeld € 700, terwijl een Griek duizend euro per maand meer verdient. Ieder land van Europa vaart mee op een schip, dat zonder dat we het wisten, niet zeewaardig is. Het kan elk ogenblik zinken. Deze economie kan niet gered worden. Dit is nu het resultaat van de economen en de geleerden. Gods Woord komt hier duidelijk uit. Beraadslaagt een raad en hij zal vernietigd worden. Vroeger was er de dorpseconomie; elk dorp had een winkel een eigen tuinderij en een meent, en iedereen had een groentetuin. Meer was er nauwelijks. Het dorp is tot een wereld  geworden, zodat we bonen uit Egypte moeten eten en messen uit China gebruiken. De schaalvergroting was één van de afgoden, die heil zouden brengen. Schaalvergroting is in  feite de formule voor: samen staan we sterk. Enerlei spraak en enerlei volk, dat is de droom van de mens, ook nu weer. Wat geeft de Heere in Zijn Woord precies aan waar de wortelzonde van de mensheid in bestaat. 
Concreet betekent dit dat Europa er nooit had moeten komen. Maar dat is niet de eigenlijke oorzaak. Europa was ook ooit groot en sterk door de kracht van de Reformatie. Het kwaad zit niet in Europa en niet in de techniek, maar het schuilt in ons hart. De mens heeft de aarde aan zichzelf alleen onderworpen. Hij heeft het nimmer ontrukt aan de god dezer eeuw en aan de overste dezer wereld. Het staat in dat ene woord, dat gesproken werd tot Belsazar: "Die God, in Wiens hand uw adem is en bij Wie al uw paden zijn, hebt gij niet verheerlijkt”. Door de eeuwen heen heeft de kerk nooit raad geweten met dat rijk van Babel. Ze zou ook alleen maar vrede kunnen vinden in de woestijn, waarheen ze de vlucht moest nemen; omdat de Heere daar Zijn kerk zou voeden. Ontelbaar veel christenen over de gehele wereld kennen die woestijn maar al te goed. Maar wij, in het Westen, hebben met elkaar de noodzaak van die vlucht nog niet ingezien. Wat er van de kerk overblijft, komt daar ooit wel terecht. Want het teken van het beest wordt wel steeds meer opgedrongen. Het zal steeds meer zo gaan worden dat we niet meer kunnen kopen en verkopen. Maar vertel uw tiener eens dat ze straks geen blackberry meer kan aanschaffen, niet vanwege het geld maar vanwege de belangen der ziel. Kan ik en kunt u, als de vrouw van Lot, het Sodom der wereld loslaten, waar uiteindelijk haar hart bleek achtergebleven te zijn? Dat zál kunnen, maar alleen door de kracht van Gods genade. Die uitweg uit Sodom ligt voor de deur en staat te gebeuren. Dat kunt u zien op die school in Oegstgeest, waar het bestuur verklaart dat het homostandpunt van een leerkracht onverenigbaar is met de grondslagen van de ( Vrijgemaakte) school. Ik heb dit bericht met respect en erkentelijkheid gelezen. Het zou best kunnen dat onze kerk en onze zuil daar nog anders over denkt.
De schuldcrisis is aangrijpende werkelijkheid. Nu te geloven dat onze schuld bij God hoger is opgelopen dan die bij de bank. Dat is de eigenlijke crisis van Europa en de wereld. Bent u daar al aan ontdekt? De openbaring van Christus en Zijn bloed toont overduidelijk dat er betaald moet worden, maar ook dat er betaald is voor al Gods kinderen. Dat bloed is ook nu nog een middel om uw en jouw schuld te verzoenen. Laat dat nu de conclusie zijn die we verbinden aan de actuele problematiek. De echte rijkdom ligt in  het woord van de apostel: "Mijn God zal naar Zijn rijkdom vervullen al uw nooddruft”. Er is een bank van vrije genade, die zonder prijs en zonder geld kredieten verleent. Voor het eeuwige, maar ook voor het tijdelijke leven. De woorden gratis en gratia gelden in het Koninkrijk Gods!

           


Intolerantie          2011

In het Kerkblad voor het Noorden schrijft Dr. Steensma uit Veenwouden artikelen over de toenemende onverdraagzaamheid in ons land tegenover Christenen. Hij geeft hierbij ontstellende voorbeelden. Is het al zover? Je vraagt je verder af of we met elkaar deze dingen werkelijk hebben geregistreerd; het lijkt er veel meer op dat we deze tekenen niet opmerken. Hoe zou dat komen?

 Ik geef iets uit zijn artikel weer. We kennen in Nederland de stichting "Onze weg”, een stichting waarin homoseksuelen vertegenwoordigd zijn, die trachten de Bijbelste volgen in hun persoonlijke leven. Deze stichting komt niet in aanmerking voor subsidie, vanwege de verdenking dat deze christenen de betreffende gevoelens zouden willen ombuigen naar een heteroseksuele richting. "De medewerkers van de stichting werden zelfs weggezet als homogenezers” en dat zou natuurlijk volstrekt onacceptabel zijn in een klimaat van acceptatie va en indoctrinatie rond homoseksualiteit. "Verandering of verbleking van gevoelens werd bij voorbaat uitgesloten door de minister. De minister was op dit punt een woordvoerster van de tijdgeest die zich verzet tegen het Evangelie”. Er mocht vooral geen enkele smet geworpen worden op het blazoen van organisaties als het COC en op het thema zelf. Het COC lijkt zich steeds meer op te stellen als een terroristische organisatie die blinde aanbidding vergt van de afgod van de homobeweging.
Het is goed dat de aandacht gericht wordt op de stichting "Onze weg”. We mogen als christenen dankbaar zijn dat deze instelling bestaat. Ze beklemtoont dat op grond van het heil in Christus en door het werk van de Heilige Geest deze gevoelens niet bij voorbaat onoverwinlijk zijn, al gaat men daar niet primair van uit. In de huidige discussies rond dit thema heeft deze stichting het extra moeilijk. Niet alleen door maatregelen van de overheid, zoals werd aangetoond, maar ook door hetgeen vanuit Gods Woord in onze kringen tegen homoseksualiteit in stelling wordt gebracht. We moeten steeds weer beseffen dat we onbedoeld met de terechte afwijzing van homoseksualiteit ook hen pijn kunnen doen. Ook wij zouden kunnen vervallen in de fout dat we te hard oordelen over hen die hiermee worstelen. Vanwege de maatregel van de minister, als uiting van de stem van de massa, komen zij in een nog sterker isolement terecht. Laten wij hen dan in ieder geval hierin bijstaan.
Het is ernstig als een minister, die er is voor heel het volk, zulke taal uitslaat. Het zou in deze lijn doordenkend, ongewenst geacht worden als een homo zo ver kwam dat hij een vrouw zou lief krijgen. Of als een organisatie een dergelijke ombuiging van gevoelens zou willen bevorderen. De subsidie is slechts bedoeld voor acceptatie van deze gevoelens in orthodox- christelijke kring! Zo ziet onze overheid dat. Onze overheid als zedenmeester! En hoe! Daar zal zij dus ook in de toekomst alles op gaan toeleggen. In een tolerante natie, waarin vrijwel alles geoorloofd en geaccepteerd is, breekt men de staf over hen die daarover anders denken. Dat betekent: wij moeten gaan denken als het COC. Daarnaast is er geen enkel alternatief. Er is op dit terrein geen sprake van vrijheid van meningsuiting.
Steensma noemt verder ook de inperking van onderwijsvrijheid. Een schoolbestuur mag geen leraren van hetzelfde geslacht, die een seksuele relatie onderhouden, weigeren. "Langzamerhand ontstaat een patroon waarin de lijnen steeds duidelijker worden aangezet. De patroon is dat het christelijk geloof een gevaar zou zijn voor de heersende moraal in de samenleving”. Hij haalt Cliteur aan die spreekt over de theologie van het terrorisme. De waarden worden hier volkomen op hun kop gezet. Men houdt de huidige moraal in Nederland voor barmhartig en humaan, terwijl de christelijke waarden aan zouden zetten tot morele dwang en onderdrukking. Het lijkt barbarij in veler oog. Er kan een tijd komen dat christenen beschuldigd gaan worden van religieuze criminaliteit. Vandaar dat ook steeds weer de vergelijking met de Taliban opduikt. Deze organisatie doodt duizenden mensen en vergiet stromen bloed; christenen die weerloosheid in hun banieren hebben staan, worden gemakshalve maar op één hoop gegooid met terreurorganisaties. In zo’n klimaat kan het zover komen dat men meent er goed aan te doen de christenen uit te sluiten van allerlei functies en voordelen die de maatschappij te bieden heeft.
Een andere zaak die genoemd wordt, is de weigering van gemeenten om trouwambtenaren aan te stellen die bezwaren maken tegen het homohuwelijk. Ook in deze kwestie blijkt weer hetzelfde: niet Gods wet is heilig, maar de afwijking en de overtreding daarvan is heilig. We lopen hier aan tegen de moderne goden van onze tijd. Het deert ons volk niet dat er alom in de wereld velen zijn die bezwaren hebben tegen homoseksualiteit. Bij deze bezwaarden is de verlichting en de beschaving nog niet werkelijk doorgedrongen, zo meent men.
Afgoden vragen van ieder een onvoorwaardelijke gehoorzaamheid. Ons volk is tegen discriminatie, maar aspirant verplegenden die tegen abortus zijn, worden in de meeste gevallen niet meer aangenomen. We gunnen graag ieder een betaalde baan, maar als je niet op zondag wilt werken, dan wordt het lastig. We zijn voor integratie van Turken, maar Christenen worden gedesintegreerd. Vrouwen zijn geëmancipeerd en daarom discrimineren we de SGP. Men zal terstond tegenwerpen dat men niets op ons tegen heeft. Het komt alleen omdat wij iets tegen hebben op de maatschappij van Nederland. En dat in niet toegestaan. Wilders heeft wel vrijheid van meningsuiting, maar heb ik dat ook, en u?
 
Op zich is dit geen vreemd verschijnsel. Reeds in de dagen van de profeten waren er al die het kwade goed noemden en het goede kwaad. Het is de religie van Saulus, die meende Gode een dienst te doen door de volgelingen van Jezus te doden. In het oude Rome werden alle rampen die zich voordeden toegeschreven aan de christenen; de goden van Rome vertoornden zich over de volgelingen van Jezus. Waar de zaken zo liggen, zal uitleg van de Bijbelse waarden geen verandering aanbrengen. Er heeft zich in het denken van de moderne mens een noodlottige omslag voorgedaan.
Als u tegen abortus bent, omdat u treurt vanwege de vele mensenlevens die in de moederschoot worden omgebracht, zal men u hardheid verwijten. U bent dan degene die hardvochtigheid uitstraalt. U toont geen enkele bewogenheid met meisjes en moeders die ongewenst zwanger zijn. In het lustparadijs waar onze maatschappij op wil lijken, willen mensen zich uitleven, ook als dat leidt tot kindermoorden. Ik herinner hier ook aan het werk van de stichting "Schreeuw voor leven”, die de zedelijke trends in onze maatschappij aan de kaak stelt. Het is te begrijpen dat Dorenbos zich bedient van schokkende taal; dat moet feitelijk wel omdat de dingen anders niet meer tot ons doordringen.
Zo kan er een ketterjacht ontstaan zoals dat in het oude Rome het geval was. Dat ondervond ook Ds. Vlietstra die een zinsnede uit een boekje van Koelman in zijn kerkelijke brief opnam. Daarin stond het woord "kastijden”, zoals u ongetwijfeld ook al hebt gehoord. Het is ernstig als predikanten en kerken niet meer vrij zijn om in hun gemeentestukken dingen te zeggen die tegen de huidige moraal ingaan. Ds. Kempeneers ondervond dat enige tijd geleden ook.
Met deze en dergelijke vormen van inmenging zijn we in een nieuwe fase beland. Ik vermoed dat ook uitspraken op de kansel in de toekomst niet meer vrijelijk kunnen worden gedaan over heikele onderwerpen. In de Tweede Wereldoorlog stonden Duitsers en spionnen in de kerken te luisteren. In dit verband moet ook de vraag overwogen worden of het gewenst is dat alle preken zo maar op internet staan. Ik heb al eerder aangegeven dat preken bedoeld zijn voor de gemeente van Christus. Er zijn meer ongewenste effecten van deze internetpreken te bedenken.
Wat betreft het woord kastijden: het woord slaat niet alleen op lijfstraffen, maar heeft juist een klank in zich van een liefdevolle opvoeding. Het wordt immers gebruikt van de omgang va Christus met de Zijnen. Gods Woord spreekt vooral ook over het woord "tucht”. Een woord dat bijvoorbeeld bij de Inspectie voor het onderwijs ook verdacht is, zoals ik zelf eens bemerkte. Het woord heeft juist een heel mooie achtergrond: tucht is trekkende liefde. We zien dus dat er steeds meer schermutselingen zullen gaan voorkomen op de grens tussen kerk en wereld.

Hoe moeten wij hiermee in de toekomst omgaan? Er zijn christenen die zich, onder druk en onder invloed van de tijdgeest aanpassen. Homoseksualiteit wordt door steeds meerderen aanvaard (EO, CU). Deze weg is onbegaanbaar en voert steeds verder van God af. Beter is het  met wijsheid en voorzichtigheid, wel beslist, te staan voor de waarheid van Gods Woord. Dat vraagt bezinning. De RMU heeft een goed initiatief genomen in verband met de weigerambtenaar. De opkomst van apologetiek (doordenking van standpunten in verband met aantijgingen vanuit de wereld) kan een goede bijdrage leveren. Laten we verder onszelf de slachtofferrol niet aanmeten. Gods Woord heeft al deze dingen voorzegd. Lees maar over het dal Dura, over de vensters van Daniël, over de vrouw die moet vluchten in de woestijn. De Heere heeft dit alles voorzegd en dus zal Hij Zijn Kerk behoeden. De duivel vraagt altijd weer totale onderwerping van de Kerk. Romeinse christenen moesten offeren op het altaar van de keizer. Verder mochten ze zijn zoals ze waren. Maar dat ene gebaar werd afgeëist. Daar ligt de intolerantie.
Deze hele ontwikkeling kan voor de Kerk ook een zegen zijn. Voor de Kerk, zo schreef ik. Het is erg dat de wereld wegzinkt en wij met haar. Maar er zal ook iets ontstaan van geestelijke weerbaarheid, als Gods Geest hierin meekomt. We zullen meer gaan beseffen dat we als christenen elkaar nodig hebben. Deze conflicten aan de grens kunnen ons tot het inzicht brengen waarover het nu eigenlijk gaat. Dat betekent concreet: als mensen als Vlietstra en Kempeneers e.a. worden belasterd, moeten we als Kerk present zijn en dus niet de ander de kastanjes uit het vuur laten halen (wat soms ook gebeurt). Er moet een platform komen waar deze dingen gemeenschappelijk doordacht worden. Bedenk ook dat velen onder ons volk nog lang niet toe zijn aan een kristalnacht of een pogrom tegen de Kerk. Elsevier meldde het bericht uit Katwijk en dan zie je vooral twee reacties: er zijn heel agressieve en laag bij de grondse pijlen, maar er zijn er ook veel, die toch eerlijk deze dingen willen doordenken.
Wat het voornaamste is: de Heere zal Zijn Kerk voeden, ook in de woestijn. We bidden om opwekking; misschien is dit mede ook een weg daartoe. Zoals we als kerken nu in de maatschappij staan, kan het feitelijk niet doorgaan. De huidige stijl vraagt heel wat meer slachtoffers dan tijden waarin de dingen moeilijker worden. Ook de wereld kan ermee gebaat zijn. Beter dan allerlei drempelverlagende activiteiten kan de aandacht, die vanzelf ontstaan zal voor het Koninkrijk Gods, juist wijzen op de enge poort. Die poort zal toch meer overtuigen dan uitgesleten drempels. Geen mensenkind kan dit aan in eigen kracht. De Heere alleen kan ons bewaren. Want: "niemand zal ze uit Mijn hand rukken”.

 

Islamisering          2011

Volgens Wilders gaan overal in Europa de lichten uit. Dat klinkt bijna profetisch. Hij is echter geen profeet. Ook wij moeten erkennen dat het in Nederland en in Europa niet goed gaat. Maar hopelijk willen we daarin de maatstaf van Gods Woord laten spreken. Dat neemt niet weg dat Wilders’ uitspraak stemt tot nadenken.

de politiek

Iedereen beseft dat het niet goed gaat met ons werelddeel. De schuldenlast van de EU is enorm, de euro is zwak en meerdere landen bezwijken bijna onder de hoge staatsschuld. Wilders bedoelt het nog weer anders. Hij denkt dat de Islam de grootste bedreiging vormt voor Europa en dus ook voor Nederland. Hij merkt daarbij op dat er ook in meerdere landen een multiculturele elite is, die de moslims omarmt. Onze gewesten worden volgens hem uitgeleverd aan een uiterst gevaarlijke dreiging.
Deze gedachten spraken me aan omdat ik zelf al wat nadacht over deze ontwikkelingen. De stand van zaken is zo, dat er overal in de wereld door moslims campagnes worden opgezet tegen christenen. Denk aan de Kopten in Egypte, aan de zware vervolgingen in Afghanistan, aan landen als Iran en Irak; een christen is in een Islamitisch land zijn leven geen ogenblik zeker. Dat is des te ernstiger omdat de manier waarop mensen vermoord worden, een extra portie weerzin toevoegt aan de afschuw die er toch al bestaat tegen deze misdadige praktijken. Christenen worden werkelijk afgeslacht! Ik behoef hiervan geen voorbeelden te geven want de krant meldt ons dit alles dagelijks. Dat bewijst het bestaan van een diepe haat en een grote moordzucht. We moeten niet vergeten dat er ten tijde van de Reformatie al een reële bedreiging was van de kant van de halve maan. Luther heeft hier het Lutherlied mede op geïntoneerd.
Volgens Wilders is er een multiculturele elite in Nederland en elders, die er op uit is om de Islam in het zadel te helpen. Dat is dan heel duidelijk het geval bij het linkse politieke blok in ons land. Cohen is  een voortrekker van deze gedachte. Halsema verklaarde kort geleden dat haar strijden voor moslims mede wordt geïnspireerd door haar ideaal dat het christendom daardoor zou worden  ondermijnd. Dat moeten we goed vasthouden. Deze mensen hoort u nooit over christenvervolgingen elders en u hoort hen ook nimmer een goed woord spreken over de christelijke religie. Integendeel, men wil hier het christendom zoveel mogelijk uitrangeren en aan de kant schuiven. Helaas moeten we constateren dat ook binnen het CDA deze gedachten breed leven. Van Agt is een groot tegenstander van Israel en daarom denkt hij pro- Arabisch. Maar ook anderen schreeuwen moord en brand als er iets ten nadele van de immigranten uit het Oosten wordt gezegd. Men richt zich vooral tegen iemand als Wilders en wat betreft zijn stijl en zijn woordgebruik is dat ook terecht. Maar er ligt wel waarheid in die gedachte van die multiculturele elite.
Als ik nog een stap verder ga, dan denk ik aan Reformatorische christenen. Ook daar leeft bij velen een veel te vriendelijke houding ten opzichte van de Islam. Dat kan steunen op heel goede argumenten. Ook de Bijbel zegt ons dat we de vreemdeling goed gezind moeten zijn. We moeten wel doen aan allen. Vluchtelingen vanwege onderdrukking en geweld moeten bij ons welkom zijn. Maar we vergeten daarbij toch wel andere Bijbelse overwegingen die ook recht van spreken hebben. Jammer dat het iemand als Wilders is, die zich op zijn geëigende manier bezig houdt met dit belangrijke thema. Maar als iemand dit thema zou bespreken op een heel milde en softe manier, dan zou de invloed gering zijn en zouden deze denkbeelden bij voorbaat direct stranden. Juist door de schreeuwerige manier van Wilders spreekt hij een groot deel van ons volk aan en krijgt hij op deze manier invloed.
Het is een meten met twee maten als we hier sympathiek willen staan tegenover Moslims terwijl de Moslims onze broeders in andere landen trachten uit te roeien. Dat is mijn hoofdstelling. In Nederland loopt iedereen te hoop in de politiek, als het gaat over de hoogte van een minaret, terwijl in veel Moslimlanden de kerken in brand worden gestoken en christenen worden gedood. Verkwanselen we op die manier niet de grote kracht van het Evangelie van Jezus Christus en leveren we het dan niet uit aan de vijand? Verloochenen we niet de bloedige strijd die de Kerk in andere landen moet strijden tegen deze machten? Kan het zijn dat de vervolgde christenen zich door ons in de steek gelaten voelen? Onderkennen wij het gevaar dat ook onze gewesten eerlang in het bloed gewenteld zullen worden, "tot een voedsel voor het vuur”? Zal de Heere ons onze dwaasheid niet eenmaal verwijtend voorhouden dat we hier hebben meegedaan aan het heulen met hen die de slachtschapen Christi hebben gemarteld en gehaat? Hebben wij wel genoeg gedaan om één van deze minsten een beker koud water te geven? We sluiten hier vrede met de grootst mogelijke terreur die zich richt tegen de zaak van Christus.
Maar kunnen we wel spreken van terreur, zo vraagt u? Het is onmiskenbaar dat overal Islam en terreur samengaan. U zult nergens ter wereld voorbeelden vinden van christenen die uit eigener beweging naar de macht grijpen en te vuur en te zwaard anderen willen doden. Het christelijk geloof heeft een volkomen tegengesteld programma inzake de benadering van andersdenkenden. Maar u moet, als we spreken over de Mohammedanen, verschil maken tussen de mensen en tussen de leer. Natuurlijk kunnen er aanhangers zijn, die zich vreedzaam gedragen met anderen. Maar de sluimerende kiem van haat en oorlog lijkt toch overduidelijk aanwezig in de strategie van de Islam.

Gods Woord

We moet aan Gods Woord gedachten ontlenen als het gaat over deze grote tegenstelling, die onze wereld beheerst.
De Heere Jezus heeft ons gewaarschuwd voor de valse profetie en voor de valse religie. Valse religie heerste al binnen de grenzen van het eigen volk; laat staan als we spreken over andere landen. Grote delen van bijvoorbeeld het CDA zullen mede geïnfecteerd zijn door de gedachte dat elke religie wel goede dingen heeft. Dus zijn ze allen in principe gelijk. Gods Woord spreekt van een absolute tegenstelling. Hoe stond Paulus op de Areopagus? De Grieken botsten op hetgeen hij hen voorhield. Het kenmerk van de waarheid is het geloof in Christus, de weg der zaligheid uit genade. Alles wat daarbuiten ligt, mist het zicht op waarheid en verlossing. Het pleit meer voor de kerk in Moslimlanden dat zij vervolgd worden dan voor ons in het vrije Westen dat wij een pact sluiten met de maatschappij en met de leugen. En nu is het zeer terecht als we bewogen zijn met de zielen van hen die dwalen, maar dan hebben we het toch over bekering, die zowel voor ons als voor hen nodig is. Dat is een andere weg dan dat we ons laten meevoeren met de gedachten van de massa dat het allemaal zo’n vaart niet lopen zal. Er ligt een kloof , met de Islam, met de maatschappij, met de huidige politiek.
Dit is de absolute tegenstelling, die gezinnen, steden, volkeren en landen verdeelt.
Daarnaast moeten we toch ook bedenken dat de Heere de grenzen der volkeren heeft vastgesteld. Ik begrijp nauwelijks dat deze overweging nooit tot haar recht komt in onze discussies. Israël moest alleen wonen in Kanaan; vermenging met de andere volkeren leidde strijk en zet tot afgoderij. Ja, maar de situatie is nu toch heel anders? Dat is waar. Het Christendom is geen staat temidden van de staten; dat is wel zo met het Vaticaan. Daar heerst de gedachte dat de paus wel een eigen staat moet hebben, anders zou er een aardse macht over hem en de kerk heersen, wat voor Rome een onmogelijke gedachte is. Men denkt zo: om de schapen te kunnen weiden, moeten we als kerk macht hebben over de wolven. Protestantse kerken zijn heel de wereld door echter onderdelen van landen en staten. Hoewel we de geboden voor de mensheid maar ten dele kunnen bevorderen, moet innerlijk  onze houding wel bepaald worden door het Woord van God, of dat nu kan of niet. De Heere gaf de grenzen. Het argument voor immigratie is dan altijd dat we de gastarbeiders zelf binnen gehaald hebben. Dat schept zeker wel verplichtingen, maar dat geldt dan hen die hier een plaats hebben. En zijn deze verplichtingen dan zo verregaand, dat we deze mensen moeten naturaliseren en financieel rondom in alles schadeloos moeten stellen? Denk hier aan gezinshereniging en aan de verregaande financiële tegemoetkomingen, met als gevolg fraude en misbruik? Het is niet onterecht dat dit kabinet maatregelen neemt tegen wildgroei op dit terrein.
Er zijn er, en dit ten derde, die de grote waarde zien van onze eigen Joods-christelijke cultuur. Dat is heel wijds en ook vaag aangeduid. Maar zeker heeft het Christendom in Europa diepe sporen getrokken en moeten we daaraan geen voorrang verlenen? Zelfs Wilders stelt dit. De Reformatie inzonderheid heeft ons werelddeel gestempeld. Het is waar dat Nederland zich daarvan afkeert. Ook andere landen doen dat, zoals Engeland, waar de kerk ook moeilijke tijden tegemoet denkt te gaan. Maar bij onze Oosterburen ligt dat weer wat anders. Daar heeft de kerk vanouds toch een meer algemene betekenis en lijken overheid en volk sympathieker te staan tegenover de kerk. Ook al gaat de kerk verdwijnen in Europa, wetgeving en beschaving zijn mede bepaald door Gods Woord. Daar zetten we ons voor in. In deze gedachtegang vormt de Islam een regelrechte bedreiging. Zijn we dan bang? Men verwijt de kerk wel dat ze bang is in deze tijd. Bang voor allerlei tegendraadse bewegingen. Maar bent u er dan nìet bang voor? Voor de demonische machten van deze dagen? We behoren toch onze zaligheid te werken met vreze en beven?
Ik denk nog aan een andere factor. Paulus heeft het over de geestelijke boosheden in de lucht, de machten en de overheden (Ef.6:12v; Coll.2:15). Dat wijst op een geestelijke strijd. Het gaat niet om een strijd tegen vlees en bloed, tegen mensen, tegen Islamieten, nee, het gaat om een veel ernstiger gevecht, namelijk de strijd tegen de duivelse machten tot zelfs in ons eigen leven toe. Satan hult zich in het kleed van ongeloof, maar ook in dat van bijgeloof. Hij bedient zich van ideologieën en machtsblokken. Mensen zijn gelukkig geen duivelen, maar we kunnen als mensen, ook u en ik, wel gebruikt worden als een middel om demonische plannen door te voeren.
En staan wij nu in deze strijd? Aan welke kant strijden wij? Ik kom terug bij mijn uitgangspunt.

Wilders is geen profeet. Ook hij kan heel duidelijk gebruikt worden voor antichristelijke manipulaties. Hij is ook geen christen. Als hij nu al zegt dat in Europa de lichten uitgaan, dan moeten wìj des te meer oog hebben voor de machten der duisternis die overal opgang maken. Als hij dat nu roept en de kerk is er blind voor, dan zouden we wel heel diep gezonken zijn. Daarom heeft zo’n bericht ons toch wel veel te zeggen. Er is maar één Licht in deze wereld en dat is Christus. Zijn zaak staat er in Europa en in Nederland zeer zwak voor. Dat geldt van Den Haag en van Hilversum. Als er Ufo’s zouden leven onder ons en als ze de centrale knooppunten zouden bezetten, dan zouden we groot alarm slaan. Het is te vrezen dat geestelijke machten en structuren ons volk in hun greep hebben. Paulus streed daartegen en strijden wij met hem? Dan hebben we de geestelijke wapenrusting nodig. Daarom hebben we echte profetie nodig. Echte profeten op Sions muren! Dan denken we niet mee met de trendsetters, maar dan waarschuwen we als we het gevaar zien komen. In ootmoed en in schuldbesef. "Profeet, sta op, profeet, ga profeteren, want eer Ik weer als Rechter wederkom, zal zich Mijn volk geheel tot Mij bekeren”.

          

JUBILEUM          2011

We verheugen ons met het RD in het veertigjarig jubileum, dat dezer dagen werd beleefd.
Veertig jaar door de woestijn van dit leven, met alle mogelijke voorvallen die ook destijds het volk van Israel beleefde op weg naar Kanaän. Omdat het dagblad zo nauw verbonden is met de kerkelijke pers, mogen we enige aandacht aan dit jubileum niet overbodig achten.

Veertig jaar terug werd de noodzaak van een echt christelijke pers alom gevoeld. De Reformatorische gedachte als maatschappelijk verschijnsel was nog niet in beeld. De zuil bestond nog niet. Tot die tijd waren we redelijk tevreden met de diverse christelijke instellingen. Dat gold ook van de kranten uit die tijd. Lange tijd was de Rotterdammer (en ook Trouw) in mindere mate mede bepalend voor onze kerkelijke gezindte. Het was de tijd dat onze predikanten, ook van Bewaar het Pand, voor de NCRV microfoon spraken.
Maar dat veranderde. Het RD werd als een wonder van God geboren, toen daar de noodzaak toe ontstond. Over het algemeen heeft het RD saambindend gewerkt, al kreeg het ook te maken met de verschillen tussen de bestaande kerken in onze kring. Mensen uit onze kerken hadden wel eens het gevoel dat ze niet altijd helemaal zuiver geacht werden.
Er is heel veel reden tot dankbaarheid over hetgeen de Heere ons in ons dagblad heeft gegeven. Ds. L.H. Oosten heeft daar ook op gewezen. Hij sprak over de woorden van de Heere Jezus dat de kerk een zoutend zout moet zijn. Daarbij attendeerde hij ook op gevaren van een innerlijke afzwakking. De verslaggever heeft daar eerlijk over geschreven. Het is begrijpelijk dat deze zorg leeft. Die zorg moet overigens altijd en in alle omstandigheden leven. Naar mijn voorzichtige inschatting is het zo dat er ook directe aanleiding is om bezorgd te zijn over de toekomst van het RD. Ik knoop mijn opmerkingen graag vast aan wat hij die dag gezegd heeft. Het zou te prijzen zijn als directie en redactie (van het RD en van het gezinsblad Terdege) ook zouden willen  handelen naar de gesproken woorden en de gegeven raad.
Is er dan reden tot acute zorg? Waarover moeten we in deze dagen niet bezorgd zijn, is mijn wedervraag. Ik wil als vertegenwoordiger van mijn generatie de vraag dus bevestigend beantwoorden. De oudere lichting weet van de oprichting van het RD en bijvoorbeeld ook van die van de EO. De oprichters van deze omroep werden gedreven door principieel Bijbelse motieven. Maar de koers van de omroep is radicaal en drastisch veranderd. We voelen ons er niet meer bij thuis. Gelukkig is dat met het RD niet in die mate het geval. Toch is er op afstand misschien wel sprake van een volgbeleid, een parallellie tussen de beide genoemde organisaties.      
In veertig lange jaren kan er veel veranderen. In de Richterentijd was dit aantal jaren cruciaal en nam het verval telkens weer opnieuw in die periode toe. Daarom zijn ook nu  deze veertig jaren een principiële beschouwing meer dan waard. Het gaat immers om het blad dat dagelijks in onze gezinnen verschijnt.
Ik noemde mijn generatie. Ik kan mij voorstellen dat latere generaties anders in het leven staan. Dat gebeurt op een manier die mij als oudere enerzijds een groot gevoel van erkentelijkheid geeft. Ik neem het ook in kerkenraden waar. Jonge mensen zijn ijverig bezig met de geestelijke dingen. Zij doen heel veel wat de ouderen laten liggen. Zij missen de feedback die wij wel met ons meedragen; dat behoeft lang niet altijd een  gemis te zijn. Ook ik en wij als ouderen moeten ons onderzoeken op deze punten en zeker ook van ons geldt dat wij afgeweken zijn. Jongeren willen luisteren naar het Woord en men wil tegelijk midden in de maatschappij staan. Maar deze generatie heeft wel een andere bagage. Ik zou het kunnen aanduiden met een gebrek aan ankers in de Gereformeerde Belijdenis. Deze is al lange tijd in het geding. Zodanig dat ik mij soms nauwelijks kan indenken dat er niet herhaaldelijk mensen bij de noodrem staan omdat de trein een verkeerde wissel heeft genomen. Dit geldt niet alleen van de Pers, maar evenzeer van andere Reformatorische instellingen. In de kerken komen we hetzelfde verschijnsel tegen.
Ik noemde als voornaamste oorzaak een zeker gebrek aan kennis van de Belijdenis. De kwaal zit echter nog dieper. De innerlijke beleving, het werk van de Heilige Geest, is op de achtergrond geraakt. Dat is rechtstreeks de schuld van onze generatie. Het is geen verwijt aan de jeugd.

De grenzen van onze gezindte worden overschreden. Ik begrijp dat er geïnformeerd moeten worden. Maar hoe doen we dat? Hebben wij iets met de een of andere citypastor uit een van de grote steden die wellicht geen enkele affiniteit heeft met de drie formulieren? Moet ik op de hoogte zijn van alles wat er in de evangelische beweging gebeurt? Er komen herhaaldelijk scribenten aan het woord, die buiten onze einders leven en denken. Vooral in de rubriek "Opinie” worden allerlei meningen geuit, die vragen oproepen. Zodoende wordt men een open gemeenschap. We spreken met de vijanden in de poort, alleen, het zijn geen vijanden meer. Ik heb het hier niet over mensen, maar over gedachten en visies. Was het echter altijd maar een zodanig spreken in de poort. Vele malen gebeurt dat wel. Maar vaak gebeurt dat ook niet. Gedachten van anderen mogen breed uitgeleverd worden, maar er dient wel een kritische visie bij ontwikkeld te worden. Er moet meer geïnvesteerd worden in de Gereformeerde belijdenis en in de betekenis van bevindelijke geloofsbeleving. Hoe komt het dat er, ook binnen kerken als de Gereformeerde Gemeenten,  zoveel mensen overgaan naar vrije groepen? Het heeft mede z’n oorzaak in het bestaan van EO en, op afstand, ook van het RD. Het gevoel leeft bij meerderen dat mensen uit Evangelische kringen erbij horen. Het gaat er niet om te beweren dat zij er niet bij horen, maar het gaat te ver om het tegendeel dan maar aan te nemen. Dat alles zou niet zo ernstig zijn als we hiermee niet de hoge waarde van onze Belijdenis zouden kwijtraken. De brede journalistieke vleugels worden uitgeslagen, maar we moeten oppassen dat onbedoeld informatie niet leidt tot verkapte propaganda. Het is bekend dat deze moderne denkwijze leeft onder onze gezindte en dus moeten we aannemen op grond van de resultaten dat deze visie ook binnen onze organisaties leeft. Ik heb al eerder het woord van iemand aangehaald die zei dat binnen een aantal jaren een organisatie zich kan richten tegen de uitgangspunten van de oprichters van die organisatie. Deze klachten leven ook ten aanzien van het onderwijs. Ik teken hierbij nog aan dat het officiële beleid deze ontwikkeling niet nastreeft, maar het is de vraag in hoeverre de directie de medewerkers kan houden aan het beginsel. 

Wat betreft ons dagblad hebben deze geestelijke bewegingen ook nog een bijkomende oorzaak. Er was destijds in mijn gemeente Damwoude een oudere broeder die heel markant en authentiek nadacht over kerk en maatschappij. Jan de Vries, bij sommigen uit onze kring vast wel bekend. Hij overleed enkele jaren geleden. Ten aanzien van de krant merkte hij op dat deze in omvang veel te groot en te uitgebreid was geworden. Wie hierover nadenkt, zal moeten toegeven dat deze gedachte grond heeft. Een grote krant brengt veel omhaal met zich mee. Veel personeel, een grote organisatie, allerlei zakelijke beslommeringen, ongewenste vermeerdering van wetenschap als een smartende zaak (Pred.1:18), een te hoge abonnementsprijs. Ook veel artikelen en veel pagina’s. Deze gedachte, in combinatie met de genoemde geestelijke oorzaken, wordt zichtbaar in het idee dat alles wat er gebeurt, nieuws is. Het is de vraag of het de taak van een dagblad is om zoveel opiniërende artikelen aan te leveren. Ik zelf heb de krant dagelijks niet veel langer in handen dan een goed kwartier. U begrijpt dat ik daarom meen dat veel ballast de kolommen vult. Pagina 1 en 2 brengen me al een heel eind. Als ik ook mag wijzen op positieve artikelen dan denk ik aan de ook ruim aanwezige vermeldingen van het Puritanisme en de bespreking van opbouwende Gereformeerde literatuur. Verder is het regionale nieuws voor de meeste lezers interessanter dan allerlei overige feiten. Het kan en mag wat minder zjn. De maatschappij is grootscheeps bezig met afslankstrategieën en bezuinigingen. Misschien is het een goed idee dat ook de RD-Holding daar eens over nadenkt. Overdaad schaadt.

Op de moderne Areopagus is het nog steeds zo dat men graag iets nieuws hoort of spreekt. Op de katheders aldaar staan zowel de Telegraaf als Bewaar het Pand en nog vele anderen. Ieder tracht op zijn eigen wijze informatie te verschaffen. Ook ik ben mij bewust dat mijn schrijven dat doel dient. Het is voor ons de vraag of we tussen de Atheners in staan of dat we ons beeld vinden in die ene profeet, die zich uiteindelijk keerde tegen heel het gewoel van de stad en haar geleerden. Athene streed met hem; er staat eigenlijk dat zij botsten met hem.
Paulus ging heel bijzonder te werk. Hij trachtte zoveel mogelijk in hun wereld in te dringen. Het leek er zelfs op dat hij de dienst van God zo maar een plaats gaf temidden van de Griekse goden. Hij toonde zich bekend met hun dichters. Dat alles leert ons dat we moeten staan in de cultuur van deze tijd. Maar gaandeweg werd dat anders. Hij probeerde zijn hoorders over de grens te trekken van bijgeloof tot geloof. Dat was bij de apostel drijfveer en hartstocht. Daarvan was hij diep overtuigd tot in het merg van zijn ziel. Hij durft op die plaats te zeggen: "God dan, de tijden der onwetendheid overzien hebbend, verkondigt nu alle mensen alom dat zij zich……. bekeren. Daarom dat Hij een dag gesteld heeft waarop Hij de aardbodem rechtvaardig zal oordelen door een Man, Die Hij daartoe verordineerd heeft”(Hand.17:30,31). Eerst strijden de wijsgeren met hem, nu strijdt Paulus met hen en zijn de rollen omgekeerd.
Zijn wij met elkaar ervan overtuigd dat we staan en strijden voor de waarheid der Schrift en voor Hem Die de Waarheid is? Niet om te strijden ter wille van de strijd, maar omdat de Atheners het zijn die dringend een antwoord nodig hebben. Wat Paulus zegt is anders dan wat er in onze tijd meestal wordt gesteld op de scheidslijn van kerk en wereld. En daarom bleef het op de Areopagus maar beperkt tot een heel kleinschalige operatie. Het liep niet goed af en er kwam geen applaus. Deze Atheense filosofen hebben echter in de loop der eeuwen toch, ondanks Paulus, grote schade toegebracht aan de loop van het Woord. Telkens weer werden allerlei gedachten van Aristoteles en Plato zichtbaar in de ingewanden van de christelijke kerk. Het Doperdom waar ik het de vorige keer over had, kwam rechtstreeks uit deze hoek. We moeten dus niet vreemd opkijken dat ook nu de wereld midden in de kerk aanwezig is. Zeker in kringen zoals de Pers waar men opereert op het snijvlak van kerk en wereld. Paulus liep niet mee. Maar hij kwam ook niet tot een compromis. Hij hield zijn kruit droog en zijn blazoen bleef onbezoedeld. Dat is ook nu nog van grote betekenis.
Dit artikel is bedoeld om mee te denken met hen die midden in de maatschappij staan. We mogen blij zijn dat de zorg om het Woord des Heeren ook binnen de verschillende organisaties leeft. Ezra moest de tempelschatten vanuit Babel afleveren in Jeruzalem. Bij die gelegenheid werd alles nauwkeurig gewogen (8:34). Eenmaal weegt de Heere onze geestelijke bagage. Gods Kerk leert dit hier te doen. Want het gevaar was er toen dat men tijdens de lange reis door rovers onderweg werd overvallen of dat er iets verloren werd van het goud van de dienst des Heeren. Die gevaren zijn er ook nu. Goud moet goud blijven. Geen koperen schilden in plaats van de  gouden schilden uit Salomo’s tijd. Moge de Heere eenmaal tegen u en mij kunnen zeggen: "Gij hebt kleine kracht; en ge hebt Mijn Woord bewaard”. Houd wat ge hebt!
 
       


MEDIA           2011

In de Waarheidsvriend schreef dr. J. M. de Vries enkele opmerkelijke artikelen over mediagebruik. Hij is bijzonder hoogleraar reformatorische wijsbegeerte aan de TU te Delft. In zijn artikelen geeft hij een waardevolle bijdrage aan de discussie rondom Televisie en Internet. Zijn gedachten cirkelen rond de polen van onthouding en selectief gebruik.

Ik heb zelf al meermalen gewezen op een merkwaardige omslag die de Gereformeerde Gezindte maakte rondom de media. Toen de Tv kwam, werd onder ons het pleit gevoerd voor onthouding. Niet dus: doe dat ding dan uit, maar: doe dat ding er uit. Er waren in onze kerken ook genoeg mensen, die meenden dat de weg van onthouding niet begaanbaar was. Maar er waren en er zijn anderen, die geen Tv in huis hebben. De bedoelde omslag kwam toen het Internet zich aanbood. Eerst kwam de computer; geen enkel bezwaar, want het was in principe bedoeld als een handige bureau- hulp. Een prima tekstverwerker. De pc werd kritiekloos aanvaard.
Maar het wereldwijde web volgde. De pc bleek een poort te zijn tot de achterliggende wereld. En wat voor een wereld. De Tv werd aan alle kanten ingehaald door Internet. Veel meer mogelijkheden. Interactief gebruik. Veel informatie. Toenemende snelheid. Maar buitengewoon veel pulp en vuiligheid. Alles wat er aan verwording in de wereld te vinden is, staat op Internet.
De ongedachte omslag heeft zich voltrokken: vrijwel niemand pleit voor onthouding inzake internet. Destijds gebeurde dat wel ten aanzien van de Tv. En dat gebeurt ook nu nog. T.a.v. Internet echter een algemene aanvaarding, met het standpunt dat we selectief moeten gebruik maken van het medium. Wat betreft de Tv zeiden we: een zondig mens kan niet onderscheiden en bestand zijn tegen de verzoeking. Hij neigt naar het kwade. Denk aan het aansprekende artikel van Ds. Hoefnagel (vorige nummer). Die geestelijke en Bijbelse instelling hebben we nu  massaal verlaten: in plaats van onthouding is er nu de selectie.
Dr. De Vries geeft aan dat hij thuis zich van beide instellingen onthoudt: geen Tv en geen Internet. Dat is opmerkelijk. Kan dat nog wel? De Vries zegt er geen moeite van te ondervinden. Op zijn werk maakt hij wel gebruik van Internet. Thuis niet. Dat zette mij ook weer aan het denken. De conclusie is aangrijpend en ernstig: we zijn een grens gepasseerd en we kunnen niet meer terug. Dit geldt vrijwel de gehele Gereformeerde Gezindte.  Dat is nog het meest opmerkelijke!

Ik volg nog eens even de historische ontwikkelingen. Eerst kwam de Tv. Deze werd door onze gezindte afgewezen. En dat was terecht. Achteraf kunnen we eerlijk vaststellen dat dit medium in gezinnen en kerken een sloopproces heeft ingeluid. De Vries noemt als bezwaren: de slechte inhoud, de beeldcultuur en de verslavende invloed. Grote risico’s  voor jonge mensen, maar evenzeer voor ouderen. Aan deze bezwaren zijn nog toe te voegen: sociale verarming (van het gezin), tijdrovend karakter (minder tijd voor andere dingen) en verwereldlijking van ons denken (reporters worden de nieuwe goeroes; we gaan denken zoals de NOS dat wil). En als Knevel en van de Brink het zeggen, moet het wel goed zijn.
Toen vervolgens de pc binnenkwam, werd dat een mooi stuk speelgoed voor onze gezindte, die immers geen Tv bezat. Hier konden we neutraal mee omgaan. Ik weet nog hoe ik destijds zelf besloot een pc aan te schaffen. Ik had eerst iets anders geprobeerd: al schrijvend met de vulpen mijn preken bewerken; ik ruimde ook mijn typemachine op. Handwerk is immers het mooiste wat er is. Het handschrift is een stukje ambacht tegenover de onpersoonlijke stijl van de machine. Toch kwam uiteindelijk de pc er, ook bij mij.
Ik had er wel oog voor, dat ook de computer op zich een gevaarlijk apparaat was. Omdat de techniek op zichzelf een gevaar behelst. Ik zei dat ook wel in mijn preken, maar ik herinner me over het algemeen dat slechts weinigen dat met me eens waren. Dr. F. de Graaff heb ik in dit verband wel eens aan u voorgesteld. Hij zag in dat de techniek op zich niet neutraal is. Als je zei dat de pc de mens zou overvleugelen, lachte iedereen je uit. Nee, de mens blijft baas. Wat eruit komt, stop je er eerst zelf in. Dat klonk geloofwaardig, maar dat was het niet. Het simpele rekenmachientje werkt eraan mee, dat een deel van uw hersenen verroest. U rekent niet meer; onze kinderen kunnen slecht rekenen, zo is gebleken.  Maar van lieverlee is de pc de meeste van uw denkfuncties gaan overnemen. U denkt over een groot aantal zaken zelf nog maar  sporadisch na. Welk proces veroorzaakt dat in uw hoofd?
De robot zal de mensheid overheersen. Dit is een reëel scenario voor de toekomst. U wordt een verlengstuk van uw pc. U bent uw vrijheid op dat gebied kwijt: uw programma’s op de pc sturen uw handelingen. Dit risico hebben we niet voldoende ingeschat.
Met Internet echter werd het daarna pas echt ingewikkeld. Konden we dit nieuwe medium accepteren? Men zei dat dit wel móest, want op het werk maakten we er al gebruik van. En er is zoveel moois te zien. Een stroom van informatie. Een wereld van gemak. En je kunt er een heel goed gebruik van maken. Studenten kunnen er niet meer zonder. Maar de huismoeder natuurlijk ook niet. Ik zou de volgende trefwoorden willen verbinden aan deze elektronische ontwikkelingen, zowel van de pc alsook van Internet. a/ snelheid (een pc moet steeds sneller werken; zo worden we mee opgejaagd). b/ communicatie (we kunnen met iedereen chatten en we hebben een schare van vrienden erbij). c/ informatie (zowel over God als over de duivel). d/ gemak (we kunnen overal komen, zonder uit onze stoel te hoeven opstaan). U kunt al deze ontwikkelingen ook van toepassing achten op uw mobiele telefoon, zowel van de uwe als in sterkere mate, van die van uw kinderen. Veel jongeren hebben open Internet.
Denk hier met mij iets dieper over na:
Ad a (snelheid): de pc wordt al maar sneller. Met het gevolg dat velen het snelste programma willen hebben. Dat kost heel veel geld. Maar, omdat de pc voor velen een verslindende afgod is, geven we veel geld uit. Je zit in de trein en je moet mee. De snelle pc is een opjager van de bovenste plank.
Ad b (communicatie): Internetverkeer biedt een schat aan contacten. Jongelui weten dat op z’n best. Maar ook die man of die vrouw, die beleven dat deze vormen van vriendschap een grens passeren, zodat het huwelijk op de klippen loopt of kan lopen. Er zijn voorbeelden van. Ik vestig nadrukkelijk de aandacht op deze vorm van modern internetverkeer. Natuurlijk kun je er best heel veel moois aan beleven. Je voelt je eigenlijk nooit meer eenzaam. Er zijn jongelui die altijd in beeld zijn (online). Predikanten zijn actief op allerlei sites en behandelen daar belangrijke levensvragen. Daarmee helpen zij jonge mensen. Dat is prachtig. Ons kamerlid Dijkgraaf zou er nooit aan beginnen, zei hij, maar hij zag er zoveel mooie dingen van, dat ook hij online is gegaan. Daar is geen kwaad van te zeggen.
Toch moeten wij ons gaan afvragen of we op deze terreinen niet op hol slaan. Ik denk dan vooral aan sites als Hyves, Facebook enz. Je zou de stelling kunnen verdedigen dat de dameskrans van vroeger haar vleugels wereldwijd heeft uitgeslagen. Is dat zo goed? Vroeger noemden we allerlei dingen roddelen, nu heet het chatten. Ik weet voorbeelden van mannen die in hun digitale vriendenkring allerlei jonge meisjes hebben opgenomen. Welke invloed heeft dit alles op relaties? Waarom moet ik weten wat Rouvoet dacht toen hij vanmorgen opstond? Of van der Staaij? Waarom moet en mag nu wereldwijd bekend gemaakt worden hoe de een of ander over die dominee denkt (met naam en toenaam). We hebben immers ook een Refoweb! Is het isolement doorbroken, of is het isolement feitelijk versterkt? Wanneer ontmoet je een vriend nog écht? In levende lijve, één op één?
Ik hoor collega’s zeggen dat zij een wereld van mogelijkheden zien voor het pastoraat. Ik geloof dat en neem het graag aan. Toch zou ik, met alle waardering, enkele kritische vragen kunnen stellen. De voornaamste: is de eigen dominee thuis in de gemeente niet de eerst aangewezene voor jonge mensen? Onlangs bleek nog dat zowel het georganiseerde jeugdwerk alsook de jeugdouderling weinig bijdraagt aan het welzijn van de jeugd. Dat was resultaat van een onderzoek. De gewone catechisatie moet het doen. Dat geloof ik ook. De eigen dominee is dè pastor voor de jeugd. Hij wil dat ook graag zijn! Waarom dan de digitale herder? Misschien omdat die je begrijpt en het zo goed verwoorden kan? Zijn dat echt goede motieven? Mijn woorden zullen heel veel protesten oproepen, maar ik troost me dan maar met de gedachte dat ook ik mag mee discussiëren op mijn manier. Ik wijs op het gevaar van de uitwassen, in het besef dat er ook veel goeds is. Maar maakt dat laatste het nu juist niet moeilijk? Er is ook veel goeds. Pas dat principe nu eens toe op de Telegraaf: er staan immers ook wel goede artikelen in. Of zeg nu: in de RK kerk zijn ook goede dingen. In dat geval trekken we een andere conclusie. We moeten gaan nadenken over de vraag van Jakobus: "Welt ook een fontein uit dezelfde ader het zoet en het bitter?” (Jak.3:11). Inderdaad een moeilijke tekst, voor ons allemaal en op ieder terrein. Ik zou er nog niet over kunnen preken. We moeten hierover op z’n minst eens nader gaan nadenken.
Ad c: een schat aan informatie. Ik maak daar op beperkte schaal ook gebruik van. Ik ervaar dit als een plus. Maar, gisteren las ik nog dat de meeste mensen zo maar, zonder iets te zoeken, surfen, urenlang. Overal informatie. Waarom moet u dat allemaal weten? Waar zijn de grenzen? Bijbelse informatie wordt steeds oninteressante. Welke informatie bedoel je? Ik had het in dit verband al over God en de duivel. Er zijn mooie sites over bijvoorbeeld de Puriteinen. Maar we hadden deze toch al in boekvorm? U gaat ze niet uitgebreid op Internet lezen. Dan grijp je toch naar het boek. Wat hebben verder kerken en gemeenten mooie sites. Dat vind ik zeker. Hulde aan hen die daar talenten ontwikkelen. Maar voor wie doen we het? Er zal zeker zegen vallen en de Heere gebruikt het vast en zeker. Maar hebben we dit persé nodig? Kunt u ook enkele nadelen bedenken? Het vakje "favorieten” vullen sommige mensen met dominees. 
Maar dan de informatie van de duivel. Daar kan ik geen einde of begin in vinden. De stroom is onafzienbaar. Een enorme bedreiging voor onze jeugd. Zeker omdat er geen filter is op de black berry en omdat veel ouders het absoluut niet vermoeden waar hun kinderen aan bloot gesteld worden.
Ad d (gemak): We shoppen via internet, we vinden het ideaal alles te kunnen doen op de makkelijkste manier. Op je bed naar de preek luisteren, in je stoel boodschappen doen, achter je pc mensen ontmoeten. Met het gevolg dat de mens zich volkomen isoleert.
Dr. De Vries heeft hier geen last van. Er zullen maar weinig mensen zijn, die zijn keuzes overnemen. Maar onze gezindte is op weg naar een buitengewoon ernstige catastrofe; daar ben ik van overtuigd. Wie kan hier raad geven? Is het Johannes die zegt: Haat ook de rok die met het vlees besmet is? Is het Paulus die zegt: Eet al wat in het vleeshuis verkocht wordt? Verschillende benadering die in wezen een harmonie vormen. Maar wat betekent het voor onze tijd, voor onze jeugd, voor onze bejaarden, die ook willen weten wat een muis is.
Jozua zei: Ik en mijn huis. Kunnen we in dit verband ook zeggen: Ik en mijn buis? Of ook: Ik en mijn muis? Ik heb in dit artikel vrijwel alleen nog maar de problematiek geschetst. We hebben kunnen lezen van die familie die, na jarenlang elders vertoefd te hebben, bij hun terugkeer zeiden dat ze in de kerk en in ons land niet meer thuis waren. Zo’n signaal vraagt aandacht. Maar ook dat hoort bij deze tijd dat je aan bezinning meestal niet toekomt. Ik kan maar één ding zeggen, tegen mijzelf en tegen u: Ontwaakt, gij die slaapt!

P.S. In mijn vorige artikel noemde ik ook de CU onder de instanties die een gewijzigde houding aannamen t.a.v. homoseksualiteit. Ik weet niet of dit helemaal juist is; er is geen vastgesteld standpunt. Hopelijk had ik ongelijk.

           

 


TRADITIE         2011

Voor de contio van predikanten binnen de Gereformeerde Bond sprak A. van der Schans over de traditie. De strekking van zijn lezing was: "Nieuwe tradities kerk niet altijd verkeerd”. Deze stelling roept enkele vragen op, die ik graag nader met u overweeg. Ik doe dit omdat binnen  kerken en gemeenten allerei tradities onder druk staan.

Mijn eerste vraag is: Kun je wel spreken van "nieuwe” tradities? Zijn tradities niet altijd oud? Kunnen we niet beter spreken van nieuwe vormen (waarvan je nog niet weet hoe deze zich zullen gaan gedragen)? Een tweede vraag: Wat is de draagwijdte van de woorden: "niet altijd”. Weet je in een bepaald geval of een nieuwe weg bijvoorbeeld wel beter tot het doel leidt? Een derde vraag is: Uit deze stelling blijkt dat nieuwe vormen bij tijden absoluut wèl verkeerd zijn; welke zijn dat dan?
De referent maakt onderscheid tussen variabele (wisselende en veranderlijke) factoren en constanten, die er altijd (moeten) zijn. De constante factor in de Kerk moet zijn de inwoning van de Heilige Geest. Als die inwoning er blijvend is, kunnen de vormen zich wijzigen.
In het persverslag werden de volgende gebieden genoemd, waarop zich wijzigingen voordoen: het zingen van gezangen, één keer in plaats van twee keer per zondag naar de kerk gaan, een preek als dialoog in plaats van monoloog en het minder preken uit de catechismus. Met deze voorbeelden pakt hij fors uit. Je zou zelfs wel de vraag kunnen stellen of we het dan nog wel hebben over tradities alleen? Er is een veel minder omvangrijke reeks voor te stellen zoals: jeugddiensten  en andere bijzondere diensten, zwarte costuums voor de kerkenraad, wel of geen tussenzang, staan of zitten van de gemeente tijdens liturgische onderdelen, rhytmisch zingen, Bijbelkringen in plaats van verrenigingen, collecteren tijdens orgelspel….. Deze onderwerpen zijn minder ingrijpend dan die welke genoemd werden door van der Schans.
Enkele kanttekeningen:
Hij noemt als gevaar van een traditie dat de inhoud gaat stollen in verouderde vormen. De stollingsgactor wisselt per persoon. Dat maakt het moeilijk. Als een predikant nog gekleed zou gaan in een steek  met een hoge hoed, dan werkt dat bij velen belemmerend. Dat kan ook gezegd worden van de taal die gebruikt wordt, enz. In ieder geval geldt van het dagelijkse leven dat we gelijke tred houden met allerlei ontwikkelingen op het gebied van landbouw en huishouding. Moet de kerk zich ook zo voortdurend aanpassen aan ontwikkelingen in de maatschappij? We doen dat wel als het gaat om kerkbouw en boekhouding, internet en geluidstechniek, maar we zullen dat zo niet doen als we het hebben over de kern van de prediking. Dat behoort voor ons allen vast te staan.
Er werd gesteld in de lezing dat we moeten vragen wat we ervoor in de plaats krijgen, als we oude vormen afstoten. Ik moet zeggen dat we in de rij die hij zelf noemt, er feitelijk niets voor in de plaats krijgen. Daarom lijkt het me beter nog te vragen: wat raken we kwijt, als we de traditie willen wijzigen? Ik denk weer aan de dingen die hij noemt,en dan is de som snel klaar: meer gezangen betekent: minder psalmen; één keer naar de kerk betekent een verlies van de helft aan Goddelijk onderwijs; dialoog in plaats van monoloog betekent dan het mogelijke verlies van souvereine spreken van de Heere; minder preken uit de Catechismus betekent een groeiend tekort van kennis inzake de leer.
Dat zijn grote verliezen. Dat beklemt me altijd weer als ik lees van bijvoorbeeld jeugddiensten en themadiensten; begin je ermee dan raak je de gewone dienst kwijt. Zo is het gegaan bij de buren. Een baken in zee. Als kerkenraden daar meer aan zouden denken, was er minder plaats voor het experiment. Experimenteren geschiedt niet vrijblijvend. Dat maakt huiverig om vormen te veranderen. Alles heeft zijn prijs. Ook het vrouwenkiesrecht bijvoorbeeld. Er zullen dan vrouwen zijn die niet stemmen en dus raakt de balans uit evenwicht. Of u raakt een stukje binding van de Schrift kwijt, want Gods Woord kent geen regeerfunctie toe aan de vrouwen. Het is maar een voorbeeld. Nu kun je iets dat je verloren bent, weer opzoeken, als blijkt dat dit nodig is. Maar dat kan hier niet. Kerkelijke veranderingen hebben het karakter van een onomkeerbaar proces.
Ik trek een volgende lijn. Het is merkwaardig dat het moderne leven (!) zich juist richt op oude vormen. Meubels zijn goed als ze er niet te nieuw uit zien; een putje hier en een beschadiging daar en dat maakt het juist mooi. Grootmoeders wereld trekt aan. Oude spullen hebben echt iets. Een oud peteroleumstel is voor mij volledig taboe, maar voor de moderne mens is dat niet zo. Nostalgie is in.  Het is frappant dat we in de kerk juist met een omgekeerde evenredigheid te maken hebben. Daar werkt het nu precies anders. Hoe komt dat? In de maatschappij trekt het oude aan vanwege onvrede met het nieuwe. Een schilder die het thema "weg” wil tonen, zal geen vierbaansweg willen voorstellen, maar een mooie, oude landweg, omgeven met hoge bomen. Het kan ook zijn dat nieuwe vormen worden gezocht vanwege het feit dat het oude echt niet meer werkt. Pas dat eens toe op de kerk. Is het niet vreemd en stemt het niet tot nadenken dat we in de kerk juist allerlei nieuwe vormen ontwerpen? Ging het oude slijten en verloor het z’n betekenis? Gingen de preken aan kracht inboeten en hebben we daarom andere vormen gezocht? Ik vrees het.
Verder werd reeds genoemd de constante factor van de Heilige Geest. Wat zou het geweldig zijn als die factor echt onveranderd altijd bleef gelden. Dat zou verlossen van de kramp. Waaruit blijkt die bediening van de Heilige Geest? Hieruit dat er mensen omgezet worden, dat er een levendig geestelijk contact is over de wegen des Heeren, dat de prediking met honger mag worden ontvangen, dat Gods eer krachtig wordt beleden en dat Gods volk verder geleid mag worden. Maar daarover wordt door velen geklaagd. Hier mankeert het aan naar veler oordeel. Zeker, dan ben je er ook niet als je gewoon alle dingen in de ijskast stopt en het laat voor wat het is. Maar het is ook een hachelijk avontuur om in een geestelijk vacuum andere wegen te zoeken. Voor- en tegenstanders van vernieuwingen moeten dat in gelijke zin bedenken.
Als de werking van Gods Geest niet evident blijkt, moet u zich ernstig zorgen maken over de voortschrijding van een andere geest, namelijk de tijdgeest. Dat blijkt ook wel, want veel kerkelijke veranderingen worden ingegeven door processen in de wereld om ons heen. Daarom juist is het de moeite waard om zich wel tienmaal te bedenken aleer we andere vormen zoeken. En die bezinning lijkt niet sterk aanwezig.

Gods Woord wijst er op, dat vormen en gebruiken, zonder de levende kracht van het geloof, geen betekenis hebben. In Jesaja 1 horen we dat een veelheid van offers met daaraan verbonden het reukwerk en de sabbathen, zonder gehoorzaamheid, door de Heere worden gehaat. Zo ook Amos in het vijfde hoofdstuk: "Ik haat, Ik versmaad uw feesten, en Ik mag uw verbodsdagen niet rieken.
Want ofschoon gij Mij brandofferen offert, mitsgaders uw spijsofferen, Ik heb er toch geen welgevallen aan; en het dankoffer van uw vette beesten mag Ik niet aanzien. Doe het getier uwer liederen van Mij weg; ook mag Ik uwer luiten spel niet horen” (vers 21-23). Dus het spreken over allerlei vormen op zich heeft weinig waarde. De kernvraag is of het wezen aanwezig is. Leeft ons hart in de vormen? Zonder dat hebben oude en nieuwe gebruiken voor God geen waarde.
Dus ook hier de constante, onmisbare werking van de Heilige Geest. Overal waar we rust gaan vinden in een godsdienst zonder God, blijft de lege huls van de werken over. Daar verheft zich de mens in zijn eigenwaan en meent hij geen Christus nodig te hebben. Dat geldt van al die tradities en gewoonten die het vrome vlees dienen. We zouden dat meer moeten bedenken. We zouden in die weg uitkomen bij het bankroet van onze vroomheid. En daar moet het toch heen. De natuurlijke mens steunt op zijn godsdienstige verrichtingen. "Waarom vastten wij en Gij ziet het niet aan?”(Jes.58:3). Onze beste werken zijn dan een wegwerpelijk kleed. Dat Goddelijke oordeel moet over al onze eigen werken heengaan.
Blijven er dan geen tradities over en maakt het dan niet uit hoe we leven? Zijn offers en gebeden dan zonder waarde? De Heere Jezus maakt ons duidelijk dat we zo niet moeten denken. De discipelen van Johannes vastten veel, samen met de Farizeeën. Zijn eigen disicpelen deden dat toen niet. Bruiloftskinderen kunnen niet vasten, zolang de Bruidegom bij hen is. Heeft de vorm van het vasten dus geen betekenis meer? Zeker, de dagen komen dat de Bruidegom van hen zal weggenomen zijn en dan zullen zij vasten (Matth.9:14v). Hier wordt het vasten als een op zichzelf goede traditie, bepaald door de verbondenheid met Christus. In Christus worden de vormen dus ook niet afgeschaft. Maar Hij is het Die de aard ervan stempelt. Dat vasten komt op uit het geloof.
In  dit verband zijn de woorden van Jeremia van grote betekenis: "Zo zegt de HEERE: Staat op de wegen, en ziet toe, en vraagt naar de oude paden, waar toch de goede weg zij, en wandelt daarin; zo zult gij rust vinden voor uw ziel; maar zij zeggen: Wij zullen daarin niet wandelen”. Wat wordt hier bedoeld met de oude paden? Temidden van de vele wegen die de mensheid gaat, zijn er de oude sporen die Gods Kerk in alle eeuwen gaan mocht. Ten diepste zijn deze oude paden alle verbonden nmet die ene Weg, Die Christus is. Van oude tijden af heeft de Heere dat heil geopenbaard. Naar die oude paden moeten wij leren vragen. Zoals de negers zongen over "that old time religion” from my father en my grandfather. Het gaat om die heilsweg, de weg der zaligheid, het smalle pad. Maar een weg is tegelijk een manier van leven. Wat we doen en hoe we het doen, wordt beheerst en bepaald door de werking van Gods Geest. En dan kan het geen vraag zijn of we twee keer naar de kerk gaan en of we de psalmen zingen. Dan worden we door de Heere er ook op gewezen dat we de oude paden niet verplaatsen en veranderen (Spr.22:28).
Terugkomend bij de vragen  van het begin, mogen we dan vanuit het levend geloof, die wegen gaan die ons voorgeslacht heeft mogen gaan. We behoeven die wegen niet meer zelf aan te leggen. Geen experimenten. De zaak is dringend genoeg. De weg is smal en de poort is nauw. In kringen waarin veel tradities werden weggebroken, komt nu de vraag soms weer op naar gewoontevorming. We zien ook dat oude gebruiken weer terug komen. Ooit werden de voorlezers bijvoorbeeld afgeschaft, terwijl nu in moderne kringen de voorleesbank weer in gebruik is. Ouders weten heel goed dat gewoonten de opvoeding dienen.
Veel "nieuwe tradities” hebben het loodje moeten leggen. Oude trouwens ook, maar niet met die snelheid waarmee de nieuwe experimenten weer van het toneel verdwenen. Ik hoop dat we het onderwijs van Gods Woord hierin mogen volgen. Dat is geen dwangbuis, maar een vreugde: " Hij gaf aan Jakob Zijne wetten, deed Isrel op Zijn woorden letten, Hij leerde  Zijn Zijn wegen wandelen, zo wild’ Hij met geen volken handelen”.
Gedenkt der vorige dingen van oude tijden af, dat Ik God ben, en er is geen God meer, en er is niet gelijk Ik. Die tradities zijn nuttig en goed. 

 

Denktank                                                                                                     2012

 

Wel of geen denktank? Het idee werd gelanceerd door Ds. W. Visscher in het RD. Hij stelde dit voor in verband met de toenemende dreiging voor de kerk vanwege de toenemende seacularisatie. Het is zelfs meer dan dat. Er steken antichristelijke winden op, die ongetwijfeld aanzwellen en zodoende de kerk  en allerlei christelijke organisaties willen omverblazen. We gaan het als christenen moeilijk krijgen in ons land en dat moet tot ons gaan doordringen.

 

Maar zoals dat gaat, het idee werd van allerlei kanten nader beschouwd. Er ontstonden diverse gedachten over de wenselijkheid ervan. Dr. Van der Sluis zag het in historisch perspectief vanuit de tegenstelling tussen Kuiper en Kohlbrugge. "Zullen we het dan nooit leren?”, zo riep hij uit.

Nee, dat zullen we wel nooit leren. Niemand van ons heeft dat helemaal geleerd en doorzien. Want het gaat hier om een vraagstuk, dat de kerk van alle tijden de grootste strijd en moeite heeft gebracht. Het gaat hier om de vraag in hoeverre het gebruik der middelen ingekaderd is in het handelen van de Heere.

Wat Ds. Visscher voorstelde, is helemaal niet verwerpelijk te noemen. We weten allemaal dat we ons moeten voorbereiden, zoals Jozef deed, op komende tijden van beproeving en  dreiging. We bouwen dijken tegen het gevaar van overstromingen en we zorgen voor voorraden als de winter nadert. Zelfs de dieren doen dat. Zeker kunnen we de middelen stellen in de plaats van God en dat is een reëel gevaar. Als we pijn houden, gaan we naar de dokter; en eigenlijk komen we pas bij de Heere terecht, als we er zelf met artsen en medicijnen niet meer uitkomen. Zo hebben we dat wellicht al heel vaak beleefd.

De toonzetting van het voorstel en de contekst duidden niet op activisme of een buitensluiten van de voorzienigheid Gods. Ik heb zelfs in zijn  woorden een heel andere bedoeling vernomen. Het was de vraag of wij wel beseffen wat er gaat gebeuren? Leven we niet te veel rustig door alsof er geen gevaren dreigen? Buigen we wel onder de oordelen Gods en valt er wel voldoende geestelijk licht over de situatie van onze dagen? Er zijn te veel symptomen die erop wijzen, dat we ons eigenlijk best thuis voelen in deze wereld en in de ontwikkelingen van ons land. Vanuit die onrust werd nagedacht over een manier om zich voor te bereiden op de komende najaarsstormen. Laat de Gereformeerde gezindte maar eens een inventarisatie maken van de moeiten die op ons aan komen.

Ik las in zijn woorden voor het eerst de uitspraak dat het instituut van de Medezeggenschapsraad in het onderwijs een knieval geweest is voor de onterechte claims van de overheid. Gaat dat vaker gebeuren, rond de positie van de vrouw op de SGP-kandidatenlijst, of als het onderwijs inzake de homo-emancipatie dichterbij komt, onontkoombaar? Wat doen we dan? Als de winkels op zondag open gaan, komen vele van onze mensen in de knel. Als de ziekenhuizen een nog strenger toelatingsbeleid voor verplegenden (inzake abortus en euthanasie) gaan hanteren, krijgen onze jonge mensen de eerste klappen. Als we zelf het onderwijs moeten bekostigen, zal dat genoeg zijn of zijn we er ook dan nog niet? Leven we echt bij deze dreiging of zijn we in slaap gevallen? Die vragen moeten wel gesteld worden. Als de predikanten in hun preken niet meer mogen zeggen wat zij moeten zeggen, wat zullen we dan doen? Dit is geen koffiedikprognose; het is zelfs een Bijbels gegeven dat die dagen zeker zullen komen. Gods Woord zou ons daarbij veel meer als een gids moeten dienen zodat we als een wachter die het gevaar ziet naderen, de mensen gaan waarschuwen (Ezech.33:6). Er is niet alleen een bezinning in ons denken nodig; er is bekering en wederkeer nodig. Dat heb ik in de woorden van Ds. Visscher gehoord.

 

Wat Dr. Van der Sluis daartegen in stelling brengt, is ook zeker waar. Men kan zeker doorschieten in allerlei menselijke handelingen. Men kan een Jakob worden om zelf steeds  weer allerlei maatregelen te nemen. Dr. Kuiper had daar wel slag van. Hij heeft niet kunnen rekenen op instemming vanwege zijn optreden in de Doleantie en dat was om deze reden.

We moeten allen eerlijk erkennen dat we zo heel snel en makkelijk doorschieten in het gebruik der middelen. Israel was daar een sprekend voorbeeld van. Het steunde op Egypte, met terzijdestelling van de God van Israel. Jesaja roept het volk dan op: "Stilzitten zal uw sterkte zijn” (30:7,14). Denkelijk heeft van der Sluis Visscher niet helemaal begrepen en recht gedaan. Maar hij heeft stellig gelijk als hij waarschuwt voor het gevaar van ingrijpen in de plannen en de voornemens Gods. Troffel en zwaard waren echt nodig in de dagen van Nehemia. Maar we gaan er zo snel toe over om daarop ons vertrouwen te zetten. De Heere is een jaloers God.

 

Want de dagen komen in het leven van Gods kinderen dat ze genoeg hebben aan dat stilzitten en vertrouwen. Maar dat zal zijn als zij hunnerzijds alles gedaan hebben, wat de Heere van hen vraagt. Het onderhavige probleem geeft een spanning aan die direct te maken heeft met de rechgtvaardiging van de goddeloze. Vanwege deze spanning kwam de Reformatie tot stand. Rome was geheel verstrikt in het doolhof van doen en laten, van geboden en regels. De genade van Christus kon alleen maar overwinnen als de mens daar groen licht voor wilde geven. De mens kon die genade tegenstaan en de mens kon deze ook weer verliezen. De verzoening door het werk van de Heere Jezus kon alleen maar werkzaam worden, nadat mensen eerst een bepaalde waardigheid hadden verworven. Onder ons heeft dit de gestalte aangenomen van het voorwaardelijke denken over de weg der zaligheid. Voor mij als predikant is het telkens weer de afweging: hoe houden we genade voor vrije en onverdiende genade en hoe houden we deze gescheiden van de eigengerechtige werkzaamheden van de mens? Want enerzijds willen we in de preken duidelijk aangeven dat al onze gronden voor God niet bestaan kunnen; anderzijds geven wij ook aan dat er bepaalde wezenskenmerken zijn van het werk van de Drieënige God in het hart van de zondaar. Dat kan al snel vaag en ondoorzichtig worden voor de gemeente. Alles moeten doen en niets kunnen doen. We prediken terecht de noodzaak van zelfkennis en een nadenken over de zonde en de vervloeking en in dezelfde preek zullen we de kennis der ellende en de tranen over de zonde weer moeten afnemen. Het is een wandelen op het scherp van de snede om deze lijnen zuiver en eerlijk te trekken.

Dat is dan op de kansel. Maar kent u deze strijd ook niet in uw eigen leven, als de Heere u het levenspad heeft bekend gemaakt? U hebt het al zo vaak gehoord dat u niets moet overhouden om zalig te worden, niets van uzelf. Het moet worden: Christus alleen. Maar u voelt ook wel, dat het terstond aannemen van Christus vanuit een verstandelijke actie ook niet de weg is. U weet dat tranen de grond niet zijn, maar u klaagt uzelf elke dag aan dat u zo weinig bewogenheid gevoelt en kent. U weet ook wel dat de bediening van Gods Geest nodig is, maar er staat toch ook: "Werkt uw zelfs zaligheid met vrezen en beven”. De vraag is dan toch wel terecht of die eis in uw leven wel tot gelding komt? Nee, we zullen dat wel nooit leren. Het zal altijd wel een strijd op leven en dood blijven. Zeker, voor de Antinomiaan enerzijds en de Arminiaan anderzijds is het geen strijd meer, maar voor een arm en ellendig volk blijft het een onmogelijke opgave, die echter vervuld zal en kan worden door de algenoegzaame offerande van Christus en de onwederstandelijke werking van de Heilige Geest.

De heiliging en alles wat daarmee samenhangt, ligt besloten in Christus. Gods kinderen zijn in Hem geheiligden. Ze zijn volmaakt in Hem. Maar er is ook een bevel tot heiliging: Weest heilig want Ik ben heilig! Dat houdt Gods volk laag bij de grond. Dat brengt hen steeds meer tot het bedelaarsleven. Johannes de Doper heeft het zo goed gemeend toen hij sprak van het wassen van Christus en het minder worden van zijn eigen persoon. Maar hoe anders was het toen hij dat aan het einde van zijn leven moest leren.

Diezelfde vragen doen zich voor als het gaat om de verantwoordelijkheden die de christen in dit aardse leven heeft. Ik noem dan alleen maar de vragen rond gezinsuitbreiding en opvoeding. Het is voor jonge ouders een hele vraag wat de Heere op dit terrein nu van hen wil. En heeft de kerk een pasklaar antwoord als deze vragen gesteld worden? Welke motieven spelen er in onze tijd als het hierover gaat? Het is zeker ieders persoonlijke verantwoordelijkheid, maar we hanteren toch ook richtlijnen uit de Schrift ter regulering van dit aardse bestaan. Onder de mantel van onze persoonlijke verantwoordelijkheid gaat er ook heel veel verkeerd.

Zullen we dat ooit leren? Er ontstaat een beginsel van de nieuwe gehoorzaamheid als we op de leerschool van Gods genade gekomen zijn. Dan wil de Heere telkens weer hen die dwalen, brengen in het rechte spoor.

En dus zullen we tenvolle en voor honderd procent aangewezen zijn op de leiding en de bijstand van de Heere, als de dagen van verdrukking komen. Maar de Heere zegt ons ook dat we de tekenen der tijden moeten kennen en verstaan. Het blijft gelden voor alle tijden: Schik u, o Israel, om uw God te ontmoeten! We moeten maar eerlijk erkennen, met de beide scribenten, dat wij het wel nooit zullen leren, maar dat de Herere blijft voortgaan met Zijn dagelijks onderwijzen in de lessen der zaligheid.

 

                                                                                                          

 

 

Vervolging                                                                                                                             2012

 

?xml:namespace>

Ayaan Hirsi Ali heeft deze week de aandacht gevestigd op de wereldwijde vervolging van christenen door Moslims. Een beschamend bericht voor onze overheid en vooral ook voor de media, die het er nauwelijks over hebben. Ook voor ons kan het geen kwaad aandacht te geven aan dit bericht.

 

?xml:namespace>

verdrukking

 

?xml:namespace>

Zij spreekt van een toenemende genocide. Ze noemt landen als Nigeria, Egypte, Pakistan en Indonesië. Zoals we weten van een organisatie als Open Doors, gaat het om nog veel meer landen. "Media berichten over moslims vaak alsof ze slachtoffers zijn van het Westen. Ook worden ze sinds de Arabische lente gezien als strijders tegen tirannieke overheersing. Dat beeld is op z’n best gedeeltelijk juist, vindt Hirsi Ali. Media durven volgens de oud-VVD-politica niet te schrijven over christenvervolging uit angst voor provocaties. Ook zouden ze zijn beïnvloed door islamitische lobbygroepen”.

Toen ik laatst met iemand hierover sprak, luidde het antwoord dat de Kruistochten de christenen verweten kunnen worden. Zo ver moet je dus teruggaan om wandaden van christenen van een dergelijke omvang op te sporen. Het zal zeker waar zijn dat ook christenen soms terugslaan, maar we moeten in dat geval de vraag stellen waar het begin van het conflict is ontstaan. Het Christendom op zich is niet strijdlustig.

Het is ook waar dat niet iedere moslim een terrorist of een christenhater is. Niettemin schuilen er in de Islam blijkbaar dermate radicale wortels, dat Moslimlanden een algemeen beeld van geweld tegen christenen vertonen. In De Gezinsgids hebt u ook een artikel kunnen lezen over christenen die in hun land gruwelijke tonelen hebben beleefd. Het is niet ondenkbaar dat wereldwijd miljoenen vanwege hun geloof zuchten achter de tralies. Martelingen en folteringen worden veelvuldig toegepast. Voeg hierbij ook de christenhaat in landen als Noord-Korea en China, dan kan de schrik ons nog te meer om het hart slaan.

We wennen aan de stroom van berichten over deze feiten. Waar went een mens niet aan? We accepteren het als een verschijnsel van deze tijd dat abortus en euthanasie veelvuldig plaats vinden. Een stroom porno laat ons ook niet meer schrikken. Ons volk vindt het normaal dat er niet alleen een homovriendelijk beleid wordt gevoerd, maar ook dat er homoterreur plaats vindt jegens ieder die het aandurft daarover een andere mening te hebben. Terwijl ons volk als zodanig vast en zeker dat beleid niet steunt. Het lijkt dat de Tweede Kamer een propagandacampagne voert voor deze goden van de eeuw.

Zo schrikken we ook niet meer van vervolging en onderdrukking. En het is waar: wat kunnen wij er aan veranderen? We staan volkomen machteloos. Maar welke plaats neemt de vervolgde kerk in in onze gebeden? En volgen we met deernis de berichten over deze vormen van onrecht? Zijn wij het ons bewust dat Gods Woord het leven van een christen koppelt aan onderdrukking? In dat licht is het misschien wel een prangende vraag waarom wìj niet vervolgd worden? We zien daarin een teken van Gods goedheid en lankmoedigheid over Nederland en over de kerk van ons land. Maar vragen we ons ook niet eens af of we als christenen kenbaar zijn in Nederland? Leven we in vrede omdat we ons makkelijk aanpassen?

We zien de eerste tekenen van discriminatie van de kerk al verschijnen. We gaan het beleven, dat is wel zeker, dat we de vrijheid van onderwijs verliezen. De kansel zal vroeg of laat in beeld komen, omdat daar dingen gezegd moeten worden die tegen de heersende stroom ingaan. De vuurproef zal ons niet bespaard blijven. Er zijn er velen onder ons die zich met zorg afvragen of we dan wel bestand zullen blijven tegen de massa van deze tijd? Zijn we in staat om, zonder haat en verzet, bewogen en betrokken te staan in deze wereld? De Heere kan en zal Zijn kerk gedenken en Hij kan de hinkende hierin behoeden. Maar het is voor ons wel zaak dat we roeping en verkiezing leren vast maken, want dat is de beste garantie en de zekere belofte dat de Heere ons nimmer verlaten zal. Zonder dat zouden we de één na de ander buigen voor de afgoden om eens jammerlijk om te komen.

 

?xml:namespace>

verleiding

 

?xml:namespace>

Maar nog leeft de kerk in betrekkelijke rust. Of is die gedachte er ver naast? Zou het kunnen zijn dat er hier en nu een geestelijke verdrukking heerst die wij nauwelijks in beeld hebben? Dat de duivel in Nederland actief is, kunnen we weten. Het is ook waarneembaar dat hij grote successen boekt. Grotere dan in landen waar de kerk onderdrukt wordt. Vervolging is uiteindelijk een zaak van helse strategieën. Achter de mensen moeten we de overste dezer wereld zien. De duivel werkt dus bijvoorbeeld in Noord Korea en hij werkt ook krachtig in ons land. En welke methode is effectiever? U kent het antwoord. Daarom zouden wij moeten beseffen dat er ook in Nederland een offensief van de hel werkt. Qua lijden zijn er ongelooflijk veel landen waar het zwaar en moeilijk is voor de kerk. Maar hier vallen veel meer slachtoffers onder zijn aanvallen dan in landen als China enz.

In  Openb. 12 lezen we dat de draak de vrouw die het Kind gebaard heeft, achtervolgt. Satan zal zich dus altijd met de kerk bezig houden. Hij richt  zijn pijlen via twee middelen: verdrukking en verleiding. Dat laatste woord komt veelvuldig in de Schrift voor als een werk van de duivel (Mark. 13:5,6,22; 1 Tim.4:1; 2 Joh.1:7; Openb. 12:9; 13:14; 19:20; 20:3,8,10).

Ten tijde van de vervolgingen onder het Romeinse rijk waren er vooral drie zonden die door sommigen als onvergeeflijk werden beschouwd: hoererij, moord en afval. Afval of verloochening van Christus was een zware zonde. Als u bedenkt dat er hier onder ons duizenden tegelijk afvallen en de wereld ingaan met een gedoopt voorhoofd, dan beseffen we wel dat het hier helemaal niet zo rustig is. Ook hier raast de vervolging over ons heen, maar subtieler, geraffineerder en dus doeltreffender en op een andere manier.  

Er is verschil tussen vervolging door geweld en vervolging door list en bedrog (verleiding). Beiden zijn beproefde middelen van de duivel. Zou er in Nederland vervolging komen, dan zou het met Gods hulp kunnen dat de afval een halt toegeroepen zou worden. Dus de vraag rijst dan: welk nut zou de duivel daar bij hebben? Het gaat hem nu meer voor de wind dan ooit.

In Openbaringen 13 waar het gaat om het beest uit de zee en het beest uit de aarde, zien we het volgende: de profeet van het beest doet tekenen, verleidt degenen die op de aarde wonen, richt een beeld op voor het beest; daarna volgt de dood voor hen die niet gebogen hebben. U ziet hier een reeks van demonische propaganda en daarbij vallen de meesten ten offer. Verleiding en verdrukking. In 2 Thssalonicenzen schildert Paulus het rijk van de antichrist: zijn toekomst is naar de werking van de satan in alle kracht en tekenen en wonderen der leugen, in alle verleiding (weer dat woord) der onrechtvaardigheid (vers 9,10). Er zal een kracht der dwaling komen dat zij de leugen geloven zullen. Dit maakt wel duidelijk dat hier een geestelijke vervolging aan de gang is. Geen briesende leeuw, maar een engel des lichts. Dat alles speelt zich nu af en we hebben het misschien totaal niet door. In Efeze 6 spreekt de apostel over de strijd tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers dezer wereld, der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht (vers 13). Om staande te blijven moet de christen de gehele wapenrusting aan doen om te kunnen wederstaan tegen de boze dag. Dat moet wel een strijd zijn op leven en dood. En als we de duivel achter allerlei gebeurtenissen niet in beeld hebben, sussen we elkaar rustig in slaap. Dan worden christenen gematigde mensen, die overal wel iets goeds in zien maar die de kracht der dwaling indrinken. De profeet die Jerobeam in Bethel bestrafte bij zijn altaar, kon de uitnodiging van de koning gemakkelijk weerstaan en afwijzen. Maar toen de oude profeet in Bethel hem door list aftrok van zijn vastigheid, bezweek hij. Petrus werd door de duivel verleid om Christus te verloochenen en hij deed dat door een eenvoudige slavin. "Simon, Simon, zie de satan…..!” De Heere Jezus heeft in Zijn rede over de laatste dingen ook gesproken over valse christussen en valse profeten (Matth.24:24). Hoevelen zijn er om ons heen al gevallen voor deze propaganda. 

Maar zo is niet ieder. Er zijn onder ons mensen die hier iets van aanvoelen. Zij beseffen hoe gevaarlijk en bedreigend deze tijd is. Er zijn er zeker wel die een verbeten strijd voeren tegen de aromatische geuren van de helse machten. Bent u er één van? Wat zult u zich menigmaal benauwd en beangst voelen en wat ziet u dan uit naar die Held bij Wie de Heere hulp beschoren heeft. Dan kunt u niet alles meer vertrouwen wat zich als betrouwbaar aandient. Niet omdat u mensen wantrouwt, maar omdat mensen gestuurd en bepaald worden door geesten, goede of kwade. Ook omdat u de kwalen van uw eigen hart kent. Laat uw verwachting zijn van Hem Die gezegd heeft dat niemand hen uit Zijn hand zal rukken.

Als we dit alles overdenken, zouden we snel kunnen vervallen in een hyperkritische houding. Daarom is de vraag van belang hoe we om moeten gaan met allerlei leringen die ons bereiken. Het gaat er allereerst om dat we de waarschuwingen van Gods Woord ter harte nemen. Een gewaarschuwd man telt voor twee. Daarnaast moeten we leren onderscheiden. Niet zozeer de mensen, maar de geesten van deze tijd. En verder moeten we ook bedenken dat de waarheid niet zonder meer bestaat in allerlei stellingen en dogma’s. Dat ook wel en diepgaand onderzoek van Gods Woord is nodig. Maar de Heere Jezus heeft Zichzelf uitgeroepen als de Waarheid. De Waarheid bestaat in Zijn Persoon, in Zijn woorden en in Zijn bediening. De Heilige Geest wordt ook genoemd de Geest der waarheid (Joh. 16:13). Daarentegen zijn wij allen geneigd de leugen te omhelzen. Dus gaat het erom, dat we de levende gemeenschap met Christus door Zijn Geest zoeken. Gods Zoon heeft der waarheid getuigenis gegeven. Daar hebt u uw houvast. Belijden we dan onze dwaasheid (deze is ook zonde) en smeken we om Zijn nabijheid. Zoeken we de openbaring van Christus in het hart. Zo alleen kunnen we staande blijven. Daarbij hebben wij allen elkaar ook hard nodig. Deze waarheid maakt werkelijk vrij.

 

?xml:namespace>

 

?xml:namespace>

 

?xml:namespace>

 

?xml:namespace>

 

?xml:namespace>

 

?xml:namespace>

 

?xml:namespace>

 

?xml:namespace>

 

?xml:namespace>

 

?xml:namespace>

 

?xml:namespace>

 

?xml:namespace>

 

?xml:namespace>

 

 

 

 

 

 

 

?xml:namespace>

 

 

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>