DE WET DES HEEREN        2006

Eén van de vragen uit het reglement voor de kerkvisitatie heeft betrekking op de zondagse lezing van de Wet des Heeren en de 12 artikelen. Zowel de Wet als de Apostolische Geloofsbelijdenis komen in onze diensten standaard voor, al zijn er ook gemeenten waar men van deze regel reeds lang is afgeweken.
Het is echter wel zo, dat juist naar deze beide vaste onderdelen misschien wel het minst wordt geluisterd. Mijn catechisanten gaven laatst ten antwoord op de vraag naar het waarom hiervan dat je toch al weet wat er komt en wat er in de wet staat.
Feit is echter dat de Wet niet voor niets gelezen wordt en dat de Heere Zelf daarin tot ons spreekt. Dus vraag ik nu enige aandacht voor de wetslezing tijdens de kerkdienst.
De Wet heeft een plaats in de kerkdienst omdat de Heere Zijn volk onderwijst door Wet èn Evangelie.
In hoogliturgische kringen spreekt men van verootmoediging (door de lezing van de Wet) en genadeverkondiging (een daarna uitgesproken tekst waarin vooral de genade wordt voorgesteld). De Wet heeft met name in ons Heidelberger leerboek een tweeërlei functie: de Wet ontdekt aan de zonde en de Wet is een regel voor het leven der dankbaarheid.

Ontdekking

In de Heidelberger Catechismus wordt de ontdekkende betekenis van de Wet weergegeven met de woorden van de Hoofdsom, waarin vooral de liefde uitkomt. In zondag 34 komt de wet expliciet aan de orde als een leefregel voor Gods Kerk. Het zou daarom goed zijn om na de lezing van de Tien Geboden er tegelijk de hoofdsom achteraan te laten horen, om des te meer de ontdekking door de Wet te accentueren. Dit in de lijn van de Heidelberger.
 Begrijpen we duidelijk het verschil? Waarom vinden we in zondag 2 slechts de hoofdsom van de Wet beschreven? Tien geboden zijn toch meer dan twee? Christus leert de Wet in een hoofdsom. Deze hoofdsom peilt de ellende en de schuld van de mens dieper. Twee is meer dan tien! We kunnen in de lijn van de uiterlijke Tien Geboden menen te leven naar de letter van de Wet, maar de hoofdsom spreekt over de gezindheid daarbij. Men kan, zoals de Farizeeën uiterlijk de letter van de Wet trachten te houden terwijl we dat doen zonder liefde. Juist het liefdegebod ontdekt aan het gemis aan liefde, aan een fundamenteel gemis aan een rechte gestalte van het hart. Tegenover deze vereiste liefde moet de kerk belijden dat ze geneigd is God en de naaste te haten. Wie kan verder deze liefde beter onderwijzen dan de Heere Jezus Zèlf? Zeker, ook Mozes wist al van de liefde die door de Heere wordt gevraagd van de mens. Ook in de dagen van het Oude Testament wist men van de kennis der zonde door de Wet.
Treffend lezen we daarvan in Exodus 20:18-20: "En al het volk zag de donderen, en de bliksemen, en
het geluid der bazuin, en den rokenden berg; toen het volk zulks zag, weken zij af, en stonden van
verre;  En zij zeiden tot Mozes: Spreek gij met ons, en wij zullen horen; en dat God met ons niet
spreke, opdat wij niet sterven!   En Mozes zeide tot het volk: Vreest niet, want God is gekomen, opdat
Hij u verzocht, en opdat Zijn vreze voor uw aangezicht zou zijn, dat gij niet zondigde”.
Hier blijkt heel duidelijk het beschuldigende karakter van de Wet. Dus feitelijk zou de gemeente elke zondag zo moeten reageren, zoals het volk Israël hier bij de Horeb. Daarom wordt de Wet gelezen, iedere zondag, na een week vol van overtreden.  Hierna kan de mens niet anders dan antwoorden: " ‘k Ben door Uwe wet te schenden, krom van lenden, vol van kommer en verdriet”.
Wat is er dan elke zondag een schuld omdat we de schuld niet gevoelen of te weinig inleven. Ook al zien we geen rokende berg, toch is daar de heiligheid Gods te ervaren. Er zou veel smart moeten zijn omdat de Heere door ons in Zijn eer wordt miskend en beroofd. Een handvol godsdienstigheid brengt ons niet verder en helpt ons niet. Liefde is niet aan te kweken en te oefenen, er is geen andere therapie voor dan de genade. Dus stelt de Wet de zondaar hopeloos schuldig en verloren, ja verdoemelijk voor God. Het is een afsnijdend woord in Romeinen 3:”opdat alle mond voor God gestopt worde en de gehele wereld voor God verdoemelijk zij” (Rom.3:19b).
Dat heeft Christus in Zijn Wetsonderwijs het volk geleerd. Denk maar aan Zijn uitleg van de Wet in de Bergrede. Dat Hij hier de Wet uitlegt, is een verzwaring van het ontdekkende spreken van de Heere in de Wet. Tegelijk klinkt er reeds genade in zondag 2 door. Mozes sprak reeds tot het angstige volk: "Vreest niet”; hoeveel te meer zal dan uit de mond van Christus, als Hij onderwijst in de Wet, dit woord klinken. In Hem, Die een vloek is geworden vanwege de Wet, kan Gods Kerk nu verlost worden van de vreze des doods. In de Wet klinkt reeds het evangelie door; ook in de aanhef, waarin gesproken wordt van de verlossing uit Egypte en verder in het derde, het vierde en het vijfde gebod, waaraan een belofte is verbonden. 
Laat daarom de Wet niet een formeel punt zijn in onze liturgie, maar laat de wet haar functie en doel meer en meer onder ons mogen ontvangen. Het is goed dat er tijdens de visitatie naar gevraagd wordt. Als deze Wetslezing wordt ingeruild voor sommige evangelische woorden uit het Nieuwe Testament, dan is dat een gemis. Er zou aan ten grondslag kunnen liggen dat men de gemeente beschouwt als een verlost volk, dat alleen nog maar leeft vanuit de dankbaarheid. Ook als men, zoals wel gebeurt, alleen de hoofdsom leest, dan kan daar weer een andere gedachte in meeklinken, namelijk dat men feitelijk denkt dat de OT-ische Wet voor ons niet meer geldt Deze mening vinden we vooral in evangelisch getinte gemeenten.

Leiding

Nu is de Wet in de tweede plaats ook een leefregel der dankbaarheid. Zo opgevat, kan men bijvoorbeeld de gehele 119e psalm wel zingen, vers voor vers, na de Wet. Wie de radicale eis der liefde heeft verstaan, krijgt er ook behoefte aan om onderwezen te worden in de weg van de vreze des Heeren. Nee, zeggen velen, daarvoor hebben we de wet niet meer nodig. Het werd reeds hierboven opgemerkt. Dus wordt ook om die reden de Wet niet meer gelezen. Men beroept zich hiervoor wel op teksten als Gal.3:19,24; Rom.2:12; 5:13; 6:14; Gal.3:19; Matth. 5:43,44. Er staat toch dat Gods Kerk niet meer is onder de Wet, maar onder de genade?
We zijn zeker niet meer onder het regime of de bedeling der Wet, maar wel onder het onderwijs van de Wet. Zie hiervoor o.a.: Rom.7:12,22,26; 8:2,4; 13:8,10; 1 Cor.9:21;14:34; Gal.5:14;6:2; 1 Tim.1:8,9; Jak.4:11. In deze context komt men dan vaak aan met het liefdegebod van de Hoofdsom. Niet meer de eisen en regeltjes van een wettisch leven, maar de volkomen vrijheid van de gelovige. Hooguit zal men hier van de Wet van Christus willen spreken (Gal.6:2). Kunt u zich echter voorstellen dat de Wet van Christus een andere is dan de Wet des Heeren? Hij droeg Gods heilige Wet in het binnenst ingewand.
De algemene raad om uit liefde te leven zonder de invulling van Boven, maakt het leven vrij en ongebonden, zelfs wel wetteloos. Zo is abortus wel verdedigd geworden met het gebod der liefde, omdat je een vastgelopen jonge aanstaande moeder vanuit die liefde moet helpen door haar te aborteren. Het gebod der liefde geeft een enorme verruiming, zoals velen menen. Maar is dat wel zo?
In de Wet der tien geboden gaat de Heere tot in details aangeven hoe Gods kinderen gestalte zullen geven aan de eis der liefde. Daarom staat de Wet integraal in zondag 34, waar het gaat om de dankbaarheid. Ook dus om deze reden moet de gemeente ’s zondags de gehele Wet des Heeren horen. De gemeente heeft een werkweek achter de rug. We hebben daarin geleefd als kinderen met onze ouders, als mannen met onze vrouwen, we hebben geld en goed moeten beheren en over al die zaken spreekt de Wet. Ook over de besteding van de zondag als de NT-ische rustdag. "Ik zal, o God, bepeinzen Uwe Wet, in ’t onderzoek van Uw bevelen waken”. Dat moet dan uw begeerte gaan worden bij de vele vragen van deze tijd. Deze Tien woorden zijn de grondslag voor al ons doen en laten. Die Wet bepaalt tenslotte ook hoe je met je auto en je computer moet omgaan, al lezen we over de os en de ezel.

Opheffing?

Zo vraagt de visitator naar de lezing van de Wet tijdens de diensten. Het antwoord zou kunnen luiden: Natuurlijk doen we dat! Maar is het waar? Schieten we hier niet in een dubbel opzicht in tekort? Luister zondag maar eens goed naar de Wet. Denk aan Israël bij de Horeb.
Tenslotte: u kunt tegenwoordig nogal eens de opmerking horen dat velen Wet en Evangelie niet goed onderscheiden. In die opvatting gaat men ervan van uit dat Wet en Evangelie absolute tegenstellingen zijn. Het is zeker in het bevindelijke leven nodig goed te onderscheiden tussen deze beide zaken. Inderdaad vermengt men heel vaak het Evangelie met de Wet. Dat kan door met de Galaten terug te vallen in de werken der Wet, of door met de christen uit de Pelgrimsreis weer onder de dreigende invloed van de Sinaï te geraken. Telkens als de zondaar zijn eigengerechtigheid wil opbouwen en aan de gerechtigheid van Christus zich niet onderwerpt. Het is dus een groot gevaar dat het Evangelie altijd weer wordt tot een nieuwe Wet. Dat was de dwaling van de Neonomisten, die leerden dat de wet van geloof en werken in de plaats is gekomen van de Wet van het OT. Gods volk dreigt ook steeds weer terug te zakken naar het niveau van de Wet. Dan gaat het om ons doen in plaats van om het volbrachte werk van Christus.
Het regime van de Wet en de ruimte van het Evangelie vormen een tegenstelling. Maar Wet en Evangelie op zich liggen ineengevlochten. In de Wet horen we Evangelie en in het Evangelie horen we de stem van de Wet. Ook dat is waar. Dat bewijst de Catechismus en dat leerde de Heere Jezus. Bovendien is de Wet de verbondswet en dat meerde Mozes reeds. Dan kunnen we zingen na de Wetslezing: Och, of wij Uw geboôn volbrachten (na het volbrachte werk van Christus), gena, o hoogste Majesteit, gun door ’t geloof in Christus krachten, om die te doen uit dankbaarheid!

            

 

 


VERNIEUWING          2004

Enkele weken geleden trof me een verslag van een CSFR-conferentie, waar gesproken werd over vernieuwingen.
Er was een forum, dat allerlei vragen over de liturgie beantwoordde. Ds. P. Oussoren gaf het advies om zich te wachten voor vernieuwingen in de liturgie. Hij had de ervaring opgedaan dat de leegloop van de kerken daardoor juiist was bevorderd. De beide andere forumleden, Ds. W. Dekker en Dr. S. Paas dachten daar echter heel anders over. Zij pleitten juist voor een andere aanpak van de kerkdienst. De kerkdienst moet meer gericht zijn op de buitenkerkelijke, zo meenden zij. Zoals het nu gaat, kan het niet. Dr. Paas verklaarde zelfs: "Ik zou niet weten welke van de vele kerken in Veenendaal -reformatorisch, evangelisch- ik mijn buurvrouw zou moeten aanraden”. Voor wie het niet wist, meld ik voor alle duidelijkheid dat Paas verbonden is aan het chr. geref. deputaatschap evangelisatie.
Ik herinnerde me bij het lezen van dit verslag dat Dr. Paas in het Kerkblad voor het Noorden enkele jaren terug over deze materie een serie artikelen heeft geschreven. Hij bepleitte daarin een zeer tegemoetkomende houding tegenover de buitenkerkelijke. De preek moet vooral op de wereld afgestemd zijn. In bewoordingen en ook qua inhoud moet vooral geweerd worden wat als onbegrijpelijk en onverteerbaar zou kunnen overkomen. Ook als het gaat om kleding en andere uiterlijke zaken, moet de gemeente de stijl van de moderne mens aannemen. Ik vermoed dat in Zaandam, waar nu Ds. den Hertog uit Groningen heengaat, deze adviezen een practische uitwerking krijgen. Vrouwen zullen bijvoorbeeld in de "diensten” ook een bepaalde functie krijgen. Nu is dat al niet helemaal nieuw. Ongeveer vijftien jaar gelden woonde ik een kerkdienst bij in een van onze gemeenten, waar een vrouw, modern gekleed en wel, de schriftlezing verzorgde. Er lijkt al veel meer te kunnen dan we misschien gedacht hebben.

De ideeën van Paas lijken voor veel gemeenten om ons heen trendsettend te gaan worden. In het Noorden worden steeds meer "bijzondere diensten” gehouden. In deze kerkdiensten is de stijl losser en kan er wat meer. Over deze diensten merkte Ds. Jonkman in de Wekker eens op, dat hij na vijf diensten van deze strekking een gevoel van verveling of teleurstelling kreeg; zo ongeveer herinner ik me zijn opmerking.  
Mijn eigen gedachten hebben zich sedert lang ook heel anders en zelfs tegengesteld ontwikkeld als wat Paas wil.
De vraag die tijdens de gehouden conferentie aan bod kwam, namelijk hoe we de wereld nog kunnen bereiken, is op zich een goede vraag, die te weinig leeft. Het is echter wel de vraag of die gerichtheid op de wereld het hele kerkelijke programma moet beheersen. De Heere Jezus schijft aan de zeven gemeenten vooral dat zij moeten houden wat zij hebben en dat zij het Woord moeten bewaren. In de vraag hoe we de wereld toch kunnen bereiken, kan ook een onderliggende gedachte meedoen, die ervan van uitgaat dat wij als kerkgangers er zo ongeveer wel zijn. In mijn studententijd in Apeldoorn werd de apostolaatsgedachte, vooral voorgestaan door Kraemer, duidelijk afgewezen. Prof. Kremer sprak daarover in negatieve zin. Er blijkt sedertdien heel veel veranderd. In aansluiting hieraan staat het voor mij vast, dat de kerk wel meer bewogen mag zijn met haar eigen lot, hoe zìj zelf namelijk zou kunnen overleven in deze wereld en in deze tijd. Ook die gedachte vinden steeds weer in Gods Woord terug.
We hebben een roeping voor de wereld. De kerk kan echter alleen iets voor de wereld  betekenen, als zij zichzelf blijft en haar eigen identiteit handhaaft. Het was een verrassing voor me dat Ds. Oussoren dezelfde gedachte uitsprak. Hij noemde als voorbeeld een kerk in Utrecht waar het steeds "gezelliger” werd. Een juist typering voor een bepaalde sfeer in een gemeente. Hij stelde daar een andere gemeente tegenover, waar eerbied en stijl heersten en dat maakte indruk op hem. Maar Paas denkt daar geheel anders over. In Veenendaal lijkt geen gemeente zijn, die een wereldling aanspreekt! Dat is heel kras! Hier wordt een oordeel gegeven (al zal Paas dat niet bedoelen) dat nadert tot de mening van sommige extreme groepen die rustig verklaren dat de waarheid in de kerken van Nederland niet meer gevonden wordt.
Tijdens mijn verblijf in de gemeente van Utrecht-Nood viel het me wel eens op dat de buurt rond de kerk (de kerk stond in een rasechte volksbuurt, bijna het donkerste deel van Utrecht) soms bijna met een zeker respect keek naar de kerkgangers. In de uiterlijke vormen was er bij de gemeenteleden een eigen stijl. Niettemin leek er iets van dèze vorm van kerkzijn uit te gaan. 
In Antiochië werden de gemeenteleden door de wereld christenen genoemd. Dat gebeurde vast niet omdat ze in allerlei zaken zich hulde in de stijl van de wereld van toen. Nee, er was iets van Christus te zien in de leefwijze van die gemeente. Als Paulus zegt in 1 Corinthe 2 dat we de Geest van God ontvangen hebben, dan zegt hij eerst: "We hebben nìet ontvangen de geest der wereld….” Hij acht het nodig eerst negatief duidelijk te maken dat er een kloof ligt met de wereld. En dat vinden we op veel plaatsen in de Heilige Schrift.
Het zou heel goed zijn eens concreet te maken wat behoort tot die geest van de wereld. Wat behoort nìet bij een christen en bij de kerk; maak dat eerst duidelijk. Zo komt er ruimte voor de Geest Die uit God is.
De krachtige en overtuigende bediening van de Heilige Geest hebben we nodig en daardoor zal de wereld geraakt worden. Het voorleven van de gestalte van de Zaligmaker kan harten winnen en muren slechten. De wereldling zal het waarderen als de kerk een eigen gezicht heeft, getekend door de nabijheid van God en de dagelijkse ontmoeting met Hem, zoals bij Mozes het geval was. En als de mens van deze tijd het moeiteloos accepteert dat bij een huwelijk of een begrafenis van het koninklijk huis kledingvoorschriften gegeven worden, dan zal dat in het huis van de grote Koning ook tot aanvaarding leiden, als er tenminste sprake is van bekering en geloof. De Filistijn kan leven in Jeruzalem, als hij daar geestelijk herboren is en als God Hem heeft ingeschreven bij het tellen der volken.
Dr. Paas maakte zijn opmerkingen misschien wel vanwege een bepaalde lege boodschap, die de kerk van onze dagen kenmerkt. En dat moeten we helaas toestemmen. Ook wij, in onze kerken en in onze gemeenten, zouden meer de bewogenheid met de buitenstaander moeten kennen en we zouden meer levende en leesbare brieven moeten zijn van de Heere Jezus Christus. Daardoor zal de wereld overtuigd worden. Enkele jaren geleden merkte een minister van Onderwijs op, dat er wel  subsidie was voor het christelijk onderwijs, maar dat dat onderwijs wel een specifiek eigen gezicht en een eigen christelijke identiteit moest hebben. Er waren ook naar zijn mening te veel christelijke scholen zonder een eigen karakter. Zo houdt de buitenstaander ons de spiegel voor.
Paas doet er goed aan de gedachte van Paulus, namelijk dat het kruis van Christus de Joden een ergernis en de Grieken een dwaasheid is, een plaats te geven binnen zijn ongetwijfeld bewogen denken aan het lot van de wereld.

Dr. Oussoren merkte dus op: Vernieuwingen? Begin er niet aan! Laten we dat vermaan ter harte nemen. Er zijn in de jaren die ik bewust heb meegemaakt, enkele veranderingen ook door mij en anderen ter hand genomen, waarvan ik me nu toch afvraag of ik dat wel had moeten doen. Ik geef enkele voorbeelden.
Collecten moesten niet meer onder het zingen, maar onder orgelspel worden gehouden. Nù maak ik het soms mee in gemeenten, dat tijdens dat collecteren er een sfeer van "gezelligheid” (waarover in een ander verband ook Oussoren sprak) ontstaat, die niet te rijmen is met de kern en de ernst van de gehouden preek.
De tussenzang van vroeger moest verdwijnen met het argument erbij dat daardoor de aandacht werd verknipt en dat men uit de concentratie raakte. Als ik nu eens een tussenzang houd, blijken veel mensen, ook jongeren, dat eigenlijk best te waarderen. Het wordt zeker niet als storend ervaren. Ook zeker niet door mij.
De voorlezer is in de meeste gemeenten verdwenen; toch zullen veel predikanten het wel prettig vinden, als een ander ook iets doet in de dienst en zij zelf even de gelegenheid hebben om zich te kunnen terugtrekken. Voor de broeders ouderlingen is het ook niet verkeerd.
Natuurlijk zijn dit voor mij heel geen belangrijke en wezenlijke zaken. Maar het geeft toch wel aan dat alles wat verandert, niet altijd even zinvol is.
Er zijn noodzakelijke vernieuwingen: "Wordt deze wereld niet gelijkvormig, maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds” (Rom.12:2a).

           


GEMEENTEZANG    (1)        2006

De laatstgehouden Generale Synode heeft zich breed beziggehouden met het kerkelijk lied. Art. 69 K.O. heeft de enkele woorden "in principe” erbij gekregen: "In de eredienst zullen in principe de Psalmen gezongen worden, alsmede de berijmde schriftgedeelten door de GS. vastgesteld”.
Men sprak ook uit dat de Psalmen van onschatbare waarde zijn. Dat onze Kerken het "vrije lied” toestaan, maar niet voorstaan. Dat het tevens te betreuren is dat de kerkenraden zich niet hebben gehouden aan het gestelde in art. 69.
Hier mag wel even een adempauze ingelast worden. Er is immers nogal wat gezegd. Als ik nu zwart op wit voor me heb, wat er uitgesproken is, schrik ik er toch wel van.
Want als de Psalmen van onschatbare waarde zijn, waarom worden deze dan in veel kerkdiensten onder ons zo weinig gezongen? Als men het vrije lied toestaat, maar niet voorstaat, hoe groot zijn dat de mazen van de kerkordelijke netten gemaximaliseerd, zodat alles vrijwel erdoor kan? Mijn schrik heeft te maken met het feit, dat het vrije lied feitelijk een geaccepteerd gegeven is.
Het blijkt namelijk dat in veel kerkdiensten onder ons met name uit de categorie opwekkingsliederen wordt gezongen, waarop inhoudelijk heel veel kritiek is uit te brengen. Vandaar dat verschillende afgevaardigden zo hebben aangedrongen op Bijbelse criteria en confessionele kenmerken.
Laat ik me eerst mogen beperken tot dat laatste. Het gaat om de gewenste criteria. Voldoen allerlei vrije liederen aan de toets der Schrift?

De bundel Opwekking zal in de meeste gemeenten van onze kerken wel een plaats hebben gekregen. De melodieën zijn eigentijds, zingen makkelijk en de woorden geven inderdaad een opgewekte stemming weer. Dat is echter wel heel wat anders dan echte opwekking. Deze ziet er namelijk heel anders uit. En de melodieën hebben ook niet ieders sympathie. Klaas Jan Mulder verklaarde pas nog niets te hebben met deze liederen.
Opwekkingsliederen worden met name gezongen in Evangelische gemeenten en allerlei vrije groepen. Er is een nuance-verschil met de oude gezangenbundel, zoals we deze vroeger kenden. Deze "gezangen” hadden in de huisgezinnen destijds een grote plaats. Rond het harmonium werden deze door heel het gezin gezongen. Er waren er heel veel bij, die de taal van het hart vertolkten. De dichters stamden uit de tijd van de Reformatie of uit de kringen van het Piëtisme. Ze werden thuis uit volle borst gezongen. Ze vonden instemming. Predikanten die bezwaar hadden om deze te zingen tijdens de kerkdiensten, citeerden ze echter vrijmoedig. Maar niemand vroeg er feitelijk om deze nu ook te zingen in de kerk. Daar bestond vrijwel geen behoefte aan. Om de eenvoudige reden dat we de kerkdienst hoog wilden houden. Het werd namelijk geweten dat allerlei gezangen toch niet vrij waren van ketterse smetten. Ook de reeds genoemde Synode wist er van dat vrijgave van vrije liederen gevaren in zich bergt  voor het geestelijk welzijn van de kerken. Heeft ook Hendrik de Cock niet geschreven tègen de gezangen, die hij Sirenische minneliederen noemde? O tempora, o mores!
Op deze wijze hebben vrije liederen heel lang hun plaats onder ons gehad. Dat is ook een veilige weg. Bijbelse gezangen kunnen gerust gezongen worden, maar niet tijdens de kerkdienst. Volg daarin de veilige weg. Tijdens andere gemeentelijke samenkomsten, die een minder officiëel karakter dragen, kan gerust eens een bekend en geliefd gezang gezongen worden. Denk aan de Kerstviering van de Zondagschool. Zingt men in allerlei gemeenten graag vrije liederen of gezangen, waarom belegt men dan niet avonden in de week, buiten de kerkdiensten om,  om deze te kunnen zingen?
Ook van deze gezangen, die soms al eeuwen oud zijn, moet gezegd worden, dat het gevaar van insluipende dwalingen een reëel dreiging is.
Opwekkingsliederen vormen een andere groep liederen, anders dan de oude gezangen. Inhoudelijk moet gezegd worden dat deze voldoen aan andere kenmerken. De inhoud is vlotter en vrolijker gesteld, ze sluiten aan bij het moderne levensgevoel, ze worden niet zozeer gehinderd door de diepten van psalm 130 en de bekommering van bijvoorbeeld de dichter van psalm 38. Een gezindheid zoals we die vinden in psalm 119 vinden we ook niet zo snel terug in de bundel Opwekking. In die psalm spreekt liefde tot de wet en Gods bevelen en ook dat is niet de sterkste kant van velen uit onze dagen.
Wat in vorige artikelen over de Evangelische kringen reeds werd opgemerkt, doet zich dus ook hier voor. Men beperkt zich tot de meer opgewekte zijde van het Woord van God.
We mogen stellen dat opwekkingsliederen nog een stap verder gaan in een verkeerde richting dan de gezangen, die vroeger meer in de belangstelling stonden.

De kern van mijn betoog is dat de psalmen een evidente meerwaarde hebben, als we deze vergelijken met de zangstof van allerlei tijden.
Dan moeten we dus ook in principe, maar vooral ook uit principe de psalmen aanhouden en deze niet inruilen. Ze staan het dichtst bij Gods Woord en ze zijn geïnspireerd door de Heilige Geest. Dat is de veilige weg.
Onze kerken hebben een verkeerde ontwikkeling ingezet door het spoor van de psalmen als de unieke stof voor de gemeentezang te verlaten en een zijlijn op te gaan, die vroeg of laat leiden zal tot ontsporing. Laten we ons aan de psalmen houden.
In de psalmen blijkt de volle rijkdom van Gods genade. Velen zullen dat bestrijden. Men zal zeggen dat de psalmen de Nieuwtestamentische toonzetting missen. In de psalmen wordt niet gezongen over Christus. Deze opmerking is enigszins te begrijpen ware het niet dat de psalmen spreken over de komende Christus. In feite geldt dat bezwaar niet.
Het moet echter gezegd worden, dat eigentijdse liederen iets anders missen. Het werd reeds aangegeven, dat deze niet de volle en diepe weg der zaligheid bezingen, zoals Gods Woord dat doet. Ze zijn te hoog ingezet, beginnen te vroeg over de vreugde en blijdschap en vertonen het beeld van die twee reizigers uit Bunyan’s Christenreis die over de muur geklommen waren. De psalmen beginnen waar God begint en waar al Gods kinderen terechtkomen en vanwaaruit zij verlost worden. Door heel de Psalmenbundel treffen we de kennis der ellende en de droefheid over de zonde aan. Daarom zei Luther dat er Paulinische psalmen bestonden voordat Paulus er was. De weg der genade is een weg voor en van alle tijden. Gods kinderen zullen een sterk gemis ervaren in de liederen van deze tijd. Ze zullen ook niet direct aansluiting ervaren bij allerlei andere opvattingen over Christus en Zijn genade.
Er zijn bezinnende vragen te stellen. Kan de tollenaar in onze diensten meezingen? Is er in de gemeentezang plaats voor gebroken levens en verslagen harten? Mag de volle Christus in Zijn ambten en bedieningen gehoord worden? In de psalmen zien we de heiligen in het hart. Dat maakt de psalmen uniek en bijzonder.
Laten we als voorgangers putten uit de volle schat van deze kerkliederen. Er treedt nooit een gevoel van verzadiging op.

Maar zingt u, lezer, de Psalmen reeds mee? Vindt u persoonlijk aansluiting bij de toon van de psalmen? Bent u ook in de diepte begonnen? Dat zijn gewichtige vragen. Klimt u mee op naar de hoogte?
Nu ik met dit onderwerp bezig ben, zie ik dat er nog meer te zeggen is. Daarom doe ik dat in  volgende artikelen. Ik wil dan ook nog eens aandacht vragen voor het genoemde Synodebesluit, want dat is een heel bijzonder besluit. Leerzaam in meerdere opzichten!

           

GEMEENTEZANG [2]

In dit tweede artikel zou ik graag uw aandacht vragen voor het Synodebesluit van onze kerken inzake het kerkelijk lied. De GS 2004 hield zich ermee bezig.
Er zijn veel woorden gebruikt bij deze besluitvorming. Een Synodebesluit bestaat veelal uit verschillende vaste onderdelen. De Synode neemt kennis van iets, constateert daarna en overweegt verder, is van oordeel en besluit na het onderdeel: spreekt uit. Elk genoemd onderdeel wordt nader beargumenteerd.
Onder de constateringen wordt uitgesproken dat er op dit terrein geen eenheid heerst. Men stelt dat de meerderheid van de kerken zich niet houdt aan de Synodale bepalingen. Dat is een hele uitspraak. Gemeenschappelijke uitspraken staan onder ons dus onder zware druk. Ieder gaat gewoon een eigen weg. Er is al eens meer gewezen op een zekere independistische trek. Betekent deze constatering niet dat de eenheid in onze kerken ontbreekt? Tonen jongste ontwikkeling ons niet haarscherp aan dat er sprake is van een verregaande afkalving van de waarheid?
Toch wil men bij allerlei gelegenheden ons doen geloven dat er een geestelijke eenheid is. Zo’n uitspraak komt dan vreemd over als we horen dat deze Synode zo’ n duidelijk gevoel van eenheid heeft gegeven. In het algemeen leeft de gedachte dat de liedkeus behoort tot de vrijheid van de plaatselijke kerken, ondanks artikel 69 KO.

Wat zal men nu doen om de gesignaleerde vrijheden in te dammen? Geldt ook hier feitelijk niet wat we in de politiek vaak zien, namelijk dat allerlei verkeerde praktijken vragen om legalisering?
In het volgende onderdeel, de overwegingen, staat heel wat te lezen. Hier wordt heel positief en waarderend gesproken over de Psalmen. Via allerlei vrije liederen zijn er dwalingen de kerk ingeslopen. Een typisch Synodaal geluid, kenmerkend ook voor meerdere besluiten onder ons, luidt dat de Schrift het zingen van vrije liederen niet verbiedt, noch gebiedt. Er gelden dus geen Bijbelse regels voor. Maar dat is feitelijk niet waar. Inhoudelijk geeft de Bijbel zeker wel regels over deze zaken. Dat geeft de Synode zelf al aan als er staat dat in de Psalmen de Schrift zelf aan het woord komt. Gebieden noch verbieden, het lijkt een waardevrije zaak te zijn. Dergelijke uitdrukkingen bergen het gevaar in zich om te gaan hinken op twee gedachten. Er worden beslist goede dingen gezegd van de Psalmen, maar tegelijkertijd wordt de wissel omgezet voor de "zijlijn”, het zijspoor. Waarom wordt in dergelijke besluiten vaak zo waarderend gesproken over datgene wat feitelijk niet meer wordt geaccepteerd? De Psalmen zijn uniek en tegelijk zoeken we een zijspoor, om ons heil te verwachten van iets dat nìet uniek is. Natuurlijk is het verheugend dat een Synode zulke mooie dingen zegt over datgene wat ons lief behoort te zijn. Maar men krijgt feitelijk de indruk dat deze toegezwaaide lof dienen moet om tegenstanders gerust te stellen. Deze constateringen moeten de pijn wegnemen als uiteindelijk het spoor verlaten wordt.

Onder het "van oordeel” worden zaken genoemd, waar we allen over moeten nadenken. Er wordt namelijk gesteld dat prediking en kerklied niet los van elkaar staan. Met andere woorden: als het vrije lied domineert, is de preek navenant. Dat zegt ons hoogste gezagsorgaan. Wat dan te denken van hen die rijkelijk laten zingen uit allerlei vrije liederen? In welk opzicht is dan de prediking daarvan de dupe? Vinden die preken geen aansluiting meer bij de diepten van gemis en ontdekking, waarover de Psalmen spreken? Zijn  zulke preken vervreemd van het Bijbels gehalte? Hoe heeft de Synode deze zaken bedoeld? Met betrekking tot dit oordeel heeft de mistige aanduiding van "gebieden noch verbieden” geen grond. Het gaat wel wezenlijk om halszaken. Wat zeggen onze broeders hier nu van, die hun preken sieren met opwekkingsliederen bij de vleet? Blijkt hieruit niet dat onze kerken afdrijven naar de Evangelische beweging en vervreemden van het afgescheiden beginsel?
Het moge ons de ogen openen. Velen hadden natuurlijk al lang en breed het vermoeden, dat rond de verandering van kerkzang ook de prediking zich wijzigt. Maar nu zegt de GS het zelfs.
Wij moeten helaas constateren dat onze kerken tot op het bot verdeeld zijn. In kerkzang, vertaling, prediking, in beleving en geloof, in ethische zaken zoals bijvoorbeeld homofilie. Het zou zo nuttig zijn daarover te spreken, vanuit die constatering dat er geen wederzijds verstaan meer is bij velen.
In het verlengde hiervan wordt dan ook gezegd dat het vrijgeven van het vrije lied een breuk betekent met onze eigen kerkgeschiedenis en gevaren in zich bergt voor het geestelijk welzijn van de kerken.
Ja, en dan gaat de Synode zelf zelfs spreken van een schijnoplossing. Dat is het namelijk als we niet erkennen dat het om een geestelijk probleem gaat.
Hier behoeft weinig meer aan toegevoegd te worden. Het ìs namelijk te vrezen dat de Synode een schijnoplossing geboden heeft. Heel goed bedoeld en ernstig gemeend door velen en toch geen echte
oplossing.
De ambivalente toonzetting van het GS-besluit geeft zo ongeveer het klimaat in onze kerken aan. Reeds jarenlang hebben we met twee woorden gesproken, ook als het met één woord kon. U begrijpt nu misschien beter waarom ik schrok, toen ik kennis nam van de preciese bewoordingen van dit besluit.

Denken we nu aan de lofzang die de Heere Jezus heeft gezongen, kort voor de aanvang van Zijn lijden. Hij heeft Zich geheel verklaard gezien in de psalmen, die toen door Hem werden gezongen. Deze lofzang betekende de eer van Zijn Vader en de verloochening van Zichzelf. Toch zeggen velen dat Christus niet bezongen wordt in de oude psalmen. Begin dan eens bij Hem, Die Gods heilige wet droeg in het binnenste ingewand. Ik zal u dan niet vermoeien met gebod op gebod en regel op regel, maar ik mag toch wel aandacht vragen voor de Zoon van God, Die het centrum vormt van alle verlossing en zaligheid. Dat is toch de kern. Hoe diep zonk deze lofzang in Zijn heilig gemoed. Hij heeft Zich willen aansluiten bij de Kerk van het oude verbond, bij de geloofstaal van zovelen voor Hem. Hij zong de lofzang en Zijn gehele leven wàs een lofzang. In dat licht bezien is onze kerkelijke handel met het kerkelijke lied ver beneden de maat.
Wat dus te zeggen van bedoeld besluit? Wel, zou ieder zich daaraan nu houden, dat kon er begrip voor opgebracht worden. Dan waarderen we het ook, dat de afgevaardigden hebben getracht de Psalmen vast te houden. Maar als de praktijk zich zo ver vervreemdt van het besluit, als feitelijk het hek van de dam is, dan hebben deze mooie woorden geen nut en geen zin.
En over die praktijk spreekt de Synode zelf het oordeel uit!

           
GEMEENTEZANG [3]

Wij hebben de psalmen lief om het Bijbels karakter, waardoor ze gekenmerkt worden. Het is daarom goed ook inhoudelijk nader in te gaan op het karakter van ons psalmboek.
We kunnen aan alle kanten lessen vinden die vanuit de psalmen tot ons komen. Naar links en rechts toe moeten we telkens weer ons laten gezeggen door wat de Heilige Geest ons daarin leert.
De inhoud van het hele psalmboek vinden we geconcentreerd terug in psalm 130. Wat we hier lezen, is bepalend voor de gehele psalmbundel.
Beschouwen we deze psalm nader, dan worden we getroffen door de kracht van het geloof dat zich daarin openbaart.

hoogte

In deze psalm en in vele andere psalmen zien we twee dingen. Het eerste wat opvalt is, dat de dichters weliswaar grote nood en ellende gevoelen, maar zij blijven daar niet in steken. In vrijwel alle psalmen wordt de uitweg gevonden en mag de dichter zich vastgrijpen in de beloften Gods. Is dat niet een gegeven dat bepalend is voor het ware geloof? Psalm 130 bijvoorbeeld begint zo totaal in de diepte, maar deze psalm eindigt op zeer grote hoogte: "Hij zal Israel verlossen van àl zijn ongerechtgiheden”. Hij zegt dit terwijl hij nog wel in de diepten van vers 1 verkeert. We zouden aan het slot menen dat hij daaruit reeds verlost is; maar nee, terwijl hij nog in dezelfde situatie zich bevindt, daagt er hoop en redding in zijn hart en is de verlossing reeds doorgebroken in zijn ziel. Uiterlijk is er niets veranderd, maar innerlijk worden zijn voeten op een rotssteen gesteld. Dat is geloof! Natuurlijk kan een mens een lofzang zingen, als hij uit de benauwdheid is gered en de omstandigheden gewijzigd zijn. Maar dat is hier niet gebeurd. Verkerend ìn de diepte, stijgt hij door het geloof op naar de hoogste hoogte.
Velen, ook van Gods kinderen, kunnen hier in de leer gaan. We zijn allen geneigd om altijd maar weer, als Petrus, op de omstandigheden en op de golven van de tijd te zien. Zijn we ruim gesteld, dan kunnen we daarvan zingen. Wijzigen zich de omstandigheden in gunstige zin, dan zijn we verruimd. Maar het gaat er hier nu om dat hij die de Heere vreest, op de Heere vertrouwt, ook al wandelt hij in de duisternis.
Al is er nog geen enkele teken van redding en genade, toch weet deze psalmist dat er hoop is. Deze hoop ontleent hij aan de gedachte dat er bij de Heere vergeving is. Niet daaraan dat hij persoonlijk deze vergeving deelachtig is; het lijkt een zakelijke constatering als hij zegt: "Bij U is vergeving” , maar het geeft hem toch persoonlijk moed en steun. En zo klimt hij omhoog als via en ladder. Van stap tot stap klimt hij hoger. Hij bouw de ene gedachte op de ander en zo komt hij boven de wateren van ellende en verdrukking uit. Tot de hoogste top!
Ik weet niet in welke geestelijke situatie de lezer zich bevindt. Het zou heel goed kunnen, want het komt vaak voor, dat u in een geestelijke impasse verkeert. Ligt hier dan geen onderwijs voor uw innerlijke gesteldheid? Legt u zich misschien gelaten neer bij de gedachte dat het nu eenmaal toch niet anders is? Dreigt dan niet het gevaar van gewenning aan een ongeloofsweg?
Stel eens dat iemand een levensbedreigende kwaal heeft. Hij hoort dat van de arts en hij is er geheel verslagen onder en verlegen mee. Het lijkt hopeloos. Maar nu hoort hij van iemand dat er in Nieuw Zeeland een middel is, dat hem zou kunnen helpen. Al zou er slechts een kleine mogelijkheid zijn dat hij zou kunnen genezen, dan toch zou hij enige hoop krijgen. Zo liggen de zaken nu ook geestelijk.
Geloof bloeit het meest tegen de verdrukking in, juist als er soms niets zichtbaar verandert. Is er in Christus geen redding en hulp voorhanden? Is de arm des Heeren verkort? Heeft de Heere niet vele en rijke beloften gegeven aan Zijn kerk? Al zou er slechts één belofte staan in de Bijbel, die speciaal uw toestand betreft, dan ligt in die ene belofte uw redding. Hoeveel te meer nu, als zovele beloften in Christus je en amen zijn? 

diepte

Maar nu is er nog een tweede duidelijke les in de psalmen. Ik denk nog meer weer even aan psalm 130. Deze psalm begint in de diepten. Diepten van ellende. De diepte wordt nog ernstiger, als dieper afgedaald moet gaan worden in de schuld van de zondaar. Wie zal bestaan, als Gij de ongerechtgheden gadeslaat? Daar loopt hij helemaal vast. Er lijkt voor hem geen enkele verwachting meer te zijn. Hij komt aan het einde van al zijn kennen en kunnen. Hij komt met zichzelf geheel uit in de dood. Alle hoop wordt hem ontnomen en afgesneden.
Juist dàn daagt er hoop buiten het eigen assortiment van mogelijkheden. Dan kan hij niet anders dan hopen op God in Christus.
Wat opvalt in onze tijd is dat heel veel kerkgangers deze weg niet willen gaan. Men heeft de gedachte dat men in de uitzichtloosheid eindigt. Men acht het te somber en te benauwd. Men komt immers in de kerk om wat verlichting te krijgen. Men wil met wat pijnstillers gered zijn. Maar een echte dreigende kwaal raakt u op die manier niet kwijt. Uiteindelijk moet het scherpe mes van de chirurg er aan te pas komen. Gods kinderen, allen, hebben in de dood het leven gevonden. Maar velen zoeken dat niet. Feitelijk zoeken u en ik dat ook niet, maar de Heere wil daar wel voor inwinnen.
Wij willen niet ontkleed, maar overkleed worden. De eigen wil en het eigen programma van de mens komen juist in deze dagen van mondigheid ook in de kerk duidelijk naar voren. Soms is onkunde hiervan ook de oorzaak. We geloven dan niet dat juist in de weg van sterven het leven ligt. Dat kan het verstand ook niet geloven en verstaan. Gods Woord tekent deze gestalte ook, als we bijvoorbeeld lezen in Jesaja 30:10 dat men zei: "Schouwt ons niet wat recht is, spreek tot ons zachte dingen, schouwt ons bedriegerijen”. Het kan heel ver gaan op de weg van verblinding en zelfbedrog. Ieder van Gods kinderen heeft dat bij zichzelf waargenomen.
De discipelen spraken tot de hoogste Prediker: "Wie kan dan zalig worden?” Die vraag is heel bekend. Ook nu nog. Maar, als we met die vraag bij Hem terecht mogen komen, zijn we op het beste adres.
Hoe ernstig als ons verzet blijft bestaan en we ons afkeren van Christus Zelf en Zijn Woord.
Er zijn kerkgangers die er nauwelijks mee kunnen leven, dat er temidden van veel andere, toch ook een of twee psalmen op het bord staan, die de nood en de strijd bezingen. Deze mensen zullen met open armen ontvangen worden in evangelisch getinte groepen. Daar is de hele sfeer een andere. Ik hoorde het pas nog iemand zeggen dat hij daar verlost werd van dat "arme-zondaars-gevoel”. Dat willen we niet. De ramen moeten wagenwijd open, zonder enige belemmering. Maar, wie het verstaat, is dankbaar dat de psalmen beginnen in die diepe nood, dat ze beginnen in ònze persoonlijke nood. Hoe dankbaar was u toen u uw geestelijke toestand en noden terug mocht vinden in Gods Woord. Hoe onderwijst de Heere Jezus Zijn Kerk, als juist Hij in Zijn lijden en strijd aansluiting vond bij de psalmen. Bij een woord, zo radikaal en diep, als het bekende woord uit psalm 22: "Mijn God, Mijn God, waarom hebt gij Mij verlaten?” We vergeten vaak dat David deze klacht uitte lang voordat de Zaligmaker verscheen. Nu zoekt Christus als het ware Zijn Kerk op in hun diepste dalen en Hij werd in al hun benauwdheden mede benauwd. Daarin ligt dan juist redding en zaligheid.

We kunnen, tenslotte, strijden voor de psalmen en we kunnen verzet aantekenen tegen allerlei wildgroei. Maar het gaat er feitelijk enkel en alleen om of we in waarheid de beleving van de psalmen nog kennen. In allerlei kerkelijke tegenstellingen sluipt zo spoedig het eigen gelijk in. Alleen vanuit de persoonlijke bevinding van deze zaken kunnen we op de rechte wijze strijden voor het Woord en de waarheid Gods. Dan gaat het niet alleen om waarheden, maar vooral om Hem, Die de Waarheid Zelf is. Mogen we dat in onze kerken verstaan en beleven?
           


De Muur          2009

De val van de Berlijnse muur is met veel emotie herdacht. En dat kunnen we ons voorstellen. Wat een drama’s hebben zich voltrokken op allerlei plaatsen langs de muur, toen de DDR zich hermetisch afsloot van de buitenwereld. Men bouwde de eigen gevangenis en ommuurde de eigen vrijheid. Vandaar dat de Duitsers met dankbaarheid hebben mogen terugdenken aan de "Wende” van twintig jaar geleden.

De val van de muur heeft destijds ook op mij een buitengewoon diepe indruk gemaakt. Daarom wil ik er ook enige aandacht aan wijden. Het lijkt een politiek onderwerp, maar er lopen verbindingslijnen met de geestelijke machten, die deze wereld beïnvloeden. De doorbraak door de muur in Berlijn betekende tevens de val van het Communisme.
Uit mijn vroege jeugd herinner ik me de schijnbaar grenzeloze macht, die het Communisme had. Ik spreek dan over de tijd van Molotow, Beria en Malenkow, namen die je als kind deden beven. Zwarte pakken en zwarte dassen en dat riep gewaarwordingen op. Zij vormden het Politburo, het gevreesde machtsmiddel in Rusland. Dat land had bloedige tijden meegemaakt onder Lenin en Stalin. We waren in de vijftiger jaren vertrouwd met het idee dat dit communisme de gehele wereld zou veroveren. Voeg daarbij de gedachte dat het communisme het christendom als een verklaarde vijand beschouwde, dan begrijpt u dat de toekomst er voor het Westen niet rooskleurig uitzag. De ondergrondse kerk in Rusland werd bloedig vervolgd. Het bekende boek van Orwell over 1984 gaf uiting aan de totalitaire staatsidee, die belichaamd was in het Marxisme. Ouderen zullen het zich met mij herinneren. Het scenario van de toekomst zag er donker uit.
Je zou een vergelijking kunnen trekken met de aanzwellende macht van de Moslims. Velen leven met de gedachte dat het Westen ten offer zal vallen aan de Islam. Ik weet nauwelijks hoe jonge mensen dit beleven, maar ik kan mij voorstellen dat zij nu in deze tijd huiveren als ze denken aan de wreedheid van de Islam. Toch was de dreiging van het communisme voor mijn gevoel toen erger dan die van de Islam nu. Dat kwam ook door de bewapeningswedloop van de koude oorlog. Aan beide zijden werd gewerkt aan kernbewapening. Zowel Amerika als Rusland zeiden zich te bewapenen om zich te kunnen verdedigen tegen de vijand. Het was echter duidelijk dat Rusland ook dacht aan het offensief, aan de aanval en de verovering van het Westen. Marx had immers de proletariërs aller landen opgeroepen zich te verenigen. De Marxistische revolutie zou de gehele wereld overspoelen. Dat stond als een paal boven water. Iedereen geloofde dat.
Het communisme van Marx, ook wel in die dagen socialisme genoemd, stond een klassenloze maatschappij voor. Haar beginselen stoelden op de egalité (gelijkheid) van de Franse revolutie. "Marx meende hierin een nooit-aflatende klassenstrijd te zien, waarbij uiteindelijk via een revolutie gevolgd door een 'dictatuur van het proletariaat' (in Marx' opvatting is er onder het kapitalisme een dictatuur van de kapitalisten) het communisme opgebouwd kon worden”(Wikipedia).
Toen Gorbatschov secretaris generaal van de communistische partij werd, was er sprake van een kantelend tijdperk. Hij stond openheid (glasnost) voor naar het Westen en hij vatte zijn visie samen met de term perestrojka (herstructurering).
Het is middelijkerwijs aan zijn beleid te danken, dat de muur uiteindelijk is gevallen. Toen een zo machtig imperium als het communisme viel, leek het een apocalyptische gebeurtenis. Het was de vervulling van Babel’s val. Het kon niet anders, dit had God gedaan. Er was nog een ander gebeuren dat eenzelfde reactie bij mij losmaakte en dat was de overwinning van Israël in de zesdaagse oorlog. Ook die gebeurtenis leek tastbaar en zichtbaar te maken dat God regeert. Dat blijkt natuurlijk in alle zaken in de wereld, maar in deze twee feiten kwam dat wel duidelijk en onweersprekelijk uit. Zo liep de dreiging van het communisme als een luchtballon leeg.
Het zou voor Duitsland een buitengewone krachttoer worden om de beide delen van het ene volk weer tot een eenheid samen te smeden. Er was vaderlandsliefde voor nodig bij West Duitsland om de economische gevolgen te kunnen overzien van de wederopbouw van het Oostblok.
Een overwinning voor de vrijheid. Toch hebben veel Oostblokkers dat zo niet gezien. Ook voor hen waren de tijden nauwelijks bij te houden. Zij kwamen in aanraking met de decadentie en het moreel verval van het Westen; dat was onder het communisme zo niet. Nog recent werd in Moskou een demonstratie van homo’s verboden. Dat was twintig jaar geleden in versterkte mate het geval. Het Westen had het Oosten niet alleen vooruitgang te bieden; helaas spoelden er ook golven wetteloosheid door de opengebroken muur mee naar binnen. De hooggeroemde vrijheid van het Westen was en is een bandeloze uitbraak van een mensheid, die door alle dammen en dijken heenbreekt. Het was niet allemaal goud van de vrijheid wat er blonk. We hebben een andere vrijheid nodig.
Zo liggen er lessen in de val van de muur. De voornaamste les is wel dat God wonderen doen kan. Denken we maar aan de muren van Jericho. Het leert ons ook voorzichtig te zijn als we spreken over de toekomst. We maken wel eens berekeningen over een spoedig einde van de wereld. Twintig jaar geleden leek het einde nabij. Maar plotseling voltrok zich een wending in de geschiedenis. Dat kan ook nu weer zo gaan. Van die dag en die ure weet niemand. Nu lijkt het erop, dat de wereld niet zal ontkomen aan een andere antichristelijke macht, namelijk de Islam. We kunnen ons heel goed voorstellen dat deze macht zal aanzwellen, ook in Nederland. Maar zoals het toen was is het ook nu: de dingen kunnen maar gaan zover de Heere het toelaat. Onze jeugd, die ongetwijfeld denkt aan haar toekomst en die zo afhankelijk is van die toekomst, mag hoger zien dan Berlijn of Mekka. Dat is een troost. Maar dat is ook een reden om bereid te zijn. In de ure waarin we het niet verwachten, zal de Zoon des mensen wederkomen. Daar moeten we meer mee  bezig zijn.

Nu trof mij een zin in een artikel, dat als volgt eindigde: "Bouw díe muur maar weer op”. Daarin ging het om de muur van de Gereformeerde gezindte. De muur van Berlijn kan verbonden worden met andere bestaande muren. Er zijn vele andere politiek getinte muren in de wereld. Er zijn zelfs ook in de kerk allerlei muren, die belemmerend kunnen werken en ons het gevoel kunnen geven dat we opgesloten zitten. We kunnen denken aan kerkmuren, die de kerkelijke wereld verdelen. Er zijn kerken met hoge muren. We horen veel mensen de wens uitspreken dat die muren toch maar geslecht mogen worden. Zoals er staat in Efeze 2 dat de middelmuur van scheiding door Christus is teniet gedaan. Daarin gaat het om de muur tussen Joden en heidenen.
Er zijn kerkmuren die de vrijheid belemmeren, zeker. Ze kunnen echter met fanatieke kracht in stand gehouden worden. Wie kennis neemt van de niets ontziende wil om de muur rond de DDR hermetisch af te sluiten, ziet parallellen met kerkelijke scheidingen. De muur van Berlijn toonde een gesloten systeem. Een dergelijk systeem wordt met blinde ijver gehandhaafd. Wat binnen is, is goed, wat buiten de muur leeft, is fout. Alles buiten vormt een bedreiging. Op dezelfde wijze kan ook een kerk een gesloten stelsel zijn. Een ondoordringbaar systeem! Eenzelfde streven kenmerkte in vroeger tijden de kloostermuren, die ook een onherroepelijke scheidslijn trokken. Gods Woord keurt dergelijke muren niet goed. We moeten er niet naar streven om uit de wereld te gaan. Het gesloten communistische systeem zag in de vrijheid een bedreiging. Ten onrechte en soms ook terecht. De kerk achter het ijzeren gordijn, hoe vreemd het ook mag klinken, zal niet beter geworden zijn van de vrijheid, die het Westen te bieden had.
Ook wij worden daar immers niet beter van. Hoezeer ook de muur van Berlijn en de verschillende kerkmuren de echte vrijheid kunnen belemmeren, de gewenste openheid heeft heel wat nadelen opgeleverd. Ik heb eens de gedachte horen uiten dat het Piëtisme zich wil terugtrekken uit de wereld (daar hebt u de kloostermuur) en dat het Methodisme overmoedig de wereld in wil trekken om de mensen te bekeren (hier zien we de openheid).
De schrijver van het boven aangehaalde zinnetje wil de muur weer opbouwen. Dat lijkt een dwaas idee. Wie zou dat nu nog willen in Duitsland? Niemand. Maar hij doelde op de muur rond de kerk des Heeren. Er is een scheiding tussen kerk en wereld. Deze is niet te vergelijken met een muur, die ondoordringbaarheid uitstraalt. Er zijn poorten en vensters in de muur die ons omgeeft. Maar wat gebeurt er als de muur helemaal gesloopt zou worden? Als de scheidslijnen tussen kerk en wereld opgeheven zullen zijn? Zijn we ons bewust welke krachten er achter de muur leven? Beseffen we het gevaar van de wereld om ons heen? En natuurlijk ook van de wereld binnen de muur, in onze eigen gelederen? Ik kom er zo maar niet uit als ik antwoord moet geven op de functie en de gestalte van die muur. Het nieuwe Jeruzalem kent een grote en hoge muur met daarin twaalf poorten. Wel poorten, maar toch een muur. Die poort zal de gedachte vertolken van  scheiding tussen licht en duisternis, tussen binnen en buiten. De poorten symboliseren de gedachte dat er vrije toegang is voor geredde zondaren.
De muur tussen kerk en wereld mag niet afgebroken worden. Niettemin leeft bij velen de gedachte dat we deuren en vensters open moeten stoten. Een concreet voorbeeld daarvan is de discussie over contextualisering (een brug slaan tussen het Evangelie en onze postmoderne cultuur). Het is eerst nagaan wat dat Evangelie toen in de ontstaanstijd betekende voor die cultuur en vervolgens nagaan wat het voor onze cultuur betekent. Een goede gedachte. Maar als we gaan spreken over postmodern Gereformeerd, lijkt het erop dat we helemaal van de muur afwillen, ondanks de twaalf poorten. Met andere woorden: er is een open deur naar de wereld, maar die deur blijft alleen maar functioneren in een muur of een wand. Als ik me niet vergis heb ik de idee van contextualisering met andere aanduidingen al eerder horen uitspreken in verband met zaken als de Hemelvaart van Christus en de positie van de vrouw. Toen, in de Bijbelse tijd, waren er die opvattingen, maar dat is nu, in onze cultuur, veranderd.
We moeten hier wachters op Sions muren blijven. Deze zijn er niet voor niets. Ze willen de gedachte uitroepen dat er buiten de ommuurde schaapskooi gevaar dreigt voor de kudde. 
Onze jeugd leeft binnen de omheining van de gemeente. In Christus geheiligd betekent ook: afgezonderd van de wereld. Dat komt uit in het woord: Vlied de begeerlijkheden der jonkheid. Of ook: Gaat uit het midden van haar (Openb.18:4). Er worden in onze dagen veel poorten opengehakt die een verkeerde doorbraak bewerken. De poorten van Internet, van de mobiele bereikbaarheid, van de Televisie, van de Radio, van de mode, van de dwaalleer, van de begeerlijkheid der ogen, zij roepen verbroedering uit. Maar een poort kan pas dienst doen als er controles plaats vinden van het uitgaande en inkomende verkeer. Gaat het om een vriend of een vijand? Die vraag is belangrijk. In de poorten van vroeger was ook een pas nodig. Want eenmaal komt de grote passencontrole. Het is goed als we ons daarop voorbereiden. Dan gaat het toch om de vraag of we hier een afgezonderd volk zijn geworden.
Het allervoornaamste zal zijn dat we door de Deur, Christus, zijn ingegaan. Wie door Hem ingaat, zal door Hem behouden worden. Daar heerst vrijheid, want hij zal ingaan en uitgaan en weide vinden. Wat hebben we dat allemaal nodig. Deze Deur wenkt en staat nog open. Buiten deze Deur is enkel duisternis en dreiging. Achter deze Deur wacht de veilige schaapskooi. We hebben de vrijheden van de wereld niet nodig, als we in Hem het leven hebben gevonden. Buiten Hem is er de muur en dat betekent dat er buiten de Heere Jezus geen toegang is in het Koninkrijk Gods. Zijn we al op weg om binnen de poorten van de vrijstad rust te vinden? De Heere nodigt daartoe: In dien iemand, wie ook maar, door Mij ingaat, die zál behouden worden.