Over de volgende personen uit de BIjbel volgen hier nu enkele overwegingen:
 
Abraham
Cores
David
Eliza
Eva
Jabes
Joab
Jonathan
Mozes
Paulus
Pilatus
Salomo
Sara
Simson
Sullamith
 
ABRAHAM, DE VREEMDELING

 

 

"Door het geloof is Abraham, geroepen zijnde, gehoorzaam geweest, om uit te gaan naar de plaats, die hij tot een erfdeel ontvangen zou; en hij is uitgegaan, niet wetende, waar hij komen zou.

Door het geloof is hij een inwoner geweest in het land der belofte, als in een vreemd land, en heeft in tabernakelen gewoond met Izak en Jakob, die mede-erfgenamen waren derzelfde belofte.

Want hij verwachtte de stad, die fondamenten heeft, welker Kunstenaar en Bouwmeester God is” Hebr. 11:8-10).

 

Reiziger

 

Als bij iemand ooit gebleken is dat het geloof een onrustig ding is, dan is dat wel bij Abraham. Het geloof houdt meer in dan slechts het aannemen van de belofte. Hij moest meer dan duizend kilometer te voet afleggen om de belofte te bereiken. Want deze belofte was immers het land Kanaän. Geloven stond op één lijn met zwerven.

Ogenschijnlijk is hij er ook niet beter van geworden. Uit een stad, vol cultuur en beschaving, moest hij trekken, wonend in tenten, naar een onbekend land, waarvan hij niets wist. Hij wist niet of het een woestijn was of een land, vloeiend van melk en honing. Hij wist niet waar het lag en hoever het was. Zijn leven kan in dat opzicht lijken op één grote teleurstelling, want de belofte heeft hij tenslotte in zijn aardse leven niet kunnen aanschouwen met eigen ogen. Hij heeft er nimmer enige akker in eigendom gekregen om daarvan te kunnen genieten. Het eerste en enige stuk grond in Kanaän was niets meer of minder dan een begraafplaats, waar Sara werd begraven. Dat was zijn enige eigendom. Hij heeft het nog duur moeten betalen ook. Toch heeft Abraham nooit spijt gehad van zijn uitgaan. Hij had tijd om terug te keren, zo lezen we in Hebreën 11, maar daaraan heeft hij nooit willen denken.

Het leven uit de beloften is een moeilijke bezigheid, zo lijkt het. Maar het biedt voldoende vreugde en bezit, om het vol te kunnen houden.

 

Het gaan van Abraham naar Kanaän vraagt enige overdenking. Hoe is het in zijn werk gegaan? In 11:31 kunnen we lezen dat Terah, de vader van Abraham, met twee van zijn  zonen uittrok naar Haran. Tevoren was in Ur overleden de broer van Abraham, Haran (11:28). Nadat vader Terah met zijn beide zonen naar Haran was getrokken, stierf vader Terah in Haran, halverwege de weg naar Kanaän. Zijn broer, Nahor, bleef in Haran en trok niet verder mee.

Deze gegevens zijn opmerkelijk. Waar kreeg Abraham zijn roeping om naar Kanaän te gaan? De indruk ontstaat dat dit in Haran is geweest, maar we lezen desondanks nadrukkelijk in Hand. 7: 23 dat hij te Ur zijn roeping ontving. We krijgen de volgende overwegingen, die ook voor ons heel belangrijk zijn.

De reis van Abraham naar Kanaän verliep in twee fasen. Eerst ging de weg naar Haran, daarna leidde de weg verder naar Kanaän. In Ur sterft Haran, in Haran sterft vader Terah en blijft zijn zoon Nahor achter, terwijl Abraham alleen verder trekt. Er zijn mensen die sterven aleer zij uitgetrokken zijn. Zij sterven in het oude leven, zonder zicht op Kanaän. Er zijn er ook, die een eindweegs meegaan, maar zij bereiken het doel niet. Nahor blijft achter in Haran en maakt de reis niet af. Zo kan het gaan. Mensen kunnen sterven nadat zij de invloeden van Gods spreken in hun leven hebben ondergaan. Er is in hun leven wel iets gebeurd, maar het is niet genoeg. De vijf dwaze maagden zijn hiervan een teken.

Een derde lijn zien we als Abraham verder trekt en het eigenlijke doel bereikt. Hij alleen, met Lot, komt in het beloofde land. Dit zal er alles mee te maken hebben dat Abraham persoonlijk en alleen de roeping ontving. Deze betrof hem en niet de anderen. Lot werd niet geroepen, maar kwam toch in Kanaän. Gods wegen zijn verschillend en tegelijk hoogst persoonlijk.

Waar leven wij? Ur is beeld van een leven in de wereld. Haran is beeld van een leven tussen kerk en wereld, een leven in vroomheid. Kanaän is beeld van een leven in het beloofde land, in het nieuwe leven, door de poort van de wedergeboorte. Daarbij is Abraham almaar door onderweg. Zijn leven is rusteloos. Vraag uzelf maar af waar u zich bevindt…….

 

Zo moest de vader der gelovigen alles achterlaten. Dat zal hem niet mee gevallen zijn. Ur was zijn vaderstad, hij was daar ooit thuis. Verder moest hij in Haran zijn maagschap ook nog achter zich laten. Hij moest alleen verder. Hij was niet gedoopt, maar de woorden van het formulier heeft hij moeten inleven; we moeten de wereld verlaten.

Kunnen we dat ooit? Afstand doen van alles wat ons lief en dierbaar is? Dit heengaan, hoe onmogelijk ook, werd mogelijk doordat de Heere hem een erfdeel beloofde. Je moet niet alleen maar staren op wat je verlaten moet, je moet ook letten op hetgeen je in die weg verkrijgen zult. De erfgronden van Kanaän maken alles goed.

Hoewel, wist hij daar nu zo veel van? Hij moest uittrekken terwijl hij niet wist waar hij komen zou. Dat vraagt heel erg veel geloof. Er is geen enkele garantie. Het vraagt alleen maar gehoorzaamheid, zo zegt Hebreen 11:8. Kunnen wij het daar in deze tijd nog wel mee doen? Wat weten we gegarandeerd van de waarheid van de Bijbel? Wat weten we van de hemel? Waarom moeten we alle banden doorsnijden met het oude leven? Haran heeft het nut daarvan niet ingezien. Nahor wel, maar hij raakte het visioen onderweg kwijt. Het kan uiteraard alleen maar als we gezien hebben dat het in Ur niet goed gaat. Dat werd Abraham duidelijk. Maar hij werd vooral ook aangetrokken door het wenkende genadeleven in het beloofde land. Hij had de stem van de Herder gehoord en het spreken van de Heere wekte vertrouwen.

Zo kan de Heere Zij volk leiden naar een onbekende toekomst. Ds. Ledeboer wist ervan. Hij kreeg de opdracht om heen te gaan naar iemand die hem nodig had. Hij zei tegen de koetsier dat hij het paard maar moest laten lopen. Het dier bracht hem in Woerden in een tehuis, waar een stervende vrouw naar hem gevraagd had. Zo hebben meerderen dat mogen ervaren. Misschien anders, niet zo bijzonder, maar wel zeker.

 

Vreemdeling

 

Eenmaal aangekomen in het land der belofte, zouden we ons kunnen voorstellen dat hij verlangde naar een dak boven zijn hoofd. Zo lang in een tent geslapen, nu eindelijk een eigen huis, een woning om er te kunnen leven. Akkers om er te kunnen boeren en schuren om er zijn bezit te kunnen opslaan. Dat zoeken we toch? Dat is toch ons ideaal? De emigranten naar Canada hebben toch net zo lang gewerkt en gezwoegd totdat ze er een thuis hadden? En liefst wat mooier dan in Holland, waar het toen moeilijk was? Dat geldt niet alleen emigranten, we hebben allemaal de tent naar de zolder gebracht en we hebben allemaal gezocht naar een vast en degelijk en misschien ook wel comfortabele woning. Daarom is de roeping van deze aartsvader een moeilijk hoofdstuk voor ons. Het bij ons zo geliefde onderwerp van de integratie was voor hem niet weggelegd. Er moest gestreden worden rond de waterputten. Hoe kon hij dat leven aan? Alles was hem beloofd en niets werd hem gegeven. Het zou altijd morgen gebeuren, maar morgen bracht geen verandering. Hij kon het aan omdat hij de Heere geloofde op Zijn Woord. Hij wist dat het land niet behoorde aan de Kanaänieten, maar aan de Heere. Daarom bouwde hij overal vrijmoedig altaren als tekenen van het Koninkrijk, als een belijdenis dat dit erfdeel hem wachtte.

Wat is dat leven een voorbeeld, een duidelijk vermaan aan ons.

Zo zal het leven van een christen er ongeveer moeten uitzien. Vreemdeling in een land der belofte. In tenten blijven wonen. Wel een eigen graf, maar geen eigen huis. Dat duurde zijn leven lang. Geen echte gemeenschap met de heidenen. Hij sprak hun taal niet en begreep hun leven niet. Hij deed nooit met hen mee. Daar kan een christen al door opvallen. Misschien niet altijd door een vlammend getuigenis, maar als het goed is wel door een afzijdigheid, een niet mee doen. En dat kan bij tijden irriteren. In onze wereld wordt dat een hele toer: niet meedoen. Voor onze jeugd bijvoorbeeld. In de drankkeet of in de disco. Niet mee doen in de klas op de refoschool, rond de TV of in de verslaving van allerlei zaken. Niet meedoen met de modetrends van de tijd, zoals sportverdwazing, keihard materialisme, nog duurdere vakanties,  grotere huizen en auto’s, uitbundigheid tijdens een buurtfeest. Of op een dorp wonend een kerk bezoeken in de regio. Dan wek je de indruk beter te zijn. Zo heeft Abraham het gedaan. Zo zou hij het nog doen.

We kunnen ook anders wereld zijn. Promotie op het werk, een prachtig examen afgelegd, een gelukkig huwelijk met kinderen die het goed doen, wat meer verdienen dan gisteren, denken over een stevig pensioen, over dat soort zaken gaan de reclame’s. Niet over zegen of genade. Doen we daar niet makkelijk aan mee? Toch ook niet verkeerd als moeder erbij gaat verdienen? Menselijk goed te begrijpen, maar is het het vreemdelingenleven? Staat de pelgrimsstaf dan misschien toch te verroesten in de schuur of ligt die achteloos en vergeten op de zolder? Hoezeer blijkt dan dat we wereld zijn. Dat gevaar bedreigde Abraham ook. U leest ook bij hem van kleinmenselijke vrees om gedood te worden. Hij was zelf ook geen held.

Misschien moest hij daarom wel telkens weer verhuizen. Was hij ergens lang gebleven dan zouden de verhoudingen misschien moeilijker geworden zijn. Of het gevaar had toegeslagen dat Abraham zich had aangepast.

Deze afzijdigheid ging samen met een positieve daadkracht, namelijk het roepen tot God rond het altaar. Hij kwam ergens en bouwde een kerk, direct. Een helder getuigenis.

En dat niet alleen. De Heere sprak telkens weer tot hem van Zijn beloften. Hij herhaalde dezelfde woorden. Daar mocht hij van leven. En hij, op zijn beurt, riep aldaar de Naam des Heeren aan.

 

Pelgrim

 

Zo heeft Abraham geleefd. Een opmerkelijk wonder is dan wel dat hij er rijk bij geworden is ondanks  zo’n leven. Hoe is dat mogelijk? In het Oude Testament is rijkdom een zegen. In het Nieuwe ook, maar daar worden wel kanttekeningen bij geplaatst. De Heere zorgt voor Zijn kerk, Hij zorgt goed voor hen. Hun brood is zeker en hun water is gewis. En als ons de rijkdom ten deel valt uit de hand van de Heere, dan is die rijkdom inderdaad een zegen en geen vloek.

 

Hoe moeten we hier dan denken aan de grote Zoon van Abraham. Gij weet de genade van onze Heere Jezus Christus dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat gij door Zijn armoede zou rijk worden. Meer dan Abraham kwam de Heere Jezus in een vreemd land en woonde Hij als het ware in tenten. De vossen hadden het veiliger dan Hij. Hij werd, meer dan Abraham, overal uitgedreven. In Bethlehem, in Samaria, in Jeruzalem, in Kapernaüm, ja op de gehele wereld was uiteindelijk voor Hem geen plaats. Hij heeft meer en duidelijker getuigd dan Zijn voorvader. Hoog boven Abraham torent deze Zaligmaker uit. Het kruis is het vleesgeworden vreemdelingenleven van de Zoon van God.

Hij was intens anders en volkomen de Vreemdeling. Zijn eigen moeder begreep Hem niet. Zijn discipelen lieten Hem op een gegeven moment los. Abraham leefde temidden van heidenen, maar de Heere Jezus leefde temidden van het Sanhedrin, in het huis van Zijn Vader. Als kind al was Hij een vreemde in de klas. In de straat, in het dorp, ja overal. Hij sprak een gans andere taal, Hij leefde uit geheel andere idealen, Hij zocht het hemelse vaderland. Abraham heeft iets van Zijn beeld vertoond. Door Hem leert Zijn volk ook te beseffen dat het hier beneden niet is. Daar ligt uw voorbeeld, daar is uw voorland.

 

Wonend in tenten, verwachtte Abraham de stad die fundamenten heeft. Pas aan het einde van de Bijbel daalt deze stad neer uit de hemel. Het is een wonderlijke stad. In de aardse bedeling is de stad de samenscholing van de mensheid. Men zoekt daar veiligheid en vertier, er is van alles te doen. Niet altijd is de stad een poel van wetteloosheid geweest. Wat is een stad als Amsterdam niet vol geweest van de waarheid Gods, toen er veertig rechtzinnige predikanten het Woord brachten in de grote kerken. De straten der grote stad hebben volgelopen met de feestvierende menigte, die het huis des Heeren wist te vinden. Langzaam maar zeker is de stad vervallen. Daar begon zich de zonde het brutaalst te manifesteren. U ziet: waar mensen zijn, gaat het verkeerd. Dat ging in Babel zo en dat ging in Jeruzalem zo.

Abraham heeft moeten leren dat de stad boven is. Hij zal gedurende zijn aardse jaren misschien gedacht hebben dat die stad hier in Kanaän zijn deel zou worden. Die stad is een prachtig ideaal. Veilig te zijn en gemeenschap te oefenen met Gods volk. Een geordende maatschappij, een christelijke samenleving. Maar hij stierf zonder de stad gezien te hebben. Allemaal inbeelding, zegt dan de wereld.

Toch heeft hij die stad gezien. Het nieuwe Jeruzalem. Een heerlijke stad, in bruiloftstooi uitgedost. Daar omheen een stevige muur, ja ook daar en ook dan. Er is een buiten en een binnen. Maar er zijn poorten, er zijn er wel twaalf. De enge poort is daar uitgebreid en het wordt bekend dat er ruimte genoeg is om behouden te worden. Door de poorten ingaan in de stad, dat is het ideaal.

Een stad zonder tempel. Die is niet nodig. De Heere is haar tempel en het Lam. Daar is Abraham gekomen, door het geloof. Niet door aanschouwen. Geloof ziet niets en het ziet alles. In die stad heeft Abraham een vaste woning verkregen. Hem bereid door Christus. Daar woont men niet in tenten, want daar kan men eeuwig blijven.

Kennen wij deze verwachting? Zullen wij door die poorten ingaan? Dat kan alleen vanuit het geloof van Abraham. Dat geloof wordt hier kenbaar. Dan worden hier de altaren gebouwd. Dan spreekt hier de Heere tot Zijn volk. Eén is er Die gezegd heeft: Ik ben de Deur; indien iemand door Mij ingaat die zal behouden worden en Hij zal ingaan en uitgaan en weide vinden.

"Ik ben, o Heer’een vreemdling hier beneen, laat Uw geboon op reis mij niet ontbreken”.

 

 

 

 

 

CORES                                                                                                            090610

 

In het zogenaamde publieke domein komen we van alles tegen. Er zijn mensen, die een vijandige houding aannemen tegen kerk en godsdienst. In onze moderne tijden, vol van haatmail en terreur, leeft bij de massa een fel verzet tegen de Heere.

Het komt daarentegen ook voor, dat ongelovige mensen een welwillende houding aannemen tegen het geloof in God.

In de geschiedenis van het Romeinse rijk waren er zeer veel keizers, die de christenen hevig  en bloedig vervolgd hebben. Er waren er ook, die de kerk juist begunstigd hebben, zoals Constantijn de Grote en Theodosius de Grote. Nebukadnezar heeft een lofzang gezongen op de God des hemels, de God van Israël. Elk land heeft wel voorbeelden van vorsten, die onbedoeld en onbewust de zaak van Gods Koninkrijk hebben bevorderd.

Cores, de koning van de Perzen en de Meden, was één van hen. Deze koning is juist daarom zo van belang, omdat God ons in Zijn Woord veel meedeelt van Zijn gedachten over deze koning. De Heere zegt over Cores dingen, die heel opvallend zijn. Daarom is deze naam van belang.

Het kan ons inzicht geven in de wijze waarop de Heere allerlei politieke personen leidt en gebruikt voor Zijn doel. We komen met deze naam dus op het terrein van de volken, van de staatkunde. Maar dat niet alleen. We kunnen hieruit ook leren in hoeverre de Heere werkzaam is in het leven van ongelovige mensen. In de algemene genade leidt en stuurt de Heere ook allerlei zaken. We spreken over het koninkrijk van Gods genade, waarin Zijn volk deelt en over het koninkrijk van Zijn macht, waaronder de hele wereld valt.

 

In het boek Ezra komen we de naam van koning Cores heel vaak tegen. Ezra begint mee te delen dat Cores in het eerste jaar van zijn regering aan de Joden vrijheid verleent om terug te keren naar het land Kanaän. Daarbij zorgt deze koning er ook voor, dat het volk weer in het bezit komt van de tempelschatten, die Nebukadnezar uit de tempel had meegevoerd. Het gaat te ver als we zouden zeggen dat Cores een gelovige was. Dat is duidelijk niet het geval. Uit Ezra 1 krijgen we de indruk dat hij de Heere weliswaar erkent, maar dan als Eén van de vele goden der volkeren (Ezra 1:3,4). Duidelijker vinden we hierover geschreven in Jesaja 45:4 en 5, waar staat dat Cores de Heere niet kent.

Vooral wordt Cores als koning belicht door hetgeen we lezen in Jesaja 44:28; daar zegt de Heere over Cores: "Hij is Mijn herder, en hij zal al Mijn welgevallen volbrengen; zeggende ook tot Jeruzalem: Word gebouwd; en tot den tempel: Word gegrond”.

We denken al te vaak aan allerlei wereldheersers dat zij hun eigen weg gaan en dat zij hun eigen leidslieden zijn. We denken dat zij hun eigen wegen uitstippelen en dat zij maar kunnen doen waar zij zin in hebben.

Maar daarin vergissen we ons. Het is een rijkdom voor Gods kerk dat zij weten mag dat alles wat er gebeurt in het leven van landen en volkeren, door de Heere wordt bestuurd. Hij getuigt ervan als Hij zegt: "Door Mij regeren de koningen” (Spr.8:15). Het is zeker niet makkelijk om bij die waarheid te leven. Immers, allerlei hoogwaardigheidsbekleders zijn juist vaak tegenstanders van de Heere en Zijn Woord. Leest u psalm 2 maar. In Rusland hadden een halve eeuw geleden mensen het voor het zeggen die openlijk en bruut de kerk ten bloede toe vervolgden. Maar hoe verwonderd waren we toen langzaam maar zeker het roer om ging en de kerk een zekere mate van vrijheid kreeg. Iemand als Gorbatschow heeft de Heere, evenals Cores gebruikt, om Zijn volk vrij te maken van verdrukking. De regeerperiode van Bush was zeer omstreden en hij werd vrijwel overal gezien als een onbekwaam bestuurder. Maar we hebben te weinig beseft het grote voorrecht, dat er toen iemand regeerde, die van zichzelf verklaarde dat hij een gelovig christen was. Zo zien we in allerlei personen de gestalte van Cores telkens weer oplichten. We zien dat niet alleen in staatslieden die persoonlijk hun geloof in God beleden; het geldt ook van anderen, die zelf buiten het geloof stonden, maar toch de zaak van de Heere hebben mogen dienen.

Als we zo de geschiedenis lezen, krijgt het allemaal een diepere gedachte. Gods vinger heeft de geschiedenis geschreven. Dat geeft troost ook in politiek moeilijke tijden. De Heere staat boven heel het wereldbestuur. Hij getuigt met majesteit: "Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, de berg Mijner heiligheid” (Psalm 2:6).

Wat betekent dit verder? Het wil ons duidelijk maken dat ook wij een roeping hebben in het politieke leven. Mannen als Daniël en Obadja hebben dat beseft. Elke overheid is Gods dienaresse, ons ten goede (Rom.13:4). En dat zei Paulus van een overheid, die de dienst van God zeker tegenstond.

In onze Nederlandse situatie betekent dit dat wij boven elke beslissing van de overheid de hand des Heeren moeten zien. Maar neemt de Heere dan goddeloze maatregelen? Dat kan natuurlijk nooit waar zijn. Augustinus sprak hier van Gods toelating. Met die term is niet alles verklaard. We komen hier in aanraking met de vraag in hoeverre het kwaad kan bestaan, terwijl de Heere regeert. De Heere gebruikt het kwade, maar hij pleegt dat kwaad niet. De Heere kan uit het kwade het goede doen voortkomen. Hij kan een volk ook straffen met…… zonde; dan geeft Hij het over aan de macht en de gevolgen daarvan.

We zouden kunnen denken dat een politiek klimaat zo verziekt is, dat een christen daarin niet meer kan functioneren. Dat stelt voor moeilijke vragen. De vraag speelt hier ook in hoeverre een christen kan deelnemen aan een goddeloze regering. Toen Daniël in Babel aan het hof diende, gebeurden er natuurlijk veel verkeerde dingen en werden er verkeerde wetten uitgevaardigd. Toch stond hij op zijn post. Maar hij deed dat wel duidelijk en helder. Hij getuigde vrijmoedig tegen de zonde en de goddeloze praktijken van koningen als Nebukadnezar en Belsazar en hij riep op te buigen voor de Heere en Zijn Woord. De drie vrienden, die in de oven terecht kwamen, bleven rechtop staan, toen de muziek klonk. We zeggen in onze tijd makkelijk dat een christen compromissen moet sluiten in overheidszaken. Op beslissende momenten sloot Daniël geen enkel compromis. Als CDA en CU deelnemen aan een regering, mogen we van hen verwachten dat we bij tijden klip en klaar het Bijbels getuigenis horen in kabinet en parlement.

Cores was dus een bijzonder vorst. Omdat hij de God van Israel eerbiedigde. En dat biedt perspectieven voor christenen, die geroepen worden om aan het hof van zulke vorsten en in hun regering te dienen.

 

Cores heeft heel veel mogen betekenen voor de tempel als het huis en de dienst des Heeren. Anders dan Herodes, die ook wel veel gedaan heeft voor de latere tempelverfraaiing, maar die dat slechts deed om de gunst van de Joden te winnen. Dat was niet het geval met Cores. Een parallelle lijn zien we in de hoofdman uit Lukas 7:1v, wiens knecht ernstig ziek was. De mensen zeggen allen van hem dat hij de aandacht van de Meester waard is, "want hij heeft ons volk lief en heeft zelf ons de synagoge gebouwd” (vers 5). Deze hoofdman en ook Cores speciaal misten het geloof, maar hebben veel gedaan tot bevordering van het geloof.

Dat is voor ons wel een ontdekkende waarheid. Er mogen er velen zijn in de dienst van God die de kerk begunstigen. We horen in deze tijd spreken over sponsors. Zij zijn mild in het bevorderen van de eredienst. Ik ga een stap verder. Niet alleen met financiële, maar ook met geestelijke middelen kunnen mensen zich inzetten voor de dienst van God. Een voorbeeld waarin deze hulpdiensten heel ver doorlopen, vinden we in Bileam. Hij sprak de waarheid, profetisch nog wel, aangaande het volk van God. De Heere gebruikte hem kennelijk. Toch werd hij door al die arbeid niet behouden. We kunnen anderen behouden hebben en zelf verwerpelijk worden, zo wist de apostel.

Zo zijn er voorgangers en ambtsdragers geweest in de dienst van God. Ik heb meermalen wel gemerkt dat gemeenteleden dachten dat een dominee wel een supergelovig mens moest zijn. Het is benauwend als mensen dat denken. Paulus had daar wel een antwoord op: "Wij zijn ook mensen van gelijke beweging als gij….” (Hand.14:15). Er is evenveel grond voor de gedachte dat een ambtsdrager zich extra in de gevarenzone bevindt. Maar het geldt ook van de overige gemeenteleden.

Er kunnen duidelijke tekenen zijn van hemelse invloeden in ons leven. De Heere heeft tot Cores gesproken. Dat is heel wat. De Heere had ook grote bedoelingen met zijn leven. Een kerkmens zou zich makkelijk op zulke dingen kunnen verheffen. Ook predikanten kunnen zo ongemerkt gaan rusten op hun ambtelijke voorrechten. Toch is daarin het fundament niet gelegen. Want het zal er niet om gaan wat wij voor de Heere gedaan hebben, maar het gaat er om wat de Heere Jezus voor ons gedaan heeft. De zaken moeten omgekeerd worden. In Hebreeën 6 geeft Gods Woord aan dat er zo heel veel in ons leven geweest kan zijn, terwijl we toch nog afvallig worden. We lezen van het volk van Israel het volgende: "En ik wil niet, broeders, dat gij onwetende zijt, dat onze vaders allen onder de wolk waren en allen door de zee doorgegaan zijn; En allen in Mozes gedoopt zijn in de wolk en in de zee; En allen dezelfde geestelijke spijs gegeten hebben; En allen dezelfden geestelijken drank gedronken hebben; want zij dronken uit de geestelijke steenrots, die volgde; en de steenrots was Christus.

Maar in het meerderdeel van hen heeft God geen welgevallen gehad; want zij zijn in de woestijn ter neergeslagen”.

We kunnen naar het woord van Christus tot de hemel toe verhoogd zijn en tot de hel toe neergestoten worden. Ik hoor mensen nog wel eens over zulke dingen in hun leven spreken en dan zeggen zij erbij dat je zulke dingen toch niet van jezelf hebt. Met andere woorden: deze dingen bewijzen wel dat het goed met mij staat. Maar dan redeneren we verkeerd. Waarom zoudt u uw staat willen bewijzen met deze dingen, terwijl de gerechtigheid van Christus voorhanden is? Er kan zoveel zijn wat het allemaal niet is en er kan zo weinig zijn wat het nu juist wel is. En dus moeten we altijd maar weer bidden om ontdekt te worden aan een schadelijke weg en geleid te worden op de eeuwige weg (Psalm 139:24). Het mag ons er niet toe brengen, dat we alles maar gaan wantrouwen, wat de Heere geeft. Dat gevaar is er ook. Maar we mogen geen gronden zoeken in ònze daden in plaats van in Gods genade in Christus.

"Ik zal u gorden, hoewel gij Mij niet kent!” Gods bemoeienissen in ons leven zijn geen grond, maar juist wel een aansporing om niet iets, maar alles van de Heere te verwachten. Dat geldt voor koning en priester, voor vorst en onderdaan. 

 

 

 

 

 

DAVID

 

De man naar Gods hart!

Hij wordt meermalen aan zijn nakomelingen ten voorbeeld gesteld. Er zijn inderdaad tekenen van tere en sterke godsvrucht in zijn leven aan te wijzen.

Maar het is anderzijds ook zo, dat er grote uitglijders zijn geweest, waarin blijkt dat hij een zondaar was.

Het meest opmerkelijke is dan nog dat David gedurende de moeilijke jaren van zijn vernedering heel dicht bij de Heere mocht leven, terwijl hij daarna, als koning, toen hem alles voor de wind ging, ver afdwaalde van de Heere.

Hij staat geestelijk hoog in de tijd van zijn vernedering en hij staat geestelijk laag in de dagen van zijn koninklijke verhoging.

 

Hiermee is aangegeven dat zijn leven, net als dat van Jozef, uit twee delen bestond. Er was eerst een tijd van vluchten en vrezen en daarna mocht hij de hoogten van het koningschap betreden. Hierin lijkt hij op Christus, Die ook eerst vernederd werd en daarna verhoogd. Op die manier kan Christus ook genoemd worden de Zone Davids. Hij was dat door afstamming, maar ook door vergelijking. Messiaanse psalmen, die rijk spreken over de Heere Jezus, hebben hun eerste betekenis in het leven van David. Ik denk dan aan psalmen zoals 2, 22, 40, 132 ea. Let er ook op dat in Lukas 2 de lijn naar David sterk beklemtoond wordt. Jozef was uit het geslacht van David en Bethlehem was de stad Davids. De geschiedenis van Jezus geboorte voert duidelijk terug naar de geschiedenis van David. Het blijkt rond de kribbe ook dat de Zaligmaker vooral als Koning wordt aangeduid; een aspect dat we ook niet vergeten mogen. Johannes de Doper stamt uit een priesterlijk geslacht, terwijl de Heere Jezus van koninklijke bloed is. Om ons te behoeden voor eenzijdigheid, vul ik aan dat in de Hebreënbrief daarentegen het priesterlijke ambt van Christus wordt benadrukt. Tegenover het aardse priesterschap van Levi wordt dat van Christus als een hemels priesterschap voorgesteld.

 

De weg der vernedering heeft David dus geen kwaad gedaan; integendeel, hij heeft juist toen de kracht des Heeren in sterke mate mogen ondervinden.

Thuis stond hij ongetwijfeld niet zo hoog in de achting van zijn ouders en broers. Natuurlijk moest er wel iemand bij de schapen blijven, toen Samuël op bezoek kwam, maar dat moest David dan maar zijn. Ook Samuël rekent er niet mee dat David het zou moeten worden. Hij werd thuis in de kring het minst gemist. En later, tijdens de strijd tegen Goliath, wordt hij door zijn broers afgesnauwd en verdacht van jeugdige vermetelheid. Alles aan David sprak van zwakheid, ook het stadje waar hij vandaan kwam.

Alleen de Heere heeft hem zo niet beschouwd. De mens ziet aan wat voor ogen is, maar God ziet het hart aan. Dit nietige mensenkind zal groter koning worden dan de sterke en knappe Saul ooit geweest is. Die les had Samuel inmiddels geleerd moeten hebben, maar daarin was zelfs hij hardleers.

Als David gezalfd is, lijkt het wel alsof de Heere elke verwachting op de troon bij de wortel wil afsnijden. Zelf heeft hij gedacht dat de belofte al spoedig vervuld zou worden, vooral toen hij door Goddelijke leiding aan het hof van Saul kwam en hij later zelfs de schoonzoon van de koning werd.

Maar al deze, op zichzelf gunstige factoren, hebben hem alleen maar tegengewerkt. Hij stond daardoor onder des te meer verdenking bij Saul.

Mensen kunnen soms bedolven worden onder een grote hoeveelheid tegenslagen. Niets zit er mee. U kent vast ook wel zulke mensen, die schijnbaar voor het ongeluk geschapen zijn. Ook al is dat dan niet zo, ieder weet toch min of meer dat er tijden zijn die ons overladen met moeiten en verdriet. Een ongeluk komt zelden alleen; dat is niet alleen een gezegde, maar er blijkt ook Goddelijke leiding in.

Gaat u maar eens na, hoe de slagen zijn nietige leven gebeukt hebben. Er zijn buitengewoon grote dieptepunten in zijn leven.

Saul heeft met nimmer aflatende ijver getracht hem uit de weg te ruimen. Zolang Saul koning is, lijkt iedereen hem naar de ogen te kijken. Al zijn boosheid en grofheid ontlaadde hij op David. Hij wist heel goed, dat David toch koning zou worden (1 Sam.18:9; 20:31; 24:21). Saul haatte David meer dan alle Filistijnen bij elkaar. Wat kan jaloezie ver gaan!

Het gedrag van David tegenover Saul is buitengewoon volwassen en zorgvuldig. Hij noemt hem bovendien de gezalfde des Heeren. Hij gedraagt zich niet als de kroonprins, die de zalfolie des Heeren heeft geroken, maar hij blijft Saul erkennen. Dat dit een leger van vragen heeft opgeleverd, kunnen we ons voorstellen. Tot tweemaal toe spaart hij in grote edelmoedigheid het leven van de koning.

We moeten ons voorstellen dat deze periode door de Heere juist bedoeld werd als een leerschool. De Heere had hem ook wel enkele weken voor het verdwijnen van Saul kunnen roepen. Maar nee, Hij deed dat lange tijd va tevoren, opdat David door de tegenspoeden gerijpt zou worden tot zijn latere taak. Het leek volkomen ondenkbaar dat hij ooit koning zou worden. Daardoor worden de beloften van de Heere op een zware proef gesteld en daarmee ook zijn geloof in die beloften.

Dat biedt wel veel onderwijs voor u als u in een weg van tegenspoeden u bevindt. Alle voorspoed is geen zegen, alle tegenspoed geen vloek, ’t is slechts daarin toch gelegen, dat ge God erin ontmoet.

In deze dagen zijn de meeste psalmen van David geboren. De kerk dankt hieraan een grote schat van lofzangen, die de schoonste klank geven op strakgespannen snaren. Dat geeft ook aan dat David een uitweg in zijn noden kende, namelijk de weg naar omhoog. Zijn psalmen hebben ontelbaar velen getroost in de moeilijkste tijden van hun leven. Zie eens hoe de Heere de tegenspoeden zegent in het leven der Zijnen.

 

Saul was een gevreesd en meedogenloos tegenstander.

Maar naast en achter en door hem waren er veel meer, die zich tegen hem stelden. Velen zeggen van mijn ziel: hij heeft geen heil bij God (Ps.3:3; 4:7). Doëg handelde uiterst verraderlijk met hem, toen hij Saul vertelde dat hij bij de priester was geweest. De inwoners van Kehila wilden hem op een even gemene manier uitleveren aan Saul, nadat David hun stad had bevrijd van de inval der vijanden. Wat kun je in moeilijke tijden met veel mensen omvallen. Zij scharen zich aan de zijde van hen, die macht en rijkdom hebben. David kon het zich nauwelijks voorstellen, toen hij aan de Heere vroeg: "Zullen mij ook de burgers van Kehila in zijn hand overgeven?”. Daarop antwoordde hem de Heere: "Zij zouden u overgeven” (1 Sam.23:12). De Heere deelt hem deze onheilstijdingen mee, terwijl Hij geen poging lijkt te doen om David te redden. Hoewel, er staat toch in hetzelfde hoofdstuk: "David en zijn mannen gingen heen, waar zij konden gaan; …en Saul zocht hem alle dagen, doch God gaf hem niet over in zijn hand”(23:13,14).

Moet dit nu het volk worden waar David later over moet regeren? In Kehila wordt droevig duidelijk dat een mens de van God gezalfde koning niet begeert. Datzelfde lot trof later in verhevigde mate de grote Davidszoon.

Steeds nauwer sluit zich het net om deze balling. Er was voor hem geen plaats meer in het gehele land. Dat zien we rond de spelonk van Adullam. Als David in het land der Moabieten is, maant de profeet Gath hem terug te keren naar het land van Juda, waar uitgerekend de grootse gevaren op de loer lagen.

Adullam is trouwens een bijzondere plaats geweest in zijn leven. Daar wordt, als een teken van hoop, zijn toekomstige leger gevormd. Daar neemt in beginsel zijn koningschap een aanvang, zo kunnen we wel zeggen. Ze komen zelfs vrijwillig naar hem toe. Maar wat zijn het voor mensen? Deden zij een vrijwillige keus? Integendeel, het waren mensen, die het ook met Saul aan de stok hadden gekregen. Zij hadden met David gemeenschappelijke belangen: samen tegen Saul. Maar het was echt geen keurkorps: "En tot hem vergaderde alle man die benauwd was en alle man die een schuldeiser had en alle man wiens ziel bitterlijk bedroefd was…..en hij werd tot overste over hen” (22:2).

Niets meer dan uitschot. Een soort Taliban-mentaliteit? Ondergrondse knokploegen, die schade zullen toebrengen aan de kroon van de koning.

Toch niet! Zeker, het zijn geen mensen met wie David veel eer kan inleggen. De één is ziek en de andere is zwak. Er is er niet één, die een gelukkig leven leidt. Dus die vierhonderd mannen hebben hem geen eer toegebracht. Maar er staat wel dat David ten overste werd over hen. Hij heeft orde en lijn in hun gelederen gebracht. Onder zijn leiding groeide deze mensen uit tot helden. In de opsomming van zijn legeroversten komen we diverse namen tegen die reeds in Adullam bij David dienden.

Zeker kon David geen peil trekken op de meesten van het volk, maar er waren er toch ook die hem van harte steunden, die hem in die donkere dagen reeds erkenden als hun koning. Een koning in zwakheid en vernedering te erkennen, dat is een werk van de Heere. Dat wil de mens niet. Zo zijn er geweest, die tegen de stroom in toch de heerlijkheid mochten zien in de grote Man van smarten in Zijn kruisgang naar Golgotha. Ik noem dan alleen maar de namen van Nicodemus en Jozef van Arimathea. En ook die van Zijn discipelen. Hoe blijkt telkens weer in Davids leven de profetische aanwezigheid van Jezus Christus, de Koning der Joden. En zo wordt Hij genoemd, hangend aan het kruis. Toch erkenning. God is getrouw. Hij houdt Zijn woord.

Dat heeft David ook mogen steunen in deze moeilijke tijd. IK denk dan ook aan Jonathan, die zichzelf geheel wegcijferde en verloochende, om David in zijn plaats koning te zien worden. Allemaal stille tekenen in grote nood, dat de Heere een plan had met zijn leven.

 

Er komen nog twee grote dieptepunten in zijn leven, eer hij de troon zal bestijgen. De weg gaat zo diep naar beneden, dat alle moed hem werd benomen om ooit nog boven de slagen uit te komen.

Eerst was er Ziklag. Een stad in het land der Filistijnen. Had David daar wel ooit mogen komen? Het waren wanhoopsdaden toen hij zich uitleverde aan koning Achis. Het kon alleen als hij door leugen en bedrog telkens weer een ander verhaal kon verzinnen om zijn gedrag te rechtvaardigen. En het komt zover, dat hij zich alleen nog maar redden kan door zich als een verstandeloos mens aan te stellen.

Maar in Ziklag liep de machine helemaal vast, muurvast. Ziklag verbrand. Teken van de hemel, dat we geen verkeerd vertrouwen mogen voeden. Had David niet op "zijn vesting” vertrouwd? En zie, nu brandt de Heere dat alles onder hem weg. Wat moet Gods volk toch veel leren en afleren!

Saul tegen hem, de Filistijnen tegen hem en zijn eigen mannen ook nog tegen hem. En God? Had de Heere dit alles niet zo geleid?

Maar ook nu redt de Heere hem uit al zijn moeiten. Hij verloor niets en er bleef geen klauw achter. God vervult Zijn beloften dwars door de grootste noden heen en zelfs dankzij de grootste ellende, want daarin komt de trouw en de almacht van de Heere nog te meer uit.

"Velen zijn de tegenspoeden van de rechtvaardige maar uit die allen redt hem de Heere” (Ps.34:20).

Daaraan voorafgaande had David reeds een ander dal moeten doorworstelen. Toen niet zozeer vijanden van buiten, maar toen de confrontatie met de vijanden van binnen. Overmeesterd door ongeloof. Want "David nu zei in zijn hart: Nu zal ik een der dagen door Sauls hand omkomen…” (27:1).

Ogenschijnlijk had David daar toen toch niet zo heel veel reden toe om zo te spreken. Juist is verteld in hoofdstuk 26 dat David opnieuw heerlijk was ontkomen aan de klauwen van zijn vervolger. Voor de tweede keer. En weer had Saul hem verzekerd dat hij zijn leven voortaan zou sparen. Maar juist dan zinkt de moed hem in de schoenen. David wist nu dat Saul volkomen onbetrouwbaar was. Hij wist immers dat Saul zijn woord niet gehouden had. Dat zou hij nu zeker weer niet doen. Hij was erachter pijnlijk achter gekomen dat Saul een levenslange vijand zou worden.

Maar hij had nog iets ontdekt. Hij kon ook niet steunen op zijn eigen hart. Ook daarin lagen de taaie wortels van ongeloof en eigendunk verstrengeld. Door ongeloof zoekt hij de weg naar de vijanden, de Filistijnen. Tot tweemaal toe. Hij uit dus deze klacht vanwege het feit, dat hij Saul tegen zich had, maar dat hij zelf ook een vijand van zijn eigen welzijn was. Ja, wat heeft een mens dan nog over? Dan kan alleen de Heere nog uitkomst geven.

En dat heeft de Heere in een wonderlijke en ongedachte weg gedaan.

 

Na de tragische dood van Saul volgt de verhoging van David tot koning. Eerst in Hebron, over Juda en daarna in Jeruzalem, over alle twaalf stammen.

Nu is alle leed geleden.

Geen Saul, geen Doëg, geen verraders meer in zijn nabijheid. Maar die ene blijft wel over en dat is David zelf. Daar krijgt hij nu in zijn overige leven behoorlijk last van. Daar had hij vast niet op gerekend.

Heel veel goede jaren werden zijn deel. Het volk kon zich verheugen in welstand. Wel moesten de legers menigmaal uittrekken, maar dat was ook nodig om de vrede te waarborgen.

Onder zijn heerschappij is het rijk pas echt gevormd tot een koninkrijk. Een mogendheid waarmee in die dagen gerekend werd. De dienst des Heeren ging hem ter harte. Zo liet hij de ark overbrengen naar Jeruzalem en maakte hij plannen om een tempel te bouwen.

De man naar Gods hart.

Zo kon hij met recht genoemd worden. Door heel zijn leven heen blijkt zijn godsvrucht; hij leefde en wandelde met God. Juist in dat licht is het zo onbegrijpelijk wat er gebeurde op die zwarte dag, toen hij Bathseba gadesloeg. Wat heeft dit feit zijn leven verdonkerd. De oordelen bleven lange tijd over zijn huis hangen vanwege deze ernstige misstap.

Zo heeft hij het aanvankelijk zelf niet beoordeeld. Na de afhandeling van de hele zaak rond Bathseba lezen we de veelzeggende woorden: "Doch deze zaak, die de koning gedaan had, was kwaad in de ogen des Heeren”(2 Sam.11:27).

Het gaat er ten diepste maar om wat de Heere zegt en vindt van onze handel en wandel. Grote zonden kunnen heel onopgemerkt beginnen.

De koning bleef thuis toen de legers uittrokken. Misschien ligt daar al een aanleiding. Hij nam zijn plichten niet waar. Tijdens zijn verblijf thuis was er ook niets op tegen, natuurlijk niet, dat hij op zijn dak liep te wandelen. Er zou meer schande van te spreken zijn, dat Bathseba zich daar baadde, terwijl dat gezien kon worden.

Maar hoe vaak gaan de dingen zo, zonder dat er iets ernstigs gebeurt. Nu grepen de zonden, de een na de ander, in elkaar als schakels van een ketting. De zonde in het paradijs begon ook heel onschuldig: Eva zag naar de boom. Kwam de duivel altijd maar met grof geschut, dan zouden we beter bedacht zijn op alles. Let er maar op hoe vaak de zonde op kousenvoeten aan komt zetten.

Wat in heel deze geschiedenis dan opvalt, is het raffinement waarmee David te werk gaat. Dat is om bang van te worden. Is een mens tot zoveel in staat? De man naar Gods hart? Nu een overspeler, een moordenaar, een leugenaar, een huichelaar? Heeft hij gedacht dat een koning dat wel doen mocht?

Vlees en geest liggen heel dicht bij elkaar. Er schuilen in uw hart krachten die u onbekend en ongedacht voorkomen. De Heere heeft er nog mild over geoordeeld, toen Hij zei: "De geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak”. Paulus drukt het dramatischer uit als hij klaagt dat hij vleselijk verkocht is onder de zonde. Jeremia heeft ook van ons hart moeten uitroepen dat het arglistig is, meer dan enig ding; het is dodelijk en wie zal het kennen?

Ooit klaagde iemand: ik wist niet dat mijn tere ziel, zoveel van ’t aardse overhiel’.

Bent u daar ook al achter gekomen? Ook al hebt u dan een ordentelijk leven geleid, toch ontdekt Gods Geest er aan dat we werkelijk geneigd zijn tot alle kwaad. We hadden het wel kunnen weten, maar we wilden er niet aan, totdat de Heere het liet zien. En vaak hebben we last van de zonde, omdat ons goede zelfbeeld een deuk heeft opgelopen. Berouw komt lang niet altijd voort uit een droefheid naar God.

Na de bedreven zonde gaat het er voor de koning om de schade zo klein mogelijk te houden. Hij wil het kwaad van zich afwentelen op de man van Bathseba, Uria en hij doet dat door hem naar zijn vrouw te leiden. Dan zou die ontmoeting allicht de schijn van David afwentelen en kon hij gerust zijn. Maar dat lukt niet. Uria legt getuigenis af van een edeler gemoed dan zijn koning. Als dan de man dronken wordt gevoerd, weigert hij beslis naar zijn vrouw te gaan. Dat kan niet, zo zegt hij, als de legers strijden. Als niets helpt, volgt de moord op Uria, maar David laat dat natuurlijk aan Joab en zelfs aan de vijandelijke legers over.

Na de zonde doen we er alles aan om de goede schijn op te houden. Ga het maar na bij uzelf. Maar der Heere wist ervan……..

Dan verschijnt de profeet Nathan in het paleis. Hij is gezonden. Welke boodschap brengt hij? Hij brengt hem de prediking van zonde èn genade. Dat laatste is heel merkwaardig. Hij kan zo maar na de belijdenis van de koning de pardonbrief overhandigen. De Heere heeft uw misdaad weggenomen.

Maar eerst gaat de wet vooraf. Eerst moet David de ernst van de zonde voelen. En deze voelt hij ook terdege. Gíj zijt die man. En zie, dan gebeurt er een wonder. Steeds had de koning alles willen verbergen. Maar nu begrijpt hij ineens dat dat niet meer kan. Voor God is dat onmogelijk. "Ik heb gezondigd tegen de Heere”. In die paar woorden ligt alles opgesloten. Dat is wat voor een koning om dat tegen zo’n brutale profeet te zeggen. Andere koningen hebben soms de mond van de profeten gesnoerd. Maar David komt rond voor de dag. Daarin is David oprecht. Weet u dat er dagenlange vergaderingen in de kerkelijke wereld worden gehouden, om een mens, ook een ambtsdrager, tot zo’n belijdenis te brengen? Dat zeggen we niet zo snel. Maar David komt tot een volledige bekentenis. Mede ook dankzij de snijdend scherpe preek van de profeet. Er is geen ontkomen aan.

 

Wat is hier veel uit voortgekomen. Gods volk zondigt niet goedkoop. De Heere heeft deze zonde zwaar gestraft. Rome grondt haar leer van de boetedoening door de goede werken mede ook op deze geschiedenis. Davids zonde werd niet honderd procent vergeven, nee, hij moest door deze straffen zelf ook iets aanbrengen aan het proces van de vergeving, zo leert het Rome.

Het zwaard boven zijn huis!

Dat zien we in de geschiedenis met zijn zoon Absalom. Na veel intimidaties grijpt deze zoon van de koning naar de macht. En de weg gaat langs de rand van de afgrond. Dan valt het in die dagen ook weer op: David kan heel diep voor de Heere buigen.

Dat gebeurt als Zadok en de overige Levieten de ark uit de stad hebben meegenomen op de vluchtweg van de koning. Ze willen de goede afloop garanderen door de ark; als die er is, kan het niet verkeerd gaan. Zo dachten lang geleden ook Hofni en Pinehas.

David wil er niet van weten. Hij spreekt de bekende woorden uit, die getuigen van een algehele overgave aan de wil en de leiding van de Heere: "Breng de ark Gods weder in de stad; indien ik genade zal vinden in des HEEREN ogen, zo zal Hij mij wederhalen, en zal ze mij laten zien, mitsgaders Zijn woning.

Maar indien Hij alzo zal zeggen: Ik heb geen lust tot u; zie, hier ben ik, Hij doe mij, zo als het in Zijn ogen goed is” (2 Sam.17:25,26). Hij legt alles in de handen van de Heere en laat ook alles aan Hem alleen over. Zo kan alleen iemand spreken die alle rechten kwijtgeraakt is. Het is een groot getuigenis van diepe oprechtheid en vreze Gods. Zo mag David uiteindelijk weer terugkeren als koning te Jeruzalem, nu anders dan voorheen.

Heel deze zwarte bladzijde is omkranst door tekenen van Gods gunst alsmede ook door betuigingen van aanhankelijkheid van veel van zijn onderdanen. Denk maar aan Barzilaï en aan zijn lijfwachten, aan Husaï en de priesters. David voelt het: hij is opnieuw koning geworden.

Toch heeft zijn koninkrijk scheuren opgelopen, mede ook door dit voorval. Nog weer later volgt er tenslotte de volkstelling. Ook dan een onbegrijpelijke handeling van deze koning. Hij zet door ondanks de waarschuwing van Joab. Maar de woorden van Joab hebben misschien alleen maar contraproductief gewerkt, want Joab behoorde al niet meer tot de vertrouwelingen van de koning.

Een sterke opwelling van vleselijke hoogmoed en dan toch ook een sterke blijk van zijn overgave aan de Heere, als hij zich opnieuw overgeeft in de hand van de Heere.

 

Er zou nog veel meer te zeggen zijn over de schaduwen die over zijn levenspad vielen tijdens zijn koningschap. Gods oordelen zijn ondoorgrondelijk. We hebben gezien dat er tijdens de verhoging van de koning heel veel zonden zich hebben geopenbaard. We hadden het niet verwacht. En toch heeft hij de naam behouden van te zijn de man naar Gods hart.

Hoe kan dat dan? Genade maakt geen volmaakte mensen. Genade maakt oprechte, godvrezende mensen, die zondaar zijn èn die hun zonden leren bewenen en belijden. Saul had misschien minder in het oog vallende zonden dan David. Maar David had iets wat Saul miste, namelijk genade. Genade maakt alles goed. Genade ter wille van de grote Davidszoon. Die volmaakt heerst over Zijn volk. Van Hem alleen kan gezegd worden: "Ik heb bij een Held voor Israël hulp beschoren, Hem uit het volk verhoogd, Hem heb ik uitverkoren”. En die Koning is nog steeds van Israëls God gegeven tot uw bekering en verlossing.

 

 

 

 

 

 

ELIZA

 

Eliza is een uiterst boeiende figuur uit het Oude Testament.

Hij staat in direct verband met zijn voorganger, Elia. Elia was zelfs meer dan alleen maar zijn voorganger; hij was voor hem een geestelijke vader, zoals Eliza dat ook uitriep toen Elia ten hemel werd opgenomen (2 Kon.2:12).

We zien een duidelijk verschil in karakter tussen deze beide profeten, die slechts één letter in naam verschilden. De naam Eliza betekent: mijn God is redding, terwijl de naam van Elia wil zeggen: Mijn God is de Heere (Jahwe).

Beide hebben zij heel veel gemeenschappelijk. Wat van hen geldt moet gelden van iedere dienaar van de Heere, namelijk dat zij vastberaden en onverschrokken zijn geweest.

Bij Elia vraagt dat nauwelijks toelichting. HIj durfde alleen te staan tegenover het hele volk en zelfs tegenover de koning. Maar ook Eliza heeft duidelijk blijken gegeven van een vaste natuur en een sterk geloof. Denk alleen maar aan zijn vertrouwen op de Heere toen Dothan omringd was door een leger van vijanden, die op zoek waren naar hem (2 Kon.6:15-18). Tijdens de hongersnood in Samaria stond hij even onverschrokken als Elia destijds tegenover de koning; hij vreesde op geen enkele wijze de dreigende taal van koning Joram (2 Kon.6:31-33).

Er zijn ook grote verschillen tussen deze beide Godsmannen. Van Eliza lezen we  veel voorbeelden van een milde houding en een bewogen omgang met het volk. Vrucht daarvan is geweest dat hij veel mensen mocht verblijden met wonderen die de Heere door hem heeft verricht.

Elia is in de Bijbel de voorloper van Johannes de Doper. Het is dan niet vreemd om op te merken dat Eliza een type is van de Heere Jezus, Die ook weldoenend het land doortrok. Die lijn moeten we dus goed in gedachten houden. In Eliza zien we de grootheid van Christus afgebeeld.

 

Zijn voorganger

 

Het is niet mijn bedoeling om in het kort alle wonderen na te gaan die de profeet heeft mogen verrichten. Ik kan mij slechts tot een enkel voorbeeld bepalen. Maar eerst is het wel van belang te letten op zijn aanhankelijkheid jegens Elia. Dat bleek vooral bij de hemelvaart van Elia.

Hij is onafscheidelijk van de profeet omdat hij weet dat Elia zijn levenseinde nadert. Hij volgt hem overal waar hij heengaat. Totdat hij hem niet meer volgen kan.

Tot nog toe leefde hij in de schaduw van zijn voorganger. Twaalf jaar lang horen we niet zoveel van hem. Hij krijgt een lange en gedegen opleiding, tot geloof en dienst. En nu gaat het erop aankomen. Hoe als hij straks alleen over blijft?

Als Elia hem dan ook toestaat een wens te doen voordat hij heengaat, begeert hij twee delen van zijn geest. Dat is precies het deel van de erfenis, die de oudste zoon kreeg. Twee delen! De overigen kregen één deel. Elia noemt deze vraag een harde of moeilijke zaak. Dat is het ook. Een onmogelijke vraag, in menselijk opzicht. Uit deze vraag blijkt wel de grote achting die hij koestert voor Elia.

Hij krijgt die twee delen. Hij krijgt daarin niet alleen iets van de geest van Elia, maar ook van de Geest des Heeren. We mogen hier zeker spreken van de kracht van de Heilige Geest. Toen Elia ten hemel voer, riep hij tweemaal uit: "Mijn vader, mijn vader!” Dat zegt genoeg. Gelukkig als we zulke vaders in Christus mogen kennen. Dat kan ook nu nog. Zo stond Paulus ook bekend in gemeenten waarin hij gediend had.

Maar dan komt de toets voor Eliza. Hij staat weer voor het water van de Jordaan en met Elia zoëven was er wel een weg, maar zou hij nu ook de weg kunnen banen door de schuimende wateren?

Gelukkig, hij heeft de mantel van de profeet nog. Hij grijpt deze en het gaat goed. Maar kwam dat door die mantel van de profeet? Zeker niet. Die mantel was, hoe dierbaar ook, toch slechts een instrument. Nee, hij vraagt naar "de Heere, de God van Elia”. Niet de mantel van de profeet, maar de God van de profeet! Daar gaat het om, ook nu nog. Niet de stijl van uw ouders, maar de God van hen. Niet de uiterlijke vormen van Calvijn, maar zijn God.  Dat luistert wel nauw.

Te vaak zoeken we het in de vormen van het voorgeslacht. Die zijn echter, net als die mantel, aan slijtage onderhevig. Maar de God van Elia blijft Dezelfde. Zo zoekt Rome het in een lijkwade, maar dat gaat vaak samen met de verachting voor de persoon van Christus. Laten we daar op letten.

Het gaat om de Heere. Alleen de Heere! Zeker, maar hij noemt de Heere verder: de God van Elia. Dat wil iets zeggen. De Heere openbaart Zich als de God van mensen. In die mensen wordt de Heere openbaar. Zij zijn nu werkelijk identificatiefiguren. U moet eerst alle eer aan de Heere geven, maar na Hem en door Hem komen dan ook Zijn kinderen in beeld. Zij hebben iets van de heerlijkheid van de Heere laten zien in hun leven. Zo mocht Ruth het ook zeggen: Uw volk is mijn volk en uw God is mijn God.

Zo worden we bewaard voor mensverheerlijking en zien we toch de betekenis van Gods volk.

 

Zijn optreden

 

Eliza staat duidelijk heel dicht bij het gewone volk, bij de mensen. Hij is voor hen een vader. Zij kunnen bij Hem terecht met allerlei vormen van gebrek en verdriet. En overal vinden zij bij hem een goed onthaal. Dat is temeer een wonder, omdat hij werkzaam was in het Tienstammenrijk, in de dagen van goddeloze koningen zoals Jotham er een was. Ondanks het diepe verval en de zware vormen van afgoderij heeft de Heere dit volk nog niet losgelaten. Zij blijven onverminderd het voorwerp van Zijn liefde en zorg.

Hij is ook een bekende aan het hof van de koning.

Anders dan Elia, schiet hij telkens te hulp, als dat nodig blijkt. HiJ reformeert op een heel andere manier dan zijn voorganger Elia. De Heere kan spreken door zware oordelen en straffen, maar Hij heeft ook Zijn bedoeling met het geven van Zijn zegeningen.

Vergeet vooral niet wat ik bij het begin al opmerkte.: Eliza is beeld van Christus, de Zaligmaker van zondaren, bewogen met hun aardse en geestelijke noden. Om dit duidelijk te maken, kunnen we een mooi voorbeeld vinden in de geschiedenis van de weduwe, die de schuldeiser aan de deur had gehad (2 Kon.4:1-7). Hij had haar gedreigd haar beide zonen als slaaf te verkopen. Grof onrecht, zouden we denken. Dat was het ook. De schuldheer overtrad de wet van de Heere. Niemand mocht ooit als slaaf verkocht worden. Eliza voelt echter ook dat deze schuldeiser niet zo maar zijn eis kan laten vallen. Hij gaat tever, maar hij staat feitelijk in zijn recht.

Deze vrouw klaagt hardroerend haar nood bij de profeet. Dat is al een goede stap. Ze zoekt het bij de Heere. U weet dat mijn man de Heere vreesde. Daar wist Eliza dus van, want hij had hem gekend. Dat kun je weten van iemand, als het goed is. Ze komt niet met zichzelf. Over zichzelf spreekt zij niet. Ze had best kunnen zeggen dat ze altijd zo vroom geleefd had en waarom doet de Heere dat nu? Nee, haar verwachting is niet gegrond op haarzelf, maar op haar overleden man. Er staan toch beloften voor de kinderen van de vromen? Hun zaad zal toch geen brood behoeven te zoeken, zo lezen we in psalm 37?

Een financiëel probleem. Wat heeft God Daarmee te maken? Of Eliza? Maar de Heere is er ook voor zulke aardse zaken. Ook nu! Niet alleen in de hulp van een diaken, maar ook in de dadelijke hulp vanuit de hemel.

De profeet weet echter geen oplossing. "Wat zal ik u doen?”, zo geeft hij ten antwoord. Hij is ook maar een mens. Hij erkent eigen onmacht en tegelijk ook  die van al Gods dienaren. Wie is tot deze dingen bekwaam?

Maar de Heere onderwijst hem. "Geef mij te kennen wat ge in uw huis hebt”. Ach,  werpt hij nu de vrouw op zichzelf terug? Er moet plaats komen voor het wonder vanuit de hemel. Daartoe moeten we goed overtuigd raken van onze nood. Geen enkele hulp vanuit de mens.

Maar ze heeft toch iets. Geringschattend vertelt ze dat ze een klein kruikje olie heeft. Kostbare olie, dat wel, maar het is de moeite niet. Misschien had de vrouw dat zelf wel helemaal over het hoofd gezien, zoals wij dat ook wel doen. We vergeten wat de Heere nog gaf: een goed verstand, een gezond lichaam, of ook iets anders. U acht het gering en nietig. In donkere dagen miskennen we de zegen van de Heere.

Maar het ìs ook nauwelijks de moeite waard om erover te spreken. Maar Eliza gaat deze vrouw onderwijzen, met een bewogen hart. Ze moet veel lege potten en pannen en kannen en kruiken zien te krijgen. Ze moet ze zelfs bij de buren weghalen.

Nu moet blijken of deze vrouw geloof heeft. Ze voldoet aan deze wonderlijke eis. Daar staat alles voor haar, leeg en nutteloos. Ziet u het voor u? Uw portemonnaie, uw koelkast, uw kelder, uw saldo…. Alles leeg? Dat kan voorkomen. Maar het kan ook op een andere manier. Het vat van uw bekering, van uw geloof, van uw liefde, van uw genade blijkt geheel ontledigd te zijn. Vroeger was het gevuld, maar het werd al minder. U meende niets over te houden. U moet dagelijks klagen dat uw bezit weggenomen is.

Voor zulke mensen is het een goede en een makkelijke raad: lege vaten. Heel veel. Daar zal Gods volk geen moeite mee hebben want aan leegheid hebben ze geen gebrek. Wat maakt de Heere het makkelijk en wat is genade een groot goed.

Ze moet met dat kleine kruikje al die lege vaten gaan vullen. Daar is geloof voor nodig. Maar ze handelt uit dat geloof. De deur gaat dicht en haar zonen helpen haar. En alle vaten raken vol. Hier ligt de oplossing voor allen die klagen niets te hebben. Voor een kind op school, dat ondanks zijn inzet, toch slechte cijfers haalt. Of voor die moeder die haar gezin nauwelijks kan verzorgen, want het leven is haar te duur. Ook allen die nooddruftig, arm en naakt zijn, mogen hier moed vatten. De Heere kan uit dat geringe bezit grote stromen zegen geven. Veracht dus niet wat de Heere u nog wilde geven. Hij vervult Zijn Woord: "Uw beginsel zal wel gering zijn, maar uw laatste zal zeer vermeerderd worden” (Job 8:7).

Een handvol koren zal ruisen als de Libanon. Een wolkje als eens mans hand, groeit aan tot zwarte luchten en zware regens. Niemand verachte de dag der kleine dingen. Kruimels onder de tafel kunnen onze nood leningen.

Vraag uzelf eens af wat u nog wel hebt. Is er een beginsel, al is het nog zo klein, van genade in uw leven? Of krijgt u de staat van baten en lasten voor uw gezin of uw zaak niet kloppend? De Heere wacht op mensen die lege vaten hebben en zelfs veel lege vaten.

Deze weduwe, die met niets begon, toont nu een groot geloof. Breng nog een vat aan, zo zegt ze telkens. Ze ziet zoveel kracht en volheid, dat ze ruim mag denken van dit werk van de Heere. Maar er was op een gegeven moment niets meer en daarop stond de olie stil en was het kruikje leeg.

De Heere geeft zoveel als we nodig hebben, naar de mate van ons geloof. Daar mankeert het zo vaak aan. We klagen over weinig verhoring van het gebed, maar het gebed, dat in ongeloof wordt uitgesproken en niets van de Heere verwacht, is een schot in de lucht, dat geen doel treft. Verwacht echt dat de Heere bekering en geloof schenkt, naar Zijn Woord en dat u groot van Hem mag denken. De Heere Jezus heeft gesproken over een geloof als een mosterdzaad. Een geloof dat een berg in de zee kan laten zinken. Deze vrouw heeft dat geloof omdat Eliza dat zelf tegen haar gezegd had. De Heere heeft u toch ook Zijn Woord en Zijn beloften gegeven? Roept Mij aan in de dag der benauwdheid en Ik zal er u uithelpen en gij zult Mij eren.

Als ze nu deze olie verkoopt, kan ze niet alleen haar schuld betalen, maar ook haar verdere leven onbezorgd voortleven. Dat is een allround zegen, die te maken heeft met onze geestelijke schuld, maar ook met het aardse leven.

In deze weg is de wet geheel bevredigd en genoeggedaan. De schuldheer krijgt waarop hij recht heeft en de vrouw wordt met haar kinderen bewaard voor slavernij. Deze arme weduwe heeft een beter deel dat de rijke schuldheer. God is haar kassier en ze staat ingeschreven bij de bank van de hemel.

Zo handelt ook Jezus met de Zijnen. Hij is gekomen om armen rijk te maken. Daartoe verliet Hij Zijn rijkdom. Hij werd in natuurlijk en geestelijk opzicht een arme en ellendige. Hij werd metterdaad de slaaf en dienstknecht om het werk van de Heere te volbrengen. Hij wilde zelfs slaaf worden van Zijn discipelen en van Zijn hele kerk. Opdat zij vrij zouden kunnen worden.

Zo kunnen we onze schuld betalen. Besef dat de schuldheer voor de deur staat. Geef rekenschap van uw rentmeesterschap. Met al onze hemelmoge schuld is daar de meerdere Eliza, Die uw schuld bij God heeft voldaan. Daar spreekt zondag 1 van: Hij heeft met Zijn dierbaar bloed voor al mijn zonden volkomen voldaan. Deze schuldheer had in een zeker opzicht het recht van de wet aan zijn zijde, hoewel hij anderzijds de wet met voeten treedde. Het is een zegen als we met de schuldheer kennis maken, om te weten dat we een Profeet nodig hebben, om te kunnen zien op Jezus Christus. Hij maakt alles goed. Op Zijn kosten kunnen we leven en sterven.

Deze Eliza spreekt ons van de Zaligmaker, de Borg en Middelaar van Zijn kerk. Hij wil al uw schuld wegnemen. Hij wil u het geloof geven dat alles van Hem verwacht. Eliza biedt u het onderwijs van Christus. Mijn God zal naar Zijn rijkdom vervullen al uw nooddruft in heerlijkheid, door Christus Jezus (Filip.4:19).

Hier hoeft u niets te hebben dan lege vaten. Maar de vrouw moest toch ook zelf wat hebben? Jazeker. Niet om daar enige verwachting van te hebben. Wel om te leren dat we de kleinste gaven en zegeningen niet verwaarlozen mogen. Dan hebben we allemaal nog heel wat in huis. Als u de 0 maar hebt, dan zal de Heere er een 1 voor zetten en samen is dat 10. Dat is de rekensom van het geloof.

 

 

 

 

EVA

 

Wij zullen ons nooit kunnen voorstellen wat het betekent geleefd te hebben voor en na de val. Adam, maar zeker ook zijn vrouw, zij hebben het grootste contrast beleefd dat zich ooit aan mensen heeft voorgedaan. Zij hebben twee geheel verschillende werelden gezien. Zij hebben meer dan wij geweten het verschil tussen leven en dood, tussen zegen en vloek. Hun harten hebben gedeeld in de liefelijkste vrede, maar ook in de meest verscheurende dreiging. De kosmos (geordende schepping) veranderde in de volslagen chaos. Ze hebben geweten het verschil tussen de stem van de Heere en het gebrul van de duivel. Wat een moment, toen de nacht der zonde neerdaalde over de wereld. Nooit zou de zon meer stralen als tevoren. In plaats van de gemeenschap met God hebben zij het vlammende zwaard van Gods toorn aanschouwd.

Wij moeten allen onze val in Adam inleven. Dat betekent ook dat wij zijn zonde moeten leren kennen als onze schuld. Dat kan alleen de Heilige Geest ons leren, want zelf zijn we het daar niet mee eens. Toch leert de Heere het aan Zijn volk.

We kunnen ons echter indenken dat dit voor Eva en haar man nog een heel andere zaak geweest is. Luther heeft de ervaring gekend dat hij door de geopende poorten het paradijs binnenging; onze voorouders hebben het tegendeel ondervinden: zij moesten die volmaakte plaats als bannelingen verlaten en zo liepen zij regelrecht de duisternis tegemoet. Zij waren verder in alle opzichten de directe oorzaak; Eva in het bijzonder.

 

Haar val

 

Eva was geroepen haar man te gehoorzamen. Ook voor de zondeval stond de vrouw onder de man (1 Tim.2:13). Adam stond in deze scheppingsorde onder de Heere (1 Cor.11:3).

De emancipatie is al vroeg begonnen. Deze was niet alleen bij de vrouw te vinden, ook haar man nam aan deze zonde deel. Maar Eva dan toch ook. Zij handelde geheel zonder haar man; zelfs sleepte ze haar man mee in haar val. We moeten bedenken dat een vrouw die macht nog steeds heeft en gebruikt.

De duivel richtte zich tot de vrouw, omdat de vrouw wellicht zwakker stond dan een man. Een vrouw is meer ontvankelijk voor gevoelsargumenten.

Wij kunnen als gevallen zondaren ons nimmer indenken hoe het proces van de val in Eva’s leven zich heeft ontwikkeld. Eva was zonder zonde toen de slang tot haar begon te spreken. Heeft haar dat naïef gemaakt en sneller doen overhellen naar de zonde?

Wat er met moeder Eva is gebeurd, heeft zich daarna talloos vele malen herhaald. Ook omdat de duivel steeds weer dezelfde tactiek toepast.

Een Frans spreekwoord luidt: reculer pour mieux sauter; een stap terug doen om beter te kunnen springen. Eerst toegeeflijk en begrijpend naar mensen toekomen, om daarna de volle slag toe te dienen. Wij hebben trouwens die methode van de duivel goed geleerd. Het gevaar ligt in die tegemoetkomende houding.

Een vraag stellen, dat mag toch wel? Maar wat voor een vraag. Een vraag die voor tweeërlei uitleg vatbaar is. We kunnen lezen: U mag niet van elke boom in de hof eten? of: u mag van geen enkele boom in de hof eten? Dat is een groot verschil. Onze vertalers kiezen voor de tweede mogelijkheid. De duivel veronderstelde dat onze voorouders van geen enkele boom mochten eten. Zo denkt hij nog. Hij stelt het altijd weer zo voor aan onze jeugd, maar ook aan ouderen. Jullie lijken helemaal niets te mogen. In de wereld leeft dat beeld ook; Wie God dient, mag nergens aan mee doen. Het is allemaal verboden. Onze jongens en meisjes denken misschien zo over hun opvoeding. Zeker is het zo, dat de Heere ons veel verbiedt. Er staan wat bomen in de moderne maatschappij, waar we de vrucht van moeten mijden. Dan heeft de satan ons hart wel mee als hij zegt: Jullie mogen zeker nergens aan meedoen? Je mag niets van de kerk, zo zegt de wereld. Eerlijk moeten we wel erkennen dat onze tijd er verleidelijk genoeg weet uit te zien. De vruchten lijken ook helemaal zo verrot niet en we beseffen ook niet dat deze bespoten zijn met een dodelijk gif. Vanwege de vele middelen die er zijn, wordt het ook steeds moeilijker voor ons om afstand te bewaren.

De duivel valt niet direct met open vizier aan en ook Eva is niet direct weerloos. Kapitein Weestand staat nog op de muur. Ze geeft een correct antwoord waarin nog niets blijkt van twijfel of toegeeflijkheid. Het gesprek verloopt nog op enig niveau. Dat is een bewijs dat Eva nog niets door heeft van de verborgen listen van de slang. Dat is het gevaar van het gesprek of van de discussie, van de gedachtewisseling. Zo gaat het altijd weer.

De duivel weet de zaken bespreekbaar te maken. Kent u die uitdrukking toch wel uit onze tijd? De dingen moeten bespreekbaar zijn. Meestal vinden wij dat toch ook heel aanvaardbaar. Maar weet u wat men bedoelt? Wat echt bedoelt wordt?

We moeten met onze jeugd praten over homofilie, over seksualiteit, over de donkere buurten van onze tijd. Schuilt hier niet het gevaar dat onze belangstelling gewekt wordt? Bij Eva ging het wel zo.

Eva spreekt de duivel (nog) tegen. Ze corrigeert hem. We mogen van alle bomen vrij eten, alleen van die ene boom mogen we niet eten. Het is helemaal niet zo dat we niets mogen; we mogen heel erg veel. Van alle bomen mogen we eten. Ook nu mogen we nog heel veel. De Heere geeft ruimte voor blijdschap en genot, voor vrede en rust. We mogen genieten van de wereld en haar volheid. Alleen hoede men zich voor de zonde. Dat is nu nog heel wat moeilijker dan toen, alleen kunnen wij het meer dan toen verwachten dat alles door de zonde is aangetast. Daarom is wedergeboorte, een nieuw leven en een nieuw bestaan nodig.

Als daarna de duivel haar hart dodelijk doorwond heeft, is het al te laat. De begeerte maakt de weg vrij voor de zonde en de zonde voert haar naar de dood.  En dan is er geen houden meer aan; ze kan niet meer terug. Ze sleept haar man mee in haar val. Haar man is niet beter. Er is geen enkel wantrouwen in zijn hart. Als dan reine schepselen al zo snel door de mand vallen, hoe zal het mij en u dan niet vergaan? Toch lijken we nog steeds te geloven in de onschuld van de helse verzoeking.

Hoe hebben zij hun diepe val moeten inleven. Wat een onderscheid! Een vervloekte aarde in plaats van een juichende schepping. Eerst wandelde de Heere in de wind des daags en het gaf hun geen schrik. Nu komen ze de duivel op iedere hoek van de straat tegen. Eerst was de schepping licht en vredig, nu is ze verwoest en verloederd door doornen en distelen. De vogels hebben ooit anders gezongen dan nu. Nu zijn overal dijken nodig en rode lichten die het kwaad wat moeten beteugelen. Nu werkt de mens met zijn gaven en krachten op de dood aan; bommen en granaten lijken zijn speelgoed te zijn. Toen was er de belofte van een eeuwige leven.

 

Haar geloof

 

We mogen geloven dat beide tot bekering zijn gekomen. Beiden geven blijk van geloof. Adam noemde zijn vrouw moeder aller levenden. Dat ìs geloof! In die toestand, toen alle schoonheid bezoedeld was, toch nog te kunnen spreken van leven. Hij kon dat doen omdat de hemel het hem in de moederbelofte had voorgezongen.

Eva’s geloof blijkt bij de geboorte van Kaïn: Ik heb een man van de Heere gekregen. Een andere vertaling is ook mogelijk: Ik heb een man, namelijk de Heere, verkregen. Beide weergaven geven goed aan dat ze het oog heeft op de belofte. Het vrouwenzaad is er, zo meent zij.

Aleer haar hoop zich kon ontwikkelen, heeft de Heere eerst Zijn beloftewoord gesproken. De bekende moederbelofte klonk hen in de oren. Er daagde licht in de nacht, er gloorde hoop in de strijd. Niet de satan zou overwinnen, maar de komende Verlosser zou het winnen. De Heere was de Eerste. Onze belijdenis zegt het heel mooi: Onze goede God heeft Zich begeven om de mens te zoeken, toen deze al bevende voor hem vlood” (art.17). En de Catechismus meldt dat God Zelf het Evangelie eerst heeft geopenbaard in het Paradijs ( zondag 6). In het verloren Paradijs. Dat was toch metterdaad een goede tijding, een blijde boodschap. De Heere heeft het aan geen engel willen overlaten om de vluchtende zondaar tot Zich te roepen.

Eva toont geloof. Kaïn heeft indruk gemaakt. Een flinke en gezonde jongen. Dat maakt op iedere ouder indruk. Je verwacht er iets van. Eva heeft wellicht gemeend dat de gevolgen van de val nog beteugeld konden worden. Misschien kon het allemaal nog meevallen. Er daagde nieuwe hoop. De Heere zou de slang vermorzelen. Dat gaf hen beide moed. En ze weet dat dit een gave van de Heere is en dus klemt zij zich aan het gegeven woord van de Heere vast. Zo doet het geloof.

Als we echt de belofte van de Heere in ons leven gehoord hebben, gaat het nog net zo. Dan menen we dat de verlossing nabij is. Dan zien we de verhoring al liggen en verdwijnt alle ongeloof en vreze des doods. Heeft zij te veel geloof? Niemand kan teveel geloof hebben. Ze heeft een groot geloof in de Heere, maar tegelijk heeft ze nog niet het rechte inzicht in de kwaal van de zonde. Er is veel meer vernield dan ze toen meende. De zonde is veel radicaler dan zij kon vermoeden. Dat beleven we nog. U en ik denken nog te licht over de verdorven kwalen van de zonde. De overwinning op de zonde vraagt veel meer dan de geboorte van een sterke jongen.

Ook nu geeft dat strijd. We staan allemaal te tasten gelijk binden langs de muren. We doorschouwen de diepte van schuld en genade niet. Waarom moest het zo gaan? Waarom moest het zo lang duren eer er verlossing daagde? Er is geen antwoord op die vragen.

Maar dit is wel zo: we willen op de snelste manier verlost worden. Net als Eva. Anselmus heeft eenmaal de bekende woorden gesproken: Ge hebt nog niet beseft van welk een gewicht de zonde is. Niettemin is er geloof in dit woord van Eva. Maar dat geloof vraagt oefening. Gods molens malen langzaam.

Als er opnieuw een kleine komt, liggen de zaken wat anders. Ze geeft hem de naam ijdelheid. Die naam heeft ze niet zo maar gegeven. Dit kind had veel minder power en verschijning dan zijn broer. Het was wel duidelijk dat dit kind het niet kon zijn. Nee, als er verlossing zou komen, dan moest het van de eersteling komen.

Hoe is dat met uw kinderen gegaan? Als ze in de wieg liggen, dromen we toch ook van allerlei grote dingen? Wat is er mooier dan een pasgeboren kind? Toch spreekt de Bijbel daar anders over. In zonden ontvangen en in ongerechtigheid geboren, dat zijn we allemaal. Sterk of zwak, Kaïn of Abel. In de naam Abel klinkt meer realiteitszin door dan in de naam van zijn broer.

 

Haar verdriet

 

We kunnen dus zeggen dat het in het opgroeien allemaal zo tegenvalt met onze kinderen. Met de sterke Kaïn valt het zeker niet mee. Ongetwijfeld heeft Kaïn in zijn groei naar de volwassenheid tekenen vertoond van brute goddeloosheid. De aard en het karakter, het sprak een ruwe taal. Maar toch leek het te veranderen toen hij ook God diende en zelfs offerde.

Abel vertoonde van meetaf een ander leven. De praktijk wierp een heel ander licht op de beide kinderen dan Eva had gedacht. Hier blijkt Gods verkiezing. Hij verkiest en zwakke, hetgeen niets is. Het sterke en het hoogmoedige verwerpt Hij. Hij oordeelt heel anders over de mensen dan wij. Dat is aan de ene kant beschamend, aan de andere kant is het een grote troost.

Wat hoog is, is een gruwel voor God. Zijn we niet allemaal hoog en verheven in eigen waarneming? Dat is waar, maar niet ieder heeft daar het vermogen toe. Abel heeft van nature ook al moeten beleven dat zijn kracht eindig en beperkt was. Hij kreeg niet veel kans om te denken dat hij wat was. Dat gevoel van nietigheid heeft zijn leven gestempeld. Zijn kracht zal ergens anders van daan moeten komen dan van hemzelf. God heeft het zwakke uitverkoren, opdat Hij het sterke beschamen zou. Dat is de zegen van de verkiezing.

In alle tijden hebben Gods kinderen de goddelozen zien leven als grote en hoge bomen. Asaf tekent hun beeld in psalm 73. Het leert ons onszelf te vernederen voor de Heere. We worden vermaand om een behagen te hebben in zwakheden.

Toen het tenslotte op die zwarte dag uitliep op een broedermoord, is dat wel een smartelijke streep door de rekening van moeder Eva geweest. Hoe anders dan zoals zij gedacht had. Wat een slag: een moordenaar die zijn kracht verkeerd gebruikte. Een schijnverlosser, die zijn geslacht dieper in de ellende gestort heeft. Zo wordt de verwachting van ouders, van veel ouders, hardhandig beschaamd.

Zij, die de ernst van haar val heeft moeten inleven, zal niet alleen verwonderd geweest zijn over de boosheid van haar zoon. Wie kan een reine geven uit een onreine? Ouders moeten in hun nageslacht inleven wie ze zelf zijn. Het bloed van haar zoon kleurt de aarde rood. Voor het eerst wordt het gezien. Dat maakt het aangrijpender. Haar zorg en liefde voor haar Abel beleeft hier een doodlopende weg. Onbekeerde kracht is niet anders dan geestelijke zwakheid. Dat bleek in Kaïn.

Verdriet en teleurstelling. Dat is echter juist de poort naar het leven. Ze is toch moeder aller levenden. Ze had het woord van haar man en het beloftewoord van de Heere verkeerd ingevuld. Dat doen we meestal. Maar de kern ligt er. Toch moeder aller levenden!

Ze heeft tòch een Man van de Heere verkregen. Die man is noch Kaïn, noch Abel. Ze heeft Zijn dag wellicht zo helder niet gezien zoals Abraham Zijn dag heeft mogen zien. Maar toch en Man. Niet in uiterlijke kracht, zoals Kaïn. Hij was als Abel, enkel ijdelheid en nietigheid. Hij was veracht en wij hebben Hem niet geacht. De ellendigste van alle mensen, een Man van smarten. Maar zingt de kerk niet van Hem: "Ik heb bij ene Held voor Israël hulp beschoren?” Hij is toch uitgetrokken in Zijn grote kracht. Want Hij is God en dat betekent: sterker dan alle schepselen. Sterker dan Kaïn.

De Heere snijdt hier al haar vleselijke verwachtingen af om nieuwe hoop te geven in de Zoon van Zijn eeuwig welbehagen. De godvrezende Abel wreed omgebracht, de goddeloze Kaïn overgelaten aan zijn ouders. Zo valt alles weg. Maar de belofte van de Messias doet hoop dagen.

Die weg moet ieder mens leren te gaan. Alles te verliezen en slechts het vlees over te houden, om in die nood behoefte te gevoelen aan de Held der hulpe. Om het te kunnen zeggen: Als ik zwak ben, dan ben ik machtig. En daarom was Eva de moeder aller levenden, ondanks het bloed van Abel. Omdat de Heere Jezus heeft gezegd: De poorten der hel zullen Mijn gemeente niet overweldigen.

 

 

 

 

JABES

 

In de persoon van Jabes openbaart zich een tegenstelling. Zijn naam heeft iets te maken met droefheid en smart, terwijl er ook staat dat hij heerlijker was dan zijn broeders. Smart en heerlijkheid, dat is de tegenstelling. Hoor zijn levensverhaal: "Jabes nu was heerlijker dan zijn broeders; en zijn moeder had zijn naam Jabes genoemd, zeggende: Want ik heb hem met smarten gebaard. Want Jabes riep den God Israëls aan, zeggende: Indien Gij mij rijkelijk zegenen, en mijn landpale vermeerderen zult, en Uw hand met mij zijn zal, en met het kwade alzo maakt, dat het mij niet smarte! En God liet komen, wat hij begeerde”. (1 Kron.4:9,10)

 

slechte start

 

We zouden kunnen zeggen dat we hier een samenvatting vinden van het leven van ieder mens. Zo afwisselend is het leven. Daarin zien we die beide gegevens verenigd. Er zijn dagen en nachten, er is zomer en winter, er is licht en donker. De ene mens heeft meer tranen dan de ander, maar ieder weet er iets van.

Toch was dat bij Jabes anders!

Er staat dat hij in heerlijkheid boven  zijn broers uitstak. En dat gold ook van het andere, namelijk van de smart waarvan zijn naam spreekt.

Zijn geboorte sprak van het eerste, van smart. Niemand komt zonder smart ter wereld. Het staat duidelijk geprofeteerd van ieder mens in Genesis 3. Met smart zult ge kinderen baren…. De moeder van Jabes echter kreeg het wel erg zwaar. In haar leven lagen de tranen er duimendik bovenop. Zij moest op bijzondere wijze de vloek op de zonde inleven. Wat Rachel beleefde toen Benjamin geboren werd, is ook deze vrouw niet onbekend. Rachel echter stierf bij de geboorte, maar dat overkwam haar niet. Rachel noemde haar kind Benoni, zoon van mijn smart. Een soortgelijke naam geeft deze vrouw ook aan haar kind. Zij noemt hem Jabes, smart.

Zoiets tekent je leven. Je raakt die naam nooit meer kwijt. Jabes wordt zijn leven lang herinnerd aan zijn geboorte. En als hij dieper doordenkt (en dat heeft hij zeker wel gedaan), dan moet hij elke dag denken aan de vloek op de zonde. Die vloek hangt als een donkere wolk over zijn bestaan.

Dat is heel erg, het is zwaar belastend. De vloek op de zonde drukt ieders leven, of we dat nu willen weten of niet. De zonde in het paradijs heeft gevolgen voor heel ons bestaan. Maar bij Jabes is het nog duidelijker: zijn naam klinkt dagelijks en telkens is het refrein: smartenkind.

Daarin staat hij niet alleen.

Er zijn er veel meer, die een soortgelijke ervaring hebben. Dat hoeft niet te liggen aan de naam die je draagt. Misschien heb je wel een mooie naam. Er zijn mensen met klinkende namen: Geluk, Rijkaard, Sterk enz. Die namen zijn een prachtig etiket op een leven waarin ook wel verdriet voorkomt. Zo’n mooie naam is een aansporing, een belofte; als je zo’n naam hebt, krijg je dagelijks gelukstelegrammen in de bus?

Los van je naam, is het wel zo, dat er een drukkende last over het leven ligt. Dat geldt van ieder mens. Maar het kan zijn dat je dat ook zo voelt, je ervaart het zo en je kunt je er niet aan ontworstelen.

In onze maatschappij zijn veel mensen als Jabes. Het zit hen niet mee, ze lopen telkens tegen muren aan en ze stoten steeds weer hun hoofd. Ze zijn daardoor somber gestemd en hebben zodoende ook geen verwachtingen van het leven. Hoe komen ze erdoor?

 

biddende voortgang

 

Hoe is het met deze Jabes gegaan?

Hij kwam er heel goed doorheen. We hebben al gehoord dat hij heerlijker was dan zijn broeders. Naast en in de smart van zij leven was er ook iets heel moois. Heerlijk, dat is een buitengewoon mooi woord. Het woord wordt gebruikt van God als het gaat over de heerlijkheid des Heeren. Daaronder verstaan we de lichtglans die God omgeeft in de hemel. Het woord wekt grote verwachtingen. Het is heel wat als dat gezegd wordt van een gevallen mensenkind.

Zijn kracht had te maken met het gebed. Hij riep de God Israëls aan. Bidden behoort bij zwakke mensen. De neerdrukkende kracht van de smart heeft hem gedwongen tot het gebed. Dat was een ongekend voordeel. Als er tegenslagen in ons leven zijn, kunnen we verschillende wegen gaan. We kunnen mensen te hulp roepen of onszelf trainen om ertegen te kunnen. Dat zijn de wegen die de mens van nu gaat. U doet dat misschien ook wel.

Jabes deed het misschien ook? Dat zou kunnen. Maar hij deed eerst en voor alles wat anders. Hij bad in eenvoud tot de God Israëls, tot de God van zijn opvoeding.

Zijn gebed was geestelijk van aard. Hij bidt om zegen van de Heere. Rijke zegen. Hij had anders kunnen bidden. Hij had namelijk kunnen vragen om voorspoed en geluk. Om vreugde en vrede. Zegen is het tegendeel van de vloek. Die vloek, hij wist er alles van, had te maken met zijn geboorte; met de zonde, die hij telkens weer ontmoette. Het zijn grote woorden, maar ook massieve zaken, zegen en vloek. Je hoort die woorden niet veel meer in onze maatschappij. Rond de jaarwisseling willen mensen nog wel eens een wens voor je doen die spreekt van zegen. Veel heil en zegen. Die woorden kunnen alleen door het geloof verstaan worden.

Zegen is meer dan een egoïstisch bezit. Het gaat in dit woord om innerlijke vrede, om een Goddelijke gave. Het kan samengaan met tegenspoed en verdriet. Het kan er zijn, ook al zit veel tegen. Het is een kracht die de negatieve dingen in het leven neutraliseert. Vrede met de gang der dingen. Vrede met God en daarom ook vrede met je leven. Daar mogen we om bidden. Willen we daar ook om bidden? Er ligt in dit gebed een stukje zelfverloochening, aanvaarding van wat hoger hand wordt beschikt over je.

De beste manier om te bidden om een rijke zegen is een gebed om bekering en geloof, een gebed om de gaven van Gods genade in Christus. Als we Hem hebben, vinden we de zegen, dan kennen we vreugde in smart.

Een heerlijk gebed, zo mogen we wel vaststellen. Nu hij hier duidelijkheid over heeft gegeven, is er gelegenheid om te bidden om andere dingen.

Zijn  bede is verder ook een eerlijk gebed. Hij bidt om gebiedsuitbreiding. Wat heeft hij bedoeld? Hij dacht misschien wel aan een groter bedrijf of aan meer vee. Als we grondbezit hebben, willen we dat ook productief maken. Het lijkt er dan nu op, dat hij toch vervalt in egoïstisch bidden? Zegen is toch genoeg? Dan zou je wel amen kunnen zeggen.

Toch, we blijven ook mens en Gods kinderen zijn hier op aarde nog niet in de hemel. Genade leert een mens ook om rentmeester te zijn. Om dat te kunnen zijn, hebben we middelen nodig. Dan gaat het om land zoals de oosterling dat vooral nodig had. De Heere heeft ons, mensen, een opdracht gegeven. De aarde moet onderworpen worden. Dan is het niet vreemd als Jabes bidt om dat landbezit. Hij ontsteelt het niet aan anderen, maar hij bidt er om. Dat is de rechte weg.

Men zegt dat het Calvinistisch is om trouw en eerlijk te werken en ons beroep als een hoge opdracht op te vatten. Dan mogen we streven naar een goed lopende zaak, we mogen vragen om een vruchtbare kudde, we mogen hopen op een goede oogst. Of is dat gevaarlijk? Ja, zonder het gebed kan dat heel verkeerd zijn. Maar als je er maar om bidt en als je maar blijft bidden, in afhankelijkheid. Bid maar om een goede een aardige vrouw, vraag de Heere maar om iets te mogen bereiken in dit leven, zie maar uit naar een goed salaris. Maar wel uit Gods hand.

Er was ook nog iets anders met dat land. De Heere had het land Kanaän aan Israël gegeven. Hij had hen de opdracht gegeven het te veroveren op de vijanden. Dat was in de dagen van Jozua. Het volk echter talmde. Toen ze meenden genoeg te hebben, lieten ze het erbij zitten. Want, het kostte inspanning om te strijden. En dus lieten zij de beloofde zegeningen liggen en ze zagen ervan af om die beloften in bezit te krijgen.

Wat God beloofd heeft, mag begeerd worden. Sterker nog, dat moet zelfs begeerd worden. Daar heeft de Heere een recht op gegeven. Kanaän is beloofd en dus mag en moet het onderworpen worden. Zo gaat dat met al de beloften van de Heere. De Heere heeft bekering beloofd en dus moeten we die bekering begeren. De Heere heeft onafzienbaar veel gaven beloofd die verworven zijn door de Heere Jezus Christus en dus moeten we die najagen en begeren. Maar we zijn  in dat opzicht nooit zo begerig. Van de wereldse dingen krijgen we nooit genoeg, maar genade hoeft voor ons niet zo. Gods volk klaagt over allerlei gebrek. Geen blijdschap, geen zekerheid, geen vervulling, terwijl het allemaal beloofd is. Zoekt u dat wel? Of denkt u dat we berusten moeten in wat ons toebedeeld wordt? We mogen bidden want het is beloofd.

Het derde waarom Jabes bidt, is een algemene vraag om Gods hulp. Zijn gebed is ook een aanhankelijkheid gebed. Indien Uw hand met mij zal zijn….. Deze vraag omvat feitelijk heel het leven, naar ziel en lichaam. Het heeft betrekking op de tijd maar ook op de eeuwigheid. Jabes kan niet handelen en leven zonder God. Hoeveel mensen hebben God niet tegen in hun leven? Allerlei mensen voor, maar God tegen. Zo kan dat bij Jabes niet. Wil de Heere met hem zijn? Dan pas is hij gerust. In de Heere Jezus verhoort de Heere dat gebed. Hij is Emanuel, God met ons. Dan delen we in de vergeving der zonden, dan zijn we met Hem verzoend. Maar Jabes heeft het wel over Gods "hand”. En die hand van God staat garant voor Zijn handelen. Zijn  sterke rechterhand, die door haar daden de wereld doet beven en die door haar kracht Gods volk in stand houdt. We zien dat Jabes er nog niet genoeg van kan krijgen. Hij beseft blijkbaar dat de Heere heel veel heeft weg te geven. Hij beseft ook dat hij heel veel gebrek en gemis heeft. En daarom bidt hij niet alleen om land als een gave van God, maar hij bidt om de Heere Zelf te mogen kennen.

 

heerlijke bekroning

 

Dan is er tenslotte ook sprake van een nuchter gebed. Hij weet immers dat er veel kwaad zal zijn. Het kwade is er en het komt. Bent u ook zo nuchter? Hoe denken wij het kwade tegemoet te gaan? Wat is echt kwaad? De duivel gaat rond als een briesende leeuw. Daar hebt u het kwade. De zonde laat me niet los en de wereld trekt me van de Heere weg. We leven op een wereld waar zonde en duisternis rondgaan. Het is om bang van te worden, zoveel kwaad er is. U denkt aan ziekte of aan verdriet in uw gezin, u denkt aan rouw of aan een moeilijke ouderdom. Dat alles kan komen. Het kwade komt. Jabes wist het ook.

Beter dan het afbidden van het kwade is het smeken om het te kunnen dragen. Dat kan de Heere geven. Kan het gebeuren dat kwade dingen ons niet smarten? Daar zijn sterke voorbeelden van, wellicht ook om u heen. Er zijn mensen die hun levenskruis vrolijk dragen. De Heere heeft hen verzoend met de tegenspoed. Hun kruis spreekt hen van het kruis van Christus. Komt de Heere er werkelijk bij dan is het kwade niet kwaad meer.

Maar dat kunnen we alleen zeggen door het geloof. In uw leven is het kwaad ook aanwezig. Ongetwijfeld. De wereld is er vol van. De krant is elke dag weer dik en groot om het kwade te melden. Hoe vreselijk dat de goede schepping van de Heere kwaad is geworden, zoals een appel vol kwaad is. Ieder mens wil het kwaad overwinnen, kwijt raken, vernietigen. Maar hoe kunnen we dat ooit?

De mensheid moge komen tot het gebed. Goed en kwaad rusten in de hand van de Heere. In het kruis van Christus is het kwade uitgelopen op het goede. Er is geen groter kwaad ooit geweest dan het lijden en sterven, de moord op de Zoon van God. Maar dat kwade heeft een nieuwe schepping opgeleverd. Daarin is de bede van Jabes verhoord.

Zo kan en wil de Heere dat ook nu doen. Ook bij u. Is het gebed van Jabes niet onderwijzend om ons de rechte weg te leren?

De Heere liet komen wat hij begeerde. Dat was de heerlijkheid van Jabes. Zo kan een smartenkind een gezegende des Heeren worden. Zo alleen. U kunt in uw korte leven dit nooit zelf en alleen bereiken. Gods hand met u! Dan kunt u gerust zijn.

 

Zeg dus niet dat er geen middel is tegen de smarten van het leven. Ontken je moeiten niet met eigen middelen. Besef waar je tegenspoed uiteindelijk vandaan komt, zoals Jabes deze dankte aan zijn geboorte. In zonden ontvangen en geboren. Het gebed op zichzelf is al een grote troost, laat staan de verhoring.

Dat gebed leert zien op Jezus Christus. Zie dan op Hem. Hij is de Man van smarten geworden vanaf Zijn geboorte. Hoe diep trof Hem de vernedering. Denk concreet aan Zijn moeder Maria: een zwaard door haar ziel. In Hem ligt je hulp. Hij is ook de grote Voorbidder voor Zijn Kerk. In Zijn lijden en sterven werd voor zondaren de weg gebaand en werden zij verlost van de smart. Wat is die verlossing? Dat het kwade hen niet smart. Zou je dat niet kracht geven? Dan wordt Hij heerlijker dan allen. Hoe groot en schitterend is Zijn eer. In deze grote Jabes ligt alles besloten. Ook voor u en jou, als we door Zijn bloed gered worden. Net als Jabes kunt u dat leren in de weg van het gebed. In dat gebed mogen we alles vragen. God is zo goed: Hij laat komen wat ge in die weg begeert.

Al wat u de Vader bidden zult in Zijn Naam, zal Hij u geven!

 

 

 

 

 

JOAB                                                                                                                          131109

 

Joab was de generaal van David. Tevens was hij familie van David, want hij was de zoon van Davids zuster Zeruja.

Ondanks deze gegevens en verdere personalia komt de vraag op: Wie was deze Jaob ten diepste? Ieder mens heeft twee kanten in zijn leven. Gods kinderen weten van de macht van de Geest, maar ook van de macht van het vlees. De oude en de nieuwe mens staan tegenover elkaar. Zo hebben zij een creditzijde, maar ook een debetzijde in hun boekhouding.

Bij natuurlijke mensen ligt dat anders. Niemand is van nature goed. Zij hebben maar één kant; ze maken alleen schulden en de schuld wordt dagelijks meerder.

In menselijk opzicht echter kunnen we ook zeggen dat er goede en slechte mensen zijn. Zo spreekt ook Gods Woord (Matth.22:10). Ook weten we dat ieder mens goede en verkeerde eigenschappen bezit.

Joab heeft in zijn in kasboek ook twee kolommen. Debet en credit. Er staan aan beide kanten aanzienlijke posten vermeld. Joab heeft uitzonderlijk afkeurenswaardige daden gedaan, maar hij heeft ook zijn sterke kanten gehad.

 

eigenbelang

 

Wat zijn negatieve kanten betreft: David heeft Jaob meermalen beoordeeld als een bruut en gewelddadig mens. Zo sprak hij zich tenminste uit na de moord, door Jaob gepleegd op Abner. Abner was de legeroverste van Isboset, zoon van Saul, die aanspraak maakte op de troon. Wie moest koning worden?

Een militair treffen moest deze vraag beantwoorden. Zo gebeurde het ook. De uiteindelijke afloop was zodanig, dat het leger van David overwon. Asahel, een broer van Jaob, achtervolgde Abner. Abner wilde hem niet doden, maar hij werd hiertoe gedrongen omdat Asahel hem bleef achtervolgen. Om aan zijn wraak te ontkomen, heeft Abner hem tenslotte gedood, tegen zijn eigenlijke bedoeling.  Daarop werd Abner weer door Jaob omgebracht, omdat Asahel de broer van Jaob was.

Joab deed dat niet zo maar. Vermoedelijk was hij bang voor een te grote invloed van Abner bij David, wat hem misschien wel zijn baan in het leger zou kunnen kosten. Abner had zich namelijk aan  de zijde van David geschaard, uit ongenoegen over een verwijtende vraag van Isboset over zijn omgang met een bijwijf van Saul.

Wie het geheel leest in 2 Samuel 2, kan moeilijk uitmaken wat we van het gehele verloop moeten denken. In ieder geval moeten we wel zeggen dat Jaob een verkeerde weg heeft gekozen, maar daarin was hij niet de enige. David heeft na de dood van Abner het volgende uitgesproken: "Is dan Abner gestorven, als een dwaas sterft? Uw handen waren niet gebonden, noch uw voeten in koperen boeien gedaan, maar gij zijt gevallen, gelijk men valt voor het aangezicht van kinderen der verkeerdheid. Toen weende het ganse volk nog meer over hem” (2 Sam.3:33,34)

Het is opmerkelijk dat David hier zijn eigen neven kinderen der verkeerdheid noemt, terwijl hij Abner zo roemt.

Een tweede voorval, dat ons enig licht werpt op een bruut optreden van Joab was zijn doodslag van Absalom. David had va tevoren, voor de slag, gepleit voor zijn zoon en de manschappen gesmeekt hem te laten leven. Joab was echter niet van zins om dat verzoek te eerbiedigen. Hij heeft niet geaarzeld om Absalom op brute wijze te doden, terwijl een soldaat kort tevoren tegenover hem nadrukkelijk had gesproken over het verzoek van de koning.

Dit bevreemdt temeer omdat Jaob met Absalom in vroeger dagen een goede verhouding leek te hebben. Hier zien we dus opnieuw een misslag van Jaob.

In 2 Samuël 20 misdraagt Joab zich opnieuw. Daar komt hij ertoe om zijn neef Amasa te doden. Dat gebeurde na de opstand van Seba, de zoon van Bichri, tegen David. David stuurt Amasa als eerste uit om een leger te verzamelen om tegen Seba te strijden. Waarschijnlijk heeft Jaob gedacht dat David Amasa in zijn plaats wilde aanstellen en dat heeft hij niet willen meemaken. Zodoende kwam het tot de moord op Amasa.

Er is in de gedragingen van Joab wel een doorgaande lijn te ontdekken. Hij heeft het zwaard snel bij de hand. Er kleeft veel bloed aan zijn vingers.

Vandaar dat hij David voor zijn sterven zijn zoon Salomo opdraagt Jaob te doden omdat hij twee legeraanvoerders heeft gedood in vredestijd, terwijl David deze moorden niet had bevolen.

Zo doodt hij diverse mannen die zijn mededingers konden worden. Hij doodde hen dus uit eigenbelang.

 

daadkracht

 

Hier staat echter wel wat tegenover.

Joab heeft David ook zeer aan zich verplicht. In de eerste plaats vanwege het feit dat Jaob David trouw bleef tijdens de opstand van Absalom tegen David. Amasa, van wie we hoorden dat hij door Jaob is omgebracht, koos toen de zijde van Absalom, hoewel hij ook een neef van de koning was. Na de dood van Absalom is het Joab, die het heft in handen neemt en de koning bijna beveelt om zich te vertonen aan het volk. Hij spreekt daarbij de volgende woorden: "Gij hebt heden beschaamd het aangezicht van al uw knechten, die uw ziel, en de ziel uwer zonen en uwer dochteren, en de ziel uwer vrouwen, en de ziel uwer bijwijven heden hebben bevrijd; Liefhebbende die u haten, en hatende die u liefhebben; want gij geeft heden te kennen, dat oversten en knechten bij u niets zijn; want ik merk heden, dat zo Absalom leefde, en wij heden allen dood waren, dat het alsdan recht zou zijn in uw ogen.

Zo sta nu op, ga uit, en spreek naar het hart uwer knechten; want ik zweer bij den HEERE, als gij niet uitgaat, zo er een man dezen nacht bij u zal vernachten! En dit zal u kwader zijn, dan al het kwaad, dat over u gekomen is van uw jeugd af tot nu toe” (2 Samuël 19:5-8).

Dat is stevige taal. Het zijn woorden van een man die zeker weet wat hij zegt. Joab heeft iets van een sterke persoonlijkheid. Hij maakt indruk. Niet alleen de daden van Jaob zijn resoluut, ook zijn woorden kunnen getuigen van een harde aanpak. Maar er ligt zeker een kern van waarheid in. Het was niet goed zoals David handelde. Joab gaf hem hierin duidelijk raad ten goede. We kunnen uit dit voorval ook opmaken dat Jaob overwicht had op de koning. Het lijkt erop dat David zich maar nauwelijks tegen hem kon verzetten.

Jaob’s inzicht blijkt ook later nog. David wilde een volkstelling houden en dit wordt hem door Jaob op de hem eigen wijze ontraden. Waarom heeft mijn heer de koning lust aan deze zaak? (2 Sam.24:3) Onmiskenbaar heeft Joab het bij het rechte eind. David wordt immers ook door de Heere hierover naderhand bestraft. Had David maar beter naar Joab geluisterd! De verhouding tussen David en zijn neef kan bijna getypeerd worden als een haat-liefdeverhouding. Misschien beter gezegd: David heeft zich nooit echt kunnen onttrekken aan de invloed van Jaob, hoewel hij dit wel gewenst heeft. Hij kon niet tegen hem op. Dat maakt de persoon van Jaob boeiend. Joab was een persoonlijkheid, waar David niet omheen kon. Zijn optreden had onmiskenbaar schaduwkanten, zoals deze er juist zijn bij mensen die zich sterk gedragen. Iemands kracht is tegelijk zijn zwakte.

 

berekening

 

Als we zo de boeken van Jaob lezen en we zien links en rechts allerlei posten vermeld, dan kan de gedachte bij ons opkomen dat David aan het einde van zijn leven wel erg hard heeft gehandeld met zijn legeroverste. Kunnen we dat zo zeggen? Deze daden van David zijn niet "geïnspireerd”, zodat we mogen vaststellen dat sommige daden in Davids leven afkeuring verdienen. Gelukkig hoeven wij hier geen oordeel uit te spreken. Het gaat er niet om David af te vallen, maar het kan er wel om gaan dat we ons afvragen of aan Jaob helemaal recht gedaan is.

En dan heb ik het nog niet gehad over een ander voorval, dat hierbij ook betrokken moet worden. Ik doel op Davids zonde met Bathseba. Het gaat dan vooral om het feit, dat David via Jaob Uria uit de weg ruimt om zelf vrijuit te kunnen gaan. Uria was een hoogstaand en zeer toegewijd dienaar van David en als de koning dan besluit tot een moord op deze onderdaan, is dat een vreselijke daad. Ook David, de man naar Gods hart, blijkt een zondaar te zijn. Het is een wonder dat hij dan desondanks toch de man naar Gods hard blijft en daarin zien we de grootheid van Gods genade jegens zondaren. Maar rechtvaardigt deze moord op Uria dan de onvergeeflijke houding van David tegenover Jaob? Joab heeft de handelswijze van David doorzien. Hij wist dat David een opzettelijke poging ondernam om Uria koelbloedig uit de weg te ruimen. Als de slag verloren is en de koning daarover ontstemd is, dan moet de bode maar tegen de koning zeggen dat Uria ook dood is. Als de koning dat zal horen, neemt hij wel genoegen met de schadelijke afloop, zo wist Joab. Opmerkelijk genoeg roept Jaob hier David niet tot de orde. Zowel hij als David hadden beide enig belang bij de doofpot. Zij spelen onder één hoedje.

 

ontdekkend

 

Het geheel overziende kunnen we vaststellen dat Jaob een intrigerende persoonlijkheid is geweest. Een figuur voor een roman. Ik bedoel hiermee te zeggen dat zijn gehele optreden kracht uitstraalt, menselijke kracht. Hoe jammer dat hij aan het einde van zijn leven zo smadelijk sterft; en dat mede door zijn eigen dwaasheid. 

Er liggen lessen in zijn optreden, ook voor ons.

De voornaamste lering heb ik al genoemd: iemands kracht is tegelijk zijn zwakheid. Een vriendelijk mens heeft meermalen als bijkomende zwakheid een te grote toegeeflijkheid. Een sterke persoonlijkheid moet erop bedacht zijn dat hij te boud en onmenselijk kan overkomen. Het is goed na te gaan op welk terrein uw kracht ligt. Misschien denkt u niet over enige kracht te beschikken. U voelt zich alleen maar zwak en niet opgewassen tegen de tegenspoeden van het leven. Die zwakheid heeft dan ook haar keerzijde. Die zwakte is misschien ook uw kracht. U weet heel goed wat u allemaal niet kunt en dat is een goede zaak. Het kan de basis zijn voor de genade, die u van de Heere mag afsmeken. Zwakte en kracht liggen in ieders leven ineengestrengeld.

 Van Gods volk wordt gezegd dat de allerheiligsten maar een klein beginsel hebben van de nieuwe gehoorzaamheid. Kracht en zwakheid. Het is treurig dat alles in ons bestaan door de zonde is aangetast. In die zin zijn er geen goede mensen. Een Michiel de Ruyter, een Willem van Oranje, een Gomarus of Bogerman, Abraham Kuyper of Hendrik de Cock, ieder mens is en blijft zondaar. Wisten we dat maar echt. Er zijn mensen die enig besef hebben van hun sterke kanten; laten zij ook bedenken hoe de zonde daarin op een verborgen manier levend aanwezig is. We hebben in alles het bloed der verzoening nodig. Zonder Christus kunnen we niets doen. Onze deugden zijn, naar het woord van Augustinus, blinkende zonden. Zonder genade is onze kracht niets. We zien het aan Jaob. Een sterke man, toch een tragische figuur, die uiteindelijk als een briesend paard het moet opgeven.

Joab is een heroïsche figuur en tegelijk is dat de tragiek in zijn leven. Deze sterke Jaob is voor ons een ernstige waarschuwing om niet alleen soms, maar ten allen tijde God en de koning te dienen. Een sterke persoonlijkheid, zonder wijsheid en genade, komt ten val aan de eigen zwakheden.

Elia de Thisbiet vertoont trekken die ook Joab had. Ook hij was een sterk mens, naar lichaam en geest. Hij stond zo vast dat hij bad of de Heere het drie en een half jaar niet wilde doen regenen. Hoe kon hij dat ooit doen? Hij was zo krachtig dat hij vierhonderd Baälprofeten liet ombrengen. Maar Elia was een man Gods, een held des geloofs, ondanks zijn zwakheden. 

Had Jaob maar meer gehad van de geest van Elia. Was het maar duidelijker geworden in zijn leven dat hij om de zaak van de Heere bewogen was en minder om zijn eigen positie. De duidelijke trekken van de vreze des Heeren kunnen wij niet ontdekken in zijn optreden. Niettemin had hij betekenis, grote betekenis in Davids leven. 

Zo zijn er meer sterke mensen en dappere helden om ons heen. De een is sterk met zijn mond, de ander met zijn handen, een derde met zijn pen. Gelukkig de mens die met de apostel heeft leren roemen niet in zijn kracht, maar in zijn zwakheden. Dat is heel andere taal. Gelukkig wie zeggen kan: Als ik zwak ben, dan ben ik machtig. Paulus’ zwakheid was zijn kracht. Onze kracht is onze zwakheid, dat is waar. Maar als we de Heere vrezen, weten we slechts te spreken van eigen zwakheden en  vandaaruit en vanuit die basale kennis, is er dan ook een zicht op de kracht die de Heere ons uit genade heeft gegeven.  Bent u nu sterk of zwak?

Christus kon voortgaan in Zijn grote kracht. Hij heeft de pers alleen getreden en er was niemand van de volken met Hem. Maar Hij werd als een zwakke gebonden en bespot en Zijn kracht ging schuil en verborg zich achter enkel zwakheid. En door die zwakheid, tegelijk Zijn grote kracht, kon Hij zijn de Held, bij Wie de Heere hulp heeft beschoren.

Bij deze sterke Held behoort een in zichzelf krachteloos volk, dat leert roemen in Hem.

 

 

 

 

 

JONATHAN

 

Het lijkt een mislukt leven!

Hij werd door zijn vader Saul meermalen hardhandig vernederd en hij werd door zijn mededinger David overtuigend verslagen. Zo zouden we zijn leven bezien, als we uitgaan van de struggle for life, of van de wet dat een mens het maken moet, zoals dat geldt in het alledaagse leven.

Zeker in onze tijd gaat het erom dat mensen zichzelf bewijzen. Je moet opkomen voor jezelf en de top zien te bereiken.

Zijn vader heeft hem dat duidelijk voorgehouden. Zie David niet als je vriend, maar als je vijand. Scherp heeft hij het eens gesteld: zoland David blijft leven, is het koninkrijk voor jou verloren (1 Sam.20:31). Saul vertolkte hier het keiharde denken vanuit eigenbelang.

In zijn ogen heeft Jonathan daar niets van begrepen. Jonathan was de wettige kroonprins en David was maar een indringer. Naar menselijke maatstaven lagen de verhoudingen ook zo. En daardoor heeft Jonathan de boot volkomen gemist.

Zo zijn er velen, die net als Jonathan de strijd verliezen. Dat kan thuis al zo zijn, als een broertje of een zusje op een slimme manier altijd maar weer op de eerste plaats terecht komt en jij ergens weggezet wordt. In een kinderleven kan dat al heel wat pijn veroorzaken; het kan uitgroeien tot een grondig besef van eigen falen en tekortschieten. In de school zet het zich voort. Anderen in de klas nemen het voortouw en steken je de loef af. Jij bent niet degene om wie ze allemaal heen komen staan en jouw plaats is ergens, buiten de groep, bijna onzichtbaar voor anderen. En als ze je zien, kan het zelfs gebeuren dat je als het zwarte schaap apart gezet wordt en deelt in de verachting van de rest.

Veel mensen hebben daardoor het gevoel dat hun leven zijn doel niet bereikt. Ouders kunnen je aansporen jezelf te bewijzen als het gaat om rapporten en examens, maar je hebt het gevoel de strijd niet aan te kunnen. Slappe handen en struikelende knieën zijn in de Bijbel al bekend (Jes.35:3; Hebr.12:12).

Vooral onze maatschappij leeft bij de harde wet uit het oerwoud: eten of gegeten worden. Er wordt gespeeld op prestaties en we mikken op de beste plaats in een team. Lukt het niet dan dreigt ontslag met alle ellende die daaraan verbonden is. Daardoor leven veel mensen onder een voortdurende spanning, die al gauw verandert in overspanning.

In de politiek zijn er partijen die het opnemen voor de zwakkeren in de samenleving. De sterkste schouders moeten de zwaarste lasten dragen. We mogen dat principe nooit uit het oog verliezen; het is duidelijk gegrond in Gods Woord. Maar de andere kant is dat er heel velen zijn, die daar weer misbruik van maken. En dus keert het algemeen gevoelen zich al snel tegen jou en tegen mij.

En verder is het ook waar dat we verkeerd kunnen omgaan met de talenten die God ons heeft gegeven. De man met het ene talent begroef zijn gaven en hij was dus zelf de oorzaak van zijn falen.

Een moeilijk onderwerp voor ons, mensen. Voor de geslaagden in het leven ook! Want, ook dat is een vraag: Wanneer ben je echt geslaagd? Of: Moet je wel echt geslaagd zijn?

De Heere leert ons het antwoord vinden op al deze vragen.

Ieder kind van God krijgt daarin een persoonlijke bediening van Gods Geest. Paulus leerde op zijn manier roemen in zwakheden en vervolgingen. David heeft die les ook moeten leren in zijn leven. Johannes de Doper heeft het niet alleen gezegd, maar ook beleefd: "Hij moet wassen en ik minder worden”. Hoe heeft Jonathan vrede gevonden met de weg die hij gaan moest?

 

de verloochening van zichzelf

 

Aanvankelijk leek het goed te gaan met de kroonprins. In 1 Samuel 14 kunnen we zien dat zijn ster rijst. Hij behaalt overwinningen in de strijd met de Filistijnen. Hij doet dat in het geloof dat de Heere met hem is. De Heere kan evengoed enkele mensen sterken dan een massa tegelijk (14:6). Maar hij staat er alleen voor met zijn wapendrager, die trouw aan zijn zijde is. We zien in dat hoofdstuk telkens dat Jonathan de Heere in alles betrekt.

Er is geloof in zijn leven.

En dat terwijl hij dat thuis niet geleerd lijkt te hebben. Het volk bejubelt hem en neemt het zelfs tegen zijn vader op als deze hem wil doden vanwege het dwaze voorschrift dat niemand mag eten voordat de vijanden zijn verslagen. Jonathan had wat honing gebruikt  en dat geeft hem moed; hij durft ook eerlijk te zeggen dat zijn vader een verkeerd besluit heeft genomen.

Nu reeds blijkt het zelfverloochenend geloof in Jonathan. Hij staat voor zijn vader en hij zegt: "Ziet hier ben ik, moet ik sterven?” (14:43). Saul begaat een erger dwaasheid als hij stelt dat Jonathan inderdaad moet sterven. Deze zoon heeft kennelijk een moeilijk leven gehad thuis. We zouden ons kunnen voorstellen dat Jonathan thuis misvormd is onder de ogen van zijn vader. Dat zal dan wel doorwerken zijn leven lang. De wortels van een verwrongen leven moeten we soms thuis in de opvoeding zoeken.

Maar bij Jonathan en veel anderen in de Bijbel vinden we daar niets van terug. Het lijkt hem eerder sterker in het geloof te doen staan. Dat geloof is het geheim van een leven in vrede en overgave.

De opgaande lijn zakt echter spoedig weg.

In hoofdstuk 16 wordt David gezalfd tot koning. De Heere gaat daarin aan Jonathan voorbij, hoewel deze in kracht niet onder doet voor David. Gods wegen zijn wonderlijk en ondoorgrondelijk. Je bent het er niet zo maar mee eens. Dit voorbijgaan van Jonathan past in het grote plan dat de Heere heeft met de stam van Juda en de verwerping van het huis van Saul. Het is niet om Jonathan dat het zo gaat.

Jonathan verdwijnt al meer uit de schijnwerpers. Het volk roemt David en ook  Saul wel, maar zijn naam is nergens meer te horen. In de strijd tegen Goliath wordt David al echt bekend.

Jonathan weet dat. Hij heeft David gadegeslagen en hij merkt dat de Heere met hem is. Hij weet dat David koning zal worden, in zijn eigen plaats. Maar hij mist alle besef van afgunst en jaloezie, terwijl zijn vader daarvan schijnt over te lopen. We merken niet één keer dat het hem te veel wordt. Er komt geen onvertogen woord over zijn lippen, geen "waarom” ontsnapt aan zijn gemoed.

De grote tegenvaller, namelijk dat David zijn plaats gaat innemen, accepteert hij volkomen en schijnbaar makkelijk.

Nog dieper echter slaat Gods hand hem neer. Hij hoopt aanvankelijk dat hij in het rijk van David een goede positie kan innemen (23:17). Hij zal de tweede zijn onder David.

Op een andere dag voert hij bij David het pleit voor zijn nageslacht (20:15). Zijn verwachtingen over zijn toekomstig leven wijzigen zich bij tijden. Maar de hand van de Heere treft hem met de zwaarst mogelijke slagen. Er blijkt geen toekomst over te blijven. Uiteindelijk sterft hij in de strijd. Zo raakte hij alles kwijt waarmee de Heere hem aanvankelijk had gezegend.

Hoe zouden wij zo’n carrière beoordelen als het gebeurde in onze tijd? In ieder geval zouden we denken dat hij zijn kansen niet gegrepen heeft. Een mens is toch geen lam, hij wil een wolf of een leeuw zijn, in kracht en eigendunk. Dat gaat zo op uw kantoor en in uw kerk. Onder Gods knechten is het maar nauwelijks anders.

 

het verbond met David

 

Wat heeft hij bereikt? Menselijk bekeken helemaal niets. Toch is dat schijn. Hij heeft het van bijna iedereen verloren, maar niet van zichzelf. Hij heeft zichzelf overwonnen en dat is de zwaarste strijd die een mens moet strijden. Leert hij die overwinning te bereiken, dan staan we op de hoogte, dan kan er niets meer gebeuren dat onze vrede verstoort. Hij zou de woorden van de apostel kunnen nazeggen: We zijn meer dan overwinnaars, door Hem Die ons heeft liefgehad.

David is niet zo maar een menselijke concurrent. David is type van de echte Koning, de Heere Jezus, voor Wie ieder mens moet buigen. Hij sprak de wet uit: Wie zijn leven zal

willen behouden, die zal het verliezen; wie zijn leven verliezen zal om Mijnentwil, die zal het behouden (Mark.8:34).

Deze regel druist tegen alles in. Maar deze lijn heeft de Heere Jezus Zelf gevolgd. Hij gaf Zich over in de dood aan het kruis, van allen verlaten en veracht en Hij heeft werkelijk Zijn leven en dat van Zijn kerk behouden. Maar wie leeft naar die orde? Ik vermoed dat ook wij het heel anders zien.

Jonathan wordt geleid door de Geest van Christus. Hij heeft in David iets gezien van de grote Davidszoon. Dat getuigt van een sterk geloof, van een bewust leven uit dat geloof.

Volgen we maar eens de opgaande, dus niet de neergaande lijn in Jonathans leven.

Dat begint op een dag als hij David hoort spreken over zijn overwinning op de reus Goliath.

Zijn ziel werd toen verbonden aan de ziel van David (18:1). Twee zielen. Geen uiterlijke indrukken, maar een geestelijk verstaan van de kracht van David. David sprak toen zeker ook over de hulp van de Heere en zijn strijden in Zijn Naam. Daar wist Jonathan ook iets van. Datzelfde geloof staalde hem in de levensstrijd. Gelukkig als we deze hartelijke liefde in beginsel mogen beleven, als we het woord van Christus leren verstaan. Daar ligt het beginsel van zijn kracht; daardoor kon hij zichzelf overgeven en prijsgeven. Hij kreeg de naam van David liever dan zijn eigen koninkrijk. Dat gebeurde zo maar, als een gave Gods.

En dat zet zich dan voort. Beide maakten zij een verbond (18:3; 20:16) dat ook weer vernieuwd werd, zelfs in de moeilijkste momenten. Hun verbond is een mooi voorbeeld van het genadeverbond, dat de Heere met ons heeft opgericht. Wordt dat verbond door ons beleefd en ingewilligd, dan gaat dat blijken in ons leven. Bij Jonathan blijkt het daarin, dat hij zijn mantel en zijn klederen aan David geeft. Dat waren de tekenen van zijn koninklijke waardigheid. Hij doet afstand van de rechten op de troon, hij kroont David in plaats van zichzelf. Hij geeft ook zijn wapenrusting over, zijn zwaard en zijn boog en zijn gordel (18:4). Hij leert alles schade en drek te achten om de uitnemendheid van Christus.

 

het Koningschap van Christus

 

Dat nu kan alleen maar omdat hij David liefhad als zichzelf (1 Sam. 20:17), dat is de vervulling van de wet. Het kan ook alleen maar omdat hij de komende Messias heeft mogen zien in David.

Is dit niet nodig in ieders leven?

Ik leef, maar niet meer ik, Christus leeft in mij, zo mag Paulus het later zeggen (Gal.2:20). Mijn koningschap moet ik inleveren, ik moet van de troon afkomen en de grote Zoon van David moet op die troon. Die keus werkt de Heere toch uit in het leven van Zijn volk. Deze weg stelt de Heere ook u en jou voor. Je leven, je plaats verliezen om Zijnentwil, dan zult u het in Hem terugvinden. En als David daar dan staat in de koninklijke mantel, dan is zijn schoonheid des te sterker en bemint Jonathan hem alsof hij zelf daar stond. Dat is genade! Later zal David zeggen dat deze wederzijdse liefde sterker is dan de liefde der vrouwen. Uw goedertierenheid is beter dan het leven. Zo voedt God Zijn kinderen op.

Hier is geen enkele berekening in het spel, ook geen enkele psychologische wet. Psychologen moeten natuurlijk de mensen opvoeden in hun wijsheid, maar deze wijsheid van Boven is meer, oneindig veel meer. Waar dit geleerd wordt, is geen oorlog meer en wordt de strijdbijl begraven. De bergen zullen vrede dragen, de heuvels heilig recht. Onder de heerschappij van Jezus Christus is Jonathan waarlijk vrij en komt hij tot zijn eigenlijke bestemming en zal hij toch eenmaal koning zijn. Maar ook dan zullen zij de kroon neerwerpen voor Zijn voeten.

In hoofdstuk 20 neemt de dreiging van de kant van Saul toe. Zonder enige aarzeling staat Jonathan aan Davids zijde. David beroept zich op het verbond "des Heeren”, zoals hij dat noemt, waarin Jonathan hem gebracht heeft (20:8). Het is dus van Jonathan uitgegaan.

Kunnen we het ook zo stellen dat Jonathan daarin type is van Christus? Door het verbond van Jonathan en zijn sterven in overgave komt de weg voor David vrij om koning te worden, de man naar Gods hart. De wettige koning Jonathan begeeft zich in de dood om David te redden in Zijn koningschap.

Jonathan is zich nu al meer bewust dat er misschien nog zwaardere moeiten zullen komen. Hij zegt daarover, sprekend over de toekomst: …."als ik dan nog leef” (20:14). Hij voelt wat er op het spel staat.

Tegenover Saul stelt hij zich op als de vriend en broeder van die verachte zoon van Isai. Saul houdt hem de harde, ijzeren wet van de mens voor: David dood of anders jij. Maar Jonathan leeft uit een ander beginsel. Als hij het tegenover Saul opneemt voor David, vliegt de spies van zijn vader hem naar het hoofd. Dan weet hij het.

Hij draagt op die manier ook de smaad van David. Hij trotseert de wetten van de wereld en hij beleeft de wet der genade. Wat een keus, wat een hernieuwde keus. Wat een trouw, wat een bestendige trouw!

Is dit niet wat bedoeld wordt in Hebreen 13, waar staat dat we buiten de legerplaats moeten uitgaan om Zijn smaadheid te dragen (vers 13)? Jonathan zet hier alles op het spel.

 

De weldadigheid van God

 

Het verbond dat zij beiden mochten maken, blijkt bestendig te zijn. Over en weer zijn er beloften gegeven en….. gehouden. David heeft Jonathan zijn woord gegeven dat hij weldadigheid zal doen aan Jonathans huis. En dat is later gebeurd, als hij de vraag stelt: "Is er nog iemand die overgebleven is van het huis van Saul, dat ik weldadigheid aan hem doe om Jonathans wil?” (2 Sam.9:1). In vers 3 spreekt David zelfs over Gods weldadigheid. Hier ziet u waartoe een verbond dient. Het biedt garanties voor de toekomst, al loopt het nog zo laag met iemand af. Mefiboseth immers was in een verachte staat gekomen, hoewel hij de zoon van Jonathan was. Hij was kreupel aan beide voeten en woonde in het dorp Lodebar (nietigheid).

Jonathan heeft David om zijn erewoord gevraagd. De Heere echter geeft Zijn woord ongevraagd en Hij zoekt zondaren en ellendigen in Lodebar, waar wij allen wonen. Die belofte ligt er voor mensen uit het huis van Saul, die van God en mensen was verworpen geworden. Ook uw leven ligt onder die belofte van de meerdere David. Gods weldadigheid is gereed u te redden en te verlossen. Een wonder dat we nog in leven overgebleven zijn en niet verdaan zijn met de overigen van het huis van Saul. Mefiboseth wilde het wel weten wie hij was geworden door de verwerping van Saul. Hij noemde zich een dode hond, die evenwel mocht mee eten aan des konings tafel.

Om Jonathans wil.

Jonathan is gesneuveld en moest zijn leven en zijn toekomst offeren vanwege de beschikking des Heeren. Hoe edel was deze zoon van Saul. In zijn karakter, ook in zijn geloof, in zijn liefde jegens David. Met tranen van weemoed is dat verbond gesloten (20:41). Later zal David rond de dood van zijn hartsvriend uitroepen: "Ik ben benauwd om uwentwil, mijn broeder Jonathan! Gij waart mij zeer liefelijk; uw liefde was mij wonderlijker dan de liefde der vrouwen” (2 Sam.1:26).

Een mislukt leven?

Naar menselijke maatstaven wel. Maar weet u wanneer ons leven echt mislukt is?  Als we de weg van Jonathan van beproeving en verdrukking moeten gaan zonder Gods weldadigheid; als we zijn als zijn vader Saul, die leefde bij de wet van de mens. Deze Saul stond buiten het geloof en kende geen liefde en gaf blijk van zijn grote eenzaamheid. Hij heeft zich tot in de dood verzet tegen David en tegen de weg des Heeren. Een jammerstaat waarin mensen hulploos sterven.

Alleen door hen die Gods weldadigheid kennen, wordt de wereld gebouwd, maar vooral ook het Koninkrijk Gods. Zij zijn meer dan  overwinnaars. Ze vloeken niet in tegenspoeden, maar roemen in de verdrukking. Zij kunnen zeggen: "Zo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn?” (Rom.8:31).

Ondanks alles toch een gezegend en daarom een geslaagd leven, voor de tijd en voor de eeuwigheid. Want deze Jonathan werd tòch koning, om Jezus’ wil.

 

 

 

 

MOZES

 

Een veelbewogen leven!

Niemand kan twijfelen aan zijn grootheid. Samen met Abraham wordt hij genoemd in het Nieuwe Testament (Joh.6 en 8). Ook met Elia. (Luk.9:30)

Het volk roemde hem als hun grote leider. Hij had brood uit de hemel laten regenen (Joh.6:31). Hij had hun de wet gegeven. Het volk stelde haar hoop voor hun eeuwige toekomst op Mozes (Joh.5:45).

Met overtuiging verklaarden de wetgeleerden dat zij discipelen waren van Mozes (Joh.9:28,29). Zij speelden hun Mozes uit tegen de Heere Jezus. Bewust kozen zij voor hem en niet voor Christus.

Bijna achthonderd keer staat zijn naam in de Bijbel. Dat zegt toch wel iets. Hij is getrouw geweest in heel zijn huis. De Schrift roemt hem om zijn zachtmoedigheid.

Met zijn naam is een bepaalde heilsweg verbonden. Paulus geeft deze weer in Romeinen 10:5, als hij zegt: "Want Mozes beschrijft de rechtvaardigheid die uit de wet is, zeggende: De mens die deze dingen doet, zal door dezelve leven”.

Dus is zijn naam en persoon nauw verbonden met de wet van de Sinaï.

 

 Reeds zijn geboorte was bijzonder. Dat geldt van ieder mens, maar zeker wel van hem. Hoe wonderlijk ontkwam hij aan de moordzucht van Farao. Deze had bepaald dat de Joodse jongetjes moesten gedood worden; en nota bene, aan het eigen hof van deze moordenaar groeit Mozes op. Hierin spot de Heere met het verzet van mensen.

Zijn ouders konden hem niet overgeven aan de golven van de Nijl. Omdat zij zagen dat het kind schoon was. Dat is een pasgeboren kind altijd, maar hier hebben zij iets anders bedoeld. Hij was schoon voor God; zijn moeder begreep dat de Heere iets bijzonders met dit kind voor had.

Dat bleek al in zijn jeugd. Toen reeds mocht hij de goede keus doen voor het volk van God, zijn eigen volk. Hij koos hun partij. Het was een geloofskeuze.

We kennen de mooie tekst over die keus uit Hebreën 11:24. Die keus ging gepaard met een weigering. Hij weigerde een zoon van Farao’s  dochter genoemd te worden. Was dat niet een ongelukkig besluit? Hij had in die positie heel veel voor zijn volk kunnen doen. Zijn liefde voor het volk ging gepaard met een afkeer van de onderdrukker.

Geloof gaat trouwens altijd gepaard met "weigeren”. Geloof in God kan niet samengaan met geloven in de mens. Hij weigerde de wereld te aanvaarden. Weelde overtuigde hem niet. Rijkdom en eer kon hij zo maar grijpen, maar hij verachtte dat leven. En hij koos Israël, ondanks de slechte levensomstandigheden van dit volk. Hij kon het niet meemaken dat zijn volk geslagen en vertrapt werd. Zo wierp hij zich op als hun verlosser.

 

Maar dat loopt verkeerd af.

Hij zou de verlosser van het volk worden, maar niet zo en niet nu. Daar moest hij nog een lange weg voor gaan. Hij was zo’n  krachtig overtuigd mens dat hij zo maar een Egyptenaar doodde. Dat was weliswaar een doodslag in het geloof. Doden en geloven gaat toch niet samen? Toch moeten we aannemen dat de mooie tekst over zijn geloofskeuze slaat op het voorval van de vermoorde Egyptenaar. De kern van zijn daad was goed: hij kwam een onderdrukte broeder van zijn volk te hulp. Maar de manier waarop hij dat deed, was verkeerd. Zijn geloof was vermengd met drift en onbezonnenheid.

Is dat niet vaak zo, ook met Gods kinderen? Als de drijfveer en het motief goed mag zijn, is dat een wonder van genade. Maar we geven er meestal een verkeerde vorm aan. En dat geldt nu juist van de "heiligste verrichtingen”. Petrus volgde uit liefde de Heiland in de zaal van de Hogepriester en zie dan eens wat er van terecht komt. Simson had een Goddelijke opdracht om te strijden tegen de vijanden, maar hij gaf wel op een vreemde manier gevolg aan die opdracht. Abraham geloofde de Heere op Zijn woord dat er een zoon zou geboren worden, maar hij bewandelde toch, samen met zijn vrouw, een verkeerde weg daartoe. En zo kan ik doorgaan. Ziet u het ook in uw eigen leven? Een goede bedoeling maakt alles niet goed; maar het is wel een zegen als we de wortel van het goede hebben leren vinden.

Als Mozes zelf zo graag zijn volk wil bevrijden, kan de Heere hem nog niet gebruiken. Hij moet veertig jaar "afkoelen”.

Veertig jaar! Zo lang duurt zijn ballingschap. En dat door eigen schuld. Paulus heeft ook zo’n periode in zijn leven gehad (Gal.1:17,18). Een leerschool van veertig jaar om te kunnen wennen aan het woestijnleven en zijn geduld te oefenen.

 

En dan, na zo’n lange tijd, roept de Heere hem en dan verwachten we natuurlijk dat Mozes staat te trappelen om aan te treden. Maar nu weigert Mozes de dienst van de Heere en ziet hij geen brood in een leven met dit volk. Dat is dan toch opnieuw een tegenvaller. Wat leeft er toch een verzet tegen de weg van de Heere in een mensenhart. Wat kunt u er een last van hebben dat u zoveel van het eerste vuur kwijt bent geraakt. Altijd tegen de wegen van de Heere inleven. Onbruikbaar in Zijn dienst. Op allerlei manieren tracht hij onder de roeping van de Heere uit te komen. Hij had er goede argumenten voor. Hij kon niet eens het woord voeren! Hoe kon de Heere nu op zo iemand een beroep doen? Hij trekt zijn eerdere keus helemaal in.

Moet deze man nu de redder van het volk worden? Er lijkt gen enkele bekwaamheid in hem te bestaan. Hij begeert de stille rust van Midian als schaapherder. In menselijk opzicht heeft hij daar gelijk in. Omgaan met schapen is vast en zeker makkelijker dan het omgaan met mensen. Zo vreselijk als het volk het met hem maakte, zullen schapen het nooit gedaan hebben.

 

Maar het moet ervan komen.

Daar staat hij met zijn broer voor de Farao, die zich als een gevreesde tegenstander zal ontpoppen. Farao wijst zijn streven volkomen af en dat is te begrijpen. Hij verliest zijn slaven die goedkope arbeid opleveren. Ja, zo treft Mozes zijn volk aan na zoveel jaren. Ook hierin is de weg van de Heere wonderlijk. Onder Jozef werd Israël naar Egypte gevoerd en daar worden de leefomstandigheden door de eeuwen heen al maar slechter. Vierhonderd jaar slavernij. Denkt u zich dat eens in. Van 1600 tot het jaar 2000. Stel eens dat de Duitse bezetting geduurd had tot de verre datum van het jaar 2350. Vier eeuwen! Wat een zwaar leven voor het volk. Waarom heeft de Heere het zo ver laten komen? Het leek uitzichtloos.

Farao wil niets van hem weten. Alles loopt tegen. Maar veel erger is dat ook zijn eigen volk hem niet wil erkennen. Ze geloven helemaal niet in zijn roeping. Dat laat zich ook wel denken. Voorlopig wordt hun situatie door het optreden van Mozes alleen maar erger. Hun dienst gaat nog harder worden. Farao draait de duimschroeven aan. Het volk kan het niet meer uithouden en smeekt Mozes zijn verlossend ingrijpen te staken. Begrijpelijk dat dit ook voor hem zelf een grote teleurstelling werd.

Ook hier weer de slow motion van de wegen des Heeren. Het holt achteruit? En is dat nu verlossing? Zo hebben de discipelen de dreigende kruisgang van de Zaligmaker ook beschouwd. Zo moet het toch niet? Zij dachten dat het heel anders zou gaan. Wij denken dat ook. Wij willen wel naar de hemel en we willen Christus wel erkennen, als er vooruitgang zichtbaar wordt. De discipelen wilden ministers worden in het nieuwe koninkrijk. U wilt dat ook. Op die manier willen we zalig worden. Op behoud van eigen status. Geen strijd, geen gemis, geen afbraak, geen tranen en moeiten. Is deze Mozes nu een redder? Het volk blijft liever in Egypte.

Kunt u zich nu indenken dat u ook zo staat tegenover Christus? Diep in uw hart? Gelukkig als de Heere de weerstand gebroken heeft, maar reken er wel mee dat u daar nog niet van af bent. De Heere zal uw leven lang werk aan u houden. Uw kruis achter Hem opnemen en Hem dagelijks volgen, dat is de dagorder. Hebben we niet allemaal een veel te menselijke opvatting van wat verlossing is? Zoals Israël Mozes heeft verworpen, zo heeft het de Heere Jezus verworpen. Wij hebben Hem niet geacht. Hoe kan de Heere het uithouden met ons? In Mozes’ leven zien we wel dat de gedachten van de Heere hoger zijn dan de onze.

 

Maar het is toch gebeurd.

Gods plan is doorgegaan. Tegenover de monsterlijke vijandschap van Farao heeft Mozes moedig stand gehouden. De Heere gaf hem de kracht. Hij nam de staf Gods in handen. Het oude vuur herleefde. Mozes was vasthoudend. Farao heeft allerlei compromissen voorgesteld. Ze mochten dan wel gaan, maar het moest in Egypte gebeuren en hun schapen en later hun kinderen mochten niet meegaan. Dan kwamen ze wel weer terug.

Mozes heeft al die voorstellen van de hand gewezen. Na de genadeslag verslapt het verzet van Egypte en trekt het volk uit.

Nu zijn ze verlost. Nu is het doel bereikt.

Maar nee, de Heere neemt een lange omweg en zodoende gaat het langer duren dan gedacht was (Ex.13:17). Opnieuw een tegenvaller. Houdt het dan nooit op? Een omweg om de strijd tegen de Filistijnen te ontlopen. Toch lijkt die omweg nog veel moeilijker. De Schelfzee komt in zicht, de Egyptenaren komen op hun besluit terug en alles lijkt zodoende nog helemaal verloren te zijn. Het volk opnieuw in de grootste paniek. De zwaarste verdenkingen worden geuit.

Het valt op dat Mozes onder al die tegenslagen sterk staat. Hij staat als verlosser aan Gods kant. Hij staat krachtig in het geloof. Vrees niet en ziet het heil des Heeren dat Hij heden aan u doen zal.

Gedurende de verdere reis door de woestijn is Mozes de held des Heeren. Hoewel het volk het telkens weer tegen hem opneemt, verdraagt hij de grofste beledigingen en blijkt zijn geduld groot. Hij is begiftigd met veel wijsheid, Hij heeft een diep inzicht in de wegen des Heeren, Hij is vast overtuigd van het goede plan van de Heere. Achteraf mogen we vaststellen dat de Heere Zich niet vergist heeft. Zijn broer Aäron zou het heel wat anders en minder gedaan hebben. Mozes staat als een rots in de branding.

 

Dat blijkt vooral ook ontroerend bij de wetgeving.

Hij is daar een duidelijk beeld van de komende Messias. Hij is veertig dagen op de berg Horeb. Hoe is het mogelijk dat hij de precieze lijnen van de dienst van de Heere heeft kunnen onthouden en overbrengen? Het ging niet alleen maar om de wet der tien geboden, maar het waren talloos veel geboden die hij moest onthouden. Hij vormde de schakel tussen de Heere en het volk. Een echte middelaar. Zoals de Heere Jezus later de grote Middelaar zal zijn, Die werkelijk in het midden staat: geheel aan de kant van God en geheel aan de kant van het volk. Als God en mens heeft Hij in Zijn heerlijke Persoon die beide lijnen verenigd.

Zoals Mozes de wet des Heeren heeft gehandhaafd ten koste van alles, zo heeft ook de Zaligmaker de wet vervuld toen Hij sprak: "Zie, Ik kom om Uw wil te doen”. Heerlijker dan Mozes. Mozes kwam heel ver, maar hij bleef mens. De beste mens kan geen echte redding brengen, want hij blijft zondaar. Hij heeft de wet wel gehandhaafd, maar niet vervuld. Zo roept deze Mozes om de Middelaar Gods en der mensen.

Hij staat weliswaar in de schaduw van Christus, als hij even later na de zonde van het gouden kalf zichzelf wil geven voor het leven van het volk. Delg mij maar uit Uw boek. Dat gaat heel ver. Dat zien we als we hem dan vergelijken met zijn broer.

Aäron was verantwoordelijk voor de zonde rond het kalf. Hij is de Hogepriester maar hij verloochent dat ambt geheel. Hij is zelf de aanstichter van de afgoderij en later spreekt hij zijn verwijten uit naar het volk toe. "Gij kent dit volk, dat het in het boze ligt…..”. Dat heeft Mozes zo nooit gezegd. Hij gaf zichzelf voor dat boze volk en hij was bekommerd om de Naam des Heeren.

Wat een verschil! Niet alleen bidt hij dringend voor het volk dat het verzondigd heeft, maar hij rust niet voordat de Heere weer mee gaat. Hij is begerig naar het aangezicht van de Heere dat meegaat. Wat zult Gij dan met Uw grote Naam doen? Het leek een verloren zaak voor het volk. Mozes moet de tent buiten het leger spannen. De Heere kan en wil niet meer met dit volk verdergaan. Hopeloos lijkt hun zaak. Mozes echter is de man, die de Heere weer terug roept en terug bidt naar Zijn volk.

Zo is telkens zijn positie in het geding. Meermalen wil het volk zich van hem ontdoen. Wat een grove ondankbaarheid. Maar de Heere is met hem. De Heere sterkt hem. Wat is het volk gelukkig te achten dat het deze Mozes als leider gehad heeft. Ja, maar vooral ook dat deze God hen heeft willen leiden. Groter dan de verdraagzaamheid van Mozes is het geduld van de Heere. Vergeet dat niet. Als het met dit volk onder leiding van Mozes goed gegaan is, dan zal het Gods kerk zeker goed gaan onder leiding van Gods eigen Zoon.

 

Ja, want Mozes was toch ook weer mens en zondaar.

Dat blijkt bijvoorbeeld in zijn privé leven. Hij zond zijn vrouw Zippora terug naar haar vader, zo lezen we in Ex. 18:2. Moeilijk te zeggen wat er precies de oorzaak van is geweest. Maar men neemt aan dat het te maken heeft gehad met het voorval dat wordt beschreven in Ex.4:24. Daar bleek dat zijn vrouw grote moeite had met de weg die de Heere met hen ging. Er moet heel wat voorafgegaan zijn aleer hij besloot haar terug te sturen naar haar vader. In Nummeri 12: 1v kunnen we nog iets lezen uit het levensboek van Mozes. Hij had een Cuschitische vrouw genomen en daarover werd hij vermaand door Mirjam en Aaron. We kijken vreemd op van deze handeling van Mozes. De Heere echter neemt het voor Zijn knecht op en bestraft zijn familie vanwege hun optreden.

Het is niet gepast dat wij oordelen over deze zaken, die ons maar gedeeltelijk worden meegedeeld. Het is echter wel duidelijk dat hij ook mens was met fouten en gebreken; de Heere heeft deze in hem verdragen.

Echt moeilijk gaat het voor deze man Gods worden als hij later zijn toorn laat merken over het verkeerde gedrag van het volk. Het staat in Nummeri 20:12v. Opnieuw is het volk een en al verzet tegen Mozes en bezondigt de schare zich aan de Heere.

Dan gebeurt er iets. Mozes krijgt de opdracht van de Heere om te spreken tot de rots, maar hij slaat er tweemaal op, in toorn over het gedrag van het volk.

Als straf hiervoor mag Mozes het volk niet in Kanaän brengen.

Zo valt er een schaduw over zijn leven, aan het einde daarvan. Wie zou het Mozes kwalijk genomen hebben dat hij hier zijn kalmte verloor? En was de straf niet erg zwaar voor hem?

We zien hier dat de Heere een heilig God is. De Heere oordeelt anders dan wij. Daar heeft Hij Zijn wijze redenen voor. Zie deze bestraffing als een tuchtiging.

Maar we moeten ons ook voorstellen dat de Heere u en mij wel duizendmaal zou kunnen oordelen over al onze verkeerde woorden en daden en gedachten. Als dit nu Mozes overkomen moest, hoe moet het dan mij vergaan?

Waar zal dan de goddeloze en de zondaar verschijnen? Mozes heeft de code van Gods heiligheid niet kunnen volbrengen. Dat bleek meermalen, ondanks een hoog gehalte van gehoorzaamheid, welke hij de Heere offerde. Christus heeft zonder enige schaduw de wet kunnen volbrengen.

Dus roept ook hier Mozes om Christus. In álles!

 

 

 

 

 

PAULUS                                                                                                         

 

ijveraar

 

Onlangs verscheen er een roman over het leven van de apostel Paulus, getiteld: "De man in het wit”. Er zijn voor- en nadelen verbonden aan een Bijbelse roman. Een nadeel waarmee we ernstig rekening moeten houden, is dat we na lezing van een dergelijk boek voortaan de Bijbelse inhoud op dat punt invullen vanuit menselijke fantasie.

Paulus is dan niet alleen meer een figuur zoals de Bijbel ons hem sober beschrijft, maar hij is aangekleed en opgeluisterd door wat mensen over hem hebben willen vertellen.

U begrijpt dat een biografie (levensbeschrijving) over het leven van Jezus op die manier niet aanvaard kan worden.


 


Beeld van Paulus in de tuin van de Sao Paolo in Rome. Het sprak me erg aan vanwege de vastberaden blik en de stevige gelaatsuitdrukking. 

Ook de perkamenten ontbreken niet, al zal hij de reismantel hier niet aan gehad hebben.


 

Een andere zaak is dat wij ons allemaal een voorstelling hebben gevormd van bijvoorbeeld David en Salomo, en als er dan een verhaal over wordt geschreven dan lijkt dat vanuit dit oogpunt minder ernstig. We maken nu eenmaal allemaal onze eigen een voorstelling en onze eigen roman over  mensen, ook uit de Bijbel. Het waren mensen van vlees en bloed.

Het voordeel van zo’n aangekleed verhaal is dat Bijbelteksten opnieuw of voor het eerst echt gaan leven voor ons. De inkleuring van schrijvers en mensen maakt sommige figuren extra boeiend en levend. Net als op de zondagschool.

Deze overwegingen maken het lastig voor ons om een juist oordeel over deze zaak te vormen. Een preek kan ook, als de voorganger een begaafd man is, een meerwaarde toevoegen aan wat de Bijbel over een tekst zegt.

Het blijft in ieder geval nodig om onze menselijke voorstellingen voortdurend te toetsen aan Gods Woord. De Heere heeft het zo beschreven en Hij achtte dat voor ons in beginsel genoeg te zijn.

Toen ik het genoemde boek las, werd ik vooral door een bepaald aspect getroffen. Dit heeft te maken met de manier waarop de schrijver Paulus als fanatiek vervolger afschildert. Hij heeft buitengewoon geijverd voor de wet. Het werkte voor mijzelf wel ontdekkend. Je herkent er sommige trekken in die bij jezelf en bij anderen voorkomen. Wat kunnen we als kerkmensen ijveren en verblind zijn als het gaat om het handhaven van de wet en de tradities. Ik ben ervan overtuigd dat we dat moeten doen. De wet heeft niet afgedaan. Maar onze voorstelling van wet en evangelie kan ons als een paard doen weerstreven in het veroordelen van anderen en het schenden van de liefde van Christus. De wet maakt mensen hard. Dat gebeurt ook nu. We vervallen dan in sektarische wateren en missen de nodige verootmoediging ten aanzien van onszelf.

Temeer omdat onze tijd waarschuwingen nodig maakt. We leven in een tijd van ongekende aanpassing en verlating van het Woord. En juist dan loert het gevaar van het "blazen van dreiging en moord”, zonder liefde, met het gevaar anderen los te laten en te oordelen.

In dit boek wordt Paulus getekend als iemand, die zelfs de irritatie opwekte van de Hogepriester. Ook hem ging het optreden van Saulus veel te ver. Iemand als Gamaliel distantieerde zich van de moorddadige houding van zijn discipel. Ik denk dat het nuttig is, juist voor ons als verontruste christenen, om kennis te nemen van dit boek, alleen al om die reden.

 

Paulus zelf heeft later meermalen aangegeven hoe het in die eerste tijd voor zijn bekering met hem gesteld was. Hij schrijft erover in Filip.3:4-6: "Hoewel ik heb, dat ik ook in het vlees betrouwen mocht; indien iemand anders meent te betrouwen in het vlees, ik nog meer.

Besneden ten achtsten dage, uit het geslacht van Israël, van den stam van Benjamin, een Hebreeër uit de Hebreeën, naar de wet een Farizeeër;

Naar den ijver een vervolger der Gemeente; naar de rechtvaardigheid, die in de wet is, zijnde onberispelijk”.

Dat laatste woord geeft precies aan hoe hij over zichzelf dacht. Hij was onberispelijk. Dat kan de wet van iemand zeggen en dat kan de wet van iemand maken. Totaal blind voor enige zelfkennis en niet gehinderd door de wetenschap dat we zondaars zijn. Is het dan niet goed om onberispelijk naar de wet te leven? Natuurlijk wel. Maar niet om zichzelf daarmee te bedoelen, want dan brengt dit geen verootmoediging en wordt men op die manier een vijand  van Jezus Christus.

Paulus voldeed aan de eisen van een stipt en rechtzinnig belijder. Wat hij van zichzelf hier weergeeft, past bij orthodoxe christenen uit onze tijd. Hoewel die uiterlijke schijn de laatste tijd steeds minder voorkomt en ook minder gewaardeerd wordt. In twee woorden komt vooral het afwijkende van zijn gedrag uit: hij was een Farizeeër en hij was ook een vervolger. Zover kan het komen met een godsdienstig mens. Dat gevaar bedreigt ons. We kunnen stekeblind zijn voor onze verkapte haat en bemantelde hoogmoed. Juist bij kerkmensen kan dat zo makkelijk voorkomen, omdat we menen Gode een dienst te bewijzen.

Wat is dat later een groot verdriet geworden voor Paulus, toen hij door de Heere was stilgezet. Hij spreekt daar meermalen over. Bijvoorbeeld in 1 Timotheus 1:13:”Die te voren een godslasteraar was, en een vervolger, en een verdrukker; maar mij is barmhartigheid geschied, dewijl ik het onwetende gedaan heb in mijn ongelovigheid”. Hij noemt zich in vers 15 de voornaamste der zondaren (the chief of sinners) en in 1 Cor.15:9 noemt Paulus zich de minste van al de apostelen, omdat hij de gemeente Gods vervolgd heeft. In Efeze 3 noemt de apostel zich de allerminste van al de heiligen (Ef.3:8). Het is voor hem een blijvende smart dat hij een verleden had, los van God. Gods volk houdt die droefheid een leven lang bij zich. De spijkers zijn wel uitgetrokken, maar de gaten blijven over. Het zijn de dingen waarover men zich thans schaamt, zoals Paulus elders zegt.

Daarom hebben juist kerkgangers en ijverige christenen zichzelf naarstig te onderzoeken of het wel met hen is. We leren hier dat mensen geheel verblind kunnen zijn, zonder enig vermoeden van een verkeerde houding. We leren verder dat ijver en toewijding nog niet garanderen dat we genade kennen. De grote vraag komt om een antwoord hoe we staan tegenover de kern van het evangelie; werden we een arm verloren mens en werd Christus ons dierbaar?

 

bekeerling

 

Zijn omzetting is een heerlijk getuigenis van de liefde van Christus. Het was een krachtdadige bekering. Iedere bekering is krachtdadig, maar niet iedere bekering is zo uitzonderlijk. Er kwamen buitengewone tekenen bij te pas. Tekenen die herinnerden aan de Sinaï. Dat was voor deze wetsvrome man ook wellicht nodig.

In dat onstellende licht verscheen hem…… de Heere Jezus. Vergeten we niet dat Goddelijke heiligheid ook bij Christus hoort. Deze rijke combinatie matigt elke vreze des doods en omkleedt beloften met ontzag.

Het betekende voor Paulus een omslag van 180 graden. Alle zekerheden vielen om. Hij zag zichzelf radicaal als een mislukt en verloren mens. Geestelijk geheel verblind. Daarom sloeg de Heere hem ook met uiterlijke blindheid. Vergeten we niet dat er mensen zijn die dat eens en dan te laat zullen meemaken. Vroomheid als een totale misrekening, een volkomen vergissing!

De blindgeborene gaf deze omwenteling weer met de woorden: "Eén ding weet ik, dat ik blind was en nu zie”. Hij kan nu in eigen kracht geen stap meer zetten. Hij moet bij de hand genomen worden.

Wat een heerlijke vrucht als dat gebeurt. Wat weten we vaak zelf prima de weg te vinden, zonder het smeken om hulp. Drie dagen en nachten blind en geen spijs genomen. Dit vasten kwam niet op uit eigen gedachten, maar werd hem een innerlijke noodzaak. Er was niet de minste begeerte in brood of voedsel. U hebt het vast ook wel eens meegemaakt dat u zo door verdriet of angst werd aangevallen, dat uw keel dichtgesnoerd leek. Zo brengt de Heere een zondaar op de goede plaats.

Als een wereldling bekeerd wordt, zal er een felle straal van ontdekking vallen op zijn leven van voorheen. Maar dat is met een net en degelijk kerkmens niet anders. Hij zal vooral leren zien dat hij gezondigd heeft tegen een goeddoend God en dat hij het bloed der verzoening onrein geacht heeft. Niet ieder zal deze weg zo beleven, maar we moeten wel zeggen dat toch ieder mens moet en mag komen op de plaats, waar de Heere het Eén en het Al wordt.

Maar doe ik er wel goed aan om dit buitengewone van zijn bekering zo te beklemtonen? Onwillekeurig gaan anderen zich eraan toetsen. Als dit bekering is, dan moet ik ook zo bekeerd worden. Dan meent u dat uw ernst gemengd is met zoveel oppervlakkigheid en dat uw weg zo lichtvoetig lijkt. U hebt wellicht nooit zo’n tijd als deze drie dagen beleefd zoals de apostel dat meemaakte.

Wat denkt u, zou Zacheus dat ook gedacht hebben? Of Levi, die zo maar in een ogenblik zonder blindheid werd weggeroepen uit zijn kantoor? Ik mag dat niet aanvoeren om u te laten denken dat we ook wel op de makkelijkste manier tot verandering komen. Paulus werd zo diepgaand geroepen, omdat hij ook zo onnoemelijk ver was verhard in zijn vroomheid. Zacheus was een ander mens, hij kreeg ook een andere bekering. Maar wel duidelijk. Het was in ieder geval een roeping van Christus, al werd het hemelse licht niet letterlijk gezien.

Houd u aan de kern van de zaak. En wat is die kern? Denk dan aan die twee vragen die Saulus stelde. De eerste was: "Wie bent u, Heere?” en de tweede: "Heere, wat wilt U dat ik doen zal” (Hand.9:5,6).

Die vragen heeft Zacheus ook gesteld. Die vragen zijn absoluut onmisbaar. Het gaat er om, of u dat vragen ook geleerd hebt. Waarlijk, als dat licht van boven neerdaalt, zijn we verblind. Dan weten we niet meer wat de dogmatiek ons voorhoudt over het wezen van God. We kennen  wel de wet,  maar toch zien we daardoor nog niet precies wat de wil van de Heere is in ons leven.  Daar wil de Heere ons hebben.

 

broeder

 

Saulus werd "onmiddellijk” geroepen en hij werd "middelijk” voortgeleid. De Heere bedient Zich nu van een discipel uit Damascus, Annanias. Wie de Heere leert kennen, krijgt ook terstond andere vrienden. Hij wordt geplaatst in de kring van Gods kinderen.

Het gaat niet zonder slag of stoot. Annanias kan het zo maar niet overnemen. Hij weet al te goed dat deze man heel gevaarlijk is. Is het geen list? Maar de Heere kan Zich niet vergissen. Zo hebben we nog wel eens wat te stellen met elkaar, met die ander, die een belastend verleden heeft.

Maar de Heere stuurt hem op weg en er is weinig voor nodig om hem bij Saulus te brengen. Dan klinkt het zo mooi: "Saul, broeder…..”. Christus brengt mensen bij elkaar. Eerst sprak Hij tot Saulus, daarna tot Annanias.

Laten we hier goed bij stil staan. De Heere gebruikt mensen om ons te leiden. Deze Annanias is een discipel. Ambtelijk toegerust. Als discipel is hij ook een gelovige, een christen. We mogen geloven in een heilige, algemene, christelijke kerk. Dat is een geweldig voorrecht. Gods volk is een grote familie. Ze worden door elkaar mede bevestigd in hun geloof. Annanias sprak zaken uit, die voor Saulus niet onbekend waren. Hij kende die Jezus in beginsel ook. Dat gaf verbondenheid. Hoezeer kunnen Gods kinderen elkaar tot een steun zijn in dit leven.

Er wordt in onze tijd nogal geïnvesteerd in allerlei menselijke verhoudingen binnen een gemeente. Het blijft nog wel eens in gewoon menselijke dingen hangen. Hier echter is het Jezus, Die mensen onderling verbindt. Dan worden onze vijanden onze beste vrienden en worden onze vrienden onze vijanden. Dat lijkt me een onweersprekelijk kenmerk. Deze Annanias stond op de lijst om gedood te worden. Saulus achtte hem een kerk ondermijnende figuur. Zie nu eens hoe de wolf tot een lam wordt. Hij laat zich nu geheel leiden door de hand van deze onbekende.

Dat biedt gezegend onderwijs. Deze twee mensen stonden eens ver bij elkaar vandaan. Beide zouden zij de ander maar het liefst ontlopen. We komen dat tegenwoordig ook nog wel tegen. Hoe krijgen we mensen weer bij elkaar? Een dominee bij zijn gemeente en omgekeerd? Daar helpen geen synoden en concilies aan. Het enige cement dat mensen verbinden kan, ligt in de naam van de Heere Jezus. Als een voetbal mensen al een gevoel van eenheid kan geven, hoeveel te meer zal dan het bloed van Christus daartoe in staat zijn? Het wordt dan ook vanzelf wel duidelijk waar de schuld ligt, als mensen elkaar kwijt zijn. Saulus heeft er geen moeite mee gehad om die schuld geheel toe te eigenen.

 

apostel

 

Paulus wacht een grootse taak; hij moet als apostel uitgaan naar de heidenen, naar de grote wereld om hem heen, naar koningen en keizers. Die roeping is verbonden met veel lijden. Jood en heiden vallen onder zijn arbeidsveld.

U moet zich voorstellen dat de wereld van die dagen geheel zonder de kennis van God was. De mensheid  was nog helemaal onontgonnen. Het was de wereld van de Griekse wijsgeren, die zouden glimlachten om de dwaasheid van het kruis. Het was ook de wereld van de machtige Romeinse keizers, die hun bloeddorstige klauwen zouden uitstrekken naar de kerk van Jezus Christus.

De Heere wilde gebruik maken van het vurige karakter van deze Paulus. Zijn kennis van de Schriften zou hij moeten aanwenden tot aan verre stranden. Hij is uitverkoren tot dienst. Dat moeten we niet vergeten. Wij stellen ons vaak een verkiezing tot zaligheid voor. Hier gaat het om verkiezing tot dienst.

Aan deze dienst is lijden, veel lijden verbonden. Dat heeft hij geweten ook. Naar menselijke maatstaven gemeten zouden we zeggen dat Paulus er niet op vooruit gegaan is. Uitverkoren om te lijden. We zien hier wat het christenleven inhoudt. In principe zal het voor ieder die Jezus volgt, lijden meebrengen. Dat is een heel andere voorstelling dan die velen koesteren aangaande geluk en succes, dat verbonden zou zijn met de dienst van God.

Toch zijn er wel degelijk grote zegeningen verbonden met de naam van Christus. Hij mag weer ziende worden, zo zegt Hand. 9:17. Het gaat hier om meer dan het natuurlijke licht der zon. Zien in de volle zin van het woord. Een ziend mens in het land der blinden. En hij zal met de Heilige Geest vervuld worden. Deze vervulling is een vervulling tot blijdschap en kracht. De Naam van Christus dragen tot voor de groten der aarde. Daar staat een klein mens, die keizer Nero in contact zal brengen met de Naam van de Koning der koningen. Dat is eer en heerlijkheid, maar deze is niet van deze aarde.

Maar het lijden is onmiskenbaar. Beseft u dat ook? Veel mensen worden moe van de kerk en van de strijd van het geloof. De offers zijn te zwaar. Dat voelen we allen. Toch gaat het erom, dat we bedenken dat dit lijden komen zal. Voor Gods knechten, voor Gods kinderen allemaal. In landen als China moet de kerk heel veel lijden. Toch is er, als het goed is, ook in Europa een lijden aan de Naam van Christus.

Een verfijnd lijden. Voor een leerling op de Middelbare school, die iets heeft mogen zien van de kracht van de Heilige Geest. Of voor de huismoeder, die juist niet zich voegen kan naar de goden dezer eeuw, als deze het gezin aanvallen. Er is lijden verbonden aan de oprechte christen op de werkvloer. Het kan je banen kosten, het kan geld kosten, het kost vrienden. 

Dat is alleen zo, als we in waarheid de Heere dienen. Van veel kerkelijkheid in onze donkere tijd zal dit niet gezegd kunnen worden. Maar deze kerk beleeft het.

 

theoloog

 

Dr. Herman Ridderbos, een bekwaam Gereformeerd theoloog uit de vorige eeuw, schreef een lijvig boek, getiteld: Paulus. Een ontwerp van zijn theologie. Wie dit leest, komt diep onder de indruk van zijn gedachten. Als het gaat om kennis en karakter  heeft hij grote gaven ontvangen die hij mocht besteden in de dienst des Heeren. Iemand met een zo grootse opdracht als Paulus, moest wel beschikken over inzicht en vaardigheden. Vooral echter moest er sprake zijn van geloofskracht en Geestkracht. Het is dan niet zonder reden, dat juist deze Farizeeër door de Heere voor deze taak werd geroepen. Het vurige karakter van deze apostel heeft hem gestaald om nimmer toe te geven aan de tegenstand, die hij alom ontmoette. Hij gebruikte daarbij sterke uitdrukkingen en hij bediende zich van een onverschrokken stijl. We krijgen de indruk dat Paulus het gevaar van het compromis levensgroot voor ogen had. Hij was wars van verhullende en mistige taal, waardoor de zaken onduidelijk konden worden.

Dat betekent weer niet dat hij alleen maar hard en scherp was. Hij spreekt er zelf over als hij zegt dat hij de Joden en Jood en de Grieken een Griek geworden is (1 Cor.9:20). Hij hield rekening met een bepaalde situatie; dat deed hij toen hij Timotheus liet besnijden, alhoewel hij ook, als het er op aankwam, de besnijdenis als noodzakelijke voorwaarde afwees. Men zou hem tweeslachtigheid kunnen verwijten, maar dat was het niet. In het ene geval (Hand.16:3) ging het om het voorkomen van misverstanden maar in het andere geval ging het om de kern van de verzoening (Gal.5:2).

Ik sprak over zijn stijl. Deze werd steeds gekenmerkt door duidelijkheid. Hiermee bedoel ik niet zozeer zijn taalgebruik en de doordenking van de stof, want daarin was hij niet altijd makkelijk te volgen (2 Petrus 3:15), maar meer zijn onomwonden en heldere uitspraken. Ik noem er enkele. Zo roept hij de Galaten toe: "O gij uitzinnige Galaten, wie heeft u betoverd”(3:1). Al zou er ook een engel uit de hemel komen, die een Evangelie zou brengen anders dan Paulus had gebracht, dan was die engel vervloekt (1:9). Welke dienaar zou hem dat nu nazeggen? Er zouden hiervan veel meer voorbeelden te geven zijn. Is dat niet altijd weer kenmerkend voor grote predikers? Denk eens aan Elia, of Johannes de Doper, aan Luther en Kohlbrugge. Men hoefde niet te gissen naar hun uiteindelijke bedoelingen.

Tegenstand tegen zijn persoon wist hij goed tegemoet te gaan. Voorbeelden daarvan vinden we in 2 Corinthe 1 en 12:11-21.

Paulus was niet alleen apostel, maar ook dus theoloog. Bekende thema’s in zijn brieven zijn: Wet en Evangelie, vlees en Geest, geloof en werken, verzoening en voldoening.

Niet ieder echter heeft de grootheid van deze apostel erkend. Er zijn er zelfs wel geweest die hem de antichrist noemden. Zij zien een groot verschil en een duidelijke tegenstelling tussen de Jezus in de Evangeliën en de dogmatische Christus, zoals Paulus deze tekent. U begrijpt dat dit een ernstig lastering is van het werk Gods, als we het zo voorstellen. Ik noem dit echter om aan te geven hoe de valse leer zich openbaart, ook in de kerk.

In twee brieven gaat het vooral om de verhouding Wet en Evangelie, namelijk in de Romeinenbrief en de brief aan de Galaten. Vooral in de laatste brief gaat het er vlijmscherp aan toe. Dat verklaart mede het feit dat Luther, die te maken had met dezelfde dwalingen, deze brief in een beroemd geworden commentaar heeft behandeld. We zien daarin ook dat dezelfde dwalingen in alle tijden steeds weer opnieuw de kop opsteken.

De reeds genoemde Romeinenbrief heeft telkens weer vernieuwend en reformerend gewerkt in de geschiedenis van de kerk. Ook Kohlbrugge bijvoorbeeld heeft zich in sterke mate bezig gehouden met deze brief.

Ik wijs ook op de zogenaamde huistafels, die we in sommige van zijn brieven aantreffen ( Ef.5:22-6:9 en Coll.3:18-4:1). Hierin vinden we aanduidingen voor het maatschappelijke leven in huwelijk en gemeente.

 

mens

 

In zijn persoonlijke leven heeft hij veel lijden ondervonden. Hij geeft daarvan op twee plaatsen een opsomming: 2 Cor.6:4-10 en 2 Cor.11:22-33. Deze vervolgingen kwamen van buiten, maar er bestond ook in de gemeenten tegenstand tegen zijn persoon en prediking. En hoe gaat Paulus daarmee om? Dat is van belang voor Gods dienaren, die dezelfde moeiten moeten ondergaan. Hij pleit er op meerdere plaatsen voor om te handelen vanuit liefde en genegenheid; anderzijds kan hij ook de indruk wekken op te komen voor zichzelf. Hij besefte dat de ontluistering van zijn persoon ook vroeg of laat ertoe zou leiden dat zijn boodschap onder verdenking kwam te staan.

 

In het boek de Handelingen der apostelen treffen we een uitgebreid verslag aan van zijn zendingsarbeid. In drie reizen trok hij de toenmalige wereld door en bracht hij in allerlei plaatsen het Evangelie. Daarbij was het zijn methodiek om eerst tot de Joden te gaan; als deze zich dan afwenden van Zijn boodschap, wat meestal het geval was, dan zocht hij de heidenen op met zijn boodschap.

We krijgen in deze reisverslagen mooie illustraties van zijn optreden in de diverse plaatsen. Het ontbrak hem niet aan moed en hij was zelden werkelijk onder de indruk van de kracht van zijn tegenstanders. We lezen bij mijn weten maar één keer dat de Heere tegen hem sprak: "Vrees niet” (Hand.18:9); het betrof zijn verblijf binnen de stad Corinthe. Van zijn onverschrokken optreden zijn veel voorbeelden te geven. Lees maar eens het verslag van de schipbreuk in handelingen 27, of zijn verblijf in Filippi, waar hij met Silas in de nacht psalmen mocht aanheffen, zodat de gevangenen erdoor werden aangeraakt. Daar bleek ook zijn gevoel van zelfwaarde, toen hij eiste dat hij door de overheden van de stad uit de stad geleid zou worden. Zo blijkt deze apostel een bijzonder en uniek begaafd mens geweest te zijn die stond voor zijn zaak en Zijn Koning.

Anderzijds kennen we hem ook in zijn kleinheid. Ik denk dan aan zijn spreken over een doorn in het vlees en een engel des satans (2 Cor.12:1-10). 

Hoezeer heeft dit een ernstig lijden voor hem betekend. Men denkt soms aan een ernstige ziekte, die hij met zich meedroeg, maar het is misschien waarschijnlijker om het op te vatten als een innerlijke bestrijding door demonische aanvallen, waaronder we allerlei aanvechtingen kunnen verstaan. Welk een rijke uitwerking dit echter mocht hebben, blijkt wel daaruit dat hij in die weg heeft leren roemen in zwakheden en noden. "Als ik zwak ben, dan ben ik machtig”.

Tenslotte meld ik het einde van zijn leven, waarvan we iets horen in 2 Tim.4. Deze grote apostel heeft het ook moeten meemaken dat hij zich eenzaam en verlaten voelde. Zij hebben mij allen verlaten, zo klaagt hij. Hij noemt zichzelf een oud man. Toch blijft de kracht van zijn geloof levend, als hij mag uitroepen: "Ik heb den goeden strijd gestreden, ik heb den loop geëindigd, ik heb het geloof behouden; Voorts is mij weggelegd de kroon der rechtvaardigheid, welke mij de Heere, de rechtvaardige Rechter, in dien dag geven zal; en niet alleen mij, maar ook allen, die Zijn verschijning liefgehad hebben (vers 7,8).

 

 

 

 

 

PILATUS                                                                                                                    

 

We horen iedere zondag zijn naam in de Twaalf artikelen.

Pilatus staat in verband met het lijden en het sterven van de Heere Jezus. Zijn  naam wordt terecht vermeld, omdat Zijn beslissing als rechter de dood van Jezus ten gevolge had.

Zijn naam wordt niet genoemd omdat hij de ergste van Jezus’ tegenstanders zou zijn geweest. Zou het daarom gaan, dan hadden de Hogepriesters Kajafas en Annas hem verre overtroffen.

Deze Pilatus was van 26 tot 36 na Chr. praefect van Judea, de belangrijkste provincie van Palestina. Hij moet bij de Joden niet bepaald in een goed boekje gestaan hebben. Er zijn vermeldingen over hem, waarin hij wordt afgeschilderd als een hard bestuurder. Dat bericht Philo van Alexandrië. Flavius Josephus noemt ook voorbeelden van zijn uitdagende houding tegenover het Joodse volk. Zo liet hij eens de beeltenis van de Romeinse keizer plaatsen op een centrale plaats in Jeruzalem; iets waarmee hij de woede van het volk op zich laadde, omdat de Joodse wet dit opvatte als heiligschennis. Hij werd ook bekend doordat hij het geld uit de tempelkas besteedde aan doelen, die niets met de tempel uit te staan hadden. Al deze daden hadden opstanden ten gevolge.

Zo zou er meer te vermelden zijn uit buiten-Bijbelse bronnen; het is alleen de vraag of deze berichten betrouwbaar zijn. We hebben daarbij genoeg stof aan wat Gods Woord ons vermeldt over de persoon van Pilatus. In de Evangeliën wordt de veroordeling van Jezus door Pilatus uitvoerig vermeld.

 

hij oordeelt zichzelf

 

Hij deed een volkomen inconsequente uitspraak. Hij verklaarde de onschuld van Jezus en verwees Hem desniettemin toch naar het kruis. Hij heeft geweten, bewust geweten dat hij een verkeerd vonnis velde.

Hij heeft zich jammerlijk vergist. Hij deed de verkeerde keus. Het was niet zo maar een vergissing, nee, het was een fatale vergissing.

Hoe kijken we tegen hem aan? Welk beeld schetst de Bijbel van hem?

Jezus Zelf stelt de Joden meer verantwoordelijk dan Pilatus voor de zonde, begaan tegen Hem. "Die Mij aan u heeft overgeleverd heeft groter zonde” (Joh.19:11).

Moeten we hem zien als een tragische figuur?

Hij stond voor een vreselijk dilemma. Hij stond voor de keus: recht doen aan de Persoon van Jezus of toegeven aan de wens van het volk. Sprak hij werkelijk recht, dan zou zijn positie niets meer waard zijn. Hij kon zijn positie slechts behouden, zo meende hij, door de wens van de Joden in te willigen.

U zult zeggen: hij had natuurlijk recht moeten spreken. Dat was zijn roeping als dienaar van het ius Romanum (Romeinse recht). Die visie is natuurlijk juist, maar we moeten daarbij wel bedenken dat ook wij vele malen voor dezelfde keus geplaatst zijn met het aannemelijke gevolg dat wij dezelfde weg als Pilatus opgegaan zijn. Dat moet ons wel voorzichtig maken in een al te hard oordeel over deze stadhouder. U moet daarbij ook niet vergeten dat Pilatus oneindig veel minder wist dan wij. Voor hem was de Persoon van de Heere slechts één groot raadsel, waar hij niet uitkwam.

Als we nauwkeurig bezien welke houding de stadhouder heeft ingenomen tegen Jezus, dan vinden we bij Lucas vermeld dat hij tot driemaal toe tegenover de Joden verklaard heeft geen schuld in Jezus te vinden (Luk.24: 4,14,22). Voeg daarbij de poging die hij ondernam om Barabbas in plaats van Jezus te laten veroordelen, dan moeten we erkennen dat hij veel in het werk gesteld heeft om de Heere Jezus vrij te krijgen.

Hij durfde lange tijd de Joden te weerstaan, maar tenslotte werd hij zo zwaar onder druk gezet dat hij koos voor de verkeerde weg. Dat was in dubbele zin de verkeerde keus, want hij maakte zich hiermee schuldig aan rechtsverkrachting tegen de eigen Zoon van de allerhoogste God, de Rechter van hemel en aarde; tegelijk heeft het oordeel Gods hem ook in zijn verdere leven achtervolgd, want de vermeldingen van zijn latere jaren getuigen van ernstige gevolgen.

 

hij oordeelt ons

 

Welke boodschap brengt Pilatus ons? Hij houdt ons een spiegel voor.

U en ik zouden, als we in zijn schoenen hadden gestaan, niet anders gedaan hebben. We zien hier dat de Persoon van Christus niet alleen Pilatus, maar ieder mens plaatst voor de onontwijkbare keus: voor of tegen; recht doen of onrecht spreken.

Het gebeurt in ons leven niet zo ingrijpend en zo duidelijk.

Maar wat doe jij als je als scholier in je klas geplaatst wordt voor de consequenties van je opvoeding? Wat heb jij gezegd, toen de positie van de Heere Jezus in het geding kwam?

Hoe vaak hebben ook wij eieren gekozen voor ons geld?

Wat deed Petrus, de man van de grote woorden en de brandende liefde voor de Heere, toen zijn toekomst op het spel stond en hij het leven erbij dreigde te verliezen? Denk u eens in: Petrus heeft de Heere driemaal verloochend, terwijl Pilatus driemaal een hardnekkige poging deed om ten gunste van Jezus te getuigen.

Hoe hebben de andere discipelen zich gedragen in het proces tegen Jezus?

De woorden van Pilatus hebben zich eindeloos herhaald in ons aller leven.

Tussen de collega’s die nergens aan doen gaat het er pas echt op aankomen, als onze populariteit schade zou gaan oplopen. En hoe zou uw baas reageren als u in zijn tijd soms een woord zou willen spreken tegen zonde en verval?

En wat doet de dominee op de kansel, als hij het kruisevangelie toch wat toesnijdt op de wensen van het kerkelijke publiek? Als echt de ergernis van het kruis een aanval doet op onze positie? Dat Evangelie vraagt toch immers van mij en u dat we de harde consequenties trekken aangaande onze diepe vijandschap en haat tegenover de drieenige God? Dan kiezen we niet de partij van de mens, ook niet van de vrome mens, maar dan moeten we toch staan aan de kant van God?

Het is bijna wel zeker dat Pilatus het langer volgehouden heeft tegen het verzet van de vijanden dan wij in veel gevallen.

Wat bij Pilatus zo opvalt is dus dit: hij kan niet vluchten in de neutraliteit. Hij staat voor een dilemma, waaraan hij niet kan ontsnappen. En hoezeer de zaken bij u anders lijken: ook u en jij staan voor dat dilemma. Ook in uw leven gaat er een uitspraak volgen of die is al reeds gevolgd waarin duidelijk uitkomt waar u staat. Bent u voor of tegen de zaak van de Zoon van God? In de Tweede Wereldoorlog stonden ze voor de keus: voor of tegen Hitler. De rollen lagen toen omgekeerd, maar het ging in feit om dezelfde situatie. Mensen als Bonhoeffer hebben hun keus met de dood moeten bekopen.

 

hij oordeelt de Joden

 

Het blijkt immers dat de Joden meer schuld dragen dan hij.

Het is ook nodig om de houding van Pilatus te vergelijken met de kerkelijke leiding van die dagen. Wat een schril contrast zien we dan opdoemen tussen kerk en wereld. Hoe wordt feitelijk het fiasco van alle kerkelijkheid en menselijke vroomheid hier aangeduid. Waar Pilatus neutraal staat tegenover de Heere, daar ontpopt zich de tempel als haatfactor nummer één tegen Jezus. Vergeten we niet dat de Heere in de kerk, op en onder de kansel, veroordeeld is met een beroep op de Schriften. Dat brengt de zaak van de Heere Jezus heel dicht bij u en mij.

De kerk heeft de wereld in de arm genomen  tegen Jezus! Is het niet een wonder dat er nog een kerk is, ook nu?

Valse getuigen gehoord en bekroond in het huis van God. De Heere en Meester van de tempel uit Zijn eigen woning uitgeworpen. De Hogepriester heeft dit Lam Gods afgewezen ten gunste van alle offers die nimmer die prijs en dat rantsoen kunnen voldoen. En juist zo heeft deze Hogepriester dan toch ook weer, zijns ondanks, het ware Lam Gods geofferd, hoewel hij dat nimmer wilde erkennen. Gods raad heeft mogen bestaan.

Een merkwaardig verschijnsel: de wereld stelt de kerk diep beschaamd. Paulus zou dat later ook uitspreken: "Want de Naam des Heeren wordt om uwentwil gelasterd onder de heidenen, gelijk geschreven is” (Rom.2:24). In dit hoofdstuk stelt de apostel Paulus dat de zonden van de kerk  oneindig zwaarder wegen dan die van de wereld.

Deze overwegingen kunnen de prangende vraag doen opkomen wat het nut van de kerk is. Als daar de ergste zonden worden bedreven, moeten we dan de kerk niet opheffen? Paulus stelt toch ook de vraag: "Wat is dan het voordeel van de Jood en welk is de nuttigheid van de besnijdenis” (Rom.3:1). Natuurlijk heeft dit verkeerde gebruik van de dienst des Heeren het goede niet op. Er is in de tempel ook buitengewoon veel vroomheid geweest. Er is in de kerk van alle tijden ook een rijke uitstorting van de Geest geopenbaard. Daar is Gods volk vertroost en daar zijn zondaren getrokken uit de duisternis tot Gods wonderbaar licht. De kerk is de heerlijkste plaats, maar tegelijk ook de plaats waar het meest gezondigd wordt. Dat stemme ons allen tot ootmoed en make ons beschaamd voor de Heere.

 

hij oordeelt Jezus

 

We moeten Pilatus niet alleen zien als privé persoon, die zijn eigen zaligheid heeft verkwanseld. Hij staat vooral ook voor ons als de officiële rechter. Hij oordeel de zaak van God voor het tribunaal van de wereld. In hem heeft de gehele aarde zich verenigd in het verzet tegen God. "De koningen der aarde stellen zich op en de vorsten beraadslagen tezamen tegen de Heere en tegen Zijn Gezalfde: Laat ons Hun banden verscheuren en Hun touwen van ons werpen”(Psalm 2:2,3).

Wat een ontzettende gedachte: De wereld, de aarde, de mensheid, wij allen hebben samen hand in hand officieel God van de hemel geoordeeld en afgewezen, ja wij hebben Hem ter dood verwezen. We hebben dat gedaan bij monde van het Romeinse recht, dat door kon gaan voor de ultieme en meest rechtvaardige jurisprudentie.

Op voorstel van de kerk, die de plaats inneemt als getuige à charge. Wij, kerkgangers en kerkleden, wij hebben in deze rechtspraak de doorslag gegeven.

Maar waren wij er dan bij? Wij hebben toch part noch deel aan dit onrecht? Wij weten toch beter?

Er zijn zeker meerdere redenen om te stellen dat wij anders gehandeld zouden hebben, met de kennis van nu. Maar in feite oordeelde Pilatus daar namens de gehele mensheid, ook namens mij. In ieder geval, dat erkennen we, zouden wij het in zijn positie niet anders gedaan hebben en hebben we het ook metterdaad vaak op dezelfde manier gedaan.

Wij mogen er wel aan denken, dat deze rolverdeling eenmaal anders zal zijn. In Pilatus stond Jezus voor het tribunaal van de mensheid. Eenmaal zal de mensheid gesteld worden voor de hemelse Rechter, Jezus Christus.

Was de uitspraak van Pilatus juist?

In meerdere opzichten wel. Hierboven meldde ik al dat hij tot driemaal toe heeft uitgesproken dat hij geen schuld heeft gevonden in deze Mens. Dat was een volkomen juist oordeel. En dat heeft betekenis.

Voor het Borgwerk van Christus betekent dit dat Hij, als onschuldige, in staat is om de schuld van anderen op Zich te nemen. Had Hij ook zelf schuld en zonde, dan was dat onmogelijk. Maar nu is gebleken en uitgesproken dat de Heiland Borg kan en mag zijn. Pilatus deed deze uitspraak immers namens het hoogste recht. Deze gedachte is van het grootste belang.

Pilatus heeft dit ook volgehouden ten overstaan van het Joodse volk. Voor u en mij betekent dit dat de Borgtocht van Christus rust op deugdelijke, juridische gronden. Het Goddelijk recht heeft dit in de persoon van Pilatus uitgesproken.

Als daarna Pilatus toch Jezus overgeeft ten oordeel voor de kruisiging, dan is de Heere veroordeeld onder datzelfde Goddelijke recht. Hoe kan dat dan? Omdat Hij de last van de zonde van het ganse menselijke geslacht draagt voor de hemelse rechtbank. Hier spreekt nu de hemelse rechter in Pilatus uit dat de zondaar geoordeeld is. De straf ìs voltrokken, het oordeel is geveld. Nu betekent dit niet anders dan de vrijspraak voor Gods kinderen. Deze berust op rechtsgronden.

Hoe heerlijk kan dan gezongen worden: De schuld Uws volks hebt G’ uit Uw boek gedaan, ook ziet Gij geen van hunne zonden aan. Sion is door recht verlost!

U, als verloren en verdoemelijk zondaar, moet dit vonnis maar gedurig nalezen en overdenken. U had daar moeten staan en u hebt daar metterdaad gestaan. Uw zaak heeft gediend in Hem. Uw zonden zijn vergeven. Zo krijgt dit alles een diepe betekenis voor een verloren zondaar.

Ook voor u die nog leeft met een open schuld voor God. Nu klinkt uit deze geschiedenis de nodiging door: "Komt dan en laat ons samen rechten, zegt de Heere; al; waren uw zonden als scharlaken, zij zullen worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol” (Jes. 1:18).

Welk een nodiging. Voelt u hoe uw zaak hopeloos staat buiten Hem? Hoe vreselijk als we eenmaal zouden moeten roepen, zonder de kennis van deze Middelaar: Bergen valt op ons en heuvelen bedekt ons. Nu echter is hier nog de weg ter ontkoming.

Er is tweeërlei prediking voor u en mij:

In de eerste plaats: de Heere oordeelt naar recht. U kunt niet op geruchten of eigen overwegingen menen dat het wel goed staat met u. Steun niet op uw eigen vrijspraak. De natuurlijke mens rechtvaardigt zichzelf. Het kan alleen in Christus goed komen.

Het tweede: Hier is Christus gewillig uw schuld over te nemen. Bij Hem is raad en uitkomst. Kom dan als een schuldige tot deze Borg en Zaligmaker, tot dit Lam Gods. Alles gaat om de vraag: Gelooft u in de Zoon van God? Gelovende kunt en zult u behouden worden door en in Hem. In Hem begrepen, spreekt de hemelse Rechter vrij, uit enkel genade.

 

 

 

 

SALOMO

 

De economische crisis ligt ons vers in het geheugen. Op dit moment lijkt het erop, dat er  een licht herstel intreedt. Deze crisis heeft heel wat losgemaakt in ons volksleven. Zowel bij de overheid als bij het volk. We werden extra bepaald bij de vraag welke betekenis dit aardse leven voor ons heeft.

Mensen voelen de gevolgen ervan in hun beurs. Gezinnen kregen te maken met werkeloosheid. Vragen over de houdbaarheid van ons economische stelsel werden opgeroepen en hielden hoog en laag bezig. Dat is nog zo. Hoe kunnen dergelijke rampen voorkomen worden? En hoe wapenen we ons tegen teleurstellingen en tegenspoed? Hoe gaan we met de dingen van dit leven om?

 

Prediker

 

Koning Salomo is bekend geworden door zijn wijsheid. Deze wordt ons in Gods Woord helder voorgesteld. In het boek Prediker geeft hij daar blijk van. Ik denk dan nu aan het tweede hoofdstuk, waarin ook voor onze crisistijd helder onderwijs te vinden is.

Hij trekt lijnen die voor onze tijd actueel zijn. Salomo worstelt steeds weer met de belangrijke vraag: Hoe kunnen we boven de ijdelheid uitkomen? Waar kunnen we duurzame garanties vinden, die ons het echte geluk in dit leven verzekeren? Zijn boek is er één van uitersten. Nu eens is alles ijdelheid, dan weer moedigt hij jonge mensen aan om te genieten van het leven. Het lijkt tegenstrijdig. Steeds maar weer die somberstemmende woorden: "IJdelheid der ijdelheden; ijdelheid der ijdelheden; het is al ijdelheid!”(1:2). Hij herhaalt dat telkens weer. Het komt altijd weer terug. Komt hij er wel bovenuit?

Weten we als christenen eigenlijk wel wat we met zijn woorden aan moeten? Wat bedoelde hij toch met dat naargeestige refrein? Met spanning volgen we de worsteling die hij heeft met de onneembare vesting van de ijdelheid.

 

architect

 

In hoofdstuk 2 vinden we een verslag van zijn inspanningen.

Hij vertelt ons dat hij erbovenuit dacht te kunnen komen door uit dit leven te halen wat er in zit. Hij beschikte over voldoende middelen om er wat moois van te maken. Hij hoefde zich niets te ontzeggen. Wat hij wilde, kon hij realiseren. Laten we naar hem luisteren.

"Ik zeide in mijn hart: Nu, welaan, ik zal u beproeven door vreugde; derhalve zie het goede aan; maar zie, ook dat was ijdelheid. Ik maakte mij grote werken, ik bouwde mij huizen, ik plantte mij wijngaarden…...” (vers 1,4)

Salomo, de bouwer, de architect, die gewerkt heeft aan het Utopia, het Paradijs van de mens. Ieder mens zoekt hier op aarde iets te bereiken. We zoeken met elkaar rust en vrede, voorspoed en geluk. De Heere Zelf heeft ons die opdracht gegeven. Wij moeten, het werd reeds bij de schepping gezegd, de aarde onderwerpen en bebouwen. We mogen  zeggen dat de Heere ons een schone schepping heeft gegeven. Stel u zich voor: de rijkdommen aan grondstoffen, die de mens ten dienste staan; verder de prachtige natuur, waar we van genieten kunnen;  de wonderen van het menselijk leven, waarmee de Schepper ons heeft begiftigd; de blauwe luchten en de groene weiden, die mens en dier vermaken; de hemelhoge bergen en de liefelijke dalen, die ons ter woning zijn gegeven.

Daarbij gaf Hij de mens het verstand om constructief de aarde te gebruiken. Psalm 8 roept de grootheid van de Naam des Heeren uit, zoals deze blijkt uit de schepping en uit de positie van de mens.

Inmiddels, na zoveel duizenden van jaren, komen wij er achter dat die schepping niet meer zo mooi is als in Salomo’ s dagen. De mens heeft er uit kunnen halen wat er in zat, maar we merken dat er een tijd komt dat er niets van over lijkt te blijven. Dat hebben we aan onszelf te danken. Daardoor is de zoektocht naar geluk voor velen tot een doodlopende weg geworden.

 

Idealist

 

Wonderlijk dat Salomo dat ook al wist!

Hij kende reeds het gevoel dat veel mensen hebben, die nu weten dat onze idealen te ver weg liggen. Vroeger, toen er honden voor een kar gespannen werden om vooruit te komen, hield men aan een lange stok de hond een worst voor zijn bek. Hij wilde daardoor des te sneller lopen. Maar hij kreeg die worst natuurlijk nooit; want de worst reed met hem mee en daar was hij zelf nog de oorzaak van. Daar lijken we allemaal op. Het ideaal is soms vlakbij, maar we krijgen het nooit te pakken.

Luister naar de koning.

Hij bouwde zijn landgoed; het werd een heerlijk paradijselijk oord. De tuinen eromheen nodigden uit tot rusten. Was het Oosten soms een land van droogte, de lusthoven van Salomo wisten er niet van, want overal stroomde helder water door de vijvers en het bevochtigde van tijd tot tijd de akkers. Het kon zo wel gelegen zijn in het oorspronkelijke paradijs. Zo mooi en heerlijk om te zien.

Zoals het met zijn huis ging, zo ging het in alles met hem. Het werd steeds beter. Zijn rijkdom nam toe. Hij kreeg een uitgebreide staf aan dienstpersoneel, dat hem de hele dag op zijn wenken bediende. Alles bleef in uitstekende staat onderhouden.

Salomo deed alles precies zoals wij het ook zouden doen. Hij hield blijkbaar van muziek. Voor ons gevoel een heel moderne rage, maar ook hij beleefde er al heel veel plezier aan. Zangers en zangeressen. We kunnen het ons allemaal voorstellen. Daarbij kwam er ook veel goud en zilver. Daarin lagen zijn rijkdommen opgeslagen. Wat de banken voor ons zijn, waren de goudstaven voor Salomo. Hij woonde aan de goudkust, hij kon zich alles permitteren, hij behoorde tot de schatrijken. Hoe gelukkig kon hij zijn. Veel meer dan de doorgaans arme bevolking, die alles maar moest opbrengen voor de koning. In onze tijd zou je Salomo kennen aan de droom van zijn paleis, aan al zijn vakantiewoningen, aan zijn luxe jachten, aan zijn wagenpark, aan zijn kleding. Zo leven nu de yuppies.

Ik vermoed dat Salomo zo lang als hij bezig was te bouwen, genoot van alles wat hij ontwierp. Het bezorgde hem vreugde. En toen kwam er een dag waarop alles klaar was.

 

mensenkind

 

De bekroning. En toen kwam ook de grote teleurstelling. "Toen wendde ik mij tot al mijn werken, die mijn handen gemaakt hadden, en tot den arbeid, dien ik werkende gearbeid had; ziet, het was al ijdelheid en kwelling des geestes, en daarin was geen voordeel onder de zon” (vers 11).

Hoe is dat mogelijk? Het gebeurt ook nu. Jongelui, pas getrouwd, bouwen samen een huis. Ze kunnen het inrichten naar hun wensen. Zo gebeurt het op het platteland in Friesland en elders. Het gebeurt dan meermalen dat er een scheiding komt, als het huis klaar is. Je vraagt je dan af hoe dat kan? Maar blijkbaar krijgt die oude spreuk gelijk: het bezit van de zaak is het eind van het vermaak.

Je hoort van jongelui die rondrijden in Ferrari’s en Jaguars, die vrienden en vriendinnen hebben in overvloed en die toch hun dagen doorbrengen in verveling en ledigheid.

Er was een koning die Croesus heette. Hij was heel rijk. Men vertelt van hem dat hij leed aan de goudkoorts. Hij mocht een wens doen en toen wenste hij dat alles wat hij aanraakte, goud zou worden. Dan zou hij echt rijk zijn. Maar hij vergat dat nu ook zijn brood goud werd en dus dreigde hij om te komen van de honger. Het is een verhaal uit de Griekse sagen en het is niet echt gebeurd. Maar toch zijn er heel wat mensen geweest zoals die Croesus.

De reactie van Salomo komt overeen met die van de moderne mens in de welvaartsstaat. Je zou het denken maar de lijst van miljardairs bevat niet zonder meer de gelukkigste mensen. Velen die het ver gebracht hebben met geld en goed, missen het echte geluk en de ware voldoening. Omdat geluk pas kan ontstaan tegenover de zwarte achtergrond van leed en ellende.

Michal Jackson, enkele jaren geleden overleden, was een topartiest in de ogen van de massa. Hij verdiende ongekende sommen aan geld voor zijn optredens. Maar de weelde bracht bijwerkingen mee. Verslaving, corruptie en onvolwassenheid stempelden zijn leven. Hij gaf jaarlijks 30 miljoen meer uit dan hij binnenkreeg. Dat gegeven toont zijn diepe ongeluk. En zo zijn er meerderen mensen uit de top geweest die op de meest ongelukkige manier stierven.

Maar niet alleen hij en zij, maar ook wij, die leven in deze welvaart, dragen de sporen van verveling en gewenning met ons om. Oppervlakkige opwinding over het nieuwste snufje technisch kunnen om daarna weer terug te vallen in de grauwe kleurloosheid van het moderne leven, zonder echt geluk. Het hoort bij onze tijd, het hoort bij ons. Luxe en welvaart brachten ons geen welstand. Dat is de les van Salomo.

Salomo vertelt verder. Hij zocht het daarna in de wijsheid; dat was toch meer dan de onzin van de massa (vers 12). Maar in vers 15 is hij er al achter dat ook de wijsheid op zichzelf het geluk niet brengen kan. De dood maakt een einde aan het leven van de zot en van de wijze. Beiden beleven zij hetzelfde. De dood is de grote spelbreker. Wat jaagt de dood ons mensen, rijk of arm, niet een angst en vrees aan! Een nieuwe les. Ook nog steeds actueel. En dan volgen er een reeks uiterst negatieve gevoelens: de teleurstelling gaat over in haat (ik haatte dit leven, vers 17), de haat maakt plaats voor wanhoop, (vers 20) en de wanhoop gaat samen met eindeloze onrust, zelfs in de nacht (vers 23). Salomo had zo maar kunnen praten met zwervers, overspannen of verbitterde mensen.

Daar brengt de weelde de mens. Het brengt niets dan ellende. En dat weten zo heel veel mensen. Weet u het ook?

 

leraar

 

"Is het dan niet goed voor den mens, dat hij ete en drinke, en dat hij zijn ziel het goede doe genieten in zijn arbeid? Ik heb ook gezien, dat zulks van de hand Gods is” (vers 24).

Deze vraag stelt de koning zichzelf. Wat is dan het nut van eten en drinken, van werken en sloven?

Nu blijkt de wijsheid van Salomo: Ik heb gemerkt dat God alleen dit geven kan!

De zegen en de vreugde van werken en leven kan alleen uit Gods hand voortkomen. Zonder God brengen die dingen ons niets. IJdelheid der ijdelheden, het is al ijdelheid! Die  les moeten ook wij leren.

Maar als de hand van God opengaat, wordt het heel anders. Dan krijgen de dingen weer nieuwe zin en dan krijgt het leven diepte en glans. Het gaat er om dat we Gods hand gaan zien in ons leven. Die hand kan slaan en hard aankomen. Die hand echter opent zich mild en rijk in de giften die de Heere geeft. De mens moet er wel aan bouwen, maar de hand van de Heere geeft dat huis. De mens mag wel goede dingen najagen, maar niet buiten  God om. God geeft in Christus een schat van zegeningen. In Hem ontvangt de kerk geestelijke gaven, die niet in geld zijn uit te drukken: liefde, vreugde, goedheid, genade, barmhartigheid, enz. Hij is arm geworden om arme zondaren rijk te maken. Hij is gekomen in de volheid des tijds opdat we het leven en overvloed zouden hebben. Dat kan de overvloed zijn van Salomo, maar in de eerste plaats is het een geestelijke overvloed. Aan dat bezit hebben ze niet gewerkt en ze hebben het zelf niet kunnen ontwerpen. Dat is een huis niet met handen gemaakt. Het ware geluk bestaat niet in uiterlijke dingen, maar in de zegen van de Heere. Het moet een plaats krijgen in ons hart, het gaat om een geestelijke en innerlijke vreugde in God door Christus. Dan is de eigenlijke kwaal weggenomen en hebben we een Verlosser mogen ontmoeten en de Heere zal ons met Hem álle dingen schenken.

Salomo heeft de hand van God gezien. Hebben wij die hand mogen opmerken? God heeft een "hand”. Een hand is een instrument om iets mee te doen. Wat heeft de Heere daarmee niet gedaan. Hij schiep de wereld, Hij formeerde ons leven, Hij gaf zegen en genade. Van nature zijn we allemaal blind voor dat gezicht. We staren naar de vereelte handen van de mens, van onszelf misschien, of naar de verzorgde handen van de mens van nu. We doen er van alles mee maar worden ze nog gevouwen? Gods hand werkt ten goede voor Zijn kerk. Die rechterhand is hoog verheven, des Heeren sterke rechterhand, doet door haar daan de wereld beven en houdt door haar kracht Gods kerk in stand.

Ik heb gezien, zegt Salomo. Gisteren liep hij langs zijn uitgebreide bezit en gaf het hem niets dan onvrede; vandaag ziet Hij Gods hand in zijn leven en nu wordt alles anders. Moge deze hand ook voor u zichtbaar worden. De Heere aanschouwt de moeite en het verdriet opdat we het in Zijn hand zouden geven. Die hand is de uitkomst voor alle leed en tranen. Het zijn de doorboorde handen van Jezus Christus, de Zoon van de levende God, Die mens wilde worden.

 

realist

 

Dan gebruikt de mens de handen wel, zeker. Hij bouwt evengoed aan de wereld, aan huizen en vijvers en genoeglijke en nuttige zaken. Hij kan nog steeds genieten van muziek en het verdiende geld mag op gepaste wijze uitgegeven worden.

Maar nu bouwt hij een huis, laat het mooi zijn, maar het draagt de naam: linquenda, wat verlaten moet worden. Hij bouwt aan zijn cultuur en dat kan en mag mooi zijn. Maar hij wil nu ook zijn gaven besteden in de dienst van God.

We kennen het woord "cultuur”. We verstaan daaronder alles wat de mens bouwt aan gebouwen en kunstzinnige objecten. Een ander woord, minder bekend, is het woord "cultus”. Dat woord betekent: eredienst. Die woorden lijken wat op elkaar. Beiden hebben ze de stam: cult-. Beide woorden komen van een Latijns werkwoord (colo) en dat betekent: bouwen. Voor de Romeinen, al waren het dan heidenen, waren die beide woorden nog onderling verbonden. Ze erkenden nog een band tussen het werk van mensen en de dienst van de goden.

Ons volk kent dat verband met onze God niet meer. Het heeft de cultuur losgetrokken van de cultus. De aardse plannen en werken staan los van God en liggen slechts in de hand van de mens. Maar die hand sterft en vergaat. Ook al wat hij gebouwd heeft. Maar de dienst van de Heere blijft bestaan, voor eeuwig.

Staan die twee woorden bij u nog in verband met elkaar? Of zijn het twee werelden, de wereld van de werkweek en de wereld van de zondag, los van elkaar. Zonder onderlinge samenhang. Dat zou erg zijn. Zoek dat verband. Zoek de hand Gods.

Die mensen zijn er geweest. Zij hebben kerken en kathedralen gebouwd. Heel Europa is bezaaid met de vroomheid van ons voorgeslacht. Nederland weet geen raad meer met de kerken, de monumenten van vroomheid. Ze worden verzwolgen door de cultuur. De overbodige kerken zijn plaatsen geworden van eigen roem en zelfaanbidding; het zijn  spelonken van moordenaars geworden, zoals ooit de tempel in Jeruzalem. Zo hebben wij de kerken ontwijd. En dat kan zelfs ook nog als we ’s zondags in de kerk zitten en luisteren naar de preek, maar de hand van God niet zien, de doorboorde handen van de Zaligmaker.

 

Hij geeft, zegt vers 26. "Want Hij geeft wijsheid, en wetenschap, en vreugde den mens, die goed is voor Zijn aangezicht; maar den zondaar geeft Hij bezigheid om te verzamelen en te vergaderen, opdat Hij het geve dien, die goed is voor Gods aangezicht. Dit is ook ijdelheid en kwelling des geestes".

Er zijn twee soorten mensen. Ze worden hier genoemd zij die goed zijn voor Zijn aangezicht, en daarnaast zijn er de zondaars. Dat wil zeggen: er zijn mensen die in Christus naar Zijn beeld vernieuwd zijn en zij zijn nu werkelijk goed voor Hem. Daarnaast zijn er de platvloerse zondaars, die ook alleen maar zondaars zijn, die leven in de zonde.

Hij geeft aan de eerste veel goede gaven. De tweede categorie komt niet verder dan verzamelen en vergaderen en dat komt nooit uit boven de ijdelheid en de kwelling des geestes.

Wie bent u? Waar hoort u bij? Kennen wij de ware vreugde in plaats van de kwellingen van de moderne mens? Dat is dan uit de hand Gods. Die hand is er. Die hand zoekt u, formeerde u. Die God kan en wil u alles geven. Dat we dan maar als een bedelaar de hand mochten ophouden om uit Zijn volheid te ontvangen genade voor genade.

 

 

 

 

 

SARA

 

Bijzonder

 

Het huwelijksformulier spreekt op verheven wijze over Sara. Het wordt van geen andere vrouw meegedeeld, wat we over haar lezen: ze noemde haar man "heer”(1 Petr.3:6)). Deze tekst grondt zich waarschijnlijk op Gen. 18:12, waar Sara inderdaad spreekt over haar heer. Het formulier plaatst het in de context van haar volkomen onderwerping en gehoorzaamheid aan haar man.

Als we dit lezen voelen we misschien de neiging opkomen om in dit opzicht het formulier bij te stellen. Geen enkele vrouw volgt haar hierin na en niemand heeft ook het voornemen om dat te gaan doen. Maar we bedenken dan dat het in Gods Woord staat en dat houdt in dat er van een gewijzigde opstelling geen sprake kan zijn. Het moet blijven staan ter opscherping.

We moeten wel nadenken over dit opmerkelijke woord. Het staat er maar een keer dat Sara haar man zo benoemt. Over deze vrouw kunnen we drie dingen opmerken:

1. Zij noemde haar man "heer”, wat getuigt van onderworpenheid;

2. Bij een andere gelegenheid blijkt zij in haar houding sterk "geëmancipeerd” te zijn; zij neemt soms vanuit verkeerde motieven de leiding;

3. Het gebeurt ook dat zij de leiding neemt vanwege haar geloof en inzicht in Gods beloften. Ik geef aan deze drie lijnen enige aandacht.

Ad 1: Het is leerzaam om te luisteren naar wat Petrus nog meer zegt: "Desgelijks gij vrouwen, zijt uw eigenen mannen onderdanig; opdat ook, zo enigen den Woorde ongehoorzaam zijn, zij door den wandel der vrouwen zonder Woord mogen gewonnen worden; Als zij zullen ingezien hebben uw kuisen wandel in vreze.

Welker versiersel zij, niet hetgeen uiterlijk is, bestaande in het vlechten des haars, en omhangen van goud, of van klederen aan te trekken;

Maar de verborgen mens des harten, in het onverderfelijk versiersel van een zachtmoedige en stillen geest, die kostelijk is voor God.

Want alzo versierden zichzelven eertijds ook de heilige vrouwen, die op God hoopten, en waren haar eigen mannen onderdanig;

Gelijk Sara aan Abraham gehoorzaam is geweest, hem noemende heer, welker dochters gij geworden zijt, als gij weldoet, en niet vreest voor enige verschrikking”.

 

haar kracht

 

Dit zijn geweldige woorden over de plaats van de vrouw. Ook op andere plaatsen in de Bijbel vinden we dergelijke uitspraken. Petrus spreekt over een wandel zonder Woord; vrouwen spreken dus vooral door hun leefwijze en dat moet in gelijke mate ook van mannen gelden. Verder heeft hij het over de verborgen mens des harten; deze verborgen kant van hun leven is het voornaamste sieraad; uiterlijke versiering kan dat nooit vervangen en loopt zelfs het gevaar het innerlijke gebrek te verbloemen. Hun "stille en zachtmoedige geest, die kostelijk is voor God” wordt als een ideaal gesteld, maar slechts bij weinigen gevonden.

We kunnen ons niet aan de indruk onttrekken dat veel moderne vrouwen hier niet veel meer van over en ook mee op hebben. Integendeel, als we het zo zouden voorhouden aan de  Tweede Kamer, dan zou er slechts hoon klinken over dit woord. Vrouwen van deze tijd redden zich zelf best, komen vrijpostig op voor hun rechten, meten zich met hun mannen, steken hen zelfs naar de kroon. Emancipatie, dat is de leus, ook de waan van de dag. Emancipatie, niet alleen van de vrouw, maar ook voor andere groepen die gebukt kunnen gaan onder smaad.

Maar let op: er komt vast een tijd, dat we het gaan hebben over de emancipatie van de man, want hij is degene die in deze tijden gediscrimineerd dreigt te worden.

Christenen hebben het er ook moeilijk mee. Vele van hen vinden een dergelijke uitspraak uit de Bijbel eigenlijk ook maar wat gênant. Zoals het in de Bijbel staat, kunnen we het toch niet meer zeggen?

Ondanks ons formulier dat gelezen is bij elke huwelijksbevestiging, kennen  we ook in de kerk de praktijk van de vrouwelijke invloeden die heel ver gaan. Ze reiken tot in kerkenraadkamers toe, ze zetten een stempel op het gezin, ze zijn een teken van een sluimerende emancipatie van de vrouw in de kerk. Daar moeten we voor oppassen. Voor vrouwen, die juist van hun zwakheid gebruik weten te maken om hun doel te bereiken. En welke man is daar nu echt tegen opgewassen?

Ik weet uit mijn jeugd van vrouwen, die vrij waren van elke brutale emancipatie. Het waren moeders, ze leefden op de achtergrond, ze straalden heel veel waardigheid uit. Zo iemand was  mijn moeder en u hebt er vast en zeker ook zo wel gekend.

Die vrouw en die moeder zoek je nu tevergeefs. Vrouwen hebben een andere presentatie dan destijds. En dat heeft te maken met de geest van de tijd.

Toch zien we in onze tijd ook dat er een prijskaartje hangt aan de voortschrijdende emancipatie. Het gezin krijgt de rekening gepresenteerd. Kinderen zien hun moeder lang niet elke dag meer. Het zijn de tweeverdieners die samen de kost moeten verdienen. Of liever gezegd: die samen het hoge welvaartspeil mogelijk moeten maken.

Zeker, het is ook waar dat gezinnen de krappe beurs moeten begunstigen door een bijbaantje voor de moeder, anders zijn de lasten, vooral de woonlasten, te hoog. Maar dan gaat het om een bijbaan, niet om een vlucht uit het gezin.

Onze overheid vergeet dat man en vrouw een verschillende aanleg hebben. Ik als man weet dat mijn vrouw over gaven beschikt die ik mis. Dat heeft te maken met het moederschap.

Toen mijn vader weduwnaar was, miste hij niet alleen mijn moeder, maar ik voelde dat gemis ook op een speciale manier. Dat had dan te maken met de sfeer die een vrouw, een moeder met zich meebrengt. Die sfeer kan een man nooit vergoeden. Dat was te merken.

We willen ons dus graag houden aan de Bijbelse lijnen. Deze zijn ons door de Schepper Zelf gegeven. Hij weet toch het beste hoe Hij de mens geschapen en bedoeld heeft. Ik weet dat dit praktische moeiten met zich meebrengt, maar die zijn met Gods hulp ook oplosbaar. Het werk van een huismoeder is zo veelzijdig, dat er geen positie is die zoveel eisen stelt aan inzet en kennis. En die plaats  kan alleen een vrouw "bemannen”.

Dus terug naar de feodale toestanden van lang geleden? Naar de stijl van de Farizeeën die de vrouw echt als een verachtelijk wezen zagen? De Joodse man maakte immers nogal eens gretig gebruik van zijn recht om de vrouw naar zijn hand te zetten. Het liep zeker bij de Joden uit de hand en daar mogen we absoluut niet voor pleiten. Het gaat om die eervolle, eigen plaats van de vrouw, zoals Petrus deze schildert en zoals Paulus erover spreekt in Efeze 5. Ook dat hoofdstuk wordt aangehaald in het formulier.

 

haar zwakheid

 

Ad 2: Sara heeft haar man wel "heer” genoemd, maar zo heeft zij hem niet altijd erkend.

Dat gebeurt als zij Abraham voorstelt om haar slavin Hagar als bijvrouw te nemen en bij haar een kind te verwekken dat dan op haar naam zou komen (Gen.16:1v).

Een uiterst verregaand plan. Zij neemt hiertoe het initiatief. Dat gebeurde al eens eerder in de geschiedenis, zoals u weet. Zij sleept haar man mee.

Abraham had heel veel kunnen voorkomen, als hij Sara zou hebben weersproken. Maar zelfs de vader der gelovigen miste daartoe de kracht. En houding, die helaas heel veel echtgenoten ten opzichte van hun vrouwen hebben nagevolgd. Zo stond Jakob zijn vrouw Rachel allerlei vrijheden toe, die feitelijk nooit hadden mogen bestaan.  

Hier blijkt de overredingskracht die vrouwen bij tijden kenmerkt. Het kan zijn ten goede, maar ook ten kwade. We kunnen stellen dat hier in de oudste tijden al wortels zichtbaar worden van de latere emancipatie, die ook en juist door vrouwen begeerd wordt.

Want we moeten dan toch nog eens van de andere kant letten op die onderdanige Sara. Er komen  dan vragen op. Was ze eigenlijk wel onderworpen? Was ze iemand zonder eigen mening en schikte zij zich in alles blindelings naar haar man? Die indruk krijgen we hier niet.

Om die reden zie ik Sara als een merkwaardige vrouw, als iemand die verschillende kanten aan haar leven heeft. Haar levensstijl stelt ons ook voor vragen. Ze was gehoorzaam aan Abraham, zo zegt Gods Woord. Maar is dan de praktijk weerbarstiger dan de leer? Komt Sara ergens toch ook de moderne vrouw tegemoet, die genuanceerd denkt over haar positie?

Sara misschien ook een moderne vrouw? In haar tijd misschien wel. Want deze onderdanige Sara had de teugels nogal eens stevig in handen. Ze was de meesteres, niet alleen in haar omgang met haar slavin, Hagar, maar zelfs ook in haar houding tegenover haar man.

Haar voorstel zou in onze tijd ondenkbaar zou zijn. Welke vrouw zou haar man die kant uit sturen? Niet geheel vreemd in het cultuurbeeld van die tijd, maar toch wel opmerkelijk. Zij heeft absoluut de leiding. En daar deed ze helemaal verkeerd aan. 

Het was de weg waarop de vader der gelovigen verdwaalde in de doolhof van het ongeloof. Met zijn vrouw en onder leiding van zijn vrouw. Ik denk dat ze in die dagen het woord "heer” weinig op de lippen heeft gehad.

Sara heeft de belofte van de Heere niet begrepen. Ze gaf er een vleselijke uitleg van. Ze wilde op haar eigen manier de belofte in vervulling doen komen. We zeggen altijd wel dat Abraham dwaalde in het ongeloof, maar het ging van zijn vrouw uit. Het is maar goed dat we daarover niets lezen in het formulier. Geen zaak van aanmoediging.

Later komen er meer problemen bij. Het wordt er niet beter op. Haar geloof is nog erger afwezig als ze lacht om de belofte van de Heere (Gen.18:13). Ze ontkent het ook nog tegenover de Heere Zelf.

Een tweede bedrijf begint, als Ismaël geboren is. Hagar emancipeert zichzelf en neemt een houding van trots aan tegenover Sara. Sara op haar beurt vernedert Hagar weer, zo zelfs dat deze het niet langer kan uithouden in de tent van Abraham.

Sara was ook een zondares; dat wisten we natuurlijk wel, maar de tekenen hiervan zijn duidelijk. Ook leerzaam om oog te hebben voor de kracht der dwaling en de macht van het ongeloof.

 

haar geloof

 

3. Een derde lijn zien we als Sara de juiste houding van een christen in haar huwelijk ons toont. Er komt een moment dat zij verder is dan haar man.

Als later haar eigen kind Izak op het erf rondloopt als een dreumes, die nog moet leren lopen en als hij door zijn grote broer, Ismaël steeds maar weer wordt uitgelachen, dan neemt Sara weer de leiding, zeer tegen de zin van haar man in. Hagar en haar zoon moeten nu maar weg. Ze komt helemaal terug op haar voorstel van jaren geleden: `En zij zeide tot Abraham: Drijf deze dienstmaagd en haar zoon uit; want de zoon dezer dienstmaagd zal met mijn zoon, met Izak, niet erven” (Gen.21:10)

Hier krijgt Sara de goedkeuring van de Heere op.

Haar houding heeft profetische trekken. Later zal Paulus haar woorden aanhalen en dan ligt er een diep geestelijke betekenis in. De dienstmaagd en haar zoon zijn dan samen beeld van de slavernij onder de wet en daarom: Drijf hen uit!

Hier opent zij een weg die later door veel christenvrouwen mocht bewandeld worden. In Christus is noch man noch vrouw (Gal.3:28). Een vrouw kan haar man in kennis en inzicht, ook in genade en geloof overtreffen. Dat blijkt hier duidelijk. Zulke vrouwen zijn er in de kerk ook altijd geweest en zij hebben de Heere Jezus tijdens Zijn aardse leven omringd.

Ook in Sara’s leven wisselen geloof en ongeloof elkaar af. Ook in haar houding tegenover haar man treedt zij in wisselende gestalten naar voren. In haar leven sluimert zowel de emancipatie alsook de onderworpenheid vanwege Gods gebod aan haar man.

Uit heel deze geschiedenis blijkt dat Sara niet die vrouw was, die wij ons misschien voorstellen, namelijk de altijd onderdanige vrouw, die geen eigen mening had. Zeker niet.

Dat trekt het beeld weer recht. Ze was ook een zondares, ze kon het ook helemaal verkeerd hebben. Maar de kern van haar leven was het geloof, waardoor zij kracht heeft ontvangen om te baren op zo hoge leeftijd.

Dat geloof in Gods genade bedekt de schuld en de zonden en leert ook de tekenen te vertonen van de gehoorzaamheid aan Gods geboden. Zien we hier wie de vrouw is? We zien hier wat de mens in zichzelf is, maar ook wat genade vermag in een mensenleven.

Laten we dit vasthouden. Ik vat  deze drie lijnen nog eens samen met drie woorden:

1. Sara kende in principe onderworpenheid;

2. Ze heeft bij tijden ook overheerst. Wat blijkt uit haar verkeerde voorstellen en haar ongeloof;

3. Ze kende ooit ook een wijsheid door het geloof, die haar man toen nog miste.

We mogen aan haar naam dus niet de conclusie verbinden dat de huidige emancipatie toch maar moet doorgaan. Sara deed het ook al zo. Nee, we moeten ook de les weer trekken uit de handelingen van Sara. We moeten haar in het goede navolgen, maar in het kwade moeten we haar voetstappen niet drukken.

Dat is de les voor de vrouwen van nu. Ook als u het formulier hoort lezen. Zoek die gehoorzaamheid voor te leven; hoed u voor de uitglijders van Sara.

Dan is er ook nog een raad voor de mannen. Wees kritisch naar uw vrouw, positief kritisch. Lever u niet uit aan haar, zoals Abraham deed. U moet de leiding houden. Maar het zal heel erg vaak zo zijn dat uw echtgenote goede voorstellen doet. Ook al vallen die zwaar. Als het maar voortkomt uit een gehoorzaamheid aan de Heere.

Luister daar naar en tracht goed en kwaad van elkaar te onderscheiden.

Het gaat niet om de emancipatie van de vrouw, maar om emancipatie van het Woord.

 

 

 

 

 

Simson

 

losbol

 

Het leven van Simson biedt alle ingrediënten om er een boeiende thriller over te schrijven. Zijn levensverhaal is al meermalen verfilmd. Daarin zien we een ongezonde belangstelling die er bij de wereld bestaat over figuren uit de Bijbel, vooral als deze uit de pas lopen. Op die manier hoopt men de  kracht van het christelijke geloof te kunnen breken. Of men wil dat geloof aantrekkelijk maken voor de mensheid, die haakt naar spanning en avontuur.

Het is echt niet nodig om christen te zijn, want er is geen enkel verschil tussen kerkmensen en wereldlingen, zo denkt men dan. Nu is dat verschil tussen die beide ook maar heel betrekkelijk. Dat verschil is duidelijker tussen hen die de Heere vrezen en hen die Hem niet vrezen.

Het is een hele schrik dat we iemand als Simson aantreffen in de Bijbel. Als hij dan ook zelfs nog vermeld wordt onder hen die door het geloof hebben mogen leven (Hebr.11:32), kunnen we daardoor in verwarring raken.

Had het er niet nadrukkelijk gestaan, wij zouden niet op het idee gekomen zijn. Was Simson nu echt een ernstig mens? Kan dat nu zomaar dat iemand telkens weer opnieuw in uitbrekende zonden valt en zoveel aanstoot geeft?

Dat deed hij immers herhaaldelijk. Gods Woord is toch duidelijk in haar waarschuwingen tegen de zonde? Lijkt Simson niet een onbekeerlijk en onverschillig mens, die de tere vreze Gods miste? 

 

antinomiaan

 

Hoe gedroeg hij zich tegenover de Heere? Keer op keer overtreedt hij Zijn gebod. Hij neemt zonder enige gewetensnood een vrouw uit het land van de Filistijnen. Daar zocht hij het bij voorkeur. Eerst was een vrouw uit Thimnath zijn bruid (Richt.14:1) , daarna wordt het nog erger want hij bezoekt in Gaza een hoer (16:1) en daarna geeft hij zich over aan Delila in Sorek (16:4).

Toch had de Heere gemengde huwelijken met  vrouwen uit de heidense volkeren verboden. En  natuurlijk stond er een zwaar verbod op prostitutie. Het lijkt er op dat Simson dit allemaal wel denkt te kunnen en te mogen doen. Er wordt blijkbaar nooit door  een profeet iets gezegd daarover. Het verraadt de levensstijl van iemand die zich niet om God en Zijn gebod bekommert.

We lezen niet vaak dat hij bidt of offert. Hij is wel een Nazireeër Gods, maar waar blijkt dat uit? Je kunt het wel zien aan zijn haar, maar zijn handen en zijn verdere levensopenbaring missen elke vorm van wijding. Zijn hart lijkt onbesneden. Bovendien kunnen we zeggen dat Simson ruig en ruw omgaat met het verbond van God en met de Heere Zelf. Er is in ieder geval geen enkele vroomheid bij hem te vinden. Hij zou zo maar in een groep jongelui kunnen verkeren die zich samen voorbereiden op de zondag in een drankkeet. Daar zou hij een geziene gast kunnen zijn. Zo lijkt deze richter een voorloper te zijn geweest  van het Antinomianisme. Deze mensen waren er reeds ten tijde van Paulus. Zij leefden bij de gedachte dat we de zonde wel kunnen doen, want dan wordt de genade alleen maar groter.

Het dogmatisch Antinomianisme wil breken met de wet; deze heeft voor een gerechtvaardigd mens geen betekenis meer. Hij kan immers niet gerechtvaardigd worden door de werken der wet? Men ontkent de betekenis van de wet voor de gelovigen. Dat kan leiden tot een los leven. Als de lijnen echt doorgetrokken worden, zegt men zelfs dat bekering en berouw ook niet meer nodig zijn, want dit alles is reeds door Christus voor Zijn volk gedaan.

In onze tijd leeft deze stroming ook. Een halve eeuw geleden waren er mensen die op een bijzondere wijze de rechtvaardigmaking in de vierschaar van hun consciëntie hadden meegemaakt. Hun weg voerde langs de randen van de hel. Dat leidde tot een zodanige sterke beleving van de vergeving der zonden, dat de zonde daarna eenvoudigweg niet meer bestond. Ik heb in mijn jeugd zulke mensen wel ontmoet. Ze zeiden  buitengewoon krachtig in de ruimte der genade te staan; ze wisten zich gerechtvaardigd. Wat kon hen nog deren? Er is  zoveel ruimte in de genade, dat je nooit meer ergens bang voor moest zijn. In onze tijd kan het ook voorkomen bij hen die vanuit een oppervlakkig geloof in Christus het niet al te nauw nemen met de zonde.

 

geloofsheld

 

Simson lijkt ook zo iemand te zijn. We zien dat bepaalde stromingen er altijd al geweest zijn.

Weet u wat de beoordeling van deze leefwijze nog bemoeilijkt?  Lees met mij Richt.14:4, waar staat: "Zijn vader nu en zijn moeder wisten niet, dat dit van den HEERE was, dat hij gelegenheid zocht van de Filistijnen; want de Filistijnen heersten te dier tijd over Israël”.

Het slordige leven van Simson lijkt gerechtvaardigd te worden door deze achtergrondinformatie. Zijn ouders wisten dat niet, dat het zo móest gaan en denkelijk wist Simson zelf dat ook niet. Voor Simson was dit dus geen rechtvaardiging van zijn gedrag. Kunnen we zeggen dat dit toch verkeerd was, alhoewel het de verborgen wil van de Heere was? Dat moeten we wel zeggen!

De scheuring van het rijk was van de Heere, maar het feit op zich wordt geweten aan het dwaze antwoord van Rehabeam.

Judas was de verrader en die zonde is hem ten volle aan te rekenen. Toch moest in hem de Schrift vervuld worden.

Als Simson zo had mogen leven, zoals hij geleefd heeft, dan was hij niet als straf op zijn zonde in de molen en in de gevangenis terechtgekomen. Het gebeurt nog wel dat mensen denken dat zij bepaalde dingen hebben moeten doen opdat daardoor achteraf de genade groter voor hen zou worden. Maar dat is een gevaarlijke weg, omdat men zodoende ingaat tegen de geopenbaarde wil van de Heere.

Niettemin is het een troost dat Simson genoemd wordt onder de geloofshelden. Er zijn ook nu mensen die aan de genade die zij bespreken en kennen, een wereldse levensstijl verbinden. Een vader kan zijn gezin opvoeden op een slordige manier. Hij kan dat motiveren vanuit de gedachte dat een onbekeerd mens er niet mee gediend is dat hij leeft naar de geboden. Dat is toch allemaal mensenwerk en eigengerechtigheid. Zulke gezinnen zijn er.

Toch kun je niet ontkennen dat men weet heeft van het bloed van Christus. Voor hen die ook nu soms een vrije levenshouding paren aan de genade, kan het leven Simson een stuk lering en onderwijs inhouden. Het kan in  dagen van bestrijding ook troosten dat er een Simson is geweest, die ondanks alles bij de Heere bekend was.

Laat ik het zo zeggen: de ene mens is van nature vromer dan de ander. Van nature! Dat geldt ook van Gods volk. De één heeft een wereldser karakter dan de ander. Zeker, ze moeten allen naar Gods wet leven. Niemand kan een uitzondering zijn. Maar u zult er wel achter komen dat veel kinderen Gods toch hun persoonsgebonden zwakheden en zonden kennen. En blijkbaar heeft de Heere hen zo aangenomen.

Er bestaat de bekende en tegelijk vreemde uitdrukking onder Roomse mensen: Onze lieve  Heer houdt er rare kostgangers op na. We kunnen ook zeggen; de één loopt aan een korter lijntje dan de ander. Hoe korter het lijntje is, des te beter is het voor de eer van God en het heil van de zondaar.

Ten diepste kunnen we niet zeggen dat bijvoorbeeld de rijke jongeling beter leefde dan Simson. Simson leefde zich uit in de ongerechtigheid, maar de rijke jongeling deed dat in zijn eigengerechtigheid. En wat moet ik dan van mezelf en van u zeggen? Zijn wij uitnemender? U kent het antwoord?

 

smekeling

 

Zijn er ook duidelijke tekenen in het leven van deze richter, waardoor het getuigenis van de Hebreeënbrief bevestigd wordt? Die zijn er zeker wel.

Ik noem enkele momenten.

In Ramath-Lechi versloeg Simson duizend Filistijnen met een ezelskaak (Richt.15:16v). Hij roept zijn overwinning uit. Maar dan krijgt hij plotseling grote dorst en  deze lijkt een  aanslag te doen op zijn leven. Het is een teken van genade dat hij daarna bidt: "Gij hebt door de hand van Uw knecht dit grote heil gegeven; zou ik dan nu sterven van dorst en vallen in de hand van deze onbesnedenen?”

U hoort daarin de uitroep van een verootmoedigd mens. Hij spreekt niet meer van eigen kracht, maar hij weet nu dat de Heere dat gedaan heeft. Hij geeft hierin God de eer en cijfert zichzelf geheel weg. De Heere liet hem niet toe iets te worden met zijn overwinning. Daarin zien we Goddelijk onderwijs dat door hem werd opgemerkt.

Voorafgaande aan deze overwinning hadden zijn volksgenoten hem gebonden. Dat gebeurde bij de rots Etam, waar drieduizend mannen van Juda naar hem toekomen en hem zijn handelswijze kwalijk nemen.

Ze vonden het maar brutaal dat hij iets ondernam tegen de vijanden. "Wist gij niet dat de Filistijnen over ons heersten?” Deze mannen hadden zich erbij neergelegd dat zij door de Filistijnen werden onderdrukt. Ze hadden het aanvaard. Ze wezen zelfs de verlossing door Simson af. Eigenlijk wezen zij God Zelf af, want Hij had hen deze richter gegeven.

Dit volk is het beeld van de mens, die rust in zijn onbekeerlijkheid. Hij heeft er zich bij neergelegd dat de zonde en het ongeloof hem beheersen. Vreselijk! De van God gegeven Verlosser, Jezus Christus, wijzen zij af. Er is geen enkele behoefte aan Zijn redding. De sterkgewapende houdt de hof van het hart in zijn greep.

Zo heeft het volk later de Christus gebonden uitgeleverd aan de Romeinen. Hier zien we een Nieuwtestamentische doorkijk naar het kruis van Christus. Wij hebben Hem gebonden, opdat Hij ons zou ontbinden. En we hebben dat gedaan omdat we gerust leefden in de dienst der zonde. Dat heeft ook Israël in Egypte lang tevoren reeds gedaan.

Simson is hier een type van Christus. Hoe is het mogelijk, zegt u misschien. Hij is dat natuurlijk niet in zijn zondige leven, maar hij is dat wel in de gewilligheid waarmee hij zich door de mannen van Juda laat binden, terwijl hij juist in die weg toch ook nog verlossing bewerkt.  Zo kan een duistere geschiedenis toch ineens een heerlijk licht vertonen van de komende en gekomen Zaligmaker. Dat maakt het leven van Simson ook weer zo heerlijk.

Meestal is Simson een antitype van Christus. Hij handelt steeds weer heel anders dan de Heere Jezus dat doen zou. Maar hier bij de rots Etam is hij een heerlijk beeld van de Zaligmaker, zoals Hij gebonden werd door Zijn eigen volk. Gekomen tot het Zijne, hebben dezen Hem niet aangenomen. Het leert tegelijk hoe dwaas en verhard wij allen dienstknechten der zonde zijn.

 

verlosser

 

Er is nog een moment in zijn leven waarin Simson een profetisch type is van Christus. Aan het einde van zijn leven komt hij tenslotte terecht in het huis van Dagon. Na de droevige geschiedenis bij Delila is hij zijn haar kwijt, maar hij is ook de Heere kwijt. Het spelen met de zonde is hem duur te staan gekomen.

Ach, wat zal er door hem heen gegaan zijn. Gods volk zondigt niet goedkoop. De Heere heeft ook deze Simson kunnen bereiken met Zijn onderwijs. Het haar van zijn hoofd begon weer te groeien. Dat haar is beeld van het genadewerk in zijn leven. Er was lange tijd niets meer van te zien, door eigen schuld. Maar de wortel der zaak (Job 19:28) was in hem. Zo groeit zijn haar weer als teken van zijn verloren Nazireeërschap. We weten hoe met zijn haargroei ook zijn lichaamskracht nog eenmaal terugkeerde. Ook het besef van zijn roeping keerde terug. Dat bracht hem tot zijn sterven waarin hij meer Filistijnen heeft gedood dan tijdens zijn leven (Richt.16:30).

Hierin is hij opnieuw een wegwijzer naar de Heere Jezus, Die in Zijn sterven zoveel vijanden heeft overwonnen. Hij geheel zonder zonde, maar niettemin in een weg waarin ook Simson is gegaan. Zo is zijn leven, hoe wonderlijk ook, vol van Christus. Dat blijkt ook daarin dat zijn broeders en het gehele huis van zijn vader hem begraven hebben. Dat was een geloofsdaad. Zij moesten daartoe zich wagen in het land der vijanden, maar zij konden dat moedig doen omdat zij hebben mogen inzien dat Simson een van God gegeven richter is geweest. Zij zijn, al was het laat en zelfs te laat, erachter gekomen dat Simson toch hun redder was. Zo hebben later Nicodemus en Jozef de Heere Jezus begraven vanuit het geloof dat Hij de Messias was.

Zo mogen we toch verwonderd zijn dat deze Simson in het heilig blad een plaats heeft. Dat is tot rijke bemoediging en tot troost want in hem schittert de heerlijkheid van Christus. Hoe heerlijk is dan de gestalte van de Zaligmaker Die zonder zonde Zijn kerk verlost heeft. In alles hen gelijk geworden, maar zonder zonde. Dat laatste is de grote meevaller in het leven van Simson. Simson vol zonde, Christus zonder zonde! Simson was sterk en hij kon grote daden doen, maar hij was maar mens, hij was maar zondaar. De sterke Simson was krachteloos en zwak.

Geldt dat niet van ieder mens, van elke kracht die we bezitten? De lijn van krachteloosheid loopt door ons bestaan heen. Christus stierf toen Zijn kerk nog krachteloos was. Hij is de sterke Held uit Juda’s stam. Hij heeft dood en zonde teniet gedaan en dat wordt mede ook onderstreept door het leven en sterven van Simson.

 

leraar

 

Simson beidt onderwijs, nu nog.

Hij werpt licht over mensenlevens die een sterk afwijkend gedrag vertonen. Is Simson zo’n tragische figuur? Ieder mensenleven heeft een zekere tragiek en ieder wordt getekend door de dwangmatige wet der zonde en des doods.

Zulke mensen lijken in versterkte mate een gevangene van zichzelf en van hun natuur. Moet niet ieder een harde en vaak een zware strijd strijden tegen zichzelf en de verborgen boosheden van zijn hart?

We komen hier op een moeilijk terrein. Er is wijsheid nodig om erover te spreken. Er zijn christenen die in zware zonden zijn gevallen. Hoe leert men achteraf die zonden bewenen en verfoeien! Ik weet van een kind van God, die na een zeker vallen in de zonde, met tranen uitriep: en mijn ziel heeft zo naar heiligheid gestaan….. Wat een smart als men dan toch zo diep valt. Ik denk aan Lot. Hij leeft met zijn dochters in de spelonk nabij Zoar. Niet in Zoar, want hij vreesde in Zoar te wonen vanwege de daar heersende zonden. Maar juist in die spelonk gebeuren vreselijke dingen; Lot wordt meegesleept in een vorm van zonde, die hij van tevoren niet herkend heeft. Vrees voor de zonde wat betreft Zoar, en helaas onkundig van de verzoeking, die dreigde. Zo kan het zijn  in het leven van Gods kinderen. Toch blijkt niet zelden dat juist zulke mensen door de Heere extra worden begunstigd. Vanuit de diepe beleving van de zonde geeft de Heere hen ook een diepe beleving van de genade in Christus. En het is evenzeer waar dat zij die voor zulke wegen bewaard werden, dat niet altijd recht verstaan.

Maar blijkt dan juist niet wat genade is? De Heere rechtvaardigt de goddeloze en niet de vrome of de gelovige (Rom.5:6). Wat is dat een troost. Zulke mensen worden vaak door anderen niet begrepen en zeker niet door de eigengerechtige vroomheid van het vlees, maar de Heere kent hen. Dat betekent niet dat we de zonde moeten doen, opdat het goede daaruit zou voortkomen (Rom.3:8). Het verklaart de diepte van Gods genade, waar uiteindelijk ieder door moet leren behouden te worden. Zo kwamen zij tot de Heere Jezus, vrouwen die een slechte naam hadden en tollenaars, die hun leven tegen hadden. En Hij ontving en redde hen.

Zeker heeft Simson een spoor van vraagtekens getrokken, waar we geen antwoord op hebben. Maar het voornaamste is wel dat hij een Nazireeër Gods, dat hij een knecht van de Heere is geweest. Hij richtte het volk twintig jaar. Genade maakt uiteindelijk alles goed. Voor Simson en voor allen die hem erkend hebben. Kus de Zoon. Dat horen we ook hier. Dat is de les van zijn leven. Tegelijk is hij ook een voorbeeld voor ons, opdat wij geen lust tot het kwade zouden hebben.

 

 

 

 

 

 

Sullamith                                                                                                       

 

We houden het erop, dat zij een bruid is geweest van koning Salomo.

In het boek Hooglied wordt de liefde bezongen tussen Salomo en zijn zogenoemde bruid.

Die liefde is bijzonder.

Deze bruid kon geen aanspraak maken op de genegenheid van de koning. Ongetwijfeld was zij niet van adel en ze beschikte niet over allerlei verheven eigenschappen. Ze leek een verleden te hebben in de slavernij en als zodanig deed zij werk van minder belang. Dat lijkt moeilijk te verenigen met een positie aan het hof.

Joodse verklaarders van het Oude Testament hebben dit boek opgevat als een allegorie. Zij hebben er de verhouding in gelezen tussen de Heere en Zijn volk Israël. Dat is onder ons anders geworden. We horen hier in de eerste plaats de liefde bezingen die er is tussen Salomo en zijn bruid en als zodanig is dit boek een stukje onderwijs voor een goed huwelijk. De geestelijke verdieping ligt daarin dat we hierin horen de liefde van de Bruidegom en de bruid ten opzichte van elkaar.

De Kanttekeningen zijn hier buitengewoon belangwekkend. Onze vaderen geven in hun verklaring een bewijs van hun diep inzicht in de geestelijke dingen. Hier worden geestelijke dingen met geestelijke samengevoegd. Slaat u de kanttekeningen er maar eens op na. Ook al kan het zijn dat we soms verschillen van hun verklaring, toch is het erg verrijkend om kennis te nemen van hun uitleg. We vinden hier de taal van de echte bevinding.

De vraag is: gaat erom of we hier nu met een allegorie of om een typologie? In een allegorie heeft elk detail betekenis en brengen we alles geestelijk over. De allegorese gaat er tevens van uit dat de enige betekenis ligt in de geestelijke overbrenging. De typologie gaat minder ver en erkent de natuurlijke betekenis van het boek, terwijl ook niet ieder onderdeel van de tekst een speciale geestelijke betekenis krijgt toebedeeld.

In de Middeleeuwse bruidsmystiek kreeg dit boek een nadere uitwerking. Als we denken aan de teksten die bepreekt zijn geworden uit Hooglied, kunnen we aannemen dat de meeste verklaarders het houden op de typologische betekenis.

 

De liefde tussen Bruidegom en bruid staat in dit boek op middaghoogte. Liefde als vurige kolen, als vlammen des Heeren (8:6). Beide gaan geheel in elkaar op.

Maar er zijn ook tijden dat het anders is. We vinden daarvan een voorbeeld in hoofdstuk 5. Daar zien we dat er ook afstand en gemis kan beleefd worden.

De oorzaak daarvan lag bij de bruid. Zij miskent de begeerte van de Bruidegom en wijst Hem af. Hij staat aan de deur, maar ze slaapt. "Ik sliep, maar mijn hart waakte”(5:2). Nadat ze heel veel ontvangen heeft van haar Geliefde, heeft zij zich nu teruggetrokken. Ze is moe, valt in slaap.

Slaap is in de Bijbel meestal geen goed teken. Jona slaapt tijdens de zware storm, die hem en het schip overvalt. Iedereen is in actie, in de hoogste paraatheid, Jona slaapt schijnbaar in opperste gerustheid. Het is de slaap van een onverschillige, die zich niets van zijn omgeving aantrekt.

Slapen kan ook een teken zijn van vermoeidheid; dat overkwam de discipelen in Gethsemané; hoe verdrietig voor de Heere Jezus en hoe beschamend voor henzelf. De tien maagden (wijzen èn dwazen) slapen allemaal, nadat ze sluimerig waren geworden. Terwijl de Bruidegom in aantocht was. Allemaal voorbeelden van ingezonkenheid. Slaap kan ook teken zijn van luiheid. Een weinig slapens, een weinig sluimerens…..,(Spr.6:10) zo klinkt het uit de mond van de luiaard.

De bruidskerk kan ook slapen. Ze is niet zo maar even in slaap gevallen, maar ze heeft zich echt teruggetrokken, de deus is op slot; ze is er even niet. Dat kan voorkomen. Maar dat slot op de deur spreekt toch niet van een open verhouding. Ze ligt op het bed van lusteloosheid. Met een bericht op de deur: "Privé, Niet storen”!

Zo’n situatie kan in een huwelijk een gevaar inhouden. Gaat het te lang duren dat één van beiden zich terugtrekt en onttrekt, dan verkilt de verhouding en lijkt de liefde uitgeblust. Eén vlees, maar soms kan het anders worden; dan wreekt het zich dat we voor ons zelf willen leven.

Dat is met Gods kerk ook zo. Er zijn tijden dat we de Heere niet nodig hebben. Dagenlang kunnen we alles zelf wel oplossen. We drijven op oude voorrechten, we kunnen het stellen met de gedachte dat het wel goed zit. Inslapen op het kussen van bevinding en beleving. Het geloof van deze bruid is niet in de beoefening. Het ligt in de vrieskist of in de brandkast; je vlijt jezelf met de gedachte dat het er wel is, maar het is geen levende zaak.

Toch weet ze diep in haar hart wel, dat er iets niet goed zit. Ze sliep wel, maar haar hart waakte. Dat betekent dat er verborgen onrust was. Je kunt meemaken dat je in een onrustige slaap ligt. Je moet vroeg uit bed en je schrikt telkens wakker uit vrees dat je te laat komt en dat mag niet. Er is onrust in je hart.

Ze beseft heel vaag wel dat ze niet goed doet. Ze kan toch niet genoeg hebben aan zichzelf? Ze kan toch de deur niet afsluiten voor haar Geliefde? Dat weet ze. Daarom staat er dat haar hart waakte.

Ieder van Gods levende volk heeft zo’n wakend hart. Ze kunnen inslapen, maar ergens is er het gevoel dat er iets grondig mis is. De macht van de slaap is zo sterk dat ze er nauwelijks tegenop kan, maar ze weet het wel. Dat is een verschil met de slapende wereld, die leeft zonder een wakend hart. Ze hoort in haar slaap de roep: "Ontwaakt gij die slaapt en staat op uit de doden!”

 

In die situatie treft de Bruidegom haar aan. Hij klopt op haar deur. Tegelijk vraagt Hij haar de deur open te doen.

Het is nacht. Dauwdruppels zitten in Zijn haar en op Zijn gehele hoofd. Dat geeft aan dat Hij lang onderweg geweest is om bij haar te komen. Hier staat voor ons de Bruidegom, de Borg en Zaligmaker van Zijn kerk, Die zichtbare bewijzen vertoont van Zijn opzoekende liefde. Het bepaalt ons erbij dat heel Zijn leven vervuld is van Zijn bruidskerk. Hij zoekt en zocht haar. Hij daalde al neer bij Zijn nederige geboorte uit de hemel naar de nacht van ons zondebestaan. Die inspanningen hebben Hem zwaar getroffen. Zijn lijdensweg was lang en de nacht der zonde was duister en vermoeiend. Zo zien we Hem hier echt als de Middelaar.

Meer dan de Sullamith zoekt Hij de wederzijdse gemeenschap. O, het kan er op lijken dat wíj staan te kloppen op Zijn deur. Zo sliep de Heere op het schip van Zijn discipelen in grote nood. Toch was dat geen onverschilligheid jegens de Zijnen. Het diende slechts ter beproeving. Hij belooft het: "Klopt en u zal opengedaan worden”. Zijn trouw overtuigt ons te meer van onze ontrouw.

Ze merkt het alles wel op. Ze hoort Hem roepen. Maar helaas komt het haar niet echt uit. Haar woorden klinken heel goed en ze meent het ook. Ze noemt Hem haar Liefste. Maar woorden en daden kunnen verschillen.

Let eens op de woorden waarmee zij de Heere afwijst. Ze heeft zich qua kledij al klaargemaakt voor de nacht en ze heeft haar voeten gewassen. Ze geeft het aan als een excuus. We moeten onze voeten toch schoon houden? Klinkt er ook niet een licht verwijt door in haar woorden?

Wat we hieruit vooral moeten meenemen is de gedachte dat het leven met Christus offers vraagt. Het kost heel wat moeite en het vraagt veel van ons. Het kan een kwestie van nachtwerk worden. De gemeenschap met Christus vraagt om daadkracht, als vrucht van Zijn werk. Kerkgang, Bijbellezen, gebed, stille tijd, het is nodig dat we ons aan onze roosters en vaste tijden houden. Als we er tegenop zien om een goed stichtelijk boek te lezen omdat we liever naar de interessante dingen van deze tijd luisteren en kijken, slapen we of zijn we dommelige christenen geworden. Je kunt dan niet eens zeggen dat je zoveel verkeerde dingen doet,  maar nalatigheid is ook zonde. En op dat terrein staan we dan wel heel zwaar in het krijt bij God, zonder het te beseffen. Geen diepe indrukken van zonde en geen diepe afdruksels van de liefde Gods.

Er zijn in dat geval ook zoveel excuses. De preken zijn te moeilijk en dat boek is te langdradig en we zijn toch ook heel erg bezet en de agenda staat vol, maar al deze verontschuldigingen houden geen stand. Zulke dingen zegt de wereld nooit van haar voetbalwedstrijden en van de films in de bioscoop. Het is dringend nodig dat we onszelf op deze terreinen onderzoeken en ernstig nagaan of er wel liefde tot God aanwezig is in ons leven. Of kunnen we vrede hebben met een verstandshuwelijk of met eenzaamheid in het eigen gezin? Zo geldt dat ook van het leven met Christus!

 

De Heere dringt nader aan.

Eerst was daar zijn zoekende liefde, die roept. Als de deur dan dicht blijft, doet Hij Zijn hand rusten in het gat van de deur ten teken dat Hij naar binnen wel komen. Zo kennen wij onze deuren niet, maar dit gat van de deur was een opening waardoor je je hand kon steken, zonder echter de deur te kunnen openen. Zo ongeveer moeten we ons dat voorstellen.

Als de Bruidegom dat doet, maakt dat wat los in haar ziel. Haar ingewand, haar gevoelens worden levendig.

Nu is haar wil gebogen en staat zij op om de deur open te doen. Als ze de deur aanraakt, druipt alles van mirre en welriekende kruiden. Deze zijn van de hand van de Bruidegom op de deur gekomen. Zoveel liefde was er in Zijn hart en in Zijn hand (ook dat is nodig) voor Zijn bruidskerk. Ook haar handen worden er geheel mee bedekt. Alles geurt naar Zijn aanwezigheid. Zo brengt de Heere Zijn gevoelens over op Zijn kerk. Zo gaat alles van Hem uit. Zo onverwacht wil de Heere Zich openbaren. Eerst Zijn komst, dan Zijn woorden, daarna Zijn handen, vervolgens Zijn gaven….. Dit alles spreekt haar hart aan en wekt haar liefde op; haar liefde die wel verdwenen leek, maar die er toch was.

Mogen we hier nu iets van verstaan? Voelen we aan hoe dit in zijn werk gaat? Gelukkig als deze liefde ons hart vervult.

De weerstand is overwonnen. Ze is nu volkomen gewillig om de deur open te doen, ook al is het nacht. Haar voeten kunnen dan wel vuil worden, maar haar ziel is gereinigd.

Zij bereidt zich voor op de ontmoeting.

 

Maar dan komt de grote schrik. Er staat niemand meer aan de deur. Het resulteert in de harde waarheid: "Ik zocht Hem maar ik vond Hem niet en ik riep Hem, maar Hij antwoordde niet”.

Eerst was het een Bruidegom zonder bruid, nu is het omgekeerd: een bruid zonder Bruidegom. Kan geloof hier uitkomst bieden? Ze kan toch rustig gaan slapen in het geloof dat de Heere aan haar denkt? Zou dat zo kunnen? Kan ze gaan inslapen met de gedachte dat de afstand tussen Hem en haar voortduurt? Kan ze vrede hebben met de gedachte dat haar zonden vergeven zijn en dat ze de bewijzen van Zijn liefde toch immers heeft?

Zo kan dat niet. Het geloof mag leven in alle situaties, maar het staat wel naar de ontmoeting in liefde en gemeenschap, naar het besef dat alles goed is. Zeker mag zij door het geloof beseffen dat Hij haar liefheeft, maar die liefde is nu ingehouden, want Hij is doorgegaan, Hij heeft nu Zijnerzijds haar achtergelaten. Ze moet het goed recht daarvan wel erkennen. Maar het kan haar geen rust geven.

Ze gaat de straat op. In grote ijver om Hem te vinden. Moet u eens zien wat ze nu allemaal voor Hem over heeft. Eerst kon ze niet een paar passen naar de deur doen, nu legt ze afstanden af, midden in de nacht, over de vuile straten van Jeruzalem. Missende zielen kunnen soms grote uitingen van verbondenheid vertonen.

 

Hoe gaat dit aflopen?

Het komt wel goed, want we lezen in het volgende hoofdstuk dat ze Hem weer gevonden heeft. Dat gebeurt nog niet in hoofdstuk 5. Er gaat enige tijd overheen aleer zij Hem vindt. Of heeft ze Hem toch al gevonden? In zekere zin wel. Maar het gaat door een diep dal heen. Haar zoeken wordt niet begrepen door anderen.

De wachters, misschien de nachtwachten in de stad, keuren het af dat ze als vrouw op dit uur zich blootstelt aan de gevaren van de nacht. Ze rukken haar sluier af om te zien wat ze voor iemand is. Wie zijn die wachters? Het kunnen wereldlingen zijn, die de Heere niet kennen. In de wereld van nu bestaat veel spot met mensen die zoeken naar Jezus. Niet alleen begrijpen ze daar niets van, het is ook nog zo dat ze die kerk en die bruid soms mishandelen en afblaffen. Dat gebeurt ook in onze tolerante maatschappij, in de Tweede Kamer en in de studio. Het gebeurt in de krant en in boeken, waarin christenen als wereldvreemde mensen worden afgeschilderd. En dat alleen omdat ze Jezus zoeken.

Het kan zelfs nog dichterbij komen. Hoeveel kerkelijke wachters zijn er niet die haar bestraffen. Ook zij begrijpen er niets van dat je midden in de nacht niet slapen kunt vanwege het gemis van Jezus. Ze rukken haar de sluier af, waardoor ze haar willen onteren en blameren.

En zo is zij er aller ellendigst aan toe.  Het lijkt erop dat niemand nog om haar geeft. Hoe donker is deze nacht.

En toch mogen we hier spreken van lichtende wolken. De Heere onderwijst haar hier door haar gemis op te wekken. In dagen van gebrek en ontbering ligt veel onderwijs. Als u nabij Hem mag zijn,  maar ook als u Hem nergens kunt vinden. Dat doet wat in haar ziel. Ze kan er zich niet bij neerleggen.

Moet u eens zien hoezeer zij haar liefde nu mag uitspreken. Ze komt nu tot heerlijke belijdenissen. Ze laat niet af Hem te zoeken. Ze kan het voor geen duizend werelden opgeven. Ze belijdt Zijn heerlijkheid nu op een wijze, zoals ze dat misschien nog nooit gedaan heeft. In haar grote gemis leert zij dingen, die ze in Zijn nabijheid zo niet zou hebben beleefd.

Haar liefde blijkt als zij de dochters van Jeruzalem ontmoet. Daaronder moeten we verstaan allen die leven op het erf van kerk en wereld. Het zijn degenen die hun liefde aan anderen geven. Dat kan ook in een kerk met bondelingen gebeuren. Haar lotgenoten vragen haar wat nu het typerende is van haar geliefde. Tegelijk noemen ze haar ook de schoonste onder de vrouwen. Dat kan erop duiden dat ook de wereld inziet dat de kerk een zekere meerwaarde heeft. Sommige ongelovige mensen kunnen soms getuigen van grote jaloersheid op het geluk van de kerk. Men spreekt soms openlijk de wens uit om ook zo te mogen zijn. Dat alles kan hier meespreken.

Als dan gevraagd wordt Wie haar Liefste is en wat Zijn geheim is, kan ze daar een opperbest antwoord op geven. "Mijn Liefste is blank en rood en Hij draagt de banier boven tienduizend” (vers 10). Dat zijn heerlijke woorden, die Hem roemen in Zijn algenoegzaamheid.

En dan gaat zij in de finesses treden. Dan spreekt ze over Zijn hoofd en Zijn haar, kortom, dan schildert zij Hem helemaal uit. En dat mag de kerk toch ook doen. We kunnen dan spreken over Zijn kribbe en Zijn kruis, Zijn sterven en Zijn opstaan, Zijn woorden en Zijn daden, Zijn macht en Zijn liefde, Zijn namen en Zijn staten. Hij is de Zoon des mensen en Hij is de Zoon van God. Let er dan maar op hoe onze Catechismus de rijkdom beschrijft van het leven van Christus. In de zondagen 11 tot en met 22 stelt zij Hem ons voor.

De bruid eindigt tenslotte in de uitroep: "Al wat aan Hem is, is gans begeerlijk”(vers 16). Maria Magdalena zou zich daar helemaal in kunnen vinden. Zo heeft zij in haar gemis veel onderwijs ontvangen.

 

En dat onderwijst ons ook weer. Het ware leven kent gemis en nabijheid, zonde en genade.

De verhouding tussen de Bruidegom en de bruid wordt gestempeld door de liefde, die uitgaat van hem, maar die zich ook meester maakt van de kerk.

Gods volk moet er aan denken dat, juist ook als er soms hoogten betreden zijn van geloof en gemeenschap, toch de zonde aan de deur ligt. U moet niet alleen onder zonde verstaan wat u doet, maar ook wat u nalaat als schuldige plicht. Zowel de wachters als de dochters van Jeruzalem verstaan het geheim niet. Wie zijn wij dan, op en onder de kansel? Moge de Heere dit onderwijs heiligen aan ons hart.

U hebt het gehoord: wie Hem zoekt, zal Hem vinden. Sta dan op van het bed van zorgeloosheid en zoek Hem aan de deur van uw hart of op de straten van Jeruzalem, al is het zelfs zo donker als de nacht.

Zo Hij vertoeft, verbeid Hem want Hij zal gewis komen en niet achterblijven!