GEESTELIJKE GROEI

 

?xml:namespace>

inleiding

 

?xml:namespace>

Johannes de Doper heeft eens de bekende en veelzeggende woorden gesproken: "Hij moet wassen en ik minder worden” (Joh.3:30). Blijkens dit woord zou er van geen groei ooit sprake kunnen zijn?

Volgens Johannes immers wordt Gods kerk alleen maar minder en gaat deze steeds verder achteruit.

Hierin ligt een geheim. Er is wèl van groei sprake, maar deze betrekt zich op Christus. HIJ moet wassen! Eens nam Jezus toe in genade bij God en bij de mensen. Zo ook gaat het er nu om, dat Hij een steeds grotere plaats gaat innemen in ons leven. Zoals de opgaande zon steeds meer wint aan kracht en licht, zo ook moet de Zonne der gerechtigheid hoger en hoger klimmen in het leven van Zijn volk, zodat Zijn licht en zegen zich steeds rijker zal ontplooïen.

?xml:namespace>

Johannes’ woord wordt in dit licht verstaanbaar. Geestelijke groei in het leven van Gods kinderen betrekt zich op die groei en toename van de Heere Jezus in hun leven. Ze moeten steeds meer uit Hem gaan leven en Zijn beeld gaan vertonen. Dat en dat ook alleen is hun groei.

Het is geen vordering in eigen vermogen en kracht. Vanuit de toename van de Heere Jezus in hun leven kan er dan ook wat hen zelf betreft alleen nog maar sprake zijn van minder worden. Dat is de enige weg waarin Christus kan toenemen in betekenis in hun leven. Als een stratenmaker zijn werk goed doet, kruipt hij op zijn knieën langzaam achteruit. Dat achteruit gaan is juist een bewijs dat hij vooruit gaat en vorderingen maakt. Aan dat beeld moeten we denken, als we spreken over geestelijke groei.

Op de vraag of er dus wel sprake kan zijn van groei in een christen-leven, mogen we volmondig antwoorden, dat er zeker mag worden gewaagd van groei, maar dan vanuit Christus en vanuit onze relatie tot Hem.

 

?xml:namespace>

als een kind

 

?xml:namespace>

Ook vanuit een andere invalshoek kunnen we de vraag nog stellen: Groeit een mens wel echt? Heeft de Heere Jezus niet gezegd dat we worden moeten als een kind? Als een volwassene weer opnieuw

(als) een kind wordt, kunnen we toch niet spreken van groeien? Dat

is een geheel verkeerde ontwikkeling. Temeer, waar we ook in de Bijbel lezen dat we niet meer als kinderen moeten zijn, maar alleszins moeten opwassen in Hem, Die het hoofd is (Ef.4:14.15). Hoe rijmen we dit met elkaar?

Geestelijk groeien betekent dat we worden als een kind, d.w.z. dat we alle eigenwijsheid en grootheidswaan afleggen en echt klein voor God worden, en alles geheel aan Hem overlaten.

Men leert kinderlijk Hem vrezen en zeker niet kinderachtig en onervaren zich te gedragen. Het heeft te maken met eenvoud en ootmoed, waardoor het leven steeds meer gekenmerkt wordt.

Worden als een kind, en tegelijk niet meer als de kinderen zijn, die nog geen volwassen leven uit Christus kennen, maar die nog steeds weer bewogen worden door allerlei wind van leer.  Deze twee lijnen doen elkaar geen kwaad.

 

?xml:namespace>

drie beelden

 

?xml:namespace>

Over deze geestelijke groei spreekt de Bijbel dus ook. Op allerlei plaatsen. Hierboven kwam er iets van aan de orde. Het woord zelf, "groeien” komt bijvoorbeeld voor in Psalm 92. De groei van de rechtvaardige als een palmboom. Het beeld van planten staat hier op de achtergrond. 

Het woord komt ook voor in de gelijkenis van de Zaaier (Mt. 13:7). De doornen wiesen op.  Zijdelings kan worden opgemerkt, dat er dus ook een groei is in de omgekeerde richting; daarover spreekt ook psalm 92, als we lezen: "Dat de goddelozen groeien als het kruid…., opdat zij tot in der eeuwigheid verdelgd worden” (Ps. 92:8). In deze beeldspraak komen we dan uit bij een heel andere zaak. Groeien wijst op een zekere ontwikkeling, en deze is ten goede of ten kwade. Dat is een ernstige zaak.

Er zijn in de Schrift vooral drie beelden, die iets weergeven van geloofsgroei. Het opwassende kruid brengt ons bij de bekende gelijkenis over zaaien in Mark. 4:26-29. Het betreft die zaaier, die de groei rustig overlaat aan de Heere. Er is dan sprake van het proces van de groei (het zaad, het kruid, de aar en het volle koren). Ook de andere nog meer bekende gelijkenis van de Zaaier spreekt van het opwassen (Matth. 13:30). Het eerste beeld dus dat de HS ons geeft van groei, is dat van een groeiende halm of een opwassende plant.

Het tweede vinden we bij Paulus. Hij spreekt ook over het beeld van

de groei; in Efeze 2:21: het gehele gebouw wast op. Let op het doel en het resultaat: een heilige tempel in de Heere, en een woonstede Gods in de geest. Naast de groei van een plant, spreekt Gods Woord ook over de groei of de opbouw van een gebouw.

Een derde lijn vinden we in Efeze 4:15: daar gaat het om de wasdom van het  lichaam, hetgeen ziet op opbouw in de liefde; verder het opwassen in Hem. Dus drie beelden: een plant, een tempel en een lichaam. Deze Bijbelse voorbeelden komen in de loop van deze lezing nog wel eens terug.

 

?xml:namespace>

Na deze inleidende opmerkingen, komen we nu tot het eigenlijke onderwerp. De volgende indeling lijkt me zinvol:

 

?xml:namespace>

Groeien in kennis

groeien in genade

groeien in heiligheid.

 

?xml:namespace>

Bij elk onderdeel willen we uitgaan van een Schriftgedeelte.

?xml:namespace>

 

?xml:namespace>

I GROEIEN IN KENNIS

 

?xml:namespace>

Hebreen 5:11-14.

 

?xml:namespace>

In dit gedeelte spreekt de schrijver van deze brief over de persoon van Melchizedek. Ook voor u misschien wel een moeilijk onderwerp. Wonderlijke dingen worden over deze koning gezegd. Hij had bijvoorbeeld geen vader en geen moeder, zo lezen we. Ook geen begin en einde van levensdagen. Wie kan dat begrijpen? De schrijver voelt de moeilijkheid aan. Hij botst op de onwetendheid van de gemeente, aan wie hij schrijft. Hoe zal hij het hen uitleggen? Dat vraagt menig dienaar des Woords zich wellicht ook wel eens af. Hier moet niet een letterlijke betekenis, maar een geestelijke zin gelezen worden.

In dat verband spreekt de schrijver dan vermanende woorden aan het adres van de Hebreen. Hun bevattingsvermogen schiet tekort. "Want gij, daar gij leraars behoorde te zijn vanwege de tijd, hebt wederom van node dat men u lere welke de eerste beginselen zijn der woorden Gods; en gij zijt geworden als die melk van node hebben en niet vaste spijs” (5:12). In vers 13 zegt hij dat melk voor

kinderen is, terwijl de volwassenen de vaste spijs nodig hebben.

Er is hier sprake van drie tegenstellingen: eerst die van leraars en leerlingen; daarna die van melk en vast voedsel en daarna kinderen en volwassenen.

U begrijpt waarom het gaat. Deze gemeente beleeft een ernstige ontwikkelingsstoornis. Een leraar, die nog een leerling is, moet ontslagen worden; hij heeft de klas niets nieuws bij te brengen. Een man van veertig jaar, die nog steeds aan de melk is vanwege zijn zwakke maag; hij krijgt zeker te maken met tekorten in zijn eenzijdige voeding; zo iemand kan nooit veel werk aan; zijn prestaties stellen teleur. Een volwassene die nog een kind is, die niet goed spreekt en niet bewust kan nadenken, kortom, die nog geen enkel inzicht heeft, kan niet in het leven staan.

Het gaat om stagnatie in het groeiproces!

Deze mensen houden zich nog wel bezig met de eerste beginselen, maar hun bevattingsvermogen rijkt niet verder. Ze weten wel wat van het begìnsel van de leer van Christus, maar niets van het voortgaan naar volkomenheid en volwassenheid. 

Onder dat beginsel der leer verstaat hij zaken als de bekering van dode werken, het geloof in God, de leer der dopen en de oplegging der handen, de opstanding uit de doden en het eeuwig oordeel (6:1,2).

 

?xml:namespace>

volmaaktheid?

?

 

?xml:namespace>

Hij zegt dan: "Laat ons tot de volmaaktheid voortvaren”!

Wat wordt hier dan verstaan onder de "volmaaktheid”? Kan een christen trouwens wel ooit volmaakt worden? We zullen, wat die laatste vraag betreft, zeker nooit volmaakt worden, maar we zullen wel naar de volmaaktheid moeten streven. Deze volmaaktheid hier op deze plaats heeft te maken met volwassenheid en een gerijpt inzicht, met het onderscheiden tussen goed en kwaad en een vaste kennis in het woord der gerechtigheid. Daarin ligt een vast en volwassen leven uit Gods genade verwoord. Misschien bedoelt hij ook wel de vrijmoedigheid, die in deze brief zo’n grote plaats inneemt. Wat hierboven als het beginsel van de leer van Christus is genoemd, behoort tot de dingen, die makkelijker te verstaan zijn. Daarmee krijgt men direkt te maken, wanneer men zich geroepen weet door Gods genade. Dan gaat het om bekering en geloof, om doop en

Avondmaal, om oordeel en gericht. We zullen al deze zaken nooit achter ons kunnen laten, alsof dat nu voorbij is, maar er moet wel een vordering zijn.

Deze eerste beginselen bieden voor het eigen hart ook vaak nog geen waterdicht houvast dat de staat voor de eeuwigheid vast ligt. Er kan later weer zoveel veranderen; men kan zelfs iets van deze dingen gesmaakt hebben, terwijl het straks allemaal weer over gaat. Daarover spreekt de schrijver in het vervolg van dit hoofdstuk (vers 4-8). Dan noemt hij heel wat! Men kan eens verlicht zijn geweest en hemelse gaven gesmaakt hebben en des Heiligen Geestes deelachtig geworden zijn…, terwijl men toch later nog afvallig kan worden. Dat alles heeft een schijn van genade. Godsd kinderen kunnen fel bestreden worden door de gedachte dat zij slechts in schijnbare genade hebben geroemd. Daarom zouden al Gods kinderen dieper moeten trachten door te stoten tot rijkere ontplooiïng van de genade Gods.

Die begeerte is toch ook vanzelfsprekend? Men zal toch graag zoveel mogelijk zekerheden en gronden willen verzamelen? Liefde zoekt toch een zo dicht mogelijke nabijheid?

 

?xml:namespace>

prediking

 

?xml:namespace>

Dit gedeelte geeft een helder inzicht in het groeiproces van Gods kinderen. Er behoort een ontwikkeling in te liggen, er moet voortgang zijn naar de volwassenheid. Als het goed is, neemt hun kennis  toe en verdiepen zich hun inzichten. Dat kan ook niet anders. Er behoort toch een sterke begeerte te zijn naar geestelijke wijsheid. De nadruk valt in Hebreën 5 dus op een groei in kènnis. En natuurlijk, het is u wel bekend, wordt hiermee geen intellektuele kennis bedoeld, maar een geestelijk verstaan der dingen, een bevindelijke en persoonlijke kennis in de heilgeheimen Gods.

Het is dan wel wonderlijk gesteld met de gemeente der Hebreën. Het tegendeel word bij hen gevonden. Er is geen enkele groei, integendeel, er lijkt een terugval, waarvoor de apostel hen ernstig waarschuwt. Deze gemeente is zelfs traag om te horen geworden, men neemt niets meer op, er is geen enkele concentratie, er lijkt dus geen interesse te zijn in geestelijke zaken. Traag om te horen. Men roept al heel gauw: "We vinden het te moeilijk”. En de predikers staan open voor de verzoeking om het Woord dan maar af te  stem-

men op het gebrekkige verstaan van deze mensen. 

 

?xml:namespace>

Het zijn bijna moderne klanken, die we hier aantreffen. Het zijn echt niet alleen de jonge mensen, die moeite hebben met de leer van Gods Woord en met de prediking van het Evangelie. Zelfs mensen die van jongsaf aan onder het Woord geleefd hebben, maken opmerkingen over de moeilijkheidsgraad van de prediking. Iedere dienaar zal dat serieus nemen.

En allereerst moet wel gezegd worden, dat predikanten niet altijd hun best doen om de preek zo duidelijk mogelijk te presenteren. Toch is dat wel hun roeping. Moeilijke dingen makkelijk en eenvoudig zeggen! Dat vraagt ook studie en doordenking van de stof. Geen moeilijke woorden en dogmatische uitdrukkingen, die de mensen niet geleerd hebben. We zoeken eers onder de voorgangers naar de oorzaken van allerlei onbegrip. Vergeet u niet dat ù als prediker reeds vele uren met die tekst geworsteld hebt, terwijl de gemeente deze ‘s-zondags voor het eerst onder de ogen krijgt. Te snel veronderstellen we dan een goed verstaan bij de mensen. Predikanten moeten beseffen dat goed luisteren een heel moeilijke zaak is. Kunnen zij het zelf wel?

Ik heb respect voor een gemeente die luisteren kan. Het is bekend dat er slechs heel weinigen zijn, die bijvoorbeeld de lijn van de preek helemaal volgen; daarom te meer begrip voor zovelen, die zondag op zondag onder het Woord verschijnen. Daarin mogen we iets zien van de krachtdadige werking van de Heilige Geest, Die door de dwaasheid der prediking zalig maakt die geloven. De prediker is een zwak en beperkt mens, maar de Geest Gods is de volmaakte Werkmeester.

De predikers zelf moeten, voorzover het hen aangaat, met de gehoorde klachten tot zichzelf inkeren. Maak het niet te moeilijk.

Maar: wees vooral beducht voor het andere gevaar, dat u het nu te simpel gaat voorstellen, onder de druk van de kritiek der gemeente.

Dan blijven allerlei passages uit de Schrift meer en meer onbesproken en beperken we ons tot eenvoudige gedeelten.

Dat gevaar ligt voor de hand. Maar we moeten leraar blijven! Blijf op niveau. Worstel om de harten van jonge en oude mensen te bereiken. Laat het echter niet ten koste gaan van de volle raad Gods. Ook niet als Gods kinderen zelfs leven in de eerste beginselen en daar vaak genoeg aan hebben. Er is zoveel méér, zo zei eens een ouderling tegen me. En dat moet ten volle gehonoreerd en toegestemd worden. 

 

?xml:namespace>

de hoorders

 

?xml:namespace>

Nu sprekend over hen die luisteren naar de prediking, besef ik toch ook de dreigende oppervlakkigheid bij de hoorders. Ik stel het even heel eenvoudig voor: een generatie, die in veel gevallen opgroeit met de beelden van de TV en die alles in een makkelijke stoel voorgeschoteld krijgt, zal zeker wel heel veel moeite hebben met de kerkbank. Helaas ligt in deze zin een stuk werkelijkheid verwoord. ’s-Zaterdags-avonds gekluisterd aan programma’s, waar men helaas vanzelf naar kijkt, en dan ’s-zondags de plotselinge omschakeling.  De kerk kan met haar boodschap, menselijk verstaan, nooit op tegen de moderne presentatie van nieuws, documentatie en amusement. Er groeit een steeds sterkere afstand tussen de "informatie” van de media, de computer incluis, en de blijde boodschap van de Bijbel. Ingespannen luisteren naar het diepgravende Woord van God lijkt voor de moderne mens steeds moeilijker te worden.

Feitelijk is deze problematiek heel opmerkelijk. Immers,  velen beschikken tegenwoordig veel meer dan vroeger over geoefende hersenen door allerlei opleidingen. Men zou juist een groter bevattingsvermogen kunnen veronderstellen bij de gemeente, met name bij de jeugd.

Hoe rijmen we de hoge ontwikkeling van velen en het slechte begrip voor een zondagse preek? Er is vrijwel geen andere conclusie mogelijk dan dat het peil van de geestelijke interesse drastisch gedaald is.

Trage hoorders belemmeren de goede voortgang van de preek. Er gaat geen stimulans van uit. De kennis ontbreekt!

Kennis is nodig. De gemeente zou moeten bestaan uit leraren, men zou de vaste spijs aan moeten kunnen. Daarom nemen bijvoorbeeld de catechisaties een sleutelpositie in voor de luisterende gemeente. Daarin wordt men opgevoed tot kennis en inzicht in het Woord van God.

 

?xml:namespace>

Bijbelkennis

 

?xml:namespace>

Het gaat hier dus om kennis. Men zou dit allereerst kunnen opvatten als bijbelkennis, het thuiszijn in de Heilige Schrift, honger om te weten wat de Heere bedoelt. We zouden allemaal uiterst bekommerd moeten zijn om precies te weten wat heel de Bijbel bedoelt te zeggen. Het is immers het boek van de Heilige Geest. U zou het testament van uw vader spellen van zin tot zin. Boeken over de koningin of over Diana worden verslonden.

Onze zaligheid hangt af van het Woord. Verstaat ge hetgeen gij leest? Daarin staat uw hemel, uw zaligheid, uw levensgeluk, het recept voor al uw kwalen; u kunt daarin haarscherp de diagnose vinden van al uw pijnen en zwakheden, van uw kwalen en ziekten; uw toekomst, hoe dan ook, wordt u in de Heilige Schrift helder en klaar voorgesteld; uw arts wordt daar in al Zijn bekwaamheden geschilderd; uw rijkdom of uw armoede vindt ge beschreven in het Woord. Dat moest wel benieuwd maken. Dat moest ons doen drinken uit de bronnen. We weten dat de huidige  Bijbelkennis ondiep wordt. Zelfs de preken geven soms geen echte studie weer. Er wordt hie en daar over geklaagd dat preken uit "de Levensbron” niet echt geschikt zijn om tijdens kerkdiensten gelezen te worden. Dat heeft te maken met de omvang; de dienst krijgt door een te korte treek een te vluchtig en een te luchtig karakter. Begrijpt u mij goed: ik zeg hiermee niet dat het dus in de lengte zit. Maar als een preek alleen nog maar kort mag zijn, dreigt de inhoud onder die voorwaarde al te zeer te leiden te hebben.

Het gevaar bestaat dat men door allerlei te simpele preken dreigt af te stompen. Of de gemeente dommelt in, omdat de zondagse preken soms hapklaar, ondiep, oppervlakkig, en aangepast lijken te worden. Of de preken worden gemoedelijk en gezellig, omdat de mensen nu eenmaal zulke eisen stellen en de prediker te makkelijk eraan toegeeft. Dan moeten de  preken doorspekt worden met allerlei namen van de TV en met bekende uitspraken van politici, wil men de hoorders nog iets te zeggen hebben. Dat maakt de preek nog verteerbaar. In wezen zijn we dan de geestelijke kracht al lang kwijt.

Bijbelkennis, het werd reeds genoemd, wordt gekweekt op de catechisatie. Een goede school zal er ook veel aan doen. Laten jonge mensen door de catecheet gemaand worden om feiten uit de Bijbel te leren, uit het hoofd. Lange tijd heeft de moderne paedagoog verklaard dat geloofskennis iets heel anders is dan feitenkennis. Die feiten behoefde men niet te leren, omdat men geloof niet leren kan. Geloof hangt, zo zei men, niet af van feiten en namen. Dat is wel waar. Maar de mantel van het geloof heeft toch een haak nodig, waaraan deze wordt opgehangen.

 

?xml:namespace>

geloofsleer

 

?xml:namespace>

Een andersoortige kennis, namelijk die van de de geloofsleer, het systematisch doordenken van de Bijbelse gegevens, stuit bij velen af. Dat is al een oud probleem. Het kwam vroeger ook wel voor, dat mensen pas goed gingen luisteren na de tussenzang, omdat dan pas de zaken van het hart aan de orde werden gesteld. Men brengt dan een (valse) tegenstelling aan tussen de leer en het leven.

Toch is de leer niet dor of droog, zoals men meent. We hebben juist de leer van onze Belijdenis zo nodig, om vast te staan in deze tijd. Let op de nadruk van de apostel Paulus op de gezonde leer, waarover hij aan Timotheus schrijft.  Deze krijgt te meer betekenis tegenover de kracht der dwaling.

Eenvoudige woorden, zoals rechtvaardiging en heiliging, moeten telkens weer uitgelegd worden. Ook in de preek. Leerstelligheid in de prediking is al jarenlang een negatieve aanduiding. Maar wat is een huis zonder balken? Een lichaam zonder skelet? Wat is een les zonder een leerprogram, een goed apparaat zonder handleiding? De leer van Schrift en Belijdenis is een  stok om te slaan en een staf om te gaan. Gelukkig de mens die iets verstaat van de gezonde leer.

Hier moet ook vermeld worden het nut van de leer om te kunnen onderscheiden. Juist in de tegenstelling met de valse leer, allerlei wind van leer, het beproeven van de geesten. Lees Ef. 4:14,15: "Opdat wij niet meer kinderen zouden zijn die als de vloed bewogen en omgekeerd worden met alle wind van leer, door de bedriegerij der mensen, door arglistigheid om listiglijk tot dwaling te brengen, maar de waarheid betrachtende in liefde, alleszins zouden opwassen in Hem, Die het Hoofd is, namelijk Christus”.

De kennis van deze waarheid is in vele opzichten achtergebleven. Er wordt over geklaagd dat zelfs kerkenraadsleden weinig thuis zijn in de leer van het Woord. Het wordt dus niet alleen gezegd van catechisanten. Het zal ook van ons, predikanten gelden. Denk aan de oudvaders, die "leerredenen” hielden, waarin reeksen van teksten werden behandeld en genoemd. De leer werd gefundeerd in de Schrift. We kunnen dit niet slechts afdoen als een scholastieke me-

thode. Er was kennis en de gemeente kon het grotendeels blijkbaar volgen ook.

Dat fundamentele onderwijs zou ook nu nog verteerbaar moeten zijn! Ik denk echter dat het bij velen zou afstuiten. Waarom?

Ik heb reeds de gedachte geopperd dat dit komt omdat er nu veel meer van onze hersenen gevraagd wordt dan vroeger. Jonge kinderen worden al vroeg volgestouwd met allerlei kennis. Waar het een zit, kan het andere niet teglijk zijn. Tegenwoordig is "informatie” een must, en hoe meer, hoe beter. De megabytes van de PC moeten steeds hogere aantallen halen. Misschien is het hoofd soms te moe om alles op te nemen. Misschien zijn we ’s Zondags in de kerk wel te vol van alles wat eerder reeds gehoord werd, op school en op kantoor. Dat zou een verklaring kunnen zijn. Anderzijds zou men verwachten, dat we juist door al deze intellektuele trainingen te beter in staat zouden moeten zijn om allerlei geestelijke zaken vast te houden. Het is moeilijk uit te maken, welke oorzaken hier spelen en hoe het komt, dat we vermoeid raken bij alles wat we horen in de kerk.

Maar het gaat hier toch niet alleen om een taak voor het verstand. Het gaat om de liefde van het hart en als deze leeft, ontstaat er een geestelijke honger naar de waarheid Gods. Moeten we niet vrezen dat die hartelijke begeerte gaat ontbreken?

Die mogeliojkheid moeten we tenminste ernstig onder de ogen zien. Men zou ook kunnen wijzen op de klacht dat er minder bediening van de Heilige Geest is. Leven deze zaken werkelijk voor de gemeente? Zijn wij er zelf allemaal echt van doordrongen, dat het er uiteindelijk op aankomt om te kunnen zeggen: "Eén ding heb ik van de Heere begeerd; dat zal ik zoeken, dat ik al de dagen mijns levens mocht wonen in het huis des Heeren om de liefelijkheid des Heeren te aanschouwen en te onderzoeken in Zijn tempel” (Ps. 27:4).

 

?xml:namespace>

onderscheidingen

 

?xml:namespace>

Het is bijvoorbeeld ook in deze tijd nog nodig om te weten wat we verstaan onder de Drieëenheid, ook al beseffen we wel dat dat onderwerp moeilijk ligt. Verstaan we daarvan echter niets, dan kunnen we ook een preek niet goed meer volgen. Zo staat het ook met de kennis aangaande de persoon van Christus. Het is niet eenvoudig om zich te verdiepen in de twee naturen; allen zullen moeten erkennen dat het hun bevatting teboven gaat. Maar er zijn toch wel facetten, die bekend kunnen en moeten zijn, wil men het Woord van God werkelijk kunnen verstaan. 

Kunnen wij deze dingen nog steeds onderscheiden? Als we het niet goed meer weten, kunnen we geen verschil horen tussen dwaling en waarheid. En dat is toch ernstig.

Om dan nog maar te zwijgen van bijvoorbeeld de toeëigening des heils. Een veelgenoemd artikel binnen onze Christelijke Gereformeerde Kerken. We weten dat het niet makkelijk is om precies die toepassing in de prediking een juiste plaats te geven. Iedere dienaar des Woords zal de worsteling hieromtrent kennen. De gemeente zal ook grote moeite hebben om te kunnen onderscheiden, hoe de toeëigening nu verwoord wordt en hoe de tekst naar het hart wordt gedragen. Kunnen we onderscheid horen tussen een voorwerpelijke en een onderwerpelijke preek? Dat heef toch altijd wel behoord tot de geestelijke bagage van de (geinteresseerde) kerkganger en zeker wel van Gods levende volk. Men wist biinnen onze kerken in de preken van een eeuw geleden precies waar het verschil lag tussen de veronderstelde wedergeboorte en de schriftuurlijke beoordeling ervan. Is het niet nodig dat ook wij dergelijke zaken in deze tijd ook nog weten?

Maar als we dat niet meer weten, worden de grenzen zo makkelijk verlegd. Moeten we daaregen niet waakzaam zijn?

We zouden dit ook kunnen stellen ten aanzien van allerlei ethische kwesties, die ons in deze tijd bezig houden. Het leven is zeker ingewikkeld geworden, dat is waar. Het is niet makkelijk om een juiste mening te ontwikkelen over bijvoorbeeld orgaan-donatie. Dat vraagt studie en onderzoek. Waar zouden we terecht komen, als allerlei Bijbelse lijnen gaan vervagen? Een christen behoort zijn handboek te kennen. Het is geen dorre opeenhoping van wetten en regels, maar een landkaart, die ons de weg wijst naar het land der belofte.

Deze kennis van de Bijbel hebben we ook nodig als we te maken krijgen met allerlei afwijkende meningen en zelfs dwalingen. Die zijn er in onze tijd maar al te veel. Denk maar aan namen als Kuitert en den Heyer. Het gaat daarbij om de kern van de zaak, om het hart van het Evangelie. Zijn we in staat om op goede gronden de afwijkingen aan te geven? U begrijpt dat het nodig is zich daartegen te verweren. Toch lijkt het er wel op, dat we te weinig inzichten hebben om in de bressen te staan en de vijanden te antwoorden in de poort. Christenen mogen deze taken niet overlaten aan theologen en vakmensen.

 

?xml:namespace>

Loonstra

 

?xml:namespace>

Ik noem in dit verband een zaak, die ons binnen onze eigen kerken bezighoudt, namelijk de publicatie van dr. B. Loonstra te Hoogeveen. Men hoort soms de klacht, ook binnen een kerkenraad, dat men dit boek feitelijk niet kan lezen, omdat het boven het kennis-niveau van de doorsnee ouderling ligt. Dat zal dan zeker wel het geval zijn met de doorsnee-kerkganger. Afgezien van de inhoud van dit boek, er schuilt toch een gevaar in als velen een dergelijke publicatie niet kunnen beoordelen. Velen vermoeden dat hier afwijkingen worden aangetroffen, maar de vraag is of u en ik dat beoordelen kunnen, hetgeen volgens de Schrift wel nodig is. We hebben trouwens ook mede onze Belijdenisschriften, om te toetsen wat zich aan onze gedachten voordoet. Maar kunt ù dat in dit geval?

Als dat niet kan, betekent dat twee dingen: in de eerste plaats schiet de schrijver zijn doel voorbij, als hij niet tot opbouw van de gemeente schrijft en handelt en zodoende slechts een kleine groep bereikt; in de tweede plaats wijst de veelgehoorde klacht over de onduidelijkheid erop, dat er teveel leemten in onze kennis zijn. De schrijver zou er beter aan gedaan hebben, als hij zijn doelgroep goed in het oog zou gehouden hebben. Het zal immers ongetwijfeld zijn streven geweest zijn, om dienstbaar te zijn aan de kerk.

Maar ook de potentiële lezers van het boek kunnen zich er niet zonder meer van afmaken om het als te moeilijk terzijde te leggen. Er hebben allerlei eenvoudige artikelen in diverse bladen gestaan, zodat we er wel iets van zouden kunnen weten. Ik noem nu dit ene voorval, om aan te geven dat we toch broodnodig kennis behoeven, om kerk te kunnen zijn en om te staan in het geloof. Het is juist nu zo nodig om te kunnen onderscheiden waarop het aan komt.

 

?xml:namespace>

hoofd- en bijzaken

 

?xml:namespace>

Ook in een ander opzicht zien we een gebrek aan gefundeerde kennis. Er is, zoals ieder weet, veel kerkelijke verdeeldheid. Tussen de kerken onderling, maar ook tussen gemeenten en zelfs binnen een en dezelfde gemeente. Waar liggen dan de verschillen en hoe ernstig zijn die? Meestal wordt er dan gewezen op bijvoorbeeld allerlei vernieuwingen, die hier en daar zich voordoen. Zeker ontstaat hierdoor veel verwarring. Toch weten we, dat er achterliggende inhoudelijke zaken zijn, die belangrijker zijn dan een vorm, die verandert.

Het lijkt nu in gevallen van verschil van mening veel makkelijker om te wijzen op een andere liederenbundel die men gebruikt, dan dat we in staat zijn om enigermate aan te geven waat de zaken inhoudelijk soms misgaan. Of waar deze niet misgaan, want ook dat is mogelijk. Anders krijgt een discussie dan toch wel een al te wettisch karakter. Het gaat dan om uiterlijkheden, terwijl we de veel voornamere geloofszaken niet goed kunnen beoordelen. Ik hoop dat u mij begrijpt. Hoezeer uiterlijke zaken ook van belang kunnen zijn, de kern ligt toch in de prediking en in de leer. We moeten ervoor waken ons niet vast te bijten in zaken van de buitenkant, want dat schaadt onze positie. Laat de kern van de zaak ons standpunt bepalen. En vandaaruit zullen dan de zaken betreffende de vormen, naar ik hoop, goed doorzien worden. De oude paden aanhouden vanwege een voorliefde voor Hem, Die dè weg is.

 

?xml:namespace>

bevindelijke kennis

 

?xml:namespace>

Een ander aspect van kennis, is de kennis van het hart, wat we zouden kunnen noemen: bevindelijke kennis.

Zacharias heeft gezongen over de kennis der zaligheid. In Rom.3: 20 wordt gesproken over de kennis der zonde door de wet, waarmee bedoeld wordt een doorleefd weten van geestelijke zaken. Gods Woord spoort ons aan om vervuld te worden tot àlle kennis (Rom.15:14). Deze kennis zal ook bedoeld zijn, als er staat dat sommigen de kennis Gods niet hebben (1 Cor.15:34). In Coll.1:9 is sprake van de kennis van Gods wil; men zou kunnen menen dat we die toch regelrecht uit de wet en de geboden zouden kunnen putten, maar zo eenvoudig lijkt het niet te liggen. Het is een zaak mede van de leiding van de H. Geest, die Gods wil doet verstaan vanuit de verlichting der kennis ( 2 Cor.4:6). Verder wordt in Coll.3:10 kennis genoemd als een wezenlijk bestanddeel van het nieuwe leven uit God. Petrus spoort aan niet alleen op te wassen in de genade, maar ook in de kennis, de geestelijke kennis van Christus Jezus (2 Petr.3, 18). Zo zou er meer te noemen zijn.

Onze Heidelberger vraagt hoeveel stukken ons nodig zijn te weten. Hier wordt geen verstandelijke kennis bedoeld, maar een persoonlijke, geestelijke kennis. Om anderen te kunnen raden, denk aan onze jeugd, moet men zelf persoonlijk iets geleerd hebben van de wegen des Heeren. In de goede gezelschapskringen werden mensen gevonden, die anderen raad konden geven, die ook op de goede manier konden aanmoedigen en vertroosten. Velen zijn er, ook nu, die worstelen met allerlei persoonlijke vragen. Er is schreeuwend behoefte aan mensen, die de weg kunnen aangeven. Kennis van het Woord is daarbij een vereiste, maar ook kennis van het hart. Ook kennis van de werkingen van Gods Geest. Volgens Schrift en Belijdenis zijn daar immers vaste gegevens over bekend. Denk maar aan de lijn die de apostel Paulus aangeeft in Rom. 8:29,30. Hij spreekt daar over de verordinering, over de roeping, de rechtvaardiging en de verheerlijking. Zo is er veel meer te noemen. Aquila en Priscilla hebben Apollos de weg Gods bescheidenlijker uitgelegd, nadat ze eerst hadden gehoord dat er iets ontbrak aan zijn prediking. Ze konden vaststellen waar het precies aan schortte en daarna wisten ze het hem duidelijk bij te brengen, hoe de vork in de steel zat.

Dat hebben we ook nu nodig. Voortrekkers, die met een fijn oor kunnen onderscheiden, wat er aan mankeert. Zelfs Apollos had dat nodig; dus ook Gods knechten en zeker zij die pas beginnen in het ambt,  zouden er wel bij varen als er zo in een kerkenraad en in een gemeente met hen zou kunnen worden gesproken.

We weten ook hoezeer grote mannen als Hendrik de Cock en Abraham Kuyper werden onderwezen door zeer eenvoudige kinderen Gods, die echter wel een grote kennis hadden van God en Zijn dienst. Deze mensen hebben, in hun eenvoud, de aanzet gegeven tot een veelomvattende en grootse opleving. Ik heb meermalen het verhaal gehoord dat de bekende ds. E. van Meer, die jaren in Utrecht stond, tot bekering kwam, doordat de kosteres van de Domkerk hem menigmaal aansprak dat de Heere het Zijn volk anders leerde dan hij preekte. Het heeft resultaat gehad.

Bekend is ook antwoord 2 van de Catechismus. Daar lezen we o.a.: hoe ik van al mijn zonden en ellenden verlost worde. Er staat "hoe”! Hoe gaat dan dan? Als iemand zegt: dat is vrucht van het kruis van Christus, dan heeft hij volkomen gelijk. Maar dat vraagt wel om meer uitwerking en diepere doordenking. Er ligt in dit "hoe” veel opgesloten. Christus heeft daarover gesproken, toen Hij de komst van de H. Geest in het vooruitzicht stelde. Hij zal u in alle waarheid leiden (Joh.16, 13). Hij leidt dan niet alleen tot aan de waarheid, maar ìn de waarheid.

Misschien denkt u dat het toch niet zo moeilijk is om iemand de weg te wijzen. Paulus gaf toch een duidelijk antwoord op de vraag van de stokbewaarder (Hand. 16:31)? Zeker, maar dat was in een acute crisis, waarin een kort en duidelijk antwoord nodig was. Er kunnen

zich echter zoveel zielsvragen voordoen, waarop diepgaand antwoorden nodig zijn. Ik hoorde eens de klacht van iemand, die zei dat er ook zelfs in de meeste preken te weinig wordt ingegaan op allerlei geestelijke vragen, waar de gemeente mee worstelt. Dat zou best eens een manco in onze prediking kunnen zijn.

Bunyan schrijft heel mooi en duidelijk over de weg der genade. Christen is op weg gegaan, maar hij weet niet waarheen hij gaan moet, totdat iemand hem de weg wijst: "Ziet u daar in de verte wel een klein, eng, poortje? Ziet u daar dan ook niet een schijnend licht? Ga er recht op af en wanneer u daar aanklopt, zal u wel gezegd worden wat u moet doen” Deze Evangelist verschijnt telkens weer in zijn leven om hem te onderwijzen.

Hoe ik verlost word. Daar is veel over te zeggen. Daar leven veel vragen. Al staan alle antwoorden in de Bijbel, het is een weldaad als er uitleggers van de Bijbel mogen zijn. Hoe ik verlost word, maar ook: Hoe groot mijn zonden en ellenden zijn. Ervaren christenen zullen ook de breuken van het hart aanwijzen en allerlei raad  weten, als het geweten beschuldigt en de wet verschrikt. En zeker ook in deze tijd voelen we de behoefte aan mensen, die ons raad kunnen geven in allerlei vragen omtrent de christelijke levensstijl.

Het voornaamste is, dat het hier om geestelijke kennis gaat, om de bevinding der heiligen. Het is niet uit boeken te leren. Veel oude schrijvers hadden daar iets van, als ze ook nader wisten in te gaan op de wegen van het hart. Bij veel Puriteinen kwam het voor, dat zij in hun preken zèlf de bekende vragen opriepen en er nader op ingingen, een methode, die reeds ver voor de Hervorming werd toegepast.

Ontbreekt deze kennis, dan zien we de oude sporen van Gods Geest niet meer en ontstaat er wildgroei, omdat de fundamenten bewogen worden en de juiste kaders gemist worden. Dan komen we open te staan voor gevoelens en emoties, voor stemmingen en allerlei afwijkingen, voor ervaringen en beschouwingen.

 

?xml:namespace>

Woord en Geest

 

?xml:namespace>

Samenvattend kunnen we zeggen dat groei in kennis ontstaat als de Geest des Heeren mensen leidt. Het is opvallend hoezeer mensen, die pas tot het geloof gekomen zijn, open staan voor onderzoek en ijverig bezig zijn om zoveel mogelijk te weten te komen. Gods Geest is dus de grote Leermeester.

Maar Hij gebruikt toch ook het onderzoek van Gods Woord. Daarom sporen we elkaar aan tot voortdurend onderzoek van Gods Woord. De lezing daarvan in de gezinnen heeft te leiden onder de jacht van het moderne leven. We moeten ervoor waken dat we te vluchtig om zouden gaan met Gods Woord. Zeer aanbevelenswaardig is de complete lezing van de integrale Bijbel, d.w.z. liefst niet alleen bepaalde delen, die makkelijk in het gehoor liggen, zoals de Psalmen en de Evangelieën, maar de gehele Bijbel doorgaan in de "lectio continua”, een lezing zoner afzonderlijke delen over te slaan. Ook al berust de echte kennis op openbaring (1 Cor.2:10), de Heere bedient Zich daarbij van de middelen. Laten we de gemeente ertoe opwekken biddend te onderzoeken. Laten we als predikanten trachten oude en nieuwe dingen naar voren te brengen. Het kan wel eens de ervaring zijn dat de meest bestudeerde preken soms niet de meeste instemming oogsten, maar er ligt vreugde in het ontdekken van de heilgeheimen des Heeren.

Misschien is het goed enkele onderscheidingen te noemen, die vragen om uitleg en verklaring. Kennen we nu zelf het onderscheid tussen melk en vaste spijs, zoals Gods Woord dat noemt? Voelen we onderscheid aan tussen bijvoorbeeld de verschillende schakels van de heilsorde, zoals bekering en geloof, rechtvaardiging en heiliging? En dan niet op te vatten als kennis, die opgeblazen maakt, maar als persoonlijk doorleefde wijsheid. Denkt u eens aan de verschillende hoofdmomenten uit het leven van Christus; welke betekenis hebben al deze facetten voor ons in deze tijd? Is er verschil tussen de dagen voor en na Pasen? Bunyan geeft en zeer duidelijke afstand aan tussen het doorgaan van de enge poort en de vrijspraak van de schuld van de christen. Wat ligt daar allemaal tussen? Er zijn ook diep fundamentele zaken, die tot goed verstaan van een preek bekend moeten zijn, zoals bijvoorbeeld het verschil tussen Wet en Evangelie, tussen geloof en werken, Mozes en Christus, enz. Dit zijn de diepe tegenstellingen uit de tijd van de Reformatie, die ook nu nog van groot belang zijn. Het valt me wel eens op, dat vanuit deze lijnen de meest wezenlijke zaken aan de orde komen.

Is het nu verder niet ontmoedigend, als we slechts constateren dat deze kennis niet helder leeft bij veel kerkgangers? Deze constatering kan ons in ieder geval de ogen ervoor openen, dat er een gemis leeft. Maar we weten dan toch ook, dat de Heere, door Zijn Geest,

deze kennis geven wil. God Zelf gaf Zijn openbaring in het Woord, en daar liggen voor ons ook nu nog de bronnen van kennis. Christus wordt genoemd de Waarheid en dus verschaft Hij profetisch kennis inzake de genade Gods. Een de Geest is de Geest des geloofs, Die leidt in alle waarheid. Daar mogen we het allemaal zoeken. Er zijn bronnen genoeg. Slechts waanwijsheid en eigenwijsheid zouden ons daarvan kunnen afhouden. Het zou al veel gewonnen zijn, als Laodicea zou gaan verstaan wat de Heere zegt: "Gij weet niet, dat ge blind zijt”, blind in de wegen van de Heere. Dat wil de Heere ons doen weten en dan raadt Hij ons ogenzalf aan, om te kunnen zien.

Dan kunnen we welgetroost leven en eenmaal zalig sterven.

Ik wijs ook nog op de vele goede lektuur, die er in deze tijd is. Er zijn ruime middelen, waardoor we onderwijs verkrijgen kunnen. Kijk ook maar eens in uw boekenkasten bezie of er ruimte is voor stichtelijke, opbouwende lektuur. Dan mag het gebed vervuld worden: "Ontdek mijn ogen, dat ik aanschouwe de wonderen van Uw wet”.

 

?xml:namespace>

II GROEIEN IN GENADE

 

?xml:namespace>

Naast groeien in kennis, kunnen we verder ook spreken van een groei in genade. Als Johannes getuigt dat genade voor genade ontvangen wordt uit de volheid van Christus, dan ziet dat op een toename en een vermeerdering van deze genade. Dan kunnen we spreken van een groeien in genade.

We kunnen over dit onerdeel veel onderwijs aantreffen in goede litteratuur, zoals de bekende boeken van Bunyan, de Christen- en Christinnereis, of ook in de Heilige Oorlog. Hij geeft daarin inzicht in de rijke variatie die zich voordoet op de weg der zaligheid.

Vooral Gods Woord biedt stof te over om zicht te ontvangen op de verschillende fasen en de diverse schakels in de orde des heils.

 

?xml:namespace>

toename

 

?xml:namespace>

Paulus heef op die verdieping in de genade het oog, als hij de bekende tekst neerschrijft in Filip.3:10,11: " Opdat ik Hem kenne en de kracht Zijner opstanding, en de gemeenschap Zijns lijdens, Zijn dood gelijkvormig wordende, of ik enigszins moge komen tot de wederopstanding der doden”

De apostel Paulus kende de Heere Jezus reeds. Hij getuigt daarvan op meerdere plaatsen. Op de weg naar Damascus was de Heere hem verschenen, toen Hij hem stil hield op de weg die hij ging. Hij predikte terstond Christus in de synagoge dat Hij de Zoon van God is. Hij bleef daarbij echter niet staan. Hij meende niet nu alles te hebben en daaruit verder te kunnen leven. Ondanks deze band aan

Christus, begeerde hij meer van Hem te ontvangen.

Hij kon zeggen dat hij door Jezus Christus gegrepen was (vers 12).

Hij rust daar echter niet op. "Niet dat ik het alrede gekregen heb of alrede volmaakt ben”. Er was nog zoveel meer. Er is in Christus meer te ontvangen. Inzake de kennis van Christus blijven we vaak staan bij enkele zaken, zoals het kruis van Christus; maar hier spreekt de apostel Paulus over de diepere kennis. Hij zoekt Hem te kennen in de kracht van Zijn opstanding. Dat houdt meer in dan te weten dat Jezus opgestaan is. Het betekent dat ons leven krachten mag putten uit Zijn opstanding en dat er midden in de dood van ons bestaan levensbronnen uit Hem openbaar komen. Hoe dor en doods kan een mensenziel er niet uit Zien. Midden in die doodsmachten kan nu de opstanding van Christus de mens telkens weer kracht geven. En dan ontstaat er een ander en hoger leven. Een leven voor Gods aangezicht, dat in feite de dood reeds achter zich heeft.

Als hij verder spreekt over de gemeenschap Zijns lijdens, dan bedoelt hij niet iets aan dat lijden toe te voegen, maar hij begeert nu één plant te worden met Christus in Zijn lijden. We moeten met Hem lijden om ook met Hem verheerlijkt te worden. Paulus weet dat Christus voor hem geleden heeft, maar hij zoekt nu ook te weten dat hij met Christus, in verbondenheid met Hem, het lijden van deze tegenwoordige tijd zal mogen doorstaan.

Dan krijgt het lijden een geestelijke kracht. Paulus kent het in beginsel, maar er is voortgang in die kennis. En iedere dienaar weet van zijn beperkingen en geringheid. Hij mag het Paulus wel nazeggen. Hij zal weten dat de prediking van Christus niet alleen betekent dat we Zijn naam noemen, maar dat we Hem voorstellen, uitstallen, zoals men vroeger wel zei. Christus is immers alles, en dat houdt meer in dan de vergeving der zonden alleen. We kennen de onderscheidingen, die spreken van Zijn namen en staten, Zijn ambten en naturen. Het is een voorrecht als dit alles mag worden uitgewerkt in het hart.

 

?xml:namespace>

het doel

 

?xml:namespace>

Paulus zoekt zelfs volmaakt te zijn (vers 12). Paulus gebruikt hier een woord (voor de kenners geef ik het hier weer: teteleiwmai) , dat samenhangt met het bekende kruiswoord: Het is volbracht (tetelestai). In de Griekse woorden zien we het woord telos, dat einde of doel betekent. Christus heeft aan het kruis het doel voor Hem Zelf en voor de Zijnen bereikt; daar blijft nu Paulus niet bij staan, alsof daar nu het eindpunt ligt. Christus wil nu ook verder door Zijn Geest het doel, op Golgotha reeds door Hem bereikt, in het leven van Zijn volk uitwerken en bereiken.

Ik hoorde van twee mensen, van wie de een zie: Er moet wat met

een mens gebeuren, terwijl de andere zei: Alles is al gebeurd op Golgotha. Men kan dat tegen elkaar uitspelen. Beiden hadden wel gelijk, mar beide uitspraken hebben elkaar wel nodig. Zeker is alles gebeurd op Golgotha, want Christus bereikte Zijn doel. Maar dat doel moet wel toegepast worden en uitgewerkt worden. Na het volbrachte werk van Christus wil nu ook de Heilige Geest Zijn doel, Zijn telos, bereiken in het hart van de zondaar. Dat doel is groots. Paulus noemt het de volmaaktheid. Een doel dat niet door enig mens ooit bereikt zal worden; maar de Heere heeft het doel van de volkomenheid wel gesteld om Zijn kerk in beweging te houden. Zo blijft een mens streven naar meer en naar een diepere kennis der zaligheid.

Deze verdieping behoort nu in de prediking alsook in het hart van Gods kerk een duidelijke plaats te hebben.

Als iemand naar Amerika reist en hij heeft het vliegveld van New York bereikt, dan kan hij toch nog niet zeggen dat hij Amerika gezien heeft? Hij heef dat toch wel, maar nu begint pas de ontdekkingsreis.

 

?xml:namespace>

lege vaten

 

Een mooi Bijbels voorbeeld dat onze bedoeling goed aangeeft, vinden we in 2 Koningen 4:1-7. Een arme weduwe, met twee zoons, die verkocht dreigen te worden als slaaf. De nood is hoog gestegen. Het eindigt echter in grote rijkdom: "Betaal uw schuldheer en leef bij het overige”. Hoe men dat ook opvat, het geeft de rijkdom aan van het leven des geloofs. Er is in de Heere een schat van zegeningen. Dat geldt voor allerlei natuurlijke nood. Daar mogen we het zeker ook op betrekken. De Heere gebruikt deze aardse verlegenheid om te tonen wie Hij wil zijn. Maar het heeft deze arme vrouw ook gebracht tot geestelijke volheid.

En hoe komen we nu zover, dat we niet alleen de schuld kunnen betalen, maar ook dat we leven mogen van Gods genade? De profeet geeft deze vrouw een wonderlijke raad, die ook nog voor u en mij geldt. Ze heeft nog iets in huis, dat, hoewel zeer gering in omvang, erg kostbaar en waardevol is.

Nu luidt het advies: "eis voor u vaten, ledige vaten; maak er niet weinig te hebben”. Dat is nu de gulden weg tot een bezit van geestelijke volheid. Ledige vaten aandragen. Niet weinig; hoe meer, hoe beter het zal zijn. De weg naar de Goddelijke volheid is de erkenning dat wij alleen maar lege vaten hebben. Al onze bronnen drogen langzaam maar zeker op. Hoe eenvoudig klinkt deze raad. Wat is er nu makkelijker dan lege vaten te zoeken? Er behoeft niets in te zijn. Neen, er mag en er kan zelfs niets in zijn. Wie mag gaan zien dat alles ontledigd is, dat alle eigen bezit verdwenen is, die ontvangt van de Heere een overvloed aan gaven. Dat is de weg tot de zegen. Alleen ledige vaten kunnen vervuld worden.

Deze weduwe schenkt net zo lang, totdat alle vaten vol zijn. Hadden er nog twintig gestaan, dan zouden die ook nog gevuld zijn geworden. De Heere geeft precies zoveel als we hebben kunnen en nodig hebben. En het is altijd genoeg; ze kan er ruim van leven.

Zo mogen juist arme zondaren een weg zien tot de volheid van Pinksteren. U behoeft er niets bij te voegen. De Heere vraagt dat we met onze ledigheid tot Hem komen. Dat is de ruimte van het Evangelie. U en ik, wij werken juist andersom. Wij zoeken volheid in onszelf, we denken dat de vaten van geloof en bekering, van liefde en blijdschap vol moeten zijn uit eigen middelen. Maar de profeet geeft een betere raad. Deze rijkdom van een zo arme vrouw is ook nu nog te krijgen. De Heere geeft het aan armen uit gena.

 

?xml:namespace>

de Geest

 

?xml:namespace>

Als we een andere plaats uit Gods Woord mogen noemen, denk ik aan Romeinen 8:15,16. Het gaat daat om de Geest der aanneming, door Welke wij roepen: Abba, Vader. In grote rijkdom getuigt die Geest met onze geest, aldus de apostel, dat wij kinderen Gods zijn. Hier worden bronnen van volheid en zekerheid aangeboord. Hoe geweldig rijk is het volk dat dit geklank kent. Hoevelen gevoelen hier een gemis, omdat ze de vastheid missen, die hier genoemd wordt.

Paulus stelt tegenover de Geest der aanneming de Geest der dienstbaarheid wederom tot vrees. Die hebt gij niet ontvangen, zo zegt hij. Hij doel hier op de gesteldheid van het volk tijdens het Oude Testament. Die dagen zijn voorbij, alhoewel het schijnt, dat we vaak nog teruggezet zijn in dit tijd. Vrees en dienstbaarheid houden Gods kerk soms gevangen. Hoe kan dat nu? Waar ligt dat aan? De Geest der dienstbaarheid doet denken aan de bediening der wet. De gemeente der Galaten toont ons dat men kan terugvallen in de werken der wet. Dan ontstaat er vrees en dienstbaarheid, dan wordt Gods toorn opnieuw gevoeld, dan komt de kracht der zonde te meer openbaar. Levend uit de volheid, is er een tweeërlei getuigenis, namelijk dat van de Geest en dat van onze geest. Er is een direct spreken van de Heilige Geest door het Woord in het hart, terwijl ook het eigen hart en de eigen geest geuigen mogen van wat de Heere in het leven gedaan heeft. Dan mag er geroemd worden in de grote werken Gods. Hoe vast ligt dan alles in Christus.

In zijn boek: "Groeien in de genade”, noemt Andrew Murray enkele teksten die wel heel duidelijk aangeven, welk een volheid er is in Christus. Ik noem er enkele uit zijn boek: 2 Cor. 9:8, waar we lezen: "En God is machtig alle genade te doen overvloedig zijn in U, opdat gij in alles te allen tijd  alle genoegzaamheid hebbende, tot alle goed werk overvloedig moogt zijn”. Hier wordt de genade zonder enige beperking aangegeven. Wat zou Gods kerk hiervan rijk kunnen leven en wat zouden we minder de dingen van deze wereld nodig hebben, om ons daarmee bezig te houden. Verder wordt genoemd de bekende tekst uit Johannes 1:” Uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, genade voor genade” (vers 16). In 2 Petrus 1:2 spreekt de apostel over de vermenigvuldigde genade. In 1 Petrus 4:10 gaat het over de menigerlei genade Gods. Zo zou er ongetwijfeld meer te noemen zijn.

 

?xml:namespace>

onze tijd

 

?xml:namespace>

Hiertegenover lezen we nu dat de profeet Hosea van Israel getuigt dat men in de kindergeboorte is blijven steken (13:13). Dan komen we op het reeds gesignaleerde, dat men liever blijft leven op melk, dan op vaste spijs. Denk aan een patient na een operatie, die de eerste dagen slappe kost krijgt. Zo kan het ook geestelijk zijn. We mogen opmerken dat er zeker nog wel beginselen van het geestelijke leven onder ons gevonden worden en daar mogen en moeten we dankbaar voor zijn. De Heere werkt nog, ook onder jonge mensen. Maar anderzijds klagen zo heel velen over een gebrek aan zekerheid en over geestelijke dorheid, zelfs over geesteloosheid. Dat heeft te maken met de geestelijke stand. De Pinkstergeest heeft echter de stromen van Gods genade getoond in de dagen van Zijn uitstorting, en deze volheid werd reeds voorzien door de profeten vanouds; denkt u aan Ezechiel, die de tempelstroom ziet uigroeien van een enkele druppel tot een beek, waarin men zwemmen moet. Deze stroom groeit almaar aan; is dat uw ervaring, als het gaat over de bediening van Gods Geest in uw leven?

Waarin bestaat nu deze groei in de genade? Hoe ontwikkelt zich nu de weg van Gods kerk? Er zijn in de Schrift voorbeelden te over in concrete mensenlevens, die ons daar iets van laten zien.

Ds. van Reenen schreef zijn boek over de woestijnreis, en ongetwijfeld geeft deze periode uit Israel’s geschiedenis iets weer over de weg van Gods kerk. Waarom zou deze reis anders zo uitvoerig in de Bijbel beschreven staan? De Heere wil ons ook op deze manier iets laten zien van de praktijk der godzaligheid. Als we het leven van Abraham bijvoorbeeld bezien, dan ligt daarin een zekere voortgang. Eerst de uitleiding uit Ur, en daarna het leven door het geloof. De zijweg, als hij denkt dat Hagar de weg van de Heere is, terwijl echter geleerd moet worden dat Sara hem de beloofde zoon zal baren. Als we de lessen daarvan mogen zien, ook in het licht van Galaten 4, dan heeft dat de bedoeling om ons te tonen hoe verschillend men leven kan uit de beloften Gods. Gods Woord geeft de bevinding der heiligen weer. Het ene thema wordt rijk gevariëerd uitgewerkt.

Ik denk hier nu met name aan enkele vragen, die de laatste tijd hier en daar aan de orde zijn gesteld. Onlangs verscheen een boekje van Prof. Blauwendraad met de sprekende titel: "Het is ingewikkeld geworden”. De schrijver is juist van mening dat de weg te moeilijk wordt voorgesteld in veel preken. Te veel stations en te veel onderscheidingen, en dan vooral getekend als een "must”, als een wet. Er wordt dan een schema gemaakt van de heilsorde.

He door hem gesignaleerde zal zeker voorkomen en het is op zijn plaats daartegen te waarschuwen. Zijn vermaan mag vooral gehoord worden als men allerlei zaken voorstelt als een noodzaak, als een

menselijke voorstelling wordt gemaakt tot dè weg. Dat gebeurt wel.

Maar wordt dan juist niet het goede hieruit te weinig belicht? Het goede is toch dat Gods kinderen inderdaad staan voor een volheid van genade. Blauwendraad geeft dan op zijn beurt een wel erg eenvoudige, om niet te zeggen, een versimpelde voorstelling van deze zaken. Daarin zou men terecht kunnen zoeken naar verdieping en uitbouw van het fundament. Het is daarom jammer dat dit boek zo geschreven werd. Men zou, als men de schrijver verkeerd begrijpt, kunnen menen dat allerlei bevinding al heel snel riekt naar een strak systeem. We nemen nota van het dreigend gevaar, dat wel, maar we houden vast aan de rijkdom van de weg der zaligheid, zoals die beleefd mag worden en gepreekt moet worden.

 

?xml:namespace>

 

?xml:namespace>

Jakob

 

?xml:namespace>

In dit verband noem ik ook een boekje van ds. A. Moerkerken over "Bethel en Pniël, waarin gehandeld wordt over standen in het genadeleven.

Prof. van ’t Spijker gaf onlangs in "De Wekker” hiervan een recensie. En ook hierin wordt gewezen, en dat is goed, op het dreigende gevaar van systematisering. Zeker kunnen de vele onerscheidingen verwarrend werken en velen onrustig maken. Toch is het zonneklaar, dat Jakob in Bethel iets anders beleefd heeft dan in Pniël. En het heeft zeker ook te maken met de weg, die ook nu nog wordt beleefd door Gods kinderen. Het gevaar dreigt om onze huidige bevatting van de wegen die de Heere met de Zijnen houdt, in te dragen in de Heilige Schrift. Voor dat gevaar moet men altijd op de hoede zijn. Wellicht is ds. Moerkerken aan dat gevaar niet helemaal ontkomen. Dat gebeurt sneller dan men denkt.

De invulling dus is niet gemakkelijk en zal heel verschillend geboden worden. Dit kan alleen goed gaan, als men heel nauwkeurig en zorgvuldig de Schrift laat spreken. En dan is het zeker een verrassing, dat lijnen van nu toch ook weer terug zijn te vinden in Gods Woord, zodat de actualiteit van Gods Woord ook nu nog duidelijk blijken mag. Zo ontstaat een schriftuurlijk-bevindelijke prediking. Dan komt de rijkdom van Gods wegen temeer uit. In het boekje van Moerkerken wordt gepoogd aan te tonen dat de wegen van de Heere in wezen stees weer dezelfde zijn, al zijn de tijden anders. Mits met respect gedaan en ondernomen, kan op die wijze de rijkdom van Gods menigvuldige genade te meer blijken.

Het gaat mijns inziens dan wat ver, als van ’t Spijker verwanschap ziet tussen Moerkerken en de moderne theologie. Het idee is bij

meerderen opgekomen, dat hier zeker wel verwantschap zou kunnen bestaan. Dat zou ook best kunnen, want overal komen dezelfde kwalen voor en het ongeloof hult zich in allerlei gedaanten. Maar een groot verschil is toch wel dat Moerkerken vasthoudt aan de integrale inspiratie van de Bijbel, terwijl de moderne theologie dat niet doet. Van ‘t Spijker zegt ook in zijn bespreking, dat men beter maar kan spreken over de staat dan over de standen van Gods volk. Dat is een goede zakelijke opmerking; ook in geestelijke dingen moet men zakelijk zijn, in onderscheid van allerlei gevoelsmatige onderscheidingen. Maar het een sluit toch het andere niet uit? Ligt het niet in de lijn van wat Paulus uitroept in Efeze 1:17-19 en ook in in 3:16-21 om te spreken over standen van het leven met de Heere? Over de vele wegen, waarop de Heere leidt? We zeggen dan niet dat alle bomen eikebomen moeten zijn en dat alle vissen even lang moeten zijn. Er is variëteit. De grootheid Gods komt toch uit in de veelkleurigheid van Zijn schepping? Kunnen we zo juist het boekje van Moerkerken ook niet opvatten, als we de bedoeling van de schrijver verstaan?

Prof. van ’t Spijker spreekt ook over het verband tussen heilsgeschiedenis en heilsorde. Hiermee wordt gedoeld op de vraag of de weg der discipelen bijvoorbeeld ook nu nog de weg van de gelovigen is. Dat verband, wat wel bestaat, is moeilijk aan te geven. Ik kom hierop later graag nog terug.

Hij komt uiteindelijk gelukkig ook tot de conclusie dat de door Moerkerken genoemde zaken voor velen terra incognita (onbekend land) geworden zijn. Men kent deze accenten niet meer en dat leidt tot oppervlakkigheid. Hier komt hij dus heel dichtbij de bedoeling van Mowerkerken en van deze brochure, waarin aangegeven wil zijn dat het genadeleven veel meer inhoudt, dan door ons met elkaar wordt gedacht en beleefd. We pleiten niet voor een dwingend en dodelijk systeem, maar wel voor de menigerlei genade Gods.

 

?xml:namespace>

vaste route?

 

?xml:namespace>

Ik noemde reeds bepaalde levens van vromen, zoals deze in de Bijbel ons worden getekend. Zijn hier nu voorbeelden gegeven voor ons allen? Hoe ligt dit bijvoorbeeld als we nadenken over de heilsfeiten? Betekenen deze echte markeringen op de weg naar de hemel? Het was soms heel gebruikelijk dat men er zo over sprak: Christus moet geboren worden in je hart; of de vraag werd gesteld: Is het al Pasen voor u geworden?

Het is uiteraard zonneklaar dat in de Heilige Schrift de heilsfeiten gemeld worden, maar ook dat er betekenis voor het geloofsleven aan wordt gehecht. Dat spreekt geheel voor zichzelf. Nadenkend over de reeks heilsfeiten, zoals deze de grote momenten in het leven van de Zaligmaker aangeven, mogen we toch zeggen dat deze feiten worden uitgewerkt in mensenharten. Het zou niet moeilijk zijn om bij deze grote daden des Heeren plaatsen uit de Bijbel te noemen, die er een bepaalde geestelijke zin aan geven. De kennis van Christus zou al geweldig winnen aan diepte, als de specifieke betekenis van Kerstfeest en Pasen, sterven en hemelvaart geestelijk zouden mogen worden gekend.

Laat het echter nooit zover komen, dat we gaan stellen dat de Zaligmaker werkelijk geboren moet worden in het hart, zodat er bijna een bepaalde herhaling plaats vindt, waarbij de stal van Bethlehem dan een werkelijke uitbeelding wordt van het menselijke hart. En laten we ook waken voor de sleur van een vaste route, waaronder de afwisselende belichting van Gods Woord kan worden bedolven.

Moeilijker is de vraag of de weg der discipelen, die grotendeels parallel loopt met het leven van de Heere Jezus, nu ook een zeker model aangeeft voor onze geloofsweg?

Waarom spreek ik van "moeilijker”?

Omdat de discipelen ongetwijfeld leefden in een andere heilsbedeling dan wij. Zij leefden op de grens van het oude en het nieuwe verbond. Dat kan zo op die manier van ons heden niet zonder meer gezegd worden. Zij waren onbekend met het lijden en sterven van Christus; wij weten uit het Woord dat dit alles moest gebeuren.

Het is wel waar dat ook wij dit alles geestelijk moeten leren, maar er bestaat toch ongetwijfeld verschil tussen hun situatie en de onze; evenals er ook een groot verschil bestond tussen de kennis van Abraham en die van de discipelen.

In bepaalde kringen, waar men met voorliefde spreekt over de heils-historische prediking, zal men niet spoedig een sterk verband willen zien tussen het leven van de discipelen en onze beleving. Nu moet ook heel precies nagegaan worden wat de betekenis van elke tekst is geweest voor de tijd waarin deze werd gegeven. Dan blijken de verschillen tussen hen en ons voldoende.

Toch is het de vraag of er niet sprake kan en mag zijn ook van een weloverwogen heilsordelijke toepassing van deze Bijbelgedeelten.

Welke betekenis ligt er anders in voor de kerk van nu? Wat hebben wij anders te maken met de gang van de vrouwen naar het graf? In elke preek over deze zaken zal toch, hoe dan ook, een toepassing gemaakt worden voor de mens van nu. Dus lijkt het me niet verkeerd om ook in heilsordelijke zin een lijn te trekken van de discipelen naar ons, zodat hun belevingen en ervaringen lijnen aangeven, die ook voor ons nog van betekenis zijn.

We zien dat heel duidelijk in het leven van Petrus. Deze discipel van Christus heeft een tijd gekend, waarin hij, ondanks de echtheid van zijn nieuwe leven, toch feitelijk nog helemaal leefde uit zichzelf. Hij zou de zaak van Jezus redden. Als hij Malchus een oor afslaat, is dat een zeker teken van het feit, dat hij staat voor zijn zaak. Hij meent het echt, als hij zegt: Ik zal mijn leven voor U zetten. Maar kort daarna verandert alles. Dat gebeurt als de Heere hem duidelijk maakt dat hij zijn zwaard moet terughouden. Dan weet hij het niet meer. Dan moet hij toch leren dat zijn heil niet afhangt van zijn ijver, maar van het borgwerk van de Heere Jezus.

Deze fundamentele les moet ieder van Gods kinderen leren. De omstandigheden zijn misschien heel anders, maar de zaak zelf is nodig voor ons allen. Wat kunnen degenen die de Heere mochten liefkrijgen, soms roemen in eigen werken. Ze steunen heimelijk op hun eigen gestalten, ze hebben voornemens om de Heere volkomen te dienen, ze kunnen zich niet indenken dat ze ooit zouden vluchten, ze ervaren de sterke drang van Gods liefde in hun hart. Er is een tijd dat we gronden zoeken en vinden in onze eigen ziel. Maar zo kunnen we nimmer behouden worden. Behoud is alleen te vinden in het bloed van Christus. Daar ligt de enige redding. Alles buiten Hem moeten we schade en drek leren achten.

En hoe kan dat ooit? We houden immers allemaal van nature, maar ook na ontvangen genade vast aan onze eigen middelen? Er is zelfs verzet en vijandschap tegen Christus in het hart. "Hij was veracht en wij hebben Hem niet geacht”. De zaligheid in Christus kunnen we nu alleen leren als we omvallen met onze eigen naam en roem. Als onze kracht zwakheid wordt, als onze gronden vermolmd raken, als onze tranen opdrogen, als onze bevinding verdort en als onze liefde verkilt. Dan ontvalt alle hoop en blijft er een vaste en zekere grond over buiten het eigen hart.

Dat is de weg van Petrus geweest; dat is ook de weg nog van Gods kinderen. Dat is fundamenteel. Denk aan de bekende regels: "Eens waart Gij niets, ik was toen al”. In een volgende fase sprak de dichter: "Gij werd toen iets, maar ik bleef veel”. Nog weer later veranderde er weer iets: "Toen werd Gij veel, toch bleef ik iets”. Het slot echter luidt treffend: "Toen werd ik niets, en Gij werd al!”

Verder kunnen we zeggen dat de discipelen voor Pasen vooral Christus mochten kennen als Profeet en als Koning, terwijl zij later bij het kruis Hem meer als Priester leerden zien. Zo zouden er meer lijnen te trekken zijn. Deze weg der discipelen is niet een vast traject voor ons, maar wel een spoor, waarin ook wij gaan, om te mogen leren wie Christus zijn zal voor de Zijnen.

 

?xml:namespace>

eigentijdse beschrijving

 

?xml:namespace>

Nadat we zo vanuit Gods Woord allerlei onderwijs heben gekregen aangaande de wegen waarop de Heere de Zijnen leidt, mogen we ook aandacht geven aan de leidingen van de Heere met Zijn volk in deze tijd. In "De stille luyden” heeft dr. CG. Graafland een hoofdstuk geschreven over een aantal bekeringsgeschiedenissen, zoals deze geschreven zijn in de laatste eeuw. Het is boeiend te lezen welke geestelijke momenten door diverse personen uit het verleden beleefd werden. Graafland is op zijn tijd kritisch en dat is niet verkeerd, maar ik meen toch ook respect te bespeuren in zijn bespreking ervan. Hij spreekt wel van "bevindelijke scholastiek”, maar daarmee velt hij zeker niet alleen een afwijzend oordeel.

Wat hier in deze verhalen voorkomt, vinden we zo in deze vorm niet bij Calvijn, zo merkt Graafland op. Beza heeft in zijn Tabel de bevindingen meer in kaart gebracht.  William Perkins deed dat later ook.

Wat we hier aantreffen, is diverser en gedetaileerder dan de gegevens uit de H. Schrift. Toch kunnen we niet ontkennen dat er wel lijnen lopen naar plaatsen uit Gods Woord. Het zijn geen buitenbijbelse dwaalwegen, waarover deze mensen spreken, al zijn er zeker wel uitwassen en uitglijdingen. Deze wegen zijn ook niet op een lijn te stellen met de doperse voorvallen, zoals deze bijvoorbeeld voorkomen in deze tijd in Pinksterkringen.

Graafland begint te wijzen op de toeleidende weg. Een heel moeilijk onderwerp. Wat is nu inleiding en toeleiding, en wat is nu wezenlijk? Warneer is men nu door de poort en wanneer nog net niet? Men was daar in gezelschapskringen veelal heel voorzichtig in. Maar ongetwijfeld kunnen we anders dan Rome spreken van "gratia praeparans” (voorbereidende genade, een Roomse term), voorafgaande overtuigingen. Een bijbels voorbeeld hiervan kunnen we vinden in Johannes 4, het gesprek van Jezus met de Samaritaanse vrouw. Deze vrouw komt niet direkt tot de volle overtuiging van Christrus, maar ze wordt stap voor stap daarheen geleid.

Graafland spreekt van een zekere ambivalentie in deze bekeringswegen; men is wel Sodom uitgeleid, maar men is toch nog niet  binnen de muren van Zoar. Denk maar aan de vrouw van Lot en aan het volk Israel in de woestijn. Heeft ook de Heere Jezus niet gemaand tot voorzichtigheid, als Hij klemmend aantoont wat het gebrek was van de vijf dwaze maagden? Of als we horen in de Zaaier van allerlei geestelijke beweging, terwijl toch dit nog niet zaligmakend is? Het is goed en wijs om alelrlei zaken uit het begin te laten overzomeren en overwinteren.

 

?xml:namespace>

ellende

 

?xml:namespace>

Inzake de kennis der ellende ging men grondig te werk. Men legde daarop sterke nadruk. Het is van belang daarin het proces van de geestelijke groei op te merken.

Groeien in de diepte heeft te maken met dieper wortelen. Men kan overtuigd worden van allerlei zonden, van allerlei persoonlijke zonden, waaraan de Heere ontdekt. Het gaat verder als we kennis ontvangen van zonde; al spreken we hier van een enkelvoud, toch ligt hier een grotere diepte, omdat zonde spreekt van het feit dat we niet alleen zonden doen, maar ook dat we zonde zijn. Dat bepaalt ons bij de zondige aard. Hier ligt duidelijk een verdieping, een groeiproces inzake de kennis der ellende. Het zijn geen onbekende klanken voor hen, die door Gods Geest geleid worden. He is tot schade, als men dit alles zou verwaarlozen of ontkennen.

Men legt in allerlei bekeringswegen sterk de nadruk op de kennis van onze val in Adam. Het is niet eenvoudig om dit in het juiste licht te zien. Gods Woord legt daarop geen sterke nadruk, al moet wel ingeleefd worden de diepte van onze val. Gods Woord spreekt op bijzonder weinig plaatsen over de val in Adam. Men mag hier dan ook geen eis stellen, alsof dit pas een kenmerk van het echte is. Maar Gods Woord stelt Christus tegen de achtergrond van Adam, en in die zin is de val in Adam een belangrijk gegeven van zeer verstrekkende en fundamentele betekenis. Men drukt deze kennis der ellende vaak uit aan de hand van een natuurlijk beeld: neerwaarts wortelen en opwaarts vruchten voortbrengen. Groeien omhoog betekent ook groeien omlaag.

Er bestaan verder in de wegen van Gods volk allerlei onderscheidingen, die belangrijk zijn. Men zondigt niet alleen in het bedrijven van allerlei kwaad, maar ook in het nalaten van het goede. Men zondigt in gedachten, woorden en werken; er zijn bewuste en onbewuste zonden, heimelijke en verborgen zonden. In het kader van de grootheid der genade Gods, is het belangrijk dat men verenigd wordt met de weg der ontdekking. We moeten onze ellende recht en grondig kennen, om gefundeerd te worden in het heil van Christus.

 

?xml:namespace>

verlossing

 

?xml:namespace>

Als de verlossing doorbreekt, ligt hieraan toch ook weer een groeiproces ten grondslag. Men komt niet aanstonds tot de volle kennis, zodat men het nu verder wel weet. Nee, men sprak van een leven in en uit de belofte, terwijl "de zaak zelf” nog niet bekend was. Hiermee wordt gedoeld op de persoonlijke beleving van de rechtvaardigmaking. Daarin zocht men de zaak, dè grote zaak. Men vond geen echte rust, aleer dat beleefd mocht worden.

Is zulk een onderscheid gerechtvaardigd? Ook als men verder spreekt over een geopenbaarde en een toegepaste Christus? Heeft het te maken met de uitgaande en de wederkerende daad des geloofs (Comrie)? Belangrijke vragen, waarop het antwoord niet zo maar gegeven kan worden. Het zou niet goed zijn, lijkt me, om hier een vast schema van te maken. Daarvoor vinden we voor deze onderscheidingen in Gods Woord te weinig grond. Maar als we denken aan de taal van onze Heidelberger (schenken en deelachtig maken bijvoorbeeld), dan lijkt het mij niet vreemd en ongepast om hier verband en aasnsluiting te vinden bij deze weg der vromen. Men bedoelt te zeggen: er ligt een groeiproces. Er is onderscheid tussen belofte en vervulling. Er is onderscheid in de mate der persoonlijke beleving. Het geloof kan bestaan in het nemen van de toevlucht tot God in Christus, terwijl het geloof ook zekerheid en vastheid in zich sluit. Daar zijn Bijbelse voorbeelden genoeg voor te vinden.

Men kan zeggen dat nu juist die beleving niet de doorslag geeft en dan heeft men volstrek gelijk. Maar is het geloof los te maken van de beleving? Het geloof is toch gebaseerd op hetgeen God uitwerkt in het hart, vanuit de kracht van Zijn Woord? De bloedvloeiende vrouw kreeg een tweevoudige troost: eerst haar genezing, en daarna de goedkeurig van Christus. We zouden ook kunnen zeggen: eerst een verholen en een schijnbaar gestolen zegen, en daarna een wettige zegen. Het vergroot de rijkdom om deze fasen te onderkennen.

Het was ook in deze kringen heel niet vreemd om te spreken van de specifieke zegen van de kribbe, of van het kruis. Dat gaf onderscheid aan in de kennis van de Heere Jezus. Wordt door al deze accenten de rijkdom niet groter? In de prediking worden deze dingen toch ook onderscheiden? Waarom zouden we het dan niet ook onderkennen in de persoonlijke beleving?

 

?xml:namespace>

rechtvaardiging

 

?xml:namespace>

Graafland vermoedt piëtistische bijmengselen in het spreken over de rechtvaardigmaking en er kan volgens hem gesproken worden van een momentelijke en een stereotype belevingsvorm, die niet op elke bladzijde van de Bijbel te vinden is. Stereotiep is dan de gedachte van de rechtbank, die steevast in deze beschrijvingen voorkomt. Is hier ook niet sprake van een onderlinge beinvloeding? Mij persoonlijk valt vaak op dat de rechtvaardigmaking in de vierschaar der con-sciëntie in een bepaald tijdvak sterk op de voorgrond trad, terwijl daarna een grote stilte is ingevallen, overigens ook weer niet zonder schade en verarming. Deze beleving treft men zeer zeldzaam aan, en misschien zelfs is dèze vorm van de bevinding der rechtvaardigheid in Christuswel geheel afwezig in deze tijd. De Bijbelse voorstelling van de rechtvaardigmaking is breder en anders dan die welke deze vromen mochten bespreken en beschrijven, en daardoor is het mogelijk dat er in bepaalde perioden ook bepaalde accenten vallen.

Helaas missen we in deze tijd ook vaak de bekendheid met het feit van de bewuste rechtvaardiging door het geloof als als bron van persoonlijke heilszekerheid, met alle vruchten daarvan. Het getuigde van groei als men dan sprak van iemand, die zijn schuld kwijt was en wiens zonden waren vergeven.

Wat was nu de waarde van deze beleving in de vierschaar? Men legde de klemtoon op liefde tot Gods recht. Men moest Gods recht meer lief krijgen dan de eigen zaligheid. Zo werd het gesteld door Thomas Hooker, door Sheppard en de Labadie, als een werkelijke wet. Overigens werd dit weersproken door mannen als Koelman en Brakel.

Ook hier zeggen we weer: geen wet en geen dwang, welke ook in de Catechismus ontbreekt. De Heidelberger blijft toch doorvragen naar verlossing (is er enig middel? [zondag 5]). Wel wordt erkend het rechtvaardig oordeel Gods, waardoor wij tijdelijke en eeuwige straf verdiend hebben, maar men zoekt toch verder naar de weg der verlossing. Het geeft de waarde aan van deze accenten, als we horen van een vrede met en een overgave aan een rechtvaardig God. Hooker heeft daar te zware accenten aan verbonden. Men hoede zich daarvoor. Maar als Jona overboord gaat, billijkt hij daarmee Gods rechtvaardig oordeel. Dan krijgt men een welgevallen aan de straffen der ongerechigheid . Luther sprak het ook uit: Het ware berouw heeft de straffen lief. Deze accenten zijn rechtmatig en geven diepte aan de geestelijke geloofsoefening. Men spreekt dan van de afsnijding en wie daar iets van heeft mogen zien, is in beginsel verlost van een zware tegenstand in zichzelf tegen de weg der genade. Men wordt immers zo zwaar gehinderd door de verstokte neiging om altijd maar weer gronden in zichzelf te zoeken.

 

?xml:namespace>

verkiezing

 

?xml:namespace>

Graafland merkt, verdergaande, in deze wegen zaken op als het kindschap, waarvan men dan zei dat iemand een thuiskomen had en het vaderhart van God had leren kennen.

De weg verder overziende mogen we ook denken aan de kennis der verkiezing, die door vele vromen werd ontvangen en geleerd. Men vond daarin geen schrik meer, maar veel troost. Het versterkte het fundament der zaligheid. In de eerste aanvangen van de geloofsweg kan de verkiezing zo verschrikken. Maar het getuigt van groei, als we de vastheid van het Goddelijk welbehagen mogen leren kennen.

De beperktheid van deze beleving der vromen komt daarin zeker uit, dan de heilgmaking in deze verhalen niet nadrukkelijk aan de orde komt. Graafland wijst hier ook op. We moeten hem hierin bijvallen en dat is inderdaad een schaduw, die over het geheel valt. He kan aanduiden dat men toch in deze wegen teveel geconcentreerd is op de eigen weg en de eigen positie, terwijl de eer van God, niet steeds en overal goed uit de verf kan komen.

Laten we deze verhalen zo bezien. Als uitbeelding van Gods rijke veelkleurige genade èn tegelijk als uitingen van menselijke beperktheid.Er ligt een helder proces van geestelijke groei aan ten grond

slag, als mogen we deze wegen niet zien als absoluut normatief, maar veel meer als een variatie inzake de menigerlei genaden Gods. Normatief is alleen Gods Woord! Wij menen wel dat hier veel te leren valt.

Zo stonden we stil bij datgene wat de Schriften ons meedelen aangaande geestelijke groei.

 

?xml:namespace>

 

?xml:namespace>

III GROEIEN IN HEILIGHEID

 

?xml:namespace>

Groei in het natuurlijke leven doet op zichzelf al sterk denken aan de vruchten, die hopelijk eens zullen verschijnen. De schepping groeit heen naar de vruchten. Gedurende de zomer wast alles aan, opdat in de nazomer de vruchten zichtbaar mogen worden.

Ons onderwerp heeft dus een sterke verbondenheid met de heiliging. Er zijn, zoals reds werd iopgemerkt, drie beelden in de Schrift, die deze natuurlijke groei uitbeelden. Deze komen vooral me het oog op de heiligmaking aan de orde. Ik noem dan eerst de groei van een korenaar, zoals de Zaligmaker daarover sprak (Mark.4:26-29).

Een ander beeld, dat groei symboliseert, treffen we aan in die teksten, die spreken over de groei van het menselijke lichaam (Ef.4:14,15). Vervolgens wordt er ook aandacht gegeven aan de opbouw, het opwassen van een gebouw, dat langzaam maar zeker heengroeit naar de uiteindelijke vorm van de tempel voor de Heere (Ef.2:21; 1 Petr.2:5).

Christus geeft Zelf aan welk proces er ten grondslag ligt aan de groei in de natuur. Het zaad valt, en dan is er eerst het kruid, daarna de aar, daarna de volle aar. Typerend lezen we: "en als de vrucht zich voordoet, terstond zendt Hij de sikkel daarin, omdat de oogst daar is”.  Een duidelijk beeld van geestelijke groei. Als de vruchten er zijn, neemt de hemelse oogst een aanvang, terstond. Gods kinderen sterven, als zij in deze vruchten hun bestemming hebben bereikt. Daar gaat alles om.

 

?xml:namespace>

natuur

 

?xml:namespace>

Het gehele groeiproces begint met het zaad, het gezaaide Woord, dat valt en ontkiemt in het menselijke hart. Het kruid, een teer uitspruitsel, dat broos en zwak lijkt, maar in feite uiterst gevoelig is voor wind en regen en zon. Dat behoor bij deze fase: gevoelig voor allerlei indrukken, voor de stem van de Heere en de bediening van Zijn Geest en de invloeden van allerlei mensen eromheen.

Daarna komt de bloesem, waarin we de schoonheid van het geestelijke leven mogen zien. Schoonheid, maar niet zozeer nog nut. Deze schoonheid bestaat en wordt gezien. Deze is echter dienstbaar aan de vruchten, die eerlang zullen volgen. Inderdaad, een bloeiende ziel in de hof van Gods kerk kan jaloers maken om de Heere te dienen. De Heere Zelf getuigt het: Uw gedaante is liefelijk!

Een volgende fase in de natuur is de vorming van de aar, voordat de vrucht zich openbaart. Dat is bij een ander Bijbels beeld, dat van de wijnstok, ook duidelijk zichtbaar. De tere takjes gaan zich gaandeweg meer vormen tot stevige dragers, waar straks de vruchten aan komen te hangen. De groeiende halm moet de zwaarte van de vele korrels straks kunnen dragen.

Tenslotte is er de volle aar, de volle vrucht, die ook weer heel verschillend kan zijn. Het is duidelijk: appels groeien er niet in de meimaand en bloei is er niet in oktober. Alles komt op zijn tijd, op Gods tijd. Alle dingen zijn ook schoon gemaakt op zijn tijd.

Het is treffend, hoezeer deze stadia uit de natuur terug te vinden zijn in het levensboek van Gods kinderen.

 

?xml:namespace>

lichaam

 

?xml:namespace>

Dat zien we ook bij het tweede beeld, dat van het menselijke lichaam. Een klein kind groeit. Dat is een levenskenmerk. We kennen dat allemaal min of meer van nabij. Paulus getuigt er ook van, als hij zegt: "Toen ik een kind was, sprak ik als een kind en was ik gezind als een kind, overlegde ijk als een kind; maar wanneer ik een man geworden ben, zo heb ik teniet gedaan hetgeen eens kinds was” (1 Cor.13:11’ zie ook 1 Joh.2:12-14).

Er zou over dit beeld veel te zeggen zijn. Een kleine kind kan niet denken, spreken, begrijpen en leven, als een volwassene van vijftig jaar. Toch is dat pasgeboren kind voluit een mens. Maar welk een groot verschil. Alles is er in aanleg reeds aanwezig. Hoe nietig en gevoelig is het pasgeboren menselijke leven. Geen schepsel is er bijna, dat zo lang afhankelijk blijft van de moeder. Zo kan men geestelijk leven bezitten. Het kan zijn dat men allerlei zaken niet duidelijk ziet. Wel dat ene, dat door de blindgeborene werd verwoord: "Een ding weet ik, dat ik blind was en nu zie” (Joh.9:25). Veel vragen kon deze man niet beantwoorden. Men vroeg hem naar de persoon van Jezus, maar hij kon daar nog geen goed antwoord op geven. Toen de Heere Zelf hem vroeg of hij geloofde in de Zoon van God, wist hij evenmin te zeggen Wie Deze was. Toch was er wel een wonder gebeurd. Niemand ontkent toch, dat een pasgeboren kind een mens is, tenvolle een mens. In geestelijk opzicht ontkent men dat nog wel eens. Maar dat wordt weersproken door de Schrift.

Maar we merken anderzijds wel op, dat het kind zijn geen doel op zichzelf is. Het gaat erom, dat dat kind leert lopen, denken, spreken en funktioneren. Dat hij kennis ontvangt van de drieënige God en van de onderscheiden wegen, die de Heere met hem gaat. We zien dit ook mooi in de geschiedenis van die andere blinde, die eerst de mensen als bomen ziet wandelen, maar daarne hen allen ziet "ver en klaar” (Mark. 8:22-26).

Het volwassen, gerijpte leven heeft grote waarde. Mensen in de kracht van hun leven, zijn aktief betrokken bij de levensvragen. Denk er maar aan hoe Johannes schrijft aan de vaders. Zelfs de ouderdom kan dan een heel schone periode zijn. Ook in geestelijk opzicht. In het natuurlijke leven lijkt het erop, dat ouderen vaak niet meer zo meetellen. Het bejaardenhuis heeft daaraan meegeholpen. Toch zouden we meer en beter gebruik moeten maken van de levenservaring van de ouderen. Dat geldt dan zeker wel van het geestelijke verstaan der dingen. Paulus wist ervan dat hij een man geworden was, ook in zijn verhouding tot de Heere. Men mist misschien wel bepaale gevoelens vanuit de jeugd, maar er is een vaste gang en een geoefende kennis wat betreft de omgang met de Heere. Psalm 92 spreekt over hen die in het huis des Heeren geplant zijn. Dat begin en beginsel is nodig. Vandaaruit zullen zij in de grijze ouderdom nog vruchten dragen.

Het gebouw dat opwast tot een tempel, wordt steen voor steen aangebracht. Een lang proces ligt ten grondslag aan het bereiken van het uiteindelijke doel. Sierlijke en minder sierlijke stenen worden aangevoerd en ingevoegd. Stenen van allerlei afmeting en grootte ziet men rond de bouwplaats liggen. Samen worden deze bijeengebracht tot iets moois. En het doel ligt in God. Het wordt geen huis, maar een tempel. Een tempel, geheel nuttig tot de dienst van God.

Het bouwproces brengt veel met zich mee. Wat heeft de Heere een werk om ieder van Zijn volk in te voegen en wat moet er dan niet een bewerking plaats hebben.

                       

wijnstok

 

?xml:namespace>

Treffend is verder in de Schrift het beeld van de wijnstok. Het is een rijk beeld, want er is veel te leren. Met name als het gaat om de onderlinge betrokkenheid  van wijnstok en ranken. Hoe komen de ranken aan de nodige sappen? Trekt de rank die op, of stuwt de wijnstok deze omhoog, naar de ranken? Wie een wijnstok volgt in het proces van zomerse groei, bemerkt dat er een buitengewwoon sterke sapstroom opklimt vanuit de stam naar de ranken. Het is de wijnstok, die door zijn kracht de ranken voorziet van de levensstromen. Alles gaat van Christus uit. Toch worden de discipelen vermaand in Hem te blijven en veel vrucht te dragen. Het is alles Zijn genade en tegelijk gaat het niet buiten de mens om. Dit beeld bewaart voor activisme, dat slechts weet van de mens en zijn daden.

Het gaat in de heiliging van het leven om het geloof in Christus en de levende verbondenheid met Hem. Heiliging is niet een tweede feit na de rechtvaardiging. Christus is gegeven tot rechtvaardigheid en heiligheid. Deze beide lijnen kunnen niet van elkaar worden losgemaakt. Het een kan nooit buiten het ander. Wonderlijk klinkt dan Zijn woord: "Blijf in Mij en Ik in U” (Joh.15:4a). In deze enkele woorden blijft de wederkerigheid ten voeten uit.

De weg der heiliging wordt bedreigd door het gevaar dat de mens na allerlei zegeningen te hebben verkregen, toch weer zelf aan het werk wil gaan. Te geloven in Christus tot vergeving der zonden is reeds een gave Gods; te blijven geloven in Christus tot verbreking van de macht der zonde is nog bijna een grotere gave.

Men meent na de vergeving nu zelf te moeten gaan werken. Dat kan heel ongemerkt en bijna vanzelf in zijn werk gaan. Men mag geloven een kind van God te zijn en dan worden toch de vruchten gezien? Dan moet ge toch liefde tot God hebben en dan verloochent u toch wel uzelf? En dat leeft u toch volkomen in de dienst van God en dan zult u toch wel de wereld mijden en vlieden? Dat zijn enkelen van de vruchten en daar zoekt men naar. Men streefte er ook naar om die te gaan vertonen. Men vervalt zo maar weer in dit proces in de dienstbaarheid van de wet. U moet nu toch geheel anders zijn? En er staat toch in de Bijbel een duidelijk bevel daartoe gegeven?

Zodoende kan men soms in de heiliging nog sterk op dwaalsporen terechtkomen. Men kan, nadat veel zegeningen werden verkregen, toch weer in donkerheid en gemis terechtkomen, omdat we het niet

van Hem, maar van onszelf verwachten. Lloyd Jones merkt daarover op in zijn boek over Geestelijke groei: "Het is zelfonderzoek dat zover wordt doorgevoerd dat het ophoudt heilzaam te zijn, zodat u in plaats van uzelf te onderzoeken of u in het geloof bent en in plaats dat u ziet op Christus, de hele dag doorbrengt met naar uzelf te kijken, naar uw eigen vuilheid en naar de donkerheid van uw ziel, zodat u geleidelijk aan in de diepte terechtkomt.Dat is geen zelfonderzoek meer, maar zelfbeschouwing, en dat leidt natuurlijk tot een toestand van ziekelijkheid, waarin u zich zo bewust bent van uw eigen onwaardigheid en zondigheid, dat het is als een wolk die het gezicht van uw Verlosser verbergt. Het lijkt Golgotha bijna teniet te doen en u bent ervan overtuigd dat niets u kan redden. U bent zo doordrongen van uw zonde en vuilheid, dat u geneigd bent niets anders te zien en het overschaduwt het evangelie” (Geestelijke groei, blz 135).

Daarom is het van het grootste belang te denken aan de wijnstok en de ranken. De wijnstok is er geheel voor de dragende ranken. Zij ontvangen alles uit de wortel. Vruchten behoren een uitvloeisel te zijn van het volbrachte werk van de Heere Jezus. Dankbaarheid kan er eerst zijn na het ontvangen van weldaden uit Hem. Men behoeft zich niet op te werken tot een hoger niveau van de heiligmaking, maar de vruchten volgen als vanzelf uit de verbondenheid met Christus. Het is ook verder de Heilige Geest, Die zorgt voor de juiste verbinding tussen Christus en de Zijnen. De H. Geest is in Zijn bediening ook onmisbaar.

Waar we dit niet zien, vervallen we tot onvruchtbaarheid; een nieuwe wettische dienstbaarheid werpt de zondaar terug op zichzelf, en daardoor ontstaat een hernieuwde kracht der zonde.

Groeien in heiligheid ontwikkelt zich dus niet los van de groei in kennis en in genade. Er is een onlosmakelijk verband.

 

?xml:namespace>

praktijk

 

?xml:namespace>

Denken we verder na over de invulling van deze heiligheid, dan geeft Gods Woord ons daarover duidelijke informatie. In onze tijd doen zich veel moeilijke vragen voor, als het gaat om de wandel der gelovigen. Hoe stelt hij zich op tegenover moderne verzoekingen en uitdagingen? Hoe zal hij in heiligheid omgaan met allerlei eigentijdse zaken? Hoe om te gaan met de vele vragen die zich voordoen op medisch terrein en hoe te staan in de moderne maatschappij, waarin men afrekent met God en Zijn Woord?

Temidden van al deze verwarring moeten we dan terug naar de grondwaarden van Gods Woord. In deze tijd te leven als kinderen des lichts temidden van een krom en verdraaid geslacht is geen geringe opgave. Dat kan alleen, als we ons leven laten leiden door het Woord. In het Woord van God vinden we de eis tot en de bron van ware heiligheid. Ook het doel, dat bestaat in de eer van God.

De eis vinden we in Gods wet. Daarin geeft de Heere Zijn wil aan. Dan vatten we de wet van de Heere niet alleen op als een tuchtmeester of als een beangstigende macht, maar nu als een regel des levens. Hoe wist de dichter van psalm 119 deze kwaliteit van de wet te waarderen. Hoe groot was het genoegen, waarmee hij deze wet tegemoet trad. He is hem het hoogste vermaak, om naar Gods wet te leven. Het heeft niets van een knellend juk, maar het is een bron van hartelijke vreugde. Hij kent een lust en liefde om naar de wil Gods in alle goede werken te leven. Deze wet wordt door hem met verschillende namen genoemd. Daarin tref ons de diepe verbondenheid van de wet met het evangelie van vrije genade. Ook bemerken we dat deze wet ingekaderd ligt in het verbond Gods, waarin deze dichter zijn levensgrond mocht vinden. Hier vinden we de echte heiligheid. Deze psalm is een zeer schone illustratie van een heilig leven. Dat leven kent zich diep afhankelijk, heeft de Heere in alle dingen nodig en vraagt dagelijks om verlichting van het verstand om Gods wil te kennen. Hoe spontaan en geheel vrijwillig beleeft de psalmist zijn levensdoel, dat bestaat in de wil van God. Deze man is gegroeid in heiligheid. Alle elementen voor een heilige wandel treffen we in zijn lied aan.

Het zijn niet de daden die hij verrichten mag voor de Heere, die deze psalm zo schoon maken. Het is het sterke verlangen, waarvan hij getuigt, om Gods wil te doen. Heiligheid bestaat in het vinden van ons levenselement in de wegen des Heeren. Alle vruchten des Geestes worden hier genoemd en beleefd. Hoezeer heeft de kerk van nu daaraan behoefte. Het kan niet anders of hij heeft dat verlangen opgedaan in de binnenkamer van het heiligdom, in de aanschouwing en in de beleving van de verzoening met God, in Christus Jezus. Hij wist het: "Bij U is vergeving, odpat Gij gevreesd wordt”. Daar alleen is heiligheid te vinden, als we staan bij het volbrachte werk van Christus. Daar ontstaat de echte dakbaarheid, die samengaat met heiligheid.

                       

herschepping

 

?xml:namespace>

De bron van alle heiligheid wordt gevonden in deze bediening der verzoening. Een verloren en onheilig zondaar, een hart vo vuile wanbedrijven, een mens, die geneigd is God en de naaste te haten, een goddeloze, die zonder God begeert te leven, hoe kan hij ooit een heilige worden? De overheden trachten door wetgeving en regels de mens humaan op te knappen en bij te werken, maar tot heden toe zijnde resultaten geheel nihil.

De Heere is machtig die grote ommekeer tot stand te brengen. Door het geloof in Christus. Opdat Gij gevreesd wordt! Christus brengt verlossing aan voor verlorenen en gans ellendigen in zichzelf. Deze verlossing bestaat allereerst in vergeving der misdaden. Als Borg treedt Hij op voor en in de plaats van de Zijnen om de toorn Gods in hun plaats te dragen en weg te dragen. Maar deze verlossing bestaat ook in vernieuwing.

Vergeving èn vernieuwing! De schuld  van de zonde, maar ook de kracht van de zonde wordt weggenomen. De schuld en de smet van het verkeerde wordt aangetast en bestreden. Gods kind zal hier in verlegenheid zich afvragen hoe hij ooit een heilige zal worden. Hij ervaart menigmaal een sterke macht der zonde in zijn leden, hij vreest bij tijden dat het beginsel der nieuwe gehoorzaamheid almaar afneemt in plaats van toeneemt, hij mist juist alles wat nodig is om heilig voor God te leven.

Sommigen vinden het verkeerd dat men zó begeert heilig te leven voor God. Althans bespeurt men in die begeerte al heel snel een zucht naar roem en eer. Men wil weer wat worden in zichzelf, nu en ditmaal door een heilige te willen worden in de ogen der mensen. Men kan nimmer ontkennen dat deze neiging sluimert en blijft sluimeren in zijn leden. Maar deze begeerte op zichzelf is nodig en vloeit voort uit het leven met God.

Christus nu is niet alleen gestorven, maar Hij is ook opgewekt. Hij voert tot het nieuwe leven, dat geheel en al voor de Heere wil leven. Zijn gehele leven is een treffende uitbeelding van een leven tot Gods eer. In Hem komt de gevallen schepping weer tot herschepping. Hij is gekomen om Gods wil te doen. Zijn levenshouding werd bepaald door een Zich geheel en al laten leiden door Gods wil. In Hem is psalm 119 volkomen bewaarheid, zonder zonde en zwakheid. Gods kerk zoeke meer en meer in Hem gefundeerd te worden. Hem te kennen als Borg, maar ook als voorbeeld, als overste Leidsman des geloofs. Het geloof begeert Hem te volgen. Zo te mogen leven voor de Heere en Hem welbehagelijk te mogen zijn.  Als Christus heilig te wandelen en te leven in goede werken, welke God voorbereid heeft. Volkomen liefde tot God. Tot elk onderdeel van Gods wet. Tot verheerlijking van al Gods deugden. Tot volkomen verheerlijking van Zijn Vader in de hemel.

 

?xml:namespace>

navolging

 

?xml:namespace>

Hem na te volgen kan alleen geschieden als we dagelijks ook uit Hem bediend worden en in Zijn direkte nabijheid begeren te wandelen. Zijn worsteling in Gethsemané alsook Zijn voortdurend gebedsleven tekent Zijn volkomen overgave aan Zijn Vader. Hoe zou een zelfzuchtige zondaar ooit daartoe kunnen komen? Hoe kan een Saulus, blazende dreiging en moord tegen de gemeente des Heeren, ooit zover komen dat Hij ernaar jaagt om zo, als Christus, te wandelen? Dat kan alleen als de kracht van Christus in hem leeft.

Dan zullen we ook, als Christus, leven in zelfverloochening en dan zullen we bereid zijn tot kruisdragen, hetgeen toch gevaagd wordt van Gods kind. Dan zullen we leven tot heil van de medemens, dan zullen we als de barmhartige Samaritaan, de nood en de ellende van de mensen om ons heen peilen en gevoelen. Dan zullen we een chrisen genaamd worden, omdat we Zijner zalving deelachtig zijn. Zij het onze bede dagelijks: O Zoon, maak ons Uw beeld gelijk; dat leidt tot verheerlijking van God.

Dan zal er groei ontstaan. Dan wordt de wens van de apostel Petrus bevestigd (1 Petrus 5:10): ”De God nu aller genade, Die ons geroepen heeft tot Zijn eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus, nadat we een weinig tijds zullen geleden hebben, Dezelve volmake, bevestige, versterke en fundere ulieden”.

In deze reeks ligt de groei ten voete uit getekend.

 

?xml:namespace>

 

?xml:namespace>