Lijdenspreek over Lukas 23:45    

 

Inleiding:

 

De Heere onderwijst ons uit twee boeken, namelijk het boek der schepping en het boek van Gods Woord.

De schepping, zo zegt onze Geloofsbelijdenis, is als een schoon boek, waarin alle schepselen zijn als letters die ons de grootheid van God verkondigen. De Heere spreekt door de natuur, bijvoorbeeld door de zon die zich dagelijks verheft boven de horizon. Hoe groot is de almacht, die in de schepping ligt verklaard. Elke bloeiende bloem en elke zingende vogel spreekt van de Heere. Er zijn tienduizenden van wonderen in uw lichaam op te merken. Zij  eeuwige kracht en goddelijkheid worden door de schepping aan ons meegedeeld.

Ook in allerlei rampen speekt de Heere tot ons. Het zijn de tekenen der tijden, die tot ons komen en ons waarschuwen voor de komende toorn. Er zijn loeiende stormen en wervelende orkanen, woeste overstromingen en dodelijke cyclonen, die voortdurende de mens bedreigen. Ook daarin spreekt de Heere. Zoals Hij sprak, toen eenmaal de zon werd verduisterd rond het kruis van Christus op Golgotha. Daarin openbaarde de Heere Zich toen in het rijk der natuur en sprak Hij in het boek der natuur.

Het boek der natuur echter leert niet alles. Het voornaamste, namelijk de weg der zaligheid, ontbreekt. Daartoe hebt u het andere boek, namelijk de Bijbel, nodig. Daarin wordt de Heere Jezus voorgesteld als Middelaar en Zaligmaker. Het Woord van God, de Heilige Schrift, verklaart het boek van de schepping nader. Daarom sprak de Heere toen niet alleen in de zonsverduistering, maar tegelijk ook in de tempel, waar de bijzondere openbaring werd gehoord. Wat er in de tempel gebeurde, namelijk het scheuren van het voorhangsel, verklaart precies wat er buiten in de natuur gebeurde.

Twee boeken: het boek der natuur met de zonsverduistering en de Heilige Schrift, met de openbaring van het gescheurde voorhangsel. Zo  wil de Heere ons vandaag inzicht geven in het meest zwarte gebeuren, namelijk de Godverlating op Golgotha.

We spreken over

                                               TWEEëRLEI PREDIKING

 

I het dieptepunt der ellende

 

De Heere doet Zijn zon opgaan over bozen en goede, zo lezen we in Gods Woord. Dat is een  ongeschonden natuurwet. Daarin blijkt de goedertierenheid van de Heere over ons allen. Het is een wonder dat we vandaag de zon mochten zien.

Hoe vreselijk nu echter om te horen dat tijdens het bittere lijden van Christus de zon werd verduisterd. Toen de enige rechtvaardige mens aller tijden leed en stierf, nam de Heere het licht der zon weg en daalde een inktzwarte nacht neer over Zijn eigen lieve Zoon. Hier lijkt alles volkomen van zijn plaats; hier moet ons verstand wel stilstaan van verbijstering. Welk een vreselijk moment wordt hier beleefd.

Waarom deze verduistering?

Het ligt voor de hand dat de oorzaak hiervan gelegen is in het goddeloze en boze gedrag van de mensen, die hier komen en gaan. Deze mensen hebben de Zoon van God gekruisigd. Zij hebben de meest gruwelijke daad verricht, die ooit gedaan kon worden. Deze rebellie is nog ernstiger dan de val van Adam in het paradijs.

Hier immers is het volk opgestaan tegen de grootste Weldoener aller tijden. De Heere Jezus ging genezend en vergevend Zijn gang onder het volk. Er kon in Hem geen onrecht gevonden worden. Het volk heeft de weg ter verlossing bruut en goddeloos afgewezen. Bovendien zijn het hier de godsdienstige mensen, die het felst tegenover Hem staan. Ook dat is onvergeeflijk en onbegrijpelijk. Jood en heden staan heden hand in hand in hun haat tegenover de Zoon van God.

Dus laat het zich gemakkelijk voorstellen dat de hemel toornt over dit boze gedrag. Dit moet Gods antwoord zijn op deze zwaarste zonde, ooit bedreven. Er lijkt voor de mensheid nu geen toekomst meer te zijn. Het einde der wereld is nabij!

Toch zijn we hiermee niet op het goede spoor. In de klacht van de Zaligmaker over de Godverlaten- heid blijkt dat deze duisternis er is om Zijnentwil. Hij weet Zich hierdoor van God verlaten. Er klinken geen angstkreten van de omstanders, maar Hij speciaal eigent Zich dit oordeel toe.

Hoe is dàt dan mogelijk?

Het is alleen met heilige schroom te zeggen dat de Christus hier het oordeel, van God uit bezien, terecht ontvangt. Immers, Hij is tot zonde gemaakt. Hij is juist hier het Lam Gods dat de zonden der wereld draagt. Die zodelast roept om het oordeel, het ernstige oordeel der duisternis.

Zo lijken hier alle lichten te doven en daalt de meest zwarte duisternis neer, welke geen nacht ooit heeft gezien. Er doven hier tenminste drie lichtbronnen.

De eerste is het natuurlijke licht der zon. De zon wordt verduisterd. Het is geen eclips, al wordt dat woord soms in het Grieks wel gebruikt. Een normale zonsverduisterning duurt, zoals we weten, geen drie uur.

Het is ook geen natuurlijke nacht, die hier volgt op een lange dag van zonde. Het is immers nog maar 12 uur op de middag, juist het moment waarop de zon het hoogst staat. Deze duisternis is hoogst onnatuurlijk. Onvoorstelbaar ernstig! Deze duisternis bedekt het gehele land met een inktzwarte deken.

Nee, het is een bijzondere gebeurtenis. Er is slechts een geestelijke verklaring voor. Wat een verschrikkelijk gebeuren als de zon verdwijnt en verdonkerd wordt. Wat zou de aarde zijn zonder het licht der zon? Er zou geen leven meer mogelijk zijn. De aarde zou een grote vrieskist worden, zonder licht en zonder leven. De hemel maakt een einde aan het lot der mensen. Het oordeel van een stikdonkere nacht daalt voor altijd neer. Zo lijkt het. Stelt u zich de zon voor als honderdtwintig maal zo groot als de aarde, dan begrijpen wij dat deze gebeurtenis buitengewoon ingrijpend is. De schepping zucht hier wel heel diep en zwaar onder de zonde van de mensen. De natuur komt in opstand tegen het misbruik dat de mens maakt van Gods gaven. De zon, die overal doordringt, lijkt aan Gods kant te staan om de mens te beschuldigen en te straffen.

Trachten we nog wat dieper deze nacht te pijlen.

In Jesaja 13:9 en 10 lezen we het volgende oordeel, dat de profeet aankondigt: "Ziet, de dag des HEEREN komt, gruwelijk, met verbolgenheid en hittige toorn, om het land te stellen tot verwoesting, en deszelfs zondaars daaruit te verdelgen.

Want de sterren des hemels en zijn gesternten zullen haar licht niet laten lichten; de zon zal verduisterd worden, wanneer zij zal opgaan, en de maan zal haar licht niet laten schijnen; Want Ik zal over de wereld de boosheid bezoeken, en over de goddelozen hun ongerechtigheid”.

Feilloos duidelijk heeft Jesaja voorzegd wat eens zou gebeuren. Er zou een dag komen, waarop de Heere de zondaars zou verdelgen en de boosheid van de wereld zou bezoeken. Dat had de Heere kunnen mogen doen. De mens, u en ik, wij hebben het verdiend.

Maar hier gaat dat ontzettende oordeel in vervulling over de enig Rechtvaardige, Die echter als Borg Zich buigt onder het vonnis der wet over de goddelozen. Hier treedt Hij in hun plaats en neemt al hun goddeloosheid op Zich. Hij stelt Zich hoogst persoonlijk aan sprakelijk voor de schuld van een ontelbaar groot volk. Daarom gebeurt dit allemaal.

Amos heeft er ook van gesproken (8:9): "En het zal te dien dage geschieden, spreekt de Heere HEERE, dat Ik de zon op den middag zal doen ondergaan, en het land bij lichten dage verduisteren.

En Ik zal uw feesten in rouw, en al uw liederen in weeklage veranderen, en op alle lenden een zak, en op alle hoofd kaalheid brengen; en Ik zal het land stellen in rouw, als er is over een enigen zoon, en deszelfs einde als een bitteren dag”.

Heel letterlijk is dit woord in vervulling gaan. Rouw over een enige zoon, zoals ook Zacharia het heeft aangekondigd. Een bittere dag! Dies irae, dies illa: de dag des toorns bij uitnemendheid. Deze Joden kenden de Schriften en hoezeer hadden zij moeten bedenken dat hier een uitbarsting van hemelse toorn beleefd wordt. Maar men heeft naar Hèm gewezen; wij achtten Hem dat Hij geplaagd, van God geslagen en verdrukt werd (Jes. 53:4).

Dus kunnen we een tweede lichtbron noemen, die hier lijkt gedoofd te worden. Het licht van Gods vertroostend aangezicht wordt hier verduisterd. God is een Licht en in Hem is gans geen duisternis. Waar God is, daar is het licht, daar is reden tot vreugde en vrede. Maar naar het kruiswoord van de Zaligmaker is God hier niet meer; Hij weet Zich van God verlaten. En besef toch, waar God niet meer is, daar is enkel duisternis.

Is God hier werkelijk niet? Is Hij niet overal? Zeker, in een zeker opzicht is de Heere hier nog, evenals Hij ook in de hel is. Maar hier is Hij niet meer in Zijn gunst, maar slechts in Zijn heilig ongenoegen, in Zijn brandende toorn. Daarvan heeft de dichter gezegd: "Al bedde ik mij in de hel, zie, Gij zijt daar” (Ps.139:8b).

Psalmdichters hebben tot God geroepen: Waarom verlaat Gij Mij? Maar deze verlating is donkerder en oneindig veel meer omvattend. Niet zo maar een vergeten of verlasten zijn, maar een brandende toorn uit de hemel. Gods kinderen kunnen zich daar iets bij voorstellen. Ook zij gevoelen soms iets van de toorn en het ongenoegen van de Heere over hun zonden. Dan is het altijd nog verduiend.

Maar lijdt de heilige, zondeloze Zoon van God. Het kan niet anders, Hij draagt hier als Borg de straffen van de hemel over de ongerechtigheid.

Nog een derde licht onttrekt zich aan onze waarneming op Golgotha. Heeft de Heere Jezus Christus Zich niet genoemd het Licht der wereld? En ook deze lamp is er niet meer. Dat moet voor de discipelen wel zwaar geweest zijn om te beleven. Hun hoop vergaat helemaal met Hem, nu het alles zo afloopt. De lamp der zaligheid begeeft het voor hun ogen en er daalt een duisternis neer, waaruit geen redden meer mogelijk is.

Alles inbeelding geweest? Geen enkele hoop voor ons, mensen. Elke belofte is hier schijnbaar tot drijfzand geweest. Het Woord van God, zo vol beloften, lijkt slechts een moeras. "Die Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen”, maar dit woord is in tegenspraak met de werkelijkheid.

Dat is geen onbekende zaak voor hen die Hem leerden volgen, ook nu nog niet. Natuurlijk is de beleviong hier van de discipelen en Zijn verdere bekenden heel uniek en onherhaalbaar. Maar het volgen van een vernederde Zaligmaker brengt deze duisternis met zich mee. Op grote afstand, dat wel. Eén plant worden in de gelijkmaking van Zijn dood doet ook iets gevoelen van de ernst van dit moment. Dan kunt u geen belofte meer vinden, dan is het allemaal inbeelding geweest; het is dan allemaal voor een ander en niet voor u. En de God des hemels hult Zich in toorn en duisternis, een duisternis die verbonden is met de schaduwen des doods. En het ergste is wel dat de Heere recht zou zijn, als Hij nooit meer op Zijn werk terugkwam. Het moet wel een wonder genoemd worden dat deze mensen, van verre staande op Golgotha, niet aan en van wanhoop zijn bezweken. De Heere heeft hen hier vastgehouden. Zoals Hij altijd de Zijnen vasthoudt, zodat niemand hen uit Zijn hand rukken kan.

Echter ook zij, die de Heere niet kennen hebben toen iets gevoeld van de ernst van het ogenblik.

Zij keerden terug, slaande op hun borsten. We weten niet welke gevolgen dit alles heeft gehad voor hen, maar er was indruk. Er was een gevoelige aanraking, een gevoel van medelijden wellicht ook met deze Man van smarten. Allerlei vragen zullen hen hebben gekweld over de gang van zaken, waaraan zij mede schuldig waren. Er kan dan op zulke momenten in het hart van een onbekeerd mens heel wat omgaan. Het kan echter een dag later al weer zo helemaal verdwenen zijn.

Ik bedoel maar te zeggen dat iedere kerkganger hier wel zwaar onder de indruk zou moeten zijn van het aangrijpende der dingen. Of bent u ook al gewend geraakt aan de meest ernstige zaken? Ik weet het, een nog ernstiger aandoening is er als Gods volk kil en koud blijft onder alles. Maar dat moet dan ook leiden tot zelfonderzoek, of we wel waarlijk uit de dood zijn overgegaan tot het leven. Het leven kan zich bij de dood nooit neerleggen.

Zo waren er diepe indrukken op ieder die daar rond het kruis aanwezig was. Maar het meest van alles trachten we ons voor te stellen wat dit geweest moet zijn voor de middelste Kruiseling. Nee, we kunnen de diepten nooit weergeven of beschrijven. Maar toch kan er wel een zwak verstaan zijn van de grote nood van dit moment. Gods kind kan zich voorstellen dat de ergste nood zal zijn als men voor eeuwig het aangezicht van de Heere missen moet. In oneindig veel sterkere mate heeft de Heere Jezus dat beleefd en doorvoeld. Hij, Die bloed zweette, bloed in grote druppels, Hij is hier zo nameloos ver verwijderd van de lichtkring van de hemel. Er is geen enkele besef meer van de gunst van God.

 

En waar dan God niet meer is, daar is de duivel wel helemaal present.

Duisternis en duivel behoren onlosmakelijk bij elkaar. Daarom staan hier op Golgotha de poorten van de hel wijd open.En dat valt temeer op, waar kortgeleden juist nog de poorten van de hemel werden geopend. Ook heel wijd, want ze moesten opengaan op het woord van de Heere Jezus voor de moordenaar. Hemel en hel als schrille tegenstelling. De hemel geopend voor de ergste misdadiger en gesloten voor de Zoon van God. De hel gesloten voor de moordenaar en geopend voor de Man van smarten. Alles is hier anders dan we zouden verwachten.

Christus is nedergedaald ter helle. Dat zien we hier. Hier golven de duistere machten op de Heere aan. Welk een lijden.

We weten dat hel en duivel ook ons omringen en dat de duivel ook in de kerk is. Het is heel merkwaardig dat de wereld het woord hel of hels nogal eens in de mond neemt. Men is het zicht op de hemel kwijt, terwijl men nog wel schijnt af te weten van helse moeiten en zorgen. Op Golgotha echter is de satan heel anders en veel meer present. Hij manifesteert zijn macht in kerk en wereld, alle mensen tezamen, die zich stellen tegen God en Zijn Gezalfde. Wat drift beheerst het woedend heidendom en heeft het hart der volken ingenomen. Hij toont ook zijn macht daarin dat God geheel afwezig lijkt en hij zijn overwinningslied zingt.

O, dood’lijk uur!

Onze Catechismus brengt deze donkerheid in verband met onze hoogste aanvechtingen, waarmee Gods kind te maken krijgt. Hoezeer krijgen zij te maken met de aanvallen van de boze. Ook zij weten ervan dat de hemel gesloten is en er niets anders overblijft dan eenzaamheid en verlatenheid. Juist wie heeft mogen delen in de nabijheid van de Heere, gevoelt het zo zwaar en smartelijk als de Heere Zich echt onttrokken heeft.

Dat alles wordt dan nog verzwaard door de lasterlijke en onreine hellegeesten, die zich sterk maken. Ja, ook Gods kinderen weten daarvan. De poorten der hel zijn u niet vreemd? De Heere Jezus Zelf heeft het voorzegd. Hij gaf er de belofte bij, op grond van Zijn lijden in de verlatenheid, dat Hij machtig is deze poorten te grendelen zoals de leeuwen in Daniël’s tijd.

Wie deze strijd ook zo heeft moeten doormaken, was David. Hij geeft in psalm 22 een duidelijke tekening van zijn nood en eenzaamheid. In zulke bewoordingen dat we zouden denken dat hij Golgotha al heeft meebeleefd. Ook de verlatenheid en ook de helse machten in een stierenheir en in onreine honden.

Weet dat de hel heel dichtbij kan komen en dat u zich heel ver verwijderd kunt gevoelen van de hemel. Maar weet ook, dat hier juist uitkomsten zijn tegen alle hellemachten. Hier krijgt u, bestreden ziel, moed en kracht en hier ziet ge dat de Heere plaatsvervangend deze helse duisternis heeft doorleden voor Zijn kerk. Zie door het geloof op Hem, Die u toch niet onbekend is? Er is uitkomst voor hen die gewagen moeten van duizend zorgen en duizend noden. Er is hulp beschoren bij een sterke Held. Bunyan heeft niet teveel neergeschreven. Er is een uitweg uit het kasteel van de reus wanhoop. Zie op Hem, Die gesprken heeft van de sleutels der hel en des doods. Ze zijn in Zijn bezit.

 

Zo is deze zonsverduistering op Golgotha de zwartste bladzijde uit de wereldgeschiedenis en tegelijk ook de meest lichtende boodschapper van het licht. Ja, ook dat en dat zullen we straks nader horen.

Eerst dralen we nog een moment bij deze duisternis en komt ons een woord in gedachten, dat hier alles mee te maken heeft.

U hebt ongetwijfeld mensen om u heen wel eens horen spreken van Godsverduistering.

Wat wordt ermee bedoeld?

De Heere wordt in Zijn Woord vergeleken met de zon en in die zin kan men zich voorstellen dat er wolken komen tussen God en ons. Godsverduisterning, als dat een werkelijke mogelijkheid is, dan is de zaak hoogst ernstig. Men zegt meestal wel dat de Heere Zich niet verbergt maar dat wìj de oorzaak zijn van alle duisternis. Dat is wel waar, maar als reactie op onze ontrouw kan het zeker gebeuren dat ook de Heere Zich onttrekt aan een volk en een kerk.

Als de zon schijnt, kan het in een woning toch wel donker zijn. Omdat binnen de gordijnen  zwaar voor de ramen hangen of omdat de luiken dicht zitten. De oorzaak vinden  we dan binnen in die woning. Het kan echter ook zijn dat een hele stad klaagt over donkerheid en schemer, terwijl men de gordijnen open heeft. Zie, dan is die klacht veel ernstiger want dan is er iets anders aan de hand. Dat kan dan komen doordat er zware wolken en zwarte buien voor de zon zijn.

Is dat laatste schijnbaar niet in onze dagen het geval? Het is niet zo maar eens een enkel mens hier en daar, die klaagt over donkere dagen, maar u hoort die klacht vrijwel overal. Door heel de kerk zien we mensen die in het donker lopen of geestelijk aan lager wal geraakt. Godsverduisterning, een angstige werkelijkheid. Want de nacht komt, waarin niemand werken kan.

Onze tekst waarschuwt ons voor de oordelen Gods, die als wolken van duisternis over ons vok en over Europa heelrollen. En de kerk deelt daarin. Wat zal er van mensen en volken terechtkomen, als de Heere Zich terugtrekt, zoals Hij Zich eens ook uit de tempel in Jeruzalem heeft teruggetrokken. Maar beseffen wij dat dit de ernst van het moment is of denkt u dat alles nog licht en helder is? Het zou ook kunnen zijn dat we geen gevoel en besef meer hebben van geestelijke duisternis.

Wij hebben deze duisternis verdiend. Maar we mogen hier nu ook zien dat de Heere Jezus dfeze duisternis heeft doorleden. Dat betekent dat, als we leren smeken om een doorbraak van het licht, dat de Heere dan gedenken zal aan Zijn eigen werk. Dan is er zelfs nog hoop voor ons in deze laatste tijden. Maar de Heere werkt dat toch altijd weer door een bewustwording van de nood en schuld heen. Wie gaat roepen uit de duisternis, zal een groot Licht mogen zien. Zo biedt deze tekst uitkomst, ook nog voor volkeren en mensen, ja voor de gehele wereld.

 

Spreekt de tekst zelf ook van licht in de duisternis?

We zingen wel eens: de morgen, ach wanneer? We denken aan de bekende woorden over Duma: " " "Wachter, wat is er van de nacht? Wachter, wat is er van de nacht?” Dat is een bange vraag. En het antwoord luidt: "De morgenstond is gekomen, maar het is nog nacht”.

De nacht duurde voort. Hoe is dat hier, op Golgotha? We mogen in deze tekst toch ook lezen van de doorbraak van het licht.

 

II het keerpunt der verlossing

 

We lezen immers in vers 44 dat deze duisternis optrad van de zesde ure tot de negende toe. Er staat dus ook dat er een hernieuwde dageraad is aangebroken, midden in de duisternis. Voor de tweede maal spreekt de Heere: "Daar zij licht”. Anders gezegd, de Heere houdt vast aan Zijn eens gesproken woord. Het licht schijnt toch in de duisternis en de duisternis heeft het licht niet kunnen overwinnen.

Wat moet hete en verademing geweest zijn voor de mensen destijds op Golgotha, dat de beklemmende angst vanwege de donkerheid werd weggenomen, toen het weer licht werd. Op de Paasmorgen gaat het lichten, in de vroegte, maar dat kon alleen maar gebeuren omdat hier reeds de dageraad der genade haal vertroostende stralen heenzendt over de wereld.

Een heerlijke doorbraak van het licht, in de morgenstond der genade, nu er een morgen zonder wol-ken aanbreekt. Reeds David heeft ervan gezongen op zijn sterfbed, dat die morgen komen zou. "Hij zal zijn gelijk het licht des morgens, wanneer de zon opgaat, des morgens zonder wolken, wanneer van de glans na de regen de grasscheutjes uit de aarde voortkomen” (2 Samuel 23:4).

Wat hier nu gebeurt is niet te beschrijven.

Wat kan de nieuwe dag, hoe aarzelend ook, voor de zieke in het ziekenhuis, na een bange lange nacht, weer moed en nieuwe hoop wekken. Zo mogen wij zien dat heir nieuwe hoop wordt geboden. De duisternis is definitief overwonnen. De Heere neemt Zijn oordelen weg. Hij komt terug met Zijn heerlijke aanwezigheid. De helse machten moeten vluchten en zij ruimen het veld. Zeker, de morgen der opstanding breekt hier in beginsel reeds aan.

Wie dit mag geloven, wandelt in het licht. Waar dit licht gaat doorbreken, daar wijkt de duisternis. Wat moet het dan voor de Heere Zelf niet een vertroostend moment geweest zijn, toen Hij de duisternis langzaam zag wijken. Het werd voor Hem de kroon op Zijn arbeid aan het kruis. Hier gaat het toch in vervulling dat Hij het Licht der wereld is. Het Licht is, ondanks de duistere machten, niet uitgeblust, het is blijven branden en het laait thans weer hoog op. Tegelijk gaan alle beloften weer oplichten en mag nu zelfs gezien worden dat de duisternis vluchten moet. Komt Gods licht, het duister zwicht!

Kijk dan vandaag eens naar de zon daarbuiten, of ziet ge geen zon op dit moment? Hoe dan ook, het weer gaat ons onderwijzen en vertellen dat de zon nog schijnen kan en mag, omdat Christus ook dat natuurlijk licht heeft verdiend en verworven. Had Hij dat niet kunnen doen, dan zou het nooit meer licht geworden zijn en zou het licht der zon voorgoed zich teruggetrokken hebben.

De mens van onze dagen houdt erg van de zon en dat is wel te begrijpen. Maar dan zou u nog oneindig veel meer moeten houden van deze Borg, Die de stralen van de zon heeft opgeroepen. Dat verstaan we helaas veel te weinig. Hij heeft niet alleen e zon opgeroepen, maar Hij is Zèlf de Zon, de Zon des heils. De Zon der gerechtigheid gaat hier op in al zijn rijkdom. Om drie uur in de middag breekt de nieuwe heilsdag aan. Nu kunnen de gordijnen in uw ziel weggetrokken worden. Wie zou dat niet doen? Ieder zal toch verlangen naar de morgen?

Dringen deze stralen nu door in ook in ùw ziel? We moeten wel beseffen dat er een lijn moet lopen vanaf het kruis naar uw leven. Als we zien dat daar de grote centrale van alle geestelijke energie staat, dan hebt u een snoer nodig, een verbinding, dat u met Christus verbindt. Dat is de verbinding van het geloof.

Want laten we nu niet menen dat het genoeg is dat aan het kruis het licht weer is doorgebroken, zodat nu voor heel de wereld de zon weer voor altijd zal schijnen. Er blijft, ook na de doorbraak van dit heerlijke licht, nog sprake van de buitenste duisternis. De Heere Jezus heeft daar Zelf meermalen over gesproken (Matth.8:12; 22:13; 25:30).

Deze duisternis zal nooit meer verdwijnen en nooit meer zal er enig licht van vreugde en hoop gloren. De buitenste duisternis, d.w.z. buiten de gunst van God, geheel ver verwijderd van Zijn gunstrijk aangezicht. Dat moet ons temeer wel een aansporing zijn om dit Licht te zoeken en te vinden. Want tegenover die eeuwige inktzwarte nacht staat anderzijds de heldere dag der eeuwigheid, als de Heere ons in Zijn Woord zegt dat aldaar geen nacht meer zijn zal en dat die stad zelfs het licht der zon niet meer van node heeft.

Zo staan tegenover elkaar de lichtende stad der genade, waar geen duisternis meer zijnz al, terwijl deze stad ommuurd is en zich onderscheidt van de nacht daaromheen. Welk eens cheiding zal dat zijn. Het ene deel van de wereld verkeert nu in het licht der zon, terwijl aan de andere zijde van de aardbol de nacht heerst. Dit alles wisselt elkaar af; waar nu duisternis is,d aar komt het licht en ongekeerd is dat ook zo.

Maar in de eeuwigheid zal dat zo niet meer zijn. Eeuwig licht en eeuwige de nacht. Dat moet ons wel doen zoeken naar het licht der genade. Wat een waarschuwing voor u en mij. Nu licht u nog de Zon des heils, het lieflijk en vetroostend licht van Gods gunst in Christus Jezus. De Zon der genade schijnt nog en nog kunt u Hem hier vinden. Verkies toch niet de duisternis van de eeuwige nacht. Vliedt uit de stad Verderf en rust niet voordat u de morgenstralen ziet doorbreken. Zoals de wachters op de morgen op de muur gezeten waren en uitzagen naar de dag. Vanuit de trouw Gods wisten zij dat de morgen zou aanbreken, vast en zeker. Zo wil de Heere ook uw bange vragen wegnemen door de zekerheid dat Hij Zijn licht zal doen komen.

 

Maar wat moet er dan in uw leven gebeuren?

:ees met mij eens 2 Corinthe 4:6: "Want God Die gezegd heeft dat het licht in de duisternis schijnen zou, is Degene Die in onze harten geschenen heeft, om te geven verlichting der kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus”. We zien in dit woord van de apostel enerzijds de noodzaak, dat het licht van Golgotha nu ook in uw hàrt moet gaan schijnen. Ziet u wel dat er voor u en mij meer nodig is dan dat het op Golgotha licht werd? Begrijp goed, het werk van de Heere is volkomen en volmaakt, geheel af en zonder gebrek. Maar Hij wil nu ook Zijn werk laten doordringen in uw hàrt. Een goede uitdrukking zegt dat de Heere Jezus niet alleen Middelaar van verdienste is, maar ook dat Hij is de Middelaar van toepassing. Wat op Golgotha is gebeurd, wil de Heere nu ook realiteit doen zijn in uw hart. De gordijnen van uw ziel moeten opengetrokken worden.

Maar hoe moet dat nu?

Op die vraag geeft Paulus ook het antwoord. God is Degene Die in onze harten geschenen heeft om te geven….. De Heere is de God der herschepping Die ook spreken wil in uw hart. Het is geen werk van u, maar het is Zijn werk. In Christus heeft Hij dat alles gezegd; denk dan maar aan de moordenaar. Hij zag het licht onder de meest bange omstandigheden. Zo kan de Heere het ook in uw leven doen. Hij is de Bron van alle licht. U kunt toch onmogelijk de zon doen opgaan? Maar de Heere Zelf doet dat toch weer iedere morgen opnieuw?

Ik denk hierbij aan nog een uitspraak van de apostel Paulus, als hij zegt in Efeze 5: "Want gij waart eertijds duisternis, maar nu zijt gij licht in de Heere. Wandelt als kinderen des lichts” (vers 8). Ook hier blijkt weer duidelijk dat we persoonlijk deel moeten ontvangen aan dat licht. De Efeziërs waren duisternis, zoals wij allen van nature zijn. Zij zijn echter geworden kinderen des lichts en dat moet nu ook hun wandel gaan bepalen. Ziet u wel dat we allen persoonlijk de uitwerking nodig hebben van Golgotha’s Licht. Er zou veel meer te noemen zijn.

Zie daarom op dit Zonlicht der genade. Hoop op God, u die klaagt over uw donkere nachten. Nu kan het gebeuren dat de Heere psalmen geeft in de nacht. En daar ligt dan tocfh ook weer alle hoop en troost, ook voor u.

Dit keerpunt der verlossing is nu ook

 

III het hoogtepunt der genade.

 

We zijn begonnen met de gedachte dat de Heere Zich aan ons openbaart zowel in de natuur alsook in Zijn Woord. We hebben tot nu toe gehoord dat de duisternis van Golgotha een duidelijk spreken is geweest in het rijk der natuur. Nu mogen we horen van een spreken in het heiligdom de tempel. Daarin bestond de bijzondere openbaring en deze werd gevonden in de tempeldienst. Nu spreekt de Herere ook in het scheuren van het voorhangsel.

Er gebeurt niet alleen iets buiten de tempel, waarneembaar voor iedereen, maar ook binnen de tempel worden tekenen waargenomen die melden dat er iets uitzonderlijks is gebeurd. Het voorhangsel scheurt middendoor, van boven naar beneden, zoals andere evangelisten aanvullen.

 

Er hingen in de tempel twee voorhangsels. Het ene bevond zich aan de buitenzijde van de tempel en het tweede hing tussen het Heilige en het Heilige der heiligen. Er wordt wel verschillend gedacht over de vraag welk voorhangsel nu bedoeld wordt in de tekst. Er zijn echter argumenten om aan te nemen dat hier het binnenste voorhangsel scheurde. In Hebreen 9 wordt dit genoemd het tweede voorhangsel (vers 3). Omdat de Hebreenbrief ook handelt over dit tweede voorhangsel dat gescheurd is, sluiten we ons bij die verklaring aan.

Zolang dat voorhangsel daar hing, was de weg tot het heiligdom nog geblokkeerd. Men moest halt houden in het toegaan tot de Heere voor dit voorhangsel. Er was nog geen toegang; er bleef afstand en verwijdering.

Deze gedachte vinden we door heel de Schrift heen. De Heere bewoont een ontoegankelijk licht (1 Tim.6:16). Daarover lezen we in Jesaja 33: "De zondaren te Sion zijn verschrikt; beving heeft de huichelaren aangegrepen; zij zeggen: Wie is er onder ons, die bij een verterend vuur wonen kan? Wie is er onder ons, die bij een eeuwigen gloed wonen kan?” (vers 14).

Toen u gedoopt werd, is er over u gezegd dat u buiten het rijk van God verkeerde. We kunnen daar niet inkomen, tenzij…. Zo is er vanuit ons geen weg naar God, geen toegang tot de hemel. Door de zonde is Adam buiten het paradijs komen te staan en ook dat geeft al aan waar wij staan, van nature.

Dat wordt ook voorgesteld in het voorhangsel, dat zwaar en breed de toegang tot God voorstelde.

Zwaar en breed, maar ook zeer sprekend; men kon er niet omheen, men kon er niet doorheen. In vier kleuren, sprekende kleuren, stond de mens aan het eind van zijn wegen. Zijn weg tot God liep dood.

Toch was er een lichtpunt.

Op de grote Verzoendag mocht de hogepriester het gordijn opzij schuiven, want dan mocht hij naar binnen om met bloed verzoening te bewerken voor het volk. Hij sprengde dan het bloed op het verzoendeksel, voor de ark. Ik stel mij voor dat die jaarlijkse gang voor de hogepriester heel erg spannend en zelfs wel angstig was. De zonen van Aäron werden gedood toen zij in strijd handelden met het gebod van God. Dat kon ook de hogepriester gebeuren, als hij bewust of onbewust Gods wet overtreden zou.

Er mocht geen smet of vlek aan zijn kleding kleven. Hij moest volkomen, tot in de kleinste finesses, in overenstemming zijn met Gods wet. Was dat niet zo, dan dreigde de dood.

Maar die ene gang per jaar zette de deur toch op een kier. Er was tenminste verzoening mogelijk en het volk wist ook hoe die verzoening tot stand zou kunnen komen. Er moest bloed gebracht worden. Zonder bloedstorting geen vergeving!

Er was in de dagen van het Oude Testament wel evangelie, maar het leek zo onbereikbaar, het was zo ver weg.

 

Ook nu kan men dat nog wel zo beleven, als we door het geloof op de weg tot God zien. Ook in het Nieuwe Testament moet nog gesproken worden over het ontoegankelijk licht. U kunt het gevoelen dat er voor u geen plaats is in de nabijheid van een heilig God? Hoe hebben de psalmdichters gesmeekt om de toegang tot de Heere te mogen ontvangen. Denkt u maar aan psalm 42. Hij verkeerde ver van God en wist niet hoe hij de Heere kon vinden. We zijn buitenstaanders en vreemdelingen.

Nu lag in het toegaan van de hogepriester in beginsel reeds de volle weg der zaligheid verklaard. Als in een profetie.

En die profetie gaat hier nu in vervulling, als het voorhangsel scheurt.

Want nu ìs de Hogepriester ingegaan in het heiligdom, zelfs in het volmaakte heiligdom van de hemel, waar God woont (Hebr.9:11). En omdat Hij dat gedaan heeft, wordt het voorhangsel defintief weggenomen. Nu is er een open toegang. Niet alleen voor de hogepriester, maar voor geheel het volk, voor allen, die hebben leren uitzien naar de gemeenschap met God. Het bloed van Christus heeft dat bewerkt. Daar behoeft u zelf helemaal niets aan te doen; alles is in en door Hem gedaan. Is dat niet een groot wonder? Nu kan de kerk des Heeren sterven, zoals reeds Simeon dat mocht zien. De dood jaagt geen vrees meer aan. Christus is metterdaad dè Weg. Deze weg ligt nu open. De gapende ravijn is overbrugd. De vlammende toorn des Heeren en het verterende vuur is geblust. Dat is de boodschap in de tempel. De tempel bevestigt wat er buiten op Golgotha gebeurd is.

De weg is geopend! En, deze weg is nu ook openbaar geworden, zoals we lezen in Hebreen 9:8. het zijn twee dingen: open en openbaar.

De opening van deze weg gaat voorop. De belemmering is weggenomen. Er is uitkomst en uitzicht  in de verzoening met God.

Maar nu gaat het er ook om dat deze weg openbaar gemaakt wordt. Het moet ook bekend gemaakt worden. Het moet ook gaan leven in het hart van Gods kerk. Het moet hen meegedeeld worden. Het woord dat in hebreen 9:8 gebruikt wordt voor openbaar maken, betekent ook inderdaad dat er duidelijkheid is gekomen door de weg van Christus.

Maar ach, hoevelen zijn er, die wel geloven dat er een weg is, maar deze is hen persoonlijk niet openbaar geworden. Ze weten dat binnen in hun hart niet. Ze leven daar niet uit en hebben er geen troost van. Iedereen weet wel wat het evangelie ongeveer inhoudt, maar is het ons geopenbaard? Als dat gebeurt, gaat u er ook uit leven en hebt u vrede met God in uw hart.

Hoe openbaart de Heere dat dan?

Zoals we het hier mogen lezen, in het Woord van God. Hij verklaart hier in de prediking, in de tempel, in de kerk dat de weg gebaand is. En vandaaruit komen die gebaande wegen door het geloof in het hart. Daartoe ook wordt het u heden gepredikt namens de Heere.

Dat wordt nader onderstreept door enkele details. Er staat niet dat het werd weggeschoven, maar dat het scheurde. Letterlijk zelfs: het wèrd gescheurd. Stond er slechts dat het is weggeschoven, dan kan het weer teruggebracht worden in de oude staat. Maar wat gescheurd is, is onbruikbaar geworden voor dat speciale doel.

Verder werd het gescheurd van boven naar beneden. Mensen hebben het kennelijk niet kunnen doen, het is niet gedaan van onderaf. De Heere Zelf heeft het gedaan. Het heeft Zijn hartelijke instemming als een zondaar in verslagenheid tot Hem komt en Hem zoekt en aanroept in de nood. De Heere heeft Zelf de weg gebaand. Ook voor u, opdat u zou komen tot de geloofsvereniging met de Heere. Het is door midden gescheurd, niet slechts een hoekje, dat eraf was, maar er is direkt een duidelijke weg gebaand. Niemand kan het ontkennen.

 

De conclusie: "Dewijl wij dan, broeders, vrijmoedigheid hebben, om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus,

Op een verse en levenden weg, welken Hij ons ingewijd heeft door het voorhangsel, dat is, door Zijn vlees;

En dewijl wij hebben een groten Priester over het huis Gods;

Zo laat ons toegaan met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid des geloofs, onze harten gereinigd zijnde van het kwaad geweten, en het lichaam gewassen zijnde met rein water.

Laat ons de onwankelbare belijdenis der hoop vast houden; (want Die het beloofd heeft, is getrouw)", zo lezen we in Hebreen 10:19-22.   

De weg is gebaand, maar wie zullen die weg nu bewandelen? Zou dat voor u mogelijk zijn? Het is nodig, want de buitenste duisternis blijft dreigend u volgen.

De gemeente der Hebreen bevond zich in een verkeerde ontwikkeling. Er dreigde een afval van de levende God. Het wass dus een duidelijke keus: toegaan of teruggaan. Voor die keus stonden ook eenmaal de discipelen. Velen hebben inmiddels afgehaakt, zij wandelden niet langer met Hem, zij keerden terug, zoals Orpa deed.

Voor die keus staan u en ik ook. Gaat u terug of gaat u voort? Licht en donker liggen in de toekomst, hel en hemel roepen u hun boodschap toe, en waar zal uw leven eindigen? Of juist echt beginnen?

Laat ons…., zo zegt de schrijver van de Hebreenbrief.

Hoor maar: "Laat ons toegaan…; laat ons de onwankelbare belijdenis der hoop vasthouden….; laat ons op elkander acht nemen….; laat ons onze onderlinge bijeenkomsten niet nalaten”.

Allemaal aansporingen.

Er mag zelfs vrijmoedigheid zijn, zegt deze brief. Voor zulke mensen, die dreigen te verslappen en terug te vallen. Er is een verse en levendige weg. Deze weg is ingewijd, zoals wij een weg officiëel openen.

Zelfs een moordenaar mocht die weg gaan. Zijn schuldbelijdenis werd door de Heere genadig gehoord. Neem dan een voorbeeld aan hem. Belijd ook uw schuld en zonden, verklaar de Heere al uw noden. De weg van het gebed ligt open, in Christus. Herinner de Heere aan Zijn eigen werk. Moede kom ik, arm en naakt, tot de God Die zalig maakt.

 

Let nog eens op de reacties op dit keerpunt van genade. Er is een hoofdman bij het kruis, die onder de diepste indrukken geraakt is vanwege dit sterven van Christus. Hij mocht God verheerlijken in dit alles, zo staat er. Gaat een heidense hoofdman u voor? Kunnen wij onbewogen blijven onder dit woord?

Verder zijn er de scharen, die terug gaan en op hun borst slaan. Zouden ze ook teruggegaan zijn, de wereld in? Dat weten we niet, alleen de Heere weet in hoeverre deze mensen in waarheid geraakt werden. Zij maken misbaar en gevoelen hun verkeerdheid en hun haat jegens de Heere. Ze slaan op hun borst, zoals de tollenaar. En wij gaan straks rustig naar huis? Zijn wij zo ongevoelig geworden?

Dan zijn er nog Zijn bekenden, van wie we verder niets horen.

Maar zij staan van verre (vers 49). Hun reactie bestaat niet in uiterlijk vertoon, maar in een ongetwijfeld diep doorleefde smart. Mogen we met hen aan de voet van het kruis staan? Deze mensen hebben alles tegen en raken hier alles kwijt, terwijl de Heere juist bezig is hun schuld voor eeuwig te verzoenen. Zo kan het nog wel zijn. Van verre staan, geen hoop hebben op een Zaligmaker, Die voor u onbereikbaar is en vreemde wegen gaat, terwijl na de duisternis om voor u het licht is doorgebroken.

 

Het gaat dus om de persoonlijke vraag wat dit alles ons persoonlijk nu brengt. De kerk van die dagen heeft wellicht nog weer anders gereageerd en ook dat kan tot lering zijn.

We kunnen het ons indenken, dat er grote schrik ontstond in de tempel, toen het voorhangsel scheurde. Het kan niet anders of het moet voor het vrome tempelvolk een zwarte dag geweest zijn. Wat nu te doen? Misschien heeft men deze tempelcatestrofe wel in verband gebracht met het kruis van Christus, maar dan anders als we het u hebben voorgesteld. Ze hebben misschien gedacht dat Gods toorn losbarstte over Jezus en dat Hij van alles de schuld was. Men heeft ongetwijfeld niet gedacht dat hier een oordeel over hun zonde en verzet tegen Christus zichtbaar werd. Men wierp de schuld ervan op Christus en niet op henzelf.

En wat te doen bij zo’n onheilspellend teken?

Terwijl het gescheurde voorhangsel spreekt van het einde van de Oud Testamentische tempeldienst, hebben de leidslieden zich juist ingespannen om het voorhangsel weer te herstellen. Op de een of andere manier heeft men het voorhangsel weer op de bestemde plaats aangebracht. Men heeft dus eigenhandig het werk van Christus genegeerd doordat men de weg tot God weer afgesloten heeft.

Op die manier heeft men het genadewerk van Christus vroom afgewezen.

Zou dat ook nu nog kunnen? Zou het ook voor ons niet mogelijk zijn dat we de kerk en de godsdienst in stand willen houden, met grote ijver en inspanning, terwijl we buiten Christus blijven? Wie de Heere Jezus afwijst, hangt het voorhangsel weer op zijn plaats.

Hij of zij, die genoeg heeft aan kerkelijke zaken, zonder een levend geloof in de Zaligmaker van zondaren, mist de toegang tot God. En het ergste is dat u zelf die toegang afsluit door uw ongeloof in Christus. De oorzaak daarvan is in feite dat u nog meent met uw tempelvroomheid behouden te kunnen worden. U hebt nog nimmer de noodzaak van Christus’ offer leren kennen. U hebt genoeg aan de tempel en aan de kerk, aan de Bijbel en aan de leer. Maar bedenk toch dat de toegang nog afgesloten is door uw voorhangselen, die u zelf hebt aangebracht, net als de Joden. Uw tempel redt u niet; die tempeldienst spreekt van een gesloten toegang, buiten Christus.

 

De tempel krijgt een heerlijke betekenis, als u mag leren verstaan dat er een weg gebaand is naar het Heilige der heiligen, ja, een weg zelfs naar de Vader. De weg ligt open voor al diegenen die door het geloof in Christus behouden worden.

Bedenk het: het kruis van Christus maakt een einde an de kerkelijkheid zonder God. Maar wie Hem heeft leren aanschouwen, mag in tempel en prediking horen van de ontsloten weg. Omdat Christus Zelf de Weg is.

Gelukkig allen die door Hem tot God leren gaan. Nee, zij kunnen dat niet in eigen kracht. Ze gevoelen ook menigmaal, dat ze geen voeten hebben om op die weg te gaan. Maar de Heere is hun Leidsman. Onder hen zijn blinden en lammen, tollenaars en zondaren. Wie op deze weg gaat, de blinden zullen er niet dwalen en de lammen zullen niet struikelen.

            Elk hunner zal in ’t zalig oord

            van Sion, haast voor God verschgijnen.

                                                                                                                                              Amen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>

?xml:namespace>